**De Eerste Schreden.** Hierbij stond hij op een stoel. No. 11 der G. G. SERIE. **De Eerste Schreden** **Uit Het Leven Van Geoffrey Gill Detective.** DOOR **Ivans** A. W. BRUNA & ZOON's UITGEVERS Mij. UTRECHT. - [Inleiding Door Mr. Willem Hendriks.](#inleiding-door-mr-willem-hendriks) - [Een Revolverschot.](#een-revolverschot) - [De Jongste Commensaal.](#de-jongste-commensaal) - [Hoofdstuk II - Hollis \& Turnbull.](#hoofdstuk-ii---hollis--turnbull) - [Hoofdstuk III - Alarm.](#hoofdstuk-iii---alarm) - [Hoofdstuk IV - Een Waarschuwing.](#hoofdstuk-iv---een-waarschuwing) - [Hoofdstuk V - Geruchten.](#hoofdstuk-v---geruchten) - [Hoofdstuk VI - Geoffrey Zoekt Een Baantje.](#hoofdstuk-vi---geoffrey-zoekt-een-baantje) - [Hoofdstuk VII - Het Verloofde Wasmeisje.](#hoofdstuk-vii---het-verloofde-wasmeisje) - [Hoofdstuk VIII - Geoffrey Op Het Krijgspad.](#hoofdstuk-viii---geoffrey-op-het-krijgspad) - [Hoofdstuk IX - Landelijke Genoegens.](#hoofdstuk-ix---landelijke-genoegens) - [Hoofdstuk X - Geoffrey Vindt Zijn Meester.](#hoofdstuk-x---geoffrey-vindt-zijn-meester) - [Hoofdstuk XI - De Meester Bedrogen.](#hoofdstuk-xi---de-meester-bedrogen) - [Hoofdstuk XII - Het Revolverschot.](#hoofdstuk-xii---het-revolverschot) - [Hoofdstuk XIII - Van Schoenen En Modder.](#hoofdstuk-xiii----van-schoenen-en-modder) - [Hoofdstuk XIV - Zware Verantwoordelijkheid.](#hoofdstuk-xiv---zware-verantwoordelijkheid) - [Hoofdstuk XV - De Oudste Compagnon.](#hoofdstuk-xv---de-oudste-compagnon) - [Hoofdstuk XVI - De Jongste Compagnon.](#hoofdstuk-xvi---de-jongste-compagnon) - [Hoofdstuk XVII - De Beslissing.](#hoofdstuk-xvii---de-beslissing) - [Besluit.](#besluit) - [Het Blauwe Meer.](#het-blauwe-meer) - [Hoofdstuk I - Verdwenen!](#hoofdstuk-i---verdwenen) - [Hoofdstuk II - Deducties.](#hoofdstuk-ii---deducties) - [Hoofdstuk III - Het "Gasthaus Zur Sonne".](#hoofdstuk-iii---het-gasthaus-zur-sonne) - [Hoofdstuk IV - Roote Peter.](#hoofdstuk-iv---roote-peter) - [Hoofdstuk V - De Kaart Van Het Land.](#hoofdstuk-v---de-kaart-van-het-land) - [Hoofdstuk VI - De Veldtocht Geopend.](#hoofdstuk-vi---de-veldtocht-geopend) - [Hoofdstuk VII - In De Bergen.](#hoofdstuk-vii---in-de-bergen) - [Hoofdstuk VIII - Noodweer.](#hoofdstuk-viii---noodweer) - [Hoofdstuk IX - Een Aanwijzing.](#hoofdstuk-ix---een-aanwijzing) - [Hoofdstuk X - Fräulein Maria.](#hoofdstuk-x---fräulein-maria) - [Hoofdstuk XI - Tegenstrijdige Raadgevingen.](#hoofdstuk-xi---tegenstrijdige-raadgevingen) - [Hoofdstuk XII - Leerrijke Gesprekken.](#hoofdstuk-xii---leerrijke-gesprekken) - [Hoofdstuk XIII - Het Gevaar Nadert.](#hoofdstuk-xiii---het-gevaar-nadert) - [Hoofdstuk XIV -Het Gevaar Afgewend.](#hoofdstuk-xiv--het-gevaar-afgewend) - [Hoofdstuk XV - "De Heilige Johannes".](#hoofdstuk-xv----de-heilige-johannes) - [Hoofdstuk XVI - De Mensen-Val.](#hoofdstuk-xvi---de-mensen-val) - [Naschrift Van Mr. Willem Hendriks.](#naschrift-van-mr-willem-hendriks) # Inleiding Door Mr. Willem Hendriks. Sinds ik mijn vorige boek over mijn vriend Geoffrey Gill, de beroemde Engelsen detective, uitgaf, is de wereld opgeschrikt door het onverwachte bericht, dat deze merkwaardige man - even groot van ziel als scherp van verstand - het offer is geworden van zijn beroepsplicht. Ik schrijf dit hier neêr in enkele, eenvoudige woorden. Aan de lezer mijner vroegere werken laat ik het over, te beoordelen, wat het heengaan van mijn besten vriend voor mij en de mijnen beteekent. De omstandigheden, waaronder hij het leven verloor, zijn nog niet in alle bijzonderheden tot het publiek dóórgedrongen. Het is mijn voornemen in No 12 van deze serie daaromtrent alles mede te delen wat mijzelf bekend is. En dat zal dan voorlopig de laatste maal zijn, dat ik over mijn vriend schrijf. Misschien kom ik er in de loop der jaren nog toe, enkele avonturen van de genialen detective, die onbeschreven bleven, alsnog te boek te stellen. Maar op dit ogenblik zou het mij onmogelijk zijn, te schrijven over onze gemeenschappelijke ondervindingen. Sommigen mensen strekt het tot troost te praten of te schrijven. over dierbare vrienden, die zij verloren hebben. Mij ontneemt in zo'n geval het verdriet tot zelfs de mogelijkheid om mijn gedachten in logische en behoorlijke vorm in te kleden; die taak is mij te zwaar, omdat ik niet rustig denken kàn over wat mijn hart van pijn doet inéénkrimpen. Waarom ik dan tòch dit elfde nummer der Serie nog schrijven wil? Het antwoord op deze vraag moet luiden: ik doe het, omdat ik het mijn plicht acht. Want ik heb het beloofd aan hem, die thans is heengegaan. Enkele weken voordat wij de reis ondernamen, waarvan mijn vriend G. G. nooit terugkeeren zou, zaten wij - mijne vrouw, mijn pleegdochter Mariska (die met de detective gehuwd was), Geoffrey zelf en ik - bijeen in de serre van mijne woning aan de Scheveningsche weg. Het gesprek had gelopen over onze gemeenschappelijke lotgevallen op onze reis tot opsporing van de kinderen van Graaf von Hammerstein en wij hadden de detective geplaagd met de "concurrentie", die hij bij deze gelegenheid zijn Italiaansen collega Rossini had aangedaan.\*) \*) Zie No. 10 der G.G.-serie: "De Dubbelganger". "Wil je wel geloven, Willy" zei hij, nadat hij eerst met ons mede gelachen, doch toen enige tijd ernstig voor zich uit gekeken had, "dat er aan het bezit van een hofbiograaf toch een zeker gevaar verbonden is?" "Als je mij met die wijdsen titel vereert", antwoordde ik, "moet ik je zeggen, dat ik mij niet ervan bewust ben, je ooit door mijn schrijven in een gevaarlijke positie te hebben gebracht." "Ik spreek niet over fysieke gevaren", zei hij lachend. "Ik bedoel alleen maar dit, dat men, door z'n eigen leven met de ogen van een ander te zien, te veel met de ogen van die ander kijken gaat. Men verliest tot op zekere hoogte de neiging tot onontbeerlijke zelf-critiek, vooral wanneer de hof-biograaf doorlopend ten opzichte van zijn , sujet' in 'n zo welwillende stemming verkeert als jij ten opzichte van mij, Willy!" "Ik heb er mij altijd strikt toe beperkt, alleen die dingen uit je leven te beschrijven, die ik zelf heb medegemaakt", zei ik. "Dat is een waarborg voor de juistheid en, tot op zekere hoogte, ook voor de onpartijdigheid." "Dat laatste zullen wij maar niet àl te nauwkeurig onderzoeken!" antwoordde mijn vriend. "Ik wil je wel bekennen, dat ik soms lust gevoel, zelf eens iets over mijzelf mede te delen. Ik geloof, dat ik er dan minder goed zou àfkomen dan wanneer jij dat doet." "Waarom doe je het niet?" vroeg ik. "Mijn werk laat mij daartoe geen tijd. Ook schrik ik al, alleen bij de gedachte, dat ik zo'n berg papier zou moeten volschrijven!" "Dicteer het mij dan!" zei ik, vol ijver. "Denk eens. welk een geweldig succes een auto-biografie van de beroemde G. G. hebben zou!" "Daaraan twijfel ik, Willy!" "En waaròm dan?" "Omdat iemand, ook al beschrijft-i wat-i zelf interessants beleefd heeft, het niet zonder schrijvers-talent stellen kan, wil hij zijn lezers boeien. Ik heb eens 'n auto-biografie gelezen van een van mijn collega's, wiens leven rijk aan de spannendste avonturen is geweest. Er was geen dóórkomen aan, Willy! De man had zelf wel veel beleefd, maar hij kon 't zelf niet beschrijven!" "Maar jij, Geoffrey...?" "Ik waag mij op m'n oude dag niet aan proefnemingen!" lachte hij. "In het stellen ben ik nooit een held geweest. En al wàs ik dat: ik zou jou nooit onder je duiven willen schieten!" En, hoewel ik protesteerde, bleef het daarbij.
* * *

Twee dagen later kwam G. G. op dit gesprek terug. "Wat zou je ervan zeggen, Willy", zei hij, "wanneer ik je eens twee avonturen uit mijn jonge jaren vertelde, met het uitgesproken doel, dat jij die aan het publiek zou óververtellen? In die tijd kenden wij elkaar nog niet. Ik wist niet, dat een talentvol jongmens, dat toen ongetwijfeld in Holland reeds in de Rechten studeerde, eens..." "Houd maar op!" viel ik hem in de rede, vreezende, dat er de een of andere sarcastische uitlating komen zou. "Zeg mij liever, welke avonturen je op het oog hebt!" "In de eerste plaats: mijn allereerste geslaagde proeve op het gebied van observatie en deductie. Die proeve was zéér eenvoudig, maar..." "...maar ze moet interessant zijn, omdat je daardoor je eigen talent voor het eerst aan de praktijk toetste!" viel ik hem in de rede. "En het tweede avontuur?" "Een avontuur in de alpen, waarbij ik voor het eerst in doodsgevaar verkeerde. Het zal je misschien interesseeren, omdat..." "..omdat je daarbij voor het eerst je eigen koelbloedigheid bij het dreigen van gevaar constateeren kondt", vulde ik aan. "Ook dàt begrijp ik." "Slechts één ding houdt mij tegen", hernam mijn vriend. "Het zou mij werkelijk aan het hart gaan, wanneer er een stukje leven van G. G. beschreven moest worden, waarin Mr. Hendriks geen rol zou spelen." "Maak je dáárover niet bezorgd", zei ik. "Mr. Hendriks moge dan in het verhaal zelf niet voorkomen, hij zal dat niettemin in eigen persoon te boek hebben gesteld. Mij dunkt, dat ook dit een eervolle rol is, die hem wordt toebedeeld." "Als het publiek zich nu maar niet verbeeldt, dat ik de verhalen gefantaseerd heb", zei G. G., met een quasi-bedrukt gezicht. "Mijn hoofdgetuige voor de waarheid ben ik in dit geval kwijt. Dat was - in andere gevallen - jij, Willy!" "Ik put dan toch in elk geval uit de meest authentieke bronnen." "Namelijk: de verhalen door de held zelven verzonnen", lachte mijn vriend, zich bedienende van een rijmpje, dat mij uit mijn studententijd was bijgebleven en dat ik - ik weet niet meer bij welke gelegenheid - eens voor hem had opgezegd. "Ik maak je mijn compliment over je geheugen, ook waar het Hollandsche citaten geldt!" zei ik. "Voor een Engelsman is dat verbazend. Wanneer hebben wij onze eerste zitting?" "Morgenavond, Willy!" De eerste "zitting" werd door meerdere gevolgd en het resultaat daarvan wordt de lezer hierbij aangeboden. --- ## Een Revolverschot. ## De Jongste Commensaal. De grote hangklok in de benedengang sloeg juist tien uur, toen de deur van een der kleinste kamers, boven in het huis, van buiten-af geopend werd. Op de drempel verscheen een dikke burger-juffrouw, stemmig in het zwart gekleed, met een wit kapje op het grijzende haar. Mrs. Spinkler was de weduwe van een meelhandelaar, die zich tot speculeeren had laten verleiden en zijn vrouw met de rest van zijn kapitaaltje - enkele honderden ponden - in niet heel vrolijke omstandigheden had achtergelaten. Zij was echter niet bij de pakken gaan neêrzitten, maar was in een der stillere wijken van Londen een klein "boarding-house"\*) begonnen, waarmede zij thans reeds vijf jaren in haar onderhoud voorzag. \*) = pension. "De koffie, Mr. Gill!" Mrs. Spinkler was op de drempel blijven staan en keek naar binnen. Wat zij daar zag, zal voor háár wel niet nieuw geweest zijn, maar anderen zou het zeker verbaasd hebben. De kleine kamer - de àllerkleinste van het gehele huis - lag onder het schuin-afdalende dak, zodat men op sommige plaatsen gevaar liep, zich het hoofd te stooten. Het bed stond vlak tegen de muur aan, dáár waar gezegd dak tot het laagste punt daalde; het gevolg was, dat de gelukkige bezitter van dat bed daarin niet overeind zitten kon, maar zich in de lengte in en uit zijn legerstede moest laten rollen. In elk geval, op deze wijze werd door dit nuttige meubel de minst mogelijke, voor andere doeleinden geschikte plaats ingenomen. In het midden van de kamer stond een ronde, bruin-geschilderde tafel, bedekt met een kleed, waarop een onnoemelijk aantal inktvlekken prijkten. Zowel de tafel als de twee oude, met versleten zwart trijp overtrokken stoelen lagen vol met couranten, die, open gevouwen, kris en kras door elkaar gegooid waren. Twee houten planken langs de wand droegen een groot aantal wonderlijk uitziende, bordpapieren dozen en enige boeken, die grotendeels betrekking hadden op het Engelse strafrecht. Ook vielen een paar dikke dictionnaires en grammatica's dadelijk in het oog. Eindelijk — op de plaats, waar men, in een grotere kamer, de schoorsteenmantel verwacht zou hebben - liep, als surrogaat daarvan, een derde plank langs de muur, waarop, in het midden, een goedkoop wekkerklokje stond. Links daarvan een kistje met sigaren, rechts een postzegelalbum en onder de plank een petroleum-kacheltie! De eigenaar van al deze heerlijkheden zat in een rieten armstoel, die betere dagen gekend had en toen vermoedelijk in het een of andere stadstuintje dienst had gedaan. Het riet had hier-en-daar losgelaten en hing, als de takken van een treurwilg, naar omlaag, als om de droeve stemming van het vervallen meubelstuk aan te duiden, nu het niet meer in het groen stond, maar in een zolder-kamertie met het uitzicht op de Londense daken! De jonge man, die Mrs. Spinkler met "Mr. Gill" had toegesproken, was, naar allen schijn, niet ouder dan twintig jaar. Hij had een intelligent, wat scherp gezicht, een niet hoog maar zeer breed voorhoofd en ogen van een eigenaardige, blauwe kleur, waarvan de uitdrukking van vrouwelijke zachtheid tot stalen hardheid wisselen kon. Die ogen zag men thans echter niet, want hij zat, met de armen rustende op de leuningen van zijn stoel, als slapende, achterover geleund en scheen in het geheel niet bemerkt te hebben, dat Mrs. Spinkler in de kamer gekomen was en zelfs gesproken had! "Het is tien uur! De koffie. Mr. Gill!" De brave vrouw had opnieuw gesproken, daarbij met engelen-geduld op de drempel staan blijvend. In het "boarding-house" vertelde men elkaar soms schertsend, dat Mr. Geoffrey Gill Mrs. Spinkler "gedresseerd" had. Zo erg was het nu wel niet, maar de verhouding Tussen die beiden was toch een eigenaardige. De jonge man in kwestie (Geoffrey Gill, bediende op het Advocaten-kantoor van de firma Hollis & Turnbull) woonde reeds sinds vier jaren in het "boarding-house" van Mrs. Spinkler. Hij was haar jongste commensaal en zijn prettig gezicht, zijn vriendelijke manieren, vooral ook zijn lang en hard werken hadden haar van de aanvang af een soort van moederlijke genegenheid ingeboezemd, waaraan zich enige bezorgdheid paarde. Want Geoffrey Gill was niet als andere jonge mannen. Avond aan avond, na de maaltijd, trok hij zich terug op zijn zolder-kamertje en werkte daar tot diep in de nacht. Om wakker te blijven, dronk hij geregeld, om tien uur, een kop sterke koffie. Mrs. Spinkler bracht hem dezen opwekkenden drank altijd in eigen persoon. Zij was daarmede begonnen, omdat zij zich verplicht voelde, haar invloed aan te wenden er de jongen man ertoe te bewegen, niet zo laat op te blijven, met het oog op zijn gezondheid. Maarhaar pogingen in die richting hadden gefaald, zonder dat Geoffrey's gezondheid echter merkbaar achteruit ging! En hoewel zij die pogingen reeds lang had opgegeven, was zij de gewoonte, om zèlve de koffie te brengen, getrouw gebleven. Dikwijls maakte zij dan een praatje met de jongen man, wanneer deze althans niet àl te zeer verdiept was in zijne ietwat geheimzinnige bezigheden. Soms ook werd zij - tot haar eigen verbazing - plotseling gemaakt tot Geoffrey's slachtoffer, doordat hij met meedogenlooze volharding ellen-lange betogen tot haar richtte. Veel begreep zij daarvan wel niet, maar toch wel zoveel, dat zij betrekking hadden op sensationeele misdaden, waarover de couranten op zo'n ogenblik vol stonden. Dat vond zij wel wat griezelig; maar - zoals wel meer gebeurt - het griezelige trekt aan, en zij blééf de koffie brengen en liet zich gedwee toespreken, zich verwonderende over de woordenrijkdom van haar jongen commensaal.
* * *

Ook de tweede aankondiging betreffende de koffie bleek niet in staat, de jongen man uit zijn schijnbare rust te wekken. Slechts maakte hij een ongeduldige beweging met de hand, als om zijn hospita het zwijgen op te leggen. Mrs. Spinkler kènde dat reeds. Zij plaatste de dampende koffie op de tafel en ging zachtjes naar de deur terug. Maar nog vóórdat zij deze bereikt had, sloeg Geoffrey plotseling de ogen op en ging recht overeind op zijn stoel zitten. "Neem mij niet kwalijk, Mrs. Spinkler!" zei hij, haar vriendelijk toelachende. "Ik zat met mijn gedachten in het East-End\*), bij die afschuwelijke moord op de oude woekeraar Dibbs. Ik heb het hele geval dóórgedacht, van 't begin tot het einde. De politie is op een dwaalspoor, Mrs. Spinkler!" De toegesprokene keek hem enigszins hulpeloos aan en knikte. "Het is nauwelijks te begrijpen, dat men zo weinig aandacht geschonken heeft aan de verklaring van de pakhuisknecht Hall", vervolgde de jonge man, terwijl hij zijn hospita aankeek met de harde uitdrukking in zijn blauwe ogen, die haar altijd 'n beetje zenuwachtig maakte. "U zult mij toegeven, Mrs Spinkler, dat..." En nu begon hij een lange, systematische uiteenzetting van de redenen, waarom hij aan de verklaring van de genoemden getuige zo'n gewicht hechtte. Mrs. Spinkler luisterde als een lam. En toen hij ophield met spreken, knikte zij opnieuw en zei: "U spreekt als 'n boek, Mr. Gill!" Vervolgens retireerde zij voorzichtig naar de deur en verdween in de donkere gang. Geoffrey dronk zijn kop koffie leêg, nam een van de kartonnen dozen van de plank en begon met een grote schaar de vóór hem liggende couranten te bewerken. Hij knipte er alles uit, wat betrekking had op de moord in het East-End, plakte de uitknipsels zorgvuldig op en legde die in de doos, die aan de voorzijde met een grote "D" gemerkt was. \*) De achterbuurten van Londen.
* * *

Daarop leunde hij opnieuw achterover en sloot de ogen. De volgenden dag ontving de Rechter, die het geval-Dibbs behandelde een kort briefje, waarin zijn aandacht gevestigd werd op zekere onderdelen van de verklaring van de getuige Hall. Het briefje was geteekend met twee letters: "G. G." Deze Rechter was niet de eerste, die zo'n briefje ontving. Sommigen zijner collega's was dat, bij de behandeling van andere strafzaken, ook reeds gebeurd. En de aldus gegeven aanwijzingen waren bijna altijd van grote waarde gebleken. Wie was "G. G."? Deze vraag werd, in de kringen der criminalisten, reeds nu en dan gesteld. Twintig jaar later zou de eerste de beste straatjongen die vraag onmiddellijk kunnen beantwoorden. Maar dat vermoedde toen nog niemand. --- ## Hoofdstuk II - Hollis & Turnbull. Geoffrey Gill had, vier jaren geleden, zijn beide ouders door een spoorweg-ongeluk verloren. Hij was toen geheel alleen op de wereld en bezat - alles goed uitgerekend juist £ 25 3 6 d. Dat was geen groot vermogen! Maar het stelde hem in staat, zonder honger te lijden, naar een betrekking uit te zien. Hij had die gevonden bij de Advocaten-firma Hollis & Turnbull. Aanvankelijk bestond zijn werk daar in het copiëeren van acten. Maar daarin kwam spoedig verbetering. Hoewel zijn opvoeding veel te wensen had overgelaten, zette hij het licht van zijn scherp verstand niet onder de korenmaat. Weldra kreeg hij beter en meer verantwoordelijk werk. En niemand kon aan de wijze, waarop hij dit verrichtte, bemerken, dat hij tot laat in de nacht bezig was met talen-studie of met de nauwgezette bestudeering uit de Nieuwsbladen van belangrijke strafprocessen. Beneden in het "boarding-house" van Mrs. Spinkler woonde een oude Fransman, die Montcalm heette en zich erop beroemde een afstammeling te zijn van de beroemde Fransen Gouverneur van Canada.\*) Hij was, in hart en nieren, Bonapartist en had zich nooit met het Republikeinse régime in Frankrijk kunnen verzoenen. Daarom had hij zich metterwoon in Engeland gevestigd en leefde daar stilletjes van de rente van zijn klein vermogen. Er was een grote vriendschap ontstaan Tussen dit kleine, uitgedroogde mannetje en de jongen Geoffrey. Van de zijde van dezen laatste was die vriendschap misschien niet geheel zonder nevenbedoelingen: hij begreep namelijk, dat het toeval hem hier een zeer bijzondere gelegenheid bood om zich in de Franse taal te oefenen. En waar talen-studie, in verband met de toekomst, die hij zich droomde, een zijner stokpaardjes was, liet hij die gelegenheid niet ongebruikt voorbij gaan. De grondslag van zijn latere buitengewone bedrevenheid in het gebruik van het Frans werd gelegd door zijn gesprekken met M. Montcalm. En - zullen wij het geheim verklappen? - het eerste onderwijs in het Duits kreeg hij van een Duitse kellner, die hij in een kleine restauratie, niet ver van zijn "boarding-house", ontdekt had! \*) : de Markies de Montcalm. Vermoedelijk zal het oude heertje deze afstamming wel gefantaseerd hebben!
* * *

Het was een natte, druilerige ochtend. De bedienden op het Advocaten-kantoor van Hollis & Turnbull in Y-, street", zouden straks, de een na de ander, vanuit de slecht verlichte gang, het grote kantoor-lokaal komen binnen stappen. Het waren er een stuk of tien en de eerste, die verscheen, was onze vriend Geoffrey. Niettegenstaande zijn nachtelijke studiën, zorgde hij steeds ervoor, des ochtends tijdig op zijn post te zijn. Geoffrey's plaats was aan een grote, langwerpige tafel, waarvan hij het gebruik met een zijner collega's deelde. Vlak tegenover hem, aan de wand, zat, met het gezicht naar hem toegekeerd, de oudste klerk, James Conway, een man van 'n jaar of vijftig, die - als de rechterhand der heren chefs op het kantoor de lakens uitdeelde. James Conway was wat ouderwets in zijn gewoonten. Hij was de enige van het kantoorpersoneel, die, naar aartsvaderlijk gebruik, op een hooge kantoorkruk troonde en een hoge lessenaar vóór zich had, waaronder zijn lange beenen gracieuselijk bengelden. Aan de aanblik van die beenen vergastte Geoffrey zich de gehele dag. Op de ochtend, waarvan nu sprake is, was - zoals reeds gezegd - onze vriend de eerste, die het kantoor-lokaal betrad. Hij was bijzonder vroeg, omdat het bleek, dat zijn horloge vóórliep. Geoffrey haalde zijn papieren voor de dag en ging daarna de gang weer in om, aan de overkant daarvan, een deur te openen, die toegang gaf tot het archief, waarin copiëer-boeken en biblioraphten bewaard werden. Zo'n biblioraphte had hij nodig, in verband met een vroeger gevoerde correspondentie, die hij moest nalezen. Spoedig had hij gevonden wat hij zocht, en daarop ging hij, de gang dwars overstekende, naar het grote kantoorlokaal terug. De gang, waarvan hier sprake is, was lang en vrij breed. Zij voerde aan de eene zijde naar buiten en aan de andere zijde lag de deur van de kamer, waarin de beide chefs der firma plachten te troonen. Die kamer kwam, met een tweede deur, in het grote kantoor uit. Op het ogenblik, waarop Geoffrey de gang overstak, zag hij de deur van de chefskamer opengaan, en - scherp afgeteekend tegen het raam, dat tegenover de deur lag de gestalte van de oudsten chef, Mr. Hollis. Deze moest zo juist de gang dóórgegaan zijn, om thans de bedoelde kamer binnen te treden.
* * *

