# LICHTEN OP DE KUST
No. 12 der Tweede G.G.-Serie.
UIT HET LEVEN VAN GEOFFREY GILL
DETECTIVE
DOOR **IVANS**
N.V. A. W. BRUNA & ZOON'S UITGEVERS-MIJ. - UTRECHT
- [LICHTEN OP DE KUST](#lichten-op-de-kust)
- [INLEIDING door Mr. Willem Hendriks.](#inleiding-door-mr-willem-hendriks)
- [HOOFDSTUK I. De ring van de Gravin de Corriëntes.](#hoofdstuk-i-de-ring-van-de-gravin-de-corriëntes)
- [HOOFDSTUK II. Bezoek bij G. G.](#hoofdstuk-ii-bezoek-bij-g-g)
- [HOOFDSTUK III. Sir Percival Kewes.](#hoofdstuk-iii-sir-percival-kewes)
- [HOOFDSTUK IV. Men neemt mij in het vertrouwen . . . gedeeltelijk!](#hoofdstuk-iv-men-neemt-mij-in-het-vertrouwen----gedeeltelijk)
- [HOOFDSTUK V. Diefstal.](#hoofdstuk-v-diefstal)
- [HOOFDSTUK VI, G. G. stelt vragen.](#hoofdstuk-vi-g-g-stelt-vragen)
- [HOOFDSTUK VII. Onderstellingen.](#hoofdstuk-vii-onderstellingen)
- [HOOFDSTUK VIII. Een zwakke verbindingslijn.](#hoofdstuk-viii-een-zwakke-verbindingslijn)
- [HOOFDSTUK IX. De lijst van gestolen voorwerpen.](#hoofdstuk-ix-de-lijst-van-gestolen-voorwerpen)
- [HOOFDSTUK X. G. G. handelt raadselachtig.](#hoofdstuk-x-g-g-handelt-raadselachtig)
- [HOOFDSTUK XI. De chauffeur.](#hoofdstuk-xi-de-chauffeur)
- [HOOFDSTUK XII. Het huis in Soho.](#hoofdstuk-xii-het-huis-in-soho)
- [HOOFDSTUK XIII. De waarschuwing.](#hoofdstuk-xiii-de-waarschuwing)
- [HOOFDSTUK XIV. Het onbekende einddoel.](#hoofdstuk-xiv-het-onbekende-einddoel)
- [HOOFDSTUK XV. Een onverwacht voorstel.](#hoofdstuk-xv-een-onverwacht-voorstel)
- [HOOFDSTUK XVI. In Dalmatië.](#hoofdstuk-xvi-in-dalmatië)
- [HOOFDSTUK XVII. Een dorpsherberg.](#hoofdstuk-xvii-een-dorpsherberg)
- [HOOFDSTUK XVIII. Plechtig bezoek.](#hoofdstuk-xviii-plechtig-bezoek)
- [HOOFDSTUK XIX. Voorbereidselen.](#hoofdstuk-xix-voorbereidselen)
- [HOOFDSTUK XX. De expeditie begint.](#hoofdstuk-xx-de-expeditie-begint)
- [HOOFDSTUK XXI. Nachtelijke ontdekkingen.](#hoofdstuk-xxi-nachtelijke-ontdekkingen)
- [HOOFDSTUK XXII. Gevangenschap.](#hoofdstuk-xxii-gevangenschap)
- [HOOFDSTUK XXIII Onverwachte gebeurtenissen.](#hoofdstuk-xxiii-onverwachte-gebeurtenissen)
- [HOOFDSTUK XXIV De crisis.](#hoofdstuk-xxiv-de-crisis)
- [HOOFDSTUK XXV. De schets van G. G.](#hoofdstuk-xxv-de-schets-van-g-g)
- [Besluit.](#besluit)
# INLEIDING door Mr. Willem Hendriks.
Nu ik de pen opneem om - althans voorloopig - het laatste verhaal te schrijven, waarin mijn vriend Geoffrey. Gill, de beroemde Engelsche detective, een rol spelen zal, wil ik verklaren, dat ik hiermede mijn taak als diens levensbeschrijver in hoofdzaak als afgeloopen beschouw.
Het zou natuurlijk mogelijk zijn, nog vele van de "interessante experimenten", waarin hij mij deelen liet, te beschrijven; maar van den aanvang af heeft de gedachte bij mij voorgezeten, een keuze te doen uit de vele belangrijke gevallen, die hij — met mijn bescheiden hulp tot een goed einde bracht. En ik wil niet afdalen tot andere, die zonder twijfel óók interessant zijn, maar voor het publiek, dat ik mijn vriend heb willen doen kennen, minder bekoring zouden hebben, omdat het werk, dat hij daarbij verrichtte, bijna uitsluitend hoofdwerk was.
Menig geval heeft hij opgelost, zittend voor zijn schrijftafel en — met gesloten oogen — deduceerend en combineerend.
Bovendien had ik mij, toen ik mij als zijn lijf-biograaf opwierp, voorgenomen slechts die gevallen te beschrijven, die ikzelf medemaakte, zoodat ik ook voor de waarheid van de kleinste bizonderheden kon instaan. Met één enkele uitzondering *) ben ik van dit voornemen
*) Zie No. 11 der Eerste G. G.-Serie: "De eerste Schreden".
nooit afgeweken. En ook voor de waarheid van het dáar vertelde kan ik instaan, omdat ik de hoofdzaken daarvan uit zijn eigen mond vernam.
Het "experiment", dat in de volgende bladzijden verhaald wordt, heb ik, voor mijzelven, altijd een van de belangrijkste gevonden, die hij ooit heeft doorgemaakt. Het illustreert op voortreffelijke wijze, hoe men, uitgaande van een schijnbare nietigheid, tot de meest onverwachte ontdekkingen komen kan, wanneer men met taaie volharding en naar de regelen der logica redeneert en... handelt!
Men zal zich herinneren, dat mijn vriend herhaaldelijk den stelregel verkondigd heeft, dat er geen nietigheden voor den detective bestaan. De stuurlui, die aan wal staan, hebben zich over die stelling wel eens vroolijk gemaakt.
"Zeg mij, hoeveel afgebrande lucifers er op Uw aschbakje liggen, en ik zal U zeggen, wie van Uw vrienden een moord heeft begaan." — Aldus heeft een spotvogel dezen stelregel van mijn vriend eens belachlijk gemaakt. G. G. zelf, in de eerste plaats, heeft hartelijk om deze spotternij gelachen.
Intusschen, dat menige verborgen misdaad aan het licht is gekomen door een kleinigheid, waaraan men, als oppervlakkig observeerend mensch, geen aandacht geschonken zou hebben, is een niet-te-weerspreken feit.
* * *
De gebeurtenissen, die beschreven zullen worden, vallen in de eerste jaren van mijn huwelijk, toen wij onze pleegdochter Mariska nog niet tot ons genomen hadden. Wij waren toen nog jong en ook mijn vriendschap met den detective was nog van betrekkelijk jongen datum; maar zij was hecht en stevig, zooals de toekomst bewijzen zou! Voor hen, die niet met mijn vroegere boeken bekend zijn, wil ik hier even mededeelen, dat ik gehuwd ben met Lady Maud, tweede dochter van den thans overleden Lord Stockton, voor een Hollandsch advocaat zeker een ongewoon huwelijk. Hoe dit tot stand kwam heb ik vroeger beschreven; *) en ook heb ik menigmaal verteld, dat wij het zoogenaamde "season" dikwijls te Londen doorbrachten. In den tijd, waarover ik nu spreek, namen wij dan onzen intrek in het groote huis in "Grosvenor Gardens" van mijn schoonouders, waar ook de oudere zuster van mijn vrouw, Lady Edith (die later met Lord Ruthven trouwen zou) toen nog bij haar ouders woonde.
*) Zie No. 1 der 1e G.G.-Serie: "De Man uit Frankrijk".
De positie van Lord Stockton bracht mede, dat hij veel menschen zag. In het "season" bezochten hij, zijn vrouw en Lady Edith herhaaldelijk de avond-feesten, die de Engelsche groote wereld dan gewoon is te geven, en hijzelf placht in dit opzicht niet achter te blijven. Het was op een van de avondfeesten te zijnen huize geweest, dat mijn vrouw en ik elkander "gevonden" hadden. Ik heb ook daarover vroeger gesproken, toen ik mijn eerste boek schreef over mijn onvergetelijken vriend G. G. En het is zeker een merkwaardige speling van het Noodlot, dat het laatste boek, dat ik aan hem wijden zal, juist begint op een dergelijke soirée ten huize van mijn schoonouders,
* * *
Ter verklaring van sommige feiten moet ik aan deze korte inleiding nog enkele woorden toevoegen.
Mijn vriend Geoffrey Gill — kortweg door zijn vrienden G.G. genoemd — had in de gebeurtenissen, die Maud en mij tot elkander voerden, een groote rol gespeeld; en tezelfdertijd had hij mijn schoonzuster Edith, wier toekomst gebroken scheen, als 't ware aan het leven terug gegeven. Ongelukkig had hij voor de laatste een genegenheid opgevat, die — bij alle dankbaarheid harerzijds — toch niet door haar beantwoord werd. In tegenstelling met mijn vrouw, haar jongere zuster, bezat Edith den onvervalschten trots eener Engelsche aristocrate en dit alleen reeds zou voldoende geweest zijn om Geoffrey Gill, als candidaat voor haar hand, voor haar onmogelijk te maken.
Mijn vriend was zich hiervan — hoewel het nooit tot een uitspraak tusschen Lady Edith en hem gekomen was — volkomen bewust. Daarom bezocht hij nimmer het huis in Grosvenor Gardens, waar hij anders — èn om zijn persoon èn om den onschatbaren dienst, dien hij aan het gezin van Lord Stockton bewezen had — hartelijk welkom geweest zou zijn.
Steeds trachtte hij een ontmoeting met Lady Edith te vermijden. Eerst vele jaren later — toen hij haar voor het eerst terug zag — kwam hij tot de plotselinge ontdekking, dat zij (voor wie hij niettemin de hoogste achting bleef koesteren) niet de vrouw was, die hij zich in al die jaren als zijn ideaal had voorgesteld. *) Ongetwijfeld is hij niet de eenige, wien het aldus vergaan is ...
*) Zie No. 4 van de 1e G. G.-Serie: "De man op den achtergrond".
# HOOFDSTUK I. De ring van de Gravin de Corriëntes.
Lord en Lady Stockton, mijn schoonouders, gaven een groot avondfeest. Dergelijke feesten in het paleis-achtige huis in Grosvenor-Gardens waren onder de "upper-ten" van Londen altijd zeer gezocht. De eerste staatslieden, de eerste militaire autoriteiten, de kopstukken der aristocratie, vele kunstenaars en wetenschappelijke beroemdheden plachten daar met hunne vrouwen en dochters te verschijnen. Zulk een samenkomst van aanzienlijke mannen en vrouwen, had - alleen reeds door het feit, dat zij bijeen waren - een eigenaardig cachet, dat intusschen volstrekt niet het kenmerk was uitsluitend van de avond-feesten van Lord en Lady Stockton. Wel vormde de ongedwongen toon, die daar heerschte en die in lijnrechten strijd was met de soms zéér stijve en akelig-deftige soirées, die elders gegeven werden, een bizondere aantrekkelijkheid juist van deze feest-avonden.
Daarvan de oorzaak aan te geven was niet gemakkelijk. Ik heb haar altijd gezocht in de persoonlijke eigenschappen van mijn schoonouders en in de ongekunstelde natuurlijkheid van Lady Maud, mijn latere vrouw. Lady Edith bezat in veel geringer mate de eigenschap van gasten — vooral de maatschappelijk wat lager staanden! — op hun gemak te stellen. Ook was Maud, die een bizonder goede en geschoolde stem had en wier zingen in de betere kringen van Londen zéér op prijs werd gesteld, reeds sinds eenige jaren gewoon, zich op de feest-avonden van haar ouders te doen hooren: iets, dat niet geheel in overeenstemming was met de opvatting van extra-stijve en extra-deftige aristocratische families, (Deze vonden, dat men beter 'n zangeres "huren" kon!) Maar het gaf aan de soirées van Lord en Lady Stockton een bizondere bekoring, die voor velen een groote aantrekkingskracht bezat.
Toen Maud mij, als mijn vrouw, naar Holland gevolgd was, miste men haar in het daarop volgende "season" niet weinig. Maar de tijding, dat zij nu in Engeland was en zich dus stellig wéér zou doen hooren, was voor velen aanleiding geweest, een uitnoodiging te begeeren.
Bij zulke gelegenheden ontving Lord Stockton dikwijls, door bemiddeling van zijn goede vrienden, het verzoek aan dezen of genen, hem nog onbekend, een uitnoodigingskaart te zenden. Mijn schoonvader was in menig opzicht een origineel man. Met zijn vrouw deelde hij een schier onoverwinnelijken afkeer van ceremonieele bezoeken van tot dusverre hun onbekende menschen.
Dit nu is zoo origineel niet! Integendeel.
Maar wèl origineel was het, dat hij aan het verstrekken van een uitnoodigingskaart aan goed-geïntroduceerde onbekenden, rondweg de voorwaarde verbond, dat zij niet vooruit een gala-visite in "Grosvenor-Gardens" zouden maken. Een enkele maal was hem dat kwalijk genomen. Maar, over het algemeen, kon men zich daarmede bèst vereenigen, want ook voor de geïntroduceerden zelven is zulk een gala-bezoek nu juist geen genot en het bezorgen van visite-kaartjes aan het huis van den aanstaanden gastheer niet meer dan een onnoodig tijd-verlies.
Lord Stockton had zich ook dáárdoor den naam gemaakt van een weinig ceremonieus gastheer en een gemoedelijk man.
Het is niet mijn doel, het avondfeest, waarop ik thans het oog heb, in al zijn bizonderheden te beschrijven. Wie weten wil, hoe het bij dergelijke gelegenheden toeging, raadplege een mijner vroegere boeken. *) Voldoende zij ditmaal de beschrijving van één incident, dat aanleiding werd tot zeer bizondere gebeurtenissen.
*) No. 1 der 1e G. G.-Serie: "De man uit Frankrijk".
Onder degenen, die voor de eerste maal een avondfeest bij mijn schoonouders medemaakten, bevonden zich de Graaf en de Gravin de Corriëntes. Zij waren geïntroduceerd door den Spaanschen Ambassadeur, die mede aanwezig was, en Lord en Lady Stockton hadden hen tot dusverre nooit persoonlijk ontmoet. Het echtpaar, dat tot de hooge Spaansche aristocratie behoorde - hij was Grande van Spanje en gold voor onmetelijk rijk - trok zéér de aandacht van de overige gasten. Hij was een groote, imposante figuur. Hoewel hij een hoogen rang in de Spaansche marine bekleedde, was hij niet in uniform, maar droeg vele ridderorden, waaronder eenige Commandeurskruizen. Zijn uiterlijk was een geheel ander dan dat, waaronder men zich gewoonlijk een Spanjaard voorstelt. Hij had een gladgeschoren, zuiver ovaal gezicht en licht-rossig, golvend haar. De oogen waren blauw en de wenkbrauwen en wimpers (zooals men dat bij rossige menschen dikwijls aantreft) bijna wit. Naar mijn schatting, moest hij ongeveer veertig jaar oud zijn.
Zijn vrouw was ongetwijfeld veel jonger; ik hield haar voor hoogstens vijf-en-twintig. Hoewel zij van middelbare grootte was, scheen zij, nevens de reusachtige gestalte van haar man, klein. Haar gezicht was regelmatig, met mooie, bijna klassieke trekken en een vriendelijke, wat kinderlijke uitdrukking. Zij had zwaar, blauw-zwart haar en droeg daarover een zwarten kanten sluier, zooals men dat in Spanje zoo dikwijls ziet. In haar donker haar droeg zij een kleinen, diamanten diadeem en aan haar mooi-gevormde, bruin-getinte handen vele kostbare ringen. Evenals die handen had haar gelaat een doorzichtigen, licht-bruinen tint, lichter dan die der meeste Andalusische vrouwen. In tegenstelling met haar man, was zij, naar het uiterlijk op-ende-op een zuidelijk type.
Op het oogenblik, waarop ik den Graaf en de Gravin voor het eerst in het oog kreeg, bracht mijn schoonvader mijn vrouw juist met hen in kennis. Ikzelf stond op korten afstand te praten met Lady Ackland.
Lezers van mijn vroegere boeken zullen zich Lady Ackland herinneren: de zware, överrijpe dame, die in de eerste plaats ontstellend was door de méér dan openhartige wijze, waaróp, en de méér dan mannelijke taal, waarin zij voor haar meening placht uit te komen, en — in de tweede plaats — door het ontzaglijk aantal diamanten en edelgesteenten, dat zij niet alleen in het haar en aan de handen, maar ook op haar kleed, ja, zelfs op haar schoenen droeg. Niettegenstaande haar eenigszins zonderlinge uiterlijk en manieren, zag men haar overal gaarne. Men nam deze op den koop toe, omdat men haar groote hulpvaardigheid en haar goed hart had leeren op prijs stellen. *)
"Nu, men behoeft niet te vragen, of het huwelijksleven bij U aanslaat!" — had zij met luider stemme verklaard, zoodra zij zich van mijn persoon had meester gemaakt.
Ik mompelde eenige woorden terug; dikwijls was het moeielijk op Lady Ackland's opmerkingen het juiste antwoord te vinden.
"Wat zegt U?" — vroeg mijn volumineuze vriendin, terwijl zij mij nog steeds krachtig de hand schudde. "Vrouwelijke invloed 'n zegen voor den man...? Dat zal waar zijn: lichamelijk en geestelijk, Mr. Hendriks!"
Zie hierbij vooral No. 1, Eerste G. G.-Serie: "De Man uit Frankrijk", en No. 4, Tweede G. G.-Serie: "De dissonant".
Ik was mij niet ervan bewust, gezegd te hebben, wat zij verstaan had. Maar ik wachtte er mij wêl voor, hierover een openbaar debat te beginnen.
"En hoe maakt Uw lieve vrouw het?" - vervolgde
Lady Ackland. "Zij is toch stellig hier . . .?"
"Natuurlijk, Milady!" — antwoordde ik en maakte haar op Maud opmerkzaam, die zich op dit oogenblik in druk gesprek bevond met het Spaansche echtpaar.
"Wie zijn die menschen?" — vroeg Lady Ackland, zóó luid, dat ik mijn hart vast hield, dat "die menschen" haar gehoord hadden.
"Graaf en Gravin de Corriëntes" — antwoordde ik, mijn stem sterk dempende, in de hoop, dat dit voor haar 'n wenk zou blijken om hetzelfde te doen.
"Laten we wat dichter bij hen gaan staan" — stelde Lady Ackland voor, zonder mijn hoop te verwezenlijken. "Zoodra zij uw vrouw de vrijheid hergeven, kan ik haar dan opvangen. Bovendien wil ik dat Italiaansche vrouwtje wel eens van dichtbij zien: zij interesseert mij om de juweelen, die zij draagt."
"Zij is een Spaansche" — verbeterde ik schuchter. "Dat is in Engelsche oogen zoo ongeveer hetzelfde" decreteerde Lady Ackland. "Zwart en klein, met zuidelijke manieren..."
"Haar man kunt U bezwaarlijk zwart en klein noemen!" - zeide ik.
"Mannen zijn altijd onberekenbaar" — antwoordde zij met een gebaar, alsof zij hiermede een wereldraadsel voor goed had opgelost.
Daarop stevende zij in de richting van het druk-pratend drietal. En ik moest wel meë, op straffe van onbeleefd te schijnen. Nauwelijks waren wij meer in de nabijheid van de kleine groep personen, of Lady Ackland gaf haar meening te kennen, dat de bedoelde juweelen inderdaad een nadere inspectie waard waren. Ditmaal scheen haar stem tot den Graaf döörgedrongen te zijn. Hij keek in onze richting en de uitdrukking van zijn gezicht was niet zachtzinnig, hetgeen in de gegeven omstandigheden begrijpelijk was.
Lady Ackland werd plotseling zeer bleek en greep mijn arm... (Blz. 15).
"Past U toch op" — zeide ik zacht. "Graaf de Corriëntes heeft U blijkbaar verstaan!"
"Dan heeft hij iets gehoord, dat niet anders dan aangenaam voor hem zijn kan" — antwoordde zij, maar nu toch 'n beetje minder luid.
Op dit oogenblik gebeurde er iets, dat mij niet weinig verwonderde, ja verschrikte.
Lady Ackland werd plotseling zeer bleek en greep mijn arm, alsof zij steun behoefde.
"Breng mij naar den wintertuin" — fluisterde zij mij toe. En het feit alleen, dat zij fluisterde, had reeds iets verbazingwekkends.
Gelukkig scheen niemand iets van dit kleine drama te hebben opgemerkt, zoodat wij zonder aandacht te trekken den wintertuin bereikten. De avondseesten van Lord en Lady Stockton vonden plaats in een viertal, in elkaär loopende zalen, waarvan de laatste de balzaal was. Deze grensde aan den ruimen wintertuin, die half verlicht was en waarin zich kronkelende paden in hooge palmgroepen verloren.
Lady Ackland "zeeg" neder op een bank, die niet ver van den ingang stond. Ik bleef staan en zag met verbazing dat zij inderdaad zeer van streek scheen te zijn. Zij zat onbeweeglijk en ademde zwaar.
"Kan ik iets voor U doen . . .?" - vroeg ik.
Zij schudde het hoofd.
"Blijven!" — zeide zij toen. En het was moeielijk haar anders zoo luide stem te herkennen.
Op dit vroege uur — de gasten waren nog lang niet alle aangekomen — was het in balzaal en wintertuin nog leêg. Vermoedelijk had Lady Ackland daarop gerekend, toen zij mij verzocht haar juist hierheen te brengen. Langzamerhand kwam zij tot kalmte en nam haar gezicht weer zijn gewone, wat hoog-roode kleur aan. "Ik ben geschrokken" — zeide zij eindelijk.
"Geschrokken...? Waarvan...?
Zij keek mij eenige oogenblikken zwijgend aan.
"Hebt U Lady Strattmore gekend?" daarop.
"Persoonlijk niet!" - zeide ik. "Maar ik herinner mij toch wel iets van de wijze, waarop zij den dood gevonden heeft"
"Laat mij Uw geheugen opfrisschen" - hernam Lady Ackland. "Lady Strattmore is de beste vriendin geweest, die ik ooit gehad heb. Lord Strattmore, haar man, was veel ouder dan zij en zij was nauwelijks 35 jaar, toen hij stierf. Twee jaar later trouwde zij opnieuw met een rijken Amerikaan, Edward Hayward. Hun huwelijk was zeer gelukkig. Nu twee jaar geleden ondernam zij, mèt haar man, een reis naar Europa op hun jacht: de 'Falcon'. *) Op de Middellandsche zee moet het jacht vergaan zijn: niemand heeft het vaartuig en de opvarenden ooit teruggezien.
*) = Valk.
"Ik herinner mij, dat men aannam, dat de "Falcon' vergaan was in een storm op de Adriatische Zee" - zeide ik.
"Juist!" - zeide Lady Ackland met nadruk.
En ik verwonderde mij er in stilte over hoe het vergaan van de "Falcon" in verband kon staan met de gemoedsbeweging van Lady Ackland.
"Van de opvarenden is nooit meer iets vernomen" vervolgde deze. "Wel is er ergens aan de wilde, rotsige kusten van Albanië een reddingsboei aangespoeld met den naam ,Falcon' erop, benevens eenig wrakhout, zoodat aan den ondergang van het jacht niet meer te twijfelen viel."
Hier zweeg Lady Ackland en keek strak voor zich uit, hetgeen voor haar iets zeer ongewoons was, daar zij in den regel over een woordenrijkdom beschikte, waarvan de stroom niet of nauwelijks te stuiten was.
"Ik herinner mij die treurige geschiedenis zeer goed" — zeide ik eindelijk, omdat de stilte drukkend begon
te worden. "Maar waarom vertelt U die op dit oogenblik en aan mij . . .?"
"Eerst zal ik uw tweede vraag beantwoorden" — zeide zij. "Ik vertel de geschiedenis aan *U*, omdat *U* een vertrouwd vriend is van Mr. Geoffrey Gill, den beroemden detective, en omdat ik zoo gaarne zien zou, dat *U* er zich vóór spande om dezen voor het geval te interesseeren."
"Ik vrees, Milady, dat mij dat niet gelukken zou" antwoordde ik. "De zaak is lang geleden en bovendien is het mij niet duidelijk, in hoeverre een detective in deze treurige maar niet ongewone gebeurtenis een veld voor zijn arbeid zou kunnen vinden."
"Dat zal U duidelijk worden, wanneer ik Uw eerste vraag beantwoord: de vraag, waarom ik juist *nu* over het vergaan van de "Falcon" gesproken heb."
Lady Ackland scheen thans de laatste resten van haar zenuwachtigheid te hebben afgelegd. Zij sprak weer op haar gewonen, ietwat agressieven toon, maar dempte daarbij haar stem, omdat zij begreep, dat het niet wenschelijk was, dat iemand — buiten mij — haar hooren zou.
"Mijn vriendin, de vrouw van Edward Hayward" — vervolgde zij, "heeft gedurende onze jarenlange vriendschap altijd een eigenaardigen ring gedragen, die van haar moeder afkomstig was en — zooals zij mij herhaaldelijk verzekerd heeft — uniek was. U weet, Mr. Hendriks, dat ik van juweelen en sieraden méer verstand heb dan de meeste vrouwen, en daarom zal mijn oordeel, dat deze ring inderdaad uniek was, wel eenige waarde hebben, ook voor U. De beschrijving onthoud ik U voorloopig nog. Ik ben voornemens die aan Mr. Geoffrey Gill te geven en dan moet die maar weten, aan welke personen zij verder gegeven kan worden."
"U is voorzichtig, Milady!" - antwoordde ik met een goedkeurenden hoofdknik.
"En *U* is verstandiger dan de meeste mannen, die zot genoeg zouden zijn, het kwalijk te nemen, dat ik de beschrijving niet geven wil" — zeide Lady Ackland, mijn hoofdknik met den haren beantwoordende. "Ditmaal zal de deugd niet onbeloond blijven, want wat nu volgt, is veel belangrijker voor *U* dan de beschijving van den ring. Ik heb namelijk dienzelfden ring zooeven zeer duidelijk aan de hand van de Gravin de Corriëntes zien prijken."
Ik was nu inderdaad verbaasd en geïnteresseerd. "Kunt U zich niet vergist hebben...?" — vroeg ik.
Zij schudde energiek met het hoofd.
"Uitgesloten!" — zeide zij. "Ik versta mij op die dingen. Begrijpt U nu de ontsteltenis, die zich plotseling van mij meester maakte? Geef U goed rekenschap van het onbegrijpelijke van mijn ontdekking, Mr. Hendriks! De unieke ring, een aandenken aan haar moeder, dat mijn vriendin nooit verliet, zie ik terug aan den vinger van een rijke Spaansche Gravin. Mijn vriendin moet dien ring gedragen hebben, toen het jacht verging."
"En U is absoluut zeker van Uw zaak . . .?" - vroeg ik opnieuw.
"Žóó zeker, dat ik haar straks vragen zal, hoe die ring in haar bezit gekomen is, Mr. Hendriks! En geloof mij, ik zal stellig geen genoegen nemen met een halve explicatie."
# HOOFDSTUK II. Bezoek bij G. G.
Ik begreep, dat, zoo Lady Ackland aan dit voornemen gevolg gaf, mijn vriend G. G. zich stellig niet voor de zaak interesseeren zou. Het was geheel in strijd met zijn karakter een "experiment" te beginnen, waarin reeds door anderen — en in casu nog wel door een zonderlinge vrouw als Lady Ackland — "geliefhebberd" was, zooals hij zich placht uit te drukken.
Tengevolge van deze overweging deed ik mijn best Lady Ackland af te brengen van haar voornemen, de Spaansche Gravin als 't ware ter verantwoording te roepen. Ik wees op het gebrek aan beleefdheid, dat erin gelegen was, aan een mede-gast dergelijke ongebruikelijke vragen te stellen en vooral op het ongepaste dit onder eens anders dak te doen. (Evenmin als deze vrouw zich harerzijds ooit geneerde te zeggen wat zij meende, nam zij het iemand kwalijk, wanneer die ook tegenover haar volkomen openhartig was!) Maar eerst toen ik haar sprak over het gevaar, dat zij — door voorbarig ingrijpen — de hulp van G. G. stellig verspelen zou, bemerkte ik, dat mijn woorden eenigen indruk op haar maakten.
Dit verheugde mij, want ik vreesde anders voor een klein schandaaltje, voornamelijk omdat Lady Ackland maar niet toegeven wilde, dat zij zich vergissen kon.
"Hoe ziet de bewuste ring er eigenlijk uit?" — vroeg ik.
Zij scheen vergeten te zijn, dat zij mij zoo juist een beschrijving geweigerd had!
"Hij heeft den vorm van een kleine hagedis, die zichzelve in den staart bijt" — antwoordde zij. "De kop is met kleine diamanten ingelegd en de oogen zijn twee kleine, bizonder kunstig geslepen robijnen." "Daaruit valt nog niet op te maken, dat dit sieraad een unicum is!"
"Maar er is wèl een middel om te bewijzen, dat het aan Lady Strattmore (ik noem haar ongaarne Mrs. Hayward) heeft toebehoord: de beginletters van den naam van haar moeder — H. L.: Harriet Linslay — moeten aan de binnenzijde gegraveerd staan."
"En wat, zoo het werkelijk bleek, dat die ring aan Lady Strattmore heeft toebehoord . . .?"
"Dan moet uitgemaakt worden, hoe de Gravin hem in handen heeft gekregen. Ik ben ervan overtuigd, dat mijn vriendin nooit vrijwillig van dien ring gescheiden is. En als Uw vriend Mr. Gill zijn hulp weigert, zal ik Scotland Yard in den arm nemen!"
Ik moest onwillekeurig glimlachen om de voortvarendheid van deze volumineuze dame. Haar fantasie op het thema: "de ring van de Gravin de Corriëntes" maakte niet veel indruk op mij, maar des te meer de mogelijkheid, dat zij, die zich aan geen gebruiken en conventies stoorde, ons de een of andere onaangename verrassing bereiden zou.
Eigenlijk meer om dit te voorkomen dan omdat de zaak zelve mij zoo buitengewoon belangrijk voorkwam, besloot ik haar zooveel mogelijk ter wille te zijn.
"Milady!" — zeide ik. "Ik ben bereid, mijn vriend Geoffrey Gill voor de zaak te interesseeren, zoo dit althans mogelijk blijkt: U weet, dat het nooit vooruit te zeggen is, of een zaak hem al dan niet belangwekkend zal voorkomen. In elk geval, ik zal mijn best voor U doen, maar stel één voorwaarde: U zelve zult zich van elk ingrijpen onthouden, zoolang zijn beslissing niet gevallen is."
"Als Uw vriend zich ervóór spant, ben ik in alle opzichten gerust gesteld, Mr. Hendriks. Maar... ik heb in den regel niet veel geduld. Wanneer kan ik van U of van hem bericht hebben?"
"Geoffrey Gill is te Londen. Ik spreek hem waarschijnlijk morgen. Overmorgen kunt U dus bericht hebben."
"Ik reken dan daarop en dank U bij voorbaat voor Uw medewerking, Mr. Hendriks! Morgen noch overmorgen zal ik iets in deze zaak ondernemen..."
Enkele minuten later bevonden wij ons weder in "het wild gewoel der gasten".
* * *
Al mocht ik dan aan de mededeelingen van Lady Ackland geen groote beteekenis gehecht hebben, zij hadden er toch toe bijgedragen, mijn belangstelling in het Spaansche echtpaar aanmerkelijk te doen toenemen.
Ik verzocht dus aan mijn schoonvader, mij met deze beide opvallende menschen in kennis te brengen, aan welk verzoek deze onmiddellijk voldeed.
Zoowel de Graaf als de Gravin sprak bizonder goed Fransch, zoodat ons gesprek, met betrekking tot de taal, geen moeielijkheden bood. Reeds heb ik gezegd, dat het uiterlijk van Graaf de Corriëntes zeer imposant was. Hoewel hij zich in het gesprek, dat nu volgde, als een beleefd en ontwikkeld man deed kennen, lag er toch over zijn geheele wezen iets, dat mij niet aantrok. Wât het eigenlijk was, viel niet te definieeren. Ik kan het alleen maar aanduiden als een soort van arrogantie, die men aanvoelde, zonder dat zij zich in woorden uitte. Ik zou moeite gehad hebben te zeggen, waardóór ik dezen indruk ontving, maar dat ik dien ontving staat vast.
De Gravin daarentegen was uiterst vriendelijk, en men had bijna kunnen zeggen te bescheiden. Het eenigszins kinderlijke, dat ik reeds in haar uiterlijk had opgemerkt, kwam nog sterker uit in haar woorden. Zij was er bizonder mede ingenomen, dat zij in mij een Hollander kennen leerde, iets dat haar vóór dezen nog nooit gebeurd was! Omtrent de ligging van ons land scheen zij echter niet ál te heldere denkbeelden te hebben. Zij scheen het ergens in het Noorden in de buurt van IJsland te zoeken en was verbaasd, toen ik haar vertelde, dat men binnen twaalf uren van Londen naar Amsterdam kon oversteken. Ook zocht zij Antwerpen in ons land en Den Haag in België.
Trouwens de geografische kennis van de meeste buitenlanders — zelfs van wèl opgevoede menschen — is mij altijd zéér beperkt voorgekomen. Ook onder de Engelschen vindt men in dit opzicht nog steeds de meest krasse onwetendheid.
Intusschen, gelijk ik zeide, de Gravin was een vriendelijke en zeer gedistingeerde vrouw. En allerminst was zij iemand, die men zoo maar vragen kon naar de herkomst van een ring, dien zij droeg! Dit scheen mij het toppunt van ongemanierdheid. Niettemin spreekt het vanzelf, dat ik mijn bizondere aandacht schonk aan den ring, die door Lady Ackland gesignaleerd was en waarvan het uiterlijk volkomen overeenstemde met de beschrijving, die deze mij daarvan gegeven had.
Ik wil wel bekennen, dat het mij eenige moeite kostte, mijnerzijds niet te trachten, het gesprek voorzichtig op dien ring te brengen. Mijn vriendschap met G. G. had mij op dit punt echter voorzichtig gemaakt, want ik wist, dat deze mijn pogingen in die richting even goed als liefhebberijwerk beschouwen zou als het meer ruwe ingrijpen van Lady Ackland. Ik bedwong dus mijn lust, iets positiefs in deze zaak te ondernemen, en beperkte mij tot het kennis-maken en conventioneel converseeren met het Spaansche echtpaar. De omstandigheid, dat ik de schoonzoon van den heer des huizes was, scheen mij, in het bizonder bij de Gravin, een wit voetje te schenken.
De Graaf daarentegen bleef - in overeenstemming met de voorstelling, die wij ons van een Grande van Spanje maken - wat koel en teruggetrokken.
Het ligt niet in mijn voornemen een beschrijving van de rest van dit avond-feest te geven. Het had het gewone verloop van andere dergelijke "social functions" ten huize van mijn schoonvader, waarover ik reeds vroeger eens uitvoerig geschreven heb, zij het ook, dat de toen beschreven soirée een plotseling en onverwacht einde vond. *)
*) Zie No. 1, 1e G.-G.-Serie: "De man uit Frankrijk".
Het eenige, wat nog te vermelden valt, is dit, dat later op den avond de Graaf om de een of andere reden boos op zijn echtgenoote was. Hij miste de zelfbeheersching om dit in gezelschap zorgvuldig te verbergen, zoodat ik niet de eenige was, wien deze omstandigheid opviel.
Maar ik hechtte daaraan niet veel beteekenis, omdat het geheele geval mij eigenlijk nog slechts matig interesseerde. Toen de gasten afscheid namen, had ik zelfs spijt van de belofte, die ik aan Lady Ackland gegeven had, om mijn vriend G. G. over de zaak te spreken. En zelfs de meening van Maud (die, toen ik haar dienzelfden avond op de hoogte stelde van wat er gebeurd was, méér belangstelling dan ik daarvoor toonde) was niet in staat mijn onverschilligheid te overwinnen.
Voor de zóóveelste maal zou bewezen worden, dat mijn vrouw in zulke zaken intuitief beter voelde dan ik, met mijn juridisch verstand!
Den volgenden ochtend tegen half-negen stond ik voor de woning van mijn vriend, den detective Geoffrey Gill.
Ik behoef noch die woning noch zijn werkkamer uitvoerig te beschrijven, aangezien ik dat bij een vroegere gelegenheid reeds gedaan heb. *) Daarentegen moet ik wêl in herinnering brengen, dat G. G. hier woonde met — als eenige hulp en factotum — zijn ouden knecht Stilter. Hoewel deze famulus toen in jaren zoo oud nog niet was, maakte hij niettemin door zijn manieren en gedragingen reeds den indruk van een bejaard man. G. G. heeft altijd een bizonder zwak voor dezen ouden getrouwen gehad, dat niemand zich goed verklaren kon. Want hoewel deze heerschte over het losse personeel, dat op gezette tijden huishoudelijke plichten in de woning vervullen kwam, zag men Stilter zelden iets anders doen dan in z'n handen wrijven.
*) Zie No. 4, 2e G.G.-Serie: "De dissonant",
"Goeden morgen, Mr. Hendriks!" — zeide hij, terwijl hij de deur van de woning voor mij opende. "U hebt geen geluk vanochtend: wij slapen nog!"
Ter verklaring van deze zonderlinge mededeeling diene, dat Stilter de gewoonte had aangenomen over "wij" te spreken, wanneer hij zijn meester bedoelde. Deze beschouwde dit als een bewijs, hoezeer de man zich met hem vereenzelvigd had, en kon zelfs ontroerd worden, wanneer het gesprek op deze vreemde gewoonte kwam.
"Laat thuis gekomen gisteravond?" - vroeg ik.
"Véél te laat!" — antwoordde Stilter. "Wij hebben 'n belangrijke zaak onderhanden: nacht aan nacht in touw. Dat nekt ons op den duur."
"Is 't zóó erg, Stilter?"
De man knikte met de uitdrukking van iemand, die ter dood veroordeeld is.
"Hallo!" — klonk op dit oogenblik een heldere stem van boven. "Ben jij daar, Willy?"
"Ja!"— riep ik terug. "Ik ben blij dat ik je stem hoor, want Stilter gaf mij te verstaan, dat het treurig met je gesteld was."
"Stilter vloeit over van de teederste zorgen voor mijn gezondheid!" — klonk het terug. "Hetgeen niet wegneemt, dat je nu wel boven komen kunt, Willy!"
Terwijl ik aan dit verzoek voldeed, keek Stilter mij met een hoogst-bedenkelijk gezicht na, waarbij hij volgens zijn onveranderlijke gewoonte — zijn handen in denkbeeldig zeepsop waschte.
"Heb je al ontbeten, Geoffrey?" — vroeg ik, nadat wij elkander de hand hadden gedrukt. "Stilter zei me, dat ie nog sliep."
"'n Half uur geleden heeft hij mij 't laatst gezien. En toen lag ik nog te bed en was — met gesloten oogen aan het deduceeren en combineeren."
"Weet je dat zeker, Geoffrey ...?"
Hij keek mij aan met een vernietigenden blik en toen maakte hij een majestueus handgebaar in de richting van de eetkamer.
"Kom meë ontbijten!" — zei hij daarbij op den toon van een vorst, die zijn onderdaan met een uitnoodiging vereert, en daardoor het antwoord op mijn vraag vermijdend.
Nu was het niet de eerste maal, dat ik — na reeds elders ontbeten te hebben — dat ten tweeden male aan de gastvrije tafel van mijn vriend deed. Ik wist echter, dat hij onder het ontbijt wel eens interessante dingen los liet en daarom had ik er geen bezwaar tegen, mijn maag aan deze krachtproef bloot te stellen.
"Je hebt toch niets bizonders te vertellen?" - vroeg hij, zoodra wij tegenover elkander gezeten waren.
"lets zéér bizonders nu wel niet" — antwoordde ik,
"Toch iets bizonders!" - zeide hij met 'n ongelukkig gezicht. "Komt de wereld in gevaar, als je ermeê wacht tot na het ontbijt?"
"Neen, Geoffrey! Bovendien is het ongemanierd, met een vollen mond te praten."
"Daarvoor bestaat maar één excuus: de absolute noodzakelijkheid van spoed. Ik ben blij dat die in dit geval niet aanwezig is. Tast toe, Willy!"
G. G., die, wanneer hij op het krijgspad was, er niet tegen op zag honger te lijden, al moest dat vele dagen duren, was - onder normale omstandigheden - een stevig eter. Hij toonde dat ook dezen morgen en het duurde vrij lang, vóórdat hij in zijn werkkamer temidden van zijn schrijftafel gezeten was. Ik gebruik hier opzettelijk het woord "temidden", omdat die schrijftafel enorm van afmetingen en hoefijzervormig was, zoodat mijn vriend van voren en aan beide zijden door het omvangrijke meubel ingesloten was en alleen zijn rug vrij bleef.
Ik zat, tegenover hem aan de andere zijde van de schrijftafel, in een club-fauteuil. En beiden rookten wij de geurige havanna, die het hier te rooken gebruikelijk was.
"Welnu, Willy!" - begon G. G. "Ik luister, maar wil bedenken, dat ik 'n tijdroovende zaak in handen heb, die mij vooral in den nacht bezig houdt. Hoemeer men mij dus overdag met rust laat, hoe beter!"
Deze aanvang was weinig bemoedigend. Maar ik kende mijn vriend en ik wist, dat - zoo een zaak werkelijk zijn belangstelling wekken mocht - hij in staat zou zijn, daaraan de dagen te wijden, niettegenstaande zijn bezette nachten.
Hoewel ik weinig hoop had, dat de zaak, waarvoor ik kwam, hem werkelijk interesseeren zou (men herinnert zich, dat ik eigenlijk met eenigen tegenzin gekomen was, om mijn belofte aan Lady Ackland te vervullen), deed ik nu mijn verhaal, daarbij den nadruk leggende op mijn opvatting, dat het er in hoofdzaak op áán zou komen om de genoemde dame van dwaasheden terug te houden.
G. G. luisterde zwijgend en met groote aandacht toe. Daarop sloot hij de oogen en dit bewees mij, dat hij het verhaal in elk geval van genoegzame beteekenis vond om te trachten, door combineeren en deduceeren, er iets belangrijks uit af te leiden.
Ik wachtte en, terwijl ik dit deed, voelde ik werkelijk iets als spanning over mij komen, en wel... omdat de oogen van mijn vriend zoo lang gesloten bleven.
Zou ik straks werkelijk iets te hooren krijgen, dat van beteekenis was ...?
Daar sloeg hij eindelijk de oogen weder op!
"Willy! — zeide hij. "Die geschiedenis was interessant en zelfs wat romantisch. Zij heeft me 'n beetje opgewonden. Zouden wij niet 'n eindje rondloopen? 't Is mooi weêr en jij hebt 'n wandeling evenzeer noodig als ik!"
# HOOFDSTUK III. Sir Percival Kewes.
Menschen, die met de gewoonten van mijn vriend minder bekend waren dan ik, zouden ongetwijfeld gemeend hebben, dat hij zich van de zaak, die ik te berde gebracht had, afmaken wilde. Ik echter maakte uit zijn voorstel om n' wandeling te doen, juist het omgekeerde op. Hij wilde tijd hebben om de zaak ongestoord te overdenken en dat hij mij op z'n wandeling meënam, bewees mij, dat hij niet van plan was buiten mij om te handelen: iets, dat ik altijd vreesde met zeer groote vreeze, wanneer hij een zaak, zelfs op mijn aansporen, ter hand nam. Onze afspraak, dat wij samen ten einde zouden brengen wat wij samen begonnen waren, bestond nog niet in dien tijd.
Men herinnert zich wellicht, dat mijn vriend in Millstreet woonde en dat slechts één zijde van die straat bebouwd was. De andere zijde werd ingenomen door een vrij groot plantsoen, dat vooral een goeden naam genoot bij spelende kinderen en vrijende Tommies. *)
*) = soldaten.
Hoewel G. G. onder geen dezer beide categorieën te rangschikken viel, stevende hij, uit zijn voordeur komende, regelrecht dit plantsoen in.
En ik volgde hem op den voet. Toen ik daarop naast hem kwam loopen, had ik moeite hem bij te houden: naarmate zijn hersens sneller werkten, schenen ook zijn beenen sneller te functioneeren.
Hij zweeg en ik zweeg eveneens ...
Maar duidelijk was het, dat er iets in de lucht zat, iets dat voor mij onverwachts kwam en belangrijker was dan ik had durven hopen.
Wij hadden tweemaal het plantsoen in zijn volle lengte heen-en-weer afgewandeld. G. G. scheen geen oogen te hebben voor de babies van Engeland, die door knappe kindermeisjes hier in kinderwagens werden rondgereden, welke kindermeisjes weer de groote aantrekkingskracht bleken voor de boven-genoemde Tommies. Zelfs toen er een stevig uit de kluiten gewassen Engelschman van 'n jaar of acht bij het spelen in volle vaart tegen z'n beenen bonsde, scheen hij dit nauwelijks te bemerken. Hij maakte een beweging, alsof hij de een of andere ongerechtigheid van z'n broekspijpen afschudde en ... wandelde dóór.
Toen wij voor de tweede maal op ons punt van uitgang teruggekomen waren, bleef G. G. plotseling staan en vatte mij bij den knoop van mijn jas.
"Willy!" — zeide hij. "Heb je bezwaar een bezoek te brenden aan Sir Percival Kewes?"
"Wie is Sir Percival Kewes?" - vroeg ik.
"Dat kan ik je gemakkelijk in de auto uitleggen" - luidde het eenigszins verrassende antwoord.
Mijn vriend had namelijk, terwijl hij met zijn rechterhand mijn knoop bewerkte, met zijn linkerhand een taxi-chauffeur toegewenkt, zoodat deze tot mijn verrassing plotseling met zijn karretje naast ons stond. „Stap in. Willy!" - zeide mijn vriend.
Met mijn eventueele bezwaren om Sir Percival Kewes te bezoeken scheen hij te hebben afgerekend. Gelukkig bestonden deze niet, zoodat ik weldra naast hem in de auto zat, die zich onmiddellijk in beweging zette.
"Luister, Willy!" — zeide G. G., terwijl hij achterover in zijn hoekje leunde, alsof een plotselinge vermoeidheid hem overvallen had. "Eigenlijk verwondert het mij, dat je Sir Percival Kewes niet kent. Je bent anders nog al goed georiënteerd in Londen."
"Kan men dat dan niet zijn, zonder Sir Percival Kewes te kennen?" — vroeg ik, eenigszins ongeduldig.
"Neen, Willy!" — antwoordde G. G. "Tenminste als men rekening houdt met de meening van Sir Percival Kewes zelven."
"Hij schijnt dus iemand te zijn, die zich nog al wat verbeeldt" - merkte ik op.
"Dat is zoo, Willy! Neem hem dat echter niet kwalijk, want hij is door de Natuur begiftigd met een eigenaardige combinatie van verbeeldingskracht en zin voor realiteit, die hem bizonder geschikt voor zijn beroep maakt."
"En dat beroep is . . .?"
"Het verwondert mij, dat je daarnaar niet reeds lang gevraagd hebt, m'n jongen. Je bent anders vanochtend bizonder spraakzaam en laat mij nauwelijks aan het woord komen."
Ik laat het oordeel over het al-of-niet-gegronde van dit onverwachte verwijt met vertrouwen aan mijn lezers over.
"Het is nooit te laat om z'n leven te beteren" - zeide ik, half lachend, half geërgerd.
"Een waar woord, Willy!" — antwoordde mijn vriend. "Ik hoop, dat je er de waarheid van *bewijzen* zult, door nu met aandacht naar mij te luisteren."
Hij zweeg even en legde toen de hand op mijn knie. "Sir Percival Kewes bekleedt een hoogen rang bij de Marine" — zeide hij. "Tegenwoordig zetelt hij in het Gebouw van de Admiraliteit. Ons, arme detectives, noemt men wel eens, zeer ongracieuselijk, speurhonden. Hèm zou men een speurrob kunnen noemen."
"Waarom?" — vroeg ik, nu werkelijk nieuwsgierig. "Ik weet niet, of ik je die vraag wel dadelijk beantwoorden mag" — antwoordde G. G. terwijl hij langzaam, maar nadrukkelijk het hoofd schudde. "Er is iemand, die daarover het medespreken heeft, en wel: Sir Percival zelf!"
"Dus het is volstrekt niet zeker, dat, wanneer ik geen bezwaar heb met hèm in kennis te komen, hij niet zoo'n bezwaar tegenover mij toonen zou. Ik zie niet in, waarom ik mij daaraan zou moeten bloot stellen."
"Tut, tut, Willy!" — klonk het op bestraffenden toon. "Wees niet kinderachtig. Vermoedelijk wordt ook jou de kans geboden op een interessant experiment. Je zult toch niet zoo dwaas zijn om dat vooruitzicht op het spel te zetten door 'n aanval van misplaatsten trots...?"
Ik was juist voornemens hierop een wat heftig antwoord te geven, toen de taxi stil hield voor den ingang van het Admiraliteitsgebouw. G. G. was in 'n oogwenk uitgestapt, riep den chauffeur toe, dat hij wachten moest en ging naar binnen. Mij bleef toen niet veel anders over dan hem spoedig te volgen, teneinde hem in het groote gebouw niet uit het oog te verliezen.
G. G. bewoog zich hier blijkbaar op voor hem bekend terrein. Men liet hem overal dóór, zonder ook maar één vraag te stellen, en op zijn eenvoudige verklaring, dat ik bij hem hoorde, liet men mij eveneens overal passeeren.
Zoo kwamen wij in een gedeelte van het gebouw, dat den indruk maakte van wat afgelegen te zijn en waar men in de lange gangen het vrij drukke verkeer miste, dat wij elders binnen deze muren hadden aangetroffen.
Hier hield G. G. mij even staande.
"Ik hoop, Willy!" - zeide hij, "dat je eenigszins booze bui van daareven overgedreven is. Je bent hier in de Afdeeling van den Inlichtingendienst. En de man, dien je straks zult leeren kennen, bekleedt daarin een hooge en eigenaardige positie. Ik onderstel, dat het niet de laatste keer zijn zal, dat je hem ontmoeten zult en ik geef je daarom den raad den man goed te bestudeeren.
"Ik zal dat zeker doen, Geoffrey, nu je het mij zoo bizonder op het hart drukt" - antwoordde ik. "Maar je zult er je niet over verwonderen, wanneer ik je zeg, dat ik in de verste verte niet begrijp, wat Sir Percival Kewes te maken heeft met den ring van de Gravin De Corriëntes."
"Je hebt gelijk, Willy! Daarover verwonder ik mij in het geheel niet!" - antwoordde G. G. en ... klopte op de deur, die zich in de onze nabijheid bevond.
Mijn bedoeling, vooruit althans iets van hem te vernemen, was hem natuurlijk duidelijk genoeg geweest; maar ik had aan een dooveman's deur geklopt!
Wij kwamen nu in een vertrek, waarin eenige bedienden voor groote tafels zaten en het regelmatige tikken van schrijfmachines weerklonk.
Onder deze bedienden bevond zich een jong meisje van misschien vijf-en-twintig jaar, 'n donker typetje, dat, wanneer men haar in het gezicht zag, iets eigenaardigs vertoonde, waarvan men de oorzaak niet dadelijk ontdekte. Zij had n.l. een bruin en een grijs oog, hetgeen haar uiterlijk zeker niet minder aantrekkelijk maakte, maar daaraan toch een heel bizonder cachet gaf.
Tot deze jonge dame richtte zich mijn vriend.
"Sir Percival is zeker aanwezig?" — vroeg hij.
"Ik zal u onmiddellijk aandienen!" — antwoordde de vrouwelijke bediende. "En wat wenscht U, Sir?"
De laatste woorden waren tot mij gericht geweest. "Meneer behoort bij mij" — constateerde G. G., zooals hij dien ochtend reeds eenige malen gedaan had.
"Hebt U even geduld!"
Zij verdween door een kleine deur, maar kwam bijna onmiddellijk terug.
"Weest U zoo goed om naar binnen te gaan!" — zeide zij en ik volgde mijn vriend in de aangrenzende kamer: een groot, maar zeer eenvoudig gemeubeld vertrek, waarin alles *licht* was: de overgordijnen, de meubels, de kasten. Ja zelfs de vloer was met een licht-beige tapijt belegd, hetgeen mij in een stad als Londen, waar het zoo dikwijls regent, niet heel practisch voorkwam.
Achter de groote, licht-houten schrijftafel, waaraan elk versiersel ontbrak, zat een man, in de sobere uniform van den Engelschen zee-officier, die uiterlijk wel een der merkwaardigste figuren was, die ik tot dusverre in mijn leven ontmoet had. Hij had een gelaat, waarvan het gedeelte beneden den neus den indruk maakte, alsof het in de kleinst mogelijke ruimte samengeperst was. De neus zelf was normaal en zelfs edel gevormd. Daarboven vertoonde zich een abnormaal breed en hoog voorhoofd, waarop zich in de boven-hoeken twee verhevenheden afteekenden, die men bijna bulten had kunnen noemen. Zijn kort-geknipt haar was donker van kleur, maar aan beide zijden en precies in het midden werd het donker gebroken door drie, van het voorhoofd naar het achterhoofd loopende, sneeuw-witte, breede strepen.
Hij droeg baard noch snor. Men kreeg den indruk, dat daarvoor op het samen-geperste beneden-gedeelte van zijn gezicht ook geen plaats was!
Een allermerkwaardigste kop en, zonder twijfel, ook een allermerkwaardigst man!
Bij ons binnen-treden stond hij op en reikte mijn vriend de hand.
"Het verheugt mij, dat U oude vrienden niet vergeet" - zeide hij daarbij, waarop G. G. mij aan hem voorstelde.
"Mr. Hendriks!" — zeide Sir Percival. "De Hollandsche biograaf van Mr. Gill!" En, terwijl hij mij de hand drukte, voegde hij daaraan toe: "Reeds lang heb ik gewenscht, kennis met U te mogen maken, Mr. Hendriks! En de gezamenlijke tegenwoordigheid van de beide heeren bewijst mij, dat er zonder twijfel een belangrijk experiment voor de deur staat."
Onwillekeurig moest ik glimlachen, toen ik aldus deze geliefkoosde uitdrukkingswijze van den detective uit den mond van Sir Percival hoorde.
"Misschien zal er gededuceerd en gecombineerd moeten worden" — antwoordde ik, "hoewel ikzelf eenigszins in het duister rondtast en voor nadere inlichtingen op mijn vriend aangewezen ben."