Het is hier de plaats om het een en ander te vertellen van de beide firmanten der firma Hollis & Turnbull. De oudste firmant, Mr. Hollis, was een man van vijf-en-veertig jaar, groot en zwaar gebouwd, met een hoog voorhoofd en weinig haar. Hij had de naam van grote scherpzinnigheid en handigheid, maar maakte, in het dagelijks leven, een wat slaperigen indruk. Zijn bewonderaars beweerden echter, dat hij het meest op zijn "qui-vive" was, wanneer hij het slaperigst keek! Mr. Turnbull, de jongste der twee deelgenooten, was even lang als zijn oudere collega, maar veel slanker. Hij was trouwens bijna tien jaar jonger en het ontbrak hem niet aan benijders, die het "een schandaal" vonden, dat hij, z66 jong zijnde, reeds lid eener Advocatenfirma was, die tot de meest bekende van Londen behoorde. Intussen had hij dit, in de eerste plaats, te danken aan zijn grote kennis, gepaard aan een niet minder grote tact om met mensen om te gaan, terwijl zijn welsprekendheid, als lid der balie, algemeen bewonderd werd. Mr. Hollis had er dan ook nooit spijt van gehad, dat hij zijn jongeren collega tot compagnon had genomen, toen zijn steeds toenemende praktijk hem deed omzien naar iemand, die het werken en de zorgen (en de verdiensten!) met hem delen kon. Dat was nu vijf jaren geleden. Sedert had de firma een grote en wèlverdiende naam gekregen en beide firmanten behoorden tot de meest geziene leden der balie. Zowel Mr. Hollis als Mr. Turnbull was ongetrouwd en hun verhouding - ook buiten zaken - was een zeer vriendschappelijke. Niettemin was het de jongen Geoffrey Gill wel eens voorgekomen, dat er in de laatsten tijd enige verkoeling Tussen hen beiden ontstaan was. Nog enkele dagen geleden, toen hij - als laatst-vertrekkende van de bedienden - in het grote kantoor was achtergebleven en de deur, die in de gang uitkwam, op een kier was blijven staan, had hij Mr. Turnbull, die mèt Mr. Hollis dóór die gang naar de voordeur ging, vrij luid hooren zeggen: "Ik waarschuw je! Als je niet de weg volgt, die een fatsoenlijk man volgen moet, krijg je met mij te doen!" "Sst. sst!" had Mr. Hollis gesust, waarop de ander nog luider gezegd had: "Ik zeg je maar één ding: neem je in acht!" Dat alles klonk bijna als een bedreiging. Maar de volgenden dag scheen de vriendschappelijke verhouding Tussen de beide firmanten hersteld, zodat de jonge man niet verder nadacht over wat hij gehoord had.
* * *

Geoffrey zag dan, hoe Mr. Hollis, zonder hem te bemerken, de deur van de chefskamer, aan het einde van de lange gang, opende. Hij kon, langs zijn patroon héén, in de kamer zien en kwam daardoor tot de ontdekking, dat Mr. Turnbull, die anders meestal wat later op het kantoor placht te komen, dezen ochtend zijn ouderen collega was vóórgeweest. Hij zat aan zijn schrijftafel, met de rug naar de deur gekeerd, en keek niet om, toen Mr. Hollis binnen kwam. Geoffrey zag hem slechts één ogenblik. Toen werd de deur gesloten en een minuut later zat de jonge man aan zijn tafel in het grote kantoor. Zijn collega's kwamen nu, de een na de ander, binnen, de meesten mopperend over het smerige weêr en met hoogroode kleur tengevolge van de wind, die hun de regen in het gezicht gedreven had. Jimmy Buxton, de jonge man, die met Geoffrey aan dezelfde tafel zat en - wel eens wat al te veel! - als de "clown" van het kantoor fungeerde, zat nauwelijks op zijn plaats, of hij begon met een pathetisch gezicht het lijden van een bakkersjongen te beschrijven, die hij daareven, op straat, een potsierlijke val in de modder had zien doen. Hij deed zijn verhaal zo komisch, dat Geoffrey schudde van het lachen, hetgeen hem van de nu schijnbaar hevig vertoornden Jimmy een boetpredicatie op de hals haalde wegens zijn harteloosheid. Hoe kòn hij lachen, waar die arme jongen al z'n broodjes in de modder had laten vallen! Maar - 't was waar - hij had ze nèt zo weer in de mand gelegd en daarbij de opmerking gemaakt, dat de modder wel drogen zou: dat gaf croquante korstjes! Geoffrey's lachen werd, na deze mededeeling, er niet minder op. En ook anderen lachten meê, totdat de deur openging en de oudste klerk, James Conway, verscheen. Hij groette de aanwezigen met een korten knik en ging zitten achter zijn hooge lessenaar. Men lachte nu niet meer: Mr. Conway had er de wind onder! --- ## Hoofdstuk III - Alarm. Sinds een half uur was men hard, en in alle stilte, aan het werk. Het was nu over half-tien. Gewoonlijk werd Mr. Conway om half-tien, om brieven op te nemen, in de chefskamer geroepen. Dat geschiedde steeds doormiddel van een electrisch belletje, dat boven de lessenaar van de oudsten klerk uitkwam, en dat driemaal weerklonk, wanneer de dan nog enig aanwezige chef. Mr. Hollis, gereed was hem te ontvangen. Ditmaal bleef het gewone sein bijzonder lang uit. Geoffrey, wie dit was opgevallen (hem viel gewoonlijk méér op dan de meesten anderen) bracht het in verband met het feit, dat Mr. Turnbull die ochtend zo vroeg gekomen was. Vermoedelijk had deze iets dringends met zijn compagnon te bespreken en was dat gesprek nog niet afgelopen. Die verklaring was natuurlijk en hij dacht er niet verder over na. De zaak scheen hem van geen belang. In latere jaren zou hij zichzelven de vermaning hebben toegediend, dat ergeen "kleinigheden" bestaan en dat een schijnbare nietigheid tot de meest gewichtige gevolgtrekkingen leiden kan. Het zal tien uur geweest zijn, toen men in de gang enig gestommel hoorde. Dadelijk daarop ging de deur, die uit het kantoor in de gang voerde, open, en keek Mr. Turnbull naar binnen. "Mr. Conway!" riep hij vrij luid (want de afstand Tussen de deur en de lessenaar van de oudsten klerk was nog al groot). "Ik ben in dit hondenweêr met een ,cab'\*) gekomen. Laat u de ,cabby'\*\*) even vijf shilling betalen: ik heb geen klein geld bij mij!" \*) een rijtuigje. \*\*) de koetsier. Mr. Turnbull verdween en Mr. Conway wendde zich tot Geoffrey, die - zoals reeds gezegd is - vlak tegenover hem zat. "Hier zijn vijf shillings!" zei hij. "Wilt u ze even aan de ,cabby' geven, Mr. Gill?" Terwijl Geoffrey naar de deur ging, schoten hem allerlei gedachten door het hoofd. Zoeven had hij Mr. Turnbull reeds in de chefskamer gezien. Was hij weer uitgegaan? Zo ja, dan kon het uitblijven van het gewone sein voor de bespreking met Mr. Conway dus niet het gevolg zijn van een conferentie Tussen de beide compagnons. Het spreekt vanzelf, dat de jonge man in de verste verte niet vermoedde, dat deze gedachtengang van enig belang kon zijn. Dat zijn hersens aldus werkten, het geschiedde geheel onwillekeurig. Hij had die ochtend, om zo te zeggen onbewust, nog andere dingen opgemerkt, die later van grote beteekenis blijken zouden. Maar de herinnering daaraan zou eerst bij hem herleven, wanneer die beteekenis duidelijk zou worden. De gave om nauwkeurig te observeeren was hem aangeboren, en wanneer het geobserveerde achteràf van belang bleek, dook het beeld daarvan plotseling - als door een tooverslag - weer in zijn brein op! De "cabby" had zijn geld in ontvangst genomen en Geoffrey stond weer in de lange gang, aan het einde waarvan de deur van de chefskamer gelegen was. Hij had juist de hand aan de deurknop van het grote kantoor-lokaal geslagen, toen daarbinnen de electrische bel weerklonk, waarop hij reeds sinds half-tien gewacht had. Maar het was niet het gewone sein! Het was een lang aangehouden, driftig luiden, nu en dan even ophoudend en daarop met vernieuwde kracht voortgezet. Binnen hoorde hij stoelen verschuiven en uitroepen van verbazing. Onmiddellijk gevoelde hij, dat er iets bijzonders gebeurd was en dat die gebeurtenis in de chefskamer moest hebben plaats gehad: van daaruit immers kwam het schellen. De kortste weg Tussen twee punten is de rechte lijn. Instinctmatig naar deze geometrische waarheid handelende, vloog Geoffrey de gang door en opende de deur van de chefskamer, vóórdat nog iemand uit het kantoor die-betreden had. Met één oog-opslag nam hij in zich op, wat daarbinnen te zien was. En - merkwaardig genoeg! - bij wat hij zag, voelde hij plotseling een ijzige kalmte óver zich komen. Wanneer iemand hem op dat ogenblik geobserveerd had, zou het dezen zeker zijn opgevallen, dat zijn ogen plotseling een harde, doordringende uitdrukking hadden aangenomen en dat hun kleur tot een glinsterend staal-blauw geworden was. Mr. Turnbull stond bij zijn schrijftafel — dezelfde waaraan Geoffrey hem een uur geleden had zien zitten - en drukte als een bezetene op de electrischen schelknop, die, in een houten kastje gevat, daarop stond. Zijn ogen waren daarbij onafgewend gevestigd op het midden van de kamer en op de gestalte, die daar op de vloer lag uitgestrekt. Zij lag met het gezicht naar omlaag; de armen waren uitgestrekt en de vingers hadden zich krampachtig samengetrokken. Er bestond bij Geoffrey geen ogenblik twijfel, of de man, die daar op de grond lag, was de oudste firmant, Mr. Hollis. Verschillende bedienden - met Mr. Conway aan het hoofd - kwamen nu binnengestormd door de deur, die uit de chefskamer direct in het grote kantoor-lokaal uitkwam. Een ogenblik stonden zij als versteend bij de aanblik van de onbeweeglijke gestalte daar vóór hen op de vloer. Toen naderden zij en zouden, in hun ijver om te helpen, het lichaam zeker met het gezicht naar boven gekeerd hebben, zo Mr. Turnbull hen daarvan niet met een kort gebaar had teruggehouden. "Niemand mag hem aanraken", zei hij, met een schorre stem en bijna onverstaanbaar. "Dat is de zaak van de politie. Hij is dood, daaraan bestaat geen twijfel: een revolverschot dwars door het hoofd!" Het bleef een ogenblik zo stil, dat men een speld had kunnen hooren vallen. "Het was niet mijn bedoeling, dat u allen hier zou komen," zei Mr. Turnbull, thans duidelijker sprekend. "Dat plotselinge, hevige schellen..." begon Mr. Conway. "Heeft u allen doen ontstellen; dat begrijp ik best", viel de ander hem in de rede. "Maar het is beter, dat ieder nu naar zijn plaats gaat. Niemand mag het kantoor verlaten, vóórdat de politie er geweest is. Wilt u even hier blijven, Mr. Conway?" De aangesprokene voldeed aan dit verzoek, terwijl de bedienden zich verwijderden, daarbij nu en dan met schuwe blikken terugziende naar het lichaam, dat onbeweeglijk op de grond lag. Mr. Turnbull telefoneerde daarop onmiddellijk naar Scotland-Yard.\*) Zich vervolgens omdraaiende, ontdekte hij, dat er nog een derde persoon in de kamer gebleven was. *) Zetel van de officieelen detective-dienst. „Mr. Gill!" Er klonk enige verwondering in de toon, waarop Mr. Turnbull de naam uitsprak. En geen wonder! Geoffrey was de enige, die het voorbeeld der anderen niet gevolgd had. Hij stond bij het meest rechtse van de drie ramen en staarde, met de handen op de rug, naar buiten, alsof wat er om hem heen gebeurde, hem in het geheel niet interesseerde. Het scheen zelfs, alsof hij niet gehoord had, dat Mr. Turnbull hem riep. "Mr. Gill!" De toon was nu zo luid, dat Geoffrey wel hooren moest. Hij wendde het hoofd om en zag de advocaat aan met een eigenaardigen strakken blik, die de indruk maakte, alsof zijn gedachten geheel ergens anders waren. Tegelijkertijd hief hij de hand met een afwerend gebaar omhoog en sprak - tot niet geringe verwondering der beide anderen - deze beide woorden: "Wacht even!" En daarop sloot hij - tot klimmende verbazing dier anderen - de ogen!
"Mr. Gill!"

Mr. Turnbull wist niet, wat hij van dit zonderlinge en bijna onbeschaamde optreden denken moest. Hij wisselde een blik met Mr. Conway, die de schouders ophaalde; en daarop voelde hij, dat hij boos werd. Maar nog vóórdat hij aan die boosheid in woorden lucht had kunnen geven, sloeg Geoffrey plotseling de ogen op en glimlachte. "Pardon, meneer!" zei deze zonderlinge jongeman, terwijl hij zich even met de hand over het voorhoofd streek. "Ik geloof, dat u mij geroepen hebt?" "Dat heb ik inderdaad!" antwoordde Mr. Turnbull op niet heel vriendelijke toon. "Ga dadelijk terug naar uw plaats op het kantoor!" Geoffrey ging naar de deur. Hij had de deurknop reeds in de hand, toen hij zich omdraaide. "Het geval schijnt eenvoudig," zei hij. "Maar het zou mij niet verwonderen, als het meer gecompliceerd bleek dan het eruit ziet." Het volgende ogenblik had de deur zich achter hem gesloten.
* * *

De dokter had de dood geconstateerd. De kogel was rechts in de slaap gedrongen en was onder de linkerkaak weer voor de dag gekomen; hij werd gevonden achter in de kamer onder in de linkerzijwand. Inspecteur Higgins, die met twee politie-beambten verschenen was, stelde een voorloopig onderzoek in. Hij vestigde daarbij — ingevolge de mededeelingen, hem door Mr. Turnbull gedaan - een groot deel van zijn aandacht op de jongen Geoffrey Gill. Het spijt ons te moeten verklaren, dat onze vriend in het geheel niet onder de indruk kwam van de eer, die hem aldus bewezen werd. Hij beantwoordde de hem gestelde, niet zeer belangrijke vragen kort en duidelijk, maar met iets spottends in zijn stem, hetgeen de goeden Inspecteur niet weinig ergerde. Uit zichzelven deed hij geen enkele mededeeling en daarom bleef het voor iedereen verborgen, dat hij die ochtend Mr. Turnbull reeds in de chefskamer had gezien, vóórdat deze om tien uur in een "cab" was komen aanrijden. Overigens scheen hij niet méér te weten dan elk ander, zodat zijn verhoor niet veel belangrijks opleverde. Het gelukte Inspecteur Higgins niet, iets bijzonders aan de dag te brengen. Deze man was een ijverig en trouw beambte, maar hij bezat weinig initiatief en was niet óverscherpzinnig.
* * *

Toen, die avond, Mrs. Spinkler precies om 10 uur de koffie bij haar jongsten commensaal binnenbracht, vond zij - tot haar grenzenlooze verbazing - dezen gekleed om uit te gaan. Dat was in al die jaren nog nooit gebeurd! "Het wachten was alleen op de koffie!" verklaarde Geoffrey, terwijl hij deze haastig opdronk en over de rand van de kop zijn hospita met grote ogen aanstaarde. "Vanavond heb ik meer dan ooit behoefte aan een helder brein, en koffie..." Hij zette de leêgen kop met een veel-zeggenden zwaai op de tafel, daarmede blijkbaar uitdrukking gevend aan zijn onbegrensd vertrouwen in de opwekkende werking van het genoten vocht. "Maar als u vanavond tòch niet studeeren blijft..." begon Mrs. Spinkler. "Ik zal wèl studeeren, maar ditmaal buitenshuis!" lachte Geoffrey; en toen verbaasde hij de eerzame weduwe opnieuw, door zijn beide handen op haar schouders te leggen en haar diep in de ogen te kijken. "Hebt u wel eens een detective-roman gelezen, Mrs. Spinkler?" vroeg hij op ernstigen toon. "Natuurlijk!" antwoordde zij, bijna verontwaardigd. "Ik dweep met detective-verhalen, en..." Wederom liet Geoffrey haar niet uitspreken. "Dat is voldoende, Mrs. Spinkler!" zei hij. "Dan zult u weten, dat in zulke verhalen een aankomend detective dikwijls 'n schuchter jongeling is, die 't beter weet dan de officieele oomes, maar zich toch, uit louter bescheidenheid, de kaas van 't brood laat eten. In werkelijkheid is dat anders, Mrs. Spinkler! Ik ben van plan de kaas zèlf op te eten!" En, na deze enigszins raadselachtige woorden te hebben gesproken, ging Geoffrey de trap af en stapte in een "cab", die om de hoek van de straat stond te wachten. Mrs. Spinkler sliep die avond laat in, omdat ze te luisteren lag, of zij haar jongsten commensaal zou hooren thuis komen. Maar zij sliep lang, toen Geoffrey de trap weer òpkwam. --- ## Hoofdstuk IV - Een Waarschuwing. "Er is beneden een jongeheer, die u dringend te spreken viaagt, Mr. Turnbull!" De advocaat zat in een fauteuil in de leeszaal van zijn club. De klok had juist elf uur geslagen en hij was zozeer verdiept in zijn courant (er hadden die dag belangrijke debatten in het Lagerhuis plaats gehad), dat de bediende zijn woorden herhalen moest. "Ik wist niet, dat je het tegen mij had, George!" zei Mr. Turnbull, terwijl hij de courant neêrlegde. Er klonk enige wrevel in zijn stem. Het had hem moeite gekost, zich vrij te maken van verschillende nieuwsgierige vrienden, die hem die dag hadden aangeklampt, in verband met de tragedie, die zich op zijn kantoor had afgespeeld. Ten slotte was hij naar zijn club gevlucht - een rustige club, in een rustige straat gelegen, die slechts matig bezocht werd en waarin men gemakkelijk een stil hoekje vinden kon -, waar het hem gelukt was, ongezien in de leeskamer te komen. Hier had hij zich achter de "Times" verschanst, en - voor het eerst sinds die ochtend - was hij erin geslaagd, zijn gedachten los te maken van de vreeslijke gebeurtenis, die ze de gehele dag had bezig gehouden. De woorden van de bediende riepen hem tot de werkelijkheid terug — en het denken en tobben begon opnieuw! "Heeft de jonge man zijn naam niet genoemd?" vroeg hij lusteloos. "Als ik goed gehoord heb, heet hij Gill, of iets dergelijks", antwoordde de bediende. Daar had je het al! Geen ogenblik kon hij zich vrij maken van zijn beklemmende gedachten, of er gebeurde iets, dat hem weer middenin de ellende bracht! Maar aan de anderen kant bracht zijn van nature inquisitieve geest hem ertoe, de gelegenheid om misschien belangrijke zaken te vernemen, gretig aan te grijpen! Geoffrey Gill had die ochtend de indruk gemaakt, alsof hij meer wist dan hij zeggen wilde. Misschien...... Mr. Turnbull was opgestaan en keek even strak vóór zich. Toen haalde hij de schouders op en beval, dat men de jongen man beneden in een der spreekkamers laten zou. Enkele minuten later trad hij zelf die spreekkamer binnen. Geoffrey stond, met de handen op de rug en precies in dezelfde houding, waarin hij 's ochtends voor het raam gestaan had, voor een grote plaat, die aan de wand hing: Nelson's dood in de zeeslag bij Trafalgar. Toen de deur open ging, draaide hij zich om en in zijn ogen lag dezelfde harde glans, die Mr. Turnbull daarin ook toen gezien had. "Ik vraag verontschuldiging voor het late uur van mijn bezoek", zei hij op een toon, alsof hij die verontschuldiging niet behoefde te vragen. "Eerder kôn ik niet komen, omdat ik de zaak niet vroeger volledig had dóórgedacht." "Welke zaak?" "De zaak-Hollis." Hij sprak op koelen, zakelijke toon, zo koel en zakelijk, dat Mr. Turnbull zich daarover ergerde. "Ik begrijp niet, waarom juist u zich, meer dan anderen, het hoofd daarover breekt", zei hij. "Dat kan de schijn wekken, Mr. Gill, alsof u daarbij een persoonlijk belang hebt." "Ik kom in de eerste plaats in uw belang," luidde het onverwachte antwoord. En toen bleef het enige tijd stil. Het scheen, dat Mr. Turnbull er enigszins tegen òpzag over de zaak zelve te beginnen. Althans, de vraag, die hij nu stelde, had daarop niet direct betrekking. "Hoe wist u, dat ik hier was, Mr. Gill?" vroeg hij. Geoffrey glimlachte. "Ik vond u niet thuis, Mr. Turnbull! Ik begreep, dat u er niet op gesteld zou zijn, veel kennissen te spreken. Men is - trots de schijn van het tegendeel - in zo'n geval nergens veiliger dan in de leeszaal van een rustig clubgebouw. Daar moet iedereen z'n mond houden." "Ik wàs in de leeszaal", zei Mr. Turnbull. En opnieuw heerste er stilte. "Wij moeten nu tot zaken komen", hervatte Geoffrey, toen de ander zwijgen bleef. "Het is van belang, dat ik u het een en ander mededeel, vóórdat de gerechtelijke lijkschouwing\*) plaats heeft. Die zou anders onaangename verrassingen voor u kunnen brengen en daartegen wil ik u vooruit waarschuwen" \*) Het z.g. "inquest", gehouden door de Coroner ten overstaan van een jury. Mr. Turnbull's gezicht was één groot vraagteken, maar hij zei niets. "De wijze, waarop Inspecteur Higgins mij vanochtend ondervraagd heeft", aldus vervolgde Geoffrey, "wijst erop, dat ook de Coroner mij zal willen hooren. In dat geval zal ik naar waarheid moeten antwoorden. Mr. Turnbull!" "Er is niemand, die iets anders van u verlangt", merkte de advocaat op. "Maar het zou u in ongelegenheid kunnen brengen", zei Geoffrey met nadruk. "Mij?" Als Mr. Turnbull niet inderdaad verbaasd was, moest hij een volmaakt tooneelspeler zijn! Geoffrey keek hem enige ogenblikken strak aan. Toen zei hij, langzaam en met nadruk: "Als men mij ernaar vraagt, zal ik moeten zeggen, dat ik u reeds vóór negen uur in de chefskamer gezien heb, terwijl u om tien uur met een ,cab' vóórreedt en u de schijn gaaft, alsof u regelrecht van huis kwaamt!" De advocaat leunde achterover in zijn fauteuil en begon zacht te lachen. "Dit is amateurswerk, Mr. Gill!" zei hij. "U is nog maar 'n kind in de boosheid. Deze poging om de aandacht van uzelven af te wenden, is werkelijk àl te naïef." Geoffrey, die meer en meer een toon en manieren aannam, welke voor zijn leeftijd en zijn weinige ondervinding zeker niet pasten, schudde het hoofd op medelijdend-patroniseerende wijze. Dit prikkelde Mr. Turnbull zozeer, dat hij driftig werd. "U weet niet, hoe belachelijke het is", zei hij heftig, "wanneer een jongmens, dat nog niets beteekent, zich de ,allures' geeft van 'n man van gezag! Het enige, wat u thans bereikt hebt is dit, dat ik bevestigd word in mijn opinie, dat u meer van de zaak weet dan u zeggen wilt." "Die opinie is juist, Mr. Turnbull!" zei Geoffrey kalm. "Maar uw meening, als zou ik de aandacht van mijzelf willen afwenden door u in de zaak te mengen, is werkelijk àl te naïef!" Hij had hier dezelfde kwalificatie gebruikt, die de advocaat zich tegenover hem veroorloofd had; en Mr. Turnbull werd rood van kwaadheid. "Ik moet zeggen..." begon hij. Maar tot zijn eigen verbazing bleef hij in zijn woorden steken, toen Geoffrey de hand met een bijna bevelend gevaar ophief en hem met zijn harde, blauwe ogen strak aankeek. Er ging van dezen jongen man, nu hij zich bewoog op het terrein, waarvoor aanleg en studie hem bestemd hadden, een kracht uit, die men zeker niet achter de eenvoudigen bediende op een advocaten-kantoor gezocht zou hebben! "Ik verzoek u, uw gezond verstand te laten werken, Mr. Turnbull!" zei hij. "U zegt, dat het mijn doel is, de aandacht van mijzelf af te wenden. Maar u zult toch moeten toestemmen, dat ik geen beter middel had kunnen aangrijpen juist om de aandacht op mij te vestigen dan mijn optreden tegenover u?" "Waarschijnlijk een ongewild resultaat!" antwoordde de advocaat. "Men bereikt wel eens meer het omgekeerde van wat men bereiken wil!" "In dit geval stellig niet!" lachte Geoffrey. "Mijn doel speciaal uw aandacht te boeien, is zeker bereikt! En ik stem gaafweg toe, dat ik meer weet... dan u!" "Als die wetenschap van hetzelfde kaliber is als wat u zoeven verteld hebt omtrent mijn aanwezig-zijn op het kantoor vóórdat ik in mijn ,cab' arriveerde, is zij niet veel waard, Mr. Gill!" "Door de wijze, waarop u mijn mededeeling daaromtrent hebt opgenomen, hebt u mij tot dusverre belet een nadere explicatie te geven", hernam de jonge man. "Opnieuw moet ik u verzoeken, uw gezond verstand te laten werken. Wat volgt uit het feit, dat ik u vooruit ben komen waarschuwen voor wat ik wellicht aan de Coroner zal moeten meêdelen?" De advocaat haalde de schouders op, maar zei niets. "U is te scherpzinnig", vervolgde Geoffrey, "om, bij nader inzien, niet te begrijpen, dat wanneer ik u in verlegenheid had willen brengen, ik u niet vooruit zou hebben gewaarschuwd. Het feit, dat ik dit wèl doe, bewijst, dat ik u helpen wil!" "Ik heb uw hulp niet nodig!" "Dat kunt u vooruit niet weten, Mr. Turnbull! Het is mogelijk, dat nog anderen u gezien hebben op dat vroegere uur." "Ik zeg u toch, dat ik toen niet op het kantoor gewéést ben!" stoof Mr. Turnbull op. "Om deze pertinente verklaring was het mij te doen!" zei Geoffrey opstaande. "Zij bevestigt mij in wat ik reeds vermoedde." "En dat zegt u, terwijl uzelf beweert mij gezien te hebben?" Er verscheen een glimlach op het gezicht van de jongen man. "Mag ik even oneerbiedig zijn, Mr. Turnbull?" vroeg hij, met - in de ogen - een uitdrukking van onderdrukte vrolijkheid, waardoor (vreemd genoeg!) de drift van zijn patroon bezworen werd. "Je bent waarachtig al oneerbiedig genoeg geweest", bromde deze. "'n Beetje meer of minder komt er niet op aan." "Welnu! Een der meest beruchte voorwerpen, niet alleen op ons kantoor, maar in geheel de Y-, street' is uw kantoorjasje, Mr. Turnbull. Men heeft zich meermalen afgevraagd..." "Hoe ik ertoe kom zo'n oud jasje te dragen!" viel de advocaat hem - half lachend, half geërgerd - in de rede. "Dat gaat niemand anders aan dan mij!" "Ik onderstel, dat het vooral de de mens ingeboren inertie zijn zal, die u van het koopen van 'n nieuw afhield!" zei Geoffrey met een ernstig gezicht. "Ik weet niet, of het u bekend is, dat sinds enkele dagen de rug van het gezegde kleedingstuk gedecoreerd is met twee winkelhaken...?" "Die beroerde spijker in de kleêrenkast..." "De reden doet niets ter zake, Mr. Turnbull! Het feit is er. Gisterenochtend om negen uur heb ik die twee winkelhaken duidelijk gezien op de rug, die u mij toekeerde!" "Ik wàs het niet...!" zei de advocaat, weer heftiger. "Dan was het een ander, die ongeveer uw gestalte heeft", antwoordde Geoffrey. "Ik heb hem niet in het gezicht gezien. Is de kleêrenkast in de chefskamer altijd open?" "Natuurlijk! De kantoor-jasjes van Mr. Hollis en mijzelf kunnen niet geacht worden veel aantrekkingskracht op dieven uit te oefenen!" "Het uwe zeker niet!" zei Geoffrey. "En toch, Mr. Turnbull, voor die anderen man schijnt uw jasje niet veilig geweest te zijn." "U gelooft dus nu óók niet meer, dat ik het geweest ben?" De jonge man schudde lachend het hoofd. "Ik geloofde dat reeds niet, toen ik hier binnen kwam", zei hij. "Er zijn aanwijzingen, die het onaannemelijk maken." "Welke?" "Ik hoop, dat u mij zult toestaan die vraag voorloopig niet te beantwoorden." Mr. Turnbull keek hem verbaasd aan. "U gedraagt zich als een detective," zei hij. "Het is mijn proefstuk. Mr. Turnbull", luidde het antwoord, dat op ernstigen toon gegeven werd. "Mr. Hollis was mijn patroon en ik heb mij voorgenomen, in deze zaak klaarheid te brengen." De advocaat was onder de indruk geraakt van Geoffrey's ernst en gedecideerdheid. "Als u dat gelukt..." begon hij. "Zullen wij beiden tevreden zijn, Mr. Turnbull! Ik Wens u goedenavond!" En met een buiging verliet hij het vertrek. --- ## Hoofdstuk V - Geruchten. Toen Geoffrey die avond om half-één voor de deur van Mrs. Spinkler's "boarding house" stond, zag hij, dat er nog licht brandde op de kamer van M. Montcalm. Hij ging daarom niet de trap op (zijn eerzame hospita, die haar slaapkamer op de tweede verdieping had, lag nog steeds te wachten en sliep pas 'n uur later in!), maar klopte zachtjes aan de deur van de kleinen Fransman. Deze deed zelf open. Hij had een kamer-japon aan en liep op pantoffels. In de linkerhand hield hij een Franse courant en de rechter stak hij de jongen man toe, hem daarbij, over zijn grote brilleglazen heen, bedenkelijk aankijkende. "Is het werkelijk M. Geoffrey?" vroeg hij, zich van de Franse taal bedienende. "Is M. Geoffrey niet meer dezelfde, serieuze jonge man, die een voorbeeld was voor àlle jonge mannen? Tot half-één op straat...? Wat teekent dat...?" "Shut up, old fellow!"\*) zei Geoffrey, meer vrijmoedig dan beleefd. "Ik ben niet gekomen om onnodige lessen in de zedeleer te ontvangen, maar om een technisch advies te krijgen." \*) Houd je mond, oude jongen! "Een technisch advies?" vroeg M. Montcalm verbaasd. "Ik ben toch geen natuur- of werktuigkundige?" „U is soldaat geweest en u hebt verstand van vuurwapenen", zei Geoffrey, terwijl hij aan de tafel plaats nam. "Ikzelf heb daarvan ook wel enige kennis, maar die is tot dusverre vooral theoretisch. U is een man van de praktijk! U hebt geweren en pistolen afgeschoten..." "Dat is waar!" zei het oude heertje. "Ik heb voor Sebastopol gevochten. Dat was 'n goeie tijd!" "Ik vrees, dat niet iedereen dat met u eens zal zijn", meende Geoffrey. "Maar dat doet er op 't ogenblik weinig toe. Hoofdzaak is, dat ik in u een betrouwbaar deskundige gevonden heb." Daarop staken die beiden de hoofden bij elkaar, en toen Geoffrey z'n kamer opzocht, sliep Mrs. Spinkler reeds langen tijd de slaap der rechtvaardigen. En - zou men het geloven? - gedurende de daarop volgende avonden bleef de lichtzinnige jonge man evenmin thuis!
* * *