"Dat gebeurt meer met de samenwerkers van Mr. Gill" - antwoordde Sir Percival, terwijl ook hij nu glimlachte. "Ikzelf meen de eer te mogen hebben mij onder die samenwerkers te rekenen."
Deze woorden bewezen mij, dat de samenwerking, waarop hij hier doelde, wel zeer belangrijke en vooral zeer geheime zaken moest betreffen, want anders zou mijn vriend stellig den naam van Sir Percival vroeger wel eens tegenover mij genoemd hebben. Men bedenke evenwel, dat ik in die dagen nog niet zóozeer in het vertrouwen van den detective deelde, als dat in latere jaren het geval is geweest.
Wij hadden nu plaats genomen en ik wachtte met eenige spanning op de dingen, die gebeuren zouden. Het was, zooals trouwens te voorzien was, G. G., die het gesprek inleidde.
"Ik ben zoo vrij geweest Mr. Hendriks bij U te introduceeren" — aldus begon hij, "omdat hij iets te vertellen heeft, dat U evenzeer interesseeren zal als het mij geïnteresseerd heeft. Vooraf zou ik U echter een vraag willen stellen, U weet, dat ik bij het doen van vragen niet altijd heel discreet ben, en dat ik ronduit vraag, wanneer ik meen, dat er gevraagd worden moet."
"Mr. Gill schijnt alleen indiscreet tegenover menschen, die hem niet kennen" — luidde het gracieuse antwoord, dat met een mengeling van vormelijkheid en vriendelijkheid gegeven werd, die zeer aangenaam aandeed.
"Welnu dan, Sir Percival" — vervolgde mijn vriend. "Ik heb Mr. Hendriks nog niet ingelicht omtrent Uw eigenlijke kwaliteit. Ik zou er de voorkeur aan geven, als U dat zelf deedt. Mijn vraag is eenvoudig: bestaat daartegen Uwerzijds bezwaar?"
"Niet het allergeringste!" — antwoordde de Zee-Officier. "Mits — en dat zult U begrijpelijk vinden ik ervan overtuigd kan zijn, dat U Uw vriend bestemt om in de blijkbaar komende gebeurtenissen een rol te spelen."
Ik wachtte met groote belangstelling het antwoord van G. G. op deze "mits" af! Hoewel ik niet beseffen kon, welke rol mij zou worden toebedeeld in "komende gebeurtenissen", waaromtrent mij nog niets bekend was, brachten mijn aanleg en karakter toch mede, dat elke rol in een "belangrijk experiment" mij welkom zou zijn. En dit zette mij héén over het ietwat onaangename gevoel, dat ik door G. G. voor zoo'n rol "bestemd" zou zijn, ook zonder dat mij omtrent den aard van deze rol nog iets was medegedeeld. Het was duidelijk, dat G. G. oudergewoonte de lakens zou uitdeelen!
Het antwoord van mijn vriend was verrassend.
"Mr. Hendriks is reeds begonnen zijn rol te spelen" aldus luidde het. "Althans aan zijne mededeelingen is het te danken, dat er wellicht eenig licht komen zal in een zaak, die U, Sir Percival, en ik voor enkele jaren als voorloopig onoplosbaar hebben opgegeven."
"In welke zaak . . .?"
"In die van de "Viper' *)" — luidde het antwoord. Bij het vernemen van dezen naam maakte Sir Percival een plotselinge, heftige beweging, alsof hij inderdaad door een adder gebeten was. Zijn zonderling gezicht nam daarbij tevens een uitdrukking van verrassing aan, maar van een verrassing, die niet vroolijk was,
*)Adder.
"Wordt die oude zaak weer opgerakeld?" — vroeg hij. "Een niet opgeloste zaak wordt nooit oud" — verklaarde mijn vriend. "Alleen eenmaal opgeloste vraagstukken worden oud en drogen uit, Sir Percival! Blijft een belangrijk geval onverklaard, dan kan het elk oogenblik weer opleven en een nieuw en krachtig leven beginnen."
"Tot dusverre is mij dat nog nooit gebleken" - merkte Sir Percival op.
"Ongetwijfeld zal het U dan wêl blijken wanneer U het verhaal van Mr. Hendriks hebt aangehoord. Eerst echter — zooals gezegd — zou ik het op prijs stellen, wanneer mijn vriend werd medegedeeld, wie U eigenlijk is. Dit zal hem ongetwijfeld de noodzakelijkheid van nauwkeurig vertellen tegenover ons en van stilzwijgendheid tegenover elk ander klaar doen inzien."
"In die van de "Viper" — luidde het antwoord (Blz. 35).
# HOOFDSTUK IV. Men neemt mij in het vertrouwen . . . gedeeltelijk!
Sir Percival Kewes bleef eenige oogenblikken zitten met voorover gebogen hoofd en blijkbaar diep in gedachten. Toen begon hij plotseling te lachen.
"Ik denk erover na, hoe ik de rol, die ik krachtens het vertrouwen, dat de Admiraliteit in mij stelt, gewoon ben te spelen, tegenover Uw vriend beschrijven zal, Mr. Gill!" — zeide hij toen. "Het is, dunkt mij, het best dat eenvoudig en met zoo weinig mogelijk woorden te doen."
Zich daarop tot mij wendende, vervolgde hij:
"Wanneer er op de wereldzeëen het een of ander opvallends gebeurt, waarbij Britsche belangen betrokken zijn, dan wordt er dikwijls, zonder dat iemand dit vermoedt, vanwege de Regeering een geheim onderzoek in gesteld naar de ware toedracht der zaak. Dit geschiedt buiten het officieele onderzoek om en de chef van dezen geheimen dienst ben ik. U zult misschien verbaasd zijn, Mr. Hendriks, dat ik dit aan U, een vreemdeling, meedeel. Maar de ondervinding heeft mij geleerd, dat ik op de discretie van elkeen, die mij door Mr. Gill wordt aanbevolen, met absolute zekerheid bouwen kan. En Mr. Gill zelf zal U kunnen bevestigen, dat wij in meer dan één belangrijke zaak hebben samengewerkt. Ik ben namelijk volkomen vrij, mijn medewerkers te kiezen hoe en waar mij dat het best voorkomt."
De verklaring, die mij thans gegeven was, maakte het tevens duidelijk, waarom G. G. over Sir Percival gesproken had als over een speurrob, in tegenstelling met een speurhond!
Hij was het hoofd van den Britschen geheimen dienst ter zee, een instelling, waarvan het bestaan slechts aan zeer enkele personen in en aan zoo goed als niemand buiten Engeland bekend is. Het was inderdaad wel heel merkwaardig, dat men mij thans in het vertrouwen genomen had en het bewees mij — zoo dat nog noodig geweest ware — den geweldigen invloed, die er van mijn vriend G. G., al was hij niet meer dan 'n particulier detective, uitging, ook in Regeeringskringen. Reeds het feit, dat hij zich voor iemand borg stelde, was voldoende om dien "iemand" in het hèm geschonken vertrouwen te doen deelen!
Intusschen lag er in de situatie, zooals die zich nu begon te ontwikkelen, voor mij nog steeds één groot raadsel! Waarom schonk men mij vertrouwen? In hoeverre was het Hoofd van de maritieme spionnage geïnteresseerd bij het geval van den ring van de Gravin de Corriëntes?
Vragen zou mij hier stellig niet helpen!
Ik moest afwachten, en — al wachtende — zelf beginnen met te vertellen. Want G. G. verzocht mij thans aan Sir Percival dezelfde mededeelingen te doen, die ik hèm dien ochtend gedaan had.
Ik dééd dus mijn verhaal voor de tweede maal en het was duidelijk te zien, dat Sir Percival daarin 'n zeer groot belang stelde. Nu en dan onderbrak hij mij met een korte vraag, die ik naar mijn beste weten beantwoordde. Maar ik was niet altijd in staat om een antwoord te geven, want enkele dier vragen hadden in het bizonder betrekking op het graaflijk echtpaar De Corriëntes, dat mij — behalve dan door onze eerste en eenige ontmoeting — volmaakt onbekend was.
G. G. echter handhaafde zijn reputatie en wist omtrent den Graaf en de Gravin vrij veel bizonderheden, die echter - althans naar het mij voorkwam - weinig ter zake deden.
Toen ik niets meer te vertellen had, nam G. G. onmiddellijk het woord en richtte zich daarbij tot Sir Percival.
"Waarschijnlijk zult U, evenals ik, in het verhaal, dat Mr. Hendriks ons gedaan heeft, een mogelijken sleutel zien tot de oplossing van het verdwijnen van de .Viper' " - zeide hij.
"Is dat niet wat optimistisch geoordeeld?" - vroeg de aangesprokene. En ik kon niet nalaten te zeggen: "Ik dacht, dat het verdwenen jacht de Falcon' heette.
"Er is in dien storm op de Adriatische zee meer dan één vaartuig verdwenen' - merkte G. G. op. "In hoeverre acht U mijn zienswijze te optimistisch. Sir Percival?"
"Vooreerst moet het nog bewezen worden, dat de ring van de Gravin De Corriëntes inderdaad een unicum is" antwoordde deze. "Maar - zelfs aangenomen, dat dit het geval is -, dan hebben wij hoogstens te doen met het mogelijke begin van een spoor."
"Over woorden behoeven wij niet te twisten" - antwoordde G. G. 'n beetje ongeduldig. ,,'n Mogelijk begin van een spoor en 'n mogelijke sleutel komen vrijwel op hetzelfde neêr. Maar met Uw eerste opmerking ben ik het volmaakt eens.'
"En dus . . .?"
"Dus moeten wij trachten, zekerheid te verkrijgen omtrent deze vraag: Is de ring van de Gravin De Corriëntes eenig in zijn soort en is hij altijd eenig in zijn soort geweest? Maar, mijn waarde heer, er is een andere vraag, waarvan de oplossing nog méér dringt. Is de ring van de Gravin dezelfde, die Lady Strattmore altijd gedragen heeft? Daarmede zou de eerste vraag dan tevens opgelost zijn, tenminste voor zooverre zij ons dan nog interesseert. Want op de tweede vraag komt het voorâl aan!"
Men zal opmerken, dat deze woorden van G. G. eigenlijk die van Sir Percival verbeterden en inplaats van de vraag, die door dezen gesteld was, een andere stelden.
Dit was echter met zulk een voorzichtigheid geschied, dat het den Zee-Officier in het geheel niet scheen op te vallen.
"Die vraag zal niet moeielijk te beantwoorden zijn" - zeide hij.
"Gegeven de omstandigheid, dat aan de binnenzijde van den ring van Lady Strattmore een monogram moet gegraveerd zijn, ben ik het met die uitspraak eens. Maar... een niet te diep gegraveerd monogram kan men doen verdwijnen."
"U zult toch niet willen insinueeren, dat de Gravin De Corriëntes...?" — begon Sir Percival, maar de detective viel hem dadelijk in de rede.
"Het is nooit mijn gewoonte iets te insinueeren" — zeide hij. "Ik heb mij beperkt tot het eenvoudige constateeren van feiten. Voor zooverre ik weet is U de eenige, die daaruit gevolgen getrokken hebt."
De laatste woorden hadden wat scherp geklonken.
"En wat nu . . .?" - vroeg Sir Percival,
"Wij moeten den bewusten ring van dichtbij te zien krijgen" — antwoordde G. G. "Daarvoor zullen Mr. Hendriks en ik den Graaf en de Gravin De Corriëntes bezoeken.'
"Maar zal het niet ontzaglijk moeilijk zijn, met de onbescheiden vraag voor den dag te komen, den ring eens van dichtbij te mogen zien?" — vroeg Sir Percival. "Mr. Hendriks kennen de Gravin en de Graaf, althans sinds gisteravond; maar voor hem — een medegast en een met geen enkele officieele kwaliteit bekleeden buitenlander — zou de bedoelde vraag het summum van onbeschaamdheid zijn. Wanneer Mr. Gill daarentegen in zijn kwaliteit van detective komen mocht, zou de Gravin..."
"Het zich tot een genoegen maken, mede te werken aan de oplossing van een duister geheim" — viel G. G. hem in de rede. "Zij is een in alle opzichten betrouwbare vrouw, die niets liever doen zal."
Sir Percival maakte nog eenige bezwaren, maar schikte zich ten slotte naar de zienswijze van G. G., zoodat wij kort daarop het Admiraliteitsgebouw verlieten met het voornemen ons onderzoek voort te zetten door een bezoek aan het Graaflijke paar.
* * *
Het is misschien goed er hier even op te wijzen, hoe zonderling mijn positie op dat oogenblik was. Het eenige wat ik wist, was het verhaal van Lady Ackton omtrent den ring. Maar van den samenhang tusschen dit verhaal en het overleg, dat tusschen G. G. en Sir Percival had plaats gehad, begreep ik voorloopig nog maar bitter weinig. Ik was dus thans in een onderzoek betrokken, waarvan alleen het voorloopige doel mij duidelijk was (n.l. het vaststellen van de herkomst van den ring); maar ik wist, dat dit slechts de eerste stap zijn zou, teneinde tot de oplossing van andere vraagstukken te komen, die zó6 moeielijk waren, dat zelfs G. G. en Sir Percival reeds eenigen tijd de hoop opgegeven hadden achter de waarheid te komen.
Zou ik mij werkelijk, aldus met een blinddoek voor oogen, verder in deze geschiedenis laten verwikkelen?
"Neen!" — antwoordde mijn gezond verstand.
"Ja!" — antwoordde wat G. G. mijn inquisitieven geest pleegt te noemen.
Een conflict tusschen die beiden was, zooals de lezers van mijn vorige boeken weten, niet zeldzaam.
Zoodra wij gezeten waren en onze taxi in beweging kwam, stelde ik de eerste vraag, die mijn inquisitieve geest mij ingaf.
"Welk soort van vaartuig was die "Viper'?" - vroeg ik.
"Een Engelsche onderzeeer, Willy!"
Dit antwoord bevatte in elk geval de verklaring, waarom Sir Percival in de zaak gemoeid was geweest.
"Kun je mij niet wat beter inlichten omtrent dat onderzoek, waarvan de aangelegenheid met den unieken ring een voortzetting schijnt te zijn?"
G. G. keek langen tijd zwijgend vóór zich. Ik breng opnieuw in herinnering, dat ik in die dagen zijn vertrouwen nog niet in die mate genoot als dat later het geval is geweest.
"Ik hoop, dat je het mij niet kwalijk nemen zult, wanneer ik ronduit met je spreek" - zeide hij eindelijk. "Het onderzoek, waarop je doelt en waarvan in het zooeven gevoerde gesprek met Sir Percival sprake was, is van hoogst gevaarlijken aard geweest. Ik zou het niet verantwoord vinden, m'n jongen, je thans daaromtrent reeds volledig in te lichten. Of dit ooit gebeuren zal, hangt af van wat het onderzoek bij Graaf en Gravin De Corriëntes ons leeren zal. Tot zoo lang acht ik het in je eigen belang, over de mogelijke voorgeschiedenis van het geval met den ring, ook tegenover jou, te zwijgen. Vergeet niet, Willy, dat je niet meer alleen in de wereld staat, maar dat je een vrouw hebt."
"Maar een vrouw, die even goed als ik ..."
"'n Inquisitieven geest heeft" - viel de detective mij glimlachend in de rede. "Je weet, Willy, dat ik in haar verstand en haar doorzicht niettemin het grootste vertrouwen heb!"
Ik knikte, want dit was mij reeds bij meer dan één gelegenheid gebleken.
"Je kunt er intusschen verzekerd van zijn, dat ik je niet geblinddoekt in het vuur sturen zal" — vervolgde hij. "Wat het onderdeel van ons onderzoek, waaraan wij nu beginnen, betreft, weet je reeds alles: jijzelf hebt mij daarover ingelicht en meer dan jij weet ook ik niet van dien ring."
"En wat ben je nu van plan?"
"Jij hebt mij eenvoudig aan het echtpaar voor te stellen" — zeide hij, zonder verder op mijn vraag in te gaan. "Laat de rest aan mij over! *Hoe* ik dan handelen zal, hangt geheel van de omstandigheden af."
"En het eigenlijke doel van ons bezoek?"
"Erachter te komen, of het bewuste monogram aan de binnenzijde van den ring staat. En dat wel zonder onbescheiden te zijn of aanstoot te geven."
Ik vroeg niet verder, want ik kende G. G. genoeg om te weten, dat ik toch niets meer te weten zou komen.
Geen van tweeën vermoedden wij, dat de zaak een andere en geheel onverwachte wending nemen zou.
De Graaf en Gravin de Corriëntes logeerden in het Carlton-Hotel. Toen wij ons daar aan de portiersloge aanmeldden en naar hen vroegen, moest het zelfs voor den minst scherpzinnigen mensch duidelijk zijn, dat er iets bizonders aan de hand was. Er werd geheimzinnig gefluisterd tusschen menschen mèt en zonder vergulde knoopen op hun jas. Men liet ons abnormaal lang wachten en het geduld van mijn vriend verwonderde mij.
Eindelijk trad er een hoogere, correct gekleede, beambte van het hotel op ons toe.
"Ik vrees, dat de Graaf en de Gravin U onmogelijk zullen kunnen ontvangen" - zeide deze.
"Als U dat alleen maar vreest" — antwoordde G. G., "zal het U weinig moeite kosten om te weten te komen, of die vrees al dan niet gegrond is!"
"Wien zou ik de eer mogen hebben aan te dienen?" - vroeg de beambte.
Op dit oogenblik naderde ons iemand, die zoowel aan G. G. als aan mij zeer goed bekend was. Het was Inspecteur Higgins van Scotland-Yard. *) In menig geval hadden wij reeds met hem samengewerkt en wij hadden meer vertrouwen in zijn ijver en plichtsbetrachting dan in zijn scherpzinnigheid, hoewel ook hij wel eens heldere invallen had.
*) Het bureau van den officieelen detective-dienst.
Zoo'n heldere inval was het zeker, dat hij - vóórdat hij den hotelbeambte aansprak — een vragenden blik op mijn vriend wierp en een teeken van hem scheen af te wachten, G. G. scheen te begrijpen, welk teeken van hem verwacht werd. Ik zag, dat hij schier onmerkbaar knikte en dadelijk daarop fluisterde Inspecteur Higgins den beambte iets toe. Deze kreeg een kleur - vermoedelijk van verrassing — en trad onmiddellijk op mijn vriend toe.
"Ik vraag U om verontschuldiging" — zeide hij, "Ik wist niet, wie U was! Ik zal U onmiddellijk naar den Directeur-Gérant geleiden."
"Heel vriendelijk!" — antwoordde G. G. op denzelfden zachten toon, waarop de beambte (die blijkbaar een verstandig man was) gesproken had. "U zult wel zoo beleefd zijn, dezen heer" (hij wees hierbij op mij) "in dezelfde gunst te doen deelen en aan niemand meê te deelen, wie ik ben."
"Daarop kunt U rekenen, Mr . . . " „..Stevenson!" - viel de detective hem met nadruk in de rede.
De beambte kleurde ten tweeden male, nu van ergernis over zichzelven! Hij had den naam, dien hij geheim moest houden, bijna in het openbaar uitgesproken!
Inspecteur Higgins bleef in de voorhal en wij volgden den beambte, die ons, door een paar hooge gangen, vóórging naar het kantoor van den Directeur-Gerant. Mijn vriend vond gelegenheid, mij onder weg de volgende woorden toe te fluisteren:
"Er zijn hier dingen gebeurd, die wij nog niet weten, Willy! Maar denk er vooral aan, dat het den schijn moet hebben, alsof wij âlles weten. Verbaas je dus over niets en hoor de mededeelingen, die ons gedaan zullen worden, zoo lakoniek mogelijk aan."
"Heb je eenig begrip, wat er gebeurd is?" - fluisterde ik.
"Niet het minste, Willy. Blijkbaar staat het in verband met de twee hooge personages, die wij bezoeken willen. Maar overigens is mijn geest 'n stuk wit papier, waarop de Directeur naar believen schrijven kan."
Een oogenblik later werden wij in een kleine wachtkamer gelaten. De beambte verdween in een neven-vertrek, maar kwam daaruit schier onmiddellijk weer te voorschijn om ons te verzoeken, binnen te komen.
Wij bevonden ons in het particuliere kantoor van den Directeur-Gérant.
# HOOFDSTUK V. Diefstal.
Behalve den Directeur-Gérant was er evenwel nog een tweede persoon in het vertrek, in wien ik — hoewel ik op iets dergelijks voorbereid was, kon ik toch mijn verbazing nauwelijks verbergen! — Graaf De Corriëntes herkende.
Deze zat in een eleganten club-fauteuil met een sigaret in den mond en een gezicht als een donderwolk.
De Directeur stond midden-in de kamer. Hij was een korte, dikke man met een groot hoofd, dat op dit oogenblik nog grooter leek door de hoogroode kleur, die zijn gezicht bedekte. Hij was blijkbaar uiterst zenuwachtig.
Toen hij den detective in het oog kreeg, trad hij snel op dezen toe en reikte hem beide handen.
"U komt als geroepen, Mr. Gill!" — zeide hij. "Graaf De Corriëntes heeft zijnerzijds Scotland-Yard reeds in de zaak betrokken. Maar — van mijn kant — geef ik er de voorkeur aan, U met het onderzoek te belasten. Hij heeft natuurlijk in de eerste en voornaamste plaats belang bij de opsporing van het gestolene. Maar ik heb dat niet minder, met het oog op den naam van het Hotel. Wij zijn overeengekomen, dat wij beiden in dit moeielijke geval onze eigen vertrouwensmenschen gebruiken zullen."
"Ik heb reeds met Inspecteur Higgins van gedachten gewisseld" — verklaarde G. G. Maar hij zeide er niet bij, dat dit alleen maar met de oogen geschied was.
"Zooeven heb ik getracht, U telefonisch te bereiken, maar U was niet thuis" — vervolgde de Directeur, in zijn opgewondenheid zeer rad sprekende.
"Ik was vermoedelijk reeds op weg hierheen" - antwoordde de detective.
"Maar door wien was U dan ingelicht?"
G. G. glimlachte.
"U weet, dat ik mijn oogen op verschillende plaatsen in Londen heb" — zeide hij. "Dat moet U genoeg zijn."
Met deze woorden imponeerde hij den Directeur geweldig en dat was waarschijnlijk ook zijn bedoeling. Ik wist natuurlijk, dat zij — hoewel op zichzelven niet onjuist — speciaal in dit geval pure fantasie inhielden!
Op dit oogenblik mengde Graaf De Corriëntes zich in het gesprek. Bij de snelle uitwisseling van woorden tusschen G. G. en den Directeur, was hij inderdaad wel wat op den achtergrond gelaten. "Wie is deze Señor?" - vroeg hij plotseling op scherpen toon.
"Hij is de man, aan wien ik mijn belangen met vertrouwen in handen geeft" — antwoordde de Directeur: "Mr. Geoffrey Gill, de wereldberoemde detective!"
De Graaf stond op en maakte een stijve, koude buiging.
"Ik breng gaarne hulde aan Uw talent en scherpzinnigheid" — zeide hij daarbij. — En deze heer...?"
Hij wierp een blik op mij.
"Gisteravond had ik reeds het genoegen, kennis met U te maken ten huize van Lord Stockton, mijn schoonvader" — antwoordde ik.
Hij boog opnieuw, even koud en even stijf.
"Inderdaad! Nu herinner ik mij dat!" — sprak hij daarbij. "Waaraan hebben wij het genoegen van Uw tegenwoordigheid te danken?"
Deze vraag was niet zoo gemakkelijk te beantwoorden . .
Gelukkig belastte mijn vriend G. G. zich daarmede.
"Als U Engelschman was, zoudt U die vraag waarschijnlijk niet gesteld hebben, Graaf!"— zeide hij. "Men weet ten onzent in uitgebreiden kring, dat Mr. Hendriks, die een bekend criminalist is, en ik reeds menigmaal met vrucht hebben samengewerkt."
De Graaf wierp een verwonderden, beschouwelijken blik op mij, zoo ongeveer op de wijze, waarop men een curieus dier beschouwt.
"Een zonderlinge bezigheid voor den schoonzoon van Lord Stockton!" - zeide hij met een stijf lachje.
De geheime minachting, die in deze woorden doorstraalde voor het beroep van den detective, joeg mijn vriend in het harnas. Op dit punt was hij zeer gevoelig! Een aanval op of geringschattende wijze over zijn beroep was een der weinige dingen, waartegen zijn bedaardheid niet altijd bestand bleek. Ook ditmaal verloor hij zijn gewone kalmte.
"Ik heb aristocraten gekend, die dieven bleken" zeide hij scherp. "Het feit, dat Mr. Hendriks een bekwaam en eerlijk man is, zal misschien opwegen tegen het andere feit, dat hij zoo goed is, mij nu en dan bij mijn minderwaardig werk te helpen."
De Graaf was donkerrood geworden. Ik zag, dat zijn handen trilden: zóózeer verontwaardigden hem blijkbaar deze forsche woorden van een eenvoudig detective tegenover hèm, Grande van Spanje!
Het gelukte hem echter, zich meester te blijven en met een vrij vaste stem te antwoorden:
"Het lag niet in mijne bedoeling tegenover iemand onaangenaam te zijn."
"Dan is dit incident gesloten" - antwoordde G. G. op een toon, alsof hij de Grande van Spanje was. En van dit oogenblik af, behandelde hij den Graaf met volmaakte, maar ijs-koude hoffelijkheid.
Het werd intusschen tijd, dat wij zouden worden ingelicht omtrent de gebeurtenissen, die hadden plaats gegrepen. Hoewel G. G. het had doen voorkomen, alsof wij alles reeds wisten, verkeerden wij op dit punt in werkelijkheid nog geheel in het duister. En ik wil wel bekennen, dat ik zelden met meer spanning op de onthulling van een geheim gewacht heb.
Van een geheim was hier echter geen sprake. Wat er geschied was, zou weldra publiek eigendom zijn: ik had in de vóórhal reeds journalisten opgemerkt. En onze goede vriend, Inspecteur Higgins, kende geen grooter genoegen dan een gesprek met 'n vertegenwoordiger van de pers. Aan dat genoegen gaf hij zich veel te dikwijls over.
De Directeur-Gérant, Mr. Lambs, begreep zèlf, dat de zaak niet geheim gehouden kon worden, en was daarover vooral ontdaan.
Er was evenwel niets aan te doen, want zij kon, zooals ook wij later inzagen, niet meer in de doofpot gestopt worden. Trouwens de Graaf zou dat ook zeker niet hebben toegelaten.
"En wat denkt U te doen, Mr. Gill?" - vroeg Mr. Lambs
Het was duidelijk, dat G. G. op een dergelijke vraag gewacht had: zij schonk hem de gelegenheid van zijn kant eveneens vragen te stellen of althans anderen aan het spreken te krijgen.
"Dat zal afhangen van bijkomstige omstandigheden" antwoordde hij. "U moet niet uit het oog verliezen, dat ik in hoofdzaak de feiten ken, maar dat de détails mij nog niet bekend zijn."
"Het zou misschien aanbeveling verdienen, indien Graaf De Corriëntes zoo vriendelijk wilde zijn..."
De Graaf stond plotseling op.
"De Graaf De Corriëntes is zéér vriendelijk" — zeide hij, "maar heeft weinig lust hetzelfde verhaal, dat hij reeds aan den vertegenwoordiger van Scotland-Yard, Inspecteur Higgins, gedaan heeft, tegenover een particulier detective te herhalen. Mij dunkt, Mr. Gill, dat — wanneer U zich voor de zaak interesseert — de mededeelingen van Uw meerdere voor U voldoende zijn!"
Hij stond op en verliet met een buiging de kamer.
Ik had verwacht, dat G. G. door het optreden van den Graaf buitengewoon geprikkeld zou zijn, niet het minst door het feit, dat deze Inspecteur Higgins als "den meerdere" van den detective betiteld had. Maar G. G. is altijd 'n onberekenbaar mensch geweest. Opeens begon hij te lachen!
"U zult U met de gedetailleerde mededeelingen omtrent wat er gebeurd is, moeten belasten" — zeide hij tot Mr. Lambs. "Onze Grande van Spanje schijnt niet in zijn humeur te zijn. Ik hoop hartelijk, dat hij zich over mij bij mijn "meerdere' beklagen zal. Mr. Higgins zal daarbij een vreemd gezicht zetten. Komaan, meneer de Directeur, Mr. Hendriks en ik luisteren met belangstelling naar U."
"Véél te vertellen hèb ik niet" — zeide Mr. Lambs. "En ik zal uitsluitend op de mededeelingen van den Graaf moeten bouwen. Hij kwam vanochtend plotseling bij mij op 't kantoor binnen loopen en ..."
"Kunt U mij zeggen, hoe laat dat precies was...?" "Zeker, Mr. Gill! Toen hij mij met enkele woorden ge-
"Zeker, Mr. Gill! I oen hij mij met enkele woorden gezegd had, wat er gebeurd was, begreep ik dadelijk, dat het — ook voor mijn eigen verantwoording — van belang was het juiste uur vast te stellen, waarop hij mij zijn mededeelingen gedaan had. Het was tusschen half-elf en kwart-voor-elf."
"Dank U!"
"De Graaf was zeer ontsteld en viel onmiddellijk met de deur in huis. Geen wonder! De waarde van de ontvreemde steenen schijnt zeer groot te zijn: hij sprak van £ 10.000!"
De ontvreemde steenen! Hier hadden wij dus de verklaring van de beweging en opgewondenheid, zoowel bij het personeel als bij den Directeur!
G. G. verried door geen enkel gebaar, dat hij nu eerst dit belangrijke nieuws gehoord had. Ikzelf trachtte het hem na te doen en ik geloof, dat ik daarin vrijwel slaagde.
"Is er een inventaris van het ontbrekende opgemaakt?" - vroeg de detective kalm.
"Dat is geschied door de Gravin!" — luidde het antwoord. "Uit den aard van de zaak was zij daarvan beter op de hoogte dan haar man."
"En waar is die inventaris . . .?"
"Ik denk, dat Inspecteur Higgins die nu wel in handen zal hebben. Hij zou er beneden op wachten."
"En wist de Graaf iets te vertellen van de wijze, waarop de diefstal kan hebben plaats gehad ...?"
"Dat is een groot raadsel, ook voor hèm" — antwoordde Mr. Lambs. "Gisteren van de soirée bij Lord Stockton teruggekeerd, had de Gravin al de sieraden, die zij gedragen had, op haar toilet-tafel gedeponeerd. Vanochtend waren zij verdwenen..."
"Geen spoor van inbraak gevonden?"
"De Graaf heeft alles nauwkeurig nagezocht. Hij heeft niets van dien aard kunnen vinden."
"Was de Inspecteur spoedig ter plaatse?"
"Graaf De Corriëntes droeg mij op, onmiddellijk Scotland-Yard op te bellen. Na een kwartier reeds was Mr.
Higgins hier!"
"Hij had dus een voorsprong van 'n goed kwartier op ons. Dan heeft-i z'n werk wel buitengewoon vlug gedaan" — zeide mijn vriend met lichten spot. "Ik hoop, dat Mr. Hendriks en ik het nog eens dunnetjes zullen kunnen overdoen."
"De Graaf schijnt niet al te vriendelijk tegenover U gestemd" — meende de Directeur. "Als hij U maar toelaat!"
"Wij zouden het zóó kunnen aanleggen, dat wij alleen met de Gravin te doen kregen" - merkte ik op.
"Als dat gelukt, zou 't een geluk zijn" — antwoordde mijn vriend, zich blijkbaar verheugende in de zonderlinge wijze, waarop hij zich had uitgedrukt.
Het bleef eenige oogenblikken stil.
Toen stond G. G. op en ik volgde zijn voorbeeld.
"Ik neem de zaak voor U in handen, Mr. Lambs!" zeide de detective. "Het spijt mij 'n beetje, dat ik 'n palfrenier op den bok heb in den vorm van Inspecteur Higgins. Het kon echter zijn, dat Uw belangen met die van den Graaf in botsing komen en dan zal het goed zijn, dat U Uw eigen vertrouwensman hebt. Heeft noch de Graaf noch de Gravin erover gesproken, de kostbaarheden onder Uwe verantwoording in Uw brandkasten te deponeeren?"
"Met geen enkel woord, Mr. Gill! Juridisch ben ik stellig niet verantwoordelijk voor den diefstal. Maar ik zei het U reeds — de naam van het Carlton is ermede gemoeid, dat de zaak opgehelderd en het gestolene, zoo mogelijk, teruggevonden wordt."
"Ik zal mijn best doen!" - zeide G. G.
Van hèm komende, was deze belofte van niet geringe beteekenis.
"Hebt U reeds bepaalde plannen?" — vroeg Mr. Lambs, toen de detective de hand reeds aan den deurknop geslagen had.
"Nog niet!" — luidde het antwoord. "U moet zich er evenwel niet over verwonderen, zoo Mr. Hendriks en ik nog eenigen tijd door het hotel rondzwerven."
"Wacht U even!" — zeide de Directeur. Hij zette zich voor zijn schrijftafel en schreef voor ons ieder op den achterkant van een visite-kaartje, dat elke beambte of bediende van het hotel gehouden was, elke aanwijzing die wij geven zouden, stipt op te volgen.
Ieder met zoo'n kaartje gewapend, namen wij voorloopig afscheid van Mr. Lambs.
In de vóórhal van het hotel vonden wij Inspecteur
Higgins nog steeds geposteerd.
Blijkbaar scheen hij op ons te wachten. Ditmaal naderde hij ons, zonder eenig teeken van geheimzinnigheid.
"Graaf De Corriëntes heeft mij zooeven medegedeeld, dat U door den Directeur-Gérant mede in de zaak van den juweelendiefstal betrokken is" — zeide hij. "Hij scheen dat niet aangenaam te vinden, maar ik heb hem gezegd, dat wij een medewerker als U met vreugde begroeten kunnen.'
Het is onmogelijk, den toon van beschermende welwillendheid te beschrijven, waarop deze woorden gesproken werden! Onze goede Inspecteur hield er altijd veel van, de gewichtigheid van zijn persoon naar-buitentoe te etaleeren en ook later zou zijn patroniseerende houding tegenover den grooten detective ons nog menig aangenaam oogenblik verschaffen!
"Hartelijk dankbaar, Inspecteur!" — zeide G.G. "Vooral ben ik blij, dat U een medewerker in mij ziet en niet iemand, die geroepen is U vliegen af te vangen."
"Dat gaat maar zoo gemakkelijk niet!" - zei de Inspecteur.
"Het gaat zelfs zeer moeielijk, Inspecteur, zoo lang men nog geen vliegen ziet" — antwoordde de detective met een ernstig gezicht. "Ziet U ze al...?"
De Inspecteur keek eenigszins hulpeloos: hij begreep den ander blijkbaar niet.
"In elk geval" — vervolgde G. G., zonder het antwoord af te wachten, "hoop ik, dat wij elkander wederzijds op de hoogte zullen houden."
"U kunt erop rekenen, dat ik U zal inlichten omtrent alles wat ik zelf verneem, Mr. Gill!"
"En als U documenten in handen mocht krijgen...?"
"Dan krijgt U er inzage van."
"Ik dank U!"
Hoewel hij niets meer te zeggen scheen te hebben, bleef G. G. onbeweeglijk staan. De ander keek hem eenigszins verbaasd aan.
"Wacht U nog op iets...?" — vroeg hij eindelijk.
"Op de lijst van de gestolen kostbaarheden, die U in den zak hebt" — antwoordde de detective, hem rustig toeknikkende. De Inspecteur kreeg 'n kleur en scheen boos te zullen worden.
G. G. klopte hem vriendschappelijk op den schouder. "U ziet, dat U ook mij geen vliegen afvangen kunt, m'n beste Higgins!" - zeide hij.
En, met 'n beschaamd gezicht, haalde de Inspecteur de door Gravin De Corriëntes geschreven lijst voor den dag.
# HOOFDSTUK VI, G. G. stelt vragen.
G. G. liet zijn oogen gaan over de opsomming van de kostbaarheden, die verdwenen waren, en reikte de lijst daarop aan mij toe. Zij was blijkbaar in haast opgesteld en bevatte eigenlijk alleen de namen der verdwenen voorwerpen, maar zonder een beschrijving daarvan. Bij enkele ervan had de Gravin echter 'n paar woorden neërgeschreven, ter verduidelijking. Dit was o.a. het geval bij het diadeem, dat zij den vorigen avond gedragen had en bij de beschrijving van haar halsketen, die uit verschillende soorten van kostbare steenen bestond, welke, telkens in dezelfde volgorde, op elkander volgden. Als laatste in de rij stond aangeteekend: "vier kostbare ringen."
"Deze lijst zegt ons niet veel!" — zeide G. G. tot zijn collega van Scotland-Yard. "Hebt U niet getracht, de omschrijvingen wat uitvoeriger te krijgen?"
"De tijd heeft daartoe ontbroken" - luidde het antwoord, dat ik niet anders dan beamen kon,
"Ik zou méér gehecht hebben aan uitvoerigheid dan aan het winnen van 'n paar minuten" — zeide G. G., 'n beetje droog, maar niet onvriendelijk. "Zouden wij de lijst nog niet in dien zin aangevuld kunnen krijgen?"
"Op dit oogenblik zeker niet. Ik kan mij toch niet ten tweede male bij de Gravin aanmelden, nu zij zoo erg van streek is!"
"Zool Is zij zoo erg van streek?" — informeerde G. G. met belangstelling. "Men heeft mij daarvan nog niets gezegd."
"Dat spreekt toch wel vanzelf, bij zóó'n diefstal!" verklaarde Inspecteur Higgins. "'t Heeft mij al moeite genoeg gekost, deze bizonderheden schriftelijk in handen te krijgen."
G. G. bleef korten tijd zwijgen en ik meende te zien, dat hij even de oogen sloot: bij hem het teeken van diep nadenken.
"Weet U, waar de Graaf De Corriëntes zich op dit oogenblik bevindt?" — vroeg hij daarop.
"Ik vermoed, dat hij bij zijn vrouw is."
"Dat zou voor ons 'n goede gelegenheid zijn, Willy!" — zeide G. G.
"Voor U . . .?"
"Ja, voor ons, Inspecteur! Voor ons onderzoek ten behoeve van Mr. Lambs. Maar dat is waar ook! Heeft de Graaf zich niet bij U over mij beklaagd?"
Het gezicht van den Inspecteur nam een uitdrukking van verbazing aan.
"Het schijnt van niet" — zeide G. G. "Misschien doet hij het dan straks wel..."
En met deze eenigszins raadselachtige woorden ging hij mij vóór in de lift.
"Moeten wij ons niet laten aandienen...?" - vroeg ik, toen wij boven uitstapten.
"Neen, Willy! Het liefst overval ik hem, want wij hebben daar juist reeds gezien, dat hij van meening is, mij niets meer te zeggen te hebben, nu hij reeds met Inspecteur Higgins gesproken heeft. Hij zou ons dus waarschijnlijk niet ontvangen, als wij werden aangediend."
"En als hij er niet zijn mocht...?"
"Dan zullen wij de Gravin misschien alleen te spreken kunnen krijgen, hetgeen ik nog prefereeren zou."
* * *
Het echtpaar bewoonde een complex van drie luxueuse vertrekken.
Van de hotelgang komende, betrad men eerst een klein vóórportaal. Wij vonden de deur van dit vóórportaal niet gesloten, maar op hetzelfde oogenblik, waaropwij haar openden, ging die van de vertrekken van de Graaf en Gravin De Corriëntes open en verscheen op den drempel een in het zwart gekleede vrouw, wier ouderdom ik op minstens 50 jaar schatte. Zij schrok, toen zij zoo plotseling vóór ons stond, maar had zich onmiddellijk weer in bedwang en informeerde in gebroken Engelsch naar onze wenschen.
"Wij wenschen den Graaf en de Gravin te spreken" zeide G. G. zonder door eenig teeken te laten blijken, dat er iets zonderlings lag in de wijze, waarop wij ons bezoek aldus persoonlijk kwamen aankondigen.
"Men had U hier niet mogen toelaten" — zeide de vrouw, nu schijnbaar geheel kalm. "Wij hebben onszelven toegelaten" — antwoordde de detective.
"Dan verzoek ik U, U oogenblikkelijk terug te trekken" — hernam de vrouw in het zwart, "De Graaf is uitgegaan en de Gravin ontvangt niet."
Haar stem had droog en zelfs wat uitdagend geklonken. "Misschien denkt Hare Excellentie er anders over, wanneer zij weet, wie wij zijn" — verklaarde de detective, terwijl hij zijn kaartie overhandigde en mij een wenk gaf, hetzelfde te doen. "Wil onze kaartjes overhandigen en daarbij zeggen (zij mocht het zich eens niet herinneren), dat Mr. Hendriks de schoonzoon is van Lord Stockton, met wien zij gisteravond kennis heeft gemaakt."
"Met welk doel komt U?"
"Wij komen in verband met den diefstal, die hier vanochtend heeft plaats gehad" — luidde het antwoord.
"Hadt U dat maar eerder gezegd!" — viel deze bewaakster van den drempel plotseling uit. "U komt van de politie?"
G. G. knikte, hoewel deze bevestiging niet geheel in overeenstemming was met de waarheid.
"Ik kan mij natuurlijk legitimeeren!" — zeide hij.
"Dan zal de Gravin Ü ongetwijfeld gaarne ontvangen!" — zeide de vrouw, wier stemming plotseling geheel in ons voordeel veranderd scheen. "Zij ergert zich er niet weinig over, dat men alles buiten haar om behandelt, terwijl het toch haar eigen juweelen betreft! Wacht Ü een oogenblik."
Zij verdween door de deur, waaruit zij gekomen was. "Merkwaardig!" — zeide ik zacht tot G. G. "Hoe kan de Gravin zich erover ergeren, dat men haar niet voldoende in dit alles kent, terwijl zij toch die lijst van de gestolen kostbaarheden heeft opgemaakt?"
G. G. antwoordde niet op deze vraag, maar keek mij eenige oogenblikken zwijgend aan.
"Willy!" — zeide hij toen. "Ik geloof, dat wij in een diep vaarwater raken. Het experiment wordt veel belangwekkender dan ik dacht, en ik geloof, dat — als wij het goed ten einde brengen — wij beiden de goede, dikke Lady Ackland zullen zegenen, die ons toch feitelijk in het bootje gezet heeft, dat wij nu gaan bevaren."
"Je beeldspraak is weêr bewonderenswaardig" — zeide ik. "Als je maar goed begrijpt, dat je mij niet ontijdig uit het bootje zet!"
Op dit oogenblik kwam de in het zwart gekleede vrouw terug en verzocht ons, de ontvangkamer binnen te gaan, waar de Gravin zich dadelijk bij ons voegen zou.
En inderdaad, reeds na enkele oogenblikken verscheen zij, waarop de andere vrouw het vertrek verliet.
Gravin De Corriëntes droeg een smaakvol ochtendtoilet, maar zag er slecht en lijdend uit. Toch had zij in haar optreden het kinderlijke behouden, dat mij reeds den vorigen avond zoo getroffen had. Zij had blijkbaar geschreid, maar behoorde tot die weinige vrouwen, die daardoor eer mooier dan leelijker worden.
Met snelle, bijna onstuimige schreden, kwam zij op mij toe en reikte mij de hand.
"Dit is vriendelijk van U, Señor Hendriks!" — zeide zij. "Wij zijn vreemdelingen in dit land. Elke hulp, die ons, bij de ramp die ons getroffen heeft, geboden wordt, is welkom, o zoo welkom!"
"Ik vrees dat ik maar weinig hulp zal kunnen bieden" — antwoordde ik. "Maar ik breng U hierbij in kennis met mijn vriend, Mr. Geoffrey Gill, den besten detective van Engeland!"
"En U wilt ons bijstaan, Mr. Gill ...?"
"Eigenlijk is het de Directeur-Gérant van dit hotel, die mijn diensten gerequireerd heeft" — zeide hij, zich met ouderwetsche ridderlijkheid buigende over de hand, die zij hem toestak. "Maar aangezien zijn belangen en de Uwe parallel loopen, dien ik ook de Uwe."
"Ik voel mij veilig in de hoede van U en Señor Hendriks!" — zeide zij, blijkbaar tengevolge van een innerlijke behoefte om iets aangenaams te zeggen.
"Intusschen moet ik U er uitdrukkelijk op wijzen, dat Inspecteur Higgins officieel met Uwe aangelegenheid belast is" — merkte G. G. op.
Er teekende zich eenige verbazing af op het gezicht van de Gravin.
"Wie is Inspecteur Higgins?" — vroeg zij.
"Ik bedoel den beambte van Scotland-Yard, met wien U vanochtend gesproken hebt."
"Ik hèb niemand gesproken: mijn man heeft dat alles behandeld."
"Maar U hebt toch die lijst van de verdwenen kostbaarheden opgemaakt?" - vroeg G. G.
"Ik heb mijn man uitvoerige aanwijzingen daarover gedicteerd, meer niet!" — zeide zij. En G. G. en ik keken elkander verbaasd aan.
Zij zat eenige oogenblikken strak vóór zich uit te kijken. Toen geraakte zij — evenals dat bij een kind plotseling gebeuren kan — opeens in een staat van groote opwinding.
"Waarom word ik toch overal buiten gehouden?" — aldus barstte zij uit. "Ben ik een onmondig kind? Is het mijn schuld, dat er dieven in dit hotel zijn?"
G. G. legde plotseling zijn hand op de hare, die op dat oogenblik op de leuning van haar stoel rustte. Hij deed het met een kalmeerend, bijna vaderlijk gebaar en zijn oogen stonden daarbij zacht als die van een vrouw.
"Gravin!" — zeide hij met de kalme, zachte stem, waarvan de klank reeds zoo meenigeen in moeielijke uren had gerustgesteld. "Het dient tot niets, dat ge U aldus opwindt. Ik zou zoo graag zien, dat U aan Mr. Hendriks en mij Uw vertrouwen schonk. Ik heb den indruk, dat er tot dusverre niemand was, aan wien U dat vertrouwen met 'n gerust hart schenken kondt."
"Señora Carmen!" — zeide zij, met 'n wat hulpeloos gebaar. Zij bedoelde blijkbaar de vrouw in het zwart, die ons zooeven verlaten had. De naïeve, kinderlijke wijze, waarop deze hooggeplaatste vrouw een eenvoudige ondergeschikte als haar eenige vertrouwde noemde, had iets ontroerends.
Aan de oogen van G. G. kon ik zien, dat hij evenzoo voelde als ik, maar op zijn gezicht vertrok geen spier. En toen zeide hij — als de chirurg, die het mes hanteert ter genezing van den patiënt — met 'n scherpe stem, in schril contrast met den zachten toon, waarop hij nog zooeven gesproken had:
"En Uw man, mevrouw de Gravin . . ?"
Zij bedekte zich het gezicht met de handen en zat onbeweeglijk,
Ik kan verklaren, dat ik op dit oogenblik het hart in de keel voelde kloppen. Het optreden van den detective grensde aan ruwheid, ja aan onbeschaamdheid. Er waren blijkbaar redenen, die hem ertoe brachten, het vertrouwen van de Gravin zoo spoedig mogelijk te begeeren; en hij zag er niet tegen op, den toestand daarvoor te forceeren. Ik kon den indruk niet van mij afzetten, dat hij alles op één kaart gezet had.
Indien dit werkelijk zoo geweest was, had hij — als gewoonlijk deed de invloed van zijn persoonlijkheid zich gelden! - werkelijk succes.
De jonge Gravin hief plotseling het hoofd op en zag hem recht in de oogen.
"Mr. Gill!" — zeide zij. "Mijn uiting van zooeven is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat ik zelfs niet geraadpleegd word omtrent de stappen, die genomen worden om mij mijn eigendom terug te bezorgen. Mijn man meent het goed, daarvan kunt U overtuigd zijn. Maar het prikkelt mij, dat hij, zelfs in dit geval, alles regelt, als stond ik erbuiten."
"Uw man schijnt mij een bizonder onafhankelijke natuur" - zeide hij.
Zij knikte.
"Dat is hij zeker, maar hij overdrijft het geslotene in zijn karakter, totdat het bijna kwetsend wordt. Waarom vertrouwt hij mij niet?"
"Die vraag kan ik natuurlijk niet beantwoorden, Gravin!" — zeide G. G. "Maar aangezien ik niet geloof, dat hij den goeden weg inslaat om den dief of de dieven te ontdekken, moet ik een anderen weg inslaan, die mij beter voorkomt. Zoudt U mij enkele vragen willen beantwoorden?"
"Natuurlijk! Vraagt U gerust."
"Wannéér hebt U den diefstal ontdekt?"
Zij sloeg de handen in elkaâr, zooals een verheugd kind dat doet.
"Tot dusverre heeft nog niemand mij iets gevraagd!" zeide zij. "Ik heb wel niet veel bizonders te vertellen, maar men moet toch beginnen bij het begin."
"Juist!" — stemde G. G. toe. "U wilt dus mijn vraag zeker wel beantwoorden."
"Heel graag, Señor detective! Gewoonlijk zijn wij zeer matineus. Maar vanochtend was ik wat lang te bed gebleven. Toen ik in mijn kleedkamer kwam, waar ik alle juweelen, die ik gisteravond gedragen heb, in haast op mijn kaptafel had neërgelegd, vond ik wel de dunne sjaal, die ik eroverheen geworpen had, maar de sieraden bevonden zich niet meer daaronder! Ik waarschuwde mijn man, die in onze zitkamer op mij wachtte en hij was héél boos, zóó boos als ik hem nog nooit gezien heb."
"En hoe laat was het toen?"
"De klok in de zitkamer stond op half-negen maar later ontdekte ik, dat zij was blijven stilstaan. Het juiste uur kan ik U dus niet aangeven."
"Jammer!" — zeide G. G. en het kwam mij voor, dat er 'n tikje sarcasme in den toon van zijn stem lag.
"Mijn man belde Scotland-Yard op en ging later naar beneden om met den Directeur-Gérant te spreken. Eerst moest ik hem gauw opgeven, welke sieraden ik miste, en hij schreef dat op."
"En toen ...?"
"Toen was de zaak voor mij voorloopig uit" - antwoordde zij. "Uw komst is het eerste geweest, wat er mij weêr aan herinnerd heeft, behalve dan, natuurlijk, dat ik aldoor erg verdrietig ben geweest."
Zij keek bedroefd, met die eigenaardige uitdrukking van een groot kind, die het midden houdt tusschen ernstig verdriet en geërgerd pruilen.
Ik verwonderde mij voortdurend erover, dat deze Spaansche Gravin zoo in het geheel niets had van de voorstelling, die wij ons van "une grande dame" uit haar romantisch vaderland maken!
"Wilt U mij de plaats laten zien, waar Uw sieraden gelegen hebben?" — vroeg G. G., ditmaal op zijn meest bescheiden toon.
"Waarom niet? U is de eerste, die de zaak ernstig aanpakt" — zeide zij impulsief. En toen opende zij een deur en bracht ons in de ruime kleedkamer, waarover zij zooeven gesproken had. Daarachter lag de luxueus ingerichte slaapkamer.
"Hier was het!" - zeide zij, op de toilet-tafel wijzende.
Deze was van met mozaïek ingelegd mahonie-hout, een kostbaar meubel, dat ongetwijfeld slechts door hooggeplaatste gasten gebruikt werd.
G. G. bekeek nauwkeurig de plaats, waarop zij gewezen had.
G. G. bekeek nauwkeurig de plaats, waarop zij gewezen had (Blz. 62).
"Inderdaad!" — zeide hij. "De harde juweelen en sieraden hebben kleine krasjes achtergelaten op de oppervlakte. Hier zijn zelfs 'n paar langere en diepere krassen, alsof ze er snel zijn algeritst!"
Hij bukte zich plotseling en raapte een rose sjaal op, van een licht, eigenaardig weefsel, die naast de kaptafel lag.
"En dit is zeker de sluier, die U erover héén hadt geworpen...?"
"Juist, Señor!"
Op dit oogenblik hoorden wij de deur van de zitkamer openen. De Gravin keerde zich ontsteld om en van dit oogenblik maakte G. G. gebruik om de rose sjaal snel in zijn binnenzak te doen verdwijnen.
Een zware stap weerklonk en de Graaf De Corriëntes verscheen op den drempel van de kleedkamer.
# HOOFDSTUK VII. Onderstellingen.
"De heeren gaan in hun ijver wel wat te vèr" — dit waren de eerste woorden, die wij van den Graaf vernamen. "Wie heeft U het recht gegeven mijn appartementen te betreden?"
Zijn stem had hoog en koud geklonken. Ik heb zelden iemand ontmoet, die, zonder in zijn woorden te vêr te gaan, zóóveel verachting in zijn stem kon leggen.
"Mevrouw de Gravin was wel zoo vriendelijk, ons een onderhoud toe te staan" — zeide G. G., eveneens met ijzige kalmte.
"Ik begrijp het doel daarvan volstrekt niet, Señor! Inspecteur Higgins achtte zoo'n onderhoud volstrekt overbodig."
"Inspecteur Higgins moet weten, op welke wijze hij zijn opdracht vervult" — antwoordde G. G. "Ik vervul de mijne, zooals mij dat het best voorkomt."
"Ik ben zoo vrij aan te nemen, dat het oordeel van
Uw superieur boven het Uwe gaat, Mr. Gill!"
G. G. schudde langzaam het hoofd, zooals men dat doet, wanneer men iemand 'n dwaasheid hoort debuteeren.
"Het is misschien goed, Graaf de Corriëntes" - zeide hij, "dat ik U, als vreemdeling, eenigszins inlicht over toestanden, die U verkeerd begrijpt. Inspecteur Higgins is beambte van Scotland-Yard; ik ben dat niet en dientengevolge mijn eigen heer en meester. De Inspecteur en ik staan tot elkander in geen enkele dienstbetrekking.
"U zult het mij zeker niet kwalijk nemen" — hernam de Graaf, "dat ik in dat geval de voorkeur geef aan de diensten van den officieelen ambtenaar."
"In het minst niet, meneer de Graaf! Ook U is Uw eigen heer en meester."
"Dat schijnt anders hier, in mijn eigen apartementen, niet het geval te zijn!"
"Waarom niet...?"
"Omdat U die nog steeds niet verlaten hebt."
Zich daarop tot mij wendende, vervolgde hij: "Ik begrijp niet goed, Mr. Hendriks, dat U, die U erop beroemt geparenteerd te zijn aan enkele leden van de hooge Engelsche aristocratie, een dergelijke onbeschaamdheid met Uw tegenwoordigheid dekt.
Hoewel ik kalm van aanleg ben en door mijn vrienden dikwijls voor nuchter gehouden wordt, zijn er toch dingen, die mij mijn haast spreekwoordelijke bedaardheid kunnen doen verliezen en daartoe behoorde in de eerste plaats elke aanval, die op mijn vriend Geoffrey Gill gedaan werd. De woorden van den Spaanschen Graaf hadden mij gekwetst, misschien nog méér dan wanneer zij alleen een beleediging voor mijzelven ingehouden hadden.
"Het komt mij voor, Graaf De Corriëntes!" - zeide ik scherp, "dat U niet begrijpt, welke plaats mijn vriend Geoffrey Gill in de Engelsche samenleving inneemt. Anders zoudt U zich anders uitgedrukt hebben. Wat mijzelven betreft, ook zonder de verwantschap, waarop U doelt, zou ik er nooit aan denken mijn vriendschap te schenken aan iemand, die niet door-en-door een gentleman is!"
De oogen van den Graaf waren grooter en grooter geworden. Blijkbaar was hij er niet aan gewend, op deze wijze te worden toegesproken. Hij opende reeds den mond, om een antwoord te geven, dat blijkbaar niet malsch zou zijn uitgevallen, toen de detective hem voorkwàm.
"Wij denken er geen oogenblik aan, ons gezelschap aan U op te dringen" — zeide hij. "Alleen verwondert het ons, dat de man, die het meeste belang heeft bij het opsporen van den dief en het gestolene, onze welgemeende pogingen in die richting afwijst. Men zou zoo zeggen, dat hij ze aanmoedigen moest . . .
De Graaf was vuurrood geworden en beet zich op de lippen tot bloedens toe, Hij verkeerde blijkbaar in een staat van groote opgewondenheid en woede.
Het was mij opgevallen, dat gedurende deze woordenwisseling de Gravin, met een uitdrukking van schrik in de oogen, meer en meer naar het midden van de kamer was teruggeweken. Zij kon haar angst voor den Graaf niet verbergen en de overtuiging drong zich aan mij op, dat deze haar slecht behandelde, misschien wel mishandelde! Ik gevoelde medelijden met haar en het ging mij aan mijn hart, dat wij haar met haar man alleen moesten laten. Maar... er was geen andere keuzel
Nadat wij voor de Gravin diep gebogen en met den Graaf een koelen groet gewisseld hadden (waarbij deze ditmaal moeite genoeg scheen te hebben om koel te blijven) traden wij door de zitkamer naar de deur, die in het voorportaal uitkwam.
Nog hadden wij deze niet bereikt, toen de Graaf zijn zelfbeheersching plotseling scheen te verliezen.
"Blijf!" - riep hij den detective met schorre stem na. "Ik verkies niet, dat . . .
G. G. had zich rustig omgedraaid.
"Aan Uw bevel om te blijven, op dien toon gegeven, kan ik niet voldoen!" — zeide hij. "Na wat hier voorgevallen is, acht ik het beneden mij om te blijven."
Het volgende oogenblik stonden wij in den corridor van het hotel.
* * *
Beneden liepen wij opnieuw Inspecteur Higgins tegen
"Wel, Inspecteur" — zeide G. G. "Wij hebben elkander loyale samenwerking beloofd. Daarom wijs ik er U in de eerste plaats op, dat de lijst, die de gestolen sieraden opsomt, niet door de Gravin maar door den Graaf geschreven is."
"Dat dacht ik al, naar het handschrift te oordeelen" - zeide de Inspecteur onschuldig.
"En verder ben ik U de verklaring schuldig, dat het onderzoek van de graaflijke appartementen mij wel het een en ander geleerd heeft. Jammer, dat U die niet onderzocht hebt."
"De Gravin maakte bezwaren" — antwoordde Higgins.
"Is U er zeker van, dat het de Gravin was...?"
"De Graaf bracht mij zelf haar bezwaren over, Mr. Gill! Onder de bestaande omstandigheden, had ik geen bezwaar voorloopig van het onderzoek in loco *) af te zien: ik kan dat immers nog te allen tijde instellen ...?"
*) = ter plaatse.
"Zeker, Inspecteur! Maar toch is het jammer, dat ik U vóór geweest ben!"
En met deze woorden, waarin eenige spot gelegen had, groette hij den Inspecteur, waarop hij het hotel verliet.
"Waarheen nu?" - vroeg ik.
"Als je nog geen buitengewone behoefte hebt, om bij je schoonvader te gaan lunchen, zou ik je willen voorstellen mee naar mijn woning te gaan. Combineeren en deduceeren, Willy! Jouw aanwezigheid inspireert mij daarbij altijd! Wat zal 't zijn: gymnastiek van de kaken of gymnastiek van de hersens?"
"Van de hersens!" - besliste ik.
"Bravo, Willy! Ik had niet anders van je verwacht!"
* * *
Stilters ontving ons aan de deur met een gewichtig gezicht en een energiek handenwrijven — beide symptomen, dat hij iets te zeggen had.
"Er is een jonge dame voor ons geweest" — zeide hij tot G. G., waarbij hij waarschijnlijk meende te fluisteren, hoewel ik elk woord verstaan kon.
"Iemand, die hier meer geweest is . . .?" „Neen. Sir!"
"En zij is weer weggegaan?"
"Juist, Sir! Zou heden, vroeg in den middag, opnieuw haar geluk beproeven."
"Dan heeft zij werkelijk geluk, want ik ben niet van plan vroeg in den middag uit te gaan: volop werk voor de schrijftafel! Aan den anderen kant zie ik niet in, waarom zich bij al degenen, die mij met hun zorgen en verdrietelijkheden kwellen, zich nu ook nog 'n jonge dame voegen moet. Heeft zij geen naam opgegeven...?"
"Neen, Sir!"
"Bizondere kenteekenen?"
Stilter knikte triomfantelijk.
"Ja, Sir! Eerst wist ik niet, wat het was, dat zoo'n vreemden indruk maakte, wanneer men haar aankeek. Toen ontdekte ik de oorzaak: zij heeft 'n bruin en 'n blauw oog, Sir!"
G. G. en ik keken elkander aan, voorloopig zonder iets te zeggen. De detective knikte den knecht toe en wij gingen naar boven, naar zijn werkkamer.
"Willy!" — zeide hij toen. "De vrouwelijke bediende van Lord Percival Kewes!"
"Wat kan die van je verlangen . . ?"
"In het beantwoorden van die vraag zullen wij ons niet verdiepen. Het zal straks immers blijken. Laten wij ons nu liever bepalen tot de gebeurtenissen van dezen ochtend. Mij dunkt, het kan nuttig zijn, om de gevolgen, die wij daaruit getrokken hebben, systematisch naast elkander te stellen."
"Begin maar, Geoffrey!" — zeide ik. Zèlf in zulke zaken vóór te gaan, vond ik wel wat gewaagd, al beweerde mijn vriend altijd, dat mijn advocaten-verstand mij daartoe in staat diende te stellen. G. G. schudde dan ook bedenkelijk het hoofd.
"Waarom schuif je jouw deel van den arbeid ook al op mijn schouders?" — zeide hij, met 'n zacht verwijt in zijn stem. "Om je pleizier te doen, wil ik echter niet tegenstribbelen."
Hij zweeg even en sloot de oogen. Daarop vervolgde hij:
"Als onze eerste observatie zou ik het verschil in gedrag en spreken tusschen den Graaf en de Gravin willen noemen. De eerste staat — waarom eigenlijk? — niet vriendschappelijk tegenover ons. De tweede daarentegen is bereid ons haar volle vertrouwen te schenken. Met háár heb ik medelijden."
"Ik ook, Geoffrey!"
"Onze eerste vraag nu is deze: Waarom toont de Graaf zich tegenover ons, en speciaal tegenover mij, zoo vijandig?"
"Omdat hij 'n hoogmoedige ezel is!" — antwoordde ik, mij opnieuw opwindende bij de herinnering aan de koude minachting, waarmede hij G. G. behandeld had.
"Het heeft er allen schijn van, Willy! Als tweede vraag stel ik nu de volgende: "Is hij 'n hoogmoedige ezel of speelt hij den hoogmoedigen ezel?"
"Waarom zou hij dien spelen . . ?" - vroeg ik.
"Om ons zooveel mogelijk buiten de zaak te houden. Willy! Het is mij al heel dikwijls overkomen, dat menschen, die iets te verbergen hebben, zich op deze naïeve manier van mijn onaangenaam gezelschap trachtten te ontslaan. Weet je wel, Willy, dat groote misdadigers op sommige punten zoo naïef als kinderen kunnen zijn?"
"Dat heb je mij meer gezegd, Geoffrey! Maar je zult toch niet beweren, dat Graaf De Corriëntes een groot misdadiger is?"
"Ik zal er mij wèl voor wachten, Willy! Maar toch ziet hij - om welke reden dan ook - mij liever niet dan wel. Dit is dus de eerste slotsom, waartoe wij komen; en die is poover genoeg, omdat zij de eerste vraag, die wij gesteld hebben, in het geheel niet oplost."
Men ziet het! G. G. was langzamerhand in den onderwijzenden toon vervallen, dien hij bij het geven van explicaties zoo dikwijls placht aan te nemen.
"Wij stellen nu onze tweede vraag: Waarom toont de Gravin zich tegenover ons zoo vriendschappelijk?"
"Omdat haar man haar buiten alles houdt en zij, in dit geval met volle recht, nieuwsgierig is naar wat er in de zaak, die toch in de eerste plaats háár zaak is, ondernomen en ontdekt wordt. Zij ziet in ons menschen, die deze nieuwsgierigheid bevredigen kunnen."
"Ik sluit mij geheel aan bij de woorden van den vorigen spreker" - zeide G. G. met 'n ernstig gezicht. "Als tweede reden voor haar vriendschappelijke houding zou ik willen noemen haar instinctmatige behoefte aan den steun, dien haar man haar onthoudt.
"En waarschijnlijk doet hij dat niet alleen nu, maar altijd" - merkte ik op.
"Ook dat ben ik met je eens" - zeide G. G. "De
Gravin is bang voor haar man: dat zal jou evenmin ontgaan zijn als mij."
Ik knikte. Wat de detective zeide was geheel in overeenstemming met mijn eigen indrukken.
Onze tweede slotsom is dus meer bevredigend dan de eerste" - vervolgde de detective. "Zij komt hierop neër, dat de Gravin van ons in deze zaak hulp verwacht."
"En wij zullen haar die niet weigeren!" — zeide ik met warmte.
"Tut, tut, Willy!!" — zei G.G., een vermanenden vinger opheffend. "Niet zoo haastig! Wij moeten de zaak van alle kanten beschouwen: - Wij komen nu, langs den weg der logica, tot een derde vraag: Waarom houdt de Graaf zijn vrouw buiten alles, wat op den diefstal betrekking heeft?"
"Vermoedelijk omdat hij haar altijd buiten alles houdt,
Geoffrey!"
"Vermoedelijk, Willy! Maar het komt mij voor, dat er in dit geval nog andere redenen zijn moeten." „ Welke redenen dan ...?"
G. G. keek mij eenige oogenblikken zwijgend aan.
"Willy!" - zeide hij toen. "Wij moeten, bij alle observaties, die wij maken, ons hoofddoel niet uit het oog verliezen en eraan denken, dat Lady Ackland mij niet méér heeft opgedragen dan te onderzoeken, hoe die unieke ring in handen van de Gravin gekomen is. Dat was en is onze voornaamste taak en daarom had ik dien ring gaarne gezien, vooral om te constateeren, of aan de binnenzijde het bewuste monogram staat."
Ik dacht eenige oogenblikken na.
"Het is wel héél toevallig" - zeide ik toen, "dat nu juist die diefstal heeft plaats gehad, waardoor je den ring niet te zien kunt krijgen."
"Bravo, Willy" - prees de detective. "Nu ben je, waar ik je hèbben wilde! Dat toeval is zóó groot, dat ik mij onwillekeurig afvraag, of het wel een toeval is!"
Hoewel deze vraag ook mij nu en dan in vagen vorm had voorgezweefd, schrikte ik toch, toen ik haar zoo duidelijk hoorde formuleeren.
"Je zoudt dus denken, dat de diefstal gefingeerd is om dien ring wèg te moffelen...?" — vroeg ik, werkelijk ontsteld.
",Ik laat mij daarover liever niet uit" — antwoordde G. G., die zich nooit graag vêr op het gebied van onderstellingen waagde, "maar er is één omstandigheid, die in die richting wijst." „Welke ...?
"Wanneer men verlangt, dat gestolen sieraden worden opgespoord, begint men toch gewoonlijk met een nauwkeurige beschrijving. De lijst, die wij gezien hebben, was op dat punt al heel onvolledig en (wat voor ons vooral belangrijk is) de ringen werden in het geheel niet beschreven. Het heeft er iets van, alsof de Graaf wist, dat het op dien bewusten ring aankwam en dat hij zeer goed heeft ingezien, dat het wegmoffelen alléén van dien ring de opmerkzaamheid des te meer juist op dat sieraad vestigen zou."
"Maar hoe zou hij dat hebben kunnen weten?"
"Juist omdat mij dat onverklaarbaar voorkomt, blijft alles wat ik gezegd heb, voorloopig pure onderstelling, Willy!"
"Inspecteur Higgins had op een meer nauwkeurige omschrijving van het gestolene moeten aandringen" — zeide ik.
"Zeker, Willy! Misschien doet hij dat later nog well Maar dân zal het te laat zijn, want âls het een gefingeerde diefstal zijn mocht, is alles nu natuurlijk veilig opgeborgen."
"Maar de Gravin moet er dan toch van weten!" "Misschien niet, Willy! De Graaf heeft er haar immers blijkbaar opzettelijk buiten gehouden.. En tóch mogen wij niet vergeten, dat het geheel ook 'n comedie zijn kan, door Graaf en Gravin gezamenlijk verdienstelijk opgevoerd."
"In elk geval zou het verbergen van den ring dan voor één van beiden of voor beiden een hoogst belangrijk iets moeten zijn."
"Zeker, Willy! En nu wil ik je nog iets zeggen. Er bestaat misschien — let wel: misschien! — een heel eenvoudig middel om op dit punt meerdere zekerheid te krijgen. Dat middel hoop ik zoo mogelijk nog vandaag toe te passen."
# HOOFDSTUK VIII. Een zwakke verbindingslijn.
Ik kwam te laat voor de lunch bij mijn schoonvader. Over het onderwerp, dat G. G. en mij zoozeer in beslag nam, wilde ik niet spreken. Na afloop van de lunch, nam ik alleen mijn vrouw in het vertrouwen.
Maud werd welsprekend in haar pleidooi voor de eerlijkheid en betrouwbaarheid van de Gravin De Corriëntes. Ik heb in vroegere boeken herhaaldelijk opgemerkt, dat haar instinct haar zelden bedriegt bij het schenken van haar vertrouwen en dat ik in de vele gevallen, waarin ik mij gericht heb naar haar oordeel over personen, daarvan nooit berouw gehad heb. Haar gunstig oordeel over de Gravin sloot zich ditmaal geheel bij het mijne aan.
Wat den Graaf betreft, was zij veel wantrouwender. Maar, het complex van de vreemde gebeurtenissen sinds den vorigen avond overziende, kwam zij — evenals ik — nog tot niet veel meer dan tot een chaos van allerlei mogelijkheden en onderstellingen.
"Laten wij ons daarin niet te veel verdiepen" — zeide zij, volgens het recept van mijn vriend, den detective.
Na de lunch bezocht ik Lady Ackland. Het uur, waarop ik kwam, was voor bezoeken niet gebruikelijk, maar ik wist vanouds, dat men met deze eigenaardige vrouw nooit op beter voet komen kon dan door schending van de conventie.
Hooglijk ingenomen was zij met mijn mededeeling, dat G. G. erin had toegestemd, de zaak van den ring ter hand te nemen.
Zij had door de middagbladen van den diefstal gehoord en interesseerde zich natuurlijk niet weinig voor de vraag, of ook de ring, welke haar aandacht zoozeer getrokken had, verdwenen was. Ik verklaarde, dat mij dit onbekend was. Want het was altijd iets gevaarlijks, de praatgrage, dikke Lady Ackland te veel in het vertrouwen te nemen, zelfs al betrof het haar eigen zaak.
Ik zeide haar verder nog, in opdracht van G. G., dat hij de zaak op zich nam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat Lady Ackland zelve van elke zelfstandige actie zou afzien. Had zij iets op te merken, iets mede te deelen of voor te stellen, dan kon zij zich direct met G. G. of mij in verbinding stellen.
"Ik geef U mijn woord van eer, dat ik naar deze aanwijzingen handelen zal" — zeide Lady Ackland. "In Mr. Gill en ook in U, Mr. Hendriks, heb ik het meest volledige vertrouwen. Waar dit het geval is, zou het klein van mij zijn, bemoei-al te willen spelen!"
Ik maak hier de opmerking, dat (gelijk wij ook later nog dikwijls ondervinden zouden) achter het zonderlinge en weinig aristocratische uiterlijk van deze vrouw, eigenschappen verborgen lagen, die haar in menig opzicht stempelden tot een der verstandigste en tevens goedhartigste onder hare zusteren.
Dit bleek ook weer uit de wijze, waarop zij het geldelijke deel van de zaak behandelde.
"Ik weet" — zeide zij, "dat Mr. Gill er een afkeer van heeft, te pingelen over de wijze, waarop hij gehonoreerd zal worden. Ik spreek daarover niet met hem. Maar hij zal tevreden zijn: zeg hem dat uit mijn naam!"
"Ik zeg hem dat liever niet, Milady. Ook zonder dat zal hij de zaak met ernst en nauwgezetheid onderzoeken.
"Doe dan maar zooals U wilt" — zeide Lady Ackland. "U verkeert eigenlijk, als zijn medewerker, in hetzelfde geval. Maar als ik met Mr. Gill niet over de finantiën spreek, doe ik het met U evenmin!"
Zij lachte op de haar eigen, wat luidruchtige manier. Toen ik kort daarop afscheid van haar nam, zeide zij nog:
"Bedenk, dat geldelijke overwegingen U nooit behoeven terug te houden van iets, dat U en Mr. Gill noodzakelijk vinden mocht. U weet, waar ik te vinden ben! — Dag Mr. Hendriks, groet Uw lieve vrouw van mij!"
* * *
Volgens afspraak vond ik om half-vier G. G. op zijn kamer. Zooals hij gezegd had, was hij thuis gebleven. Hij was waarschijnlijk ijverig aan het "combineeren en deduceeren" geweest.
Vóór hem lag een in rood gebonden, dik boek van overigens matige afmetingen.
"Mijn gids in menig moeielijk geval!" — zeide hij, en liet mij den titel zien.
Het was de "Almanach de Gotha"!
"Ik heb eens het een en ander nagekeken omtrent den
Graaf en de Gravin De Corriëntes" - vervolgde hij. "De Graaf is geparenteerd aan de eerste families van Spanje. Overigens vind ik niets interessants over hem, tenzij men een langen stamboom, veel eerebaantjes en veel ridderorden interessant mocht vinden. Maar omtrent de Gravin heb ik verschillende verrassingen."
Hij zweeg tergend lang, gelijk zoo dikwijls, wanneer er zijnerzijds een verrassing op komst was.
Ik, van mijn kant, was besloten hem niet te verheugen met het gewone bewijs van het voortbestaan van mijn inquisitieven geest. Met andere woorden, ik stelde geen vragen.
Zoodoende heerschte er eenigen tijd stilte en in die stilte klonk plotseling de electrische schel van de voordeur.
G. G. scheen te vergeten, dat hij op het punt geweest was, mij met zekere mededeelingen te verrassen.
"Dat zal de jonge dame zijn met de ongelijke oogen!" - zeide hij. "Zij zou immers dezen namiddag haar geluk opnieuw beproeven?"
Tot mijn schande moest ik mijzelven bekennen, dat ik, sinds Stilter ons over haar gesproken had, niet meer aan deze jonge dame gedacht had. Mijn geest was dermate in beslag genomen door den loop der gebeurtenissen, dat mijn geheugen eronder geleden had!
"Jammer, dat zij juist nu komt" — kon ik niet nalaten te zeggen.
"Hoe zoo, Willy?"
"Wel, je was immers juist op het punt, mij verschillende verrassingen te bereiden? Die schenk ik je niet, Geoffrey!"
"Maar eerst moeten wij de jonge dame aanhooren,
Willy!"
Op dit oogenblik klonk de schel van de huistelefoon.
G. G. bracht den hoorn aan het oor.
"Stilter meldt inderdaad, dat de jonge dame teruggekomen is en ,ons' wenscht te spreken" — zeide hij tot mij, nadat hij geluisterd had; en daarop in den horen: "Goed zoo, Stilter! Wij wachten haar met genoegen. Wijs haar den weg naar onze werkkamer."
Een oogenblik later werd er op de deur geklopt en Stilter liet het jonge meisje binnen, dat wij dien ochtend op het bediendenkantoor van Sir Percival Kewes gezien hadden en dat ons bij dien Zee-Officier had aangediend.
Zooals ik dien ochtend reeds begrepen had, kende zij den detective van vroeger, vermoedelijk in verband met de relatie, die tusschen dezen en Sir Percival bestond.
"Gaat U zitten, Miss Greville!" — zeide G. G., die was opgestaan om een stoel bij te schuiven. "Komt U ons iets bizonders brengen...?"
"Ja!" — antwoordde zij. "Maar ik weet niet..." Zij kreeg een kleur en keek in mijne richting.
"Ü weet reeds, dat dit Mr. Hendriks is! — Miss Greville!" — De detective maakte het gebruikelijke gebaar, waarmede men twee personen aan elkander voorstelt. En daarop vervolgde hij: "Ü kunt geheel vrij-uit spreken. Miss Greville!"
Zij glimlachte even.
"Ik heb niets te zèggen!" — zeide zij. "Ik moet U alleen persoonlijk dezen brief overhandigen. Sir Percival vond het beter niet zelf te komen en daarom zond hij mij, zonder dat het verdere personeel daarvan iets weet. Hij zeide alleen, dat ik wachten moest, omdat U misschien een antwoord zoudt willen meègeven. Als U dat onnoodig vindt, zoudt U het mij wel zeggen."
Terwijl zij sprak viel het mij op, dat zij mijn vriend aankeek met groote oogen, waaruit bewondering en vereering spraken. G. G.'s zeer bizondere en zeer sympathieke persoonlijkheid, gepaard aan den roep, die er uitging van zijn bekwaamheid en scherpzinnigheid, had dergelijke gevoelens opgewekt zelfs bij duizenden hem onbekende vereerders en vereersters; deze Miss Greville behoorde blijkbaar tot de vele vrouwen, die hem in alle stilte op veiligen afstand aanbaden.
De brief van Sir Percival Kewes was gesloten in een wit couvert zonder adres. De inhoud moest wel belangrijk zijn, daar er zooveel geheimzinnigheid bij de bezorging werd in acht genomen!
G. G. brak den omslag open en nam kennis van den inhoud. Zijn gezicht stond daarbij onbeweeglijk. Zonder iets te zeggen stelde hij mij het schrijven ter hand; en ik las het volgende: „ Waarde heer!
"Door een toeval bereikt mij zooeven het bericht "omtrent de gebeurtenissen, die in het Carlton-"Hotel hebben plaats gehad.
"Het verdwijnen, juist op dit oogenblik, van vele "sieraden, waaronder — naar ik onderstel — ook "den bewusten ring, is te merkwaardig om toevallig "te zijn. Ik hoop, dat U een ouden mede-werker "den raad vergeven zult, dien hij U thans geeft: "doorzoek nauwkeurig de kamers van den Graaf "en de Gravin, en — als het moet — doe beiden "fouilleeren.
"Verder heb ik hieraan niets toe te voegen.
"Geheel de Uwe KEWES"
Dezelfde onderstelling dus van een gefingeerden diefstal, die ook G. G. en ik reeds geopperd hadden!
"Sir Percival is een scherpzinnig man" — zeide de detective, toen ik de lezing van den brief geëindigd had, "niet onbedreven in het combineeren en deduceeren. Deze brief geeft daarvan opnieuw blijk."
Hij stond eenigen tijd voor zich uit te staren. Toen nam hij plaats voor zijn schrijftafel, trok een vel schrijfpapier naar zich toe en schreef daarop, in zijn groote, duidelijke hand het volgende, dat ik, over zijn schouder kijkend, las naarmate hij het schreef:
"Ik deel Uw zienswijze, maar het is reeds te "laat. Huiszoeking, fouilleeren zou reden gehad heb"ben, zoo vroeger ondernomen. Scotland-Yard
"talmde te lang. Het gestolene moet reeds lang in
"veiligheid zijn. Gevaarlijk nu door huiszoeking
"achterdocht wekken."
Dit korte briefje, zonder opschrift en onderteekening, sloot de detective in een enveloppe zonder adres, en overhandigde het daarop aan Miss Greville.
"Voor Sir Percival!" — zeide hij daarbij. "Wij zijn de vriendelijke bode dankbaar!"
Miss Greville glom, alsof hij haar een persoonlijk compliment gemaakt had, groette ons vriendelijk en verdween glimmendel
G. G. echter bleef onbeweeglijk voor zijn schrijftafel zitten, sloot de oogen en viel schijnbaar in slaap.
Voor mij, die erop gerekend had nu de toegezegde verrassende mededeelingen omtrent de Gravin De Corriëntes te zullen hooren, was — ik erken het gaarne — het schijnbaar inslapen van den detective een niet geringe teleurstelling. Ik besloot echter deze met mannenmoed te dragen; want hem te storen in zijn bezigheid van "combineeren en deduceeren", was iets, dat noch bij mij, noch bij iemand, die hem kende, opkomen kon.
Wel trachtte ik, zonder gerucht te maken, den Almanach de Gotha ter hand te nemen; maar mijn vriend verbaasde mij, toen ik de hand daarnaar uitstak, met een plotseling ongeduldig en afwerend gebaar: een bewijs, dat hij bij het "inkeeren tot zichzelven" toch nog altijd niet blind was voor wat er in zijn omgeving gebeurde!
Nadat ik daarna zeker tien minuten had zitten wachten, zag ik plotseling iets, dat mij verraste, en dat mijn inquisitieven geest als met een schok wakker riep. Hem, mijn vriend, voer namelijk een kort schokje door hals en achterhoofd: hij moest een plotselinge ontdekking gedaan of een verrassenden inval gehad hebben! Zijn combineeren scheen niet vergeefsch geweest te zijn. Maar kennende zijn gevoeligheid op dit punt, hield ik mij stil, ook toen hij later de oogen opsloeg.
"Ik dank je voor de betoonde consideratie, Willy!"—
zeide hij, mij vriendschappelijk toeknikkende. En toen,
zonder een woord te spreken over de onderwerpen, waarover hij had nagedacht en de blijkbaar verrassende conclusie, waartoe hij gekomen was, ging hij in den loop van
de gebeurtenissen als 't ware met een sprongetje terug
tot vóór het bezoek van Miss Greville, en sloot onmiddellijk aan bij wat hij vóór dien tijd gezegd had.
"De verrassingen, die de Almanach de Gotha mij gebracht heeft omtrent de Gravin De Corriëntes, zullen ook jou interesseeren, Willy!" — zeide hij. "Vooreerst: zij is geen Spaansche!"
"Geen Spaansche ...?" - vroeg ik, niet weinig verbaasd.
"Neen!" — verklaarde de detective met alle beslistheid. "En dat verklaart het volkomen gemis aan trots en hoovaardij, die anders de dames uit de hooge Spaansche aristocratie zoo dikwijls tegenover anderen toonen. Zij komt uit een streek, die betrekkelijk maar weinig in Europa bekend, hoewel zij toch in Europa gelegen is: uit Dalmatië."
"Dat land behoort immers onder Oostenrijk?" - zeide ik.
"Het behoort tot de Habsburgsche monarchie, Willy!
Maar dat is iets anders dan dat het tot Oostenrijk behoort. Zoo de Monarchie ooit uit elkaâr valt, wordt Dalmatië stellig een onafhankelijke of tenminste deel van een nieuwen staat *)
*) Men weet, dat de loop der gebeurtenissen G. G. in het gelijk gesteld heeft. Dalmatië behoort nu tot Jugo-Slavië.
"En de Gravin komt dus uit dat weinig bekende land?"
"Ja, Willy! Zij stamt uit een aanzienlijke Dalmatische familie, de Medvedje's. De gegevens, die in den Almanach zijn opgenomen, toonen, dat zij nog een kind was, toen haar vader en moeder stierven. Door hun dood is zij de eigenaresse geworden van het kasteel, dat de bakermat van haar geslacht schijnt te zijn: Marmonte aan de Adriatische Zee, niet ver van het beroemde slot Miramare, waarin de latere Keizer van Mexico, Maximiliaan, verblijf hield, vóórdat het Noodlot hem de kroon van Mexico op het hoofd drukte en hij den lijdensweg begon, die met zijn dood eindigen zou."
Tegen zijn gewoonte was G. G. pathetisch geworden. Ik wist, dat de figuur van Keizer Maximiliaan voor hem altijd een van de meest pathetische uit de wereldgeschiedenis geweest was, en verwonderde mij dus niet te zeer over dien toon.
Intusschen, het gold thans niet Keizer Maximiliaan, maar wel de Gravin De Corriëntes,
"En wat heb je nog meer ontdekt?" - vroeg ik,
"Meer niets!" - antwoordde hij, den pathetischen toon plotseling tegen den drogen verwisselend.
"Ik vind die familie-beschouwing heel interessant" zeide ik; "en ik geloof zelfs, dat de Gravin De Corriëntes de eerste Dalmatische vrouw is, die ik ooit gezien heb. Maar... in hoeverre staat dit met onze zaak in verband?"
G. G. schudde bedenkelijk het hoofd en keek mij aan met de mij welbekende meewarige uitdrukking op het dezicht.
"Willy! Je valt mij tegen!" — zeide hij. "Waarom al die moeite voor 'n ring, die gisteravond een van de slanke vingers der Gravin sierde? Toch zeker niet om dien ring zelven, niet waar? Maar omdat Lady Ackland meende, dat deze, mèt haar vriendin, in de diepte van de zee verdwenen was! Van welke zee? — Van de Adriatische Zee, Willy! En nu weten wij, dat de Gravin De Corriëntes, die den ring dan op miraculeuze wijze gekregen zou hebben, een slot bezit aan de Adriatische zee. Dit, Willy is de eerste, hoewel zwakke, verbindingslijn, die wij trekken kunnen tusschen de Spaansche Gravin, die den ring aan haar vinger droeg, en de Adriatische Zee, waarin diezelfde ring verdwenen zou zijn.
"Er bestaat een contact tusschen die beiden, dat wij vroeger niet kenden!"
# HOOFDSTUK IX. De lijst van gestolen voorwerpen.
Het kwam mij voor, dat de hier bedoelde verbindingslijn toch wel zéér zwak was. De detective gaf dit ook toe, maar zette mij uitéén, dat er nu eigenlijk twee verbindingspunten waren: èn het bezit van den ring èn het hezit van het kasteel!
Het is niet noodig zijne redeneering, waarvan de hoofdlijnen hierboven zijn weêrgegeven uitvoerig toe te lichten. Hoe wonderlijk het bedoelde verband ook scheen, in den grond was de zaak eenvoudig genoeg!
Boven alles verwonderde mij één ding, en wel dit, dat mijn vriend mij, onmiddellijk nadat hij de zaak voor Lady Ackland had ter hand genomen, zoo uitvoerig had ingewijd in alles, wat daarmede in verband stond. Later, toen de jaren onzer samenwerking en onzer vriendschap reeds bij lustra *) geteld konden worden, gebeurde dat gewoonlijk, zooals den lezers van mijn vroegere boeken wel bekend is. Maar in de periode, waarover ik nu schrijf, was dit veel minder zijn gewoonte.
*) = perioden van 5 jaar.
Op den man af vroeg ik hem naar de oorzaak daarvan. Hij begon te lachen en prees mij op zijn ietwat schoolmeesterachtige manier, omdat ik zoo scherp geobserveerd had. En daarop sprak hij de volgende, voor mij verrassende woorden:
"Ik heb er 'n vóórgevoel van, Willy — en je weet, dat mijn voorgevoelens nog al eens uitkomen —, dat deze zaak een veel dieperen grond heeft dan wij nu nog durven aannemen. En verder zie ik aankomen, dat ik, juist wat dien dieperen grond betreft, binnenkort een beroep zal moeten doen op je medewerking. Daarom wijd ik je nu al in in verschillende zaken, die het dan nuttig voor je zijn zal te weten. Met eigen oogen en ooren heb je den eersten aanvang van dit experiment, dat buitengewoon interessant beloofd te worden, meegemaakt. Er is evenwel nog één kant aan het geval, dien je blijkbaar niet ziet en waarover ik je ook nog niet spreken mag."
"Waarom niet, Geoffry?"
"Omdat daarvoor de toestemming van anderen noodig is en verder — ik zeg het je eerlijk — omdat het veiliger voor je is, daarvan nog niets te weten."
"Behoort daartoe misschien de oorzaak, die je bewogen heeft, die rose sjaal van de Gravin onbemerkt meë te nemen?" — vroeg ik.
Hij lachte nu hartelijk.
"Neen, Willy!" - zeide hij. "Op dat punt ben ik bereid je in te lichten. Zooals je weet, heeft die sjaal een rol gespeeld in de geschiedenis van den diefstal. Het is dus waarschijnlijk, dat aan het verdwijnen ervan eenig gewicht gehecht zal worden. Ik zal haar terugbrengen aan de Gravin op een oogenblik, waarop deze alleen is, en je kunt dan gerust meekomen, hoor! Ik heb dat zelfs liever, omdat ik dan jouw indrukken met de mijne ververgelijken kan. Het is mij er namelijk om te doen geweest, een voorwendsel tot mijn bezoek te hebben. De komst van den Graaf heeft mij vanochtend belet, aan de Gravin juist die vraag te stellen, waaruit zou kunnen blijken, of zij of haar man of beiden aan het verdwijnen van den ring groot gewicht hechten. Ik heb je al gesproken over een hoogst eenvoudig middel, dat ons daaromtrent misschien inlichten kan."
"Maar hoe zul je verklaren, dat je die sjaal in je bezit hebt?" - vroeg ik.
"Dat is dood-eenvoudig" — verklaarde hij met een gebaar, alsof hij mijn vraag op zij schoof, omdat ze de moeite van het beantwoorden niet waard was.
"Ik ben misschien lastig met al mijn vragen" — vervolgde ik, 'n beetje geraakt, "maar hoe zul je de Gravin alleen treffen?"
Vóórdat hij mij antwoorden kon, klonk de schel van de telefoon.
"Misschien is daar de oplossing van dit vraagstuk" lachte hij. "Het toeval schijnt je op je wenken te bedienen!"
Hij bracht den horen aan het oor.
"Hallo!" - zeide hij. "U spreekt met het asyl voor zuigelingen."
Over dit zonderlinge begin was ik niet al te zeer verbaasd. Behalve van de voorzorg van een geheim telefoonnummer, maakte G. G. in het telefonisch verkeer dikwijls gebruik van een soort van wachtwoord. Wanneer hij van een bepaald persoon een gewichtig bericht verwachtte, kwam hij met die persoon overeen, dat deze zijn mededeelingen niet aanvangen zou, voordat hij (G. G.) een afgesproken wachtwoord in de telefoon zou hebben gesproken. Een eenvoudig middel, dat den waarborg gaf, dat aan beide zijden van de telefoon "the right man in the right place" *) was!
*) = de richtige man op de richtige plaats.
Ditmaal was het wachtwoord al héél bizar, Mijn vriend was nu eenmaal op sommige punten zonderling, maar aan dat zonderlinge lag altijd 'n zekere humor ten grondslag!
Er volgden nu eenige mededeelingen van de andere zijde van de telefoon, terwijl G. G. oplettend luisterde.
Ten slotte deed hij de volgende vraag: "Worden de gangen van den man nagegaan, zooals algesproken?" Het antwoord scheen bevredigend uit te vallen.
"In orde!" - zeide mijn vriend.
Daarop hing hij den horen op en stond onmiddellijk overeind.
"Wij gaan erop uit, Willy!" - zeide hij.
-Daarbij maakte hij (en ik op zijn voorbeeld) zulk een haast, dat wij geen vijf minuten later in een taxi op weg waren naar het Carlton-Hotel.
"Willy!" - zeide mijn vriend, zoodra wij met een behoorlijke vaart door de straten reden. "Je zult begrepen hebben, dat die telefoon uit het Carlton-Hotel kwam. Ik heb ervoor gezorgd, dat daar twee vertrouwde manneties aanwezig zijn, de een om den Graaf te observeeren en zoo noodig te schaduwen', de ander om hetzelfde te doen ten opzichte van de Gravin. De laatste heeft zooeven getelefoneerd, dat de Graaf het hotel verlaten heeft. gevolgd door zijn ,schaduw' en dat de Gravin nu alleen is. Ik ben benieuwd, wien de Graaf is gaan opzoeken.
Dat zullen wij gemakkelijk genoeg te weten komen, nu hij .geschaduwd' wordt."
"Intusschen is de hoofdzaak, dat wij de Gravin alleen zullen vinden, want binnen de tien minuten zijn wij aan het hotel."
"Volkomen juist, Willy!"
En de detective leunde nu achterover in zijn hoekje, met gesloten oogen. Ik wachtte er mij wêl voor hem te storen.
* * *
De detective deed onzen taxi stoppen op eenigen afstand van het "Carlton", zoodat wij nog een vijttigtal stappen te loopen hadden. Niet ver van den ingang kwam ons 'n kleine man tegemoet, met 'n manchester pak aan en een geruite pet op.
"Spreek maar, Tommy!" - zei de detective, toen de man ons passeerde.
"De Gravin is in haar appartementen" — klonk het zacht en Tommy wandelde door.
In het hotel troffen wij den Directeur-Gérant op zijn kantoor.
"Wij komen direct tot U" — zeide G. G., "omdat wij, in het belang van ons onderzoek, tot de Gravin wenschen toegelaten te worden, zonder dat het hotel-personeel daarin gekend wordt."
"Ik ben tot Uw dienst!" — antwoordde de Directeur. Hij ging met ons naar de lift en liet ons daarin voorgaan. Juist toen hij ons volgen wilde, hield een der hotel-beambten hem staande en fluisterde hem iets in het oor.
"Dat is de bedoeling ook niet!" - zei de Directeur en stapte na ons de cabine binnen,
Zoodra wij op de bovengang waren, hield hij ons staande.
"De Graaf heeft order gegeven, zijn vrouw gedurende zijn afwezigheid niet te storen" - zeide hij.
G. G. gaf mij een knipoogje, waarmede hij mij vermoedelijk aan het verstand wilde brengen, hoe gelukkig het was, dat wij het hotel-personeel buiten de zaak gelaten hadden.
"Dat kan natuurlijk niet voor ons gelden" — zeide hij tot den Directeur. "Wij dienen door het onderhoud, dat wij met den Gravin willen hebben, uw belangen, maar ook die van den Graaf."
"Dat begrijp ik!" — stemde de ander toe. "Als zij maar niet voor 'n uurtje is gaan liggen. Dan zou het moeielijk zijn, haar in haar rust te storen."
"Geen nood! Voor ons staat zij op!" — antwoordde de detective op den toon, waarop men een axioma verkondigt.
En zonder verder iets te zeggen, trad hij toe op de deur, die naar haar appartementen voerde, en klopte aan.
Nadat wij enkele oogenblikken gewacht hadden, werd deze deur geopend door de vrouw in het zwart, die wij vroeger "Señora Carmen" hadden hooren noemen.
Toen zij ons zag, nam haar gezicht, waarop zorg en angst te lezen stonden, plotseling een vriendelijke uitdrukking aan.
"Het verheugt mij, dat de heeren gekomen zijn" — zeide zij, "en mijn meesteres zal zich daarover nog veel meer verheugen. Zij is alleen en maakt zich erg zenuwachtig."
"Ik dacht, dat zij rustte" — antwoordde G. G. "De Graaf is uitgegaan en heeft order gegeven, dat niemand haar storen mag.
"Caramba! Is de Graaf . . .?"
Zij zweeg plotseling, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen.
G. G. gaf zich den schijn, alsof hij haar woorden niet gehoord of althans daaraan geen aandacht geschonken had. Aan het zwijgen, dat nu ontstond, maakte hij een einde, door Señora Carmen te verzoeken, ons aan te dienen.
Dit geschiedde en, toen wij binnen gelaten werden, kwam de jonge vrouw met uitgestoken hand op ons toe, met een glimlach om den mond en een welkom in de oogen.
"Ik had niet durven hopen, dat de heeren mij nog bezoeken zouden" - zeide zij.
"Wij komen met een bijzonder doel" — zeide G. G., de rose sjaal voor den dag halende, "namelijk om U dit terug te brengen."
"Gelukkig!" — riep de Gravin op een toon van groote vreugde. "Hoe komt U aan die sjaal, Mr. Gill? Over het verdwijnen daarvan heb ik al heel wat moeten hooren!"
"Van wien dan?"
"Van mijn man, natuurlijk! Sinds die sieraden gestolen zijn, schijnt hij voortdurend in angst te leven, dat er opnieuw dieven zullen komen. Ik kan mij anders zijn zenuwachtigheid niet verklaren. En evenmin zijn boosheid over het verdwijnen van zoo'n kleinigheid."
"U herinnert zich misschien, dat ik met die sjaal in de hand stond, toen Uw echtgenoot vanochtend binnentrad. Ik schijn haar toen, zonder erbij te denken, in den zak gestoken te hebben."
De Gravin lachte nu op haar gewone kinderlijke manier. Zij bewees echter, door haar nu volgende woorden, dat zij verre van onnoozel was.
"Kom, kom, Señor Gill!" — zeide zij. "Ik kan niet aannemen, dat een scherpzinnig detective, bij het volbrengen van zijn taak, zóó verstrooid zou zijn.
"Ik was misschien wat geschrokken door de plotselinge komst van den Graaf" — hernam G. G.
Maar nu lachte zij nog harder!
"U lijkt mij nog al iemand om zoo plotseling te schrikken!" — zeide zij. "Neen, neen, Mr. Gill, U moet er een bepaald doel mee gehad hebben!"
"Ik buig mij voor Uw scherpzinnigheid" — bekende nu de detective met een glimlach. "Ook begrijp ik nu, dat ik openhartig tegen U kan zijn. Ik heb de sjaal opzettelijk bij mij gestoken, om later, in het terugbrengen, een voorwendsel te vinden om U te spreken te krijgen."
"Waarom zoudt U daarvoor een voorwendsel moeten hebben?" - vroeg zij blijkbaar zeer verbaasd.
"Ten slotte is het niet noodig gebleken" — antwoordde G. G., "omdat de Directeur-Gérant zoo goed was, ons persoonlijk tot vóór Uw deur te geleiden."
"Waartoe diende dat?"
"Uw man had immers aan het hotel-personeel orde gegeven, dat er niemand bij U mocht worden toegelaten, omdat U niet gestoord mocht worden!"
Een oogenblik stond zij onbeweeglijk. Toen vlamde plotseling haar drift op.
"Ben ik nog niet genoeg vernederd?" — riep zij. "Moet ik nu ook nog als 'n gevangene behandeld worden . . ?"
Plotseling sloeg zij de handen voor haar gezicht en barstte in tranen uit.
Ik stond geheel verslagen. Vrouwentranen hebben op mij altijd een verlammenden invloed. G. G. daarentegen schikte zich steeds in èlke situatie en bewees dat ook ditmaal.
Hij trok met zacht geweld een der handen van de Gravin voor haar oogen wêg met een zoo rustige, bijna vaderlijke uitdrukking op zijn gezicht, dat niemand — en zijzelve allerminst — daaraan aanstoot kon nemen. Daarop geleidde hij haar naar een fauteuil, waarop hij haar plaats deed nemen.
Zij liet hem begaan, zooals een bedroefd en vermoeid kind dat zou gedaan hebben.
"U is moe en zenuwachtig, Gravin!" — zeide hij, terwijl hij leunde tegen de armleuning van haar fauteuil. "Geeft U er misschien de voorkeur aan, dat wij later terugkomen?"
Zij schudde het hoofd.
"Neen! Blijft u hier!" — zei zij, kort-afgebroken.
De detective boog zwijgend en wachtte daarop rustig, totdat zij haar zelfbeheersching zou herkregen hebben.
Na korten tijd was dit in zóóverre het geval, dat zij weêr geregeld spreken kon.
"U is, met Señor Hendriks, natuurlijk met een bepaald doel hierheen gekomen" — zeide zij. "Daarom moet Ü nu nog blijven. Als mijn man er was, zou hij dat, naar ik vrees, niet toelaten. Nu hebt U de gelegenheid tot spreken."
Haar stem trilde nog, maar zij was weder meesteres van zichzelve.
"Ik heb U inderdaad een belangrijke vraag te stellen"
— zei G.G., terwijl hij op een stoel naast haar plaats
nam. Op dat oogenblik herinnerde hij mij aan een geneesheer, in gesprek met een patiënte.
"U kunt vragen, wat U wilt!"
Er lag nu ook weêr meer vastheid in den toon van haar stem.
"U hebt ons vanochtend gezegd, dat U Uw man uitvoerige aanwijzingen gedicteerd hebt met betrekking tot de gestolen sieraden" — vervolgde G. G. "Ik zou gaarne willen weten, wat U hem zoo ongeveer gedicteerd hebt."
"Hebt U dan de lijst nog niet gezien?" - vroeg zij, lichtelijk verbaasd.
"De lijst heeft Mr. Higgins" — zeide G. G., een direct antwoord ontwijkend.
Zij dacht een oogenblik na.
"Ik kan natuurlijk de juiste bewoordingen niet meer weêrgeven" — zei zij, "maar ik kan U een nieuwe lijst dicteeren, die op hetzelfde nêerkomt."
"Dat zou héél vriendelijk van U zijn" — antwoordde de detective. "Misschien wil Mr. Hendriks die lijst dan, naar Uw dictée, opschrijven."
Ik knikte.
Een kwartier later had ik een volledige, goed-omschreven lijst van alle verdwenen voorwerpen in handen. Zij was véél uitvoeriger dan die, welke Mr. Higgins ons had laten zien. En — wat voor ons vooral van belang was! — in plaats van de niets-zeggende opgave van "vier kostbare ringen" werd elk dier ringen hier afzonderlijk vermeld en beschreven, ook die, welke aanleiding gegeven had tot de eerste schreden, die wij in deze zaak genomen hadden: de kleine hagedis met de oogen van robijnen!
"U weet zeker, dat Uw man een dergelijke lijst aan Mr. Higgins heeft ter hand gesteld?" — vroeg G. G.
"Ik weet althans zeker, dat hij een dergelijke lijst naar mijn dictaat geschreven heeft" — luidde het antwoord. "Toen die gereed was, heb ik haar nog nagelezen!"
# HOOFDSTUK X. G. G. handelt raadselachtig.
Men zal beseffen wat deze mededeeling voor ons beteekende.
De Gravin had geen poging gedaan om het bezit van den bewusten ring te verbergen. Blijkens de onbevangenheid, waarmede zij het uiterlijk ervan beschreven had, scheen zij zelfs niet te vermoeden, dat er hier iets te verbergen viel.
De Graaf daarentegen had de lijst, zooals zijn vrouw hem die gedicteerd had, niet gebruikt, maar blijkbaar zelf een veel minder uitvoerige samengesteld, waarin de beschrijving van de ringen geheel was weggelaten. Onder de bestaande omstandicheden wees dit op zijn begeerte. den ring .. weg te moffelen", zooals mijn vriend het had uitgedrukt. Het bewijs hiervan was, naar ons inzien, nu wel gegeven en het "zeer eenvoudige middel", waarover mijn vriend dien dag tweemaal gesproken had en waardoor wij te weten zouden komen of de Graaf dan wel de Gravin, of misschien beiden zich zoo bizonder voor dit sieraad interesseerden, had zijn doel niet gemist. Wij wisten nu met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat het de Graaf was, voor wien het verbergen van den ring een hoogst belangrijke zaak zijn moest, terwijl zijne vrouw van de beteekenis daarvan niets begreep.
Eén ding echter was ons nog niet gebleken, ook niet uit de overigens nog al uitvoerige beschrijving, die ik uit den mond der Gravin had opgeteekend. Bevond zich aan de binnen-zijde van den ring het meermalen genoemde monogram? Hierover had de Gravin gezwegen, vermoedelijk omdat zij de beteekenis daarvan niet inzag, terwijl de ring, ook zonder dat, aan de beschrijving duidelijk te herkennen zou zijn. Voor ons was het echter minder gewenscht, daarnaar direct te vragen, omdat wij daardoor verraden zouden hebben, dat wij met ons onderzoek nog een ander doel hadden dan het opsporen van al het gestolene en dat één der gestolen ringen ons bizonder interesseerde, ja dat wij omtrent het uiterlijk van dien ring reeds vroeger waren ingelicht. Wij wisten niet, of de Gravin, die haar echtgenoot vreesde, dezen misschien niet in een oogenblik van angst zou inlichten, zoo wij haar in het vertrouwen namen. Het medelijden en de sympathie, die deze vrouw ons inboezemde, mochten ons er niet toe brengen, haar dingen toe te vertrouwen, waarvan de geheimhouding voor ons een levenskwestie worden kon.
Want dat de schijnbaar weinig belangrijke ontdekking, die Lady Ackland den vorigen avond ten huize van mijn schoonouders gedaan had, ons voeren zou tot andere, véél belangrijker ontdekkingen, liet zich, na de enkele uren werken, die wij nu achter den rug hadden, reeds met vrij groote zekerheid voorspellen. Voor mij waren die verwachtingen voor de toekomst nog zéér onzeker en verward. Bij G. G. daarentegen schenen zij reeds meer vasten vorm te hebben aangenomen. Trouwens hij wist méér dan ik, zooals hij mij zelf gezegd had.
Wij stonden op om afscheid te nemen en G. G. dankte de jonge vrouw voor de inlichtingen, die zij ons gegeven had.
Het was duidelijk te zien, dat het haar leed deed, dat wij reeds zoo spoedig weder weggingen. Maar voor ons was eenige spoed aangewezen, omdat wij niet riskeeren wilden, den Graaf opnieuw te ontmoeten.
Gemakkelijk was het niet, de Gravin te verzoeken, tegenover haar man over ons bezoek te zwijgen en haar bovendien te zeggen, dat ook Señora Carmen daarover zwijgen moest. Ik tenminste voelde dit als 'n buitengewoon delicate zaak.
Maar G. G. aarzelde geen oogenblik. Hij had terecht begrepen, dat men tegenover deze vrouw het verst kwam door volkomen openhartigheid.
"Voordat wij vertrekken nog één woord" — zeide hij. "Vanochtend heb ik U reeds gezegd, dat Uw echtgenoot bij het onderzoek naar den diefstal in onze oogen niet den weg volgt, die hem tot zijn doel zal voeren. Wij meenen dat natuurlijk wèl te doen, mits men ons volkomen vrij in onze bewegingen laat. Voor zooverre ik hem heb leeren kennen, zou de Graaf — hoewel hij er niet het minste recht toe heeft, want niet hij is onze opdrachtgever — trachten ons in de vrijheid van onze bewegingen te belemmeren, wanneer hij het met de maatregelen, die wij nemen, niet geheel eens is. Dat moet voorkomen worden en daarom is het wenschelijk, dat noch Uzelve noch Uwe ondergeschikte over ons bezoek praat. Ook de Directeur-Gérant zal zwijgen en niemand anders weet, dat ons bezoek U gold."
"Señora Carmen en ik zullen zwijgen!" — zeide de Gravin zonder een oogenblik te aarzelen. Het scheen mij zelfs, dat uit haar stem eenige verlichting klonk. Waarschijnlijk bespaarde G. G.'s verzoek haar een scène met den Graaf.
Met een diepe buiging voor de Gravin verlieten wij daarop de kamer.
* * *
Beneden vonden wij den Directeur-Gérant, die ons, naar allen schijn, had staan opwachten.
"Is U al iets verder gekomen met het onderzoek, Mr. Gill?" — vroeg hij, zich tot den detective wendende.
"Héél ver ben ik er nog niet meê gevorderd" — antwoordde deze. "Maar ik geloof U toch al wel de verzekering te kunnen geven, dat het hotel-personeel onschuldig uitgaat."
"Als dat maar vast komt te staan, ben ik tevreden!" - verklaarde de Directeur.
"Wij zullen ons best doen, waarde heer!" — verzekerde hem de detective.
Op dit oogenblik verscheen Inspecteur Higgins, die blijkbaar kersversch van Scotland-Yard kwam en twee politie-beambten in civiel bij zich had.
Hij groette den Directeur en ook den detective. Hoewel hij voor den laatste het respect voelde, dat aan zijn scherpzinnigheid en bekwaamheid verschuldigd was, was hij tegenover hem toch altijd eenigszins gedwongen in zijn optreden, wanneer het toeval hen in eenzelfde zaak samenbracht.
Ook ditmaal had hij den detective niet hartelijk begroet. Als steeds vreesde hij in hem den mededinger, die hem het slagen misgunde. Toch had hij reeds lang kunnen weten, dat niemand er verder van afstond, zijn collega's vliegen af te vangen, dan juist mijn vriend. Nog dienzelfden ochtend had deze hem gezegd, dat hij loyaal met hem samenwerken zou; daarop had Higgins toch getracht de lijst van gestolen voorwerpen achter te houden; en niettemin nam Higgins nu weer een houding aan, alsof de tegenwoordigheid van G. G. hem hinderde.
"Het spijt mij, Inspecteur!" — zeide de detective met zijn vriendelijksten glimlach, "dat mijn aanwezigheid hier U onaangenaam schijnt te treffen. Vanochtend heb ik U 'n loyale samenwerking voorgesteld. Zoo U daarvan liever niets weten wilt hebt U maar te spreken."
"Waarom zou ik er niet voor te vinden zijn?" — antwoordde de Inspecteur stijfjes.
"Dat zou ik óók niet weten!" — antwoordde G. G. "Maar Uw optreden van dezen ochtend en niet minder Uw gezicht, nu U mij opnieuw hier aantreft, wijzen in die richting. Ik ben volkomen bereid mijn opdracht geheel huiten de Uwe om uit te voeren."
Higgins, hoewel bevreesd voor de mededinging van den detective, wist anderzijds toch zeer goed, hoeveel diens medewerking waard was.
"Maar, Mr. Gill, ik wijs Uw medewerking toch niet af!" - zeide hij.
"En ik de Uwe niet!" — antwoordde de detective. "Is er een bepaalde reden, waarom U thans hier is...?" Higgins scheen te weifelen, of hij spreken zou of niet.
"Wij hebben zooeven een gesprek met de Gravin gehad" — vervolgde G. G. als om door eigen openhartigheid die van den Inspecteur uit te lokken. "Wij hebben haar nog eens om 'n nauwkeurige beschijving van de gestolen sieraden verzocht."