De gerechtelijke lijkschouwing had plaats gehad. In Engeland wordt deze geleid door de Coroner, die daarbij een voorloopig onderzoek instelt naar de oorzaak van de dood, waarover de jury zich ten slotte heeft uit te spreken. Bij dit onderzoek kunnen getuigen vernomen worden en, wanneer de uitspraak van de jury luidt, dat deze of gene bepaalde persoon ervan verdacht wordt de dood veroorzaakt te hebben, wordt deze (wanneer hij nog op vrije voeten mocht zijn) aan de justitie overgeleverd. Het is geen zeldzaamheid, dat, wanneer er een moord heeft plaats gehad, de uitspraak in dezen geest uitvalt, dat één of meer on bekende personen die moord begaan hebben. Dan is het de taak van de politie, op te sporen wie die onbekenden zijn. Ook in het geval-Hollis werd een dergelijke uitspraak gegeven. De vraag, of zelfmoord had plaats gehad, werd ontkennend beantwoord, op de getuigenis van de geneesheer, die geroepen was om de dood te constateeren. Hij betoogde, dat de richting, waarin de kogel door het hoofd gegaan was, tegen de onderstelling van zelfmoord pleitte, terwijl de omstandigheid, dat er geen revolver bij het lijk gevonden was, deze opvatting bevestigde. Vermoedelijk had de aanvaller zijn slachtoffer op de grond geworpen en daarop, zelf staande, op hem geschoten. Zoals Geoffrey verwacht had, werd hij door de Coroner scherp in het verhoor genomen. Hij beantwoordde alle vragen kort en duidelijk. Daar men hem de vraag, wanneer Mr. Turnbull ten kantore verschenen was, niet stelde, onthield hij zich van alle mededeeling betreffende de persoon, die hij om negen uur in de chefskamer gezien had, toen Mr. Hollis daar hinnentrad Als getuigen werden voorts gehoord: Mr. Turnbull, Mr. Conway en enkele der kantoor-bedienden. Geen hunner ook Geoffrey niet - had het schot in de chefskamer gehoord. Men vond dat ook niet vreemd, omdat men aannam, dat de moord reeds geschied kon zijn, toen de bedienden op het kantoor kwamen. Dit stemde ook overeen met de meening van de geneesheer. Dat Geoffrey Mr. Hollis die ochtend nog in levenden lijve gezien had, wist niemand. Hij had er, vóór het alarm, op 't kantoor met niemand over gesproken, omdat hij er niets bijzonders in zag, en daarná had hij, in verband met wat hij had opgemerkt, zeer bepaalde redenen om daarover het stilzwijgen te bewaren. Ook in zijn gesprek met Mr. Turnbull, in diens clubgebouw, had hij erover gezwegen. Thans, bij het verhoor, had niemand hem de vraag gesteld, wanneer hij Mr. Hollis het laatst gezien had. Hij gevoelde zich niet verplicht uit zichzelven op dit punt inlichtingen te geven. Mr. Conway had verklaard, dat de oudste firmant elken ochtend direct naar de chefskamer ging en dat hijzelf hem eerst te zien kreeg, wanneer hij, door het sein met de electrische schel, ontboden werd. Ook op de ochtend, waarop zich het drama had afgespeeld, had niemand Mr. Hollis zien binnenkomen - aldus, althans, verklaarde de oudste klerk, niet wetende wat Geoffrey gezien had. Die verklaring was dus onjuist en onvoorzichtig. Blijkbaar ging de man uit van de onderstelling, dat, wanneer iemand Mr. Hollis gezien had, die iemand dat wel verteld zou hebben. In elk geval, de Coroner richtte hieromtrent geen verdere vragen tot Geoffrey. En deze was daarover zeer verheugd, want hij alleen bleef daardoor meester van de toestand. Waarom...? Alleen hijzelf had op deze vraag het antwoord kunnen geven.
* * *

De uitspraak van de jury luidde: "Dood tengevolge van een revolverschot, dwars door het hoofd, gelost door een onbekend persoon." De Londenaars trokken elkaar de nieuwsbladen uit de handen om het verslag van de gerechtelijke schouwing te lezen. Want de belangstelling was algemeen. Het vage oordeel van de jury gaf natuurlijk weinig bevrediging aan hen, die op sensationeele nieuwtjes belust zijn. Men verwachtte nu alles van de werkzaamheid der politie. En deze toog dan ook aan de arbeid. Maar zij bracht de zaak niet veel verder: er waren geene aanwijzingen, waarop zij, met enige kans van slagen, kon voortbouwen. Toch begon er, na korten tijd, een gerucht te lopen, dat meer en meer in stelligheid toenam. Geoffrey vernam het eerst, toen hij - op de dag van Mr. Hollis' begrafenis -, als gewoonlijk, de maaltijd gebruikte aan de gemeenschappelijke tafel van Mrs. Spinkler's "boarding-house". "U hebt zeker al gehoord, wat men elkaar thans vertelt", begon Mr. Roling, een jonge man, die procutarie-houder was op een kantoor in vetwaren en aan tafel schuin tegenover Geoffrey zat. Onze vriend was bezig te worstelen met het pootje van een kip, die door de poelier juist bij tijds gered was van de dood ingevolge vergevorderden leeftijd, en begreep daarom niet, dat de woorden tot hèm gericht waren. "I say, Mr. Gill!" zei Mr. Roling, met verheffing van stem. "Men schijnt het ervoor te houden, dat Uw gewezen patroon het slachtoffer is geworden van de wraakzucht van zijn compagnon." "Van Mr. Turnbull?" vroeg Geoffrey, terwijl hij zijn ontleedkundig werk staakte en een niet vriendelijke blik wierp op het roode gezicht van zijn overbuur. "Och, de mensen vertellen elkaâr wel meer dwaze dingen." "Maar de geruchten zijn heel stellig", hernam Mr. Roling. "Men zegt, dat de verhouding Tussen de beide heren in de laatsten tijd te wensen overliet." "Onzin!" bromde Geoffrey. Maar hij dacht toch terug aan de dag, toen hij Mr. Turnbull tot Mr. Hollis had hooren zeggen: "Ik zeg je maar één ding: neem je in acht!" Nauwelijks was hij van tafel opgestaan, of er meldde zich iemand aan om hem te spreken. Toen hij de ouderwets gemeubelde en duf-riekende spreekkamer binnentrad, vond hij daar Inspecteur Higgins, die burgerkleeding droeg. "Ik ben zo vrij bij u te komen, Mr. Gill", aldus begon deze waardige vertegenwoordiger van Scotland-Yard, "om enige inlichtingen in te winnen, in verband met de zaak-Hollis. Tegenover de Coroner hebt u op 'n zo intelligente manier uw getuigenis afgelegd, dat ik hoop iets belangrijks van u te zullen vernemen. U schijnt mij een jongeman, die scherp observeert." Als de Inspecteur ooit de waarheid gesproken had, deed hij het zeker op dat ogenblik! "Ik zou graag wat nader worden ingelicht omtrent de verhouding Tussen Mr. Hollis en Mr. Turnbull", hernam de Inspecteur. "Hebt u nooit opgemerkt, dat die verhouding te wensen overliet?" Het liefst had Geoffrey niet geantwoord, maar - al vond hij de vrijheid inlichtingen, die hij geven kòn, maar die men niet van hem verlangde, vóór zich te houden -, nu de vraag hem eenmaal gesteld was, achtte hij het zijn plicht met de waarheid voor de dag te komen. "Hun verhouding scheen mij sinds korten tijd minder goed dan voorheen", zei hij. "Dat klopt!" hernam Inspecteur Higgins. "Hetzelfde is mij ook van andere zijde verklaard. Hebt u ooit gehoord, dat zij woorden hadden?" "Woorden niet bepaald..." Hij weifelde even. "U schijnt tòch iets bijzonders gehoord te hebben!" zei de Inspecteur, die deze weifeling dadelijk opmerkte. "Ik luister met belangstelling, Mr. Gill!" Daarop vertelde Geoffrey, wat hij die bewusten namiddag in de gang gehoord had. "Dat is waarachtig een directe bedreiging!" meende de Inspecteur. "Het geval kon er voor Mr. Turnbull wel eens lelijk gaan uitzien. U hebt misschien ook al gehoord, dat er voor dezen minder gunstige geruchten in omloop zijn?" "Vanwaar stammen die geruchten?" vroeg Geoffrey. "Dat is moeilijk uit te maken, Mr. Gill! Maar zij schijnen toch wel enige grond te hebben!" Inspecteur Higgins was opgestaan en maakte zich gereed om afscheid te nemen. "Nog één woordje!" zei Geoffrey. "Het is misschien in uw ogen wat vreemd, wanneer een jongeman, als ik, het waagt aan een man, als u, een raad te geven. Maar als 't een goede raad is, moet u het vreemde maar voor lief nemen!" De Inspecteur keek hem met grote ogen aan. "En wèlken raad zou u mij dan willen geven?" vroeg hij, met iets spottends in zijn stem. "Deze", luidde het onverwachte antwoord: "Niet af te gaan op wat de mensen vertellen en zelf niet aan de mensen te vertellen, waarop ú afgaat!" "Ik dank u voor de wijze les!" zei Inspecteur Higgins, terwijl hij een diepe buiging maakte. "U kunt erop rekenen, dat ik voortaan méér bij u in de leer zal gaan!"
"Ik dank u voor de wijze les."

En met een sarcastisch lachje verliet hij de kamer, weinig vermoedende, dat, wat hij gezegd had, een voorspelling blijken zou, die niet alleen in zijn eigen geval, maar ook in dat van vele zijner collega's zou uitkomen! --- ## Hoofdstuk VI - Geoffrey Zoekt Een Baantje. Dienzelfden avond zat Mr. Turnbull opnieuw in de leeszaal van zijn club, verschanst achter de "Times". Hij zag er slecht en vermoèid uit; en blijkbaar kon hij zijn gedachten niet bepalen tot het nieuws, dat de courant hem bracht. Zijn ogen dwaalden telkens onrustig door de kamer, en nu en dan streek hij zich met de hand over het voorhoofd, als om de sombere gedachten, die daar huisden, te verdrijven. Evenals enkele dagen geleden, kwam de bediende George hem mededelen, dat Mr. Gill beneden was om hem te spreken. En ditmaal scheen dit bezoek hem niet te verrassen. Haastig stond hij op en ging naar beneden, waar Geoffrey hem in de spreekkamer wachtte. De jonge man stond opnieuw met aandacht te kijken naar de plaat, die Nelson's dood voorstelde; en opnieuw draaide hij zich om, toen Mr. Turnbull binnen kwam. Het viel hem dadelijk op, hoe slecht deze eruit zag; en hij verbeeldde zich dientengevolge dat hij het doel, waarmede hij gekomen was, gemakkelijk bereiken zou. Want hij meende, dat Mr. Turnbull zich de geruchten, die over hem in omloop waren, sterk had aangetrokken. "Ik hoop, dat u mij een ogenblik aandacht zult kunnen schenken, Mr. Turnbull", begon hij. "Het zal vermoedelijk niet voor u verborgen gebleven zijn, dat men minder welwillend over u begint te spreken. Er zouden in de laatsten tijd wrijvingen Tussen u en Mr. Hollis zijn voorgekomen." "Onzin!" zei de advocaat, met een ongeduldig schouderophalen. "Ik zou u aanraden het niet te ontkennen!" antwoordde Geoffrey. "Er zijn te veel mensen, die het hebben opgemerkt, - ikzelf weet het óók! Uw ontkennen zou men verkeerd kunnen uitleggen." "Hoor eens, Mr. Gill!" zei Mr. Turnbull, terwijl hij plotseling met de vuist op de tafel sloeg. "Ik heb genoeg van uw detective-werk! Waaròm u zich met alle geweld bemoeien wilt met dingen, die u niet aangaan, begrijp ik niet. Maar ik moet u nadrukkelijk erop wijzen, dat ik niet kan toelaten, dat uw zonderlinge liefhebberijen in dit opzicht in botsing komen met uw plicht als bediende op mijn kantoor." Geoffrey keek nu enigszins verontwaardigd. "Voorzooverre ik weet, hebt u zich te die aanzien niet te beklagen gehad", zei hij. "Het toeval wil echter, dat ik u juist wilde verzoeken, mij enige dagen verlof te geven; ik zou dan in de gelegenheid zijn, méér te ontdekken dan tot dusverre." "Ik dènk er niet aan, u daarvoor verlof te geven, Mr. Gill !" "En ik dacht, dat u er prijs op stelde, de waarheid te weten te komen", zei Geoffrey, terwijl hij zijn patroon scherp aankeek. Deze begon te lachen; maar hij was zeer bleek geworden. "De zaak is alleen", zei hij, "dat ik er niet van overtuigd ben, dat ú die waarheid aan het licht zou brengen! Het is mij nog niet gelukt, uw liefhebberen op detectivegebied ernstig op te nemen." Geoffrey was opgestaan en ging langzaam naar de deur. Daar aangekomen, draaide hij zich om. "Mr. Turnbull!" zei hij. "Ik zal morgenochtend, langs de gewonen officieelen weg, verlof aanvragen door bemiddeling van Mr. Conway." "Ik zal u dat verlof dan langs de gewonen officieelen weg moeten weigeren", lachte Mr. Turnbull. Maar zijn lach klonk allesbehalve vrolijk. "Dan zal ik verlof moeten nemen!" zei Geoffrey en wandelde, met uitdagend opgeheven hoofd, de deur uit. Mr. Turnbull ging een ogenblik later, de trap op, naar de leeskamer terug. Zijn gezicht had een asgrauwe kleur: het scheen, alsof hij plotseling vele jaren ouder was geworden. Geoffrey echter stelde zich, op de langen weg naar huis, telkens de vraag, waarom Mr. Turnbull, die hem enkele dagen vroeger in het geheel niet van de taak, die hij zichzelven gesteld had, had teruggehouden, thans plotseling elke medewerking geweigerd had. Was er in die tussentijd iets veranderd? "Wij zullen zien!" mompelde Geoffrey. En zijn ogen stonden harder dan ooit.
* * *

De volgenden ochtend wendde de bediende Geoffrey Gill zich tot de oudsten klerk, met het verzoek om enkele dagen verlof. Mr. Conway was laat op het kantoor gekomen en nam hem nu apart, met een bedenkelijk gezicht. "Mr. Turnbull heeft mij reeds op uw verzoek voorbereid", zei hij. "Ik verwonder er mij over, dat u ermede voor de dag zijt gekomen: u weet immers, dat u nul op het rekwest zult krijgen." "Ik wilde Mr. Turnbull in de gelegenheid stellen een fout te herstellen", antwoordde Geoffrey. In zijn geestelijk notitieboekje noteerde hij, dat Mr. Turnbull, hoewel hij zich de schijn had gegeven de zaak niet "au sérieux" te nemen, haar toch blijkbaar belangrijk genoeg gevonden had om haar, uit eigen beweging, met Mr. Conway te bespreken. De oudste klerk lachte, maar er lag iets gedwongens in zijn vrolijkheid. "U schijnt nog al enige verbeelding van uzelven te hebben!" zei hij. "Mr. Turnbull zal uw goedertierenheid zeker op hogen prijs stellen. Ik behoef hem intussen uwverzoek niet over te brengen: u kunt geen verlof krijgen, Mr. Gill." De jonge man keek enige ogenblikken strak vóór zich. "Het spijt mij", zei hij toen. "Ik moet enige dagen vrij-àf hebben." "U spreekt nog al boud, Mr. Gill!" "Er blijft mij niets anders over, Mr. Conway! U zult mij dezen middag niet op het kantoor terugzien." De oudste klerk werd nu gemoedelijk. "Wees toch niet dwaas, beste jongen!" zei hij, zich de schijn van grote hartelijkheid gevend. "Weet je wel, dat je daarmeê je reeds verdiend salaris verspelen zou?" "Dat heb ik ervoor over!" antwoordde Geoffrey. Hij kon de gedachte niet van zich afzetten, dat Mr. Conway nog meer zenuwachtig dan hartelijk was. "Het is trouwens niet uitsluitend een kwestie van geld", vervolgde de oudste klerk. "Het is nog veel meer een kwestie van fatsoen. Uw plicht tegenover Mr. Turnbull, uw patroon, moest u van zo'n onbehoorlijke handelwijze terughouden." Geoffrey dacht een ogenblik na. Toen zei hij: "Ik heb nog een anderen patroon gehad: Mr. Hollis. En mijn plicht tegenover hèm weegt zwaarder bij mij dan die tegenover Mr. Turnbull. Want Mr. Hollis is dood... vermoord..." De oudste klerk werd nu boos. Met een ongeduldig gebaar legde hij Geoffrey het zwijgen op. "U moet zelf weten, wat u doet!" zei hij scherp. "Maar ik verzeker u, dat het u niet gemakkelijk vallen zal een nieuwe betrekking te vinden, als u deze op zo'n onbehoorlijke manier verlaat." "Dat is m ij n zaak", zei Geoffrey, nu ook zijnerzijds boos. "En nu u tòch van ons weggaat, verzoek ik u maar dadelijk het kantoor te verlaten", vervolgde Mr. Conway. "Mr. Turnbull heeft uw koppigheid voorzien en geeft er de voorkeur aan, de relatie dan maar onmiddellijk te verbreken." "Ik zou het op prijs stellen, hem persoonlijk goedendag te zeggen", zei Geoffrey. "Hij stelt daarop géén prijs", antwoordde de oudste klerk strak. "Ik heb de eer u te groeten, Mr. Gill. "Goedenmorgen, Mr. Conway!" Vijf minuten later wandelde Geoffrey de straat op en hij dacht met een gevoel van grote dankbaarheid aan het "vermogen", dat hij zich — door zuinig te leven — in de laatste vier jaren van zijn salaris had kunnen besparen! Zijn vaderlijk erfdeel was meer dan verdriedubbeld: hij bezat nu bijna £ 85! Maar hij nam zich voor om die rijkdom desnoods geheel te offeren om klaarheid te brengen in het geheimzinnige geval-Hollis. "Zo, jonge heer! Gaat u zitten!"
* * *