Ten overstaan van deze mededeeling, moest Higgins nu óók wel met 'n antwoord voor den dag komen.
"Ik ben van plan de appartementen van den Graaf nauwkeurig te doorzoeken" — zeide hij. "Het bevelschrift, dat mij daartoe machtigt, heb ik bij mij."
"Hoe komt U op die gedachte...?" - vroeg G. G., schijnbaar zeer verbaasd.
Nu de Inspecteur eenmaal mededeelzaam geworden was, scheen hij op dien weg te willen dóórgaan.
"'n Anoniem schrijven aan Scotland-Yard heeft mij dit plan ingegeven" — zeide hij.
"Mag ik dien brief zien?"
De detective hield zijn hand reeds op, zoodat Higgins wel niet anders doen kon dan aan zijn verzoek gevolg te geven.
De brief bestond slechts uit enkele woorden: "Zoek in de kamers van Graaf De Corriëntes" — méér niet.
"Kent U het handschrift soms?" - vroeg Higgins.
Maar de detective schudde het hoofd.
"Neen!" — zeide hij. "Intusschen schijnt mij het doorzoeken van die kamers nu volkomen overbodig. Mr. Hendriks en ik — hebben dat immers reeds gedaan...?"
"Men kan niet weten" — merkte de Inspecteur op met een glimlachje, dat van 'n zekere superioriteit in ondervinding blijk gaf. "Wat de een niet vindt, kan de ander vinden."
"Dan wensch ik U succes op het werk!" — antwoordde G. G. "Ik zie daar juist den Graaf de hotel-deur binnenkomen. Hij zal U bij het onderzoek ongetwijfeld 'n vriendelijke gids zijn! Maar, Inspecteur, ik reken erop, dat U hem niet spreekt over ons bezoek bij de Gravin. In dit opzicht doe ik een beroep op U als op 'n loyaal collega."
G. G. en ik richtten ons naar den uitgang, dien wij bereikten, zonder dat de Graaf ons gezien had. Nog eenige oogenblikken bleven wij staan en keken om naar de plaats, waar wij den Inspecteur verlaten hadden. De Graaf had dezen in het oog gekregen en nu stevende hij regelrecht op hem af. Wij zagen, dat Higgins ernstig met den Spanjaard sprak en dat deze zeer uit zijn humeur scheen: vermoedelijk was hem het doorzoeken van zijn kamers aangekondigd. Maar ten slotte scheen hij zich met die gedachte te verzoenen. Hij haalde een paar maar verachtelijk de schouders op, maar ging toen den Inspecteur en diens beiden satelieten voor naar de lift.
Ik hoorde, dat G. G., naast mij staande, zacht begon te lachen.
"Natuurlijk moest het zoo eindigen!" — zeide hij. "Zij zullen niets vinden, Willy! En daarginds staat iemand, met wien ik even een woordje wisselen moet."
Hij ging door den hotel-ingang naar buiten en ik volgde hem, zoodat ik nog juist zag, dat een kleine jongen van 'n jaar of twaalf op hem toeliep, enkele woorden zeide en doorwandelde.
De detective kwam mij daarop lachend tegemoet, "Een van m'n mannetjes" — expliceerde hij.
"Ik zie, dat je niet zonder reden het verkleinwoord gebruikt" - antwoordde ik.
"Intelligente jongens zijn goud waard, mits men ze weet te leiden" — zeide mijn vriend. "Dat ze klein zijn, is juist 'n deugd. Mijn ander mannetje, dat je gezien hebt, vóórdat wij ons bezoek aan de Gravin brachten, is óók zeer bruikbaar; maar als 't op "schaduwen" aankomt, geef mij dan zoo'n kleinen rakker, die overal doorhéén komt, of — als 't zijn moet — er boven-óver en onderdóór!"
"Dien kleinen jongen had je dus op het spoor van den Graaf gezet?" - vroeg ik.
"Juist, Willyl"
"En . . .?" Ik zag, dat de vragende toon, waarop ik dit korte woordje had uitgesproken, G. G. in verlegenheid bracht. Ik begreep zeer goed waarom. Hij had mij immers gezegd, dat er aan het experiment, dat wij doormaakten, zekere kanten waren, die hij voorloopig liever voor mij verborgen hield. Naturlijk hadden wij hier met één van die kanten te doen!
"Je twijfelt aan de wenschelijkheid, mij nader in te lichten?" - zeide ik, wederom op vragenden toon.
Hij schudde het hoofd,
"Neen, Willy! Ik twijfel daaraan niet" - zeide hij. "Het staat vast als 'n muur, dat het niet wenschelijk is, ditmaal aan het verlangen van je inquisitieven geest te voldoen. Ik verkeer alleen eenigszins in verlegenheid over de vraag, hoe ik je dat aan het verstand moet brengen."
"Doe maar geen moeite" — zei ik. "Ik ben met je in het schuitje gaan zitten, wetende, dat je nog zekere geheimen voor mij hadt."
"Je bent grootmoedig, Willy!" - zei hij lachend. Maar toen nam zijn gezicht plotseling een veel ernstiger uitdrukking aan.
"Ik zou zelf graag openhartiger tegenover je zijn" zeide hij. "Het geval neemt demensies aan, die niet te voorzien waren. Ik vrees, dat er dingen aan het licht zullen komen, die ... nu ja, die de wereld verbaasd zullen doen staan. Maar ik heb te doen met invloedrijke tegenstanders. De gevolgen van een vergissing mijnerzijds zouden noodlottig kunnen zijn. De verantwoordelijkheid voor de stappen, die ondernomen worden, moet daarom alleen op mij blijven rusten en het is dus beter, dat de wetenschap, welke tot die stappen voert, voorloopig tot mij beperkt blijft. Er mag niemand onverdiend gecompromitteerd worden, ook jij niet, Willy!"
"Gecopromitteerd . . .? Hoe bedoel je dat?"
"Als ik mij vergis of mijn stappen falen mochten, wil ik de gevolgen daarvan alleen dragen!" — antwoordde de detective wat ongeduldig. "Maar — mocht je dit kunnen troosten bij deze teleurstelling —, dan wil ik je wel nu reeds de verzekering geven, dat het onwaarschijnlijk is, dat ik de zaak zonder hulp tot het einde toe zal kunafwerken. Natuurlijk ben jij in dat geval mijn aangewezen helper."
Terwijl hij sprak, had hij een taxi gewenkt, die met een sierlijken zwaai vóór het trottoir opreed en vlak vóór ons staan bleef.
"Ga d'r maar in, Willy!" — zeide hij, en ik hoorde hem tot den chauffeur zeggen, dat hij ons naar het Admiraliteitsgebouw rijden moest.
"Gaan wij Sir Percival weer opzoeken?" — vroeg ik. "Misschien heeft hij ons nieuws te vertellen, Willy!"
"Of jij aan hèm, Geoffry!"
"Dat zou kunnen zijn, m'n jongen!" — luidde het antwoord. "Toch geloof ik, dat het verstandiger is, daarmede nog even te wachten, totdat ik zelf meer zeker van m'n nieuws ben! Het is altijd beter, bij zulke hooge heeren niet aan te komen met onbestemde mededeelingen en vermoedens..."
Plotseling zag ik hem 'n heftige beweging maken.
Wij waren in een drukke straat. In groote haast liet hij het portier van den taxi zakken. "Stoppen!" — schreeuwde hij den chauffeur toe, maar deze scheen het niet te hooren.
"Stoppen!" - schreeuwde hij opnieuw.
En toen dit bevel nog geen uitwerking had, stond hij plotseling op de treeplank. Tot mijn grenzenlooze verbazing zag ik, dat hij den chauffeur een revolver in den nek hield.
"Stoppen!" - schreeuwde hij ten derden male.
"Stoppen!" -- schreeuwde hij ten derde male (Blz. 100).
En nu stopte de auto inderdaad. Het zonderlinge optreden van G. G. had de aandacht getrokken en er ontstond een oploopje, waarbij zich ook de waardige figuur van een Londenschen "Bobby" *) vertoonde.
*) = politie-agent.
"Wat beteekent dat, meneer?" - vroeg deze gewichtig.
Een paar opgeschoten jongens schreeuwden, dat "die meneer" den onschuldigen chauffeur met een revolver gedreigd had.
# HOOFDSTUK XI. De chauffeur.
G. G. trok den waardigen "Bobby" 'n eind op zij en fluisterde hem eenige woorden in het oor.
Aan de uitdrukking van het gezicht van den politieman zag ik, wat hij hem in het oor had gefluisterd: hij had hem zijn naam genoemd, een naam, die reeds destijds te Londen in politiekringen algemeen bekend was.
De "Bobby" salueerde. "Ik herken U nu, Sir!" - zeide hij, "Ik heb U wel eens op Scotland-Yard gezien. Wat kan ik voor U doen?"
"Ik heb niets over je te zeggen, vriend!" — antwoordde G. G., "Maar je zoudt mij een grooten dienst bewijzen, wanneer je dezen chauffeur naar het eerst beste politiebureau bracht en namens mij verzocht, hem daar vast te houden, totdat ik mij — over 'n uur of zoo — persoonlijk daar aanmeld."
"Wat heeft de man uitgevoerd?"
"Hij moest mij naar het gebouw van de Admiraliteit rijden, maar reed mij ergens anders heen."
"Wáárheen?"
"Dat kan ik je nog niet zeggen, juist dáárover moet ik straks met den man spreken.
"Waarom doet U dat dan niet dadelijk?"
G. G. glimlachte, maar keek toch wat ongeduldig.
"Ik kan je van mijn doen en laten geen rekenschap afleggen" — zei hij. "Maar dit ééne kan ik je zeggen: de man reed den verkeerden kant op en... er zijn op het oogenblik menschen in Londen, die er 'n lief ding voor geven zouden om mij voor korteren of langeren tijd immobiel te maken.
De politie-agent keek hem onderzoekend aan,
"Beteekent dat, dat men U tijdelijk wilde doen verdwijnen?' "Ik vermoed het, vriend! Doe je, wat ik je gezegd heb, dan zullen wij de waarheid wel te weten komen.
"Dan zal ik doen, wat U mij verzoekt, Sir!"
Onder luide protesten van den chauffeur zelven en van de reeds genoemde opgeschoten jongens nam de Agent den chauffeur het stuurrad uit handen. Die protesten stuitten af op "Bobby's" kalme waardigheid, als kiezelsteentjes, die tegen 'n rots geworpen worden.
"Moet ik je de handboeien aanleggen?" — vroeg hij, toen de chauffeur een beweging maakte, alsof hij den wagen verlaten wilde. Een oogenblik later bevrijdde de Agent zich van de belangstellende toeschouwers door den wagen met kracht aan te zetten.
"B-street 20" - had hij tot G. G. gezegd op het oogenblik, waarop hij wegreed.
Dit was het adres van het politie-bureau, waarheen hij voornemens was den chauffeur te brengen.
"Dat is vlak bij!" - lichtte G. G., te mijnen behoeve, zijn woorden toe. "Maar wij moeten nu eerst naar de Admiraliteit.'
Een voorbijrijdende taxi nam ons weldra op. Er klonken ons nog enkele niet vriendelijke woorden na uit de kleine groep, waartoe het groot aantal belangstellenden inmiddels geslonken was.
"Was het je ernst met wat je daarjuist aan dien politie-agent zei?" - vroeg ik. "Is er - om 't zoo eens uit te drukken - een poging gedaan om je op te lichten?"
"Daarvan ben ik overtuigd, Willy! En ook jij zoudt vermoedelijk van de vriendelijke bedoeling tegenover mij geprofiteerd hebben. Maar er is één goeden kant aan deze zaak; het bewijs is geleverd, dat men bang voor mij is, en — wat nog belangrijker is —, dat onze vijanden in onze onmiddellijke nabijheid zijn. Anders hadden zij deze onhandige poging om mij - laat ons hopen tijdelijk! — uit den weg te ruimen niet zóó spoedig kunnen arrangeeren. Daarover moet straks die ingerekende chauffeur ons méér vertellen ...
"Waarom heb je hem niet dadelijk in het politiebureau willen ondervragen, Geoffrey?"
"Omdat die andere zaak méér haast heeft, Willy!" En toen ik den mond opende om nog meer te vragen, voegde hij snel aan deze woorden toe: "Vraag nu niet verder, m'n jongen! Ik kan en wil je niet verder inlichten. En zonder dat kun je toch niet begrijpen, waarom ik geen oogenblik verzuimen mag om Sir Percival te bezoeken."
Hij zweeg en ik zweeg ook. En dadelijk daarop zat hij wéer met gesloten oogen achterover geleund in zijn hoekje.
In het gebouw der Admiraliteit meldden wij ons in hetzelfde bediendenkantoor, waar wij ook dien ochtend geweest waren.
Opnieuw stond Miss Greville ons te woord.
Op G. G.'s vraag, of Sir Percival te spreken was, antwoordde zij, dat deze na de lunch nog niet teruggekomen lk had verwacht, dat dit voor mijn vriend een groote teleurstelling zou zijn, maar, indien dit zoo was, liet hij er niets van blijken.
"Zou hij vanmiddag nog op het bureau komen?" — vroeg hij.
"Dat kan ik U niet zeggen!" — antwoordde Miss Greville. "U zult hem waarschijnlijk aan zijn particuliere woning kunnen treffen. Wil ik het adres even voor U opschrijven?"
"Als U zoo vriendelijk wilt zijn, Miss Greville!"
Zij schreef het adres op een stuk papier en stelde dit den detective ter hand.
"Goed zoo!" - zeide deze. "R-square, No. 37. Ik zou hem nog in X-street gezocht hebben. Daar woonde hij immers vroeger?"
"Jal Maar dat is al 'n klein jaar geleden, Sir!"
"Waar blijft de tijd!" - zuchtte de detective, terwijl hij het papier met het adres erop in zijn portefeuille stopte. "Inderdaad ben ik in den laatsten tijd maar zelden meer met hem in aanraking geweest."
"Gaat U nu naar dat adres?" — vroeg Miss Greville. "Past U maar op, dat U elkander niet misloopt. Hij kan juist op weg hierheen zijn. Wil ik even naar zijn huis telefoneeren?"
"Neen, Miss Greville, dat behoeft niet. Ik houd er niet van, iemand thuis over zaken lastig te vallen; en daarom zal ik — bij nader inzien — ook maar niet naar zijn woning gaan. Haast is er trouwens heelemaal niet bij de zaak!
Ik spitste de ooren: mij had hij immers juist verzekerd, dat er wel haast bij was!
"Het beste is, dat ik 'n briefje voor hem achterlaat" vervolgde de detective. "Hebt U misschien een stukje schrijfpapier en een enveloppe voor mij? 'n Vulpenhouder heb ik zelf."
Miss Greville kwam onmiddellijk met het verlangde aandragen. Zij liet een jongen bediende, die aan 'n tafel stukken zat te copiëeren, even opstaan en G. G. nam zijn plaats in om het briefje aan Sir Percival Kewes te schrijven.
Hij deed dit zeer snel, maakte de enveloppe toe en schreef er een adres op. Daarbij zat hij met den rug naar ons toe, zoodat wij niet zien konden wat hij schreef. Toen hij gereed was, stelde hij den brief aan Miss Greville ter hand, en ik zag duidelijk, dat deze, bij het lezen van het adres, een gebaar van verrassing maakte, dat zij echter dadelijk onderdrukte.
"Ik mag er nu dus wel op rekenen, dat U dat schrijven aan den geadresseerde overhandigt" — zeide de detective, terwijl hij haar beleefd groette. "Bij voorbaat mijn dank!"
Ook ik groette en wij gingen terug naar onze auto, die nog voor de deur van het gebouw wachtte.
"Naar B-street, No. 20" — zeide de detective tot den chauffeur. Hij had eerst rondgekeken, als om te zien of er iemand in de nabijheid was, die hem hooren kon. Maar, behalve ik, was er niemand, voor wien dit mogelijk geweest kon zijn.
* * *
"Geoffrey!" — zeide ik, toen wij weer onder weg waren. "Ik begrijp niets van al deze geheimzinnige manoeuvres."
"Willy!" — antwoordde mijn vriend. "Ik heb je reeds uitgelegd, waaròm ik je niet geheel in het vertrouwen nemen kan. Is het een onaangenaam gevoel voor je, nu en dan te staan voor iets, dat je niet verklaren kunt, laat mij dan gerust alleen trekken. Ik beloof je stellig. dat ik je waarschuwen zal, zoodra ik weer op voor jou meer bekend terrein kom. Aan den anderen kant heb ik niet het minste bezwaar tegen je gezelschap. Integendeel!"
"Voor zooverre ik me bewust ben, heb ik niets gezegd, dat je op de gedachte brengen kan, dat ik je verder alleen zal laten" - zeide ik, 'n beetje in mijn wiek geschoten.
"Neen, Willy! Maar ik heb je wel eens meer gezegd, dat je gezicht een open boek is! Je behoeft niet altijd iets te zeggen om begrepen te worden."
"Die kleine teleurstellingen heb ik over voor het genot je aan het werk te zien" - zeide ik, half spottend, half ernstig.
"Dan is de zaak in orde!"
En opnieuw leunde hij achterover en sloot de oogen, totdat wij halt hielden voor het politie-bureau in B-street.
Hier werden wij onmiddellijk toegelaten tot den chauffeur, die ons dien ochtend zoo vreemd gereden had. Hij zat opgesloten in een klein vertrek met tralies voor het venster.
De Inspecteur, die hier den bevelhebbersstaf scheen te zwaaien, vertoonde neiging om het gesprek, dat zich thans ongetwijfeld tusschen G. G. en den chauffeur ontwikkelen zou, mede aan te hooren. Mijn vriend trok hem echter ter zijde en die twee spraken eenige oogenblikken fluisterend met elkander. Ik zag, dat het gezicht van den Inspecteur, een nog jongen man, daarbij meer en meer betrok, maar niettemin bleef zijn houding tegenover den detective die van den mindere tegenover den meerdere. Het was opvallend, dat G. G., die toch geen officiëele positie bij de politie innam, niettemin - als particulier detective — ook door het hoogere politie-personeel altijd met de grootste onderscheiding behandeld werd. De groote naam, dien hij zich in zijn beroep gemaakt had, en de bereidwilligheid, waarmede hij (maar nooit anders dan op verzoek) zijn diensten, steeds met succes, ter beschikking van de autoriteiten gesteld had, waren oorzaak van dit verschijnsel.
De jeugdige Inspecteur scheen eerst te protesteeren, maar zich vervolgens bij het verlangen van den detective neër te leggen. Welk verlangen dit geweest was, bleek voldoende uit het feit, dat hij, vermoedelijk tegen zijn zin, ons met den chauffeur alleen liet.
Deze zat bij ons binnentreden op een houten bank, die langs den muur liep, met de ellebogen gesteund op de knieën en een gezicht, waarop een uitdrukking van ergernis, maar ook van eenigen angst lag. Hij had zich niet bewogen en wilde ons door zijn houding vermoedelijk aan het verstand brengen, dat ons komen hem onverschillig liet,
Toen de Inspecteur verdwenen was, bleef G. G. eenige oogenblikken even onbeweeglijk vóór hem staan als de kerel zelf op zijn bank zat. Maar toen kwam er plotseling verandering van tooneel!
Meermalen heb ik in mijn vroegere boeken gezegd, dat mijn vriend, hoewel van middelbare grootte, een geweldige spierkracht bezat. De chauffeur was een kleine, gedrongen man met een dik, rond en vooral rood hoofd.
G. G. nu trad opeens op hem toe.
"Het schijnt, vlegel, dat ik je manieren leeren moet" - zeide hij rustig en zonder stemverheffing.
Het volgend oogenblik had hij den man bij zijn kraag gepakt, tilde hem zonder merkbare inspanning van de bank af en zette hem op z'n voeten.
"Ziezoo!" - zei hij. "Nu kunnen wij beter met elkaar spreken!"
En dood-kalm nam hij nu zelf op de bank plaats en wenkte mij, dat ik naast hem zou komen zitten.
Zelden heb ik een meer verbouwereerd gezicht gezien dan dat van den aldus onder handen genomen taxichauffeur. Zijn rood hoofd werd nog rooder, en zijn mond stond open van verbazing, toen hij ons beiden geheel onbewogen tegenover hem op de bank zag zitten. Maar toen balden zich zijn vuisten, hij hoog het hoofd een weinig voorover, als 'n stier, die op het punt van aanvallen staat, en zou waarschijnlijk inderdaad tot den aanval zijn overgegaan, wanneer op dit oogenblik G. G.'s blik den zijne niet ontmoet had . . .
Reeds dikwijls had ik voorbeelden ervan gezien, hoe de blik uit die koude, staal-blauwe oogen mensch en dier in bedwang kon houden. Die voorbeelden werden thans weder met één vermeerderd. De man bleef nog eenigen tijd in zijn aanvallende houding staan, de oogen strak op die van den detective gevestigd, alsof diens blik den zijnen vasthield en hij dezen niet meer afwenden kon. Toen ontspanden zich de gebalde vuisten, de armen vielen hem slap langs het lichaam en zijn woede uitte zich ten slotte alleen in een godslasterlijk vloeken, dat ik den lezer bespaar.
De detective sloot de oogen en liet den storm over zich hééngaan.
Toen deze geluwd was, knikte hij den man met 'n niet onvriendelijk gezicht toe.
"Zool Dat zal je hebben opgelucht" - zeide hij. "De tijd is nu gekomen om eens 'n verstandig woordje met je te spreken. Vind je óók niet?"
De man zweeg.
"Ik weet niet, of je mij kent" - vervolgde mijn vriend. "Zoo niet, dan zal het misschien goed zijn, dat ik je eerst op de hoogte breng van mijn naam."
"'t Kan me geen bl... schelen, hoe je heet" — zei de chauffeur, maar de woorden waren nu ruwer dan de toon, waarop ze werden uitgesproken.
"Misschien toch wel" - luide het kalme antwoord.
"Mijn naam is Geoffrey Gill."
Het roode gezicht werd wat bleeker en de man deed n stap achteruit.
"Wel verdraaid!" zei hij. "Dat heb ik niet geweten!"
"Ja, 'n mensch kan er dikwijls last van hebben, als-i
te weinig weet" — merkte G. G. op. "En je zult voortaan
goed doen, vooruit eens goed te kijken, met wien je
te doen hebt. Jammer genoeg zal het ongewenschte uitstapje, waarop je ons hebt willen tracteeren, je
je rijvergunning kosten: daaraan valt niets te veranderen!"
"Maar dat is m'n broodwinning" — bracht de man er met eenige moeite uit. Zijn toon was plotseling heel anders geworden en er sprak nu angst uit z'n groote, waterige oogen.
"Je hebt het uitsluitend aan jezelven te wijten!" — zei G. G. "Hoeveel had-je gehoopt aan dit karreweitje te verdienen?"
De man antwoordde niet.
"Ik zou je raden, openhartig te zijn!" — vermaande de detective op scherpen toon. "Heeft men je vooruit betaald, en, zoo ja, hoeveel?"
"Twee sovereigns, Sir!"
"Zou je nog meer gekregen hebben?"
"Ja, Sir, later nog twee!"
"Dat's goed betaald voor 'n auto-ritje!" — zei de detective lachend. "En je begreep natuurlijk heelemaal niet, dat daarachter iets bijzonders stak! Je dacht, dat 't 'n heel onschulig zaakje was, niet waar?"
"Ja, Sir!"
"Lieg niet!" - De stem van den detective had plotseling 'n sissend geluid aangenomen, dat den man opnieuw deed verbleeken. Het was of de moed hem meer en meer ontzonk.
"Ik vond het wel vreemd, Sir." Het bleef eenige oogenblikken stil.
Toen stond G. G. op, trad op den chauffeur toe en keek hem recht in de oogen.
"Ik zal je nog een kans geven" — zei hij. "Maar als je het hart hebt, ook maar 't geringste leugentje te vertellen, dan laat ik je aan je lot over. En dan blijft het niet bij 't verlies van de rij-vergunning: dan zul je deelen in de straf van de menschen, die je geholpen hebt! Goed begrepen...?"
De man slikte eenige malen van zenuwachtigheid.
"Ja, Sir!" — zeide hij toen. Hij was geheel getemd!
# HOOFDSTUK XII. Het huis in Soho.
G. G. was weer gaan zitten.
De chauffeur stond vóór ons, nu in 'n deemoedige houding. Er vertoonden zich zweetdroppels op z'n voorhoofd en z'n zware onderlip trilde. Met angstige oogen wachtte hij op wat komen zou.
Er volgde nu een soort van verhoor, dat ik hier in het kort weêrgeef. Ik liep daarbij heen-en-weêr in de kleine kamer.
"Wie heeft je omgekocht om ons verkeerd te rijden?"
"Ik ken dien persoon niet." "Hoe ziet hij er uit?"
"'n Groote, zware man met licht-blonde haren en wenkbrauwen."
G. G. keek mij hier even aan en gaf mij een knipoogje. De beschrijving was inderdaad, hoe kort zij ook zijn mocht, duidelijk geweest. Bovendien toonde dit antwoord, dat de chauffeur op dit oogenblik niet trachtte ons om den tuin te leiden.
"En waarheen moest je ons brengen?" - vroeg de detective verder.
"Naar Prince-Square, No. 33."
"In Soho?" "Ja, Sir!"
Soho is een deel van Londen, waar vele onaanzienlijke huizen en kleine pleintjes zijn.
"Wanneer en waar heeft die lange, blonde man je omgekocht?"
"Ik ben gestationneerd in de buurt van het Carltonhotel, Sir! Vanmiddag heeft die man mij gezegd, dat ik mij gereed moest houden om twee heeren naar dat adres in Soho te brengen, ook al zouden ze een ander adres opgeven. Ik zou tijdig gewaarschuwd worden. Kort daarop kwam 'n kleine jongen mij waarschuwen, dat die heeren dadelijk uit het hotel zouden komen. U wenkte, Sir, en ik reed vóór."
"n Kleine jongen? Zou je dien terugkennen?"
"Dat denk ik niet, meneer. 't Was 'n gewone straatjongen met niets bizonders aan zich."
"En waarschijnlijk omgekocht, zooals jij!" — constateerde de detective. Toen begon hij plotseling te lachen.
"Heb je ons werkelijk voor zóó dom gehouden, dat je ons naar Soho hadt kunnen rijden, terwijl wij naar het Admiraliteitsgebouw wilden?"
"U hadt vreemdelingen kunnen zijn" — antwoordde de chauffeur. "Die meneer was stellig een vreemdeling!"
Opnieuw gaf G. G. mij een knipoogje: deze mededeeling klopte volkomen met de rest! "Dan is die meneer waarschijnlijk zoo dom!" — merkte hij op.
"Hij wist zeker niet, dat U 'n revolver bij U hadt" - zei de chauffeur met een poging om te schertsen.
G. G. keek hem aan met een blik, die hem onmiddellijk deed verstommen,
"Je opmerkingen zijn hier overbodig!" - zei de detective scherp.
En daarop zat hij eenigen tijd stil op zijn bank en sloot daarbij de oogen, tot groote verbazing van den chauffeur, wien ik echter een teeken gaf, dat hij zwijgen en wachten zou.
Plotseling sprong G. G. overeind.
"Je rijdt ons nu naar Soho, Prince-Square, No. 33" zeide hij, zich wederom tot den vóór hem staanden man richtende. "En je haalt me geen verdere grapjes uit!"
Enkele minuten later waren wij onder weg in dezelfde auto, waarvan wij 'n uur geleden op zoo'n zonderlinge manier afscheid genomen hadden, en met denzelfden chauffeur!
"Willy!" — zeide de detective, toen wij 'n minuut of vijf gereden hadden. "Wij weten nu, dat Z. E. de Graaf De Corriëntes er wel vier sovereigns voor over had om ons uit den weg te krijgen."
"Je neemt dus aan, dat hij het geweest is, die onzen chauffeur heeft omgekocht?"
"Natuurlijk, Willy! En ook aan dien kleinen jongen, die den chauffeur op ons verschijnen opmerkzaam maakte, zal hij de kleur van z'n geld hebben laten zien. Doormiddel van dien jongen zal hij telefonisch bericht gekregen hebben, dat wij in het hotel waren. Daarop heeft hij met den chauffeur gesproken, even voordat wij hem het "Carlton' zagen binnenkomen.
"Dat alles komt er trouwens minder op aan: hoofdzaak is, dat hij het is, die ons op den verkeerden weg heeft doen brengen."
"Nu herhaal ik, wat je daar juist zelf gezegd hebt" zeide ik: "Is het niet oer-dom van den Graaf, dat hij 't voor zóó gemakkelijk aanzag je te transporteeren naar 'n plaats, waarheen je niet wilde gaan?"
"Het ziet er wel dom uit, maar — als je even nadenkt — zul je tot de slotsom komen, dat 't niet zoo dom is als 't eruit ziet! De Graaf kon immers niet weten, dat wij naar het Admiraliteitsgebouw wilden. Hij onderstelde waarschijnlijk, dat wij óf naar jouw tijdelijke woning bij je schoonouders óf naar mijn woning in Mill-street rijden zouden. En in elk van deze gevallen reden wij in de goede richting!"
"Maar hij kon toch niet aannemen, dat wij ons heelemaal naar Soho zouden laten rijden, zonder te protesteeren?"
"Misschien wel, Willy! Ik concludeer in elk geval, dat zijn doel niets anders geweest is dan ons voor korten tijd uit de buurt te hebben. Graaf De Corriëntes zal even goed weten als jij, dat ik ook in mijn woning in Mill-street aan de touwtjes blijf trekken en ik daar berichten krijg van mijn verschillende medewerkers. Daar ben ik dus niet "uit de buurt"; zwervende door de straten in 'n taxi, ben ik het wel!"
"Maar waarom gaan wij dan niet onmiddellijk terug om te weten te komen, wat de Graaf in zijn schild voert...?"
"Als het is wat ik vrees, is het toch al te laat, Willy! Vóór alle dingen moet ik weten, wat er op Prince-Square No. 33 te vinden is."
Nu, daar zouden wij spoedig achter komen!
Wij vonden er een kleinen schoenmakerswinkel. Daarboven waren een paar leêge kamers en op den drempel van één daarvan stonden wij plotseling neus aan neus met ... Inspecteur Higgins!
„en op den drempel van één daarvan stonden wij plotseling neus aan neus met... Inspecteur Higgens (Blz. 114).
Nooit had ik dien waardigen man verbaasder zien kijken, dan toen G. G.'s hoofd en het mijne, bij het langzaam bestijgen van de smalle trap, binnen zijn gezichtskring kwamen. „Hoe komt U hier ...?" - vroeg hij, zoodra zijn verbazing hem het spreken toeliet.
"Met 'n taxi" - antwoordde G. G., zonder iets te laten blijken van de verbazing, die ook hij gevoelen moest. "U is hier zeker op aanwijzing van Graaf De Corriëntes?"
"Die heeft mij inderdaad verzocht, hem hedenmiddag hier te ontmoeten. Hij had mij een belangrijke mededeeling te doen, maar wilde niet, dat iemand ons samen zien zou."
"En toen heeft hij U hierheen besteld?"
"Juist. Mr. Gill! "Wacht U al lang?" .. Tamelijk lang!'
G. G. begon plotseling hartelijk te lachen.
"Die Graaf heeft meer humor dan ik dacht!" - zeide hij, "Hij heeft misschien gehoopt, dat hij den gedupeerden man van Scotland-Yard en den gedupeerden particulieren detective in hun nederlaag tegenover elkaar zou zetten!"
"Gedupeerd?... Nederlaag ...?" - zei Inspecteur Higgins op langgerekten toon. "Ik tracht vergeefs het humoristische hierin te ontdekken!"
"Zoek er maar niet verder naar, want U zoudt het toch niet vinden" - antwoordde G. G. En hij had gelijk. Want zoo iemand géén gevoel voor humor had, dan was het zeker onze goede Inspecteur!
Deze haalde nu de schouders op met 'n moedeloos gebaar.
"Als U gelijk hebt, zou de Graaf zijn doel bereikt hebben" — zei hij. "Maar ik zie in de verste verte niet in, waarom hij ons zou willen dupeeren."
"Wat mij betreft, is het hem zeker niet gelukt!" - zei mijn vriend. "Aan den anderen kant . . .
Hij zweeg even, zoodat de Inspecteur hem vragend aankeek.
"Aan den anderen kant vrees ik, dat hij een tijdelijk voordeel behaald heeft" — eindigde G. G. zijn zin.
"Maar hij is toch niet onze tegenpartij!" — riep de Inspecteur uit op 'n toon, waarin 'n tintje wanhoop lag.
"Van U misschien niet, Inspecteur, maar van mij wel" luidde het droge antwoord.
De Inspecteur draaide zich om en haalde opnieuw de schouders op.
Toen begon mijn vriend wederom te lachen.
"Ik zou U raden, niet langer te wachten" — zeide hij. "Gaat U met ons terug naar het Carlton-Hotel, Inspecteur! Waarschijnlijk wacht ons daar 'n niet aangename verrassing."
De Inspecteur keek op zijn horloge.
"Ik wacht nu juist 'n uur" — zeide hij. "Dat is lang genoeg. Zoo zonder eenige plichtpleging kan ik mij zelfs door den Graaf De Corriëntes niet laten behandelen."
"Groot gelijk, Inspecteur! Gaat U maar meel!" - antwoordde G. G.
Beneden in de werkplaats van den schoenmaker, sprak hij dezen plotseling aan.
"Wie is Uw huisheer, vriend?" - vroeg hij.
"Dat weet ik niet zoo precies" — luidde het antwoord. "Maar de huur wordt opgehaald door de heeren Clay Brothers."
"Zeker 'n administratie-kantoor van onroerende goederen?'
"Juist, meneer! Wilt U de bovenkamers huren?"
"Misschien!"
Een oogenblik later reed de auto ons in snelle vaart terug in de richting van het Carlton-Hotel.
Toen wij daar aangekomen waren, wisselde G. G., die het eerst uitgestapt was, 'n paar woorden met den portier.
Daarop wendde hij zich tot den taxi-chauffeur, die met 'n ongelukkig gezicht bij z'n wagen stond te wachten op wat er nu over hem beslist zou worden.
",Vriend!" — zeide de detective. "Het is zooals ik vreesde. Die lange en blonde meneer woonde hier in het Carlton."
"Ja, Sir! Ik heb hem er zien binnen gaan."
"Welnu! Je zult hem er niet meer zien uitkomen. Dat is al gebeurd, terwijl je ons door Londen's straten reed. Hij is natuurlijk vertrokken en komt niet terug. Dat scheelt je twee sovereigns!"
De chauffeur liet het hoofd hangen, maar zeide niets. "Ik begrijp je teleurstelling!" — zei G. G. "Tot mijn leedwezen kan ik geen pleister op de wond leggen, door je flink te beloonen. Daarnaar heb je het niet gemaakt. Maar de twee sovereigns, die je al gekregen hebt, mag je houden. Dat is mooi genoeg. Voor de rest heb ik je alleen nog maar te zeggen, dat voortaan de politie 'n oogje op je zal houden en dat je nu vertrekken kunt. Wêg! Ik wil je niet langer zien!"
In 'n seconde zat de man achter het stuur en de auto rolde weg met 'n snelheid, die bewees hoe begeerig de chauffeur was, spoedig 'n grooten afstand tusschen zich en den detective te plaatsen.
* * *
Van ons drieën was Inspecteur Higgins het meest uit het veld geslagen.
"Wat beteekent dat plotselinge vertrek?" - vroeg hij.
"Daar moet je maar eens goed over nadenken, Inspecteur!" - antwoordde G. G.
Ik maak hier de opmerking, dat mijn vriend tegenover Higgins altijd een toon aansloeg, die min of meer sarcastisch was. Oorzaak daarvan was zonder twijfel de groote deftigheid, waarmede deze middelmatige politiebeambte placht op te treden, en de zelf-overschatting, waarvan hij dikwijls blijk gaf.
Ditmaal antwoordde de Inspecteur niet, maar hij toonde zich — en eigenlijk had hij gelijk! — wat beleedigd.
"Het is in ieder geval een compliment voor U, Inspecteur" — vervolgde mijn vriend, "dat de Graaf ook U uit de buurt heeft gehouden, toen hij zoo onverwachts vertrok. Hij achtte U blijkbaar — evenals Mr. Hendriks en mij — te scherpzinnig om niet te weten te komen, waarhéén hij vertrok. En dat wilde hij geheim houden. De portier zegt, dat hij naar Manchester gegaan is, maar ik geloof er niets van."
"Waarom niet?" - vroeg ik.
"Omdat hij, naar ik aanneem, niemand in zijn vertrouwen wilde nemen, Willy! Intusschen zullen al die voorzorgsmaatregelen hem niet veel helpen: hij wordt "geschaduwd" *) door een van m'n kleine vrienden, denzelfden, dien je vanmiddag al gezien hebt."
*) In het geheim gevolgd.
"Ik begrijp niets van zijn vertrek" - verklaarde Inspecteur Higgins opnieuw.
"Misschien zult U er nog minder van begrijpen, wanneer ik U zeg, dat de Gravin gebleven is" zeide G.G.
"Maar dan zal de Graaf toch zeker spoedig terug komen" - meende Higgins.
"Ik betwijfel het" - antwoordde G. G. "Maar dat is 'n persoonlijke opvatting. Denk nog eens over alles na, Inspecteur. Misschien worden wij het nog wel eens."
De Inspecteur keek hem 'n beetje hulpeloos aan. Door het masker van deftigheid, dat hij zoo gaarne droeg, schemerden thans zijn onzekerheid en twijfel.
"In zijn vertrekken hier in het hotel was niets te vinden" — zei hij. Die zijn zorgvuldig doorzocht en ik heb zelfs de Gravin en hemzelven doen fouilleeren."
"Dan hebt U 'n flater gemaakt, Inspecteur! Is U van hier toen dadelijk naar Soho gegaan?"
"Ja, Mr. Gill!"
"Dat was óók 'n flater. Maar ikzelf voel mij op dat punt evenmin schuldeloos: ik ben er immers óók ingeloopen. In elk geval" (hier wendde hij zich plotseling tot mij), "de portier verzekert mij, dat de Graaf vertrokken is binnen 't half-uur, nadat jij en ik het hotel verlaten hadden. Ik zeg dit alleen maar om je te bewijzen, dat wij hem reeds gevlogen zouden hebben gevonden, zelfs als wij niet naar Soho waren gegaan. Ik heb aan je gezicht gezien, dat je in dit opzicht twijfel koesterde, en ik stel er prijs op mij tegenover 'n trouw medewerker te rechtvaardigen. Bovendien: waren wij niet naar Soho gegaan, dan zat Inspecteur Higgins daar nu nóg te wachten: dat zou mij gespeten hebben, Inspecteur!"
Higgins ging niet op deze woorden in.
"Wat nu?" - vroeg hij.
"Wij doen het best, elk voor zichzelven die vraag te beantwoorden en naar dat antwoord te handelen" antwoordde G. G. op z'n vriendelijksten toon. De Inspecteur begreep blijkbaar niet, dat dit 'n zachte wenk voor hem was om ons alleen te laten.
"Jij gaat zeker dineeren bij je schoonouders" - vervolgde G. G., zich tot mij keerende. "'t Is al mooi laat: ik zou maar voortmaken. Wat mijzelven betreft, ik blijf maar eten in het Carlton."
Zonder veel complimenten reikte hij den Inspecteur en mij de hand. De eerste begreep hem nu en verdween in 'n taxi met 'n wat beleedigd gezicht.
Ik dééd, alsof ik wegging, zoolang de Inspecteur ons nog zien kon. Toen keerde ik om. Want, toen hij mij de hand reikte, had G. G. mij een teeken gegeven, waaruit ik begrepen had, dat hij niet verwachtte, dat ik hem alleen zou laten.
En men kent mij genoeg om te weten, dat zoo'n teeken, mij door G. G. gegeven, zelden vergeefs gegeven bleek.
# HOOFDSTUK XIII. De waarschuwing.
In de vóórhal stond G. G. mij op te wachten.
"Goed zoo, Willy!" — zeide hij. "Het wordt steeds 'n grooter genoegen met je samen te werken. Je begrijpt tegenwoordig niet alleen 'n half woord, maar zelfs 'n half gebaar!"
Aan dergelijke wat sarcastische loftuitingen van de zijde van mijn vriend was ik sinds lang gewoon. Ik wist, dat ze — niettegenstaande haar zonderlingen vorm — gewoonlijk wèl gemeend waren, en kon mij — 'n zonderling iets voor 'n man en 'n jurist! — vaak kinderlijk daarover verheugen.
Ook thans was dit het geval.
"En wat nu...?" — vroeg ik, de woorden van Inspecteur Higgins herhalende.
"Ik zou je in overweging willen geven, Willy, eerst naar het huis van je schoonouders te telefoneeren, teneinde je te verontschuldigen voor je wègblijven van den maaltijd. Want je zult wel begrepen hebben, dat er voor ons nog 't een en ander te doen is."
Inderdaad had ik dat begrepen en ik volgde derhalve den mij aldus gewezen wenk. Maud nam de gelegenheid waar, door mij telefonisch een kleine afstraffing toe te dienen wegens mijn voortdurende afwezigheid. Toen ik haar echter zeide, dat het experiment, waarin G. G. en ik betrokken waren, steeds interessanter werd, zeide zij met een stem, die — zelfs door de telefoon — de symptomen droeg van eenige detective-koorts: "Goed dan, Willy, mits je mij vanavond alles vertelt!"
Blijmoedig gaf ik haar deze belofte.
Mijn vriend was mij in de hal blijven wachten. Hij had van mijn afwezigheid gebruik gemaakt, door enkele informaties bij den Directeur-Gérant in te winnen. Het bleek, dat Gravin De Corriëntes in haar vertrekken dineerde en daarmede op dit oogenblik druk bezig was, in gezelschap van Señora Carmen.
Zoodra zij gereed zou zijn, zou er voor ons audiëntie worden aangevraagd: Mr. Lambs had dit op zich genomen.
"Dan kunnen wij ook nog gauw wat eten, Willy!" — zeide de detective. "Eerlijk gezegd, verheugt mij dat bizonder, want ik heb eetlust en met 'n leêge maag krijg is dikwijls het gevoel, dat ook m'n hoofd leêg is, hetgeen niet bevorderlijk is voor het deduceeren en combineeren!"
Ik zeide maar niets. Had ik mijn vriend niet reeds herhaaldelijk den meest verrassenden hersen-arbeid zien verrichten, na een gedwongen vasten, dat uren en uren geduurd had ...?
Wij aten niet in de groote eetzaal, maar in een kleine kamer op de eerste verdieping, die de Directeur daarvoor te onzer beschikking had gesteld. Deze scheen extra-zenuwachtig te zijn, tengevolge van het vertrek van den Graaf De Corriëntes, waarin hij een bewijs van wantrouwen tegenover zichzelven en zijn hotel scheen te zien, hoewel — naar hij ons verzekerde — de Gravin hem op dit punt had gerust gesteld.
Hoe lang de Gravin nog blijven zou?
Dat wist de Directeur niet. Zij had zich daarover niet uitgelaten. Het was niet onmogelijk, dat de Graaf maar zeer korten tijd zou wegblijven . . .
Toen wij bijna gereed waren, kwam Mr. Lambs ons met een geheimzinnig gezicht vertellen, dat G. G. aan de telefoon geroepen werd. Mijn vriend liet mij dus korten tijd alleen.
Bij zijn terugkomst deelde hij mij mede, dat hij onmiddellijk eenige telegrammen verzenden moest. Mocht, in dien tusschentijd, de boodschap van de Gravin komen, dat zij bereid was ons te ontvangen, dan moest ik maar vast naar haar vertrekken gaan en de spoedige komst van mijn vriend aankondigen . . .
Deze opdracht was voor mij verre van aangenaam, temeer omdat G. G. mij dadelijk daarop verliet, zonder mij de gelegenheid te geven ernaar te informeeren, welke houding hij verlangde, dat ik tegenover de Gravin zou aannemen. Dit werd blijkbaar aan mijn eigen inzicht overgelaten.
Ik gebruikte dus het slot van den maaltijd op mijn ééntje. En nauwelijks was ik daarmede gereed, of de boodschap, die mij naar de graaflijke vertrekken riep, bereikte mij.
Ik gaf den Directeur aanwijzing, dat hij ook G. G. bij zijn terugkomst onmiddellijk naar die vertrekken dirigeeren zou, waarop ik mij bij de Gravin aanmeldde. In het kleine voor vertrek werd ik ontvangen door Señora Carmen. Zij was verbaasd, dat ik zonder mijn vriend kwam, en haar verbazing werd gedeeld door de
Gravin, toen ik tot deze toegelaten werd.
Uit haar leunstoel oprijzende, was zij mij met uitgestrekte hand tegemoet getreden en had dadelijk naar G. G. gevraagd. Mijn mededeeling, dat deze onmiddellijk verschijnen zou en dat hij onverwachts weggeroepen was, scheen haar te verontrusten.
"Ik heb groote behoefte aan zijn voorlichting" zeide zij. "U weet toch zeker, dat hij spoedig komen zal?'
"Héél zeker, Gravin!"
"Gelukkig!
Op een wenk van haar meesteres had Señora Carmen intusschen de kamer verlaten.
De Gravin had weder op haar stoel plaats genomen. "Het is een eigenaardig verschijnsel" — zeide zij, "dat, zoodra ik Uw vriend, den detective, gaarne spreken wil, hij zich uit zichzelven komt aanmelden."
"Ik heb dikwijls ondersteld, dat hem in zulke zaken een zeker soort van instinct leidt" — antwoordde ik. Zij antwoordde niet, maar staarde eenige oogenblikken strak voor zich uit.
"Ik moet U een vraag doen" — zeide zij, blijkbaar een plotseling besluit nemende. "U zult het vreemd vinden, dat ik die vraag nu eerst stel, na alles wat er reeds gebeurd is. Kan ik mij met volle gerustheid aan de leiding van Uw vriend toevertrouwen?"
Inderdaad was het wel zonderling, dat zij deze vraag thans eerst deed, nadat zij in haar vertrouwen tegenover den detective reeds zoo ver gegaan was. Bovendien: waarom deed zij de vraag aan mij?
"Uw vraag komt mij nog al zonderling voor, Gravin!" — zeide ik. "Het zal U toch niet onbekend zijn, dat er weinig menschen zijn, die zóózeer het vertrouwen van hun medemenschen genieten als Geoffrey Gill."
"Men heeft mij voor hem gewaarschuwd..." Hier hief ik de hand op, bij wijze van protest,
"Ik verzoek U niet verder te gaan, Mevrouw!" — zeide ik. "Binnen enkele minuten zult U in de gelegenheid zijn, die waarschuwing met hemzelven te bespreken."
"Dat zal wel moeten" - zeide zij, "wanneer U dat niet wilt doen."
"Ik kan U alleen maar dit zeggen, Mevrouw, dat Geoffrey Gill mijn beste vriend is. Mijn oordeel zal dus wel partijdig zijn!"
De laatste woorden had ik met eenige bitterheid gesproken. Want het ergerde mij — misschien wel in onredelijke mate —, dat de Gravin plotseling aan de betrouwbaarheid van den detective was gaan twijfelen!
De Gravin keek mij strak aan met haar groote kinderoogen.
"Nu heb ik U boos gemaakt" — zeide zij. "U zoudt niet boos geworden zijn, wanneer U 'n beetje rekening houden wilde met de omstandigheid, dat ik zoo geheel alleen sta en er niemand is om mij raad te geven. Ik weet immers niet eens, of ik wel verstandig doe, U daarom te vragen..."
Haar stem, haar oogen, de geheele uitdrukking van haar gezicht, dit alles ontroerde mij méér dan ik naarbuiten-toe blijken liet. Het kostte mij eenige moeite in mijn stem de noodige vastheid te leggen.
"Eén raad wil ik U geven, Gravin!"— zeide ik. "Vertrouw mijn vriend volkomen en in alles! Wees openhartig tegenover hem, ook wat betreft de waarschuwing, waarover U zooeven gesproken hebt. Verder zal ik mij niet aan raadgevingen wagen."
Zij leunde achterover in haar leunstoel. Op haar gezicht lag een uitdrukking van groote vermoeidheid en zij zweeg zóó lang, dať de stilte pijnlijk begon te worden.
Het was voor mij — en waarschijnlijk ook voor haar — een verlichting, toen Señora Carmen den detective aandiende en binnen liet.
Hoewel G. G. uiterlijk zeer kalm scheen, zag ik toch aan de harde uitdrukking van zijn oogen en aan de wijze, waarop hij de lippen samenperste, dat de detective nu ten volle in hem ontwaakt was. Ongetwijfeld moest de telefonische tijding, die hij zooeven ontvangen had, zeer belangrijk geweest zijn!
De woorden, die ik tot de Gravin gesproken had, schenen niet zonder uitwerking op deze gebleven te zijn. Toen zij namelijk den detective begroet had, zeide zij dadelijk:
"Ik ben tegen U gewaarschuwd, Mr. Gill!"
"Dat verwondert mij niet" — zeide de detective, zonder eenig blijk van verrassing te geven. "Die waarschuwing ging zeker uit van Uw echtgenoot...? Ik verwachtte wel iets van dien aard."
"U verwachtte zoo iets . . .?"
"Ja, Mevrouw!" — antwoordde G. G., terwijl hij tegenover haar aan de tafel plaats nam en zonder verder op het onderwerp in te gaan. "Uw man, Graaf De Corriëntes, is vertrokken, niet waar?"
"Inderdaad!"
"En waarhéén?" "Naar Manchester!"
"Waarom?"
"De Graaf heeft groote belangen bij eenige daar gevestigde ondernemingen" — luidde het antwoord. "Hij speelt in zijn land een groote rol, niet alleen op politiek, maar ook op economisch gebied, en staat daardoor in verbinding met vele buitenlandsche financiers. Dit gaf hij mij op als oorzaak van zijn plotseling vertrek: een conferentie met verschillende grootindustrieelen te Manchester."
G. G. antwoordde niet dadelijk.
"U wacht hem terug?" - vroeg hij eindelijk.
"Waarschijnlijk binnen een week, maar hij zou mij in elk geval telegrafeeren."
De detective rees nu van zijn zitplaats op en bleef vlak vóór de Gravin staan.
"Het is beter openhartig met U te zijn" — zeide hij. "Ik weet niet, of Uw echtgenoot spoedig terug zal komen, maar wèl weet ik, dat hij niet naar Manchester is vertrokken."
"Waarheen dan . . .?"
Ook de Gravin was nu opgerezen.
"Hij is naar Dover gegaan, teneinde van daaruit naar Calais over te steken."
"Naar het Vasteland dus . . .?"
"Ja, Mevrouw!"
Zij zonk terug in haar stoel. Plotseling hief zij zich op en keek den detective scherp aan.
"Hoe weet U dat . . .?" - vroeg zij.
"Doordat ik zijn gangen laat nagaan" — antwoordde G. G. rustig. ......................................
Mijn vriend trad opnieuw op haar toe en, met een autoritair gebaar haar hand vattende, keek hij haar recht in de oogen.
"Kunt U dat werkelijk niet begrijpen . . .?" - vroeg hij.
Zij schudde het hoofd.
"Het is alles zoo raadselachtig" — zeide zij. "Sinds dien ongelukkigen diefstal word ik overal voor raadsels gesteld. Waarom moest de Graaf nu weer tegenover mij liegen? U gelooft toch niet, dat hij héél lang zal wegblijven, Mr. Gill...?" "Ik vrees het, Mevrouw! Maar voor U zou dat geen ramp zijn."
Zij zag hem vragend aan met een angstige uitdrukking in de oogen.
"Zijn aanwezigheid zou voor U gevaarlijk kunnen worden" — vervolgde de detective, "omdat men U mede verantwoordelijk zou achten voor zijn daden..."
"Zijn daden...?"
Er kwam meer-en-meer angst in haar blik.
"Ü hebt mij vroeger gezegd, dat U behoefte aan raad en steun hadt, Mevrouw! Ü hebt mij en Mr. Hendriks toen Uw vertrouwen waardig gekeurd. Ziet U niet, dat een waarschuwing tegen mij geen ander doel kan hebben dan U dien steun weër te ontnemen...?"
"En welk belang zou de Graaf daarbij kunnen hebben ...?'
"Geen ander belang dan om mij buiten de zaken te houden. Van den aanvang af heeft hij het daarop aangelegd."
"Maar wat heeft mijn echtgenoot dan eigenlijk misdreven...? — vroeg de Gravin met bevende stem.
"Ik kan dat tegenover U nog niet nader preciseeren" — luidde het antwoord. En toen zeide G. G. plotseling met groote stemverheffing:
"De Graaf is een gevaarlijk man, mevrouw! Daarmede zeg ik U niets nieuws."
De Gravin bleef stil in haar stoel zitten. Zij stemde niet toe, maar zij ontkende evenmin,
"Is U hierheen gekomen om mij dát te zeggen?" vroeg zij eindelijk zóó zacht, dat zij nauwelijks te verstaan was."
"Neen, Mevrouw!" — antwoordde de detective. "Ik ben gekomen om U een vraag te stellen, die nog meer klemt, nu Uw echtgenoot naar het Vasteland schijnt te willen vertrekken. Ik zou van U willen weten, of U eenig begrip ervan hebt, waarheen hij reizen wil."
"Niet het minstel" - antwoordde de Gravin, terwijl zij den detective vast aankeek.
"Geen enkel vermoeden . . ?"
"Hoe zou ik dat kunnen hebben? Hij laat mij herhaaldelijk alleen, zonder te zeggen, waar hij te vinden is."
"Blijft hij dan lang weg?"
"Soms zeer lang!"
"Zou het mogelijk zijn, dat hij ..."
Hier onderbrak de detective zichzelven met een plotseling gebaar.
"Vergeef mij, mevrouw, dat ik niet verder spreek"—zeide hij. "Ik ben niet gewoon over dingen te praten, die nog niet meer dan vermoedens zijn; bijna had ik tegenover U met die gewoonte gebroken, en dat zou noch in Uw noch in mijn belang geweest zijn. Later, zoodra mijn vermoeden zekerheid is, zal ik U opnieuw bezoeken. Alleen dit wil ik U nog zeggen: U kunt op mij rekenen. Wat er ook gebeuren moge en wat er ook aan den dag moge komen, ik ben Uw vriend, omdat ik U houd voor een ongelukkige en verongelijkte vrouw. Ik voeg daarbij, dat ik zeker ben van Mr. Hendriks' algeheele instemming: ook hij — en hij is mijn meest gewaardeerde medewerker — zal U niet in den steek laten!"
"Stellig niet!" — zeide ik met overtuiging,
"Maar, heeren!" — zei de Gravin. "U is zoo vaag in
Uw uitlatingen! U maakt mij daardoor veel ongeruster dan wanneer U ronduit zoudt willen spreken."
"Ik hoop dat binnen zeer korten tijd te kunnen doen" — verzekerde G. G. "Laat in dien tusschentijd het bewustzijn, dat er ook over Uw belangen gewaakt wordt, U vertrouwen en opgewektheid geven."
De Gravin zeide nog een paar woorden, blijkbaar om ons te bedanken. Maar zij werden zóó zacht gesproken, dat wij ze niet verstaan konden. Daarna namen wij afscheid, met de belofte, dat wij spoedig zouden terugkomen.
G. G. en ik namen nu ook afscheid van elkander, waarbij wij overeenkwamen, dat mijn vriend mij den volgenden ochtend zou opbellen, teneinde mij te zeggen, waar ik hem vinden kon.
Het was reeds vrij laat in den avond, toen ik eindelijk de woning van Lord Stockton weêr betrad.
Hoewel haar ouders daarop sterk hadden aangedrongen, was Maud niet te bewegen geweest met hen den Schouwburg te bezoeken. Zij had erop gestaan, dat Lord en Lady Stockton wel gaan zouden, maar zijzelve was thuis gebleven om op mij te wachten.
Zoodra ik de kamer binnentrad, zag ik wat er aan de hand was. Zooals ik reeds bij ons telefonisch gesprek uit haar stem had opgemaakt, had zij in hoogen graad de detective-koorts.
Ik kende de verschijnselen daarvan en wist, dat het beste geneesmiddel ertegen de bevrediging is van wat men - als het mij betreft! - den inquisitieven geest pleegt te noemen! Onmiddellijk wendde ik dan ook dit geneesmiddel aan en vertelde haar haarfijn alles, wat mij dien dag overkomen was.
"Willy!" - zeide zij, toen mijn verhaal ten einde was, "ik heb sterk den indruk, dat G. G. de hoofdzaak, waarom het hier gaat, nog verborgen houdt."
"Ik heb dienzelfden indruk, Maud! Hij heeft mij niet geheel in zijn vertrouwen genomen" — antwoordde ik.
"Zoodra het oogenblik daartoe gekomen is, zal hij het doen, Willy!"
Het vertrouwen van mijn vrouw in G. G. ging zóó ver, dat zij, wanneer hij dat scheen te wenschen, zelfs haar nieuwsgierigheid in toom kon houden.
# HOOFDSTUK XIV. Het onbekende einddoel.
Het zal tien uur geweest zijn, toen ik den volgenden ochtend door G. G. werd opgebeld.
"Zou het je schikken, Willy" — zeide hij, "met mij een woning te gaan zoeken?"
"Dezer dagen schikt het mij altijd om met je uit te gaan, Geoffrey!" - antwoordde ik. "Met welk doel je uitgaat, doet er niet toe! Dat ik meega staat vast."
"Goed zoo, Willy. Ik kom je afhalen met een taxi!" Er was niet veel scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen, waarheen de tocht zou gaan. Om een woning te zoeken, maakt men meestal gebruik van een woningbureau en de Firma Clay Brothers, administrateurs van onroerende goederen, over welke firma de eerzame schoenmaker in Soho ons den vorigen dag gesproken had, zou — gelijk de meeste zijner beroepsgenooten ongetwijfeld er zoo'n bureau op na houden. Dat deze firma door G. G. geïnterpelleerd zou worden, had ik voorzien; dat hij beweerde dit te doen om een woning te zoeken, lag geheel in de lijn van zijn altijd wat drogen humor.
Het bleek dan ook inderdaad, dat de taxi, waarmede hij mij afhaalde, zijn koers naar het kantoor van de genoemde firma richtte. Onderweg sprak de detective niet veel. Hij scheen mij 'n beetje gedrukt, maar toen ik hem vroeg, of er misschien iets niet in orde was, wierp hij deze gedachte verre van zich.
"Alles is in de beste orde" - zeide hij. "Mocht ik er misschien wat bleek uit zien, schrijf dat dan eenvoudig toe aan het feit, dat ik dezen nacht slecht geslapen heb."
"En waarom...?"
"Omdat ik mij het hoofd gebroken heb over de vraag, wat ons te doen staat, wanneer ons werk in Londen afgeloopen zal zijn."
"Verwacht je dat dan spoedig . . ?"
"Het zou mij niet verwonderen, als het spoedig afgeloopen was, Willy! En, mocht dat inderdaad zoo zijn, dan zal voor ons het groote werk eerst beginnen."
Ik nam dit aan, op het gezag van mijn vriend. Er waren voor mij zooveel duistere punten in de zaak of — juister uitgedrukt — in de zaken, waarmede wij ons bezig hielden, dat de uitlatingen van G. G. niet altijd duidelijk voor mij waren. Hij toch zag blijkbaar vele dingen, die ik niet zag. En van ouds wist ik, dat voortdurend vragen niet veel helpen zou.
In het kantoor van Clay Brothers vonden wij niet minder dan drie broeders van dezen naam, die gezamenlijk één completen man vormden. De eene had namelijk alleen 'n snor, de tweede alleen bakkebaarden en de derde een langen kinbaard à la "Uncle Sam". Zij vulden elkander, wat de versierselen hunner gezichten betrof, op de meest harmonische wijze aan!
G. G. gaf zich den schijn, alsof wij een woning zochten, en dat wel 'n eenvoudige, goedkoope woning in de buurt van Soho. Er werden ons eenige adressen opgegeven, waaronder ook dat van onzen vriend, den schoenmaker.
G. G. bleek er bizonder op gesteld, te weten, wie – zoo een der opgegeven woningen ons beviel – onze huisheer zijn zou. Hij informeerde dus naar de eigenaars der verschillende huizen en hun namen werden hem ook zonder eenige bedenking medegedeeld, totdat wij aan het huis van den schoenmaker kwamen.
Het had er toen den schijn van, alsof de broeder Clay, die ons te woord stond (het was die met de bakkebaarden) zich bewust werd, dat hij zich 'n beetje vergaloppeerd had. Bedoelde broeder althans kreeg een kleur en scheen even naar zijn woorden te zoeken, hoewel hij tot dusverre van een benijdenswaardige welbespraaktheid blijk gegeven had.
"De eigenaar van dat huis... och ziet U... de eigenaar van dat huis geeft er de voorkeur aan, uitsluitend door onze bemiddeling te onderhandelen" — zeide hij.
"Het is ook niet mijn plan, Uw bemiddeling te weigeren" — antwoordde G. G. met zijn onschuldigste gezicht. "Alleen zou ik graag z'n naam weten. 'n Onhandelbaar huisheer kan iemand het leven zuur genoeg maken."
"In dat opzicht kunt U gerust zijn" - antwoordde de broeder met de bakkebaarden.
"Maar waarom kunt U mij dan den naam niet noemen, Sir?"
"Och, ziet U, juist wanneer iemand tot de vooraanstaanden in den lande behoort, heeft hij er wel eens bezwaar tegen, dat zijn naam genoemd wordt als bezitter van zulke kleinere panden in volksbuurten: 'n zwakheid, natuurlijk! Maar men moet met de zwakheden van de menschen rekening houden."
Mijn vriend begon te lachen.
"Zoo!" — zeide hij. "Zit het 'm dáárin! Is de man bang om voor huisjesmelker te worden aangezien...? Nu! Ook zonder zijn naam te kennen, hoop ik verder door het leven te komen. Wat 'n zonderlinge menschen loopen er toch op de wereld rond!"
Hoofdschuddend nam hij afscheid.
Toen wij weer in den taxi zaten, kon ik een opmerking, die mij reeds lang op de tong zweefde, niet onderdrukken.
"Om den eigenaar te weten te komen, behoef je toch slechts 'n bezoek aan het kadaster te brengen" zeide ik.
"Inderdaad, Willy! Dat is mijn voornemen" - antwoordde de detective, terwijl hij uit het portier staarde. "Maar waartoe diende dan dat bezoek aan Clay
Brothers?" - vroeg ik.
"Zie je dan niet, dat wij daardoor iets belangrijks ontdekt hebben?" - vroeg hij. "De grond, die ons voor het verzwijgen van den naam werd opgegeven, was natuurlijk 'n uitvlucht, of althans 'n reden, voor deze gelegenheid uitgedacht. De Heeren Clay hebben eenvoudig instructie gekregen, dien naam niet te noemen; en die instructie moet nog zeer kort geleden gegeven zijn, want anders hadden zij stellig de uitvlucht om zoo te zeggen klaar gehad en met veel autoriteit verkondigd. De broêr met de bakkebaarden moest echter naar z'n woorden zoeken en was verlegen."
"Na wat gisteren gebeurd is, begrijp ik, dat de eigenaar liever niet genoemd wil worden, tenminste zoo hij in eenig opzicht betrokken is bij wat ons toen is overkomen" - merkte ik op.
"Nu sla je den spijker op den kop, m'n jongen!" prees de detective. "Dat hij het noemen van zijn naam verbood, is dan ook 'n aanwijzing in de richting van zijn medeplichtigheid aan wat met Inspecteur Higgins en ons gebeurd is. De onhandige wijze, waarop hij opgetreden is, bewijst bovendien, dat hij geen ware man van zaken is. Anders zou hij, evenals jij, aan het kadaster gedacht hebben. Ik ben er benieuwd naar, in welke kringen wij hem zullen vinden!"
"Het kadaster zal je nieuwsgierigheid bevredigen,
Geoffrey!" - zeide ik.
"Wij rijden er thans heen!" - antwoordde de detective.
Een half uur later was onze nieuwsgierigheid bevredigd, en wel op een wijze, die voor mij alle bekoorlijkheden van het onverwachte had!
Het huis in kwestie stond ingeschreven ten name van ... Miss Mary Thusnelda Greville ...
* * *
Er volgden enkele dagen van weldadige rust. Ik was het heen-en-weer vliegen door Londen ten behoeve van een zaak, die ik maar half begreep, eerlijk gezegd, hartelijk moede geworden. Wat G. G. voorspeld had, n.l. dat het werk te Londen voor ons 'n einde nemen zou, scheen met de waarheid in overeenstemming te zijn. Mijn vriend liet althans niets meer van zich hooren en hoewel, gelijk gezegd, ik mij verheugde in deze tijdelijke rust, die mij veroorloofde mij meer dan tot dusverre aan de genoegens van onzen familie-kring te wijden — dit prikkelde mij niet weinig.
Deze geprikkelde stemming nam nog toe tengevolge van een ontdekking, die ik toevallig deed en die mij den indruk gaf, dat mijn vriend mij opzettelijk buiten de verdere behandeling van de zaak hield.
De lezer kent mij genoeg om te weten, dat ik zelden berust in een schijnbaar noodelooze krenking. Mijn inquisitieve geest bracht er mij dan ook toe, den detective, zonder hem dit vooruit aan te kondigen, in zijne woning op te zoeken, vooral met het doel hem te onderhouden over de onceremonieuse wijze, waarop hij mij plotseling buiten alles gelaten had.
Natuurlijk had ik, voordat ik tot het besluit kwam hem te bezoeken, over onze jongste ontdekkingen veel nagedacht. De vreemdste van al die ontdekkingen scheen mij wel de laatste: dat n.l. het huis, waarheen G. G., Inspecteur Higgins en ik gebracht waren, aan Miss Greville behoorde. Wees dit op een ons onbekende connectie, die er tusschen deze en Graaf De Corriëntes bestond? Men zou het haast gezegd hebben, daar de Graaf last gegeven had ons naar het huis van Miss Greville te rijden!
Hierover was ik van plan aan G. G., die er waarschijnlijk meer van begreep dan ik, eenige vragen te stellen.
Juist toen ik voor de deur van zijn huis aankwam, werd deze door Stilter geopend. Deze liet een dame uit, die, toen zij mij zag, even scheen te schrikken, maar mij daarop onmiddellijk met afgewend gelaat voorbijliep.
"Wie was dat, Stilter?" - vroeg ik.
"Een jonge dame om ons te bezoeken" — antwoordde het factotum, terwijl hij zich op de bij hem gebruikelijke wijze in de handen wreef.
"Maar wie, Stilter?"
"Zij heeft haar naam niet genoemd, Sir!"
Het scheen mij toe, dat Stilter méér wist dan hij mij zeide, maar ik wilde niet verder bij hem aandringen. Eigenlijk was het mijnerzijds reeds 'n indiscretie, dat ik aan Stilter haar naam gevraagd had. Maar de plotselinge beweging, die zij bij mijn aanblik gemaakt had, en de wijze, waarop zij het hoofd had afgewend, waren voor mij een bewijs, dat zij mij wêl kende. Het was dus begrijpelijk, dat ik ook gaarne weten wilde, wie zij was.
Toen ik G.G.'s kamer betrad — Stilter had mij vooruit aangediend, zooals dat ook bij mijn bezoeken gebruikelijk was — zat G. G. achter z'n schrijftafel. Of liever — ik heb dit vroeger reeds opgemerkt — in de opening tusschen de twee zij-stukken daarvan.
Hij bleef zitten en reikte mij, over de tafel heen, de hand. Gelijktijdig hield hij met de andere hand een sigaar in de hoogte, met een grooten gouden band versierd en van niet geringe afmetingen.
"Vergun mij, Willy, je met dit pracht-exemplaar van 'n sigaar om te koopen" - zeide hij. "Ik voorzie, blijkens je bewolkt voorhoofd en het knagen van mijn geweten, een boetpredicatie. Laat die achterwege, m'n jongen, en je kunt deze sigaar verdienen!"
"En als ik de sigaar neem en mijn boetpredicatie toch houd?" - vroeg ik.
"Ik kan die mogelijkheid niet onderstellen, Willy!" zeide hij, met 'n strak en ernstig gezicht. "Want je bent een eerlijk man."
Men zal begrijpen, dat het bij een dergelijke ontvangst moeielijk was, in m'n boos humeur te volharden.
Ik nam de sigaar en lachte.
"De boetpredicatie zal dan achterwege blijven, Geoffrey!" — zeide ik. "Maar ik kan er niet van afzien, je zekere vragen te stellen."
"Dat kan ik je niet beletten, Willy!" — antwoordde hij. "Maar ik hoop, dat je 't op opgewekten toon en met 'n vroolijk gezicht doen zult."
Ik weet niet, of het misschien een bewijs van moreele zwakheid mijnerzijds was, maar ik kon, na deze inleiding tot ons gesprek, geen gedrukten toon meer aanslaan en geen somber gezicht meer zetten.
"Geoffrey!" — zei ik. "Waarom heb ik in zoo langen tijd niets van je gehoord?"
"Omdat ik het erg druk gehad heb, Willy!" "Met het ontvangen van jonge dames?"
"Ook dáármede!"
"Zoo juist ben ik een van je vriendinnen tegengekomen."
"Heb je haar herkend?"
"Neen!"
"Dat is maar goed ook!"
Aldus werd mij reeds bij voorbaat te kennen gegeven, dat mijn vragen naar de identiteit van de dame, die mij zooeven gepasseerd was, vergeefsch zou zijn.
Ik voelde, dat ik weer boos werd.
"Geoffrey!" — zei ik. "Je behandelt mij in deze zaak niet zooals het behoort. Waarom al die geheimzinnigheid? Waarom houdt je mij zoo geheel buiten wat ik voel, dat de hoofdzaak zijn moet?"
Hij keek mij eenige oogenblikken strak aan.
"Je gevoel bedriegt je niet, Willy!" — zeide hij toen. "Inderdaad steekt achter alles, wat je tot dusverre gezien en opgemerkt hebt, iets anders, dat oneindig belangrijker is dan je nu nog vermoeden kunt. Ik heb je echter reeds vroeger gezegd, niet waar, dat ik je buiten dezen kant van de zaak moet houden, althans je niet alles mededeelen kan, zoolang ik zelf niet meer zekerheid heb. Want, is het waarheid wat ik vermoed, dan staan wij voor een ontdekking, waarvan Engeland en de wereld verbaasd zullen zijn."
"Ook dât heb je vroeger al gezegd, en van het werkelijk belangrijke werk wil je mij dus uitsluiten" — zei ik, wat bitter.
De detective schudde het hoofd.
"In het geheel niet!" — zeide hij. "Het is zelfs waarschijnlijk, dat ik reeds dezer dagen een beroep op je medewerking doen zal, dat — als je erop ingaat — je heel wat tijd kosten zal. Begrijp mij toch goed: het einddoel van onzen arbeid zal je vanzelf duidelijk worden door de resultaten, die wij van ons werken zien. Wanneer de resultaten uitblijven en het einddoel niet bereikt wordt, dan is het beter, dat niemand — zelfs jij niet — weet, wat ik vermoed heb en welke personen. "
Hier viel hij zichzelven in de rede.
"Ik kan niet verder spreken" — zeide hij. "Alleen dit nog: een vergissing mijnerzijds is nog steeds niet uitgesloten, en zoo mijn handelingen werkelijk op 'n vergissing berustten, zou ik in hooge mate gecompromitteerd zijn: ik, maar ook anderen, die ik beschuldigd zou hebben. Geduld, Willy, geduld! En weiger mij je verdere medewerking niet, omdat er dingen zijn, die je nog niet begrijpen kunt!"
Zoo eindigde dit gesprek, dat ik begonnen was, teneinde aan mijn vriend te verwijten, dat hij mij als medewerker terzijde geschoven scheen te hebben, geheel anders dan ik verwacht had, n.l. met een beroep, zijnerzijds, op mijn verdere medewerking!
En (zooals vroeger reeds dikwijls gebeurd was en later nog dikwijls gebeuren zou) ik liet hem niet in den steek, ook al had hij mij nu vooruit gezegd, dat ik omtrent het einddoel van onzen gemeenschappelijken arbeid voorloopig in het duister zou blijven rondtasten.
# HOOFDSTUK XV. Een onverwacht voorstel.
Opnieuw gingen er enkele dagen voorbij, gedurende welke ik niets vernam van mijn vriend G. G.
Toen belde hij mij op zekeren ochtend op.
"Willy!" — klonk het door de telefoon. "Ik zou gaarne zien, dat je mij vandaag na de lunch kwam opzoeken. Er is nieuws, dat je interesseeren zal. En verder hebben wij een bezoek af te leggen en zul je te beslissen hebben over een voorstel, dat ik je doen zal."
"Dat is 'n belangrijk program!" — zeide ik. "En je mededeeling is mij des te meer welkom, omdat je mij alweer zoo lang zonder bericht heb gelaten."
"Je zult nu misschien meer te hooren krijgen dan je lief is."
"Ik betwijfel of dat mogelijk is, Geoffrey! Om hoe laat wacht ie me?"
"Laten wij zeggen om half drie."
"Ik zal er zijn, hoor!" "Dank je, Willy!"
Toen ik mijn vrouw verslag deed van dit korte telefonische gesprek, gaf zij als haar meening te kennen. dat er ongetwijfeld verrassingen in de lucht zaten, want dat G. G., die anders bij een telefonisch gesprek meestal zeer spaarzaam met zijn mededeelingen was, ditmaal niet minder dan drie onderwerpen had opgenoemd, die behandeld zouden worden: 'n mededeeling, 'n bezoek en 'n voorstel.
"Ik heb hem al gezegd, dat dit 'n belangrijk program is" — zeide ik
- zeide ik.
"Eerlijk gezegd, ben ik 'n beetje bang voor dat ,voorstel' " - zeide Maud met 'n bezorgd gezicht, maar toch half lachende. "'n Voorstel van G. G. is meestal nauw verwant aan 'n voorschrift en ik vind, dat je tot dusverre hier te Londen veel te veel gedaan hebt."
"Misschien zullen wij de gezelligheid naar elders verplaatsen" - zeide ik. "In elk geval, je weet, dat ik mij uit de zaak, die wij nu samen onder handen hebben, niet meer terug kan trekken."
"Dat kun je zeker niet, Willy! Ik heb maar één bedenking tegen den loop van zaken, maar die is meer van natuur-historischen aard, n.l. dat ik geen man ben!" "Ik deel die bedenking niet" - antwoordde ik.
G. G. vond ik dien middag met - vóór zich op het groote blad van de schrijftafel - vele telegrammen.
Toen ik mij in een club-fauteuil geïnstalleerd had met groote weetgierigheid en 'n sigaar, viel hij dadelijk met de deur in huis.
"Willy!" — zei hij. "Ik heb je onlangs gezegd, dat ik erover nadacht, wat ons verder te doen stond, wanneer onze taak te Londen afgeloopen zou zijn. Omtrent die vraag heb ik nu zekerheid. Wij gaan den Graaf De Corriëntes opzoeken."
"Welzoo!" — zeide ik. "En waar vinden wij hem?" "In Dalmatië" — zeide G. G., terwijl hij rustig de asch van zijn sigaar tikte.
Ik sprong van opwinding overeind.
"In Dalmatië?" - riep ik. "Is het je werkelijk ernst, dat wij zoo'n verre reis moeten maken?"
"Het is mij volle ernst!" — antwoordde de detective. "En, Willy, tracht mij niet wijs te maken, dat je dat niet pleizierig vindt: in je hart verheug je je er niet weinig op."
Ik lachte, want het was niet te ontkennen: de detective had gelijk!
"Moet ik je blindelings volgen of mag ik ook weten, waarom wij den Balkan met ons bezoek vereeren zullen?" — vroeg ik, 'n beetje sarcastisch, want soms kon het mij nog geweldig hinderen, dat de detective mij nog niet geheel in het vertrouwen genomen had.
G. G. schudde het hoofd.
"Ik heb dien scherpen toon niet verdiend, Willy, want het is mijn voornemen, je van de reden volledig op de hoogte te stellen."
Nadat hij deze woorden gesproken had, zweeg hij en bleef zóó lang zwijgen, dat ik eraan begon te wanhopen, of hij zijn mond ooit weêr zou openen. Gedurende den tijd, dien ik aldus wachtte, was hij bezig de telegrammen, die vóór hem op de tafel lagen, te ordenen. Toen hij daarmede gereed was, leunde hij achterover in zijn studeerstoel en begon langzaam te praten.
"Je weet, Willy, dat mijn practijk mij ertoe gebracht heeft, veel betrouwbare relaties in het buitenland te zoeken. Zoo heb ik, op verschillende plaatsen, zelfs buiten Europa, vertrouwde Agenten, die mij dezelfde hulp verleenen, die ik — als hun Agent — hun wederkeerig in Engeland verleen. Scotland-Yard heeft zijn internationale verbindingen. Maar een particulier detective, als ik, die de pretentie heeft moeielijke en ook internationale problemen te behandelen, moet ook in dit opzicht behoorlijk toegerust zijn.
"Zooals ik je van den aanvang af gezegd heb, geloofde ik er niets van, dat de Graaf naar Manchester vertrokken was. En reeds vóór ons laatste onderhoud met de Gravin, wist ik met zekerheid, dat dit niet het geval was. Misschien, Willy, heb je niet meer gedacht aan dien kleinen jongen, die den Graaf voor mij "schaduwen' zou. Ik had hem niet gezegd, dat hij daarmee kon ophouden en dus bleef hij op z'n post. Hij was het, die mij berichtte, dat Graaf De Corriëntes naar Dover vertrokken was. Er was dus niet veel scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen, dat hij op weg was naar het Vasteland."
"Met achterlating van zijn vrouw!" - zeide ik verontwaardigd.
"Zeker, Willy, want die woont nog altijd in het Carlton-Hotel. Trouwens, zijzelve heeft ons gezegd, dat zij eraan gewoon is, dikwijls en voor langen tijd door haar man alleen gelaten te worden."
"Dat herinner ik mij, Geoffrey!"
De detective wees nu op de telegrammen, die vóór hem lagen.
"Hier kunnen wij zijn spoor op de reis door Europa volgen" — vervolgde hij. "Calais, Parijs, München, Weenen, Budapest, Fiume. Naar al die plaatsen — en nog vele andere — heb ik aan mijn vrienden getelegrafeerd en hier heb ik hun telegrafische antwoorden. De man heeft zich op zijn reis niet overhaast. In Weenen en Budapest is hij zelfs vrij lang gebleven, maar de richting, dwars door Europa heen naar Dalmatië, is hij blijven volgen. Te Fiume heeft hij zich, blijkens dit voorlaatste telegram, ingescheept op een kleine kust-stoomboot. En het laatste telegram, dat mij vanochtend bereikte, spreekt over een ontscheping niet ver van het slot Marmonte!"
"Het slot van zijn vrouw!" - riep ik uit.
"Haar slot en haar geboorte-plaats" — antwoordde G. G.
"Wat zoekt hij dáár . . .?" - vroeg ik.
"Aan ons is het, die vraag te beantwoorden, Willy!" — zeide de detective. "En ik wil je wel zeggen, dat daaraan vermoedelijk eenig gevaar verbonden zal zijn. Het zou onverantwoordelijk zijn, wanneer ik je dit niet vooraf mededeelde: je bent getrouwd en, waar mij de plicht dwingt mij in gevaar te begeven, behoef jij mij niet onverplicht te volgen."
De vraag, die mijn vriend hier aanroerde, was er een, die vroeger herhaaldelijk tusschen ons ter sprake gekomen was en later nog herhaaldelijk ter sprake komen zou. Ik ben er altijd van overtuigd geweest, dat G. G. in zulke gevallen wel eens overdreef uit bezorgdheid voor mij. En wanneer ik de zaak bij Maud ter sprake bracht, bleek haar vertrouwen in G. G.'s beleid altijd zóó groot, dat zij aan gevaar voor mij nauwelijks gelooven kon.
Ook ditmaal was mijn inquisitieve geest te zeer werkzaam, om toe te laten, dat ik mij terugtrekken zou op het oogenblik, waarop het interessantste deel van ons experiment waarschijnlijk beginnen zou. Laat mij dadelijk hieraan toevoegen, dat ook mijn vrouw, hoewel aanvankelijk bezwaren makende, tenslotte zwichtte.
"Vóórdat wij vertrekken, is het noodzakelijk" - aldus vervolgde de detective, "dat wij met de Gravin spreken."
"Is dat niet gevaarlijk?" — vroeg ik. "Zij zal nu toch wel weten, waar haar man zich bevindt en met hem correspondeeren kunnen. En ik vermoed, dat het in je bedoeling liggen zal, onze komst niet vooruit aan te kondigen.'
"Dat vermoeden is juist, Willy!" — luidde het antwoord. "Maar ik zou mij al heel sterk moeten vergissen, zoo de Gravin wist, waar haar man zich bevindt. Integendeel, ik vermoed, dat onze mededeeling haar hooglijk verrassen zal. En niet voordat dit vast staat, zullen wij verder over onze reis spreken."
Wij reden van G. G.'s woning direct naar het Carlton Hotel en werden onmiddellijk tot de Gravin toegelaten, die ons als oude vrienden ontving.
Zij zag er slecht uit en was zenuwachtig.
"Waarom hebt U zoo lang niets van U laten hooren, Mr. Gill?" — was haar eerste vraag "Bedenkt U toch, dat ik alleen ben en dat ik behoefte heb aan raad."
"Al laat ik mij niet zien, Mevrouw" — antwoordde mijn vriend, "niettemin houd ik mij geregeld op de hoogte van Uw doen en laten."
"Waarom en hoe?" — luidde haar plotselinge vraag, die uitgesproken werd op een toon, half kinderlijknieuwsgierig, half vrouwelijk-gegriefd.
De detective glimlachte.
"U mocht niet vertrekken, zonder dat ik nog met U gesproken had" — antwoordde hij. "En het scheen mij verkeerd en — tegenover de buitenwereld — misschien gevaarlijk, wanneer ik mij telkens bij U zien liet."
De Gravin nam met deze wat poovere verklaring genoegen. Zij scheen te vergeten, dat zij ook naar het hoe gevraagd had. Voor mijzelven begreep ik wel, dat hierbij één of meer van G. G.'s "kleine vrienden" betrokken zouden zijn.
"En is U verder gekomen met Uw nasporingen inzake den diefstal?" — vroeg de Gravin, nu met groote belangstelling.
Het klinkt misschien vreemd, maar niettemin is het waar, dat die nasporingen in mijn denken geheel op den achtergrond geraakt waren. Aan den bedoelden diefstal hadden zich langzamerhand zooveel nieuwe feiten vastgeknoopt, dat de herinnering daaraan als 't ware onder al dat nieuws bedolven was geraakt.
"Nog steeds koester ik niet meer dan vermoedens" antwoordde G.G. "En over vermoedens spreek ik liever niet, zoolang zij niet zekerheid geworden zijn. Wij zijn nu gekomen, Gravin, om U te vragen, of het U bekend is, waar Graaf De Corriëntes zich bevindt."
Zij werd bleek en beet zich op de lippen.
"De Graaf heeft zich niet verwaardigd, mij eenig teeken van leven te geven" — zeide zij. En het was te zien, dat zij eenige moeite had om niet in een stroom van verontwaardigde woorden uit te barsten. Deze vrouw speelde stellig geen comedie. Wat zij zeide, was de waarheid.
G.G. wachtte een oogenblik, voordat hij verder sprak.
"De Graaf bevindt zich op dit oogenblik op het slot Marmonte in Dalmatië" — zeide hij daarop op den meest kalmen toon, alsof hij een dood-gewone mededeeling deed.
De uitwerking van deze woorden op de Gravin was eenigszins ontstellend. Zij sprong met een kreet overeind, haar handen klemden zich om den rand van de tafel en haar donkere oogen gloeiden van verontwaardiging.
"Naar Marmonte! Zonder mij . . .?" - riep zij uit.
"Duizendmaal heb ik hem gesmeekt, erin toe te stemmen, dat ik Marmonte nog eens bezoeken zou! Duizendmaal heeft hij mij dat kortweg geweigerd. En nu is hij er alleen heengegaan! Wat zoekt hij daar? In mijn slot . . . ?"
Het was eigenaardig, dat deze hartstochtelijke vrouw er geen oogenblik aan scheen te denken, tot G. G. de vraag te richten, hoe hij met de verblijfplaats van haar man bekend kon zijn. Zij aanvaardde wat hij gezegd had, zonder meer, als waarheid.
"Is U er zeker van, dat dit de eerste maal is, dat hij alleen naar Marmonte is gegaan?" - vroeg de detective, zoodra de Gravin wat gekalmeerd was.
"Ik heb U gezegd, dat hij herhaaldelijk langen tijd weg geweest is, zonder dat hij mij z'n verblijfplaats had medegedeeld. Natuurlijk kan hij ook toen naar Marmonte geweest zijn, hoewel ik niet begrijp, wat hij daar gezocht zou hebben."
"U begrijpt ook niet, wat hij er nu zoekt, Mevrouw! Zou het U misschien mogelijk zijn, met eenige nauwkeurigheid aan te geven, wanneer de Graaf, telkens voor zoo langen tijd, afwezig is geweest?"
"Daartoe zou ik even mijn geheugen moeten raadplegen" — antwoordde zij. "Ik herinner mij met zekerheid, dat hij een jaar geleden, ongeveer om dezen tijd van het jaar, ook 'n week of vier weg is geweest. Maar U moet mij den tijd laten, de andere gevallen, wat de datums betreft, te verifieeren."
"Zend U die gegevens dan niet aan mij, Mevrouw, maar aan Mr. Hendriks, ten huize van zijn schoonouders" - verzocht. G. G. "Wij moeten voorzichtig zijn."
"Waartoe moeten die opgaven dienen?"
Het was, of het wantrouwen van de Gravin plotseling opvlamde. Zij maakte een beweging, alsof zij uit den stoel, waarop zij weder plaats genomen had, wilde oprijzen, doch een wenk van G. G. hield haar terug.
De detective was nu zelf opgestaan en steunde met beide handen op de tafel, die vóór hem stond. Zijn stem klonk kort-af en scherp.
"Zij moeten dienen, Mevrouw" — zeide hij, "om uit te maken of de Graaf een eerlijk man is, dan wel..."
Hij haalde de schouders op en zweeg. "En dat zegt U aan mij, zijn vrouw...?"
"Dat zeg ik aan U, zijn vrouw! Omdat U behoefte kunt hebben aan bescherming, juist tegenover hèm."
Het bleef eenige oogenblikken stil.
"Wij zullen U nu alleen laten!" — hernam daarop G. G., thans op zijn gewonen toon. "U is natuurlijk volkomen vrij in Uw beslissing. Mr. Hendriks en ik hopen echter, dat U ertoe zult kunnen besluiten, de verlangde gegevens te zenden."
Reeds den volgenden ochtend had ik ze in mijn bezit . . .
Eerst later heb ik begrepen, hoeveel strijd het de Gravin gekost moet hebben, ze ons te verschaffen. Zij bond daarmede feitelijk den strijd tegen haar man aan. En het moest tusschen die beiden al ver gekomen zijn, dat zij daartoe besluiten kon.
Trouwens, ik ben ervan overtuigd, dat zij dit groote vertrouwen nooit aan iemand anders dan aan G. G. zou hebben geschonken.
* * *
Toen ik de opgaven, die ik van de Gravin ontvangen had, aan G. G. bracht, toonde deze zich daarmede hooglijk ingenomen. Intusschen kon ik het niet geheel verkroppen, dat ik wederom niet meer dan een willoos werktuig in de handen van mijn vriend geweest was.
"En wat ga je daar nu meë uitvoeren?" — vroeg ik.
"Ik ga de opgaven vergelijken met zekere courantenberichten" — antwoordde hij. "Meer kan ik je op dit oogenblik niet zeggen."
De informatie was poover genoeg! "En wanneer gaan wij op reis...?"
"Zoodra ik met dat vergelijken klaar ben."
"Zal dat lang duren?"
"Ik zou voor ons vertrek maar op morgen, uiterlijk op overmorgen rekenen" — antwoordde hij. "Nog éénmaal zal ik de Gravin bezoeken en haar zeggen, waarheen wij gaan."
"Zal zij niet trachten ons tegen te houden?"
"Ik denk het niet, Willy! Zij heeft daar, dunk mij, geen belang bij. Integendeel hoop ik haar zóó ver te krijgen, dat zij ons helpen zal."
"Op welke wijze dan, Geoffrey?"
"Wij beiden zullen alleen staan temidden van een bevolking, die zich tegenover ons minder vriendschappelijk zou kunnen gedragen. Dat is een gevaar, waartegen wij ons wapenen moeten. En het wapen daartegen kan, zooals ik de zaken nu zie, alleen de Gravin ons verschaffen."
"Dat begrijp ik niet!"
"Dat komt, Willy, omdat je niet weet, dat zij, als eenig overgeblevene uit een aanzienlijk geslacht, in haar land onder de eenvoudige bergbewoners vrienden hebben moet, die — bij al hun zin voor onafhankelijkheid — zich vrijwillig als haar beschermers, tot op zekere hoogte als haar vazallen beschouwen! Die vrienden moeten ook onze vrienden worden en zij kan dat bewerken, door ons de bewijzen meê te geven, dat wij namens haar handelen en spreken."
"Maar zullen zij niet veeleer den Graaf als den natuurlijken vertegenwoordiger van zijn eigen vrouw beschouwen ...?"
"Dat is de groote moeielijkheid, Willy! Maar het zou mij verwonderen, wanneer Graaf De Corriëntes niet zelf reeds aanleiding gegeven had (of alsnog aanleiding geven zal) om door de "vazallen" van de Gravin niet met vriendelijke oogen te worden aangezien."
# HOOFDSTUK XVI. In Dalmatië.
Maud had, na eenige bezwaren geopperd te hebben, erin berust, dat ik G. G. op zijn tocht vergezellen zou.
Het is onnoodig, dat ik blijf stilstaan bij de gebeurtenissen, die te Londen plaats vonden, nadat mijn vriend voor den dag gekomen was met zijn voorstel naar Dalmatië te reizen. Die gebeurtenissen waren trouwens van ondergeschikt belang en, daar wij reeds één dag na de conferentie, die ik in het laatste hoofdstuk beschreven heb, vertrokken, was de tijd ook te kort dan dat zich nieuwe belangrijke incidenten konden voordoen.
Ook over den aanvang van onze reis bewaar ik het stilzwijgen. Anders dan Graaf De Corriëntes reisden wij niet op ons gemak en maakten ook van de nachttreinen gebruik.
Het was op een stralend-mooien namiddag, dat wij — van Laibach komende — de Dalmatische kust naderden. Marmonte ligt niet ver van de Kroatisch-Dalmatische grens, dus in het noordelijke deel van Dalmatië. In tegenstelling met andere deelen van de kust, die sterk aan de Rivièra herinneren, is dit gedeelte rotsachtig en onherbergzaam. Het slot zelf ligt op een lage rots. Daarvóor, in zee, liggen tallooze eilanden en gevaarlijke klippen.
Om verschillende redenen kan ik, in mijn beschrijving van de ligging van den familie-zetel van het geslacht der Gravin, niet nauwkeuriger zijn en kan daarom ook niet mededeelen, aan welk station van den spoorweg wij uitstapten.
Wij hadden het uiterlijk van onschuldige toeristen. G. G. had het noodig gevonden, zich door 'n snor en 'n korten baard onherkenbaar te maken, terwijl ook ik weinig geleek op Mr. Hendriks, eerzaam Hollandsch advocaat. Ik zag er veeleer uit als 'n wat aanstellerig artiest. De waarschijnlijkheid, dat wij den Graaf De Corrientes ontmoeten zouden, was oorzaak van dezen voorzorgsmaatregel, gelijk ook van de omstandigheid, dat wij onder elkaar Fransch spraken. De detective was van oordeel, dat wij onze nationaliteiten en woonplaatsen zooveel mogelijk verbergen moesten.
Aan het station voor dat, waar wij uitstegen, kregen wij in onzen coupé, dien wij tot dusverre niet met anderen gedeeld hadden, gezelschap van een grooten, torschen man, die er wat eigenaardig uitzag. Hij maakte den indruk van een zeeman, hoewel niets in zijn kleeding dit bewees. Op den rug van zijn hand was echter een anker getatoeëerd en dit herinnerde onwillekeurig aan schepen en aan de zee.
Zooals de meeste toeristen in deze streken, reisden wij derde klasse; anders zouden wij het gezelschap van dezen man waarschijnlijk hebben misgeloopen.
Eigenaardig was het, dat onze reisgenoot, die, hoewel blijkbaar op z'n Zondags uitgedost, toch den indruk maakte van een wat ruwen zeebonk, in zijn flodder-das 'n speld droeg, waarin 'n kostbare steen gevat was. Ik kwam tot het besluit, dat die wel niet echt zou zijn, even min als de steenen, die schitterden in twee zware, gouden ringen, die hij aan den pink van zijn rechterhand droeg. Ook droeg hij twee gouden oorringen, op de wijze der Italiaansche battelieri.
Onwillekeurig begon ik te gissen naar de nationaliteit van dezen man. Hij had ons niet gegroet en had, zonder een woord te spreken, op de hoekplaats bij den corridor, die aan de eene zijde door den spoorwagen liep, plaats genomen. Aangezien hij volhardde in het zwijgen, viel er uit zijn taal niets op te maken.
Onwillekeurig begon ik te gissen naar de nationaliteit van den man (Blz. 150).
Wij bleven Fransch spreken en G. G. veroorloofde zich daarbij 'n paar persoonlijke opmerkingen omtrent onzen reisgenoot, die dezen (hij zag er verre van zachtmoedig uit!) zonder twijfel in het harnas gejaagd zouden hebben, indien hij Fransch verstaan had.
"Geen Franschman dus!" — concludeerde G. G. "Ook mij interesseert het, wat voor 'n landsman deze vriend is. Ik heb opgemerkt, m'n jongen, dat jij hem al lang tot het voorwerp van je studie hebt gemaakt."
"Aan z'n oorringen zou men zeggen: 'n Italiaan!" - merkte ik op.
"En aan z'n blonde haren en z'n blauwe oogen zou men zeggen: 'n Duitscher of 'n Engelschman, waarschijnlijk 'n Engelschman."
"Waarom?"
"Omdat de man blijkbaar 'n zeeman is en er meer Engelsche dan Duitsche zeelui op de wereld zijn. Bovendien lijkt de vierkante hondenkop, in 't bezit waarvan deze man zich verheugt, mij veel meer Engelsch dan Duitsch."
"Ik houd tegen" - zei ik. "Ik zie hem voor 'n Duitscher aan."
"t Is gauw uit te maken" - antwoordde G. G.
Zonder verder iets te zeggen, stond hij van z'n zitplaats op en nam zijn rugzak (beide waren wij met zulke zakken toegerust!) uit het net. Hij peuterde even aan den riem, alsof hij den zak openen wilde, en liet dien toen (ik kon zien, dat hij het met koele berekening deed) met 'n smak vallen op de teenen van onzen reisgenoot. Deze vloekte . . . in het Engelsch. Maar dadelijk daarop sprak hij ons aan in 'n andere taal, die wij niet verstonden
G. G. vloeide over van excuses... in het Fransch. Ik gooide, om den toestand nog wat ingewikkelder te maken, er eenige Italiaansche woorden doorheen.
En zoo staken wij in den kortst mogelijken tijd in het moeras der spraakverwarring, want wij wilden ons, onder geen omstandigheid, als Engelsch-sprekende individuen doen kennen.
Toen de storm geluwd was en de door den detective wreed-mishandelde met 'n boos gezicht en gesloten oogen in zijn hoekje zat, hervatte mijn vriend ons gesprek
"Als je achter iemand z'n moedertaal komen wilt, is het altijd 'n probaat middel, hem tot vloeken te brengen" — zeide hij kalm. "Intusschen is het gebleken, dat ik gelijk heb gehad. Jammer, dat we niet, om 'n sovereign of zoo, gewed hebben!"
"'t Is in elk geval 'n vreemd exemplaar van 'n Engelschman!" — zeide ik "Hoe komt zoo'n kerel alleen op reis in deze weinig bereisde streken? En hoe komt-iaan dat mondje vol ... Ja, wat zou 't geweest zijn? Kroatisch ...?"
"Vermoedelijk wel."
Hier brak mijn vriend, die den geheelen ochtend zeer spraakzaam geweest was, het gesprek af. Hij zat een poos peinzend vóór zich te kijken en... sloot daarop de oogen, evenals onze zonderlinge reisgenoot. Ik vermoedde echter, dat er bóven die gesloten oogen bij den detective heel wat meer arbeid verricht werd dan bij den ander.
Intusschen bleef mij niet veel anders over dan uit het portier te kijken. En dit was werkelijk geen straf! Wij reden nu namelijk, op 'n matige hoogte, langs de Adriatische Zee, die zich rechts van ons, tot in verre verten, uitstrekte als een gladde spiegel van blinkend blauw, donker en tóch lichtend in telkens varieerende tinten. Op den voorgrond lagen de riffen en eilanden, die de kust hier zoo onveilig maken.
Wat meer naar het zuiden zou de landstreek, links van ons, overgaan in het paradijs der Dalmatische Rivièra. Aardrijkskundig zal die naam wel foutief zijn, maar zij geeft mijn bedoeling toch het best weër. Ik bedoel de smalle strook land tusschen de zeekust en de Dinarische Alpen, die hier het gezicht naar het Oosten toe afsluiten: bergen, met lange, gewelfde ruggen, maar hier en daar overgaande in scherpe punten en plotselinge, steile hellingen. Hier echter herinnerde deze landstrook nog niet aan de bloemenrijke, in zuidelijke pracht pralende Rivièra. Veeleer bracht zij mij de ruwe, doodsche steenvelden van den Karst in herinnering, waar het oog uren lang dwalen kan over eentonige, dorre vlakten, bezaaid met rotsblokken, slechts hier en daar afgewisseld door schaarsch-bebladerd, armzalig struikgewas.
Opeens hoorde ik de stem van G. G.
"În de verte, rechts, aan de zeekust, ligt het slot!" zeide hij; en toen, mij plotseling de hand op den arm leggende, vervolge hij: "Spreek den naam niet uit! Ik geloof niet, dat dat voorzichtig zijn zou."
Deze woorden waren vergezeld gegaan van een blik op den nog steeds slapenden reisgenoot.
Hoewel ik zijn bezorgdheid niet goed begreep, begreep ik wel, dat het nu niet 't juiste oogenblik was om op 'n verklaring aan te dringen. Ik deed dat dus niet, maar keek uit naar het slot Marmonte. En werkelijk! Nu kreeg ook ik dit in het oog!
Beneden, op de lage, rotsige kust, zag ik 'n grauwen toren, in kleur vrijwel overeenstemmende met de rots, waarop hij gebouwd was. De toren was rond, als 't bastion van 'n vesting, en vertoonde aan de bovenzijde 'n laag, spits dak, dat omgeven was door zware kanteelen. Onmiddellijk aan dezen toren was om een binnenhol een tamelijk groot huis gebouwd, dat meer aan een zeer groote, uit grauwen steen opgetrokken boerenwoning dan aan een slot herinnerde. Ik begreep echter, dat de afstand hier het oog bedriegen kon en dat, wat er van hieruit gezien als 'n laag, lang huis uitzag, van dichtbij gezien wel eens van veel grooter afmetingen zou kunnen blijken dan men thans vermoeden kon.
Op dezen afstand zag Marmonte er dreigend en somber uit, 'n soort van loerend monster, dat een kleine haven bewaakte: het beschutte water tusschen twee smalle riffen, die ver in zee uitstaken. Op de verste punt van elk dier riffen zag men een klein, rond gebouwtje. Vermoedelijk waren deze beide gebouwtjes primitieve vuurtorens, die, in donkere en stormachtige nachten, den ingang van de kleine haven aanwezen.
Onze trein stopte nu aan het station van de plaats onzer bestemming. Wij wisten, dat van hieruit een weg naar den zeekant en naar Marmonte voert, terwijl een andere weg, in tegenovergestelde richting, land-inwaarts loopt. Op een kwartier afstands aan dien weg ligt het kleine dorp, dat aan het station zijn naam gegeven heeft.
Onze reisgenoot steeg voor ons uit, maar bleef op het perron staan, totdat ook wij uitgestegen waren. Hij scheen hier thuis te zijn. Althans hij knoopte met den stationchef een gesprek aan en aan de houding, die deze twee mannen tegenover elkander aannamen, was het gemakkelijk te zien, dat zij elkander niet voor het eerst spraken.
Wij passeerden hen en verlieten, met nog één of twee boeren uit den omtrek, die uit denzelfden trein gestapt waren, het station. Ons op den weg naar het dorp omwendende, zagen wij, dat de man, die in het Engelsch gevloekt had, den weg gekozen had, die naar de zeekust en naar Marmonte voerde.
"Behalve het slot liggen daar geen huizen" — merkte ik op, antwoordende op een vraag, die ik mijzelven, gesteld had. "Zou die zonderlinge man op het slot Marmonte wonen...?"
"Misschien komen wij daar mettertijd wel achter" antwoordde mijn vriend. "Het zou mij niet verwonderen, zoo wij hier nog meer zonderlinge menschen en zonderlinge dingen aantroffen."
Reeds in den trein hadden wij de afspraak gemaakt, dat wij in geen geval dadelijk naar het slot zouden gaan. Wij wilden eerst in het nabij gelegen dorp, dat thans vóór ons lag, overnachten en oogen en ooren goed den kost geven. Wat, precies, G. G. hoopte te ontdekken, wist ik nog steeds niet, maar wel begreep ik, dat het in hoofdzaak gaan zou om de vraag, wat de Graaf De Corriëntes, de Grande van Spanje, eigenlijk zocht in het vrijwel vergeten slot, dat aan zijn vrouw toebehoorde, maar waarvan hij deze blijkbaar systematisch verwijderd hield. Uit sommige uitlatingen van den detective had ik meenen op te maken, dat hij hieromtrent zekere vermoedens koesterde; maar hij had deze nooit willen uitspreken, vermoedelijk omdat zij nog te vaag waren.
Ik zeide zooeven, dat het dorp thans vóór ons lag. Het bestond grootendeels uit witte huizen en een zeer slank kerktorentje stak boven deze huizen uit. Het lag schilderachtig tusschen enkele bebouwde velden; maar overigens was de streek kaal en dor. Het uitzicht werd afgesloten door de nabij-zijnde, hooge bergen.
De dalende zon verlichtte het dorp en zijn omgeving met dien zacht-rosen schijn, welke zoo eigenaardig is voor deze streken in de uren, waarin de dag voor den nacht moet wijken. Ook de bergen, op den achtergrond, deelden in deze verlichting, zoodat hun ruwe rotswanden als met een rosen sluier bedekt schenen. Hadden zij op hunne kruinen sneeuw gedragen, ongetwijfeld zouden wij een alpen-gloeien hebben kunnen bewonderen met nog teederder tinten dan in de meer noordelijk gelegen gebergten.
Een schier onmerkbaar koeltje droeg ons de frissche, versterkende zeelucht aan, die zich in de om het dorp gelegen velden vermengde met de welriekende geuren van den bodem en de opschietende veldgewassen.
Er waren maar weinig menschen op den weg: men scheen op dit uur te rusten van den dagelijkschen arbeid. Nu en dan passeerden ons boeren uit deze streek, in hun schilderachtige dracht, met hooge laarzen en witte, met borduursel gesierde blousen. Het waren meestal groote. forsche kerels, met - op 't hoofd - smal-gerande, vilten hoeden of lage, ronde en met verschillende kleuren versierde kappen. De enkele vrouwen, die wij zagen en die meestal, met 'n kruik op het hoofd, naar de dorpsbron op weg waren, vielen op door hun hooge, slanke gestalte en door hun mooie, regelmatige gelaatstrekken. Inderdaad beweren velen, die land en volk kennen, dat hier de mooiste vrouwen van Europa wonen. Vele harer droegen lange, zware vlechten, die langs den rug afhingen en niet om het hoofd gewonden waren, zooals de mode bij Duitsche vrouwen is. Zulk een eenvoudige, boeren-vrouw had in haar uiterlijk iets indrukwekkends, ja koninklijks!
Hoewel onze komst in het dorp eenig opzien wekte, hetwelk bleek uit belangstellende gezichten, die in ramen en aan deuren verschenen, en ook uit de blikken, die de voorbijgangers ons nawierpen, had de belangstelling, die men voor ons toonde, toch nergens iets hinderlijks. Men kon haar wel niet verbergen, maar trachtte haar op zoo min mogelijk opvallende wijze te toonen. Een zeker klein land in West-Europa kan aan de wellevendheid van deze boerenbevolking op den Balkan een voorbeeld nemen.
De herberg — want "hotel" zou hier een te wijdsche benaming zijn — bleek een groot, wit-gepleisterd huis. Een tunnel-achtig gewelf, breed genoeg om voertuigen door te laten, kwam uit op een binnenplaats. En de eigenlijke ingang voor hen, die hier wenschten te eten of te logeeren, bevond zich links in dat gewelf.
Wij werden hier door een statigen herbergier verwelkomd, die even decoratief gekleed was als de boeren van deze streek en in niets herinnerde aan het buigende, glimlachende, zich-in-de-handen-wrijvende type van den herbergier, zooals men dien in kleine dorpen in Midden- en West-Europa zoo dikwijls aantreft.
De hier bedoelde verwelkoming geschiedde echter met hindernissen.
Want de statige herbergier sprak kroatisch en wij verstonden dat niet! Gelukkig bleek weldra, dat de man ook eenige woorden Italiaansch verstond, en het gevolg was, dat het ons tenslotte gelukte, ons, in zéér langzaam tempo, wederzijds verstaanbaar te maken. Hiervan was weêr het gevolg, dat wij geherbergd werden in een groot, gepleisterd vertrek, dat uitkwam op een galerij, die — op de eerste verdieping — om de binnenplaats héén liep. Het vertrek bevatte twee ijzeren bedden, twee miniatuur ijzeren waschtafels, twee ruwe houten stoelen en één gesloten kist van ongeverfd hout, die blijkbaar als tafel dienst moest doen.
Eenigszins tot onze verwondering (wij hadden in dit opzicht het ergste gevreesd!) bleek het, dat de bedden zindelijk waren en dat ook elders nergens een spoor te ontdekken was van die talrijke en opdringerige slaapkameraden, welke het op den Balkan den armen reizigers zoo dikwijls lastig maken, door — wanneer die reizigers wenschen te slapen — hen wakker te houden met nooit verflauwende activiteit.
Deze herberg was een herberg, waarin men zulke slaapkameraden niet aantrof!
Onwillekeurig tastte ik in den zak, maar het stukje krijt, waarmede men zeldzame en belangrijke gebeurtenissen aan den zolder pleegt te schrijven, had ik thuis gelaten!
# HOOFDSTUK XVII. Een dorpsherberg.
Toen wij, beneden in het huis, de gelagkamer betraden, vonden wij daar enkele personen aanwezig, die ons zeer interesseerden en over wie ik het een en ander zeggen moet.
Vooreerst was er de statige herbergier, die met een tweetal gasten aan een tafel zat en zelf braaf meêdronk van den fonkelenden, rooden wijn, die uit halveliter-karaffen geschonken werd.
De twee mannen, met wie hij dronk, waren blijkbaar geen gewone boeren. Hoewel hun kleeding veel op die van de boeren geleek en dus zeer schilderachtig was, scheen zij ons zwaarder en dikker dan wij ze tot dusverre deze streek hadden aangetroffen. Zij droegen stevige schoenen, waarvan de zolen met spijkers beslagen waren, en hun bergstokken stonden naast de tafel, waaraan zij zaten, tegen den muur geleund.
"Bergbewoners!" - zeide ik zacht tot den detective.
G. G. knikte.
"Men zegt, dat de bewoners van de Dinarische Alpen een krachtig en krijgszuchtig ras zijn" — zeide hij. "Zij vertoonen eigenschappen, die zij gemeen hebben met de meer zuidelijk wonende Albaniërs. Maar men acht hen de meerderen van dezen en in beschaving en in humaniteit."
De twee exemplaren van dit bergras, die wij thans voor ons hadden, waren blijkbaar vader en zoon. Zij spraken met den herbergier op gedempten toon en toen wij binnentraden, namen zij ons met merkbare belangstelling op, hoewel zij zich den schijn gaven, alsof wij hen niet interesseerden.
Verder zaten er — alleen aan een tafeltje en blijkbaar door de anderen gemeden — twee Oostenrijksche soldaten. Het maakte bepaald een zonderlingen indruk, deze levende overblijfsels van Midden-Europa hier op den Balkan te vinden. Toch was hun aanwezigheid volkomen verklaarbaar, want Dalmatië behoorde toen nog tot de Habsburgsche Monarchie,
Ten slotte zagen wij, op de eere-plaats aan het hoofd van de midden-tafel, een man zitten met een halven liter wijn vóór en vermoedelijk vele zulke halve liters in zich. Hij herinnerde mij, in zijn uiterlijk en vooral in zijn bewegingen, eenigszins aan den man, dien wij in den trein getroffen hadden. Maar op dit oogenblik verkeerde hij onder den invloed van den reeds genoten wijn, was blijkbaar wat slaperig en lette weinig op ons, hoewel hij bij ons binnentreden opgekeken en ons eenigen tijd strak aangezien had.