De spreker was Inspecteur Higgins. Hij zat achter een tafel met veel papieren erop in een kleine kamer van Scotland-Yard. Ditmaal was hij in uniform. Aan een tweede tafel, dichter bij het enige raam, waarop het méér dan eenvoudige vertrek bogen kon, zat een kleine man in burgerkleeding. De "jongeheer", tot wie de uitnodiging om te gaan zitten gericht was, was niemand anders dan Geoffrey Gill, die van het kantoor der firma Hollis & Turnbull regelrecht naar Scotland-Yard gewandeld was en daar, op zijn verzoek, na enig wachten, tot Inspecteur Higgins was toegelaten. Geoffrey ging recht op zijn doel af. "Ik kom u mijn diensten aanbieden, Inspecteur!" zei hij. "Welzoo, welzoo!" zei Higgins, die - achterover in zijn stoel geleund — de vingertoppen van de rechter- tegen die van de linkerhand áándrukte en zijn duimen krijgertje deed spelen. "Wil de jongeheer een cursus voor onze detectives geven? Gisteren heb ik al een vóórproefje van zijn wijsheid gehad!" Geoffrey keek hem verbaasd aan. Hij begreep niet, dat de Inspecteur hem nog altijd niet vergeven had, dat hij dezen, als slot van het gesprek in het "boarding-house", een "wijze les" had gegeven! "Ik wilde u vragen, of u mij gebruiken kunt bij het onderzoek in de zaak Hollis", zei hij. Inspecteur Higgins lachte nu. "En ik dacht, dat de jongeheer de helen dag op het kantoor bij Mr. Turnbull acten zat te copiëeren", zei hij. Geoffrey had het hoofd in de nek geworpen: hij begreep, dat hij voor de gek werd gehouden. "Ik bèn niet meer op het kantoor van Mr. Turnbull, Inspecteur!" "Hebt u gedaan gekregen?" informeerde Higgins met een quasi-belangstellend gezicht. "Ja, dan kan ik mij begrijpen, dat u naar 'n baantje zoekt. Maar hier zult u dat niet vinden!" "Waarom niet?" "Omdat u, trots al uw wijsheid, geen detective-hersens hebt", decreteerde de Inspecteur. "Gisteren hebt u me te verstaan gegeven, dat Mr. Turnbull wel eens niet zo onschuldig zijn kon als hij eruit ziet, omdat hij met zijn compagnon woorden had gehad." "Ik heb u dat nooit te verstaan gegeven!" zei Geoffrey. "Het was uw eigen conclusie!" "Dan schijnt u zich niet precies meer te herinneren, wat u gezegd hebt," hernam Higgins, die de aangename eigenschap bezat, aan andere mensen zijn eigen fouten in de schoenen te schuiven. "In elk geval: u hebt zich lelijk vergaloppeerd!" "Hoezo?" vroeg Geoffrey, die nu rood van ergernis was. "Wij hebben kunnen vaststellen, dat, op de ochtend van de moord, Mr. Turnbull zijn huis niet vóór half-tien verlaten heeft en met zijn , cab' onmiddellijk naar zijn kantoor is gereden. Hij kwam daar om tien uur aan: dat klopt." "En...?" informeerde Geoffrey, in wiens ogen nu een spottende uitdrukking was gekomen. "Hij kan dus onmogelijk de hand in het spel gehad hebben, want Mr. Hollis moet ongeveer om negen uur vermoord zijn: op dat punt is de dokter zeer positief. Kijk eens, Mr. Gill, het heeft ons heel wat moeite gekost de ,cabby', die Mr. Turnbull gereden heeft, op het spoor te komen. Maar toen we hem eenmaal gevonden hadden, kon hij getuigen, dat zijn passagier om half-tien uit zijn huis gekomen en naar zijn kantoor gereden was. Zou u er ooit op gekomen zijn, om die, cabby' op te sporen? Ik vraag het u in allen gemoede!" Tot grote verbazing van de Inspecteur, begon thans Geoffrey te lachen. "Neen, zeker niet, Inspecteur!" zei hij. "Ik zou dat nooit gedaan hebben. Want ik wist die morgen om tien uur al, wat u met zoveel moeite ontdekt hebt!" "Welzoo! Welzoo!" zei Higgins opnieuw; maar hij keek toch enigszins onthutst. "Onder die omstandigheden", vervolgde Geoffrey, "geloof ik inderdaad, dat het maar beter is niet met u samen te werken. U zou de gang van het onderzoek toch maar vertragen!" En, met een korten groet, wandelde hij de deur uit. --- ## Hoofdstuk VII - Het Verloofde Wasmeisje. Het liep naar half-vier. Mrs. Evergreen stond in de deur van haar winkeltje en keek naar buiten. Zij was een knappe, welgedane vrouw van 'n jaar of veertig en verdiende als "laundress"\*) een aardige duit. Jaren geleden was er ook een Mr. Evergreen geweest. Maar het gerucht ging, dat deze, tijdens zijn huwelijk, zijn naam met heel wat minder eere gedragen had dan, na zijn dood, zijn stevige, vrolijke weduwe.\*\*) \*) fijne-wasvrouw \*\*) "Evergreen" = altijd groen (ook van in de winter groenblijvende planten). Links en rechts van Mrs. Evergreen, in de twee kleine uitstalkasten, lagen keurig gestreken en fijn gemangelde overhemden en manchetten, hagelwit en netjes gesteven. Achter haar, in de kleinen winkel, waren drie knappe meisjes, met bloote armen en grote schorten voor, druk aan het strijken en mangelen. Zij zouden er zeker nog smakelijker hebben uitgezien dan de overhemden en manchetten in de uitstal-kasten, wanneer zij niet zo warm waren geweest. Het kleine, smalle huisje, waarin Mrs. Evergreen haar bedrijf uitoefende, was haar wettig eigendom. Het had twee verdiepingen en zag eruit, alsof het betere dagen gekend had. Mrs. Evergreen had haar slaapkamer op de eerste verdieping; en de twee kamertjes op de bovenste placht zij te verhuren: daarvan stond er thans één, het achterkamertje, leêg, blijkens het briefje, dat aan de binnenzijde van een der uitstalkasten was aangeplakt en waarop aangekondigd stond, dat het gezegde kamertje te huur was. Terwijl Mrs. Evergreen in de deur stond en naar rechts de nauwe straat in keek, kwam er van die kant een jonge man aangewandeld, iemand met 'n frisse kleur en blauwe ogen.. "Wat 'n knappe jongen!" dacht Mrs. Evergreen en de wasmeisjes in het winkeltje schenen het met haar eens te zijn; want, toen de jonge man een ogenblik later voor de deur bleef stilstaan, stootten zij elkaar aan en giechelden zo luid, dat Mrs. Evergreen òmkeek en "sst!" riep. "Ik zie, dat u een achterkamertje te huur hebt, Mrs. Evergreen!" "Dan ziet u goed, Sir!" antwoordde zij met een breeden, vriendelijke lach. "Maar hoe weet u zo gauw mijn naam?" "Die staat toch op het venster", zei de jonge man, terwijl hij wees op het "Mrs. Evergreen, Laudress", dat in witte letters op het glas van de uitstalkast geschilderd was. "Och, natuurlijk!" lachte de goedmoedige vrouw. "Hoe dom, dat ik daaraan niet dadelijk dacht. Wilt u het achterkamertje zien, Sir?" "Als het niet te veel moeite is..." "Natuurlijk niet! Komt u maar binnen en wees zo goed mij te volgen." De drie meisjes streken en mangelden nu, alsof hun leven ervan afhing, maar de overhemden, die zij onder handen hadden, verkeerden in doodsgevaar. Want de ogen zagen niet wat de handen deden: die ogen hielden zich ijverig bezig met de knappen jongen, die Mrs. Evergreen door de winkel naar de smalle trap volgde. "Wat 'n schat!" zuchtte een der meisjes, toen de beenen van de dikke vrouw op weg naar hoogere regionen verdwenen waren. "Houd je mond, Kitty! Jij bent verloofd!" klonk het op 't zelfde ogenblik en op denzelfden snibbigen toon uit de mond der beide anderen. En daarop keken de twee, die het laatst gesproken hadden, elkaar riet vijandige blikken aan: hun gelijktijdige uitval had haar over-en-weer de stand van elkaârs gevoelens verraden. Zij gevoelden zich mededingsters en verachtten elkaar, van stonde af, dienovereenkomstig! De onschuldige oorzaak der dreigende onenigheid - de jongeman met de blauwe ogen - was inmiddels met zijn geleidster op twee-boven-achter aangekomen. Hij stond nu in een klein, meer dan eenvoudig gemeubeld achterkamertje. Uit het raam kijkende, zag hij, links en rechts, een korte blindemuur en op enige meters afstand de achterzijde van een groter gebouw, waarvan alleen de beneden-verdieping bewoond scheen. Toen beging Geoffrey Gill (men zal onzen vriend wel reeds herkend hebben!) twee fouten achter elkaar. Men houde in het oog dat hij nog maar een beginneling was en dat een proefstuk geen meesterstuk zijn kan! "Wat is dat voor een huis?" vroeg hij, op het gebouw aan de overzijde wijzende. "O, dat zijn de huizen van Y-, street'", luidde het antwoord. Het werd enigzins stroef gegeven en verschilde daardoor een nuance van de opgewekte spreekwijze, die Mrs. Evergreen eigen was. Geoffrey hoorde het en tòch beging hij de tweede fout. "Heeft deze kamer lang leêg gestaan?" informeerde hij. "Een hele poos!" "En wie heeft hier vroeger gewoond?" Het duurde enige tijd, vóórdat het antwoord kwam, en het gezicht van Mrs. Evergreen stond nu bepaald onvriendelijk. "Ik vind u wel wat onbescheiden in uw vragen", zei zij. En nu eerst drong het tot Geoffrey door, dat hij te hard van stal was gelopen. In de geest schudde hij het hoofd over zijn eigen onvoorzichtigheid. Hij keek opnieuw naar buiten en zweeg. "Als u de kamer huren wilt, moet u vier weken vooruit betalen", vervolgde Mrs. Evergreen, "Eigenlijk vraag ik mij af, of het wel goed is, 'n jongen man zo aan de verleiding bloot te stellen. Mijn meisjes beneden..." Met beide handen greep Geoffrey de gelegenheid aan, die hem hier geboden werd. Het lag in het geheel niet in zijn bedoeling zijn zolderkamer bij Mrs. Spinkler tegen het achterkamertje van Mrs. Evergreen te verwisselen. "Als u mij voor iemand van die kracht aanziet", zei hij, met een verongelijkten toon in zijn stem, "is het maar beter, dat wij niet verder praten, Mrs. Evergreen. Bovendien is die eis van vier weken vooruit al héél ongewoon. U schijnt zich van de zaak te willen àfmaken en ik ben niet gewoon, mij op te dringen." Hij opende de deur van de kamer en begon de trap af te dalen. "Niet zo haastig, Sir, niet zo haastig!" riep Mrs. Evergreen, hem snel volgend. Zij had hem - onder ons gezegd en gezwegen! - nog wel graag 'n beetje aan het praten willen brengen, maar hij bleek onvermurwbaar. Met een kort: "Goeiendag!" ging de jonge man de winkel door en, rechts-om, de straat in.
* * *

Geoffrey had juist een zijstraat ingeslagen, toen hij een vluggen, lichten stap achter zich hoorde. Een ogenblik later passeerde hem een der wasmeisjes van Mrs. Evergreen, met - aan de arm - een mand vol strijkgoed. Zij zag hem, in het voorbijgaan, coquet aan en glimlachte, zoals alleen 'n knap wasmeisje glimlachen kan. Geoffrey had plotseling 'n ingeving: hij besloot, zich bloot te stellen aan de verleiding, waartegen Mrs. Evergreen hem gewaarschuwd had. "Goeien middag!" zei hij, zijn pas versnellende. "Mag ik 'n eindje meewandelen, Miss... Miss..." "Miss Kitty", zei zij, hem vriendelijk toeknikkend. "Welnu, Miss Kitty? U antwoordt mij niet?" vervolgde Geoffrey, terwijl hij zijn plaats innam aan die zijde van het meisie, waar zij de mand niet droeg! "U loopt op uw eigen beenen", zei Kitty met de mond; en "wat 'n schat!" zei ze met het hart. "Ik heb het achterkamertje niet gehuurd", zei de "schat". "Hè, hoe jammer! Waaròm niet?" Zij zag hem even in de ogen, bloosde toen allerliefst en wendde het hoofdje af. "Het was mij te duur: ik moest vier weken vooruit betalen!" klaagde Geoffrey zijn nood. "Wat 'n onzin!" riep Miss Kitty. "U hebt toch helemaal geen gezicht, dat iemand wantrouwend maakt!" "Mrs. Evergreen heeft zeker onaangename ondervindingen met vroegere huurders opgedaan", zei Geoffrey. "Staat het kamertie al lang leêg?" "Al 'n paar weken, behalve dan die paar dagen, dat Miss Conway er geweest is." "Hoe heet die dame?" "Miss Conway: een kennis van Mrs Evergreen. Maar die betaalde geen huur." "U is goed op de hoogte, Miss Kitty!" "Ik wou dat ik wat beter op de hoogte was! Wij hebben geen van allen begrepen, waarom Miss Conway die dagen haar huis verlaten heeft. Eerst dachten wij, dat zij ruzie met haar vader had. Maar die is haar vanochtend zelf komen halen." "Kènt u hem, Miss Kitty?" "Ik had hem, bij mijn weten, nooit gezien, vóórdat-i z'n dochter halen kwam: 'n lange man, met 'n glad gezicht en donkere ogen. Hij moet ergens op 'n groot kantoor werken." Miss Kitty las vermoedelijk geen nieuwsbladen; anders zou zij wel méér van Mr. Conway geweten hebben. Geoffrey was stil geworden, zo stil, dat het meisje hem een paar maal van ter zijde aankeek. Zij kwamen nu in een drukkere straat, waar Miss Kitty op een omnibus wachten moest. Geoffrey bleef werktuiglijk staan, toen zij stilstond. "Wacht u óók op de omnibus?" vroeg zij. Het was, alsof de jonge man plotseling wakker schrikte. "Het spijt mij erg, juffrouw Kitty, maar ik heb hier in de buurt nog wat te doen." "Hoe jammer!" zei zij opnieuw. En toen ontstond er een benauwende stilte: Geoffrey's kennis van het schoone geslacht ging niet ver genoeg om zich uit de situatie te redden. Maar Miss Kitty kwam hem - helaas voor haarzelve! - te hulp. "Zien wij elkaar nog terug?" vroeg zij schuchter, maar met een blik, die zelfs Geoffrey begreep. "Als het mogelijk is..." begon hij, wat verward. "Zeker is het mogelijk!" lachte zij. "Eigenlijk is het niet mooi, wat ik doe, Mr... Mr..." "Mr. Alfred", loog Geoffrey welgemoed. „...Mr. Alfred! U moet weten, dat ik verloofd ben, maar die jongen..." "Neemt u mij niet kwalijk, Miss Kitty!" viel de jonge man haar snel in de rede. "Dàt heb ik niet geweten. Ik zou het anders niet gewaagd hebben, u aan te spreken! U is toch niet boos op mij?... Niet?... Nu, dan zal ik u niet langer lastig vallen! Nogmaals mijn verontschuldigingen!" Een ogenblik later stond Miss Kitty alleen op haar omnibus te wachten. Zij keek de snel- voortstappenden jongen man na met een gezicht, waarop verbazing en teleurstelling te lezen stonden. Toen stampte zij met een van haar kleine voeten op de grond. En zij zei - kort en zacht - een enkel woord; maar ditmaal was het iets anders dan "schat". --- ## Hoofdstuk VIII - Geoffrey Op Het Krijgspad. Er waren geen vijf minuten verlopen, sinds Geoffrey van de schoone Kitty afscheid genomen had, toen hij - diep in gedachten op het trottoir voortstappende - zich op de schouder voelde tikken. Achter hem stond een jongmens, met 'n kort jasje, een slappen hoed en een licht-blauwe flodder-das om de hals. "Zou u eens even willen meêkomen?" vroeg deze jonkman beleefd. "Uw uitnodiging is heel vriendelijk", zei Geoffrey, "maar ik ken u niet." Een ogenblik kwam de gedachte bij hem op, of hij misschien de aanstaande van Miss Kitty vóór zich had, die rekenschap vragen kwam van zijn intiem wandelpartijtje met die jonge dame. Het gezicht van de jongen man stond echter zo vriendelijk, dat er heel wat fantasie toe nodig was, in hem de jaloersen minnaar te ontdekken. "Ik weet ook niet precies, wie ú is", lachte hij. "Ik volg alleen de mij gegeven orders en die komen hier op neêr, dat ik u naar de Waterloo-Bar brengen moet." De Waterloo-Bar was, zoals Geoffrey wist, vlak in de buurt. Hij vroeg zich af, of het wel verstandig was tijd te verliezen; want hij had die namiddag nog méér voor. Maar - anderzijds - was het voorzichtig, juist in deze dagen, niets dat hem overkwam, gering te tellen. Het kòn zijn, dat ook dit voorgestelde bezoek aan de Waterloo-Bar in verband stond met de zaak! En het geheimzinnige waas, dat over de onverwachte uitnodiging lag, prikkelde hem. Men ziet het: Geoffrey, die later andere mensen zo plagen kon met hun "inquisitieven geest", was ook zelf niet geheel vrij van dat artikel. In elk geval, hij volgde de jongen man met de flodder-das. In de Bar was het niet druk. Er stonden een paar gasten voor het lange buffet; en achterin het lokaal, waar enkele tafeltjes stonden, zat, aan één daarvan, een eenzame heer. Geoffrey herkende dezen dadelijk: het was dezelfde kleine man in burgerkleeding, die hij enkele uren vroeger in de kamer van Inspecteur Higgins getroffen had. De kleine man glimlachte, toen hij Geoffrey binnen zag komen. Hij knikte hem reeds vanuit de verte toe en toen onze vriend bij het tafeltie stond, was de jongeman met de flodder-das plotseling op geheimzinnige wijze verdwenen. "Gaat u zitten, Mr. Gill!" zei de kleine man. "Ik wilde graag eens rustig met u praten, zonder dat anderen het weten. Mijn naam is Monk!" Monk!... Een der "grote mannen" van Scotland-Yard! De spil, waarom de officiëele detective-dienst draaide! De man, wiens naam alleen reeds de schrik bracht in de harten der Londense misdadigers, maar wiens persoon steeds op de achtergrond bleef en slechts aan weinigen hekend was! En aan hèm, Geoffrey, had deze grote man zich bekend gemaakt! Wat 'n geluk!... Wat 'n eer ook! "Het is mij een groter genoegen dan ik ooit zal kunnen zeggen...", begon de jonge man; maar Mr. Monk viel hem in de rede. "Laat die plichtplegingen maar varen", zei hij. "Wij hebben wat beters te doen. Mijn vriend Higgins heeft u vanochtend wel wat gauw naar huis gestuurd. Hij heeft z'n goede eigenschappen, maar dáárin heeft-i zich vergist. Er zit méér in u dan hij vermoedt: u bevalt me!" Geoffrey boog. Hoewel hij anders niet op zijn mondje gevallen was, wist hij nu niet goed, wat hij zeggen moest. "Het is mij onmogelijk", vervolgde Mr. Monk, terwijl hij Geoffrey een sigaret aanbood en er zelf een opstak, "u aan Inspecteur Higgins toe te voegen tegen zijn wil. Ik zou hem ook niet voor het hoofd willen stooten. En tòch wil ik u bij uw onderzoek zoveel helpen als ik kan." Opnieuw boog Geoffrey, maar bleef zwijgen. "Perkins, de jonge man, die u hierheen heeft gebracht, heeft mij bericht, dat u in het huis van Mrs. Evergreen geweest is. Ik weet niet, of u daar iets ontdekt heeft, en ik vraag het u ook niet. Maar het feit alleen, dat u erheen is gegaan, bewijst, dat u detective-hersens hebt. In dit opzicht verschil ik dus van opinie met Inspecteur Higgins." Perkins had hem dus, van Scotland-Yard uit, gevolgd! "Versta mij nu wel, Mr. Gill!" vervolgde de kleine "grote man". "U blijft geheel los staan van Scotland-Yard; u handelt geheel op eigen verantwoordelijkheid. Maar als u hulp nodig hebt, in welken vorm ook, dan kunt u zich tot Perkins wenden. Hij heeft mijn instructies en hij zal u een adres geven, waar u hem altijd bereiken kunt." Dit aanbod van hulp was voor Geoffrey een Godsgeschenk! Sinds hij serieus aan het werk was gegaan, had hij inderdaad behoefte gevoeld aan hulp van een zeer bepaalde soort. In zijn boeken en couranten schenen de dingen zo eenvoudig, maar, als men er eenmaal vóór stond... "Ik ben u hartelijk dankbaar, Mr. Monk!" zei hij. "Vindt u het onbescheiden, wanneer ik de mij aangeboden hulp nu reeds dadelijk inroep?" "Ik had niet anders verwacht," zei Mr. Monk, terwijl hij de jongen man vriendelijk toeknikte. "Op 't ogenblik zal uw werk wel vooral bestaan uit wat wij ,shadowing'\*) noemen. U hebt natuurlijk het gemis gevoeld aan..." \*) = "schaduwen": de gangen van anderen nagaan. "... aan een geschikte vermomming!" zei Geoffrey opgewonden. "Wend u tot Mr. Perkins, die u bij de uitgang vinden zult", zei Mr. Monk. "En nu nog één ding: mocht u, door eigen kracht, deze zaak tot een goed einde brengen, meld u dan bij mij aan en leg mij uit, naar welke methode u gewerkt hebt. Vermoedelijk zal er dan in Scotland-Yard een aardig plaatsje voor u open zijn: dat hebt u dan verdiend!" "En als ik niet slaag?" "Blijft u dan maar thuis! Goeiendag, Mr. Gill!"
* * *

Dienzelfden dag tegen zes uur (het uur, waarop het kantoor van Hollis & Turnbull placht uit te gaan) stond er buiten, niet ver van de deur, die op de ons bekende, lange gang uitkwam, schildersknecht. Zoals bij meer sildersknechts een scheen deze man door zijn kleeding het geval is, de schijn te willen wekken, dat hij artist was. Hij droeg een breed-geranden hoed; hij had lange haren; een rood-gespikkelde das was hem zwierig om de hals gestrikt en hij prijkte in een versleten pandjes-jas, die hij stijf toegeknoopt droeg. De man scheen in de buurt te zijn om werk op te nemen. Hij liet zijn oog langs de gevels en vensters der aan de overkant liggende huizen glijden en maakte nu en dan in een klein, smerig opschrijf-boekje een aanteekening. Toen de klokken van de "City" zes uur sloegen, wandelde hij langzaam op in de richting van de deur, waardoor, op dat ogenblik, de bedienden van Hollis & Turnbull naar buiten kwamen. Hij bleef, met de rug daarheen gekeerd, aan de overkant staan, maar een goed opmerker zou gezien hebben, dat hij zijn plaats zoodanig gekozen had, dat hij het spiegelbeeld van de deur in de ruit vóór zich zag. Het laatst van de bedienden trad Mr. Conway naar buiten, onmiddellijk gevolgd door Mr. Turnbull zelven, die zijn stap versnelde om de oudsten klerk in te halen. Daarop liepen die beiden, langzaam en in druk gesprek, verder. De schildersknecht volgde hen op enige afstand. Hij zag, dat de beide heren, na enige tijd, elkaar de hand reikten en dat elk hunner zijns weegs ging. Een ogenblik was het, alsof de man, die hen volgde, weifelde. Toen scheen zijn besluit genomen en hij volgde Mr. Conway. Indien Geoffrey (want dat de schildersknecht en onze vriend één en dezelfde persoon waren, zal de lezer al wel duidelijk zijn) verwacht had, dat hij, Mr. Conway volgende, naar vreemde oorden gevoerd zou worden, waar Mr. Conway noch hijzelf onder normale omstandigheden iets te maken had, kwam hij - althans voorloopig - bedrogen uit. De oudste klerk volgde, zonder om te zien, de gewonen weg, die hij dagelijks ging om naar de standplaats van de omnibus te komen, die hem naar zijn woning voeren zou; en Geoffrey begon reeds op een langen omnibus-rit te rekenen, toen er iets onverwachts gebeurde. Vlak bij de standplaats stond een dikke vrouw met een opzichtigen hoed op en - niettegenstaande het mooie weer - een geweldige paraplu in de hand. Er was niet de minste twijfel mogelijk: die vrouw was niemand anders dan Mrs. Evergreen! En zij wachtte op Mr. Conway, want, toen zij dezen zag aankomen, ging zij hem onmiddellijk tegemoet. Het viel Geoffrey op, dat zij, voor haar doen, er ernstig uitzag. De gewone glimlach lag wel om haar mond, maar minder breed dan anders; en Tussen de ogen vertoonde zich, op het overigens nog gladde voorhoofd, een rimpel, die van zorgelijk nadenken getuigde. De jonge man wist het zo in te richten, dat hij vlak in de buurt was, op het ogenblik, waarop de klerk en de wasvrouw elkaar ontmoetten. "Ik moet u noodzakelijk spreken", hoorde hij Mrs. Evergreen zeggen. "Ik wist niet, langs welken weg u hierheen zou komen. Daarom ben ik maar aan de standplaats van de omnibus gaan staan." "U hadt mij evengoed in Y-, street' kunnen opwachten", zei Mr. Conway. "Het is toch beter, dat men ons niet samenziet! En bovendien..." Zij waren langzaam opgewandeld en Geoffrey durfde hun niet àl te dicht op de hielen te blijven, omdat dit te veel opvallen zou. Hij bleef het paar echter in het oog houden, hetgeen niet moeilijk was, omdat zij niet ver dóórliepen, maar telkens, wanneer zij op enige afstand van de standplaats gekomen waren, weer òmkeerden. Zij vermeden het blijkbaar, dicht in de buurt van anderen te komen. De vrouw sprak veel en druk, maar vermoedelijk op zachten toon; want Mr. Conway boog zich telkens tot haar óver, om haar goed te kunnen verstaan. Het was duidelijk te zien, dat de tijding, die Mrs. Evergreen hem bracht, geen goede was. Zijn gezicht stond somber en hij scheen elke minuut zenuwachtiger te worden. Op een gegeven ogenblik bleef hij op het trottoir staan en gaf met zijn wandelstok een nijdige slag tegen de rand daarvan. In zijn drift had hij zijn stem wat verheven, zodat Geoffrey, die op dat ogenblik binnen gehoorsafstand was, hem duidelijk hoorde zeggen: "Waar bemoeit zo'n brutale vlegel zich mede?..." "Sst! Sst!" kalmeerde Mrs. Evergreen. Wat zij verder zei was onverstaanbaar. Maar Geoffrey had een vaag vermoeden, dat de hier bedoelde "brutale vlegel" hem niet onbekend was! En, mocht zijn vermoeden juist zijn, dan bestond er voor hem reden, zichzelven te feliciteeren. Want dan was het bewijs geleverd, dat hij op het spoor was van iets, dat die beiden geheim wilden houden; en dan... Mrs. Evergreen had afscheid genomen en Mr. Conway scheen zijn voornemen om de omnibus te nemen, te hebben laten varen. Hij wandelde thans met snellen pas verder, als iemand, die een bepaald doel voor ogen heeft en dat snel wil bereiken. Dit doel bleek een Bijkantoor van de Telegraaf te zijn, waar hij binnenging en haastig twee telegrammen schreef. Nevens hem, aan de breede lessenaar, stond een schildersknecht, die enige moeite had met het invullen van een telegram-formulier. "Waar moet ik het adres schrijven, Sir?" vroeg hij, met een wat schorre stem, aan de man naast hem, zich tot hem óverbuigende en hem het formulier vóórhoudende. "Dáár!" antwoordde Mr. Conway, ongeduldig, terwijl hij met zijn potlood de plaats aanwees en de vrager zelfs niet aanzag. De schildersknecht had in dat korte ogenblik de woorden gelezen, die Mr. Conway op zijn formulier had ingevuld: "Ik kom van avond niet thuis." Die mededeeling scheen niet zeer interessant! Enkele minuten later had Geoffrey, terwijl hij achter Mr. Conway aan het loket stond te wachten, gelegenheid het adres - maar ook niet meer dan het adres! - van het tweede telegram te lezen. Het luidde: "Lawyer\*) Turnbull", en daarop het huisadres van de advocaat! \*) Advocaat. Geoffrey's eigen telegram was voor Mrs. Spinkler bestemd; en die dame schudde het hoofd, toen zij het 'n uur later open maakte. Zij las: "Maak u niet ongerust, als ik vannacht niet thuis kom. ..G. G." "Mr. Gill raakt bepaald op de verkeerden weg", zei zij, toen zij dienzelfden avond het telegram aan M. Montcalm lezen liet. Maar deze lachte. "De jeugd blijft de jeugd", zei hij. En Mrs. Spinkler vond hem een onzedelijke oude heer! --- ## Hoofdstuk IX - Landelijke Genoegens. Vanuit Londen bereikt men, na drie kwartier sporens, een klein, landelijk plaatsje, dat wij Bridge-end zullen noemen. Het ligt in een breed dal, omgeven door lage, ronde heuvels. Een kleine stroom - bij hengelaars wèlbekend - kronkelt zich hier, in langzaam, ietwat slaperig tempo, naar een der grotere zij-rivieren van de Thames, en over dezen kleinen stroom voert, in een hogen boog, een steenen brug, waarop - aan de zijde van het dorp een kleine toren is gebouwd. De brug is heel oud en voor oudheid-kenners - een belangrijk en in haar soort zeldzaam bouwwerk. Aan de overzijde van de brug liggen slechts zeer enkele huizen: meestal boeren-woningen, op grote afstand van elkaar verspreid over het zacht-glooiende terrein, dat geheel bedekt is door koren-, boekwijt- en aardappel-velden. Precies om acht uur des avonds hield de lokaal-trein, uit Londen komende, stil aan het kleine, half in het groen verscholen station. Onder de weinige passagiers, die uitstapten, bevond zich een lange, magere man, die - zonder naar rechts of links te kijken - haastig de dorpsstraat in sloeg in de richting van de oude brug. De dorpsbewoners, die hem tegenkwamen, schenen hem te kennen. Sommige hunner groetten hem zelfs en de dorpsbarbier, die in de deur van zijn woning stond en de aan zijn beroep eigen vrijmoedigheid in ruime mate bezat, riep hem over de straat toe, hoe het met zijn dochter ging. "Dank u! Beter!" riep de ander kort-af terug en daarop vervolgde hij zijn weg, zonder zich tot een praatje te laten verleiden. Niet ver achter de langen man liep een schildersknecht, met lange haren en een slappen hoed op. Ook hij was met de Londense trein medegekomen. Hèm zagen de dorpsbewoners met nieuwsgierige, hoewel niet onvriendelijke blikken, aan; hij was hier blijkbaar een vreemdeling. En de bewoners van deze streek zijn goedmoedige mensen, die een vreemdeling niet als een vijand beschouwen. De woorden, die Tussen de langen man en de barbier gewisseld waren, waren luid genoeg geweest om het oor van de schildersknecht te bereiken. Toen deze voor de barbierswoning aangekomen was, bleef hij stil staan. Hij streek zich eens met de hand over de kin en scheen over het resultaat daarvan nog al tevreden. Althans hij schudde het hoofd, keek met een glimlach naar de barbier en zei: "Ik ben vanmiddag pas geschoren! Maar ook zonder dat ik mij nu weer scheren laat, zult u mij wel even willen terecht helpen!" De barbier lachte nu op zijn beurt, en vroeg, waarmede hij de ander van dienst kon zijn. Daarbij voegde hij een paar opmerkingen over het korten van de dagen en over de prachtigen avond, zoals dat sinds eeuwen de gewoonte van het barbiersgilde geweest is. "Ik moet werk gaan opnemen te Willowmoor", zei de ander. "Moet ik dan niet de brug over? En is het nog vèr van hier?" De barbier keek verbaasd. "Als u nog naar Willowmoor moet, zult u dat werk vandaag wel niet meer kûnnen opnemen! Het ligt minstens op 'n uur afstands, en, tegen de tijd waarop u er zijn kunt, zal het pik-donker zijn." "Dat doet er niet toe", luidde het antwoord. "'t Is een grote karwei en morgen komt er wéér een dag. Nachtverblijf zal ik wel vinden." "U moet zeker op het kasteel zijn?" informeerde de barbier; en Geoffrey, die niet wist, dat er bij Willowmoor een kasteel wàs, antwoordde bevestigend. "Ziet u die langen man daar, die nu juist op de brug is?" vroeg de barbier. "Gaat u die maar na. Maar als hij straks links-om slaat, moet u recht-uit gaan." "U schijnt precies te weten, waarheen elke wandelaar hier op weg is!" lachte de schildersknecht. "Dat is in dit geval geen grote kunst! Die meneer heeft hier 'n zuster wonen: daarginds, aan de overkant. Zijn dochter logeert daar op 't ogenblik: die is wat ziekelijk en heeft buitenlucht nodig." "Nu, die zal ze hier genoeg te happen krijgen! Intussen wel bedankt voor uw inlichtingen. Ik loop die meneer dus maar na, totdat hij naar links gaat." "En dan rechtuit! Goeienavond en prettige wandeling!" Geoffrey wandelde verder. Hij had vernomen, wat hij weten wilde. En bovendien: hij kon de man vóór hem blijven volgen, zonderdat de barbier, die ongetwijfeld de "babbelende geest" van het dorp was, daarin iets opvallends vond.
* * *

Midden op de brug bleef Geoffrey even stilstaan. Hij zag terug in de richting, waaruit hij gekomen was; en vanaf de hogen bruggeboog kon hij duidelijk het dak zien van het kleine station, waar hij zoeven was uitgestapt. Hij raadpleegde daarop zijn horloge. "Nog een uur, vóórdat de volgende trein uit Londen komt", prevelde hij zacht. Verwachtte hij iemand met die volgenden trein?... Vóór hem uit, aan de overzijde van de rivier, liep Mr. Conway met haastigen pas het zwak-hellende pad op, dat naar de lagen heuvelkam en - aan de andere zijde daarvan - naar Willowmoor voerde. Zijn gestalte verdween nu en dan achter de lage boomgroepen, die langs de weg groeiden. Hoewel de schemering weldra zou intreden, was er thans nog genoeg licht om hem, op dezen afstand, in het oog te houden. Maar het was zaak, ervoor te zorgen, dat de man hem niet àl te veel vooruitkwam. Geoffrey zette er dus nu, ook zijnerzijds, een flinke vaart achter. Hoe vervuld hij ook was van de zaak, die hem hierheen had gevoerd, hij was toch niet blind voor het landelijke schoon van zijn omgeving. De scheidende zon goot een goud-rooden schijn over koren- en boekwijtvelden en kaatste hier en daar, als vlammend vuur, in de vensterruiten van de huizen, die op de hellingen der heuvels verspreid lagen. Mèt de avond zonk weldadige kalmte neder op het in lichtende schemering wijd-uitdeinende landschap, aan de andere zijde van de kleinen stroom. Zacht ruiste het in wilgen en populieren. Het tjilpen en fluiten der vogels was verstomd; slechts nu en dan klonk, bijna onder de voeten van de wandelaar, angstig gepiep, gevolgd door fladderen in de lage struiken: het waren kleine vogels, die aan de rand van het pad nestelden en thans reeds voor de tweede maal opgeschrikt werden door voetstappen, die in hun onmiddellijke nabijheid passeerden. Hoog uit de lucht klonk plotseling de schreeuw van een roofvogel: een grote sperwer, in wijde kringen zwevend op onbeweeglijke vleugels, tot hij opééns neêrschoot naar de aarde op een alleen voor hèm zichtbaren prooi. Die sperwer was, in deze omgeving van vredige rust, als een scherpe dissonant in welluidende muziek. Die sperwer alléén...? Over Geoffrey kwam die plotselinge stemming van beangstigenden twijfel, die zich van elk redelijk voelend en denkend mens meester maakt, wanneer hij - voor het eerst! - zijn medemens nadert met het doel dezen in het verderf te storten. En ook al heeft die medemens het lot, dat hem wacht, dubbel en dwars verdiend... de twijfel in het gemoed van de naderenden wreker is er niet minder om! Wie is hij, dat juist hij zich tot het werktuig der wrake heeft gemaakt? Waarom moet juist hij leed en tranen brengen, waar thans de hoop nog leeft, ook al mocht die verduisterd zijn door het bewustzijn van schuld? Wie geeft hèm het recht, zijn medemens naar het verderf te sleuren, als de sperwer zijn prooi? Geoffrey voelde, dat hem een rilling door de leden voer! Waarom wàs hij hier? Waarom besloop hij, in deze om-` geving, die van goddelijke vrede sprak, zijn menselijk wild, als de jager het redelooze dier? Was het niet alléén omdat hij, voor zichzelven, daarvan roem en eer verwachtte: de lof van anderen, de belooning, die de jager beurt, als hij zijn wild verkoopt? Zou voor hèm zo'n belooning geld, verdiend ten koste van het ongeluk van zijn medemens — geen bloedgeld zijn? Was het beroep, dat hij - in zijn boeken en couranten studeerende - mooi en eervol gewaand had, niet een verachtelijk beroep, nu de werkelijkheid op hem instormde?
En hij zat neêr...

Hij kreeg een gevoel, alsof de ledematen hem de dienst weigerden. En hij zat neêr, aan de rand van de weg, met de ellebogen op de knieën geleund en het hoofd in de handen!
* * *

Toen - langzaam maar zeker - kwam de reactie! Niet als de sperwer zijn prooi, niet als de jager zijn wild naderde hij zijn schuldigen medemens! Geen lust naar materieel genot, geen wreedheid dreef hem. Nevens hem ging een lichtende Engel, met een streng gelaat, maar met een traan in het oog: de Gerechtigheid!\*) De misdadigers, die zij met haar vlammend zwaard dreigde, waren zelven de sperwers, die zich stortten op hun prooi. Zij maakten hun medemensen tot offers van hun lusten en hun hebzucht. Maar... mensen bleven zij! Mensen als hij zelf! Ongelukkige schepsels, zedelooze schepsels, gevallen schepsels, maar... mensen! En, terwijl hij daar neêrzat aan de weg, kwam óver hem de overtuiging, die zijn gehele leven beheersen zou: het volle, klare bewustzijn, dat hij vervolgde om te redden. En hij zwoer, in zijn hart, de duren eed, dat hij - ook in de gevallen mens - de broeder zou blijven zien. \*) Vrees niet: ik wreek geen kwaad, maar dwing tot goed! Straf is mijn hand, maar lieflijk mijn gemoed. (Versregels onder de gevelsteen van het oude Spinhuis te Amsterdam).
* * *

Intussen was de tijd voorbij gegaan en Geoffrey, die, bij de innerlijke strijd, die hij gevoerd had, het bewustzijn voor wat buiten hem lag geheel verloren had, ontdekte toen hij weder ôpkeek en de indrukken van buiten weder tot hem dóórdrongen - dat het bijna donker was geworden. Van Mr. Conway was niets meer te zien! Als detective had de jonge man een ernstige fout gemaakt: men houde steeds in het oog, dat hij aan zijn proefstuk werkte en dat de leerling niet plotseling meester zijn kan. Hij herinnerde zich nu, dat Mr. Conway een weg naar links zou inslaan, - dat hij die op dit ogenblik vermoedelijk reeds ingeslagen hàd. Geoffrey had reeds één weg, die naar links voerde, gepasseerd; het was zéér de vraag, of als hij de eerstvolgenden insloeg - dat wel de goede weg blijken zou. En, gesteld dat dit wèl het geval was, hoe moest hij dan het huis vinden, waarheen de man zich begeven had? Er lagen verscheidene huizen op de helling verspreid. Het was honderd tegen één, dat hij de woning vinden zou! Geoffrey was op het punt zich - althans voorloopig door zijn eigen schuld overwonnen te verklaren, toen hij een plotselinge ingeving kreeg. De trein van negen uur uit Londen...! Zo wat hij vermoedde, waar mocht blijken, kon die voor hem de redding brengen. Hij streek een lucifer af en zag, dat het tien minuten vóór negen was. Geduld dus! Alles kon nog terecht komen! Hij zette zich opnieuw aan de kant van het voetpad, maar nu in een geheel andere stemming dan zoeven! Al zijn zintuigen waren gespannen; thans was hij weer de detective, wachtende, maar wachtende met ogen en ooren wijd geopend! Weldra klonk in de verte het langzaam áánzwellende rollen van een trein. Hij zag, aan de overkant van het riviertje, de lange rij verlichte coupé's als een glimmende rups door het landschap kruipen. Een schel fluiten, door de afstand gedempt: toen hield het rollen - vrij plotseling wègstervend - op. En het was zo stil in de heldere atmosfeer van zijn landelijke omgeving, dat hij, in de verte, het dichtslaan van de portieren duidelijk hoorde. En daarop klonk het rollen opnieuw en kroop de rups verder. Nu maar weer wachten! - Als de 'man, die wellicht komen zou, inderdaad zoeven aan het station was uitgestapt, moest hij thans in de dorpsstraat zijn -, en nu op de brug-, en nu reeds op het pad, dat Geoffrey zelf tot hiertoe gevolgd had! Zou hij werkelijk goed geraden hebben? - Het zou weldra blijken! Daar - nog tamelijk ver weg - hoorde hij het knarsen van een schoen op de steenen! Geoffrey stond op, en hoewel het nu geheel donker was - koos hij het zekere voor het onzekere: hij verborg zich in de struiken, die hier het voetpad omzoomden. Voetstappen naderden! Er kwam iemand het pad op, regelrecht op de plek aan, waar hij in het kreupelhout stond... Op dit ogenblik vielen de eerste stralen der van achter de heuvelkam rijzende maan langs de helling, waarop de naderende man zich bevond. Geoffrey keek voorzichtig door de struiken. En toen lachte hij een stillen, onhoorbaren lach. Hij had zich niet vergist! ... Mr. Turnbull...! --- ## Hoofdstuk X - Geoffrey Vindt Zijn Meester. Zoals Mr. Conway bijna een uur vroeger gedaan had, liep Mr. Turnbull met snellen stap, als iemand, die haast heeft zijn doel te bereiken. Geoffrey volgde hem op korten afstand, zich zoveel mogelijk in de schaduw der struiken houdende. Wandelaars waren er, op dit late uur, niet meer op dezen eenzamen weg; en Mr. Turnbull, die er niet het minste vermoeden van hebben kon, dat men hem volgde, keek niet om. Het eerste voetpad, dat naar links voerde, ging hij voorbij. Maar bij het tweede bleef hij staan. Hij wendde zich toen voor het eerst om en wierp een blik terug op het thans door de maan helder verlichte dal. Geoffrey stond op dat ogenblik in de schaduw van een paar hooge hazelaars. Hij hield z'n hart vast, dat de ander hem ontdekken zou; maar het gevaar - als het er was! - week snel. Want Mr. Turnbull bleef slechts enkele seconden staan, en ging toen - even haastig als tot dusverre - naar links het zijpad op. Een ogenblik later volgde Geoffrey hem daarlangs. Er lagen hier, op vrij grote afstand van elkaar, enkele landhuisjes: bescheiden, houten woningen met tuintjes ervóór. Bij het derde bleef Mr. Turnbull staan en opende het groen-geschilderde houten hek. Dadelijk daarop vernam Geoffrey stemmen, 'die uit het tuintje schenen te komen. Er zaten daar blijkbaar mensen. En onze vriend dankte zijn goed gesternte, dat dit bij de twee andere huisjes, die hij gepasseerd had, niet het geval was geweest: het had anders allicht kunnen opvallen, dat hij de man vóór hem nasloop! Nu gold het op te passen! Op een plaats, waar geen struiken groeiden, verliet Geoffrey het pad en sloop voorzichtig, de zacht-glooiende helling op, door graan- en aardappelvelden. Een ogenblik ontstelde hij, omdat hij meende de gestalte van een man in zijn onmiddellijke nabijheid te zien. Maar het bleek te zijn... een vogelverschrikker! In een grote boog sloop Geoffrey, door de velden heen, achter het huis om, en toen hij het voetpad weer bereikte, naderde hij voorzichtig, thans uit de tegenovergestelde richting van die, waaruit hij gekomen was. Hij hield zich daarbij steeds in de schaduw der hier zeer hooge en hier-en-daar over het pad héénhangende struiken. Aldus gelukte het hem, zonder gevaar voor ontdekking, tot vlak bij de glad-geschoren heg te komen, die aan deze zijde het tuintje afsloot. Die heg bleek méér dan manshoog te zijn, maar zij was niet zeer dicht, zodat hij gemakkelijk, door de bladeren en takken héén, in de tuin kon zien.
* * *

Een grote lamp, met een licht-gekleurde kap eromhéén, stond op een ronde tuintafel. De afstand was zo klein, dat Geoffrey zien kon, hoe een paar nachtvlinders, door het licht aangetrokken, om de lamp fladderden. De onmiddellijke omgeving, rondom de tafel, was vrij helder verlicht, zodat Geoffrey het gezicht van de jonge vrouw, die met gesloten ogen op een lage rustbank lag, heel duidelijk zien kon. Geoffrey was, tot dusverre, een harde werker geweest, die elk vrij ogenblik gewijd had aan de eigenaardige studie, die hem nu eenmaal interesseerde. Aan vrouwen had hij alleen dàn aandacht geschonken, wanneer zij de een of andere rol speelden in een strafzaak, die zijn belangstelling gewekt had. De jonge vrouw, die hij thans vóór zich zag, was niet meer dan een pion in het spel, dat hij speelde. Maar ditmaal speelde hij dat spel niet theoretisch, lezende en naslaande in de couranten en boeken, die, op zijn zolderkamertje, voor hem het leven representeerden; hij werkte thans, voor het eerst, in de praktijk, in het werkelijke leven, en de vrouwelijke pion, die tot dusverre een abstract begrip voor hem geweest was, deed zich nu aan hem voor als een realiteit, een menselijk wezen van vlees en been! En het menselijke wezen, dat hij thans vóór zich zag, was de mooiste vrouw, die hij in zijn jonge leven gezien had! Zij had een gezicht, bijna volmaakt in zijn regelmatigheid: een niet hoog, maar breed voorhoofd; een fijn-geteekenden neus en volle, roode lippen; een ronde, misschien wat te massieve kin. De gitzwarte haren omgaven, als met een donkere schaduw, het bleeke gelaat. Maar wat Geoffrey het meest trof, was de uitdrukking van lijden, die op haar trekken lag. Het was, alsof zij alle hoop, elke illusie begraven had, alsof zij met het leven had afgedaan en tòch van de dood geen verlossing wachtte! Geoffrey gevoelde een innig medelijden bij zich òpkomen. Dat paste in het geheel niet voor een detective, die het hoofd koel en de blik helder houden moet! Maar hij was, in de eerste plaats, mens, 'n jong en voor indrukken vatbaar mens! En zijn gehele verdere leven zou bewijzen, hoezeer zij ongelijk hebben, die meenen, dat de detective vooral zijn moet een met wiskundige nauwkeurigheid en meêdogenlooze logica werkende mens-vormige machine. Nauwkeurigheid en logica schieten te kort, wanneer het gaat om het begrijpen en beoordelen van de innerlijke roerselen van het menselijke hart: en zonder dàt begrip blijft elke detective een stumper! Op een stoel, naast de rustbank, zat Mr. Conway, met de hand zijner dochter (want Geoffrey begreep, dat de jonge vrouw, wier uiterlijk hem zoozeer getroffen had, Mr. Conway's dochter zijn moest) in de zijne. Op korten afstand stond Mr. Turnbull, in fluisterend gesprek met een oudere dame. Die beiden wierpen nu en dan een blik op de roerlooze gestalte der jonge vrouw; en ééns meende Geoffrey te zien, dat de advocaat, zich afwendende, de zakdoek aan de ogen bracht. Wel vijf minuten lang kwam er geen verandering in de stille mensengroep om de rustbank. Toen sloeg de jonge vrouw plotseling de ogen op, en onmiddellijk stonden de drie anderen om haar héén geschaard. Mr. Turnbull en de oude dame (waarschijnlijk Mr. Conway's zuster) hadden thans de rug naar Geoffrey toegekeerd, zodat zij Tussen dezen en de rustbank stonden en de jonge man de liggende gestalte niet meer zien kon. Maar duidelijk hoorde hij nu een zachte, vermoeide stem, die de volgende woorden sprak: "Ik blijf liever waar ik ben! Ik heb de zaak goed overdacht. Het laat mij onverschillig, of hij komt of niet. Liever nog enkele uren rust, en dàn, als het zijn moet, het einde, dan onrust, angst, vermoeienis..." Het bleef langen tijd stil en toen sprak Mr. Conway, met een stem, die Geoffrey nauwelijks herkende als die van de strengen, altijd enigszins barse oudsten klerk: "Je besluit is niet verstandig, Ellen! Maar ik zal niet pogen je tot een ànder besluit te brengen. Ik heb je beloofd, dat je vrij zou zijn, om te beslissen, zoals het je goed dunken zou. Het is dus nu uitgemaakt: je blijft hier!" "Ik geloof niet, dat het besluit, waartoe Ellen gekomen is, zo onverstandig is", liet zich Mr. Turnbull hooren. "Als het ongeluk komen moet, komt het tòch! En hier is Ellen in goede handen." De jonge vrouw had de ogen wederom gesloten en opnieuw heerste er stilte.
* * *