De herbergier scheen eenigszins onthutst, toen wij iets te eten verlangden. Waarschijnlijk werd er bij hem meer gedronken dan gegeten. Toch waren wij het spoedig eens over de vraag, wât wij eten zouden. Er stond n.l. maar één gerecht op het menu, n.l. eieren. De billijkheid gebiedt mij, hier onmiddellijk aan toe te voegen, dat men bereid bleek ons deze in verschillende vormen toe te dienen. Wij kozen echter slechts één vorm: dien van de omelet! Ik moet bekennen, dat ik zelden 'n smakelijker, reusachtiger en substantieeler omelet gegeten heb dan in dit kleine Dalmatische dorp, terwijl zij ons bovendien opgediend werd door de dochter van den herbergier, een schoonheid van den eersten rang, die in onze West-Europeesche samenleving furore zou hebben gemaakt. Hier was zij één onder velen!
De beide Oostenrijksche soldaten, over wie ik zooeven sprak, hadden herhaaldelijk in onze richting gekeken, terwijl wij ons onledig hielden met den aanval op onze kostelijke omelet. Toen deze, tengevolge van ons energiek optreden, vrijwel verdwenen was, stond een van de twee op en slenterde op zijn gemak naar ons tafeltje.
Met de vrijmoedigheid, die — in eenigszins ongewone omgevingen — onder West-Europeërs dikwijls heerscht, sprak de man ons aan,
"Ik geloof, dat de heeren Fransch met elkander spreken" — zeide hij. "Men ontmoet hier zelden menschen uit Europa."
Het was eigenaardig, dat deze man over Europa sprak, als lag Dalmatië daarbuiten. Het is echter een verschijnsel, dat men in verschillende landen van Oost-Europa aantreft, in de eerste plaats in Rusland, waar men het eigen land tegenover "Europa" pleegt te stellen.
"Wij zijn werkelijk Franschen" — antwoordde ik in het Duitsch. "Komt U met U beiden maar bij ons zitten, wanneer U ernaar verlangen mocht eens met menschen uit Europa te spreken."
"Wij verlangen er inderdaad naar!" — antwoordde hij. "Wij zijn broërs en komen uit Weenen. En wij hebben het zoo genoeglijk als men het in deze ellendige streken hebben kan. Maar ellendig blijven ze."
"Wat doet U hier eigenlijk? Is Ü hier in de buurt ingekwartierd?"
"Jal Voor zoolang als het duurt. Op 't oogenblik zijn wij hier met 'n man of twintig. We moeten smokkelarijen aan de kust tegengaan. Daarvoor zou je eigenlijk 'n heel leger moeten opcommandeeren. Maar 't is een werk vol afwisseling."
"En vol gevaren?" - vroeg ik. Hij haalde de schouders op.
"Daaraan moet men maar niet te veel denken" -zeide hij. "De bevolking is tegen ons, dat is het ergste."
"Ja!" — lachte zijn broêr, die nu ook nader gekomen was. "'t Is hard, zooveel mooie meisjes te zien en nooit eens 'n zoen te krijgen. Maar ze houden niet van ons: daaraan is niets te doen!"
Zij lachten nu beiden en namen aan ons tafeltje plaats, hetgeen eenige beweging veroorzaakte aan dat andere tafeltje, waar de herbergier en de twee bergbewoners zaten. De eenzame man aan de midden-tafel scheen zich niet voor het geval te interesseeren: met strak-starende, bolle oogen zat hij voor zich uit te kijken.
G. G. had tot dusverre zwijgend naar het gesprek geluisterd.
"Als ik U goed begrijp" — zeide hij toen, "trekt U met Uw twintigen van de eene plaats naar de andere, om te zien of er gesmokkeld wordt. Dat zal zeker op geen enkele plaats gebeuren, waar U zich voor eenigen tijd ophoudt. Maar zoodra U Uw hielen gelicht hebt ..."
"Ja, dan is het mis!" - erkende de soldaat. "En dat weten we best, maar wij kunnen er niets aan doen.
Morgenochtend gaan wij weêr verder!"
"Zijn er niet bepaalde smokkel-nesten aan de kust?" "Wij hebben er nog geen ontdekt. Hier in de omgeving waren praatjes in omloop omtrent het slot Marmonte, dat vlak in de buurt aan zee ligt. Wij zijn er ook geweest, maar hebben niets gevonden.
Toen hij over Marmonte sprak, had de soldaat zijn stem tot den fluistertoon doen dalen. Ik, zag, dat hij daarbij keek in de richting van den man aan de middentafel.
"Waarom fluistert U plotseling?" — vroeg ik, ook mijnerzijds op gedempten toon.
"Die man daar, die zich aan de midden-tafel zit te bedrinken, hoort thuis op Marmonte" — antwoordde hij.
"Is het de slotbewaarder of zoo iets?"
Hij schudde het hoofd.
"Neen! Er wonen daar 'n stuk of acht van zulke kerels." „ Wat voeren die daar uit?"
"Dat weet ik niet. 't Zijn geen smokkelaars en ze hebben zich daar gevestigd met toestemming van den eigenaar."
Ik zweeg, want ik meende op te merken, dat mijn vriend zich in het gesprek wenschte te mengen.
"Daar heb ik ook al van gehoord" — merkte deze plotseling op. "Ik heb hooren vertellen, dat de eigenaar een Spaansche Graaf is, die er een tehuis gevestigd heeft voor oude en gebrekkige matrozen."
Ik herinner er hier aan, dat het gesprek, dat hier weêrgegeven wordt, in het Duitsch gevoerd werd. Mijn vriend had zijn opmerking met luider stemme gemaakt. De man, die — volgens den soldaat — uit Marmonte kwam, scheen niets daarvan verstaan te hebben. Hij maakte althans geen enkele beweging, waaruit dit viel op te merken. Daarentegen scheen de oudste van de twee bergbewoners, die aan het tafeltje van den herbergier zaten, wêl iets van G. G.'s woorden te hebben verstaan.
Hij had een kleur gekregen en sloeg met zijn vuist op de tafel, alsof hij boos werd. Toen stond hij plotseling op en trad op onze tafel toe. Hij bleek gebroken Duitsch te spreken.
"Îk ben meermalen in Karinthië geweest" — zeide hij in die taal. "Daar heb ik het Duitsch leeren verstaan." En toen, zich tot G. G. wendende, vervolgde hij: "Dat het slot aan een Graaf behoort, is een leugen. Het behoort aan mijn gebiedster, Luzzia uit het oude geslacht Medvedje. Wie anders zegt, zal ik zijn eigen woorden doen opeten."
De detective keek hem rustig aan en knikte hem vriendelijk toe.
"Het is 'n goed man, die zijn gebiedster eert" - zeide hij. "Men heeft mij gezegd, dat zij sedert jaren getrouwd is met een Spaanschen Graaf."
"Dat is de waarheid" - luidde het antwoord. "Maar met dien Graaf, die ook nu op Marmonte is, hebben wij niets te maken. Hij behoort niet tot de Medvedje's. Hij laat ons niet op Marmonte toe en zegt, dat onze gebiedster ons vergeten heeft."
"Komt Uw gebiedster dan nooit meer hier?"
Er lag een duistere wolk op het voorhoofd van den man, die ons zoo plotseling had aangesproken.
"Neen!" — zeide hij. "De Graaf schijnt de waarheid gesproken te hebben; zij heeft haar land en haar volk vergeten. Waarom komt zij nooit met hem mede . . .?"
Op dit oogenblik mengde zich de soldaat, die tot dusverre niet gesproken had, in het gesprek.
"Zij zal het in Europa prettiger vinden dan hier" zeide hij op luchtigen toon. "Dat kan toch niemand haar kwalijk nemen."
Het was, of het plotseling vlamde in de oogen van den bergbewoner.
"Bemoei U niet met dingen, die U niet begrijpt" zeide hij. "Niemand ontkent, dat onze gebiedster doen kan wat zij wil. Maar" (nu doofde het vuur in zijn blik en wendde hij zich weder tot mijn vriend) "men kan treuren, omdat zij haar volk vergeten heeft."
Er lag zooveel eenvoudige pathos in den toon, waarop hij gesproken had, dat ik mij ontroerd gevoelde. Dikwijls had ik verhalen gehoord over de trouw van de bergstammen op den Balkan. Het was mij, of deze man die trouw belichaamde.
G. G. was intusschen opgestaan. Hij legde de hand op den schouder van den Dalmatiër en sprak zeer zacht enkele woorden tot hem, die wij geen van allen verstaan konden.
Echter zag ik, dat het gezicht van den aangesprokene plotseling ophelderde. En toen zag ik nog iets anders: de detective had een ring te voorschijn gehaald, dien hij den ander vóórhield. Eerst dacht ik - dwaas genoeg! dat het misschien de ring was, die de oorspronkelijke aanleiding was geweest tot de avonturen, te midden waarvan wij ons thans bevonden. Maar daarop viel mij iets anders in.
Vóórdat wij op reis waren gegaan had de Gravin nog één onderhoud gehad met den detective, waarbij ik niet tegenwoordig was geweest. Bij die gelegenheid had zij - zooals hij mij vertelde - hem in staat gesteld in het verre land, waarheen wij vertrekken zouden, namens haar op te treden tegenover de vrienden, die zij daar nog had. Het toeval (anders waren er voor ons misschien vele dagen met zoeken verloren gegaan) had ons thans onmiddellijk met één van die vrienden in aanraking gebracht. En de ring, dien mijn vriend den Dalmatier voorhield en dien hij ook mij op onze reis getoond had, was een zegelring van de gravin: een zware gouden ring met een grooten, gekleurden steen, waarin een wapen (vermoedelijk dat der Medvedje's: een dubbele adelaar) gegraveerd was.
De soldaten zaten met hun rug naar de plaats, waar op dit oogenblik de beide mannen stonden. Ik zat tegenover hen en was daardoor in staat nauwkeurig waar te nemen, wat er gebeurde. Vandaar dat ik zoo duidelijk zien kon, dat de detective den ring voor den dag had gehaald. Hij wisselde daarop nog enkele woorden met den Dalmatiër, waarop deze terugging naar het tafeltje, waaraan de herbergier en de jonge man gezeten waren. Daar werden de hoofden onmiddellijk bij elkaar gestoken en het was duidelijk, dat wij — en in het bizonder G. G. — het onderwerp van gesprek was, want telkens werden er onderzoekende blikken op hèm en ons geworpen.
Intusschen was de soldaat, die ons het eerst had aangesproken, zeer nadenkend geworden. Nu en dan nam hij ons met een snellen blik op, maar wendde de oogen af, zoodra ik hem daarop betrapte. Plotseling echter begon hij te spreken.
"Die man, met wien U daareven gesproken hebt, is geen gezelschap voor U" — zeide hij. "Ik moet U tegen hem waarschuwen."
G. G. keek hem aan met een uitdrukking van onschuldige verbazing.
"Moet U mij tegen hem waarschuwen?" - vroeg hij, daarbij groote oogen opzettend. "Waarom?"
"Hij is een bekend persoon hier in den omtrek" luidde het antwoord. "Reeds lang rust de verdenking op hem, dat hij samenspant tegen de Monarchie. Men houdt hem voor een van de hoofden der malcontenten, die naar aansluiting bij Servië streven."
"De man is dus vermoedelijk gevaarlijk in politiek opzicht" — zei de detective op een toon van verlichting. "Ik dacht, dat ik mij, zonder het te weten, met 'n bandiet had ingelaten. Uw woorden hadden mij werkelijk doen schrikken."
"'n Samenzweerder is in dit land niet veel beter dan 'n bandiet" — antwoordde de soldaat. "Intusschen, wij hebben alleen te doen met de smokkelaars en voor 'n smokkelaar heeft men hem nooit gehouden."
"In elk geval ben ik U dankbaar voor Uw waarschuwing en zal mij daarnaar gedragen" — hernam G. G. "Dat zou ik U ook dringend aanraden, want anders zoudt U wel eens in moeielijkheden kunnen geraken."
Er had in den toon, waarop deze woorden gesproken werden, iets gelegen, dat mij niet beviel, Maar G.G. deed, alsof hij niets daarvan bemerkte.
"Kunt U mij den naam van dien gevaarlijken man niet zeggen?" - vroeg hij.
"Hij heet Milan Siveric" — luidde het antwoord. "Onthoud U dien naam maar goed. Het kan voor vreemdelingen gevaarlijk zijn, met zulke menschen om te gaan."
"Daarvoor zal ik mij wel wachten" — zeide G. G. "Na wat U mij gezegd hebt, gevoel ik daartoe niet den minsten lust. Waarom zouden mijn vriend en ik, die van zoo ver weg komen, ons hier in 'n wespennest steken...?"
"Dat is 'n gezonde opvatting! Het zou ook 'n groote domheid zijn!'
De soldaat lachte en stond op.
"Het wordt onze tijd" — zeide hij. "Als militairen zijn wij niet vrij in onze bewegingen. Anders zouden wij stellig nog 'n poosje blijven zitten. Kom, kameraad! — Goeienavond, heeren!"
Met deze woorden verlieten de beide militairen de gelagkamer.
Zoodra de deur zich achter hen sloot, stond de Dalmatiër, die met ons gesproken had, op. Maar met een snel, doch nadrukkelijk gebaar beduidde G. G. hem, dat hij weër plaats moest nemen. Tegelijkertijd legde de detective den vinger op de lippen, om den man te bebeduiden, dat hij zwijgen moest.
Daarop scheurde hij een stuk van een brief af, dien hij uit zijn zak haalde, en schreef daarop met potlood de volgende woorden. "Niet thans. Hedennacht op onze kamer.'
Dit briefje vouwde hij in vieren en riep den herbergier. Hij bestelde nog een halven liter wijn en stopte den man tevens het briefje in de hand, terwijl hij met de oogen op den Dalmatiër wees en opnieuw den vinger op de lippen legde. Enkele seconden later had de korte mededeeling haar bestemming bereikt.
"Waarom deze geheimzinnigheid?" - vroeg ik, hoewel ik het antwoord wel vermoedde.
"Onze vrienden, de soldaten, staan voor het raam om te zien, of wij met Milan Siveric spreken zullen" - antwoordde hij. "Zooeven heb ik het gezicht van één hunner voor de ruiten gezien. Het zou gevaarlijk zijn, Willy, als wij den naam kregen, iets met de politiek uitstaande te hebben. De Monarchie verstaat op dat punt geen grappen!"
# HOOFDSTUK XVIII. Plechtig bezoek.
Wij bleven nog eenigen tijd rustig aan onze tafel zitten, zonder een woord te wisselen met Milan Siveric, zijn zoon of den herbergier.
Het zonderlingste in wat wij zooeven gehoord hadden, scheen mij wel, dat Graaf De Corriëntes in het slot van zijn vrouw een tehuis zou gevestigd hebben voor gebrekkige oud-matrozen. De man, die aan de midden-tafel zat en ook de man, met wien wij gereisd hadden (en die immers in de richting naar Marmonte verdwenen was), schenen ons niet juist gebrekkig toe, al droegen zij de kenmerken van den zeeman. Bovendien scheen het mij vreemd, dat zoo'n gebrekkige "verpleegde" zich hier in 'n boerenherberg rustig dronken zat te drinken.
Wat dit laatste betreft, kwam er echter spoedig een verandering, die evenwel niet het gevolg was van een besluit van den delinquent zelven, maar veroorzaakt werd door een energiek ingrijpen van buiten.
Wij hadden namelijk nog geen kwartier bijeen gezeten, na het vertrek van de beide militairen, toen de deur met een ruk geopend werd en er een rood hoofd naar binnen keek, dat ik aanstonds herkende als behoorende aan onzen reisgenoot van dien namiddag. Het hoofd werd weldra gevolgd door het lichaam en de man stond ten voete uit voor ons!
Wij moesten hem op de plaats, waar wij gezeten waren, dadelijk in het oog vallen, maar hij deed alsof hij ons niet herkende. Zonder iets te zeggen trad hij op den man, die aan de midden-tafel zat, toe, pakte hem bij z'n kraag en schudde hem heftig door elkaâr. Het slachtoffer, dat zich eerst deze behandeling, ook zijnerzijds zonder te spreken, had laten welgevallen, vond echter spoedig de spraak terug.
Hij bromde iets, dat veel geleek op 'n paar krachtige, Engelsche vloeken. Maar de ander gaf hem een ruwen slag op den mond, die hem tot zwijgen bracht. Daarop sprak onze reisgenoot een paar woorden in de taal, die wij voor Kroatisch hielden, tot den herbergier, wierp wat geld op de tafel en verdween met den half-dronken man, dien hij nog steeds stevig bij de kraag had, maar die het niet waagde te protesteeren.
"Onze reisgenoot behoort misschien tot de zedenpolitie" - zei ik lachend tot G. G.
Deze echter ging niet op mijn schertsende opmerking in,
Hij zat zwijgend vóór zich te kijken en sloot, na eenige oogenblikken, de oogen. Ik hoedde mij ervoor, hem bij het "combineeren en deduceeren" te storen.
De mannen aan het andere tafeltje hadden de hoofden weêr bij elkaar gestoken en fluisterden zacht. Overigens was het nu doodstil in de gelagkamer, zoodat men duidelijk het tikken van de groote hangklok hoorde.
Maar in de stilte hoorde ik — heel in de verte — nog een ander geluid, dat van buiten kwam: een zacht, nauw hoorbaar rommelen, dat zich met tusschenpoozen herhaalde.
"Zwaar weêr op komst!" — zeide G. G. plotseling, terwijl hij de oogen opsloeg. "Tot dusverre klopt alles; maar het zou bijna àl te mooi zijn, als wij in dit opzicht nu ook dadelijk geluk hadden."
Deze woorden waren voor mij volkomen onbegrijpelijk. "Wat klopt en welk geluk bedoel je?" — vroeg ik.
Hij keek mij aan met een blik, waaruit ik opmaakte, dat hij nog met zijn voor mij onverklaarbare gedachten bezig was, maar toch antwoordde hij mij.
"Ik heb je gezegd, dat de oplossing van ons raadsel je duidelijk zou worden, naarmate onze handelingen succes hebben" — zeide hij. "Heb dus geduld: het laat zich aanzien, dat het succes veel spoediger komen zal dan ik verwachtte."
Daarop had het den schijn, alsof hij opnieuw in slaap viel.
Na een kwartier ongeveer scheen hij plotseling te ontwaken
"Zouden wij niet naar onze kamer gaan?" — vroeg hij en geeuwde hoorbaar. Blijkbaar wilde hij bij de aanwezigen den schijn wekken, alsof hij werkelijk van vermoeidheid in slaap gevallen was.
Zooals vanzelf sprak stemde ik toe.
De herbergier kwam onmiddellijk aanloopen. De houding van dezen man tegenover ons had plotseling een groote wijziging ondergaan. Ik vermoedde, dat dit het gevolg was van de omstandigheid, dat hij van Milan Siveric gehoord had, dat G. G. hem den ring met het geslachtswapen der Medvedje's had laten zien. Terwijl hij vroeger steil en statig, hoewel niet onbeleefd, geweest was, scheen hij nu plotseling vrienden in ons te zien. En, hoewel hij zich met de grootste moeite en slechts door het gebruik van enkele gebrekkige Italiaansche woorden tegenover ons begrijpelijk wist te maken, verstonden wij toch wel zóóveel van wat hij zeide, dat hij het zich tot een eer rekende, de Signori naar hun slaapvertrek te mogen geleiden.
Hij nam een kaars (want van gas of electriciteit was hier geen sprake) en ging ons voor, de deur uit. Maar nauw hadden wij den tunnel-achtigen doorgang naar de binnenplaats betreden, of de opkomende wind blies de kaars uit.
"Ik zou maar wachten met licht maken, tot wij op onze kamers zijn" — zeide ik, op mijn manier Italiaansch sprekende. "De maan is nog zóó helder, dat wij op de binnenplaats voldoende kunnen zien."
Terwijl de herbergier nog een vergeefsche poging deed om de kaars weër aan te steken, was G. G. heen en weër naar den uitgang van de tunnel op de dorpsstraat geslenterd.
"De twee militairen staan nog steeds buiten" — fluisterde hij mij toe. "Zij zullen zich waarschijnlijk ervan willen overtuigen, dat Milan Siveric en zijn zoon (die vermoedelijk ook hier overnachten) inderdaad naar hun kamer gaan. Ik zal dezen, door middel van den herbersier, nog een waarschuwing doen toekomen."
Wij gingen nu over de binnenplaats en vervolgens langs een steenen trap met uitgesleten treden naar de galerij, die om de binnenplaats héén liep en waarop onze kamer uitkwam.
Toen wij deze betreden hadden, ontstak de herbergier de kaars en zette haar op de toegespijkerde kist, die als tafel diende.
Daarop keek hij ons aan en gaf ons, zoowaar, een knipoogje!
"Una ora!" — zeide hij daarbij. "Siveric!" En hij wees naar beneden in de richting van de gelagkamer.
"Bedoelt U, dat Milan Siveric ons om één uur zal komen bezoeken?" - vroeg ik.
"Si, si, Signorel"
G. G. had intusschen met potlood eenige krabbels gekrabbeld op een blaadje, dat hij uit zijn notitie-boekje gescheurd had en mij nu toereikte.
Ik las: "Overtuig Ú (vóor Uw bezoek op onze kamer) "ervan of de beide soldaten, die nu nog vóor het huis "staan, weg zijn. Ga dadelijk uit de gelagkamer naar "uw kamer. Waarschijnlijk zullen zij dan spoedig naar "hun kwartieren gaan."
De herbergier stond geduldig te wachten: hij scheen onze bedoeling te raden.
Ik vouwde het brietje in vieren en gaf het hem.
"Voor Milan Siveric" - zeide ik daarbij.
Hij knikte en lachte.
"Buona notte, Signoril"
Met deze woorden liet hij ons alleen.
"Je ziet, Willy, dat wij er opeens midden-in zitten!" zei G. G., terwijl hij op den rand van zijn bed ging zitten. "Het is hier een verkwikkende atmosteer van samenzwering en geheimzinnigheid."
"Alleen begrijp ik niet goed, waar we eigenlijk middenin zitten" — merkte ik in alle bescheidenheid op,
"In een der belangrijkste experimenten, die ik ooit doorgemaakt heb" — antwoordde hij. "Later, Willy, zul je er roem op kunnen dragen, dat je eraan hebt deelgenomen."
De detective keek op zijn horloge.
"Even over tien uur" — zeide hij. "Dat beteekent nog 'n kleine drie uren, voordat wij, als alles goed gaat, ons bezoek verwachten kunnen. Ik zal van de gelegenheid profiteeren en stel mij voor, gedurende dien tijd te slapen. En ook jou, Willy, zou ik dat aanraden. Het is heel goed mogelijk, dat er, na het bezoek van Milan Siveric, geen gelegenheid tot slapen meer zijn zal."
De daad bij het woord voegende, trok G. G. zijn jas uit en wierp zich — overigens geheel gekleed — op zijn bed. Het had er werkelijk iets van, alsof hij reeds sliep, toen ik mijn jas had uitgetrokken.
Toen ik zijn voorbeeld gevolgd had en op mijn bed lag, was mijn eerste gedachte: "van slapen komt toch niets in." Mijn tweede gedachte was: "ik ben toch wel erg moë, jammer dat ik over m'n slaap héén ben." Een derde gedachte bleef uit, want ... ik sliep!
Ik ontwaakte door een zwaren donderslag, die vlak boven onze hoofden losbarstte en, dof rollende, zich in verre verten voortplantte.
De kaars was uitgegaan.
Maar bij het licht van den bliksem dat nu niet meer van de lucht was, zag ik G. G. op den rand van zijn bed zitten.
Ik hoorde nu ook het gieren van den wind, die blijkbaar in de lengte de breede dorpsstraat afzwiepte.
En daarop volgde weer een donderslag, die mij hooren en zien deed vergaan.
Tot mijn niet geringe verwondering bereikte mij nu de stem van mijn vriend, waarin een toon lag van gemoedelijke tevredenheid.
"Het is ongelooflijk, dat wij zóó boffen, Willy! Zelfs de elementen bedienen ons op onze wenken" — zeide hij. "Heb je nog wat geslapen?"
Ieder mensch heeft in het diepst van zijn hart de neiging om als martelaar te poseeren. Ik zou het niet onaangenaam gevonden hebben, met een lijdend gezicht (dat intusschen in het duister zijn uitwerking gemist zou hebben!) te verklaren, dat ik niet geslapen had; maar de waarheid durfde ik niet verzwijgen. Immers ik had 'n flauw vermoeden, dat ik gesnorkt had!
"Ik heb 'n paar uur geslapen," — antwoordde ik dus. "Ik ook, Willy! En nu komen voor ons de emoties: het is bijna één uur."
Een nieuwe donderslag daverde door het luchtruim.
"Dat wordt goed!" - zeide G. G.
En toen, vóórdat ik den tijd gehad had, naar de beteekenis van zijn opgewekte stemming te informeeren, klonk er een zacht kloppen op onze deur.
Drie donkere gestalten traden, op ons "binnen!" de kamer in.
Het bleken Milan Siveric, diens zoon en de herbergier te zijn. Zij hadden een (uitgewaaide!) kaars bij zich, die weldra aangestoken was en nu nevens de onze — eveneens weder aangestoken! — een bepaald weelderige verlichting voor onze kale kamer vormde.
"Zijn de militairen weg?" — was G. G.'s eerste vraag.
"Ja! Al meer dan een uur, Heer!" — antwoordde Milan, die de in het Duitsch gestelde vraag ook in het Duitsch — of wat hij daarvoor hield! — beantwoordde. Vervolgens richtte hij eenige woorden in het Kroatisch tot den herbergier, die met een statige buiging het vertrek verliet.
"Is die man te vertrouwen?" — vroeg de detective. "Volkomen, Heer!" — luidde het antwoord. "Hij zal buiten waken, opdat de soldaten hun spionnage-werk niet hervatten.
"Zij zullen al lang in hunne kwartieren zijn."
"Zij kunnen terugkeeren, Heer!"
G. G. knikte. Blijkbaar behaagde hem de voorzichtigheid, waarvan deze mannen blijk gaven.
De detective en ik zaten nu ieder op den rand van ons bed, Milan en zijn zoon op de twee aanwezige stoelen. Maar zij spreidden daarbij een ernst en deftigheid ten toon, als de oude Romeinen in hun senaatszetels. Het bleef eenige oogenblikken stil. Buiten gierde de wind en rommelde de donder.
Milan Siveric verbrak de stilte.
"U is tot ons gekomen, Heer" — aldus begon hij, "met den zegelring van onze gebiedster, dien zij slechts aan een vertrouwden bode kan hebben afgestaan. U moet dus haar vertrouwen bezitten. Maar wie is deze heer...?"
Hij vestigde zijn donkere oogen op mij.
"Deze heer is eveneens een vertrouweling van Uw gebiedster," — antwoordde G. G. "Ik heb hier een schrijven, dat zij gericht heeft aan al haar Dalmatische vrienden. Zij heeft zich daarin van de Kroatische taal bediend, die ik niet beheersch. Maar ik weet, wat er in dien brief staat."
De Dalmatiër stond op en nam met vormelijke hoffelijkheid den brief uit handen van den detective aan. Ook ik was met den inhoud bekend, want G.G. had mij daarvan op de hoogte gesteld, toen hij mij op onze reis den zegelring van de Gravin getoond had.
Nadat Milan Siveric den brief, die slechts enkele regels bevatte, gelezen had, stelde hij deze aan zijn zoon ter hand, Daarop wendde hij zich weder tot mijn vriend.
"Ik hoop, Heer, dat ik U niet beleedig, wanneer ik U verzoek mij te bewijzen, dat U weet wat in den brief staat" - zeide hij.
"De inhoud is deze, dat Uw gebiedster verzoekt, de aanwijzingen van mij en mijn vriend" (hier wees de detective op mij) "te volgen en ons beiden hulp en steun te verleenen, zoodra wij die verlangen mochten."
"Inderdaad, zoo is het!" — zeide Milan Siveric. En daarop voegde hij, met een diepe buiging, aan deze woorden toe: "U hebt slechts te spreken, Heeren, wij staan met ziel en lichaam te Uwer beschikking." Gedurende deze eenigszins plechtige vertooning — want ik kon mij daarbij soms verbeelden, dat ik in den schouwburg een stuk zag opvoeren — had ik mij eenigszins op den achtergrond gehouden. Het was een soort van middel-eeuwsche sfeer, die ons hier omringde, een sfeer, die herinnerde aan het feodale tijdperk, waarin de vazallen aan landsheer of landsvrouw dikwijls trouw tot in den dood toonden en de belangen van dezen hun heiliger waren dan de belangen van wien ook, zichzelven inbegrepen! Het kostte mij moeite, mij telkens in het geheugen terug te roepen, dat wij in de twintigste eeuw, leefden en dat wij ons slechts op 'n dagreis afstands van Weenen bevonden!
* * *
De detective had de buiging van Milan Siveric en die van zijn zoon (want die boog met zijn vader!) met 'n lichtere buiging beantwoord, welk voorbeeld ik natuurlijk volgde.
En toen (G. G. dacht ook in beteekenisvolle oogenblikken aan kleinigheden) bood hij den beiden Dalmatiërs een sigaar aan. Meer in het Zuiden, in Turkije, zou het een pijp geweest zijn, als teeken van welkom en vriendschap; en dan zouden de heeren op 'n tapijtje gezeten hebben met kleine kopjes koffie. Hier echter, waar wij in elk geval nog onder de vleugelen der Westersche beschaving — zij het ook onder de uiterste veêren van die vleugelen — leefden, verving G. G. de pijp door de sigaar.
Het was duidelijk te bemerken, dat hij daaraan goed gedaan had. De sigaren werden aangenomen en opgestoken met een plechtigheid, die zonderling afstak bij de nonchalante behaaglijkheid, waarmede men in West-Europa 'n sigaar van 'n vriend pleegt aan te nemen en op te steken. Vermoedelijk hechtte de Siverics, vader en zoon, aan G. G.'s beleefdheid een soort van symbolische beteekenis.
Ook de detective en ik staken 'n sigaar op, zoodat wij nu met ons vieren in ons slaapvertrek te dampen zaten, iets dat, onder gewone omstandigheden — met het oog op de frissche atmosfeer die in een slaapkamer behoort te heerschen —, nu juist niet aanbevelenswaardig zou geweest zijn.
Hier echter was het een teeken van goede diplomatie.
Terwijl wij nog zwijgend tegenover elkaâr zaten, gromde buiten wederom de donder. Het onweër scheen echter af te trekken. En, terwijl wij daar zaten te dampen — G. G. en ik ieder op ons bed, de beide anderen op hun stoelen — overviel mij plotseling het gevoel van het belachlijke van die plechtigheid in deze omgeving en van het operette-achtige, dat er in den geheelen toestand lag.
Ik beet mij op de lippen om niet in lachen uit te barsten.
Had ik geweten, wat ons dien nacht nog wachtte, ongetwijfeld zou mij het lachen spoedig vergaan zijn!
# HOOFDSTUK XIX. Voorbereidselen.
G. G. begon het gesprek, zich daarbij tot Milan Siveric richtende.
"Ik heb reden om aan te nemen" — zeide hij, "dat men Uw gebiedster buiten haar medeweten in een gevaarlijke onderneming betrokken heeft. Dit blijkt onder anderen hieruit, dat, hoewel haar hart haar voortdurend naar haar geboorte-land en naar Marmonte trekt, anderen haar het reizen daarheen belet hebben."
"Onze gebiedster is toch haar eigen meesteres" bracht Milan in het midden. "Waarom staat zij toe, dat haar echtgenoot komt, terwijl zij zelve wêg blijft..."
Men ziet, dat — in het hoofd van dezen Dalmatiër de verhouding omgekeerd was dan in werkelijkheid: voor hèm bleef zijn "gebiedster", ook in het huwelijk, meesteres! Wat beteekende 'n Spaansche Graaf tegenover de eenige nog levende afstammelinge uit het geslacht Medvedje?
"Ik kan die vraag niet in bizonderheden beantwoorden" — zeide G.G. "Alleen kan ik U verzekeren, dat zij gaarne had willen komen, maar dat men dit door allerlei intrigues verhinderd heeft."
"En waarom ...?"
"Natuurlijk omdat er op het slot dingen gebeuren, die zij niet kan goedkeuren."
"Zij bleef dus weg tegen haar wil ...?"
"Tegen haar wil!"
Er heerschte eenige oogenblikken stilte.
"Had zij ons maar eerder gewaarschuwd" — zeide Milan Siveric zacht, terwijl hij zijn zoon toeknikte, waaruit ik voor het eerst begreep, dat ook die zoon Duitsch verstond. Hij had immers dien avond hardnekkig gezwegen.
"Hoe zou zij dat hebben kunnen doen?" — vervolgde G. G. "Zij wist immers niet, dat er iets bizonders gebeurde; zij wist zelfs niet, dat haar man herhaaldelijk hierheen komt. Dat is toch zoo, niet waar?"
"Hij komt twee of driemaal in het jaar, voor korter of langer tijd" — antwoordde Milan.
G. G. gaf mij een knipoogje. Hij wilde mij daarmede vermoedelijk te verstaan geven, dat het hem om deze verklaring te doen was geweest.
"Zooals ik al in de gelagkamer zei" — aldus vervolgde G. G. "heeft men mij verteld, dat Graaf De Corriëntes van het slot een toevluchtsoord voor oude en gebrekkige zeelieden gemaakt heeft. Is dat werkelijk zoo?"
"Men beweert het althans. Ook de autoriteiten zeggen, dat het zoo is, maar...." — De man scheen te weifelen.
"Welnu . . .?"
"Die menschen zijn zoo oud en gebrekkig niet, Heerl Wij hebben nooit goed kunnen begrijpen, wat zij er eigenlijk deden. Maar wij hebben ons daarmede niet bemoeid: wat onze gebiedster doet, is wèl gedaan!"
"Maar nu hebt U immers gehoord, dat zij van dit alles niets weet? Ik ben voornemens, in elk geval te weten te komen, wat er eigenlijk op Marmonte gebeurt. Ik doe op U een beroep om mij daarbij te helpen."
"Dat beroep zal niet vergeefsch zijn, Heer! Mijn plicht, maar ook mijn vreugde is het, onze gebiedster te dienen."
Hij stond met een bruusk gebaar op, alsof hij voornemens was, Marmonte onmiddellijk stormenderhand te veroveren.
Onwillekeurig moesten wij glimlachen om zijn onstuimigheid.
"Blijf nog even zitten, Milan Siveric" — zeide de detective. "Voordat wij iets ondernemen, heb ik U nog een paar vragen te doen."
Ik, die G. G. zoo goed kende, merkte duidelijk, dat hij in eenige verlegenheid verkeerde, hoe hij met vragen beginnen zou.
Op dit oogenblik klonk plotseling weder het fluitend gieren van den wind en klonk de donder luider, alsof het onweër, dat reeds grootendeels was afgetrokken, terugkeerde.
Deze geluiden schenen den detective te inspireeren.
"Het is buiten ruw weêr" - zeide hij. "Komt dat dikwijls voor in deze streken?"
"In het voorjaar om dezen tijd! En ook in het najaar kan het wel eens erg spoken op de kust" — antwoordde de Dalmatiër, die weêr was gaan zitten,
"Schipbreuken?"
"Menig schip is met man en muis vergaan op onze kust. Het vaarwater vóór Marmonte is, door de vele riffen, uiterst gevaarlijk."
"En is er dan voldoende hulp in de buurt?"
"Hulp kan weinig baten, als een schip eenmaal op de riffen gestooten heeft, Heer! Wij, bergbewoners, wonen te ver om in zoo'n geval dadelijk bij de hand te zijn, maar ik heb hier in het dorp menigmaal hooren vertellen, dat de bewoners van Marmonte dikwijls hun leven wagen om hulp te bieden, Zij kunnen er ook het eerste bij zijn. Mijn zoon hier, Peter, weet van die dingen meer dan ik: voordat hij zich 'n vrouw nam, heeft hij hier in het dorp gewoond."
Voor het eerst deed de zoon, die - zooals wij nu vernomen hadden - Peter heette, zijn mond open.
"Ik ken het vaarwater" — zeide hij. "Redding is uitgesloten, als een schip op de klippen loopt. Ik heb nooit begrepen, dat men dat op Marmonte niet begrijpt en telkens weer vergeefsche moeite doet."
"Zij hebben daar dus niet veel succes met hun pogingen om te redden?"
"Neen, Heer! Zij hebben nooit eenig succes gehad."
"Toch is het mooi, dat zij het probeeren!" — meende
G. G. "Ik begrijp alleen niet, dat zulke gebrekkige menschen daartoe den moed hebben."
"Ik heb U immers gezegd, dat zij zoo gebrekkig niet zijn" — zeide Milan, die nu het woord weër van zijn zoon overnam.
Hoewel G. G. - zeker omdat wij niet alleen waren - de oogen niet sloot, kon ik toch duidelijk zien, dat zijn detective-brein in volle werking was: de harde uitdrukking in zijn staalblauwe oogen bewees mij dat. Hij zweeg langen tijd,
"Spoelt er veel wrakhout aan hier op de kust?" - vroeg hij toen plotseling.
"Natuurlijk, wanneer er een vaartuig door de zee in stukken is geslagen; en ook dikwijls de lijken van opvarenden."
"En veel kostbare waren?"
"Heel weinig, Heer! Dat weinige leveren wij uit aan de autoriteiten. Strandroovers kennen wij hier niet."
't Zijn zeker kleinere kustvaarders, die op deze manier ten onder gaan?"
"Ja, Heer!"
Opnieuw bleef het stil. Het viel mij op, dat G.G.'s gezicht strakker en strakker was gaan staan. Zijn oogen glinsterden nu met 'n bijna onnatuurlijken glans.
"Nu heb ik nog één vraag te doen" - zeide hij eindelijk.
"Wij zullen ook die beantwoorden, als wij dat kunnen" — zeide Milan Siveric. "Maar — vergeef mij, Heer! — hoe staat dit alles in verband met onze gebiedster?"
"Dat hoop ik U later te verklaren" — antwoordde de detective. En daarop deed hij zijn laatste vraag:
"Is het U bekend, dat er in de laatste jaren, meer dan vroeger, schepen op de Adriatische Zee verdwenen zijn? Niet op de klippen geloopen, maar blijkbaar vergaan in volle zee?"
"Berichten daaromtrent hebben ook ons bereikt, Heer! Zelfs is er dientengevolge een spreekwoord hier op de kust ontstaan: "Als de Adria haar offers niet op de klippen stuk slaat, slikt zij ze op met huid en haar!"
"Ik dank U, Milan Sivericl"
Terwijl het bovenstaande gesprek gevoerd werd, was ook bij mij — gelijk vanzelf sprak — de vraag gerezen, hoe dit alles in verband kon staan met de Gravin De Corriëntes. En voor het eerst begon een vermoeden bij mij te rijzen, dat echter zóó afschuwelijk was, dat ik het nauwelijks als ernstig beschouwen kon. Toch liet het mij niet meer los; en hoe meer ik nadacht over het verleden — van het oogenblik af, waarop Lady Ackland den ring aan den vinger der Gravin herkend had, tot dezen onstuimigen nacht aan de Dalmatische kust —, hoe meer het bewustzijn tot mij dóördrong, dat, indien mijn vermoeden met de werkelijkheid overeenstemde, dit de verklaring zijn zou van veel wat ik niet begrepen had.
En tevens zou het dan begrijpelijk zijn, dat mijn vriend zijn eigen vermoedens, zelfs tegenover mij, niet had willen uitspreken, omdat zij gingen in een richting, die zou kunnen voeren tot ontdekkingen zóó vreemd en onwaarschijnlijk, dat men er zelfs niet fluisterend melding van maken kon, zoolang ze niet onomstootelijk vaststonden.
De detective was, na de laatste woorden, die hij gesproken had, aan het venster getreden, dat op de dorpstraat uitzag. De hemel was nog steeds met donkere wolken bedekt, maar de wind was gaan liggen en de regen had opgehouden.
Plotseling draaide hij zich om en richtte het woord tot den jongen Siveric.
"U hebt zoo juist gezegd, dat U het vaarwater hier kent" — begon hij. "Kent U het goed genoeg om, in een nacht als deze, een bootje veilig tusschen de klippen dóor te sturen?"
"Dat durf ik niet op mij nemen" — antwoordde Peter Siveric. "Er is maar één man, die dat doen kan: Georgi Koloric." „ Wie is dat?"
"Georgi Koloric woont hier in het dorp, Heer. Hij is visscher ...
"Hij zal wel meer smokkelaar dan visscher zijn" — zeide G. G. droogjes. "Spreek maar vrij uit! Wij zijn geen Oostenrijksche spionnen en de hulp van Georgi Koloric zou ons veel waard zijn."
De jonge Siveric lachte, maar zeide niets.
"Welnu? Ziet ge kans ons die hulp te bezorgen...?" —
"Zeker! Mits het gaat om de belangen van onze gebiedster."
"Het gaat zeer zeker om die belangen."
"Is het Uw bedoeling, dat ik Georgi Koloric thans onmiddellijk ga waarschuwen?" „Hoe eer hoe beter!"
Zonder verder een woord te verliezen, verliet de jonge man de kamer.
Zijn vader had met aandacht het gesprek gevolgd.
"Het is gevaarlijk, wat U doen wilt. Heer!" — zeide hij, toen wij met ons drieën alleen waren.
"Als ge er lust in hebt, kunt ge het gevaar deelen" — antwoordde de detective.
Tot mijn verbazing schudde Milan Siveric het hoofd. "Neen!" — zeide hij. "Het bootje mag niet overbelast worden."
Er had iets in zijn stem gelegen, dat mij aan zijn oprechtheid twijfelen deed. Mijn vriend had dienzelfden indruk gekregen, hetgeen uit zijn antwoord bleek.
"Het bootje zal niet zóó klein zijn, dat U er geen plaats in zoudt kunnen vinden" — zeide hij. "Hebt U niet nog 'n andere reden om niet meê te gaan?"
"Blijkbaar ontgaat U niets, Heer!" — luidde het antwoord. "Inderdaad heb ik nog een andere reden. Vergeet niet, dat, behalve U beiden, alleen mijn zoon en ik van Uw voornemen op de hoogte zijn." "Toch nog maar gedeeltelijk, Milan Siveric!"
"Maar toch wel voldoende om, mocht U beiden iets overkomen, het werk voort te zetten."
De twee mannen keken elkander eenige oogenblikken strak aan en daarop glimlachten zij.
"Ik geloof, dat wij elkander begrijpen" — zeide G. G. "Ons zal wel niets overkomen, maar voorzichtigheid is de moeder van de veiligheid!"
In stilte bracht ik hulde aan den detective, die aldus — in zijn begeerte om in stijl te blijven — een nieuw spreekwoord had uitgevonden, dat voor den Dalmatiër zeker begrijpelijker zou zijn dan wanneer hij er de vanouds-bekende porcelein-kast had bijgehaald.
Zonder verder iets te zeggen, groette ons Milan Siveric met een ceremonieuze buiging en liet ons alleen.
"Willy!" — zei G. G., zich vergenoegd in de handen wrijvend. "Wij zijn op den goeden weg!"
Meer dan ik zeggen kan verheugde mij deze woorden, eigenlijk nog meer om den toon, waarop zij werden uitgesproken, dan om hun inhoud. Nog zelden had ik mijn vriend gedurende een "experiment", dat wij gezamenlijk doormaakten, zoo bezorgd gezien als in de laatste uren. Zijn gewone humor scheen hem geheel te hebben verlaten. Hij was ernstig geweest en zelfs bedrukt in een mate, als ik vroeger nooit had meêgemaakt. Uit den toon, waarop hij de boven-medegedeelde, enkele woorden gesproken had, meende ik te mogen opmaken, dat hij die gedrukte stemming van zich afgeschud had en dat hij, met zijn gewone energie en zijn onverwoestelijk optimisme, — om 't zoo eens uit te drukken — weer plezier in zijn werk begon te krijgen.
"Weet je wel" — vervolgde hij, "dat het geluk ons in een mate dient, waarvan ik bijna bang zou worden? Wat wij nu bereikt hebben — het ons verzekeren van krachtige hulp onder de bewoners van deze streek —, heb ik mij van den aanvang af als noodzakelijk en ook wel als bereikbaar voorgesteld. Maar dat wij de zaken hier, onmiddellijk bij onze aankomst, reeds zóóver hebben kunnen krijgen als thans het geval is, dit is iets, waarop ik in mijn stoutste droomen niet had durven hopen!"
"En toch" — bracht ik in het midden, "volgens wat Milan Siveric ons zooeven gezegd heeft, zou het eigenlijke gevaar nu eerst beginnen.
"Bij de noodige voorzichtigheid zal dat gevaar zoo groot niet zijn! En, Willy, je kunt erop rekenen, dat deze Dalmatiër ons, mocht de nood aan den man komen, niet in den steek zou laten. Toch zou ik mijzelven niet verantwoord achten, als ik je niet bekende, dat er inderdaad aan onzen nachtelijken boottocht gevaren verbonden zijn, zoowel van den kant der elementen als van den kant der menschen."
"Je bedoelt van de zijde der bewoners van Marmonte . . .?"
Hij knikte zwijgend.
"Ik geef je de volle vrijheid, je uit de onderneming terug te trekken" — vervolgde hij. "Ik zal je daarom geen oogenblik met andere oogen aankijken."
"Dat zèg je nu wel, Geoffrey! Maar je zoudt dat wèl doen; je zoudt het *moeten* doen, omdat je de achting voor mij verliezen zoudt. Ik denk er geen oogenblik aan, je *nu* alleen te laten."
"Eerlijk gezegd had ik niet anders van je verwacht, Willy!" — antwoordde mijn vriend hartelijk. "Maar, met het oog op je vrouw, vind ik het toch mijn plicht, je te waarschuwen, wanneer er gevaar dreigt."
"Dat hèb je nu gedaan, Geoffrey, en ik sla je waarschuwing in den wind" — zeide ik op een toon, die hem er wel van overtuigen moest, dat ik er niet aan dacht, mij door zijn waarschuwing te laten terughouden.
Op dit oogenblik werd er zacht op de deur geklopt. Ik opende die en Peter, de jonge Siveric, verscheen op den drempel.
"De twee militairen hebben zich niet meer laten zien"
— waren zijn eerste woorden. "De herbergier verzekert, dat ze nu ook wel niet meer zullen terug komen."
"Vermoedelijk niet!" — zei G. G. "En Georgi
Koloric?"
"Is bereid te doen, wat U van hem gevraagd hebt! Hij is reeds vooruit naar de kust, waar hij met zijn bootje op ons wacht. De nauwkeurige plaats is mij bekend."
"Dan is dus alles gereed en kunnen wij U naar de kust volgen!" — zeide G. G., terwijl hij de hand aan den deurknop sloeg. "Je hebt je revolver bij je, Willy...?"
"Natuurlijk!
"Vermoedelijk zul je die niet noodig hebben, maar ik herhaal, wat ik zooeven gezegd heb: Voorzichtigheid is de moeder van de Veiligheid. Gaat U met ons mee, Peter Siveric?"
"Ik denk het niet, Heer! Tenzij U het uitdrukkelijk beveelt."
Maar de detective schudde het hoofd.
"Strikt noodig is het niet" — zeide hij. "Het zou mij niet verwonderen, wanneer U ons aan land even groote diensten zoudt kunnen bewijzen als in ons bootje."
"Misschien!" — zeide Peter met een korten lach. "En nu wordt het voor ons beiden tijd om te gaan" — zei G. G., zich tot mij wendende.
"Ik zal U brengen tot aan het bootje van Georgi Koloric" — viel Peter Siveric in, nog vóórdat ik had kunnen antwoorden.
Wij sloegen onze regenjassen om en enkele minuten later stonden wij op straat, nadat wij met den herbergier, die nog steeds niet naar bed was, een fluisterenden groet gewisseld hadden.
# HOOFDSTUK XX. De expeditie begint.
Het was buiten, zooals wij reeds gelegenheid gehad hadden van onze kamer uit waar te nemen, zeer donker. De Dorpsstraat, waarvan het plaveisel, bij mooi weêr uit harden, rotsachtigen grond bestaande, nu was herschapen in een reeks van opeenvolgende modderpoelen, was nu juist geen aangename weg in een nacht als deze. In den aanvang kwamen wij niet dan zeer langzaam vooruit en soms stapten wij in diepe plassen met een vaart, die ons het vuile water om de ooren deed spatten. Maar toen wij 'n minuut of vijf onder weg waren, begonnen onze oogen aan de duisternis te wennen.
De tocht ging, onder aanvoering van Peter Siveric, eerst in de richting van het station. De spoorbaan staken wij echter op eenigen afstand links daarvan over, zoodat ik aanstonds begreep, dat wij niet den weg naar Slot Marmonte volgen zouden, die van het station naar de kust voerde en waarop wij dien namiddag onzen zonderlingen reisgenoot gezien hadden. Inderdaad bleek ik goed begrepen te hebben. Het moeilijkste gedeelte van den weg lag thans vóór ons. Het was niet meer dan een smal rotspad, dat wij afdalen moesten om de zeekust te bereiken. En, al waren onze oogen nu aan de duisternis gewend, deze afdaling was zeer bezwaarlijk. Peter Siveric liep voorop, daarna volgde ik en G. G. sloot den stoet. Zoowel hij al ik struikelde telkens. Op moeilijke plaatsen hielpen wij elkander wederkeerig en nu en dan kwam ook de krachtige arm van den jongen Dalmatiër erbij te pas, om ons over zulke plaatsen héén te helpen.
Wij begrepen natuurlijk de noodzakelijkheid om van dit nauwe en moeielijke pad gebruik te maken. Vooreerst waren wij hier te ver van Marmonte af dan dat men ons van daaruit, zelfs als de nacht lichter mocht worden, zou hebben kunnen opmerken. En, ten tweede, zouden wij ons waarschijnlijk slechts op zeer enkele plaatsen op deze ruwe kust kunnen inschepen. Wij hadden dus, wat den door ons te volgen weg betrof, niet de vrije keuze. Niet het bootje zou ons, maar wij moesten het bootje oppikken!
Gelukkig duurde de onaangename afdaling, die ik beschreven heb, niet lang; en het pad bleek uit te komen aan een kleinen, ronden inham, waarlangs zich, bedolven onder de schelpen, over een lengte van enkele meters slechts, een smalle strook strand uitstrekte.
Onmiddellijk viel mij een langwerpig voorwerp op, dat in zee lag, vlak tegen het strand aan. Toen wij naderden, zagen wij, dat het een kleine roeiboot was en dat deze niet alleen tegen het strand áán, maar zelfs gedeeltelijk op het strand lag.
Een menschelijke gestalte zat op den rand daarvan. "Dit is Georgi Koloric" — klonk Peter's stem.
De gestalte stond op. Een kleine, beweeglijke man. Het was niet zóó donker, of wij konden zien, dat hij z'n muts afnam. En toen sprak hij ons aan met een hooge, wat piepende stem, maar in zeer goed Italiaansch.
"Ik stel mij geheel ter beschikking van de Signori" - zeide hij.
"Is het gevaar van zee en wind niet te groot?" — vroeg ik op verzoek van G. G., die wel Italiaansch verstond, maar het zoo goed als niet sprak, terwijl ik mij met eenige moeite in die taal verstaanbaar maken kon.
"Nu niet meer!" — antwoordde de kleine man. "'n Paar uur geleden zou ik dat niet met zooveel zekerheid gezegd hebben. Maar nu loopt U met iemand, die de zee hier kent zooals ik, niet het minste gevaar."
"Ik neem nu afscheid" - zeide Peter Siveric, die waarschijnlijk van het Italiaansch maar weinig begrepen had en in het Duitsch sprak. (Het was dien nacht 'n ware Babylonische spraakverwarring!) "Ik heb beloofd, mijn vader dadelijk te zullen volgen, zoodra ik U hierheen gebracht had."
"Waarheen gaat ge dan nu?" - vroeg ik.
Ik hoorde hem zacht lachen.
"Naar onze vrienden" — zeide hij. "Als mijn vader U niet nader heeft ingelicht, kan ik het óók niet doen!" Het volgende oogenblik was hij in de duisternis verdwenen . . .
Intusschen had Georgi Koloric 'n kleine pijp opgestoken. Het was verwonderlijk, hoe hij dit bij den toch altijd nog hevigen wind gedaan kreeg. Hij manoeuvreerde daartoe met z'n handen en z'n muts en 'n doos lucifers op de meest verrassende wijze. En hij bewees, behalve zichzelven, ook ons daarmee een dienst! Immers, toen hij met groote halen den brand erin stak, bescheen de telkens hel-opflikkerende vlam zijn gezicht, dat wij tot dusverre nog niet hadden kunnen onderscheiden.
Hij bleek 'n reeds vrij bejaard man te zijn. Ik hield hem voor niet ver van de zestig. Z'n gezicht was broodmager en doorgroefd met diepe rimpels en groeven. Daarbij had het 'n zwart-bruinen tint, die aan 'n neger of althans aan 'n mulat herinnerde; maar de scherpe haviksneus, de lange, gladde haren (die geheel grijs waren) en de smalle bouw van voorhoofd en wangen toonden genoegzaam, dat deze donkere tint niet anders was dan een gevolg van den invloed van zon, regen en wind. Het maakte den indruk, alsof deze Georgi z'n heele leven lang in de open lucht had doorgebracht.
Trouwens, zijn beroep (dat G. G. kortweg als dat van "smokkelaar" gekarakteriseerd had, zonder dat Siveric, vader of zoon, hem had tegengesproken) bracht natuurlijk mede, dat hij veel in de open lucht verkeerde. En tevens verklaarde dit zijn bedrevenheid in de Italiaansche taal. Immers het moesten ongetwijfeld Italianen zijn, die op deze kust hun smokkelwaren aanbrachten.
Het feit, dat Georgi Koloric zoo rustig zijn pijp had opgestoken, verbaasde ons eenigszins. Iemand, die op het punt staat, 'n klein roeibootje in den nacht door 'n gevaarlijke zee vol riffen en klippen te sturen, gaat zich in den regel niet te buiten aan het rooken van pijpen!
Onze verbazing nam echter nog toe, toen hij wederom plaats nam op den rand van zijn boot.
"Signori!" — zeide hij. "Ik heb U reeds gezegd, dat ik geheel te Uwer beschikking ben, omdat onze gebiedster U gezonden heeft. Maar vóórdat wij in zee gaan, moet ik eerst meer weten van Uw doel op dezen tocht, U zult mij eenigszins in Uw vertrouwen moeten nemen, want ik kan moeielijk, midden in den nacht, doelloos tusschen de klippen rondroeien."
De man had uiterst beleefd, maar ook uiterst gedecideerd gesproken. Het verwonderde mij niets, dat dit zéér in den smaak van G. G. viel.
"Willy!" — zeide deze tot mij. "Ik benoem je nu officieel tot mijn tolk. Zeg hem, zooveel mogelijk woord voor woord, wat ik jou nu zeggen zal."
Het gevolg van deze vereerende benoeming en niet minder vereerende opdracht was, dat ik Georgi Koloric het volgende zeide en de volgende vragen stelde:
"Het is in de laatste jaren nog al eens voorgekomen, dat er kleinere schepen op de riffen vóór Marmonte in stormachtige nachten schipbreuk geleden hebben. Dit heeft iets onbegrijpelijks, omdat juist de kustvaarders de gevaren van dit deel van de kust zeer goed kennen en dus alles doen zullen om uit de buurt te blijven. De eenige verklaring is deze, dat zij de kleine haven vóór Marmonte hebben willen bereiken, daarop ook hebben aangestuurd, maar den ingang gemist hebben."
"Dat is de verklaring, die algemeen gegeven wordt, Signori!"
"Toch ligt er iets vreemds in. Staat niet op elk van de twee, ver in zee uitspringende riffen, die de haven van Marmonte omsluiten, een kleine vuurtoren?"
Eigenlijk was dit vragen naar den bekenden weg, want men zag, van de plaats waarop wij stonden, de beide lichten duidelijk.
"Werkelijke vuurtorens zijn het niet" — antwoordde Georgi Koloric. "Het zijn lage, ronde gebouwtjes met naar de zeezijde — een bekleeding van glas. Binnenin branden sterke lampen."
"Staan die gebouwtjes er al lang?"
"Toen onze gebiedster naar elders trok, stonden zij er al jaren. Zij liet de lampen elken avond aansteken. Tegenwoordig geschiedt dat alleen in stormachtige nachten."
Het duurde eenigen tijd, vóórdat G. G. verder sprak. Hij was blijkbaar diep in gedachten verzonken; maar het was te donker om te zien, of hij de oogen gesloten had.
"Het is, zooals ik dacht" — zeide hij eindelijk. "Er moet met die lichten iets niet in orde zijn. Wij zullen beginnen met naar den ingang van de haven te roeien en eens zien, of wij daar iets bizonders ontdekken kunnen."
Ik bracht deze woorden aan Georgi Koloric over. "Wij mogen wel voorzichtig zijn" — meende deze. "Bij elk van de lichten zal wel 'n bewaker zijn."
"Hebt U daaromtrent geen zekerheid?"
"Wij hebben ons nooit met de havenlichten bemoeid" — luidde het antwoord. "De tegenwoordige bewoners houden anderen liefst uit de buurt."
"Waarom?"
"Wat gaat het ons aan . . .?"
"In elk geval kunt U ons naar het rif roeien, dat aan deze zijde van de haven ligt. Nader dan het gebouwtje met het licht zoo voorzichtig mogelijk. Ik zou niet graag willen, dat men ons ontdekte.'
Zonder verder iets te zeggen, schoof Koloric zijn bootje van het strand af de zee in, nadat hij op den rand eerst met zorg zijn pijp had uitgeklopt.
'n Minuut later waren wij onderweg.
G. G. zat voorin het bootje, ik in het midden en Georgi stond achterin, waar hij met één roeispaan het ranke vaartuigje voorwaarts dreef en tevens bestuurde, op de wijze der Venetiaansche gondeliers.
Zoodra wij het kleine stukje strand verlaten hadden, bevonden wij ons midden tusschen de riffen en op een zee die nog zeer onstuimig was. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij wel eens meer op mijn gemak gevoeld heb dan op dezen tocht! Aan alle zijden scheen ons bootje omgeven door lichtende, wilde branding, waar de kracht der golven zich op de klippen brak met een dof, dreigend geluid, dat de lucht geheel vervulde. Soms naderden wij zoo'n stuk branding tot op angstig korten afstand, maar telkens, op het oogenblik, waarop de tot schuim opgezweepte golven het bootje dreigden meê te sleuren, maakte dit een lichte wending en gleed langs de witte massa der branding, in plaats van daarin te verdwijnen om te pletter geslagen te worden.
Na eenigen tijd kwamen wij in meer open vaarwater. Ons kleine vaartuigje stijgerde hier als 't ware op de golven, die, met korte afstanden tusschen elkander, snel aanrolden.
Georgi Koloric stond bijna onbeweeglijk achterin ons vaartuigje.
Alleen zijn armen en handen bewogen bij het voeren van den langen, buigzamen riem, waarmede hij zoo handig wist om te gaan. Hij deed het bootje nu, in een groote boog, naar rechts zwenken, totdat wij de beide havenlichten vlak vóór den voorsteven hadden. "Voorzichtig nu!" — klonk de stem van G. G. "Zeg hem, dat hij trachten moet nog wat dichter bij te komen, maar laat hij goed uitkijken en zooveel mogelijk uit de lichtstralen blijven."
Ik bracht de woorden van den detective over en het was een lust om te zien, met hoeveel beleid onze stuurman het bootje zéér langzaam in de nabijheid van de haven bracht.
Plotseling hield hij op met roeien, hoewel zijn armen in beweging bleven, want met groote handigheid hield hij onze boot op dezelfde plaats.
"Waarom gaat hij nog niet wat dichter bij?" - vroeg G. G.
Toen ik de vraag had overgebracht, antwoordde Georgi Koloric niet dadelijk. Ik kon zijn gestalte duidelijk waarnemen en zag, dat hij den hals uitgestrekt hield in de richting van de haven. Hij stond in de houding van iemand, die in de verte iets ziet, dat sterk zijn aandacht trekt.
"Er is daar iets niet in orde" — zeide hij eindelijk. Nu wij het gedonder van de branding niet meer zoo onmiddellijk om ons héén hadden, konden wij elkander gemakkelijk verstaan.
"Er is daar iets niet in orde" — zeide hij eindelijk (Blz. 192).
"Vraag hem, of hij ooit vroeger in een nacht als deze vóór den haveningang is geweest, Willy!"
"Nooit! Hoe zou ik daartoe gekomen zijn?" — antwoordde de man, toen ik hem de vraag had overgebracht. En daarop herhaalde hij met nadruk: "Er is daar iets niet in orde!"
"Laat hij dan zeggen, wat er niet in orde is, Willy!" Opnieuw bleef het langen tijd stil, toen ik G. G.'s woorden had overgebracht.
Eindelijk kwam er een antwoord, maar 'n zacht, aarzelend antwoord!
"Het heeft er den schijn van" — aldus klonk het uit Georgi Koloric's mond, "dat de ingang van de haven zich naar links verplaatst heeft."
„Waaruit maakt U dat op?"
„De groote, ronde toren van het slot sluit anders de haven aan de landzijde af en ligt juist in het midden tusschen de twee lange riffen. Het is nu zóó donker, dat de toren tegen den achtergrond van de rotsen niet te onderscheiden is. Maar rechts boven het licht op het rechter-rif, zie ik, in de lucht, nog 'n geel lichtje, dat vermoedelijk uit een venster schijnt. Dat moet de toren zijn, want er is hier geen tweede gebouw zoo hoog als deze. Maar dan is de ingang van de haven naar links verschoven."
Terwijl onze stuurman sprak, hoorde ik mijn vriend zwaar ademen, alsof zich een groote ontroering van hem had meester gemaakt.
"Het is zoo, Willy, het is zoo!"
Zijn stem, bijna fluisterend, had mij nauwelijks kunnen bereiken. En toch lag er in de enkele woorden, die hij gezegd had, een pathos, dat moeielijk te beschrijven is.
"Wat is zoo?" - vroeg ik.
"Wat ik sinds lang vermoed en gevreesd heb" — zeide hij, wederom nauwelijks boven den fluistertoon sprekend. Maar toen, de stem plotseling verheffend, vervolgde hij bijna plechtig: "Wij doen vannacht goed werk. Willy! Maar wij mogen het niet ten halve doen, God helpe ons!"
Hoewel — zooals ik in vroegere boeken meer gezegd heb — mijn vriend in den grond een godsdienstig man was, toonde hij dit weinig naar buiten toe; en slechts zéér zelden en nooit zonder reden gebruikte hij den naam van God.
Het plechtige "God helpe ons!", dat hij zooeven had doen hooren, bewees mij, dat hij gevaar zag, wilden wij het werk niet ten halve doen.
Zijn volgende woorden toonden, dat ik juist geoordeeld had.
"Willy!" - zeide hij. "Het is mijn plicht verder te gaan. Een explicatie kan ik nu niet geven, maar ik zou graag zien, dat jij het gevaar, dat nu stellig dreigt, niet deelde. Koloric moet je eerst aan land zetten en daarna zullen hij en ik doen wat onze plicht is: van hêm tegenover zijn gebiedster, van mij tegenover mijn opdrachtgevers en ... tegenover de Wereld!"
Terwijl hij sprak, was er één ding bij mij komen vast te staan. Hem nu verlaten, juist nu de nood aan den man zou komen? Nooit!
Ik zeide hem dit met enkele woorden.
Hij antwoordde niets. Was het lichter geweest, ik zou hebben kunnen zien, hoe bewogen hij was. Nu gevoelde ik het niet minder duidelijk.
Intusschen had Georgi Koloric ons bootje, door handig met zijn riem te manoeuvreeren, op dezelfde hoogte gehouden.
"Zeg hem" - hernam mijn vriend plotseling met een stem, waaruit niet de minste emotie meer sprak, "dat, als wij nu verder gaan, ons groote gevaren dreigen, en vraag hem, of hij die trotseeren wil terwille van zijn gebiedster."
Op deze woorden antwoordde onze brave stuurman met een bijna enthousiast: "Si, si, Signore!" "En zeg hem dan verder" — vervolgde G.G. "dat er met de lichten aan den ingang van de haven geknoeid is! Die ingang ligt niet tusschen de beide lichten, die wij nu zien!"
# HOOFDSTUK XXI. Nachtelijke ontdekkingen.
Ik behoef zeker niet uit te weiden over den indruk, dien deze woorden op mij maakten. Er was geen andere beteekenis aan te hechten dan dat, in onstuimige nachten, hier schepen in het verderf gelokt werden, wanneer ze zich in de kleine haven van Marmonte in veiligheid wilden stellen.
Dáárdoor zouden dan de talrijke schipbreuken op de hier aanwezige riffen te verklaren zijn. De bewoners van het dorp, dat op meer dan 'n half uur afstand lag, waren eraan gewend geraakt, dat reddingspogingen (die steeds vergeefsch bleken) door de bewoners van Marmonte werden aangewend.
De vraag — de afschuwelijke vraag — rees thans bij mij: was het wel de bedoeling van de z.g. "verpleegden" om te redden...?
Stonden wij hier tegenover een misdadigersbende, waarvan de wedergade nauwelijks te vinden was . . .?
Lange tijd om over deze vraag na te denken of na te gaan, in hoeverre zij samenhing met onze jongste ondervindingen te Londen, werd mij intusschen niet gelaten.
"Wij moeten nu aanhouden op het linksche licht" — zeide G. G. "Dit is het licht, dat er bijgekomen is, terwijl dat op den rechterhoek nu gedoofd is. Daatusschen ligt het licht, dat nu het rechtsche schijnt, maar inderdaad het linksche is, wanneer er niet met de lichten is geknoeid. Wil je onzen stuurman de noodige aanwijzingen geven?"
"Dadelijk! Eerst moet je mij zeggen, hoe je in vredesnaam op deze gedachte gekomen bent!"
"De toren schijnt naar rechts verschoven, Willy, maar aangezien 'n toren vast in den grond staat, kan dit alleen verklaard worden doordat de havenlichten naar links verplaatst zijn. Dat is eenvoudig genoeg. En nu, Willy, wil je de noodige aanwijzingen geven?'
Ik deed zulks.
Zeer langzaam naderden wij nu eerst het rechtsche licht, evenwel niet in een rechte lijn, want de lichtstralen vielen aan de vóórzijde over de zee, zoodat - waren er menschen in of bij de haven — men ons onmiddellijk gezien zou hebben, indien wij uit zee gekomen waren. Opnieuw deed Georgi Koloric dus ons bootje een wijden boog beschrijven, die ons na eenigen tijd weer midden in de riffen met hun kokende branding bracht.
Wij konden nu het linksche licht, dat ons doel was en dat aan de zijde van het land gemaskeerd was, naderen zonder op te vallen, omdat wij ons bevonden tusschen het land en de plaats, waar het zijn stralen over de zee zond.
"Er is daar geen gebouwtje!" - fluisterde onze stuurman. "Ik denk, dat het licht op de een of andere manier op het uiteinde van een rif is bevestigd en dat men er, aan de achterzijde, een kleine muur om gebouwd heeft."
"Kent U het vaarwater ook aan deze zijde van de haven?"
"Even goed als aan de andere zijde, Signore! Het rif, waarop het licht staat, noemen de visschers hier het paarlenrif, omdat de kust-legenden vertellen, dat daar vroeger paarlen uit de zee gevischt werden."
"En wat is er tusschen het paarlenrif en het andere rif, dat de haven aan deze zijde afsluit?"
"Schijnbaar ongevaarlijk vaarwater. Maar - vlak onder de oppervlakte liggen scherpe klippen. Daar gaan de meeste schepen ten onder."
Hij zweeg even en schudde toen de vuist in de richting van Marmonte.
"De schurken, de laffe schurken!" - zei hij grimmig.
Ook hij had begrepen, wat de ontdekking van het nieuwe licht beteekende!
Terwijl deze woorden gewisseld werden, had ons bootje vrijwel stil gelegen. Nu ging het weêr voorzichtig verder, steeds naar rechts ombuigende, totdat wij evenwijdig met het paarlenrif voeren in de richting van de open zee.
Zooals ik zooeven reeds opmerkte, naderden wij nu het derde licht van de achterzijde.
Het was taak, zeer voorzichtig te zijn. Niet onwaarschijnlijk zouden zich op het einde van het paarlenrif menschen bevinden; en wij wisten nu wel zóóveel van wat er hier omging, dat wij in deze menschen vijanden moesten zien en dat wel van de gevaarlijkste soort!
Een oogenblik stelde ik mij de vraag, waarom G. G. er blijkbaar zoo op gesteld was om, niettegenstaande het daaraan verbonden gevaar, dit paarlenrif zoo dicht te naderen. Maar de vraag stellen, was haar beantwoorden
Waren er inderdaad menschen in de buurt van het derde licht, dan zou er uit de woorden, die deze met elkander wisselden, wel iets op te maken zijn, dat voor ons van het allergrootste belang zijn kon. Dát er menschen zouden zijn, was waarschijnlijk . . .
Ik moet hier de opmerking maken, dat gedurende het laatste deel van onzen tocht de wind weer was opgestoken. Zij kwam echter uit het Zuiden, zoodat wij, nu wij aan de Noordzijde langs het paarlenrif voeren, dat van Oost naar West liep, eenigszins beschut waren. Er bestond evenmin gevaar, dat de wind ons op het rif werpen zou. Veel te worstelen had de brave Georgi Koloric echter met de op de kust aanrollende zee. Indien de wind uit het Westen gekomen ware, zou het geheel onmogelijk zijn geweest, ons bootje tegen de golven op te werken. Nu gelukte het met veel moeite en zeer langzaam,
In ons voordeel was het, dat wij nog steeds in het duister waren, doordat — gelijk gezegd — het licht aan de landzijde gemaskeerd was.
Het duurde niet lang, of wij hoorden stemmen.
Wij waren reeds dicht tot het uiteinde van het rif genaderd.
Het rees op deze plaats tamelijk hoog uit de zee op, zoodat wij ons tot vlak onder den rand konden wagen. Daar de wind over het rif héen naar ons toe woei en zijn kracht, door de hoogte ervan, sterk gebroken werd, lagen wij hier tamelijk veilig, zij het ook in de angstaanjagende nabijheid van de natte rotsen. Wij dobberden hevig met het rijzen en dalen van de golven, zoodat het uiterst moeielijk was, ook zelfs bij het gebruik van twee bootshaken, die op den bodem van ons schuitje gelegen hadden, dit op dezelfde plaats te houden. Evenwel, met vereende krachten, gelukte het!
Het was niet gemakkelijk, bij het geruisch van wind en water, de woorden op te vangen, die op korten afstand van ons op het rif gesproken werden. Maar ook hier hielp de windrichting mede, hoewel niet voldoende om wat er gezegd werd in zijn geheel te kunnen volgen. De intervallen, waarin wij de gesproken woorden niet verstaan konden, zal ik door puntjes aangeven. Het eerste wat wij hoorden, was voor ons niet bepaald geruststellend.
"Ik zeg je, ik heb stellig 'n kleine roeiboot gezien..., ... is even in den schijn van het licht geweest... niet kunnen terugvinden."
Daarop bromde een andere mannestem een paar onverstaanbare woorden.
Drie dingen troffen mij in de aldus opgevangen woorden.
Vooreerst de inhoud ervan: klaarblijkelijk werd er over ons bootje gesproken en waren wij op een gegeven oogenblik wat te dicht genaderd. Ten tweede herinnerde de ruwe, schorre steem, waarmee gesproken werd, sterk aan die van onzen reisgenoot van den vorigen namiddag. Ten derde (en dit was wel de grootste verrassing!) werd het gesprek in het Engelsch gevoerd!
Opnieuw bromde de andere stem iets onverstaanbaars. .... geen geluk ditmaal" — hoorden wij daarop den eersten spreker zeggen. "Het weêr is nu beter, ... reis voortgezet."
En vervolgens, blijkbaar als antwoord op een opmerking, die voor ons wederom verloren was gegaan: "Het is nu te laat ..."
Op dit oogenblik zag ik tot mijn onsteltenis, dat er een opening in de wolken ontstaan was, waardoor men de sterren zien kon en waarvan de rand gedeeltelijk door maanlicht verzilverd was. De maan zelve was nog verborgen, maar kon elk oogenblik voor den dag komen, en dit zou voor ons een bijna onvermijdelijke ontdekking beteekenen.
Tezelfder tijd klonk het boven ons nu zeer duidelijk, omdat de spreker aan den rand van het rif getreden was: "Bovendien komt de maan door. Als er goed wacht aan boord gehouden wordt, zou men de periscoop kunnen ontdekken. Dat mogen wij er niet op wagen.
Wanneer . . .
De spreker, wiens gestalte ik nu flauw onderscheiden kon, hield plotseling op. Zijn gezicht was naar ons toegewend en, onbeweeglijk staande, staarde hij blijkbaar in onze richting.
"Wat is dat daar beneden ons?" - vroeg hij.
Als om hem antwoord te geven, kwam op dit oogenblik de maan vanachter de wolken te voorschijn.
Op 't zelfde oogenblik schoot de arm van de gestalte, die nu op den rand van het rif duidelijk voor ons waarneembaar was, in onze richting vooruit en klonk er een revolverschot.
Georgi Koloric, die nog steeds achterin ons bootie overeind stond, slaakte een kreet, wankelde en viel achterover in zee. Hij verdween onmiddellijk in de diepte. Dadelijk daarop spraken ook de revolvers van G.G.
en mij, en de man, die het eerst geschoten had, viel!
"Gauw, Willy! Stoot het bootje af en ga plat op den bodem liggen" — hoorde ik de gedempte stem van G. G. Ik zag mijn vriend met een paar stappen naar het achtereinde van de boot gaan en den roeiriem grijpen. Dadelijk stootte ik af en hij stuurde het bootje met den wind meê, naar het Noorden, zich daarbij voorzichtig naar het land richtende.
Maar wij kwamen niet ver!
Er vertoonden zich nu verscheidene gestalten op het rif, die tot dusverre voor ons verborgen geweest waren. Er klonken een paar geweerschoten en ons bootje, blijkbaar onder de waterlinie getroffen, begon te zinken.
Ik had een visioen van G. G., die door een hooge golf werd meêgesleurd, ik voelde den bodem van het vaartuigje onder mijn voeten wegzinken en het volgende oogenblik lag ik in het water.
De maan had tegenover ons verraad gepleegd!
Ik trachtte in de onstuimige zee mij door zwemmen boven water te houden. Een oogenblik voelde ik mijn hoop herleven. Maar toen werd ook ik door een geweldige golf meêgesleurd. Ik voelde een schok en een stekende pijn aan het hoofd. Toen verloor ik het bewustzijn: de zee had mij met het hoofd tegen een spitse klip geworpen...
* * *
Het licht van een lantaren scheen mij in de oogen. Aldus kwam ik tot de ontdekking, dat ik nog leefde, een ontdekking, die mij — hoewel ik een hevige pijn aan het hoofd voeide — niet weinig verheugde. De volgende ontdekking, die ik deed, was echter van minder aangenamen aard. Boven den lantaren zag ik het gezicht van den Graaf De Corriëntes!
"Wel zoo, Mr. Hendriks!" - zeide hij op quasi-welwillenden toon. "Voelt U zich wat beter?"
Hij had mij dus herkend, en geen wonder! Mijn "vermomming" was in het water achtergebieven!
Ik keek den man strak in het gezicht, maar was nog te zwak om iets te zeggen.
"Ja, ja!" — vervolgde de Graaf. "Ziedaar nu de gevolgen van Uw ongemotiveerde begeerte, U te bemoeien met dingen, die U volstrekt niet aangaan. Brave Hollanders behooren braaf in hun slaperig landje te blijven en niet 's nachts in roeibootjes aan de Dalmatische kust rond te zwerven."
Terwijl hij sprak, glinsterden zijn oogen als die van een roofdier. En ik voelde tegen dezen man een groote, maar — helaas! — machtelooze woede bij mij rijzen. Ik had nog niet de kracht om te spreken, maar de woede, die ik voelde, scheen er oorzaak van te zijn, dat ik onmiddellijk weër in het bezit van mijn geestvermogens was en zelfs snel en helder denken kon.
"En Uw vriend geniet, evenals U, van de gastvrijheid van Marmonte" - vervolgde de Graaf.
Mijn eerste gevoel was er een van verlichting, want ik had G.G.'s dood zeer waarschijnlijk geacht. Vermoedelijk was hij, evenals ik, door de mannen, die wij op het paarlenrif gezien hadden, gered van den dood door verdrinken, om daarna...
Verder dacht ik maar liever niet na!
Intusschen — ik heb zooeven gezegd, dat ik bizonder snel dacht op dat oogenblik — viel het mij in, dat ik voor de redding van mijn vriend alleen nog maar het woord van den Graaf had; en wat dit waard was, wist ik nu voldoende. Het zou voor dezen natuurlijk veel waard geweest zijn, zoo hij ook den detective in handen had gekregen, maar . . . was dit zoo?
Wanneer ik bedacht, hoe ik G. G. had zien meêsleuren door de golven in de richting van de kust, kon ik mij niet goed voorstellen, dat men hem gevangen genomen had. Wat mijzelven betreft, moest dit veel gemakkelijker geweest zijn, omdat ik in de onmiddellijke nabijheid van het rif bewusteloos was geraakt.
Ik antwoordde dus niet, ja trachtte zelfs niet te antwoorden.
"Het was toch Uw vriend, de detective, die met U in het bootje zat, niet waar...?" — vroeg de Graaf verder.
Door deze, in de gegeven omstandigheden zeer domme vraag had Graaf De Corriëntes zich blot gegeven. Zoo mijn vriend werkelijk gevangen was, had hij die vraag niet behoeven te doen: evengoed als mij zou hij hêm herkend hebben. Ik begreep, dat hij mij in den waan wilde brengen, dat ook G. G. in zijn macht was. Dit zou mij, naar hij meende, meer handelbaar maken.
Natuurlijk moest ik het voor hem verborgen houden, dat ik zijn toeleg doorgrondde. Dit kon ik het best doen door te blijven zwijgen.
"De spraak schijnt U nog steeds in den steek te laten" — hervatte hij, toen ik niet antwoordde. "Is U nog te moê om te spreken?"
Ik knikte: voor mij thans de beste uitweg!
"Uw vriend schijnt minder vermoeid" — ging hij voort. "Hij heeft mij reeds verteld, wat U hier met U beiden doen kwaamt. Zwijgen en geheimhouden zal U niet meer baten, Mr. Hendriks!"
Nu wist ik zeker, dat hij loog, om mij in den waan te brengen, dat ook de detective gevangen was, en dan diens quasi-bekentenissen tegen mij uit te spelen, teneinde het geheim van ons plotseling verschijnen te doorgronden en mij aan het spreken te krijgen.
Ik was dus dubbel voorzichtig.
Met de hand maakte ik een afwerend gebaar en wees daarbij op mijn hoofd.
"Nog wat dof, niet waar?" — vroeg hij op een toon, die bijna medelijdend klonk. "Misschien is het beter, dat ik U nog wat rusten laat, voordat ik U verder ondervraag."
lk knikte, want ik wenschte niets liever dan alleen gelaten te worden.
"Dan neem ik afscheid, Mr. Hendriks! Ik hoop U aan de lunch te zien. U hebt dan nog 'n uur of vijf om op Uw verhaal te komen."
Hij groette met een licht hoofdknikje, zette de lantaren op den grond en liet mij alleen.
Uit zijn laatste woorden maakte ik op, dat het ongeveer acht uur in den morgen zijn moest. Door twee nauwe spleten boven in den muur drong daglicht naar binnen. Mijn horloge was, tengevolge van mijn onvrijwillig bad, blijven stil staan.
Ik bevond mij in een met steenen geplaveid, klein, rond vertrek. De muren waren kaal en grauw-grijs. Het eenige meubel, dat aanwezig was, was de houten bank, waarop ik lag, en die vermoedelijk hierheen gebracht was te mijnen behoeve.
Dat ik deze attentie op prijs stelde, kan ik niet zeggen. Het steenen hok (want meer was het niet!) diende mij — mèt of zonder rustbank — als gevangenis!
Ik was het slachtoffer geworden van het verraad, dat de maan aan ons gepleegd had! Maar, hoezeer mijn eigen lot mij ook met bezorgdheid vervulde, nog véél ongeruster maakte ik mij over G. G. Leefde hij? Was hij omgekomen?... Dat hij gevangen was, nam ik geen oogenblik meer aan, en — vreemd! —, niettegenstaande mijn ongerustheid, kon ik mij er maar niet *in*denken, dat hij niet meer in leven zijn zou.
Hij leefde en . . . zou mij te hulp komen! Deze overtuiging droeg ik *in* mij . . .
# HOOFDSTUK XXII. Gevangenschap.
Er verliepen verscheidene uren; hoeveel het er waren kan ik niet nauwkeurig zeggen, daar — zooals ik reeds zeide — mijn horloge was blijven stilstaan.
Mijn gedachten waren gedurende dien tijd niet van de opgewektste! Maar — ik kan mij er geen rekenschap van geven waarom - ik blééf optimist!
Waarschijnlijk waren de muren van mijn gevangenis zeer dik. Althans er drongen geen geluiden naar binnen en de doodelijke stilte, die heerschte, drukte mij meer dan mijn vrees voor de gebeurtenissen, die thans te wachten stonden.
Het zal tegen den middag geweest zijn, toen mijn gevangenis geopend werd. Op den drempel verscheen een korte, tot aan de tanden gewapende kerel. Ik herkende hem onmiddellijk: het was dezelfde, die den vorigen avond in de gelagkamer van de herberg had zitten drinken.
Hij deed, alsof hij mij nooit gezien had; en het is ook best mogelijk, dat hij mij niet herkende, want de staat, waarin hij toen verkeerde, kon zeker niet bevorderlijk geweest zijn voor zijn vermogen om op te merken en het opgemerkte te onthouden!
Natuurlijk gaf ook ik met woord noch gebaar blijk van de omstandigheid, dat ik mij hem herinnerde.
"De Graaf laat U verzoeken, aan de lunch deel te nemen" — zeide deze bandiet-achtige kerel en... ook hij sprak Engelsch!
De situatie - hoe dreigend ook voor mij - kreeg door deze onverwachte uitnoodiging een humoristisch tintje! Hier was ik, met kleeren, grondig bedorven door het zeewater en in den loop van den nacht op mijn lijf gedroogd, een methode van behandeling, die niet heel geschikt is om er de correcte plooien in te houden! Een bloedige wond aan mijn achterhoofd, verwarde ongekamde haren, schoenen, waaruit elk model verdwenen was, en opengesprongen, vuile handen: dit alles vormde een zonderlinge illustratie bij de uitnoodiging: "De Graaf laat U verzoeken aan de lunch deel te nemen!" Ik begreep evenwel, dat, in de omstandigheden, waarin ik mij bevond, zulk een uitnoodiging een bevel was, en volgde den man, die mij haar had overgebracht, zonder een woord met hem te wisselen. Hij ging mij vóór, 'n steenen wenteltrap op; vervolgens door een vrij breede gang, die uitkwam op een zware, ijzeren deur. Deze opende hij met een grooten sleutel en nu bevonden wij ons in een soort van voorportaal, waarin banken langs de muren waren aangebracht. Vlak vóór ons had men het uitzicht op een langwerpigen binnenhof, waarop eenige grootendeels verwaarloosde planten en bloemen groeiden, en die omgeven was door een reeks van lage gebouwen. Ik begreep, dat zoowel de gevangenis, waarin men mij geworpen had, als het vóórportaal, waarin ik mij thans bevond, binnen den zwaren toren van Marmonte lag.
Opnieuw opende mijn geleider een op het vóórportaal uitkomende deur, en liet mij vóórgaan in een vertrek, dat als toiletkamer was ingericht. De bedoeling was blijkbaar, mij in de gelegenheid te stellen, mij — voorzooverre dat mogelijk was — eenigszins terug te brengen tot den vorm en de lichamelijke reinheid van den gemiddelden mensch!
De gewapende bandiet wees op de diverse voorwerpen tot verfraaijng van des menschen uiterlijk, die hier aanwezig waren, en zeide toen: "De Graaf verzoekt U, hiervan gebruik te maken. Ik zal buiten op U wachten!"
Voordat ik een vraag had kunnen stellen, was hij in het voorportaal getreden en sloot de deur achter zich.
In het volgende half-uur onderging mijn uiterlijk een verandering, die beslist een verbetering was. Wel bleven mijn kleëren door zeewater bedorven, wel deed de hoofdwond onverminderd pijn en veranderden mijn vormlooze laarzen niet in elegante lakschoenen, maar ik kreeg althans een eenigszins aannemelijk uiterlijk terug en verloor het karakter van vogelverschrikker, dat mij eenige uren lang gesierd had.
De kroon werd op dit werk gezet, doordat er een lange, magere man binnentrad, die — zonder een woord met mij te wisselen — mijn hoofd behandelde en verbond, hetgeen mij een niet geringe verlichting schonk.
Ik was nu zóóver met de verzorging van mijn uiterlijk gevorderd als ik — gegeven de mij ten dienste staande middelen — kans zag te komen. Toen ik de deur opende, vond ik mijn korte, Engelsch-sprekende geleider gereed staan. Het was duidelijk, dat hij, behalve als ceremoniemeester, ook als bewaker van mijn persoon optrad. Wel zelden is een gast — zooals ik bij deze gelegenheid — naar de ontvangkamer van zijn gastheer geleid met een zwaargewapende achter zich, die zich niet eens de moeite gaf te verbergen, dat hij 'n geladen revolver gereed hield.
Ik vond mijn gastheer — of eigenlijk mijn cipier! in een groot vertrek op de eerste verdieping van den toren. Door de smalle ramen had men het uitzicht op de zee. De kamer was ingericht als een rook-kamer en, toen ik binnenkwam, stond Graaf De Corriëntes op uit een diepen clubfauteuil, waarin hij gezeten had.
"Hoewel onze verhouding op dit oogenblik eenigszins gespannen is" — zeide hij met den schijn van kalme superioriteit, die ik reeds zoo dikwijls bij hem had opgemerkt, "wil ik toch niet het verwijt verdienen, dat ik tegenover 'n fatsoenlijk man de regelen van de gastvrijheid geschonden heb" — begon hij. "Ik dank U dus, dat U wel mijn gast wilt zijn, en ik zou U in overweging willen geven, de punten, die tusschen ons aanleiding gegeven hebben tot misverstand, tot na den maaltijd te laten rusten."
Ik boog. Hoewel ik, al buigende, van plan was overigens niet op de woorden van den Graaf in te gaan, wijzigde ik dit voornemen, zoodra ik de onbeschaamdspottende uitdrukking in zijn oogen zag.
"Ik ben dankbaar, dat mijn cipier tevens mijn gastheer zijn wil" — zeide ik op weinig zachtzinnigen toon.
Hij haalde de schouders op.
"Ook verwijten en hatelijkheden hebben na het dessert meer effect" — merkte hij koeltjes op. "In uw eigen belang zou ik U dus in overweging geven, ze te bewaren totdat wij in deze kamer onze mokka zullen drinken."
"Zooals U wilt" - zeide ik.
"Bovendien zullen wij niet alleen zijn" - vervolgde hij. "Ik verwacht nog een tweeden gast, die, naar ik meen, U niet geheel onbekend is."
Op dit oogenblik ging de deur open en binnen trad... onze reisgenoot van den vorigen namiddag, dien ik het laatst gezien had op het paarlenrif, toen hij den armen Georgi Koloric had neêrgeschoten. Hij droeg zijn rechterarm in een doek, waarschijnlijk het gevolg van onze revolverschoten.
Op dit oogenblik ging de deur open en binnen trad... onze reisgenoot... (Blz. 209).
De Graaf stelde ons in allen vorm aan elkander voor.
"Kapitein Shearer - Mr. Hendriks."
Ik dreef de comedie zóó ver, dat ik ook tegenover dezen man beleefd boog. Hij droeg nu een soort uniform, dat sterk herinnerde aan dat der Engelsche marineotticieren, maar geelbruin van kleur was.
"De kapitein is commandant van de Dalmatische vloot" - zeide de Graaf met een ernstig gezicht.
"Zeer interessant!" — zeide ik. "Het verwondert mij alleen, dat hij dan geen hooger titel voert. De commandant van de Zwitsersche vloot, met wien ik zeer intiem ben, is Admiraal."
Beide mannen lachten.
Toen schudde de Graaf met een meewarig gezicht het hoofd.
"Jammer!" - zeide hij.
"Wat is jammer...?" — informeerde ik belangstellend. "Dat zóóveel geestigheid een ontijdig einde zal moeten vinden."
Een half woord is voldoende voor een goed verstaander. En ik was een goed verstaander. Men zal mij, naar ik hoop, niet voor een slappeling houden, wanneer ik zeg, dat mij een koude rilling langs den rug voer.
Ik wist echter de vrees, die de onheilspellende woorden van den Graaf bij mij gewekt hadden, met blijkbaar succes te verbergen, en — zoekend rondziende — zeide ik, op 'n, naar ik hoopte, onbevangen toon:
"En mijn vriend, voor wien U eveneens de gastvrije poorten van Marmonte geopend hebt, zal ik hem niet te zien krijgen?"
"Er ligt een zeker verwijt in Uw toon" — zei Graaf De Corriëntes. "Wil bedenken, dat de gast niet het recht heeft den gastheer voor te schrijven, wien hij verder uit te noodigen heeft."
"Ik zou daaraan niet durven denken" — zeide ik. "Maar" (hier dreigde ik den Graaf quasi-schertsend met den vinger) "ik begin te gelooven, dat U mij iets op de mouw gespeld hebt: mijn vriend is niet op Marmonte!"
In de blauwe oogen van den Graaf vertoonde zich een eigenaardige schittering.
"Voor U maakt het in elk geval geen onderscheid" — zeide hij; en het is niet gemakkelijk, een denkbeeld te geven van de kwaadaardige scherpte, die in deze woorden lag.
Op dit oogenblik werd de deur van een zijvertrek geopend door denzelfden man, die mij zooeven uit mijn gevangenis verlost had. Hij had nu zijn wapenen afgelegd en gedroeg zich — voor zooverre hij dat met zijn uiterlijk doen kon — als een "butler" van goeden huize.
"De lunch is gereed" - zeide hij.
De Graaf stond op.
"Mag ik U voorgaan, heeren?" — vroeg hij met 'n beleefdheid, die — althans tegenover mij! — 'n bespotting was. En daarop voegde hij eraan toe: "Het is afgesproken, niet waar meneer Hendriks, dat wij aan tafel alle onaangename onderwerpen zullen laten rusten?"
Een antwoord wachtte hij niet af. Hij ging ons vóór in het kleine neven-vertrek, dat nauwelijks ruimte genoeg bood om de tafel, met de daarbij behoorende stoelen, en het kleine buffet te bevatten.
De maaltijd was — en dit verwonderde mij eigenlijk gezegd niet weinig — buitengewoon goed. Wij werden bediend door den ongunstig uitzienden kerel, die hem aangekondigd had, benevens door een jongen, slanken man, die antwoordde op den naam van Jimmy en alweêr 'n Engelschman scheen te zijn. Het geleek erop, alsof de Spaansche Graaf zich in het slot van zijn Dalmatische vrouw uitsluitend met Engelschen had omringdl Een allerzonderlingste omstandigheid, waarvan ik de verklaring vergeefs zocht!
Men zal mij misschien niet willen gelooven, wanneer ik zeg, dat het eten mij smaakte en dat ik mij — hoewel ik mij ten volle bewust was van het gevaar, waarin ik verkeerde — voor 't oogenblik van de zorgen, die mij drukten, als 't ware geestelijk bevrijd had.
Mijn mede-gast, die mij voorgesteld was als Kapitein Shearer, zweeg aan tafel in zeven talen. Maar tusschen Graaf De Corriëntes en mij ontstond een levendig gesprek over... den tachtigjarigen oorlog, waarvan hij zeer goed op de hoogte was, maar dien hij natuurlijk geheel beoordeelde en beschouwde uit het oogpunt van den Spanjaard. Hij beweerde, dat zijn geslacht nauw verwant was aan dat der Hertogen van Alva. De tegenwoordige hertog was een volle neef van hem en, mocht men hem gelooven, dan zou hij in het bezit zijn van vele oude documenten, die voor onze Archieven in Holland goud waard geweest zouden zijn.
"Het is jammer" — zeide hij, "dat de verhouding, waarin U en ik tegenover elkander zijn komen te staan, mij niet veroorlooft U enkele van die voor U interessante en leerzame stukken aan te bieden. U zoudt daaraan nu toch niets meer hebben!"
"Waarom niet?" - vroeg ik.
"Omdat U de gelegenheid niet meer gegeven zou zijn, er gebruik van te maken" — antwoordde hij op den meest gewonen conversatietoon.
Maar dit gezegde herinnerde mij opnieuw aan de groote waarschijnlijkheid, dat ik Marmonte niet levend meer verlaten zou. En in den loop van ons gesprek kwamen dergelijke delicate herinneringen van zijn kant meer voor.
Ik gaf mij er echter steeds den schijn van, alsof ik zijne toespelingen niet begreep, en liet er mij in elk geval niet door uit het veld slaan, in de vage hoop, dat dit den Graaflijken schurk ergeren zou. Daarvan echter ontdekte ik geen enkel symptoom: zóó hij zich ergerde, wist de man het op de meest grondige wijze te maskeeren.
Het was een zonderling verschijnsel, dat mijn moed scheen toe te nemen, naarmate de maaltijd vorderde. Ik kon mij wel niet goed voorstellen, wat de Graaf eigenlijk van mij wenschte, maar dat hij dit feest-eten aangericht had met een bepaald doel, moest ik wel aannemen, omdat er niet de minste reden bestaan kon, die hem tegenover mij zonder n bij-oogmerk tot zooveel beleefdheid kon gebracht hebben.
Bij het eerste glas wijn, dat mij werd aangeboden, vielen mij plotseing de drinkgelagen der Borgia's in, die — niet zoo héél ver hiervandaan! — zoo wonderwel wisten, hoe zij hinderlijke menschen uit den weg moesten ruimen. Maar Graaf De Corriëntes scheen mij een modern man, die zich niet zooveel moeite getroosten zou om mij te doen verdwijnen, waar hem daarvoor vele andere en misschien meer afdoende middelen ten dienste stonden. En blijkbaar had ik mij niet vergist: de wijn smaakte mij uitmuntend en ik ondervond er geen andere gevolgen van dan dat hij mijn denkvermogen scherpte en mijn stemming verbeterde.
Het was, blijkens de klok, die aan den muur hing, half-drie toen Graaf De Corriëntes ons verzocht. de koffie in de rook-kamer te gebruiken.
Weldra waren wij daar wederom gezeten in de gemakkelijke club-fauteuils en noch de koffie, noch de sigaren, die ons aangeboden werden, lieten iets te wenschen over. Wanneer ik rondkeek in deze niet onbehaaglijke omgeving, kon ik mij nauwelijks voorstellen, dat ik mij voortdurend in levensgevaar bevond en dat mij zelfs de mogelijkheid om mij te verdedigen ontnomen was. De lezer zal immers reeds begrepen hebben, dat, toen ik dien ochtend tot mijzelven was gekomen, mijn revolver ver te zoeken was geweest. "Het oogenblik is nu gekomen om U eenige vragen te stellen" — zeide de Graaf plotseling, mij daarmede tot de wreede werkelijkheid terugroepende.
Ik zeide niets, maar wachtte.
"Misschien valt het U tegen" — vervolgde de Graaf, "dat ik U, als vijand, niet heel ernstig neem. Uw vriend, de detective, lijkt mij in dat opzicht gevaarlijker. Hoe is hij ertoe gekomen naar Marmonte te reizen?"
"Ik ben maar gedeeltelijk in zijn vertrouwen" - antwoordde ik. "Vraagt U het hemzelven."
Mijn laatste woorden schenen hem nu toch te ergeren. Geen wonder! Niets had meer voor de hand gelegen, ware G. G. werkelijk in zijn macht geweest!
"Het gaat U volstrekt niet aan, wien ik ondervragen wil en wien niet!" - zeide hij boos, "U hebt mij te antwoorden en U van opmerkingen te onthouden!"
Hij sprak nu tot mij als de meerdere tot den mindere. En het werd mij duidelijk, dat hij mij tot dusverre zoo beleefd behandeld had, om mij ervoor te winnen iets omtrent den detective los te laten. Maar ik nam mij voor, omtrent dezen het meest volstrekte stilzwijgen te bewaren. Ik was ervan overtuigd, dat ik de eenige gevangene was. Dân echter was ik ook de eenige, die hem inlichten kon omtrent onze plotselinge komst, en had hij er belang bij, mij niet âl te gauw-den mond voor goed te snoeren!
"Ik herhaal, dat mijn vriend mij niet geheel in zijn vertrouwen genomen heeft" - zeide ik.
"Heeft hij dat te Londen ook niet gedaan?"
Ik schudde het hoofd.
En opeens voelde ik, hoe verstandig het van G.G. geweest was, dat hij één zijde van het vraagstuk voor mij verborgen gehouden had! Ik kon nu niet spreken over zekere zaken, die ik niettemin voelde, dat wel hoogst belangrijk zijn moesten. Misschien was het den Graaf juist om die zaken te doen. En in dat geval...
Een oogenblik dacht ik aan de "scherpe ondervraging", mij uit de crimineele geschiedenis zoo wel bekend. Graaf De Corriëntes was er vermoedelijk niets te goed voor om zulke middelen aan te wenden. Maar... ik zou niet méér kunnen zeggen dan ik wist...
"Meneer Hendriks!" — zeide de Graaf, opstaande en op dreigenden toon sprekende. "U geeft 'n onwaardig antwoord op de voorkomendheid, die ik U — niettegenstaande de valsche positie, waarin U zich bevindt — getoond heb."
Ik was nu ook opgerezen.
"Die voorkomendheid bestaat daarin, dat U mij onwettig van mijn vrijheid berooft" — antwoordde ik. "Wat eten en drinken kan dat niet goed maken. U stelt Uzelven buiten de Wet!"
# HOOFDSTUK XXIII Onverwachte gebeurtenissen.
Terwijl wij aldus dreigend tegenover elkander stonden, werd er plotseling op de deur geklopt.
Met een ongeduldig gebaar trad de Graaf op deze toe en opende haar. Op den drempel verscheen de man, die mij hierheen geleid had, thans weêr tot aan de tanden gewapend. Hij hield een brief in de hand, dien hij den Graaf overhandigde.
"Had dat niet wat kunnen wachten?" - snauwde deze hem toe.
"De brief werd door een kleinen jongen gebracht, die zeide, dat er groote haast bij was." "Waar is die jongen?" "Terug naar het dorp!"
De Graaf sloeg met zijn vuist op de tafel, zoodat de daarop staande kopjes rinkelden.
"Zullen jelui nooit verstandig worden?" — schreeuwde hij. Hij wees op de deur, waardoor de bode met eenige haast verdween.
Toen opende hij den brief.
Ik zag een eigenaardigen glimlach op zijn gezicht verschijnen. Daarop trokken zich zijn pupillen samen, als die van 'n kat, die in het licht ziet.
"Zoo iets verwachtte ik!" - zeide hij; en toen - mij aanziende -: "Maar helpen zal het U niet! Lees!"
Tot mijn verbazing stelde hij mij het zooeven ontvangen schrijven ter hand.
Ik las het volgende in het handschrift van G. G. — en ik had het van vreugde wel kunnen uitschreeuwen bij dit bewijs van zijn in-leven-zijn —:
"Aan Graaf De Corriëntes wordt te kennen gegeven, "dat hij Mr. Hendriks onmiddellijk in vrijheid heeft te "stellen. Dit is het eenige middel, dat tot verzachting "van zijn straf leiden kan."
"'n Anoniem dreigement!" — smaalde de Graaf. "Uw vrienden bewijzen U geen dienst, Mr. Hendriks!"
"In elk geval zie ik, dat ik gelijk had, toen ik aan het gevangennemen van mijn vriend niet geloofde" — zeide ik. "Misschien vat U de waarschuwing wat ernstiger op, wanneer ik U zeg, dat dit briefje door den detective Geoffrey Gill geschreven is.
Hij barstte in lachen uit.
"En daarmede denkt U beiden mij te imponeeren?" — zeide hij. "Uw beroemde Geoffrey Gill is hier volkomen machteloos. Hij kan niets tegen mij ondernemen, omdat hij in dit land alleen staat."
"Ik zou U aanraden voorzichtig te zijn, Graaf!" — zeide ik.
Opnieuw lachte hij.
"Zeker zal ik voorzichtig zijn, Mr. Hendriks. Tot nader orde wordt U weêr opgesloten in den kelder, waaruit ik U hierheen deed komen, omdat ik meende met 'n verstandig man te doen te hebben. U kunt er U vast op voorbereiden, dat — zoodra ik U er wéér uithalen laat — het oogenblik voor U gekomen is om afscheid te nemen van dit tranendal. Al weet U dan misschien niet alles, U weet te veel!"
"En mijn vriend...?"
"Die zal Dalmatië evenmin levend verlaten!"
De woorden hadden zeer gedecideerd geklonken, maar zij moesten niets dan grootspraak zijn. Misschien was ook de onverzoenlijke houding, die hij aannam, niets dan 'n groote "bluff", om mij murw te maken. Ik kon nog maar niet aannemen, dat hij de overhand over ons behouden zou...
Graaf De Corriëntes klapte drie keer in de handen. Er ontstond daarop een korte stilte: wij wachtten! In die stilte klonk er heel in de verte en nauw hoorbaar, lang gerekt, dof en toch doordringend geluid.
Wat kon dat zijn ...?
Ik wist het zoo gauw niet thuis te brengen, maar aan het gezicht van den Graaf kon ik zien, dat hij den oorsprong begreep en zich daarover eenigszins ongerust maakte. Hij trad aan het venster en deed zijn blikken over de zee dwalen.
En toen, opeens, begreep ik wat ik gehoord had. Het was de zware, diepe sirene van een groot zeeschip.
Juist toen de Graaf opnieuw — en nu zeer ongeduldig — in de handen klapte, klonk de schel van de huistelefoon. Hij luisterde een oogenblik opmerkzaam, met den hoorn aan het oor, en ik zag, dat zich diepe rimpels op zijn voorhoofd legden.
"Misschien interesseert U, wat ik zooeven gehoord heb" — zeide hij. "Een Oostenrijksche kruiser heeft de haven van Fiume verlaten en houdt regelrecht op Marmonte aan."
"Het werk van G. G.!" — klonk het in mijn binnenste. Maar ik zeide niets. Alleen blikte ook ik nu uit het venster en zag, vêr weg, een kolom rook en een grijzen romp met twee korte, dikke schoorsteenen erop.
"Dit brengt verandering in mijn plannen" — zei de Graaf, nu sprekend zonder eenige opwinding, maar op kouden, gedecideerden toon. "Ik heb voor U een geschikter verblijfplaats dan de steenen kamer onderin dezen toren. Zoolang ik niet weet, wat die oorlogsbodem doen zal, zal ik U in die andere verblijfplaats in veiligheid brengen. Zoodra ik Uw gezelschap overbodig vind, kan ik U daar ook beter doen verdwijnen dan hier op Marmonte."
Opnieuw had hij gesproken, alsof het een zeer gewone zaak gold!
Intusschen was de man, dien ik meer en meer begon te beschouwen als speciaal belast met de bewaking van mijn persoon, in de kamer verschenen. De Graaf beval hem, mij van dit oogenblik af niet meer uit het oog te verliezen, en voegde daaraan nog enkele woorden toe in de mij onbekende taal. Daarop wendde hij zich tot Kapitein Shearer, die getuige van ons niet zeer vriendschappelijk onderhoud geweest was, maar ook daarbij het meest volstrekte stilzwijgen had bewaard.
"Maakt U onmiddellijk alles in orde voor de ontvangst van den kruiser en van Mr. Hendriks, onzen waarden gast" — zeide hij. "Zoodra de sloep onder weg is, zal onze gast met zijn geleider volgen. U begrijpt mij ...?"
"Volkomen!"
De kapitein maakte een buiging en verdween.
"Ook mij zult U wel excuseeren!" — vervolgde de Graaf, zich nu tot mij richtende. "Ik laat U achter in goed gezelschap!"
En hij wees op den zwaar-gewapenden kerel, wien hij bevolen had, mij in het oog te houden. Daarop maakte ook hij een quasi-beleefde buiging, die door mij evenzoo beantwoord werd, en verliet het vertrek,
Ik nam weer plaats in den club-fauteuil, waaruit ik was opgestaan, en deed mijn best, zoo onverschillig mogelijk te kijken. Mijn bewaker stond bij de deur.
"Ik had nauwelijks durven hopen, dat ik Marmonte nog verlaten zou" — zei ik, in de hoop een gesprek met den man te kunnen aanknoopen en hem misschien aan het spreken te krijgen over wat er nu met mij gebeuren zou.
"Zoo!" - antwoordde hij.
"Moet ik alles wat hier gebeurt, ernstig opvatten?" — vroeg ik verder.
"Ja!"
"t Heeft anders veel van 'n kluchtspel" - hernam ik op een toon, alsof ik meende, wat ik zeide.
De man opende den mond en . . . sloot dien weder! "Véél begrijp ik er niet van" — constateerde ik. Zwijgen . . .!
Toen gaf ik het op.
Naar buiten ziende, ontdekte ik, dat de kruiser iets naderbij gekomen was. Inderdaad scheen hij op Marmonte aan te houden. Er was natuurlijk geen kwestie van, dat hij de kleine haven zou kunnen binnen varen. Als het zijn bedoeling was om manschappen aan wal te zetten, zou hij één of meer sloepen moeten neërlaten.
Behalve den kruiser, zag ik echter nog iets anders. Juist op het oogenblik, waarop ik van het raam terug wilde treden, roeide een groote sloep, van Marmonte komende, naar den ingang van de haven. Er zaten ongeveer tien personen in en ik herkende duidelijk den Graaf en Kapitein Shearer.
Mijn bewaker, die met mij aan het venster getreden was, had deze sloep eveneens opgemerkt.
"Nu is het onze tijd!" - zeide hij.
Daarop leede hij mij de hand op den schouder.
"U hebt mij te volgen!" - zeide hij. "En geen tegenstand! Ik heb mijn instructies!"
De laatste woorden had hij uitgesproken op een toon, die niet den minsten twijfel aan den aard dier instructies liet.
Ikzelf was ongewapend! Wat had ik anders kunnen doen dan mij onderwerpen . . .?
Door eenige gangen en langs eenige trappen werd ik geleid naar een lage deur, die uitkwam op de rotsen tusschen den toren en de haven. Eenige in die rotsen gehouwen treden voerden ons naar den rand van het water, waar een klein bootje gereed lag. In den roeierstuurman, die achterin dit bootje overeind stond, herkende ik Jimmy, den jongen man, die aan tafel mede bediend had.
Nu gebeurde er iets, waarop ik niet gerekend had. Mijn bewaker gaf mij te kennen, dat ik mij moest laten blinddoeken. Een blik naar den uitgang van de kleine haven had mij reeds getoond, dat de sloep dezen gepasseerd was en onmiddellijk rechtsom op het uiteinde van het paarlenrif aanhield. Verder kwam ik niet in mijn observaties, omdat mij den blinddoek werd aangelegd, hetgeen ik mij, helaas, zonder tegenstribbelen moest laten welgevallen.
Dadelijk daarop bemerkte ik, dat wij van wal staken. „ Volgen wij de sloep?" - vroeg ik.
En: "ja" - antwoordde mijn bewaker, die steeds even karig in zijn woorden bleef.
"Waarom" — aldus vroeg ik mij af, "heeft men mij niet meteen in de sloep vervoerd, als wij deze tóch volgen moeten?"
Ik kon op deze vraag maar één antwoord vinden: Gelijk de Graaf verhinderd had, dat ik op dezen tocht zien zou, had hij ook willen verhinderen, dat ik zou hooren! De vele mannen in de sloep zouden zeker niet zwijgen, gelijk mijn beide (vermoedelijk op bevel) zwijgende metgezellen. En misschien zou ik uit hun gesprekken dingen hebben kunnen opmaken, die voor mij verborgen moesten blijven.
Ook stelde ik mij de vraag, of de sloep en ons bootje, bij het verlaten van de haven, door de bemanning van den Oostenrijkschen kruiser niet opgemerkt zouden worden. Maar ook hierop was het antwoord gemakkelijk te geven. Het zou niet moeielijk zijn, vooral nu de kruiser zich nog op vrij grooten afstand bevond, de kleine vaartuigjes voor hem verborgen te houden, zoo men zich althans langs de kust hield en ervoor zorgde, zooveel mogelijk door de talrijke boven het water uitstekende riffen gedekt te blijven. Van de landzijde uit zou men ons veel gemakkelijker hebben kunnen waarnemen. Maar hier was geen levend wezen te zien en scheen alles uitgestorven. Althans was dat het geval geweest tot op het oogenblik, waarop de blinddoek mij het uitzicht benam.