"Schobbejak! Eindelijk hèb ik je!" Een zware hand was op Geoffrey's schouder neêrgedaald. In een ogenblik stond hij overeind, gedeeltelijk door eigen krachtsinspanning, gedeeltelijk door een geweldigen ruk, die door een stoere vuist aan zijn kraag gegeven werd. De bedoelde vuist behoorde aan een van die dienaren der heilige Hermandad, die men in Nederland "veldwachters" pleegt te noemen: een forsen, zwaren kerel, met een grimmig gezicht en, in de hand, een revolver, waarmede hij zijn gevangene bedreigde. Want hij liet Geoffrey niet de minsten twijfel, dat deze zich inderdaad als gevangene had te beschouwen! "Dit is een bespottelijke vergissing..." begon Geoffrey, maar de veldwachter liet hem niet uitspreken. "Dat zeggen jelui allemaal!" bulderde hij. "Gelukkig heeft Jim Holder" (dit scheen de naam van de geweldige te zijn!) "ogen in z'n hoofd en hersens in z'n schedel. Vooruit, ,sonny'!\*) Ik zal de vrijheid nemen te volgen! En je wilt wel in het oog houden, dat ik dit gevalletje hier" (hij hield Geoffrey de revolver onder de neus) "met liefde gebruiken zal, als dat nodig mocht blijken." \*) "m'n zoontje", spottend gebruikt. Het spreekt van zelf, dat het voor de personen, die zich in de tuin bevonden, niet verborgen blijven kon, dat er in hun onmiddellijke nabijheid iets bijzonders gebeurde. "Wat is er gaande?" klonk de stem van Mr. Turnbull van de andere zijde van de heg. "Ik ben Jim Holder, de veldwachter, Sir!" riep de man terug, steeds op denzelfden bulderenden toon. "Al 'n week lang zwerft hier 'n schooier rond, die reeds op drie plaatsen ingebroken heeft. Hij zou vannacht zonder twijfel ook dit huis bezocht hebben, als ik 'm niet juist bij tijds geknipt had!" "Waar wàs hij?" vroeg Turnbull. "Hij stond hier bij de heg naar binnen te loeren, Sir! We zullen hem z'n handwerk nu àfleeren! Vooruit, ,sonny'!" Hoewel Geoffrey nu juist niet gedwee van aard was, gedroeg hij zich ditmaal als een lam, omdat alles beter was dan door Mr. Turnbull of Mr. Conway herkend te worden. Hij zei geen woord, maar begon de wandeling naar het dorp, op de hielen gevolgd door de veldwachter. Toen zij het hek vóór het huis passeerden, stonden daar de twee mannen, die hij in de tuin had hooren spreken; en Mr. Conway had de lamp in de hand genomen en lichtte hem daarmede in het gezicht. In de gebruinden, verwaarloosd uitzienden schildersknecht, met de zwarten snor en de lange haren, was het echter zo goed als onmogelijk althans bij deze toch altijd gebrekkige verlichting - Geoffrey Gill, de gewezen bediende van Hollis & Turnbull te herkennen! De vermomming, die Mr. Perkins hem bezorgd had, doorstond de vuurproef glansrijk en men liet hem trekken, zonder ook maar een ogenblik vermoed te hebben, wie of wat hij inderdaad was. "Waar brengt u me heen?" vroeg hij, toen bij, geleider, de brug naderde. "Je zou wel willen, dat we je hier hielden, niet waar, ,sonny'?" hoonde de veldwachter. "Uit het hok hier in Bridge-end is al menigeen van je goede vrienden uitgebroken. Maar daartegen zal in dit geval gewaakt worden! Je gaat met de trein van elf uur naar Londen: daar hebben ze voor luidjes van jouw slag heel geschikt logies!" "Gaat u met me mee?" vroeg Geoffrey, steeds op denzelfden neerslachtigen toon. "Natuurlijk!" luidde het antwoord. "Ik ben een beleefd mens! Dacht je, dat ik je alleen zou laten reizen?" "Misschien!" zei Geoffrey, maar bleef in gebreke dit woord, dat in de gegeven omstandigheden nog al zonderling was, nader te verklaren. En Jim Holder was in een te triomfantelijke stemming om daaraan beteekenis te hechten. In het dorp scheen alles reeds te slapen. Zij bereikten het station, zonder opzien te verwekken. En daar zouden zij nu nog minstens een half uur op de trein naar Londen moeten wachten. De veldwachter maakte een praatje met de station-chef en vertelde hem van de goede vangst, die hij gedaan had, waarvoor de ander zich bijzonder interesseerde. Geoffrey deed nog één poging om de gestrengen heer veldwachter aan het verstand te brengen, dat hij zich vergiste. Maar toen deze poging niets anders ten gevolge had dan dat Jim Holder opnieuw begon te bulderen, gaf hij die spoedig op en besloot, zich op andere wijze te helpen. In geen geval mocht hij als gevangene naar Londen gebracht worden! Zodra daar blijken zou, wie hij was, zouden ongetwijfeld Inspecteur Higgins en Mr. Monk iets van het geval vernemen. Welk een onsterflijke blamage zou dat zijn voor hem - Geoffrey -, die de detective had willen spelen! Maar bovendien: waar hij thans, om 't zo eens uit te drukken, met de officieelen detective-dienst concurreerde, mocht de aandacht van Scotland-Yard niet op Bridgeend gevestigd worden! Dat zou hem zijn triomf kunnen kosten. Geoffrey was nog steeds vermomd; en Geoffrey had de pet van grijze stof, die hij gewoonlijk droeg, in de zak. Deze beide omstandigheden gaven hem moed: als hij handig was, zou hij zich wel uit de zeker niet aangename situatie kunnen redden! --- ## Hoofdstuk XI - De Meester Bedrogen. Geoffrey had - zoals hij instinctmatig placht te doen ook ditmaal, op zijn wandeling vàn en naar het station, de omgeving zeer nauwkeurig opgenomen. En terwijl hij met gesloten ogen op een houten bank op het perron zat, onder de wakende blikken van de wakkeren Jim Holder, rees het beeld van die omgeving - en in het bijzonder van de onmiddelijke omtrek - weer duidelijk voor hem op. De hoop, dat hij zich uit de onaangenamen toestand, waarin hij zich bevond, zou kunnen bevrijden, nam toe! Zelfs begon hij een zeker behagen in het geval te scheppen: het behagen van de sportsman, die op zijn behendigheid en kracht vertrouwt om een moeilijke toer te kunnen volbrengen. In de verte klonk het rollen van de naderenden trein. Reeds zag men op enige afstand de twee heldere lichten vóór op de locomotief. De veldwachter en zijn gevangene stonden nu, links van het stationsgebouw, naast elkaar op het perron, dat hier door een vrij hoog, ijzeren hek van de weg gescheiden was. Geoffrey stond rechts van zijn bewaker. Mèt hen wachtten twee of drie passagiers. Op de weg was geen sterveling te zien. In de laatste tien minuten had Geoffrey getracht zijn geleider aan het spreken te krijgen; en hoewel hij daarin slechts ten halve geslaagd was, gelukte het hem toch de man zoals hij het later uitdrukte - aan zijn stem te wennen. Het had dientengevolge niets opvallends, toen hij de opmerking maakte: "Het schijnt, dat de trein vóór het station stoppen zal! Als dat gebeurt, zitten wij er voorloopig nog niet in." Deze opmerking, die nog al onnozel was, had niettemin de gewenste uitwerking: Jim Holder wendde het gezicht naar links en keek met grote aandacht naar de naderende lichten. Toen legde Geoffrey de rechterhand op het hek en met een krachtigen sprong zwaaide hij zijn lenig lichaam daar overheen. Bijna onhoorbaar kwam hij aan de andere zijde neder en, toen de de veldwachter het hoofd weder omwendde, zag deze de gestalte van zijn gevangene juist om de hoek van het stationsgebouw verdwijnen. Geoffrey rende langs het front van het gebouw de weg op en verdween onder het loof van de wilgen en berken, die rechts daarvan groeiden. Hier, in het duister, rukte hij zich snel de pruik van het hoofd en de valsen snor van de bovenlip. De slappe hoed werd in een greppel gegooid, de broekspijpen werden òmgeslagen en de jas, die hij tot dusverre toegeknoopt gedragen had, maakte hij thans los. Tevens verdween de zwierige das en... werd niet vervangen! Een andere das had hij niet medegenomen! Inmiddels was Jim Holder, die meer zwaar dan lenig was, nadat hij de poging - in de eerste woede gewaagd! - om over het hek te klimmen opgegeven had, onder het uitbulderen van de traditioneele, tot het (ditmaal vrijwel afwezige) publiek gerichte uitnodiging om "hem te houden", over het perron en door het station naar buiten gehold. Daar stond hij nu, hulpeloos rondkijkende. Want in de dorpsstraat, die in de maneschijn vóór hem lag, was geen levend wezen te zien! En ook op de weg, die langs het station en de spoorlijn liep, bevond zich niemand: Geoffrey was reeds in de bosjes verdwenen. De veldwachter deed enige stappen vooruit, in de richting van de dorpsstraat, maar bleef toen opnieuw staan. Het was een hopeloos geval! Waarheen was de schobbejak gevlogen? Het verstandigst was maar, in de buurt van het station te blijven: anders kon de man misschien met de trein ontsnappen! Op dit ogenblik hoorde hij, links van zich, haastige voetstappen. Er kwam een jonge man aangerend, iemand met 'n pet op en 'n fladderende pandjes-jas. "Kom ik nog op tijd voor de trein?" schreeuwde deze hem toe. "U kunt 'm nog juist halen, Sir!" riep Jim Holder terug. "Hebt u zoeven misschien iemand ontmoet met 'n slappen hoed op en 'n flodder-das?" "Niets gezien! Goeienavond!" En proestend en heigend verdween de jonge man in het station. Hij moest lang en hard gelopen hebben!
"Niets gezien!..."

Drie minuten later voerde de trein Geoffrey Gill naar Londen. Hij zat alleen in 'n derde-klas-coupé en was zeker enig in zijn soort, ook in de gehele trein: een detective, op het spoor van ernstige misdadigers, maar... zelf vluchtende voor de politie! Even enig in zijn soort was echter Jim Holder: de bedrogen veldwachter, die nog steeds stond te wachten vóór het station, terwijl zijn gevangene met de trein wègreed! Dienzelfden nacht, om 'n uur of één hoorde Mrs. Spinkler gestommel op de trap. Zij wist, dat al haar commensaals thuis waren, behalve de lichtzinnige Geoffrey. En daarom verwonderde, ja verschrikte haar het gestommel! Voorzichtig stond zij op, wierp 'n niet meer jeugdige morgenjapon om haar niet meer jeugdige schouders en stak haar hoofd, dat in zijn nachtelijke tooi van papiljotten preikte, voorzichtig om de hoek van de deur. "Mr. Gill!" Het kwam eruit, als een zucht van verlichting, vóórdat zij zichzelve rekenschap ervan gegeven had, dat zij sprak. "Goeienavond, Mrs. Spinkler!" klonk het terug. Zij schrikte nu en trok het hoofd- met de, zelfs een weduwe op jaren bijblijvende schroomvalligheid! — terug. Maar toch kon zij niet nalaten door het kiertje van de deur verder te spreken. "Ik wist niet, wat ik ervan denken moest, Mr. Gill!" zei zij. "U een helen nacht niet thuis! Ik wil u wel zeggen, dat ik mij ongerust over u maakte. Maar gelukkig! U is er nu!" Geoffrey lachte. "Zelfs de leeuwen en tijgers, die 's nachts door Londen rondzwerven, zouden mij niet opgegeten hebben", zei hij. "Waren het maar leeuwen en tijgers, Mr. Gill! Een jongmens, dat 's nachts door de straten gaat, ontmoet gevaarlijker wezens dan leeuwen en tijgers!" "Hu, Mrs. Spinkler! U zou mij bang maken!" lachte Geoffrey. Door de kier van de deur dreigde een vinger. "Een jongmens, dat op zoek naar avonturen is, raakt licht op de verkeerden weg!" klonk het op zacht-vermanenden toon. "Ik wàs niet op zoek naar avonturen! Maar ik zoek wèl wat! Raad eens wat...?" "Houd u het maar vóór u: 't zal wel niets moois zijn", meende de oude juffrouw. "Ik zoek een motief, Mrs. Spinkler!" "Hoe zegt u?" "Een motief!" Het bleef korten tijd stil. Toen klonk het weifelend: "Ik weet niet, wat dat is, Mr. Gill!" "Dat is maar goed ook! Als u 't wist... 't zou u zeker uw nachtrust kosten! . Mij althans zal dat motief van nacht niet met rust laten." "Ik begrijp wel, dat het iets lelijks is! Foei, foei, Mr. Gill! En dat van u, zo'n werkzaam, solide jongmens..." De deur ging zachtjes dicht en Mrs. Spinkler zocht hoofdschuddend haar legerstede op. En Geoffrey ging langzaam de trap op naar zijn zolderkamertje. Daar stak hij de lamp aan en zette zich op zijn rieten stoel. Toen het licht werd, zat hij daar nog, achterover geleund en met gesloten ogen. Maar hij sliep niet!
* * *

Mr. Turnbull was de volgenden dag op de gewonen tijd op het kantoor gekomen. Hoewel hij die ochtend, mèt de oudsten klerk, met een vroegen trein uit Bridge-end vertrokken was, hadden de beide heren aan het station afscheid genomen. En toen de advocaat in Y-"street" kwam, zat Mr. Conway al lang op zijn plaats achter de hooge lessenaar. Niets verried, dat die beiden elkaar, sinds zij de vorigen dag het kantoor verlieten, ontmoet hadden. Mr. Turnbull zat in de chefskamer. Hij opende met zijn papier-snijder de brieven, die de ochtendpost gebracht had en vouwde de inhoud werktuiglijk open. Zijn gedachten waren elders: dat was duidelijk te zien. Het is zelfs de vraag, of het tot hem dóórdrong, wat zijn correspondenten hem schreven. Nu en dan zat hij onbeweeglijk, met de hand onder het hoofd, en staarde dan naar buiten, waar, Tussen twee blinde muren, het raam lag, waaraan Geoffrey Gill de vorigen namiddag gestaan had. Plotseling werd er op de deur geklopt: niet op de deur, die met het kantoor correspondeerde, maar op de andere, die direct op de gang uitkwam. "Binnen!" Op de drempel stond een klein, oud heertje, met, op de neus, een bril met grote, ronde glazen. "Een brief voor Mr. Turnbull!" zei het mannetje. En de advocaat hoorde dadelijk, dat hij met 'n Fransman te doen had. "Waarom hebt u die brief niet op het vóórkantoor afgegeven?" vroeg Mr. Turnbull ongeduldig. "Hier wil ik niet gestoord worden." "Men heeft mij verzocht, hem aan u persoonlijk af te geven", zei het kleine heertje. "Hij bevat een mededeeling van strikt persoonlijke aard." De advocaat had de brief aangenomen. "Hoe wist u, dat ik hier te vinden was?" vroeg hij. "Men heeft mij de localiteit nauwkeurig beschreven", antwoordde de kleine Fransman, die niemand anders was dan M. Montcalm. "Ik weet nu, dat de brief in goede handen is, en heb de eer u te groeten!" Hij maakte een ouderwetse buiging; en het volgende ogenblik sloot zich de deur achter hem. Mr. Turnbull bekeek de enveloppe, die hem was ter hand gesteld. Het was er een van gewoon, wit papier en zij was niet geadresseerd. Eenigszins weifelend (hij had zichzelven er geen rekenschap van kunnen geven, waaròm hij weifelde) brak hij haar open. Toen las hij het volgende: "De toedracht van het geval-Hollis is mij thans volledig "bekend. Daar het van 't hoogste belang is, dat men ons "niet te zamen ziet, verzoek ik Mr. Turnbull beleefd, mij "hedenavond om negen uur in mijn "Boarding-house", No. "12, X-"street", Pimlico, te komen bezoeken. Voorts druk "ik hem in het bijzonder op het hart, niemand (en vooral "Mr. Conway niet) van zijn aanstaand bezoek ten mijnent "in kennis te stellen, en niet de geringste toespeling te "maken op de omstandigheid, dat ik alles ontdekt heb. Zijn "stilzwijgendheid in deze is in het belang van alle bij de "zaak betrokken personen - G.G." Mr. Turnbull verkeerde geen ogenblik in onzekerheid over de vraag, wie "G.G." was! Hij was rood en vervolgens zeer bleek geworden. Opnieuw staarde hij naar buiten, naar het raam aan de overzijde. En toen bedekte hij zich het gelaat met beide handen en bleef langen tijd onbeweeglijk zitten. --- ## Hoofdstuk XII - Het Revolverschot. Het was precies negen uur, toen Mr. Turnbull, de bekende en gevierde advocaat, het zolderkamertje betrad, waarin zijn gewezen bediende Geoffrey Gill huisde. De jonge man trad hem tegemoet met uitgestoken hand. "Het verheugt mij, dat u gekomen is, Mr. Turnbull", zei hij. Maar de advocaat deed, alsof hij de hem toegestoken hand niet zag. Geoffrey voelde, dat het bloed hem naar de wangen steeg, maar hij bedwong zich. "Zoals u wilt!" zei hij, met een licht schouder-ophalen. "Gaat u zitten, Mr. Turnbull. Ik maak u mijn excuus, dat ik u niet beter ontvangen kan; maar niemand zal op de gedachte komen, u hier bij mij te zoeken." "Ik begrijp niet, waarom het van zoveel belang is, dat men ons niet samen ziet", zei de advocaat. "Dat zal u duidelijk worden, wanneer u vernomen hebt, wat ik u te zeggen heb", antwoordde Geoffrey. De twee mannen zaten nu aan de ronde tafel tegenover elkaar. Geoffrey had, voor deze gelegenheid, zijn kamertje keurig opgeruimd. Er lagen geen couranten op de trijpen stoelen (trouwens op een daarvan zat Mr. Turnbull!); in plaats van het tafelkleed met de inktvlekken, had Mrs. Spinkler een ander ter leen gegeven; er stond een laag kamerscherm voor het ledikant; en het kistje met sigaren, dat - in normale tijden - zijn plaats had op de plank, die als schoorsteenmantel dienst deed, was thans naar de tafel verhuisd. Mr. Turnbull bedankte voor een sigaar: hij had zich blijkbaar voorgenomen, alles te vermijden wat Geoffrey in de waan had kunnen brengen, dat hij vriendschappelijk tegenover hem stond. Het gezicht van de advocaat stond zeer ernstig en zelfs dreigend. Er lag iets agressiefs in de strak-getrokken lijnen om de strengen mond, iets dat zijn collega's zeer goed kenden: het onbedrieglijke teeken, dat hij besloten had de tegenstander niet te sparen en al zijn energie aan te wenden om dezen - geestelijk gesproken af te maken! Maar die collega's zouden in dit hun wèlbekende gezicht toch ook nog iets anders hebben opgemerkt: een trek van vermoeidheid om de ogen en, daar in, een eigenaardig wilde uitdrukking, als van een in de hoek gedreven dier. Maar niet van een zwak, hulpeloos schepsel, offer van de grotere moreele en fysieke kracht van de mens; veeleer van het krachtige, fiere roofdier, dat zijn vervolger, zo die zich te dicht in de buurt waagt, met één slag van zijn klauw verpletteren kan en zich gereed maakt, zich tot het uiterste te verdedigen! Mr. Turnbull opende de aanval. "U hebt mij geschreven, dat de toedracht van de zaak-Hollis u thans bekend is", zei hij, kort en droog. "Ik heb u vroeger al eens gezegd, dat ik niet begrijp, waarom u zich bemoeit met dingen, die u niet aangaan. Wees zo goed, mij daarvan thans de verklaring te geven." Geoffrey had zich het begin van het gesprek enigszins anders voorgesteld. Niet hij was het, die rekenschap had af te leggen van zijn daden. En toch werd hem daarvan thans rekenschap gevraagd! "Het doet niets ter zake, waaròm ik mij voor het geval geïnteresseerd heb", zei hij. "Toen ik u voor het eerst in uw clubgebouw sprak, scheen u dat ook zo vreemd niet te vinden. Eerst later hebt u ontdekt, dat het vreemd was." De laatste woorden had Geoffrey scherp en met grote nadruk uitgesproken. Hij zag dadelijk, dat het schot zàt! Het bleef korten tijd stil. Toen vervolgde Mr. Turnbull, met een uitdrukking van grote verachting: "Laten wij dan het waaròm van uw rondsnuffelen en rondspieden voorloopig maar laten rusten, Mr. Gill! Tenslotte komt het er alleen op aan, of u inderdaad de waarheid ontdekt hebt. Ik luister!" "Ik ben bereid u mijn observaties en deducties, zonder enige terughouding, mede te delen", zei Geoffrey. "Maar uwerzijds eis ik dezelfde openhartigheid, Mr. Turnbull! Als ik de waarheid ontdekt heb (en ik weet, dat dit zo is), verlang ik uwerzijds de onomwonden erkenning daarvan." "Wat zou ontkennen dan baten?" zei Mr. Turnbull. En de woorden waren hem de mond nog niet uit, of hij had zich van ergernis de tong kunnen afbijten! Op het gezicht van de jongen man tegenover hem verscheen een eigenaardig lachje. "Wat u daar gezegd hebt, bewijst mij, dat de waarheid ù bekend is, Mr. Turnbull!" zei Geoffrey. "Ik vermoedde dat sinds lång: nu heb ik, door uw eigen woorden, absolute zekerheid daaromtrent gekregen." De advocaat antwoordde niet. Hij - de ervaren rechtskundige - had zich door dezen jongen man, met de harde, staalblauwe ogen, tot een onvoorzichtige uitlating laten verleiden. Voorwaar, voor hèm was het eerste kruisen van de degens niet gelukkig afgelopen! Maar... de strijd was eerst begònnen! "Ik luister!" herhaalde hij, zonder verder in te gaan op Geoffrey's woorden. Deze zag hem enige ogenblikken strak aan. Daarop leunde hij achterover in zijn stoel en sloot even de ogen. Toen hij ze weer òpsloeg, stonden zij harder dan ooit. "Ik zal trachten u de zaak systematisch uit te leggen. Mr. Turnbull!" zei hij. "Daartoe begin ik met het begin: het revolverschot." De advocaat knikte, maar zei niets. "Het heeft mij verwonderd", vervolgde Geoffrey, "dat men er zo weinig aandacht aan heeft geschonken, dat niemand het schot, dat Mr. Hollis doodde, gehoord heeft. Men heeft aangenomen dat er, op het ogenblik, waarop het gelost werd, nog niemand op het kantoor was. Daarin vergiste men zich: ik was op het kantoor." "Hebt ù het dan gehoord?" "Dàt is juist het vreemde van de zaak, Mr. Turnbull! Ik heb het niet gehoord." "Hoe weet u dan, dat het gelost werd op een ogenblik, waarop u op 't kantoor waart?" vroeg de advocaat haastig. "Omdat ik die ochtend daar wàs, toen Mr. Hollis de chefskamer binnenging," luidde het antwoord. "Begrijpt u goed, wat dat beteekent, Mr. Turnbull? Ik had het schot moeten hooren, als het in de chefskamer gelost was!" "Dat is de vraag nog!" meende de advocaat. Maar in zijn stem lag een klank, die niet van grote beslistheid getuigde. "Dat is in 't geheel geen vraag!" zei Geoffrey. "Noch toen ik alleen was, noch later, toen de anderen kwamen, is er iets gehoord, dat naar zo'n schot zweemde; en - nog eens -, wanneer er in de kamer naast het grote kantoor geschoten was, hadden wij dat moeten hooren." "Nog eens: dat staat volstrekt niet vast!" "Ik kom straks daarop terug", hernam de jonge man, met een wat ongeduldig gebaar. "In elk geval zult u het met mij eens zijn, dat het niet-hooren van het schot een opvallende omstandigheid was, die mij dadelijk in de gedachten komen moest, toen wij het lijk van Mr. Hollis ontdekt hadden." "U dacht daaraan zeker, toen u zolang bij het raam bleeft staan, terwijl de anderen weggingen", zei Mr. Turnbull sarcastisch. "Juist!" stemde Geoffrey toe. "Maar er gingen mij toen nog heel wat andere gedachten door het hoofd. Ik zal trachten ze u systematisch uiteen te zetten." "U schijnt van systeem te houden!" spotte de advocaat. "Natuurlijk, Mr. Turnbull! Mits men maar niet in zo'n systeem vastroest. Terwijl ik daar stond, rezen twee vragen bij mij op. Ten eerste: waar werd het schot gelost? Ten tweede: wie loste het?" "Wat de eerste vraag betreft: zoeven heb ik u de gronden ontwikkeld, waarop ik dadelijk aannam, dat het niet in de kamer zelve gelost werd. Later heb ik mijn oordeel daaromtrent aan dat van een ander getoetst." "U hebt dus reeds anderen daarover gesproken?" stoof -Mr. Turnbull op. "Alleen mijn vaderlijke vriend, M. Montcalm, die u vanochtend mijn briefje gebracht heeft. Maar stel u gerust. Mr. Turnbull. Ik heb hem mijn vragen in algemeenen zin gesteld, zonder dat hij vermoedde, waaròm ik ze stelde. „M. Montcalm is oud-militair en heeft van zulke dingen verstand. Hij zei mij, dat de knal van een moderne revolver wel veel zwakker is dan die van de vroegere, ouderwetse pistolen, maar dat het toch ondenkbaar is, dat binnenkamers een revolver zou kunnen worden afgeschoten en men dat in de kamer daarnaast, die nog wel door een deur met de eerste verbonden is, niet hooren zou. Wanneer het in die tweede kamer stil is (en dat wàs het in ons kantoorlokaal) wordt zo'n knal natuurlijk des te eerder vernomen. Daarentegen is het zeer wel denkbaar, dat, van buiten-af, in een kamer geschoten wordt, zonder dat men het in de kamer daarnaast hoort. Het is zelfs onwaarschijnlijk, dat men daar iets hooren zou, wanneer het schot gelost wordt in een ander huis en de kogel, een zekeren afstand door de open lucht afleggend, in de kamer dringt, waar het slachtoffer zich bevindt. "Dit alles klopte met wat ik, staande voor het raam in de chefskamer, geobserveerd had. Ik zal u nu zeggen, wàt ik observeerde, Mr. Turnbull!" Naarmate Geoffrey in zijn betoog vorderde, was er op het gezicht van de advocaat een uitdrukking van verbazing verschenen. Ook volgde hij dat betoog blijkbaar met aandacht, ja met spanning. "Voorop zettende, dat ik het revolverschot niet gehoord had," vervolgde Geoffrey, "en dus aannemende, dat het niet in de kamer gelost was, moest het van buiten zijn gekomen. Hoe was dat mogelijk? De vloer in de nabijheid van het raam, waarvoor ik stond, was vochtig. Het moest hebben ingeregend! Maar dan moest het raam, dat nu dicht was, hebben opengestaan. Was het mogelijk, dat door die opening geschoten was?" Geoffrey hield even op. Hij had gesproken op de kalmen, betogenden toon van een onderwijzer; en Mr. Turnbull geraakte, naar het scheen, meer en meer onder de indruk. "De ramen van de chefskamer behooren tot de soort, die slechts gedeeltelijk geopend kunnen worden, door het bovendeel naar omlaag te schuiven. Nadat een snelle blik mij geleerd had, dat het bij de beide andere vensters niet had ingeregend, bestudeerde ik het "uitzicht". Twee blinde muren en daartussen de achterzijde van een klein huis. Als het schot van buiten-af gelost was, kòn het niet anders of het moest uit een van de vensters van dat huis gekomen zijn. Uit welk? De rez-de-chaussé lag te laag, de eerste verdieping eveneens, want van daaruit had men ongeveer in horizontale richting moeten vuren en zou het schot over de hoofden van hen, die zich in de kamer bevonden, zijn hééngegaan. Bleef dus de bovenste verdieping: en daar was maar één venster: een soort zolderraam! Van daaruit had men, schuin naar beneden vurend, door de opening van het venster een persoon in de kamer kunnen treffen. Later werd mijn theorie hieromtrent bevestigd, toen geconstateerd werd, dat de kogel in schuine richting, van boven naar beneden, door het hoofd was gegaan. Die richting kwam volmaakt overeen met de ligging van het bewuste zolderraam ten opzichte van de opening in het venster van de chefskamer. Ook bleek uit het feit, dat de kogel achterin de kamer in het onderste deel van de zijwand gedrongen was, dat het schot uit die richting gekomen was. Bij de gerechtelijke schouwing nam men aan, dat dit gebeurd was, nadat de aanvaller zijn slachtoffer op de grond had gegooid. Maar... had ik dan de worsteling niet moeten hooren?" Mr. Turnbull beschouwde die vraag niet als tot hem gericht. Hij zat met verbaasde en ook wel wat ontstelde ogen ingespannen te luisteren. Hoe was het mogelijk, dat deze jonge man, die hij tot dusverre voor een middelmatig kantoorbediende had gehouden, zich aldus plotseling ontwikkeld had tot een detective die... nu ja, die zeker boven de middelmaat was?! --- ## Hoofdstuk XIII - Van Schoenen En Modder. "Ik weet niet, of het u opgevallen is," vervolgde Geoffrey, "dat, wanneer mijn theorie juist was, daarmede nog iets anders bewezen werd. Men had geschoten door het geopende raam en ik vond het gesloten! Er moest dus, na de moord, iemand in de kamer zijn geweest, die het gesloten had. Wie kon dat geweest zijn? Twee personen kwamen ervoor in aanmerking, Mr. Turnbull! Uzèlf èn de persoon, die ik in de chefskamer gezien had, toen Mr. Hollis daar binnenging. "U hebt mij vroeger al eens gezegd", zei hier Mr. Turnbull, "dat u die geheimzinnige persoon niet voor m ij hieldt, maar voor 'n ander, die mijn kantoorjasje had aangetrokken." "Dat is zo!" antwoordde Geoffrey. "Wèl legde ik mij de vraag voor, of u misschien eerst in de chefskamer de moord begaan en u daarop stil verwijderd hadt, om in een ,cab' terug te komen. Maar die vraag beantwoordde ik ont- "Waarom?" "Omdat uw schoenen mij beter inlichtten! Nemen wij een ogenblik aan, dat ù het geweest waart, die ik in de chefskamer gezien had. Dan hadt u, na de moord, over straat moeten gaan om een ,cab' te vinden: er stond er geen voor de deur te wachten. De straten nu waren zo modderig, dat u geen twee stappen gedaan zou kunnen hebben, zonder modderspatten op uw schoenen te krijgen. De naaste ,cab-stand'\*) ligt minstens drie minuten van uw kantoor! Uw schoenen waren echter keurig gepoetst, glad als 'n spiegel. Ergo: u spraakt de waarheid, toen u zeidet dadelijk van huis naar kantoor gereden te zijn. En de persoon, die ik in de chefskamer gezien had, was u niet geweest!" \*) Standplaats van rijtuigen. "Wonderbaarlijk!" zei Mr. Turnbull zacht. "De vraag rees nu: wie had ik dàn in de chefskamer gezien? U weet, Mr. Turnbull, dat ik op het kantoor tegenover Mr. Conway zat, de gehele dag zag ik zijn beenen onder zijn hooge lessenaar uit bengelen. Het kwam zeker, doordat ik die ochtend al éénmaal de taal der schoenen verstaan had: plotseling viel het mij in, dat de schoenen van Mr. Conway ook niet bemodderd waren! Toch goot het, toen hij op 't kantoor gekomen was. En in een ,cab' was hij niet gekomen: daarnaar informeerde ik met de nodige voorzichtigheid. Trouwens, niemand had hem - zover ik ontdekken kon - die ochtend zien komen. En van alle andere kantoorbedienden - ook van Mr. Hollis zelven, zoals later bleek - waren de schoenen vol modder. "Nu was het die ochtend om acht uur begonnen te regenen en om half negen was Londen een modderpoel. Mr. Conway moest dus op het kantoor geweest zijn, lang vóórdat ik - naar ik meende als eerste - daar kwam! Ik had bij mijn komst niemand aanwezig gevonden. Later bleek het, dat er in de chefskamer tòch iemand zat, die ik eerst voor u had aangezien. U was het niet, Mr. Turnbull! Dus..." "Dus moest het Mr. Conway geweest zijn!" barstte de advocaat plotseling los. "Natuurlijk!" knikte Geoffrey. "En Mr. Conway had het venster na de moord gesloten. Het was ondenkbaar, dat ù dat gedaan hadt, Mr. Turnbull! Op het ogenblik, waarop u Mr. Hollis dood op de vloer van de chefskamer vondt liggen, zou u eerst kalm het raam toegeschoven en daarop eerst alarm geslagen hebben? Dat was niet aan te nemen! Bovendien: het was duidelijk te zien, dat het door dat venster in de chefskamer niet zoeven nog had ingeregend. Er lagen geen verse droppels op de vloer en hier en daar was die reeds droog. Waarschijnlijk was Mr. Conway bij de moord tegenwoordig geweest! Als ik niet geweten had, dat het schot van buiten-af gelost was, zou ik hèm voor de moordenaar gehouden hebben. Nu hield ik hem voor medeplichtig na de daad! En ik vroeg mij af, wie de persoon zijn kon, die hij, door zijn zwijgen, tegen de autoriteiten in bescherming genomen had. Want het leed, in mijn ogen, geen twijfel, dat het sluiten van het raam ten doel moest gehad hebben het voor anderen te verbergen, dat het schot van buiten-af gelost was. "'s Avonds, hier op mijn kamer, werkte ik het vraagstuk voor mijzelf uit. Ik kon tot geen andere conclusie komen dan die welke ik u zoeven heb medegedeeld, Mr. Turnbull! Ik kwam toen echter nog een stap vèrder." De advocaat knikte. "Daarop hebt u mij in mijn club opgezocht!" zei hij. "Ja, Mr. Turnbull! Nog dienzelfden avond. En ik kreeg toen de zekerheid, dat ik mij niet vergist had, toen ik aannam, dat niet u in de chefskamer was, toen ik Mr. Hollis daar zag binnengaan. Mijn volgend werk was: het nagaan van de gangen van Mr. Conway." "En...?" "Ik ontdekte niets verdachts: hij ging direct van zijn huis naar het kantoor en omgekeerd, overigens kwam hij nergens. Maar overdag kon ik hem natuurlijk niet nagaan, omdat ik op het kantoor moest blijven." Er verscheen een eigenaardig lachje op het gezicht van Mr. Turnbull. Geoffrey glimlachte ook zijnerzijds. "Wat ik nu zeggen zal, is niet meer dan raadwerk," zei hij. "Ik vermoed de reden, waarom ik niets ontdekte. U hadt hem tegen mij gewaarschuwd, Mr. Turnbull!" De advocaat maakte onwillekeurig een gebaar van verrassing. Maar toen haalde hij de schouders op en bleef zwijgen. "Bij mijn tweede bezoek aan u in uw club," vervolgde Geoffrey, "vond ik u in een veranderde stemming. U wildet mij blijkbaar verhinderen het geval verder te onderzoeken: er moest, sinds ik u de vorige maal sprak, iets veranderd zijn. Ik gaf er mij rekenschap van, dat oorzaak van uw veranderde houding de begeerte zijn kon, te verhinderen dat de schuldige ontdekt werd. In dat geval zat u in hetzelfde schuitje als Mr. Conway. Eén stap verder, en ik erkende de mogelijkheid, dat u met Mr. Conway gesproken hadt en u het met hem eens waart geworden. En dàn zou u hem ongetwijfeld tot grote voorzichtigheid hebben aangemaand en hem gezegd hebben, dat ik de zaak in handen genomen had." Mr. Turnbull knikte opnieuw: een onwillekeurige beweging, die door Geoffrey echter niet onopgemerkt bleef. "Ik richtte nu mijn opmerkzaamheid op de vraag: wie kon er, op de ochtend, waarop de moord had plaats gehad, geweest zijn in het huis, aan de achterzijde van uw kantoor gelegen, en speciaal in de kamer met het zolderraam? Om het antwoord op die vraag te vinden, moest ik meer vrijheid van beweging hebben. Reeds wist ik, dat in het bewuste huis Mrs. Evergreen haar zaak dreef. Maar na zes uur vóór die tijd ging het kantoor niet uit! - was, in deze zomermaanden, die zaak gesloten. Mrs. Evergreen heeft een klein optrekje buiten. En, daar zij 'n beetje geld heeft óvergespaard, neemt zij haar werk nog al gemakkelijk op. "Nadat ik, tot mijn leedwezen, mijn betrekking bij u, had moeten neêrleggen, haastte ik mij, met Mrs. Evergreen in kennis te komen. Maar eerst toen ik het hof maakte aan een van haar wasmeisjes, kwam ik te weten, wie op de bewuste kamer verblijf hield, toen Mr. Hollis vermoord werd. Dat was een zekere Miss Conway. Zij was van daar door haar vader afgehaald; en diens signalement beantwoordde aan dat van onzen Mr. Conway. Voeg daarbij, dat deze juist die morgen laat op het kantoor gekomen was... en de conclusie ligt voor de hand! In het licht van de latere feiten beschouwd, geloof ik - alweer raadwerk, Mr. Turnbull! -, dat u Mr. Conway opnieuw tegen mij waarschuwde en deze, inziende dat ik verlof nemen zou als ik het niet kreeg, zijn dochter buiten mijn bereik wilde brengen. Dat die dochter het noodlottige schot had gelost, scheen mij van nu af buiten kwestie. Dat verklaarde ook Mr. Conway's houding in alle opzichten." "Men had het schot dan toch bij Mrs. Evergreen moeten hooren!" zei Mr. Turnbull. "Haar enige commensaal zal uit geweest zijn en zij zelve, met de wasmeisies, was vóór in de winkel, waar gemangeld werd. Onder die omstandigheden zou het een wonder geweest zijn, als het schot wèl gehoord was. "Maar andere zaken verbaasden mij. De wijze, waarop het schot gelost was, getuigde van een geoefende hand. Hoe kwam de dochter van uw oudsten klerk aan de daarvoor nodige oefening? En dàn: welk kon het motief tot deze misdaad geweest zijn? Ziedaar twee punten, waaromtrent ik in het duister rondtastte, Mr. Turnbull. En - eerlijk gezegd - ik doe dat nòg." "Zelfs u is niet alwetend, Mr. Gill," spotte de advocaat; maar, bij het aanhooren van het laatste deel van Geoffrey's explicatiën, was hij steeds bleeker geworden. "Er was nòg een punt, dat voor mij in het duister lag," aldus vervolgde de jonge man. "Ik bedoel de reden, die u, Mr. Turnbull, bewogen had de partij te kiezen van de moordenares van uw compagnon -; want dat hèbt u gedaan: het dient tot niets het te ontkennen." "En hebt u in dàt duister ligt gekregen?" Hoewel de advocaat opnieuw trachtte een spottenden klank in zijn stem te leggen, gelukte hem dat ditmaal in het geheel niet. "Misschien!" antwoordde Geoffrey. "Maar laat mij eerst voortgaan met u te vertellen wat ik deed. Ik wist nu, dat Mr. Conway zijn dochter had weggebracht. Waarheen? De beste wijze om dit te weten te komen, was deze, dat ik de gangen van Mr. Conway opnieuw naging. En ditmaal had ik daarmede dadelijk succes, hoofdzakelijk omdat ik er anders uitzag dan gewoonlijk." "Een vermomming, Mr. Gill?"
"Misschien!"

Geoffrey knikte. "Het was mijn eerste proeve op dit gebied en ik kan niet anders zeggen dan dat zij bijzonder geslaagd is. Ik kwam er aldus achter, dat Mrs. Evergreen de oudsten klerk ontmoette en haar - blijkens wat ik van hun gesprek opving ervan op de hoogte stelde, dat ik bij haar geweest was. Een paar ongelukkige vragen, die ik in mijn onnozelheid tot haar gericht had, schijnen haar argwaan te hebben opgewekt: vermoedelijk had Mr. Conway haar op het hart gedrukt, op haar hoede te zijn en hem dadelijk te waarschuwen, wanneer zich iemand voor het verblijf van zijn dochter ten harent mocht interesseeren. Uit Mrs. Evergreen's beschrijving van mijn persoon, zal hij mij herkend hebben. "Zodra Mr. Conway gewaarschuwd was, telegrafeerde hij naar zijn huis, dat hij 's avonds weg zou blijven, en tevens zond hij een telegram aan u, Mr. Turnbull. U moest dus blijkbaar ook gewaarschuwd worden! Daarop ging hij naar Waterloo-station." "Er behoorde niet veel scherpzinnigheid toe om te begrijpen, dat hij nu zijn dochter zelve waarschuwen ging. Het schijnt, Mr. Turnbull, dat mijn bezoek bij Mrs. Evergreen, hèm en u plotseling bewezen had, dat ik op het goede spoor was. Dat deed u ontstellen en maakte u onvoorzichtig!" "Onvoorzichtig?... In hoeverre?" "Het was onvoorzichtig, onmiddellijk naar Bridge-end te gaan en te vergeten, dat u gevolgd kondt worden." Mr. Turnbull gaf plotseling een vuistslag op de tafel, zodat de sigaren in het kistje opsprongen. "Dat is zo!" riep hij. "Ik heb mij dat zelf óók voorgehouden! Maar ik dacht, dat juist de snelheid, waarmede wij vertrokken waren, het gevaar zou afwenden." "Ik volgde Mr. Conway naar Bridge-end," vervolgde Geoffrey. "Ik zag hem en u, mèt Miss Ellen Conway en een oude dame (was zij niet de zuster van Mr. Conway?), in de kleinen tuin, waarin Miss Ellen op een rustbank lag. Ik hoorde zelfs een gedeelte van uw gesprek, totdat..." "Totdat...?" "Totdat het noodlot mij achterhaalde. De schooier, die onder de heg door de veldwachter werd opgepikt, was ik, Mr. Turnbull!" --- ## Hoofdstuk XIV - Zware Verantwoordelijkheid. In het uur van zijn triomf was Geoffrey niet teruggeschrikt voor de bekentenis van zijn tijdelijke nederlaag! Maar die bekentenis scheen op de advocaat maar weinig indruk te maken: daartoe was de triomf te groot. "Waaròm gingt u eigenlijk naar Bridge-end?" vroeg hij. "U wist - althans naar uw eigen oordeel - tòch de hoofdzaak reeds. Waarom niet dadelijk naar de politie gelopen?" Geoffrey zag hem recht in de ogen. "Niet aan de politie ben ik verantwoording schuldig van mijn doen en laten", zei hij, "doch uitsluitend aan mijzelf. Ik sta in deze zaak geheel vrij. En daarom wilde ik, vóórdat ik enige stap deed, precies weten, welke de gevolgen - ook de moreele gevolgen - daarvan zijn zouden. Als ik in dienst stond van Scotland-Yard, zou ik aan mijn suprieuren moeten rapporteeren en aan hèn verder de verantwoordelijkheid laten. Nu wil ik, vóórdat ik die verantwoordelijkheid zèlf op mij neem, precies ingelicht zijn." Mr. Turnbull had de blik niet afgewend. De beide mannen schenen elkanders geheimste gedachten te willen doorgronden. "Ik begrijp niet, wat uw verantwoordelijkheidsgevoel te maken heeft met uw tocht naar Bridge-end", zei de advocaat eindelijk. "Ik hoopte daar iets te weten te komen omtrent de motieven, die u allen tot handelen dreven," antwoordde Geoffrey. "En is u dat gelukt?" Geoffrey liet het hoofd hangen. "Ik heb u immers reeds gezegd, dat het mij niet, of althans maar voor een bitter klein beetje, gelukt is," zei hij. "U moet in het oog houden, Mr. Turnbull, dat ik het werk in de praktijk nog nooit bij de hand heb gehad." De advocaat dacht een ogenblik, dat de jonge man comedie speelde; maar de uitdrukking van Geoffrey's gezicht en de neêrslachtige houding, waarin hij aan de tafel zat, lieten er geen twijfel aan, of hij meende wat hij gezegd had. Hoewel hij zeker niet in vrolijke stemming verkeerde, kon Mr. Turnbull toch een glimlach niet onderdrukken. "Mij dunkt, dat, voor een eersten keer, het werk u nogal gelukt is," zei hij. "Ik wil u wel bekennen, dat u mij in grote verlegenheid hebt gebracht." Het bleef enige ogenblikken stil. Mr. Turnbull scheen te wachten op wat Geoffrey verder zeggen zou; maar deze bleef in dezelfde houding zitten en zweeg. Toen vervolgde de advocaat - en het spreken scheen hem moeite te kosten -: "Het woord ,verlegenheid' is eigenlijk slecht gekozen, Mr. Gill! U hebt mij gebracht in een verschrikkelijke toestand: mij en... anderen..." Hij hield een ogenblik op. En daarop sloeg hij opnieuw met de vuist op de tafel. "Ik vraag nog eens, waaròm u dat gedaan hebt? Waaròm, in Gods naam, hebt u uw hart erop gezet, deze zaak, die u niet aangaat, tot klaarheid te brengen?" Het was, of de heftigheid van Mr. Turnbull aan Geoffrey Gill zijn zelfvertrouwen teruggaf. "U doet een vraag, die ik niet beantwoorden kan," zei hij, het hoofd opheffende en nu met iets uitdagends in de stem. "Het geval had zich in mijn onmiddellijke omgeving, om zo te zeggen onder mijn ogen, afgespeeld. Sinds lang interesseer ik mij voor detective-werk. Maar dit was de eerste maal, dat ikzelf - zij 't ook indirect - bij zo iets betrokken was. Ik heb mij niet afgevraagd, waaròm ik de zaak ter hand nam. Het sprak vanzelf..., ik kòn niet anders..." "Roeping?" vroeg Mr. Turnbull smalend. "Noem het zo; mij wel!" antwoordde Geoffrey. "En wat denkt u nu te doen?"... Het duurde lang, vóórdat Geoffrey antwoordde. "Mr. Turnbull!" zei hij toen. "Ik houd u voor een eerlijk man en daarom zal ik openhartig met u zijn. De vraag, die u mij daar gesteld hebt, houdt mij sinds gisteren onafgebroken bezig. Het antwoord daarop hangt af van... van de motieven, die tot de moord geleid hebben." "Ik begrijp u niet." "Zie eens, Mr. Turnbull! Theoretisch gesproken is de zaak zo eenvoudig mogelijk: zodra de schuldige gevonden is, levert men hem - of haar - over aan de Rechter. Natuurlijk! Dat is de plicht van elken staatsburger! Maar in de praktijk..." "Welnu? In de praktijk...?" "In de praktijk heb ik het gezicht van Miss Ellen Conway gezien. En de uitdrukking daarvan doet mij twijfelen, of het niet soms wenselijk zijn kan, niet àl te spoedig naar de regelen der theorie te handelen." "U zou dus...?" De advocaat was opgestaan. Hij verkeerde thans in hevige gemoedsbeweging. "Stel mij op de hoogte van de gebeurtenissen, die tot de dood van Mr. Hollis geleid hebben! Dàn eerst kan ik u zeggen, wat ik doen zal." En Geoffrey, die volkomen kalm gebleven was, nodigde de advocaat met een kort gebaar uit, opnieuw tegenover hem plaats te nemen.
* * *

Mr. Turnbull was, tot op zekere hoogte, een koppig man en iemand, die van zichzelven een niet àl te geringe meening koesterde. De hooge achting, die men hem overal toedroeg, het aanzien, waarin hij bij Rechterlijke Macht en Balie stond, de dankbaarheid en bewondering zijner talrijke cliënten -, dit alles had ertoe meêgewerkt, hem te maken tot een kort-aangebonden en ietwat hoogmoedig man, iemand, die gewoon was zijn wil geëerbiedigd te zien en die van zijn ondergeschikten stipte gehoorzaamheid en zelfs eerbied verwachtte. En thans zat hij daar tegenover een jongen man - tot dusverre in zijn ogen nog bijna een kind! -, iemand, die tot voor korten tijd een ondergeschikt plaatsje op zijn kantoor had ingenomen; en tegenover dezen jongenman gevoelde hij zich machteloos! Hoewel hij zich tot dusverre de schijn gegeven had - althans getracht had zich die schijn te geven -, dat hij de mededeelingen van Geoffrey niet àl te tragisch opnam, was hij te scherpzinnig om zich niet rekenschap ervan te geven, dat zijn gewezen bediende het in zijn macht had, zijn schitterende carrière te breken! En dàt niet alleen! Geoffrey Gill had ook het lot van anderen in handen, van anderen, die... Mr. Turnbull's trots scheen thans gebroken. Hij sloeg zich de handen voor het gezicht en de innerlijke strijd, die hij voerde, ontlokte hem een zacht kreunen, dat - van dezen man komende - Geoffrey bijna deed ontstellen. Onze vriend voelde zich op dit ogenblik allerminst in de stemming van de overwinnaar! Hij wist, dat Mr. Turnbull een respectabel man was, een man, voor wie men inderdaad eerbied koesteren kon! En door zijn Geoffrey's - toedoen, was deze man thans tot wanhoop gebracht! De jonge man gevoelde dat allesbehalve als een triomf; ja, hij begon zich af te vragen, hoe hij het kwaad, dat hij gesticht had, weer goed kon maken! Kwaad...? Hàd hij dan werkelijk kwaad gesticht...? Hoewel hij geen Latinist was, had hij toch, in de loop van zijn eigenaardige studie, meermalen de stelregel: summum jus summa injuria\*) ontmoet; en de beteekenis daarvan was ten volle tot hem doorgedrongen. Kòn het zijn, dat hij hier stond tegenover zo'n geval, waarin het opvolgen van de strenge regelen van het Recht tot moreel onrecht voerde?... Geoffrey was nog héél jong. Wat hij aan Mr. Turnbull gezegd had, was waar: hij had deze zaak ter hand genomen, omdat hij moest, uit een innerlijke aandrang, die sterker was dan hijzelf. Maar nu begon het bewustzijn hem meer en meer te drukken, dat ieder, die zich aldus ongeroepen in het leven zijner medemensen mengt, een zware verantwoordelijkheid op zich neemt. Zulk een spel wordt niet uitsluitend gespeeld met eigen vernuft en eigen handigheid, de inzet is niet alleen eigen meerdere roem en aanzien -, maar, bij de tegenpartij, spelen wanhoop en vertwijfeling mede, en háár inzet kan het geluk, ja het leven zijn! Wie lichtzinnig zulk een spel begint, is als de tooverleerling uit het bekende sprookje, die - nadat hij de geesten heeft opgeroepen - niet meer weet hoe hij ze bannen moet en machteloos staat tegenover de verwoesting, die zij aanrichten.
* * *