De vaart duurde betrekkelijk kort. Ik herinnerde mij, dat de wind nog steeds uit het Zuiden kwam, zoodat het mij niet moeielijk viel te bemerken, dat wij eerst Westwaarts voeren — vermoedelijk naar den uitgang van de haven —, en daarop naar het Noorden toe ombogen, gelijk trouwens de vóór ons varende sloep ook gedaan had.
Kort daarop gevoelde ik, dat wij naar het Oosten toe ombogen, want de wind kwam nu van rechts. Die wind was echter zwak en soms nauwelijks te bespeuren. Daaruit maakte ik op, dat wij in Oostelijke richting langs een vrij hoog rif voeren, waarvan ik de branding trouwens hooren kon: vermoedelijk langs het paarlenrif. Na eenigen tijd hoorde ik 'n vrij sterke branding vóor ons. Duidelijk voelde ik, dat er met ons bootje in verschillende richtingen gemanoeuvreerd werd, en toen — opeens — schenen wij in volkomen stil vaarwater gekomen te zijn. Er was niet de minste schommeling van ons bootje meer te bemerken en de branding klonk achter ons!
Ik hoorde verschillende mannenstemmen, die elkander toeriepen... in het Engelsch! En toen werd mij de blinddoek van de oogen genomen.
Wij lagen in een langwerpige, vrij ruime grot. Aan den achterkant, op zij van en boven ons, was deze als uitgehouwen in de grauwe rots. De voorzijde was open, maar moest, van de open zee af, niet te zien zijn, omdat vlak ervóor tamelijk hooge rotsgevaarten uit de zee oprezen, die den ingang volkomen onzichtbaar maakten. Later heb ik kunnen constateeren dat men zelfs in de onmiddellijke nabijheid het bestaan van deze grot niet ontdekken kon.
Maar niet de grot zelve was het, die mijn aandacht het meest in beslag nam. In het midden, half verzonken in het blauwe water, lag een lang, smal vaartuig, waarop zich de mannen bevonden, die zooeven door de sloep waren aangebracht. Althans ik zag den Graaf De Corriëntes in hun midden. Kapitein Shearer scheen hier het bevel te voeren. De Graaf had zijn aandacht in de eerste plaats op mij en ons bootje gevestigd.
Ik wreef mij de oogen uit. In het blauwachtige, maar toch heldere licht, dat in de grot heerschte, had wat ik zag, iets van een hallucinatie.
Het vaartuig toch, dat vóór mij lag, was een oorlogsbodem; en — hoewel ik op marine-gebied volslagen leek ben — kon ik toch wel zóóveel zien, dat het een groote duikboot was!
Hoe kwam die hier ...?
En wat stelde Graaf De Corriëntes zich voor, ermede te bereiken ...?
Ons bootje lag thans vlak tegen den duikboot aan en, op aanwijzing van mijn bewaker, steeg ik aan boord.
De Graaf trad dadelijk op mij toe.
"U ziet, Mr. Hendriks" — aldus begon hij, "dat wij beter toegerust zijn dan men, oppervlakkig gezien, zou aannemen. U zult vermoedelijk wel begrijpen, dat U zich aan boord van een duikboot bevindt...?"
Ik knikte zwijgend.
De Graaf keek mij onderzoekend aan en wees naar den ingang van de grot. "De kruiser, die de Oostenrijksche Regeering zoo vriendelijk is geweest naar Marmonte te zenden" — zeide hij, "kan ons hier niet vinden. Wij zijn dus zoo veilig als men veilig zijn kan. Maar, van onzen kant, hopen wij de Monarchie 'n lesje te geven."
"Hoe bedoelt U dat?" — vroeg ik, want ik vergat het gevaar, waarin ik leefde, bijna geheel tengevolge van wat mijn inquisitieve geest hier te bestudeeren kreeg.
"Mijn bedoeling is toch nog al duidelijk, niet waar?"—
zeide hij, terwijl hij dood-bedaard een sigaret op stak,
hetgeen bij de hier heerschende windstilte even gemakkelijk was als binnen de vier muren eener woning. "Een
duikboot, die in prima-toestand verkeert en tot den
aanval gereed is; een kruiser, die zich verbeeldt den
toestand te beheerschen, maar geen flauw vermoeden
heeft van de nabijheid van den duikboot. Trek zelf Uw
conclusie, Mr. Hendriks!"
"U zoudt dit Oostenrijksche oorlogsschip dus willen aanvallen ...?'
"U behoeft niet in den vragenden vorm te spreken. Dat is de juiste conclusie. Wanneer U dan verder nog wat nadenkt, Mr. Hendriks, zult U tot een tweede juiste conclusie komen, en wel tot deze: dat Uw tegenwoordigheid te dezer plaatse ons in de treurige noodzakelijkheid brengt, U thans spoedig elders heen te zenden."
"Waarheen?" - vroeg ik.
De man klopte de asch van zijn sigaret af en zeide toen op zijn vriendelijksten toon:
"Naar den bodem van de zee! Waarschijnlijk zullen de torpedobuizen te smal blijken om Uw vrij massief lichaam dóór te laten. Dan moet het maar in tweeën, Mr. Hendriks! Het zal U misschien gerust stellen, te vernemen, dat wij er in elk geval voor zorgen zullen, dat U daarbeneden ongestoord zult kunnen rusten; wij zullen voor zóó zware belasting zorgen, dat U niet meer aan de oppervlakte zult behoeven te komen."
# HOOFDSTUK XXIV De crisis.
Terwijl ik nog, met groote oogen en als in een droom, den man stond aan te kijken, die mij aldus met de grootste kalmte medegedeeld had, dat hij mij in koelen bloede op de afschuwelijkste wijze vermoorden wilde, bereikte ons het geluid van een kanonschot, dat buiten over de wateren der zee rolde.
"De kruiser verspilt 'n beetje los kruit" — zeide de Graaf. "Wij hebben zoo'n grooten voorraad niet en zijn dus zuiniger. Voor ons is nu het oogenblik van handelen gekomen." En daarop, het gesprek plotseling weder wendende in de richting van mijn eigen persoon, voegde hij eraan toe: "Het spijt mij, dat de wijze, waarop ik mij van Uw gezelschap ontdoen moet, wat buitengewoon is. Ik ben anders geen vriend van zulke excentriciteiten. Maar boven alles gaat de noodzakelijkheid om U spoorloos te doen verdwijnen. Daartoe zie ik, onder de bestaande omstandigheden, geen ander middel!"
Opnieuw had hij met de grootste bedaardheid en zonder eenigen hartstocht gesproken.
Op dit oogenblik kwam er een man aanloopen, die blijkbaar aan den ingang van de grot op uitkijk gestaan had. Eigenlijk is het verkeerd hier van "loopen" te spreken. Hij sprong, als 'n berggeit, van klip tot klip.
"Zij zijn bezig een sloep uit te zetten" - riep hij Kapitein Shearer toe.
"Die sloep mag het land niet bereiken, Kapitein!" zeide de Graaf, terwijl hij zijn sigaret in zee wierp. "Alle hends naar beneden!" — schreeuwde de Kapitein.
Op hetzelfde oogenblik voelde ik mij van achteren aangepakt en drong men mij naar het luik, waardoor de bemanning in het binnenste van de duikboot verdween.
De lezer zal gezien hebben, dat ik tot op dit oogenblik, niettegenstaande de vrees, die ik koesterde, mijn uiterlijke kalmte maar zelden verloren had. Nu echter was het, alsof er iets in mijn hoofd knapte en het bewustzijn van mijn hachlijken toestand mij plotseling op de ziel viel. Wat ik nu deed was niet het gevolg van een plan, dat ik vooruit gemaakt had; in handelde geheel instinctmatig en onder den indruk van de overtuiging, dat ik, zoo ik door dat luik naar beneden dalen zou, het daglicht nooit terug zou zien.
Met een ruk draaide ik mij om en de man, die mij beet gepakt had en die geen tegenstand verwachtte, omdat ik mij tot dusverre aan alles had onderworpen, werd daardoor volkomen verrast. Ik sloeg hem met de vuist vol in het gezicht en hij viel achterover in zee. Onmiddelijk daarop zag ik Kapitein Shearer op mij aanstormen met in de linkerhand 'n revolver, die hij op mij richtte. Mij herinnerend een les, die G. G. mij indertijd gegeven had, bukte ik mij snel en bracht hem met mijn hoofd een hevigen stomp toe in de maagstreek. Het schot ging in de lucht af en de revolver vloog, dadelijk daarop, met een groote boog in zee. De Kapitein zelf lag op den grond te spartelen en hijgde naar adem. De stomp op zijn maag moest geweldig zijn aangekomen. Mijn vrienden hebben mij trouwens wel meer gezegd dat ik 'n harden kop heb!
Ik sloeg hem met de vuist vol in het gezicht en hij viel achterover in zee (blz. 227).
Toen het revolver-schot gevallen was, kwamen de mannen, die reeds naar beneden verdwenen waren, weër naar boven gestormd. Men wierp zich van alle kanten op mij.
"Voorzichtig, jongens! Ga wat op zij!" — klonk op dit oogenblik de stem van Graaf De Corriëntes. "Nu hij zóó begint, is het zaak hem zoo spoedig mogelijk af te maken, vóórdat hij ons nog langer ophoudt."
Hij trok zijn revolver en riep nog eens: "Op zij!", waarop de mannen, die mij aangevallen hadden uitéenweken.
Aller aandacht was thans, zooals van zelf spreekt, op mij gevestigd en ik hield den Graaf in het oog, die langzaam zijn revolver ophief.
En toen gebeurde er iets zóó onverwachts, dat het mij bijna buiten gevecht gesteld had, maar ditmaal ten gevolge van de plotselinge vreugde.
Een geweersalvo donderde door de grot, honderdvoudig weêrkaatst door de natte wanden. Plotseling waren er drie kleine booten aan den ingang verschenen. Zij roeiden snel op de duikboot aan en in de voorste herkende ik, behalve G. G., onze Dalmatische vrienden Milan
Siveric, met zijn zoon Peter, en ook Georgi Koloric, dien ik het laatst gezien had, toen hij — naar ik meende doodelijk getroffen — bij het paarlenrif achterover in zee gevallen was.
Er waren in de drie bootjes zeker 'n man of twintig; een groote overmacht dus, vergeleken met de bemanning van de duikboot. Behalve G. G. waren zij allen gekleed in de dracht van de bergbewoners en droegen hun lange geweren, die in hunne handen doodelijke wapenen zijn.
Door de eerste schoten, die gevallen waren, waren eenige van mijn vijanden getroffen. Eén hunner bleek later zelfs onmiddellijk gedood te zijn! De Graaf had een schot gekegen in den arm, toen hij dezen — met de revolver in de hand — had opgeheven. Het wapen was hem ontglipt en lag op het dek van de duikboot.
Op dit oogenblik zag ik, dat twee mannen (de eene was mijn gewezen bewaker) op het luik toeslopen.
Aanstonds schoot het mij door het hoofd, dat zij waarschijnlijk van plan waren, daar beneden het zink-apparaat van de duikboot in werking te stellen. Dat mocht in geen geval gebeuren.
Ik bukte mij naar de revolver van den Graaf en het gelukte mij door een snellen greep deze in handen te krijgen. Vervolgens vloog ik in de richting van het luik en bereikte dit tegelijk met de twee mannen.
"Terug!" — schreeuwde ik hun toe. "Niemand gaat naar beneden!"
"Dat zullen wij eens zien!" — smaalde mijn vroegere bewaker en schoot zijn revolver à-boût-portant op mij af. Een snelle zijsprong redde mij van den dood: ik kwam er van àf met een schampschot aan den bovenarm. Tweemaal klonk daarop mijn revolver. De beide mannen vielen en lagen onbeweeglijk. Later bleek, dat zij ernstig gewond waren, beiden in het onderlichaam. Ik had hen in de beenen willen schieten, maar had te hoog gemikt.
Toen zij stil lagen, sloot ik met eenige moeite het luik. Uit de omstandigheid, dat mij tot al deze krijgsbedrijven gelegenheid geboden werd, zal de lezer reeds kunnen opmaken, dat de opmerkzaamheid van de bemanning van de duikboot thans geheel in beslag genomen werd door de plotselinge aanvallers.
Van de duikboot uit waren eenige revolverschoten gelost, maar daarbij was het gebleven, want de geweren der aanvallers hielden de aangevallenen totaal in bedwang.
"Wie thans nog een beweging maakt, wordt neërgeschoten" — klonk de stem van den detective. "Beschouw dit niet als een ijdel dreigement, want ge zoudt tot Uw schade ondervinden, dat het ons ernst is."
Niettegenstaande deze waarschuwing, richtte een van de zich op de duikboot bevindende mannen, met een bliksemsnelle beweging, zijn revolver op G. G. Maar nog voordat hij haar had kunnen afschieten klonk een schot uit een van de booten en de man maakte een luchtsprong en stortte met uitgespreide armen voorover, zoodat hij met zijn gezicht op het dek van de duikboot sloeg. „Nog iemand?" — vroeg G. G. met de uiterste kalmte. Er werd niet meer geantwoord, noch met het woord, noch met de daad ...
Allen stonden onbeweeglijk. Ook de Graaf waagde het niet in verzet te komen tegen deze sterke overmacht, die de geweren gereed hield.
"De revolvers vallen laten!" - commandeerde nu G. G. en aan dit bevel werd voldaan.
"U is met tien man" — klonk wederom de stem van den detective. "Tel ik Mr. Hendriks en den Graaf erbij, dan kom ik tot twaalf. In elk van onze drie sloepen zullen wij dus vier man opnemen. Achtereenvolgens zullen zij zóódanig bij de duikboot aanleggen, dat de vier man zich telkens gemakkelijk kunnen inschepen. In de laatste boot — de mijne — zullen Mr. Hendriks en de Graaf met twee anderen plaats nemen. U hebt, behalve den Graaf, nog eenige gewonden: ik hoop tenminste, dat ze niet dood zijn! Die komen in onze eerste sloep. Denkt eraan, dat de geweren van mijn mannen paraat blijven: dit ter waarschuwing van wien het mocht aangaan."
Alles geschiedde nauwkeurig naar het voorschrift van den detective. Kapitein Shearer, nog steeds naar adem snakkende, werd mede in de eerste boot opgenomen, alsook de man, die in het water gevallen was, maar die na eenigen tijd weer boven water was gekomen en zich aan den rand van de duikboot trachtte vast te klemmen. Allen werden onmiddellijk gebonden, voorzooverre hun toestand dit toeliet.
Hetzelfde lot trof de mannen, die in de tweede boot werden opgenomen. In de derde - die, waarin G.G. zich bevond - vonden de Graaf en ik, benevens nog twee man, plaats, van welke de eene Jimmy was, de jongeman, die mij hierheen geroeid had. Toen ik aan boord van het kleine vaartuigje kwam, drukte G. G. mij de hand, alsof hij die tot moes wilde knijpen; en ik zag - iets dat ik zoo goed als nooit bij hem gezien heb dat er tranen in zijn oogen stonden. Hij sprak geen enkel woord en ik evenmin; het was een stille begroeting, hoewel onze harten vol waren.
Ook de twee mannen, die met den Graaf en mij in G. G.'s boot kwamen, werden gebonden, nadat hun -gelijk ook den anderen — alle wapenen afgenomen
De Graaf bleef, wat het binden betrof, verschoond: zijn rechterarm hing hem slap langs het lijf en hij zag zeer bleek. Vermoedelijk leed hij hevige pijnen en hij was zeker niet in staat, ernstig weerstand te bieden. G. G. hespaarde hem dus de touwen.
Op de duikboot werden enkele mannen, ter bewaking, achtergelaten. Zij zouden later op den dag afgelost worden door een bemanning, die met onderzeeërs wist om te gaan.
Wanneer ik nu nog zeg, dat Georgi Koloric zich in de eerste boot bevond; dat de tweede gecommandeerd werd door Milan Siveric en de derde door diens zoon Peter (G. G., de commandant van de geheele expeditie, bevond zich mede in deze derde — onze — boot), dan is de lezer behoorlijk op de hoogte van de wijze, waarop wij de grot verlieten, waar zonder twijfel mijn leven grooter gevaar had geloopen dan ooit te voren.
Georgi Koloric vond den weg naar de zee betrekkelijk gemakkelijk. Merkwaardig is het, dat deze man, die zooals hij meende - de kust beter en nauwkeuriger kende dan wie ook, volkomen onbekend was geweest met het bestaan van de grot, waarin wij de duikboot gevonden hadden. Deze grot lag zóódanig verborgen achter riffen en rotsen, dat zij aan niemand bekend was, behalve aan de tegenwoordige bewoners van Marmonte. En ook deze zouden daarmede onbekend gebleven zijn, zoo niet de Graaf het bestaan ervan vernomen had van zijne vrouw, in wier familie dit geheim zorgvuldig bewaard was. In vroeger jaren had deze grot herhaaldelijk gediend tot schuilplaats bij den aanval van zeeroovers; en het was zeker merkwaardig, dat zij thans den modernen piraten zelven tot schuilplaats gediend had. Want dat wij tegenover een in onzen tijd zeldzaam geval van zeerooverij stonden, viel niet langer te betwijfelen. Door nauwe, rotsige en kronkelende zeeëngten, waaruit het dikwijls onmogelijk scheen een uitweg te vinden, ging de eerste boot, bestuurd door Georgi Koloric, ons voor, totdat wij plotseling de zee vóór ons zagen. Wij kwamen uit op de plaats, waar het paarlenrif het vaste land verliet en wel ten Noorden van dat rif. En toen wij langs de Noordzijde ervan Westwaarts voeren naar het uiteinde, waar wij "het derde licht" gezien hadden, kwamen wij tot de ontdekking, dat de sloep van het oorlogsschip daar juist geland was en dat de bemanning daarvan nauwkeurig de plaats onderzocht, waar het verraderlijke licht zich had laten zien.
De commandant van de sloep, een knappe, jonge Luitenant ter zee, nam de gevangenen onmiddellijk van ons over.
De Graaf had in ons bootje geen woord gesproken. Nu men hem echter aan de Oostenrijksche militairen had uitgeleverd, protesteerde hij daartegen met energie.
"Ik teeken verzet aan en als Grande van Spanje en als Officier van de Spaansche Vloot" — zeide hij.
"Geen van die beide hoedanigheden zal U in deze zaak veel helpen" - antwoordde de Luitenant.
Daarop verzocht de Graaf enkele woorden met G. G. te mogen wisselen.
"Señor Gill!" — zeide hij met gedempte stem, zoodat alleen de aangesprokene en ik, die vlak naast dezen stond, hem verstaan konden. "Ik moet U voorzichtigheid aanbevelen. De zaak, waarin U zoo ruw heeft ingegrepen, is uiterst delicaat en de Engelsche Admiraliteit is daarbij betrokken. U kunt U daarvan overtuigen door aan Sir Percival Kewes te telegrafeeren en hem om raad te vragen. Zijn antwoord zal U stellig bewijzen, dat U op den verkeerden weg is."
De detective keek hem recht in de oogen en de woorden, die hij nu sprak, bevatten voor mij een onthulling, die geheel onverwacht kwam.
"Graaf De Corriëntes!" — zeide hij. "Er is reeds naar Londen getelegrafeerd, doch niet áán, maar óver Sir Percival Kewes."
Daarop haalde G. G. zijn horloge voor den dag en wierp een blik daarop.
"Op dit oogenblik bevindt Sir Percival zich reeds in hechtenis" — zeide hij. "Ik geloof, dat verdere explicatiën tegenover U overbodig zijn."
En hij keerde den gevangene den rug toe.
* * *
Het slot Marmonte was door marine-troepen bezet. Men vond er nog drie man, die er als wachters achtergelaten waren, en verder een groote menigte goederen en kostbaarheden, afkomstig van verongelukte schepen en verdwenen passagiers.
G. G. en ik, de Oostenrijksche Luitenant, Milan Siveric en diens zoon (onze trouwe vriend Georgi Koloric was bescheidenlijk verdwenen!) zaten in de rookkamer, waarin dienzelfden middag Graaf De Corriëntes mij ontvangen had. Deze en zijn bende bevonden zich aan boord van het oorlogsschip "Kaiser Franz," dat op eenigen afstand in zee voor anker lag. Mijn arm was door Peter handig verbonden.
Het spreekt vanzelf, dat ik hunkerde naar explicatiën. Maar G. G. was voorloopig alleen nog maar van zins, mij meë te deelen, hoe hij erin geslaagd was, mij zoo juist bijtijds uit de handen van den Graaf te bevrijden.
Hij was — zooals ik vermoed had — door de hooge golven over eenige lage riffen hééngeslagen en, evenals enkele oogenblikken vroeger Georgi Koloric, op de kust geworpen. De laatste was zelfs niet gewond, maar had zich — wetende dat hij ons, zoo hij zijn vrijheid behield, beter dienen kon dan als gevangene, eenvoudig in zee laten vallen. Die twee vonden elkander onmiddellijk. Koloric trok toen naar de bergen om Siveric en diens zoon, die reeds vroeger daarheen vertrokken waren om hulp te halen, zoo wij die noodig mochten hebben, tot spoed aan te zetten. Hij ontmoette ze onderweg met een twintigtal goed-gewapende bergbewoners en keerde met hen naar de kust terug, waar de geheele troep zich in hinderlaag legde. Tevens zorgde Koloric voor drie booten, voor het geval — wat hij waarschijnlijk achtte — een poging gewaagd zou worden, ons over zee uit het land te brengen.
G. G. daarentegen voer met een nachttrein naar Fiume en ontdekte tot zijn vreugde, dat de kruiser "Kaiser Franz' daar in de haven lag.
Het gelukte den beroemden detective — hoewel met moeite — de autoriteiten van het belangrijke en dringende van een dadelijk-ingrijpen te overtuigen. Er werden vele telegrammen gewisseld en het einde was, dat de kruiser het bevel kreeg, onmiddelijlk op verkenning naar Marmonte uit te varen.
Het was inmiddels middag geworden. G. G. keerde onverwijld naar Marmonte terug en arriveerde daar, toen de sloep van den Graaf en zijn manschappen langs de kust naar de grot voer. Ook mijn bootje ontdekte hij.
De zaak was nu betrekkelijk eenvoudig: in de drie booten, die achter riffen verborgen lagen, scheepten de bergbewoners zich in en, naar de plaats varende, waar zij de sloep en mijn bootje schijnbaar in den rotswand, die daar de kust vormde, hadden zien verdwijnen, vonden zij den ingang tot de grot. De rest is den lezer bekend,
Voordat ik mij ter ruste begaf, vroeg ik mijn vriend, wanneer ik het overige vernemen zou van wat mij in ons avontuur nog niet duidelijk was.
"Morgen vroeg, Willy!" — antwoordde hij. "Vannacht zal ik een schets maken voor mijn verslag aan de Admiraliteit. Die schets, die ik later uitwerken zal, zul je vooruit te lezen krijgen."
"Prachtig!" — zeide ik. En toen, vol bewondering voor de werkkracht van mijn vriend, liet ik mij verleiden tot de vraag: "Slaap jij dan nooit . . ?"
"Jawel, Willy! Zoodra mijn schets klaar is!" — zeide hij. En daarop scheidden wij.
# HOOFDSTUK XXV. De schets van G. G.
Ik laat de "schets", die mijn vriend mij den volgenden ochtend ter hand stelde, hier letterlijk volgen, omdat zij karakteristiek is voor zijn werkmethoden.
Punt van uitgang: Gravin De Corriëntes draagt een ring. Lady Ackland verklaart, dat genoemde ring aan haar vriendin, Lady Strattmore (later Mrs. Hayward) toebehoorde en deze nooit verliet. Die vriendin verdween, met het jacht van haar man en alle opvarenden, in een storm op de Adriatische Zee.
Vraag: Hoe komt deze ring aan den vinger van de Gravin De Corriëntes?
I. Graaf en Gravin De Corriëntes te Londen.
1. De bewuste ring wordt — met andere sieraden gestolen. Gravin De Corriëntes dicteert haar man een lijst van de gestolen voorwerpen en beschrijft daarin den ring; Graaf De Corriëntes laat die beschrijving weg.
*Conclusie*: De Graaf vreesde herkenning van den ring, de Gravin niet.
2. Blijkens zijn geheele houding vreest de Graaf de inmenging van Mr. Gill en Mr. Hendriks, de Gravin daarentegen roept hen te hulp.
*Conclusie*: de eerste heeft iets te verbergen, de tweede niet.
3. Opvallend is het geweest, dat Graaf De Corriëntes, nog vóórdat Mr. Gill hem met grond verdenken kon, schrikte, toen deze hem toevoegde: "Ik heb aristocraten gekend, die dieven bleken." Van dat oogenblik af begon Mr. Gill hem te verdenken.
4. Even opvallend was het, dat de klok in de zitkamer van het echtpaar De Corriëntes was blijven stilstaan om half-negen. Dit is een gewone truc, wanneer men de politie op 'n dwaalspoor brengen wil, wat betreft het uur, waarop een misdaad ontdekt wordt.
*Conclusie*: Men tracht de politie - en de detectives! - te misleiden.
5. De alles-beheerschende vraag voor Mr. Gill werd — door den loop der gebeurtenissen — deze: kan de Graaf zelf debet zijn aan het verdwijnen van de steenen? En daaruit volgde vanzelf de vraag: hoe kan hij geweten hebben, dat de aandacht op den bewusten ring gevallen was? Natuurlijk moest hij dit casu quo vernomen hebben van iemand, die wist wat er den vorigen avond ten huize van Lord Stockton gebeurd was met betrekking tot dien ring. Wie wisten dat? Lady Ackland, Mr. Gill, Mr. Hendriks en Sir Percival Kewes. De laatste was des ochtends door Mr. Hendriks en Mr. Gill ingelicht.
*Conclusie*: Alleen Sir Percival kon casu quo den Graaf hebben ingelicht. Bij de drie anderen was dit, uit den aard der zaak, uitgesloten.
6. De verhouding tusschen den Graaf en de Gravin was slecht. Daarvoor bestonden talrijke bewijzen. Hij was dikwijls en lang afwezig, zonder dat zij zelfs wist, waar hij zich bevond. Hij liet haar systematisch buiten alles.
*Conclusie*: De Graaf had dingen, die hij voor de Gravin en voor iedereen in zijn omgeving verborgen hield.
II. Sir Percival Kewes.
1. Mr. Gill kende Sir Percival van vroeger. Samen hadden zij een onderzoek ingesteld naar het verdwijnen van de "Viper" (een Engelsche onderzeeër) in de Adriatische zee. Dit onderzoek was vruchteloos afgeloopen. Wèl had Mr. Gill herhaaldelijk de hoop gekoesterd, dat het slagen zou, maar telkens — op het laatste oogenblik — werd men het spoor bijster. Herhaaldelijk werd het vermoeden uitgesproken, dat een geheime macht tegenwerkte.
*Conclusie*: (evenwel eerst getrokken, nu de zaak geheel is opgehelderd): die geheime macht was Sir Percival zelf.
2. Toen Mr. Gill en Mr. Hendriks Sir Percival Kewes voor het eerst bezochten, was zijn houding in zóóverre opvallend, dat hij de taak, die deze beiden op zich nemen wilden, buitengewoon zwaar voorstelde en vele gronden aanvoerde, waarom zij niet slagen zouden. Eenige geestdrift voor de zaak was ver bij hem te zoeken!
*Conclusie (thans getrokken)*: hij trachtte het voorzichtig dáarheen te leiden, dat van een onderzoek zou worden afgezien.
3. In een schrijven, door Miss Greville — zijn secretaresse — aan Mr. Gill overhandigd, drong Sir Percival aan op een onderzoek van de kamers van Graaf en Gravin De Corriëntes. Hoewel Mr. Gill, in tegenwoordigheid van Miss Greville, de scherpzinnigheid van Sir Percival prees, was dit schrijven toch verre van scherpzinnig. Hij moest immers evengoed als Mr. Gill weten, dat het voor zoo'n onderzoek nu te laat was. Dezelfde domheid pleegde hij nog eens in een anoniem schrijven aan Inspecteur Higgins. Mr. Gill kende het handschrift van dit schrijven niet, maar hij overtuigde zich later ervan, dat het door Miss Greville geschreven was, door deze het particuliere adres van Sir Percival te laten opschrijven. Toen wist hij, dat zij ook dien anoniemen brief geschreven had. In zijn brief aan Mr. Gill schreef Sir P., dat hij "door een toeval" gehoord had, wat er in het Carlton-Hotel was voorgevallen. Dat toeval moest dan toch wel zéér snel gewerkt hebben, want Miss Greville was 's ochtends reeds met dien brief bij Mr. Gill geweest, maar had hem toen niet getroffen.
*Conclusie*: Sir Percival had, om de een of andere reden, zijn gewone, koele inzicht verloren. Hij wilde Mr. Gill en Inspecteur Higgins op een spoor brengen, dat stellig het juiste niet was.
4. Van groot belang scheen het Mr. Gill, na alles wat boven geconstateerd is, te weten of er eenige connectie bestond tusschen Graaf De Corriëntes en Sir Percival Kewes. Daarom werd zoowel de Gravin als de Graaf "geschaduwd". Van een zijner kleine vrienden vernam daarop Mr. Gill, toen hij des ochtends met Mr. Hendriks het "Carlton" verliet, dat de Graaf zich begeven had naar de particuliere woning van Sir Percival.
*Conclusie*: Er bestond inderdaad een betrekking tusschen deze beide heeren, die vermoedelijk van bizonderen aard was, omdat hun conferentie niet ten kantore van Sir Percival had plaats gehad.
III. Samenwerking tusschen Sir Percival Kewes en den Graaf De Corrièntes.
1. a. Het bestaan van deze samenwerking werd bevestigd.
Doordat — toen Graaf De Corriëntes, om in het geheim te kunnen vertrekken, Mr. Gill, Mr. Hendriks en Inspecteur Higgins uit den weg wilde hebben — deze heeren geëxpedieerd werden naar een huis, dat ingeschreven stond ten name van de secretaresse van Sir Percival.
b. Doordat, toen Mr. Gill en Mr. Hendriks onmiddellijk nadat de chauffeur aan de politie was overgeleverd — het kantoor van Sir Percival in het Admiraliteitsgebouw bezochten, het bleek, dat deze daar niet aanwezig was. Dit bevestigde de onderstelling, dat de Graaf hem inderdaad in zijne woning had aangetroffen.
c. Doordat (dit volgt direct uit a en b) het ontvoeringsplan door beiden te kwader trouw ontworpen was.
2. De hier bedoelde kwade trouw werd bewezen, doordat Sir Percival — op onhandige wijze! — trachtte te verbergen, dat hij iets uitstaande had met de woning in Soho.
IV. De Adriatische Zee.
1. De Gravin bleek geboortig uit Dalmatië en zij bezit daar een slot aan de Adriatische Zee.
2. In die zee was zoowel het jacht "Falcon" als de duikboot "Viper", naar men aannam, verongelukt.
3. De perioden van afwezigheid van den Graaf (door de Gravin opgegeven) vielen telkens samen met nieuwe rampen in de buurt van Marmonte. Mr. Gill had, sinds de mislukking van het door hem met Sir Percival ingestelde onderzoek, al dergelijke berichten zorgvuldig verzameld en kon een en ander dus controleeren.
4. De Graaf was van Londen over het Vasteland van Europa naar de Adriatische Zee gereisd.
5. Het was nu juist de tijd van het jaar, waarin sedert twee jaren scheepsrampen op die zee talrijk waren.
*Conclusie*: Er bestaat samenhang tusschen deze rampen en de geheime reizen van den Graaf. Deze conclusie was het gemakkelijkst te verifieeren op het slot Marmonte zelf. Vandaar dat Mr. Gill en Mr. Hendriks naar Marmonte reisden.
V. De rol van Miss Greville.
1. Deze rol was Mr. Gill eerst niet geheel duidelijk. De jonge dame was vroeger eenigen tijd op Scotland-Yard werkzaam geweest en Mr. Gill kende haar als betrouwbaar, maar niet zeer scherpzinnig. Bij het laatste bezoek van Mr. Hendriks en Mr. Gill in het Admiraliteitsgebouw, schreef laatstgenoemde een brief aan Sir Percival, dien hij aan Miss Greville ter hand stelde. In werkelijkheid was de brief geadresseerd aan Miss Greville zelve, met de bijvoeging: "te lezen zoodra zij alleen is". Dientengevolge bezocht zij den detective in zijn woning: het schrijven noodigde haar daartoe uit.
2. Mr. Gill waarschuwde Miss Greville, voorzichtig te zijn ten opzichte van Sir Percival en hèm (Mr. Gill) te telegrafeeren, wanneer er in diens gedrag iets bizonders viel op te merken. Het adres, waarnaar telegrammen verzonden moesten worden, was: "Poste restante, Fiume" en de naam: "Giles Gerard", de gewone schuilnaam van Mr. Gill in het buitenland. Zoo'n telegram is echter niet ontvangen.
3. Het bleek, dat meerdere aan Sir Percival behoorende huizen — op zijn verzoek — geregistreerd waren op naam van Miss Greville. Deze had daarin niets kwaads gezien en stukken geteekend, waaruit de naam van den waren eigenaar bleek. Dit was een voorzorgsmaatregel van Sir Percival, voor het geval het financieel met hem misliep. Hij verkeerde n.l. dikwijls in geldverlegenheid.
Hier eindigde de "schets".
Toen ik haar aan mijn vriend teruggaf, begon ik met te zeggen:
"Je hebt niets vermeld over onze ondervindingen hier, Geoffrey!"
"Jawel, Willy! Maar dat laat ik je niet lezen!"
"Waarom niet ...?"
"Omdat je alles wat hier is voorgevallen, uit eigen observatie weet, en... omdat er mededeelingen in voorkomen, die het beter voor je is, niet te lezen!"
"Dus nog steeds geheimzinnig!" - zeide ik, 'n beetie geraakt.
"Willy!" — zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder legde. "Ik heb — en geloof mij, dat ik mij daarover bittere verwijten heb gemaakt — je aan grootere
lichamelijke gevaren bloot gesteld dan mijn bedoeling
was. Laat mij de zaak nu nog niet erger maken, door je
ook aan geestelijke gevaren bloot te stellen. Er komen in de schets omtrent wat hier gebeurd is, dingen voor,
die je ijdel zouden maken. En ijdelheid is 'n leelijke eigenschap, Willy!"
Ik lachte, maar drong niet verder aan.
"En de verhouding tusschen den Graaf en Sir Percival?" - vroeg ik.
"Daaromtrent, alsook omtrent de opdracht van Lady Ackland met betrekking tot Lady Strattmore's ring, zal ik je eerst kunnen inlichten, wanneer ik 'n lang en vermoedelijk wat opgewonden gesprek zal hebben gehad, zoowel met Graaf De Corriëntes als met Sir Percival Kewes. Stel je zoo lang tevreden met je eigen conclusies, Willy!"
"Ik begrijp alleen niet, dat het je gelukt is, het gevangennemen van Sir Percival in Londen door te drijven" — merkte ik op. "De aanwijzingen waren toch nog zwak."
"Voor mij niet, Willy! En ik heb het erop gewaagd . . ." „Wat heb je erop gewaagd . . ?"
"Dat zal ik je zeggen, Willy! Er is één vraag, die ik in de schets, die je gelezen hebt, niet heb aangeroerd, namelijk die omtrent de plaats, waar de gestolen juweelen verborgen waren. Zij waren niet meer in het Carlton-Hotel. De Graaf zou nooit de domheid begaan hebben, ze op zijn persoon te dragen, dat wist ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Maar sedert den diefstal had ik hem laten ,schaduwen', zooals je weet. En nu was er maar één plaats, waar ze konden zijn, Willy. Kun je niet raden welke ...?"
"Je bedoelt toch niet . . .?"
"Ja, Willy, ja! In de particuliere woning van Sir Percival. Denk eens op je gemak na, Willy! Dan zul je erkennen, dat er geen andere mogelijkheid was. De Graaf heeft ze waarschijnlijk daarheen gebracht op den ochtend, toen hij ons overviel, terwijl wij met zijn vrouw in gesprek waren. Niemand dacht eraan Sir Percival in het geval te betrekken."
"En je hebt...?"
"Ik heb gisteren te Fiume een telegram naar Scotland-Yard verzonden. Hier is de copie."
Op zijn gewone methodische wijze diepte hij deze op uit zijn portefeuille, die — de lezer zal zich dat herinneren uit vroegere boeken — nooit oud werd!
Ik las: "Gestolen steenen Corriëntes. Zoek onmiddel-"lijk in particuliere woning Sir Percival Kewes. Arresteer "dezen.
"Dit is natuurlijk de vertolking in menschelijke taal van het geheimschrift, waarin getelegrafeerd werd" — verklaarde G. G. zich nader.
"Maar toen je aan den Graaf verklaarde, dat Sir Percival gevangen genomen was, kon dat toch nog niet gebeurd zijn, Geoffrey!"
"Neen, Willy. Die verklaring was humbug, maar... ik vertrouwde op mijn gezag bij Scotland-Yard! De wijze, waarop de Graaf dit nieuwtje ontving, bevestigde mij in de overtuiging, dat ik het aan 't rechte eind had. Nu weet ik dat met absolute zekerheid, want vanochtend heb ik 'n telegram van Scotland-Yard ontvangen, meldende dat de steenen gevonden zijn en dat Sir Percival gearresteerd is. En, Willy, het is voor ons nu zaak naar Londen terug te keeren!"
* * *
Op onze reis gebeurde er er niets bizonders. Alleen kreeg ik nog de verklaring van twee zaken, die mij niet duidelijk waren.
Ik herinnerde mij namelijk, dat Miss Greville, toen zij het huis van den detective, nadat deze haar gewaarschuwd had, verliet, bij mijn aanblik zeer verschrikt was en mij met afgewend hoofd voorbij was gegaan, zoodat ik haar toen zelfs niet herkend had. De detective wist dit te verklaren door de mededeeling, dat hij haar op het hart gedrukt had, mij niet te spreken over zijn wantrouwen tegenover Sir Percival. Het was dus eenigszins te begrijpen, dat zij ontstelde, toen ik de eerste was, die haar, nog in het huis van den detective, tegemoet kwam.
En, als vanzelf, bracht mij deze mededeeling tot de vraag, waaróm G. G. de zijde van de zaak, die met Sir Percival in verband stond, zoo hardnekkig voor mij verzwegen had.
"Deels heb ik je de reden daarvan al gezegd, Willy!" — zeide hij. "Sir Percival was niet de eerst-beste. En ik wilde, zoolang ik niet absoluut zeker van mijn zaak was, je niet mèt mij compromiteeren, voor 't geval ik mij vergissen mocht. Bovendien" — en hier glimlachte hij op z'n altijd wat sarcastische manier — "je vergeet je eigen gezicht, Willy, het open boek! Ik mocht het in geen geval wagen, dat Sir Percival daarin méér lezen zou dan hij weten mocht; en — ik verzeker je! — hij verstaat zich op het lezen van wat er op het menschelijk gelaat geschreven staat."
* * *
Twee dagen na onze terugkomst in Londen (waar ik van Maud veel te hooren had gekregen over mijn onvoorzichtigheid op het slot Marmonte, hoewel daarop de gebruikelijke verzoening gevolgd was) zat ik in G. G.'s werkkamer. Hij had zich in zijn schrijftafel verschanst en ik zat in een fauteuil tegenover hem. Stilter had ons van sigaren en whisky-soda voorzien, met de interessante mededeeling, dat "wij" eens 'n nieuw merk whisky probeeren wilden, omdat het vroegere in den laatsten tijd naar rook smaakte.
En aldus, onder het genot van een voortreffelijke sigaar en van even voortreffelijke whisky, vernam ik de voorgeschiedenis van het merkwaardige experiment, dat wij hadden meegemaakt. G. G. zelf was deze te weten gekomen door een gesprek met den nu zeer gedweeën Graaf De Corriëntes, dat nog aan boord van de "Kaiser Franz" had plaats gehad, en door een onderhoud met Sir Percival, den vorigen dag in de gevangenis.
Ongeveer vier jaren geleden hadden die twee elkander voor het eerst te Monte-Carlo ontmoet. Beiden golden voor zeer rijk. In werkelijkheid hadden zij groote sommen verkwist en rekenden op de roulette tot herstel van hun zieke porte-monnaies. Ditmaal trokken deze gelijke naturen elkander aan. Daarbij kwam, dat zij beiden marine-officieren waren, zoodat er onmiddellijk een zeker soort van vertrouwen tusschen hen heerschte.
Het onderwerp: "hoe kan 'n mensch aan veel geld komen?" was vanzelf in hun gesprekken aangeroerd. En op 'n zeker oogenblik zei Sir Percival: "Leefden wij nog maar in de tijden van de ouderwetsche zeeroovers! Wij beiden zouden dan 'n schip uitrusten en op roof uitgaan.
Zij hadden toen om dien inval gelachen. Maar Graaf De Corriëntes, bij wien de nood op dat oogenblik hoog gestegen was, had over dat gezegde nagedacht en in zijn hoofd was de scherts langzamerhand tot ernst geworden. Hij (of liever zijn vrouw, maar die telde voor hem niet mee!) bezat een slot, dat in een wilde en vergeten streek aan de Adriatische zee lag. Sir Percival stond - zooals deze hem, wel wat onvoorzichtig, had toevertrouwd aan het hoofd van den Engelschen geheimen dienst ter zee; en... Sir Percival had chronisch geldgebrek! Op deze gronden bouwde de Graaf zijn stoutmoedig plan.
Het is onnoodig mede te deelen, hoe dit langzamerhand uitgewerkt, en hoe — voorzichtig en stap voor stap — Sir Percival ervoor gewonnen werd. De beide mannen sloegen de handen inéén en maakten zichzelven op de meest geraffineerde wijze tot moderne piraten!
De Engelsche onderzeeër "Viper" had een bemanning, die — naar Sir Percival bekend was — voor een deel onbetrouwbaar was. In het bizonder één lid van de bemanning (dien wij later als kapitein Shearer zouden leeren kennen) was de aanstoker van ontevredenheid en erger. Met dezen man stelde Graaf De Corriëntes zich in verbinding en het gelukte, zonder veel moeite, hem voor de plannen te winnen. De Graaf kon stoutmoedig optreden, omdat hij zeker was van den geheimen steun van Sir Percival.
In een stormachtigen nacht aan den ingang van de Adriatische zee overviel de muitende bemanning van de "Viper" de officieren en de enkele leden van de bemanning, die dezen trouw gebleven waren. Zij werden meëdoogenloos afgemaakt en de lijken, zwaar met steenen belast, in zee geworpen. Daarop werd er koers gezet naar Marmonte. Onder weg ontmoette men het Amerikaansche jacht "Falcon". Shearer en zijn mannen besloten hun nieuwe "beroep" te beginnen met een daad, die hen in de oogen van den Graaf, voor wien zij een aan vrees grenzend ontzag voelden, onmiddellijk op een voetstuk zetten zou.
De onderzeeër dook op in de nabijheid van het jacht en, op het zien van de Engelsche vlag, liet dit hem zonder argwaan naderen. Shearer en zijn mannen kwamen aan boord en Mr. Hayward, zijn vrouw en de verdere bemanning werd vermoord en, evenals de slachtoffers, die op de "Viper" zelf gevallen waren, in zee gegooid, nadat zij van alle sieraden en kostbaarheden beroofd waren. De buit, op het schip zelf gevonden, was rijk en werd naar den onderzeeër overgebracht. Deze bracht daarop het schip tot zinken en vervolgde de reis naar Marmonte.
Graaf De Corriëntes wachtte daar. De duikboot werd in de grot verborgen, nadat men den naam "Viper" had doen verdwijnen, en vervolgens werd de buit verdeeld. De Graaf legde voor zichzelven beslag op een groot deel van de geroofde kleinodiën. Daaronder bevond zich ook de ring, dien Lady Strattmore (Mrs. Hayward) altijd gedragen had. Dat de Graaf juist dezen bestemde als een geschenk voor zijn vrouw, na de terugkomst van zijn onschuldig uitstapje, was een speling van het Noodlot. Wel drukte hij haar op het hart, den ring niet in groote gezelschappen te dragen. Maar - daar zij de reden hiervan niet begreep - zondigde zij herhaaldelijk daartegen, tot groote ergernis van haar man.
Karakteristiek voor den Graaf is het zeker, dat hij den ring in haar bezit liet. Vermoedelijk vreesde hij achterdocht bij haar te wekken en de waarschijnlijkheid, dat een ring van een Amerikaansche millionairsvrouw in Europa herkend zou worden, scheen hem al uiterst gering. Toch was juist dat door Lady Ackland geschied.
Het piratenbedrijf werd nu — eerst voorzichtig, later stoutmoediger - van Marmonte uit voortgezet. De bemanning van den onderzeeër fungeerde als "gebrekkige zeelieden" en bleef op Marmonte. De duikboot maakte - men durfde dit niet te dikwijls doen - slachtoffers in de open zee, de kustvaart werd bedreigd door de lichten op de kust vóór Marmonte. Met de uiterste zorg werd ertegen gewaakt, dat alle sporen van geweld verdwenen; en alleen in stormachtige nachten "opereerden" deze gevaarlijke piraten.
In den nacht, toen G. G. en ik onze groote ontdekking deden, was er een kustvaarder gezien, regelrecht aansturende op den valschen haven-ingang. Maar toen de wind wat bedaarde, had deze de reis voortgezet. "Wij hebben geen geluk" — hadden wij hooren zeggen, toen wij in ons bootje aan den rand van het paarlenrif lagen!
De bemanning, de kapitein, maar vooral de Graaf kwamen op deze wijze in het bezit van veel geld, en Sir Percival (die elk serieus onderzoek verijdelde, zoodra er achterdocht ontstond) deelde mede in den buit.
Het was Lady Ackland geweest, die — door het herkennen van den ring — den stoot gegeven had tot de ontmaskering van deze bende roovers en moordenaars.
# Besluit.
De vraag om uitlevering van Graaf De Corriëntes en zijn medeplichtigen, die men in Engeland overwogen had, met het oog op de misdaden, door hem gepleegd tegenover de Engelsche marine, vond ten slotte niet plaats. Men liet hem in handen van de Oostenrijksche Justitie.
Zoowel G. G. als ik en vele van onze Dalmatische vrienden werden in zijn proces gehoord. Tot groot leedwezen van G. G. en mij konden wij de Gravin de beproeving niet besparen, als getuige in dit proces te verschijnen. Toch had dit ook zijn goede zijde, want nu werd haar volkomen onschuld aan de misdaden, door haar man bedreven, in het openbaar en onomstootelijk vastgesteld. Zij keerde niet naar Spanje terug, maar vestigde zich in haar eigen land, op het slot Marmonte.
Zooals te verwachten was, werd Graaf De Corriëntes ter dood veroordeeld. Van Spanje uit werd hemel en aarde bewogen om voor deze Grande van het Rijk gratie te verkrijgen. Maar deze pogingen waren vergeefsch: de Graaf had te veel menschenlevens op zijn geweten dan dat te zijnen opzichte van genade sprake kon zijn. Bovendien was hij de ontwerper van het geheele plan geweest. "Kapitein" Shearer werd, evenals de Graaf, terechtgesteld. De overige "piraten" werden tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. Alleen Jimmy werd wat genadiger behandeld, met het oog op zijn jeugd en omdat hij zoo'n beetje "Manusje voor alles" van de bemanning was geweest. Hij kwam er met 3 jaar af.
De op Marmonte gevonden waren en kostbaarheden — afkomstig van vroegere rooverijen — werden zooveel mogelijk teruggegeven aan hen, die daarop rechten konden doen gelden. Maar zeer veel daarvan werd tot dusverre door niemand opgeëischt, zoodat het ten slotte wel aan den Staat komen zal.
De onderzeeër "Viper", met de Engelsche vlag in top, voer, kort na onzen terugkeer te Londen, de haven van Southampton binnen. Men had G. G. en mij uitgenoodigd bij de plechtige ontvangst tegenwoordig te zijn. Van de vroegere bemanning was een gedeelte vermoord en de rest — de moordenaars — zat in Oostenrijk gevangen. De ontvangst was dan ook een eenigszins droeve plechtigheid. En toch heerschte er ook vreugde wegens den terugkeer van het schip en de straf, die de roovers wachtte. G. G. en ik stonden 'n beetje in het midden van het vreugdebetoon. Maar wij voelden daarvoor weinig en keerden spoedig naar Londen terug. Onze eigen herinneringen aan dit vaartuig — en in het bizonder de mijne! — waren nu juist niet van den aangenaamsten aard!
* * *
Een enkel woord over de twee eigenlijke lastgevers van G. G.: Lady Ackland en Mr. Lambs, den Directeur-Gérant van het Carlton-Hotel!
De eerste ontving ons letterlijk met open armen: de dikke, goede, altijd wat ongegeneerde vrouw, vergoot tranen, nu het zeker was, dat haar vriendin niet meer leefde en dat deze zelfs het slachtoffer van den meest laaghartigen moord geweest was. De Gravin De Corriëntes, die van G. G. en mij natuurlijk tot in bizonderheden over het geheele verloop van het "experiment" was ingelicht, maakte geen aanspraak op de in de woning van Sir Percival aangetroffen kleinodieën. Wetende wat zij nu wist, beschouwde zij die niet als haar eigendom. behalve dan degene, die zij met haar eigen geld gekocht had. Alleen de ring van Lady Strattmore eischte zij op, en, toen haar dezen inderdaad werd toegewezen (ik heb in het leit, dat dit gebeurde, altijd den invloed van G. G. vermoed), maakte zij een mooi gebaar door hem aan Lady Ackland te schenken.
Maar dat gebeurde later, lang nadat deze ons beiden — G. G. en mij — met tranen in de oogen ontvangen en ... gezoend had! Ik heb — en G. G. bekende mij hetzelfde — de goede vrouw hartelijk teruggezoend.
De schaduw, die — volgens de beeldspraak van Mr. Lambs — op het Carlton-Hotel gerust had, sinds den grooten juweelendiefstal, was door de ontdekking, dat de Graaf zelf den diefstal gefingeerd had, plotseling weggevaagd. Ook Mr. Lambs was méér dan dankbaar, maar toonde dit gelukkig niet op dezelfde wijze als Lady Ackland: hij bepaalde er zich toe, onze handen met geestdrift te schudden. Maar toen hij zich eenige wat schampere opmerkingen veroorloofde aan het adres van Inspecteur Higgins, werd hij (eenigszins tot zijn verbazing) door G. G. vrij scherp terecht gewezen.
Want mijn vriend koesterde, hoewel hij den Inspecteur niet intelligent vond, voor dezen toch altijd de sympathie, die ijver en plichtsbetrachting zoo gemakkelijk in het leven roepen.
En Higgins was een der eersten, die G.G. met zijn succes kwam gelukwenschen: in dit opzicht toonde de Inspecteur zich in het minst niet kleingeestig, zooals menigeen van zijn collega's gedaan zou hebben!
* * *
En Sir Percival Kewes . . .?
De man, die zulk een hooge positie in de marine van zijn Vaderland bekleedde en in wien zijn landgenooten zulk een onbeperkt vertrouwen stelden, was gevallen, zóó diep als 'n mensch vallen kàn.
En die val was voor hem geheel onverwachts gekomen.
Het tegen hem gevoerde proces was een van de sensationeelste, die ooit in Engeland gevoerd zijn. De geheele marine, met haar prachtig en smetteloos verleden, voelde zich als 't ware gehoond door de ongehoorde misdaad van dezen hooggeplaatsten marine-officier.
Toch redden hem twee omstandigheden van de doodstraf.
De eerste was het feit, dat hijzelf nooit persoonlijk deelgenomen had aan de moord- en rooftochten van zijn mede-schuldigen en dat hijzelf niet het plan daartoe ontworpen had.
Het tweede was de ontdekking, waartoe men bij een nauwkeurige contróle van zijn Bureau kwam, dat hier alles in de beste orde was en dat hij — afgescheiden van zijn medeplichtigheid aan de gruweldaden van de piraten — zijn moeilijke betrekking op voorbeeldige wijze vervuld had.
Om deze redenen, die als verzachtende omstandigheden golden, werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.
Maar reeds enkele weken, nadat de straf was uitgesproken, vond men hem des ochtends dood in zijn cel. Hij had zich met een klein mesje, dat hij op de een of andere manier moet hebben binnengesmokkeld, den polsslagader geopend!
Zijn secretaresse, Miss Greville, bekleedt dezelfde betrekking onder zijn opvolger. Zij heeft dit voor een groot deel aan G. G. te danken, voor wien zij altijd een grenzenlooze vereering is blijven koesteren.
* * *
Eenige jaren na de gebeurtenissen, die ik in dit boek beschreven heb, bezochten mijn vrouw, G.G. en ik de Gravin De Corriëntes, die zich nu weêr met den naam van haar geslacht Gravin Medvedje noemde, na een reis door Zuid-Tirol, op Marmonte.
Wij vonden haar naar het uiterlijk ouder, maar rustig en blijkbaar gelukkig, omdat zij haar geluk zocht in het gelukkig maken van anderen. Haar weldadige invloed was voelbaar in de geheele streek en zoowel de bewoners van het dorp als die van de bergen droegen hun "gebiedster" op de handen.
Kort nadat wij waren aangekomen, kwam er een soort van deputatie uit de bergen om ons te begroeten. En toen zagen wij onze goede vrienden — Milan en Peter Siveric en ook Georgi Koloric, die zich, hoewel in het dorp wonende, bij hen gevoegd had, benevens vele anderen — terug. De begroeting had iets plechtigs, zooals deze menschen meestal iets plechtigs hebben bij gelegenheden, die zij belangrijk vinden.
Zelfs hield Milan Siveric een soort van toespraak in het Duitsch, die — behalve door zijn zoon — wellicht door geen der andere hulde-betuigers verstaan werd.
"Wij heeten U hartelijk welkom" — zeide hij, met veel horten en stooten (want sinds ons vertrek naar Engeland had hij waarschijnlijk geen Duitsch meer gesproken!). "U hebt ons van de zee-piraten bevrijd, die, zonder dat wij het wisten, zich op het slot Marmonte gevestigd hadden. Maar vooral dankbaar zijn wij U ervoor, dat ge daardoor onze gebiedster in staat gesteld hebt tot ons terug te keeren. Daarom zullen wij U altijd dankbaar blijven gedenken.'
"Als U van trouw spreekt" — zeide hier de Gravin tot ons, "denkt dan aan mijn Dalmatiërs! Trouwere vrienden heb ik nergens, behalve in Engeland en Holland, want U beiden, aan wie ik mijn bevrijding en mijn gemoedsrust te danken heb ..."
Hier bleef zij plotseling steken, want... wij hadden het hazenpad gekozen!
EINDE.