Het duurde lang, voordat Mr. Turnbull opnieuw sprak. Hij had de innerlijke strijd uitgestreden: zijn trots moest zwichten voor de plicht jegens anderen. "Mr. Gill!" begon hij. "Het zou tot niets dienen, langer te bntkennen, dat u de troeven in handen hebt. Wanneer het alleen van mij afhing, zou ik thans open kaart met u spelen en u volledig op de hoogte stellen van wat gebeurd is. Maar... het geldt hier de geheimen, ook van anderen." \*) = het hoogste recht is het hoogste onrecht. "Dat begrijp ik," zei Geoffrey. "In de brief, die ik vanochtend ontving, hebt u erop aangedrongen over mijn bezoek van hedenavond in het bijzonder tegenover Mr. Conway te zwijgen," vervolgde de advocaat. "Waarom hebt u dat gedaan?" "Omdat ik vreesde, dat - wanneer u er met hem over sprak - hij dientengevolge de een of anderen onberaden stap doen zou, die onvermijdelijk ten gevolge zou hebben, dat ik onmiddellijk moest ingrijpen. Elke poging om zichzelven of zijn dochter buiten mijn bereik te stellen, had ik moeten beantwoorden met het onverwijld waarschuwen der autoriteiten." "Toch is het, wanneer u de motieven van onze handelingen wilt leeren kennen, onvermijdelijk nodig, dat ik met Mr. Conway raadpleeg," zei Mr. Turnbull. "Daartegen bestaat niet het minste bezwaar," antwoordde Geoffrey. "Ik eis echter uwerzijds de uitdrukkelijke verklaring, op uw eerewoord, dat Mr. Conway, en speciaal zijn dochter, blijven zullen waar zij thans zijn." "Ik kan niet voor anderen instaan. Mr. Gill!" "Zo u zich daarvoor niet sterk genoeg voelt, kunt u mij uw eerewoord weigeren," zei Geoffrey. "En dàn...?" "Dan ga ik nog hedenavond naar Scotland-Yard, Mr. Turnbull !" De advocaat keek een ogenblik strak vóór zich. "Ik geef mijn eerewoord," zei hij toen. "Dan verwacht ik morgen op hetzelfde uur uw berichten!" Enkele minuten later verliet Mr. Turnbull het huis. En Geoffrey bracht opnieuw een slapeloozen nacht door. --- ## Hoofdstuk XV - De Oudste Compagnon. De volgenden avond om negen uur waren de beide zwart-trijpen stoelen op Geoffrey's zolderkamertje bezet. Op de eenen zat wederom Mr. Turnbull. En op de anderen zat een man, met een doodsbleek gezicht en brandende ogen : Mr. Conway. De laatste deed voornamelijk het woord. Hij sprak kort-af en ruw, nu en dan met grote moeite. Maar als plotseling de hartstocht bij hem òpvlamde, brak er een woordenvloed los, die meestal door een paar krachtige woorden van de advocaat gestuit moest worden. Het verhaal, dat Geoffrey vernam, kwam - in het kort hierop neer: Tien jaar geleden had Mr. Conway zijn vrouw verloren. Zij was gestorven, enkele dagen nadat zij hem een zoontje geschonken had. Zijn dochter Ellen was toen twaalf jaar oud. In die dagen was Mr. Conway reeds bediende op het kantoor van Mr. Hollis, die zich toen nog niet geassociëerd had. Het perceel aan de achterzijde van het kantoor was reeds bewoond door Mrs. Evergreen, toenmaals een jonge vrouw van dertig jaren. Mr Evergreen (die thàns tot een mythe geworden was!) leefde nog, maar voerde niets uit en maakte zijn brave vrouw het leven zuur, doordat hij van de eene kroeg naar de andere liep en elken avond dronken thuis kwam. Mrs. Evergreen had juist een kindje gekregen, dat echter slechts enkele dagen in leven bleef. Nu had Mr. Conway reeds dikwijls de gezonde, krachtige vrouw opgemerkt, wanneer zij - in de achterkamer op de eerste verdieping - aan het wassen en strijken was. Blijkbaar verkeerde zij niet in goeden doen, hetgeen verklaarbaar was, want wat zij verdiende, lapte haar man erdóór. Toen Mr. Conway hoorde, dat zij haar kindje verloren had, kwam hij op de gedachte, haar te vragen, of zij bereid was als min bij zijn kleinen zoon te komen. Hij had een ruim salaris en kon dat gemakkelijk betalen. Voor Mrs. Evergreen bleek het een uitkomst, omdat zij, met haar wassen en strijken, zo weinig verdiende. En Mr. Evergreen, die eerst bezwaren maakte, moest tenslotte toegeven, omdat zijn vrouw ditmaal stijf op haar stuk bleef staan en dreigde hem geen penny meer te geven, wanneer hij zich verzette. Zo bleef Mrs. Evergreen enige maanden lang in het huis der Conway's, en gedurende die tijd hechtte zij zich bijzonder aan de kleine Ellen. Deze, van haar kant, voelde voor de goede, en - niettegenstaande al haar ellende steeds vrolijke vrouw een grote genegenheid, die ook later bestaan bleef. Toen Ellen vijftien jaar was, werd zij ziek. Zij viel bij de dag af en de dokter vreesde voor een long-aandoening. Verandering van klimaat zou - volgens hem - het enige afdoende geneesmiddel zijn, maar dân gedurende enige jaren. Mr. Conway had in Amerika een broêr, die in een der westelijke Staten een kleine vee-fokkerij bezat. Deze verklaarde zich bereid, Ellen, zolang als Zijzelf en haar vader dat wensten, huisvesting te geven. En zo gebeurde het, dat het jonge meisje, dat Engeland nog nooit verlaten had, voor langen tijd naar het verre Westen trok. Daar paste zij zich geheel áán aan de gezonde, wat ruwe en avontuurlijke leefwijze der bewoners. Zij leerde paardrijden en met revolver en lasso omgaan als de beste der Cow-boys. En dit leven in de open lucht maakte haar gelukkig en... gezond! Haar verblijf in het Verre Westen duurde veel langer dan oorspronkelijk in het plan gelegen had. En het kostte haar grote moeite, zich uit deze omgeving, die zo geheel in overstemming was met haar eigenlijk karakter, los te maken. Eindelijk echter, na vijf jaar, toen haar de tijding van het overlijden van haar broêrtje bereikte, keerde zij terug naar haar vader; maar in het drukke, mistige Londen voelde zij zich diep ongelukkig. Ellen was thans twintig jaar en opgegroeid tot een volmaakte schoonheid. Het wilde, ongebondene, dat over haar gehele persoon lag, maakte haar nòg aantrekkelijker en, had zij wil en gelegenheid ertoe gehad, zij zou, om zo te zeggen, elken man tot haar slaaf gemaakt hebben. Maar haar vader was streng en ouderwets in zijn opvattingen en sympathiseerde in het geheel niet met haar avontuurlijke neigingen. Mr. Conway, de oude vertrouwde bediende, die bijna nog meer vriend dan bediende was, bracht zijn uit Amerika teruggekeerde dochter in kennis met zijne beide patroons; en nu gebeurde, wat hij niet voorzien en niet bedoeld had: zowel Mr. Hollis als Mr. Turnbull geraakte geheel onder de bekoring van Ellen's zeer bijzondere persoonlijkheid. Aanvankelijk wisten zij dit voor elkaar te verbergen; maar het duurde niet lang, of zij vermoedden - over en weêr elkanders gemoedsgesteldheid. Mr. Turnbull was een man van eer, die voor Ellen een grote liefde had opgevat. Mr. Hollis was iemand, die onder een zekere categorie van dames "berucht" was en voor wie Ellen "de zooveelste" was van een reeks vrouwen, die hij naar zijn opvatting en vermogen - had "lief gehad". Geheel in overeenstemming met zijn karakter, speelde Mr. Turnbull tegenover zijn compagnon open kaart. Hij kwam er rond voor uit, dat hij de dochter van de oudsten klerk lief had, en dat hij begreep daardoor in botsing te zullen komen met zijn ouderen, collega. Hij stelde voor, eerlijk en loyaal tegenover elkaar te blijven, en verklaarde, dat hij - zijnerzijds - de keuze van het meisje eerbiedigen en zich zonder wrok terugtrekken zou, wanneer Hollis de gelukkige blijken mocht. Had hij het karakter van zijn compagnon - vooral de gedragslijn, die deze tegenover vrouwen placht te volgen - beter gekend, hij zou misschien anders gehandeld hebben. Maar hij koesterde een grote vereering voor Mr. Hollis, aan wie hij in zijn carrière zoveel te danken had. Zonder enige argwaan te voelen, ging hij daarom ook in op diens voorslag, de oudsten klerk niet over de zaak te spreken, zolang het meisje aan één der beide mededingers niet de voorkeur geschonken had. Mocht Ellen hun beiden de bons geven, dan was dat spreken geheel onnodig! Zoals gezegd, was Mr. Conway een streng vader. Hij was onverstandig genoeg om Ellen, na de heerlijke jaren in Amerika, zeer kort te houden. Bezoekers kwamen er slechts weinige in zijne woning en het meisje ging uiterst zelden uit. Door de herhaalde bezoeken zijner beide patroons gevoelde de oudste klerk zich gevleid en vereerd. Hij begreep weldra, dat zij voor zijn dochter kwamen en verheugde zich daarover in stilte: zoodoende had hij twee peezen op zijn boog; en de partij zou voor Ellen schitterend zijn, aan wie van beiden zij ook de voorkeur gaf. Op zijn manier hield hij van zijn dochter, en meende héél verstandig te doen, door ertoe mede te werken, haar een dubbele kans te bezorgen! Mr. Conway's karakter was niet geheel van berekening vrij te pleiten en hij was te weinig man van de wereld, om de gevaren te begrijpen, die een conflict van hartstochten veroorzaken kon. Ellen zelve bemerkte natuurlijk zeer spoedig, dat de beide compagnons naar haar gunst dongen. In zulke gevallen komen voorspellingen meestal averechts uit. Het lag voor de hand, dat Mr. Turnbull, die jonger en uiterlijk knapper was dan zijn oudere collega, de beste kans zou hebben. Maar Mr. Hollis had "de vrouw" in al haar wisselende stemmingen nauwkeurig bestudeerd. Hoewel hij hier zeker tegenover een niet alledaagse vrouw stond, bleek de "kunst", die hij beoefend had, ook hier niet zonder uitwerking te blijven. Hijzelf - in de grond, niettegenstaande zijn ernstig beroep en zijn leeftijd, toch altijd enigszins "bohémien" - wist zich aan de avontuurlijke, romantische neigingen van het meisje veel beter aan te passen dan zijn jongere collega, wiens liefde toch zoveel groter en dieper was. Ellen schonk aan de ouderen, schijnbaar veel minder aantrekkelijke man, de voorkeur boven de jongeren! Maar nu begonnen Mr. Hollis' geheime en oneerlijke machinatiën. Hij gaf zich tegenover Ellen de schijn, alsof hij zich zeer bezorgd maakte over de verhouding tot zijn compagnon, met wie hij zei toch liever niet te willen breken. Daarom was het nodig de verhouding, die thans Tussen Ellen en hèm bestond voorloopig geheim te houden: Mr. Turnbull moest langzamerhand voorbereid of, desnoods, voorzichtig uit de firma "gewerkt" kunnen worden. En ook met haar vader, mocht Ellen nog niet over de zaak spreken: deze zou zich tegenover Mr. Turnbull zeker verraden! Het beste was, jegens Mr. Turnbull dezelfde houding te bewaren, die zij tot dusverre aangenomen had: hem vriendelijke, welwillende belangstelling, misschien enige eerbiedige genegenheid te toonen, maar... vooral niets warmers! Met andere woorden - om het ronduit te zeggen -: Mr. Turnbull moest voorloopig nog "aan het lijntje gehouden worden"! Ellen, die, daarginds in het Verre Westen, trots haar paardrijden en revolver-schieten, al bitter weinig van de wereld en haar kronkelpaden had leeren kennen, leende zich tot deze zeker niet fraaie rol. Nu en dan voelde zij instinctmatig, dat zij verkeerd deed; maar de oprechte bewondering, die zij koesterde voor de wereldwijsheid en de mensenkennis van de man, in wie zij haar aanstaanden echtgenoot zag, maakte, dat zij zich telkens weer naar zijn wil schikte. Haar romantische aanleg deed haar zelfs in het geheimzinnige, dat over hun verhouding lag, iets aantrekkelijks vinden. Het spreekt vanzelf, dat geheime samenkomsten met de man, die zij lief had, in de gegeven omstandigheden niet konden uitblijven. En met iemand van Hollis' karakter, kon het einde daarvan niet twijfelachtig zijn, teminder omdat zij, met haar altijd wat wild, onevenwichtig karakter, zo lang geleden had onder de onredelijke strengheid van haar vader en de afzondering, waarin deze haar had laten leven. Zij was onvoorzichtig, ja roekeloos geworden; en zij had de man lief... Na enige tijd dwong de toestand, waarin zij zich bevond, haar, erop aan te dringen, dat alle geheimzinnigheid nu aan kant zou worden gezet en een huwelijk niet langer uitgesteld zou worden. Maar dit lag niet in de bedoeling van Mr. Hollis! Eerst zocht hij uitvluchten en toen zij - in de aanvang verbaasd en daarna verontwaardigd - heftige verwijten tegenover zijn onverschilligheid stelde, wierp hij het masker af: hij dàcht niet aan een huwelijk; en hij liet haar duidelijk voelen, dat hij het lot van háár en haar vader in zijne handen had, wanneer zij - zoals hij dat uitdrukte - "schandaal mocht maken". Haar vader was immers voor zijn broodwinning van hèm afhankelijk! Voor het kind zou hij wel zorgen, maar... daarmede had hij zijn plicht dan ook gedaan! Mr. Turnbull, die zij zo lang "aan het lijntje" gehouden had, zou haar zien áánkomen, als ze bij hèm haar nood mocht willen klagen! En, als haar vader buiten alles gehouden werd, zou de zaak zich best laten schikken: zij moest, als het zover \* was, maar 'n tijdje uit logeeren gaan. Voor de rest zou hij wel zorgen! Zo stond deze cynische man plotseling in zijn ware gestalte vóór haar. Hij had erop gerekend, dat zij - als andere vrouwen, die hij gekend had - zich in het onvermijdelijke schikken zou. Maar ditmaal had hij een misrekening gemaakt!... --- ## Hoofdstuk XVI - De Jongste Compagnon. Het hartstochtelijke karakter van Ellen Conway liet niet toe, dat zij berustte. Zij behoorde niet tot die vrouwen, die, na een misstap, zich het hoofd met asch bestrooien en zich in vergetelheid en schande terugtrekken. Integendeel: door de bittere ondervinding, die zij had opgedaan, ontwaakte bij haar een geestkracht, zoals zij die vroeger nooit gekend had. Haar vader, wiens driftige natuur zij kende, hield zij voorloopig buiten het geheim: zij vreesde, dat deze, in de eersten aanval van woede, zich aan Mr. Hollis vergrijpen zou. En, hoewel die vader haar - althans naar het uiterlijk te oordelen - nooit óverveel liefde had betoond, voelde zij toch instinctmatig, dat deze strenge man, met zijn ouderwetse begrippen omtrent slaafse gehoorzaamheid, door kinderen aan hunne ouders verschuldigd, haar gegeven had zoveel hij geven kòn. Van háár kant voelde zij voor hem wel geen warme genegenheid; maar zij was altijd gewoon geweest, met enige vrees tot hem op te zien. En ook dat maakte, dat zij hem niet tot haar vertrouweling maken kon. Haar vroegere liefde voor de man, die haar bedrogen had, maakte plaats voor een gevoel van haat, ja van afkeer. Ellen was geen sentimenteel poppetje, dat smachten bleef naar de verloren geliefde: zij kon gezond lief hebben, maar ook gezond haten! Het duurde lang, vóórdat zij het met zichzelve eens was, wat zij thans doen moest. Het besluit, dat zij nam, was zeker niet alledaags. Zij voelde zeer goed, dat - gesteld dat andere mensen het gekend hadden - die anderen het wellicht schaamteloos en zelfs harteloos zouden vinden. Maar zij wàs nu eenmaal niet als andere vrouwen. Mr. Turnbull, die zij zo lang "aan het lijntje gehouden" had, zou haar zien aankomen! Aldus had Mr. Hollis gezegd. Hoe meer zij erover nadacht, hoe meer zij tot de overtuiging kwam, dat juist Mr. Turnbull haar raad en steun kon geven. Het ware, het innige van zijn gevoelens tegenover haar had zij ook vroeger wel begrepen; maar toen verkeerde zij onder de invloed van Hollis' "kunst". Nu deze zijn invloed op haar verloren had, begon zij te begrijpen, dat zij goud versmaad en iets blinkends, dat geen waarde had, voor goud gehouden had. Karakteristiek voor haar, in zijn ruwe gedecideerdheid bijna mannelijk, karakter, was de wijze, waarop zij tegenover Mr. Turnbull open kaart speelde. Zij begon met hem elke illusie te ontnemen omtrent de mogelijkheid, dat zij hem ooit zou toebehooren. En toen zei zij hem, wat gebeurd was, zonder zichzelve, maar ook zonder Mr. Hollis te sparen. Men heeft wel eens gezegd, dat elke man egoïstisch in zijn liefde is; en men heeft ook beweerd, dat de karaktervolle man, die versmaad wordt voor een ander, met echt-mannelijken trots zich van de vrouw, die hem dit aandeed, zal afwenden. Zou het inderdaad mannelijke trots zijn, die hem daartoe drijft?... Is het niet veeleer gekwetste ijdelheid?... Mr. Turnbull toonde noch egoïsme noch trots. Hij gevoelde een diep medelijden met het bedrogen meisje; en hij onderdrukte het gevoel van bitterheid, dat aanvankelijk jegens háár bij hem rees. Maar het gedrag van zijn compagnon, van de man, in wie hij een loyaal mededinger had meenen te zien, bracht hem buiten zichzelven van verontwaardiging. Op die namiddag, toen Geoffrey enkele woorden van het gesprek der beide advocaten had opgevangen, hadden zij in het chefskantoor een hevige scène gehad, waarbij Mr. Hollis de jongeren man cynisch voor de voeten had gegooid, dat zijn verontwaardiging uit jaloersheid voortsproot. Mr. Turnbull gaf Ellen de raad, tegenover haar vader open kaart te spelen en de gevolgen daarvan te trotseeren. Alles was beter dan dat zij hem onwetend liet van wat gebeurd wàs en nog gebeuren moest. Haar leven zou anders een doorlopende leugen worden. Ellen handelde naar die raad. Het gevolg was, dat haar vader in heftige woede ontstak en haar het huis verbood. Zij had maar één plaats, waarheen zij gaan kon; en dat was de woning van Mrs. Evergreen.
* * *

Sinds, jaren geleden, Mrs. Evergreen enige maanden in het gezin der Conways had doorgebracht, als min van het later gestorven jongetje, was er een band blijven bestaan Tussen háár en Ellen Conway. De vrolijke, kern-gezonde en altijd hulpvaardige vrouw oefende op het meisje, ook toen dit ouder werd, een grote aantrekkingskracht, zodat Ellen haar dikwijls in haar woning bezocht, vooral nadat Mr. Evergreen het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, hetgeen door zijn wederhelft als een verlichting ondervonden werd. Toen Ellen uit Amerika terugkeerde, vond zij Mrs. Evergreen in heel wat beter conditie dan waarin zij deze verlaten had. De energieke vrouw had haar wasch-zaak aanzienlijk weten uit te breiden en zelfs had zij onlangs het huisje, waarin deze gevestigd was, aangekocht. De oude genegenheid Tussen haar en Ellen was, van beide zijden, herleefd. En, nu Ellen het huis van haar vader verlaten moest, wendde zij zich tot Mrs. Evergreen, die haar gastvrij opnam en in de leêgstaande boven-achterkamer inkwartierde. Ellen had, in haast, haar lijfgoed en enkele dingen, waaraan zij waarde hechtte, samengepakt. Daaronder was ook de revolver, die zij uit het Verre Westen had meêgebracht. Toen zij deze, bij het inpakken, in handen kreeg, had zij zich een ogenblik afgevraagd, of het niet verstandig zijn zou, er meteen maar een einde aan te maken. Zij had - een herinnering aan de avontuurlijke dagen daar in Amerika! de revolver steeds geladen in haar kast liggen: ééns de haan overgehaald, en alle ellende zou voorbij zijn! Maar zij onderdrukte deze gedachte onmiddellijk: haar krachtige natuur verzette zich tegen de ziekelijke drang naar zelfmoord. Vanuit het venster van haar kamer had zij het uitzicht op de achterzijde van het advocaten-kantoor van Hollis & Turnbull. Zij kon zelfs in de chefskamer zien! Toen, jaren geleden, Mr. Conway, vanuit zijn kantoor in het huis van Mrs. Evergreen ziende, op de gedachte gekomen was om deze als min voor zijn zoontje in zijn dienst te nemen, had hij zeker niet kunnen denken, dat eens zijn dochter, door hemzelven op de straat gedreven, in datzelfde huis een schuilplaats vinden zou. Ook thans had hij er niet het minste vermoeden van, dat zij naar Mrs. Evergreen gegaan was. Toen zijn eerste woede bekoeld was, begon hij zich - zoals driftige lieden zo vaak doen - verwijten te maken over wat hij gedaan had. In zijn harte hoopte hij, dat zijn dochter terugkomen zou; en toen het avond werd en zij zich niet liet zien, werd hij steeds zenuwachtiger. Een grenzenlooze woede rees bij hem op jegens de man, die zijn dochter ongelukkig had gemaakt. Al zou het hem zijn betrekking kosten, hij zou met zijn patroon afrekenen! Geen dag langer wilde hij in dienst blijven bij dezen gewetenloozen schurk, die er oorzaak van was, dat hij thans alleen op de wereld stond. Maar vóórdat hij hem verliet, zou hij...... In deze stemming trof hem Mr. Turnbull. Deze had van Ellen bericht ontvangen, hoe het onderhoud met haar vader was afgelopen en dat zij nu bij Mrs. Evergreen haar intrek had moeten nemen. Hij kwam thans bij Mr. Conway, om dezen zachter te stemmen en te bewegen Ellen weêr in huis te nemen. Toen Conway hoorde, dat zijn dochter een onderdak gevonden had, was dit voor hem een verlichting; maar tevens verstomde - zoals dat in zulke gevallen meer gebeurt de innerlijke stem van zelfverwijt: de vroegere bitterheid keerde in zijn hart terug en Mr. Turnbull's woorden waren niet in staat, hem tot andere gedachten te brengen. Toen de advocaat de naam van zijn ouderen collega noemde, ontstak Conway opnieuw in drift. Hij sprak de vreeslijkste bedreigingen tegen Mr. Hollis uit, zo zelfs, dat Turnbull, die tegenover dezen toch niet vriendelijk gestemd was, ervan schrikte. Hij nam zich voor, zijn collega te waarschuwen en hem vooral op het hart te drukken, het te vermijden, met de oudsten klerk alleen te zijn. Over dit voornemen had hij het stilzwijgen moeten bewaren, maar het voortdurend dreigen van de driftigen man bracht hem ertoe, dezen te zeggen, dat Mr. Hollis gewaarschuwd worden zou. Mr. Conway werd toen langzamerhand kalmer. De driftbui ging voorbij, maar het voornemen, met de oudsten patroon de rekening te vereffenen, bleef. Hij hunkerde er letterlijk naar, met dezen alleen te zijn, maar - nu hij wist, dat Mr. Hollis daartegen gewaarschuwd worden zou - behoorde er enig listig overleg toe het zover te brengen. De volgenden ochtend was Mr. Conway reeds om acht uur op het kantoor. Hij ging de chefskamer in, trok het kantoor-jasje van Mr. Turnbull aan en ging aan diens schrijftafel zitten. Hij keerde aldus zijn rug naar de deur. Zijn gestalte kwam met die van de jongsten patroon vrijwel overeen en hij had, gelijk deze, blond haar, dat nog zo goed als niet vergrijsd was. Kwam straks Mr. Hollis binnen, dan zou deze hem in het eerste ogenblik voor Mr. Turnbull houden en de deur achter zich sluiten. Daarom was het Conway te doen: hij zou dan met zijn vijand alleen zijn. Had men Conway gevraagd, wat hij eigenlijk vóórhad, dan zou hij daarop het antwoord schuldig gebleven zijn. De onbestemde begeerte om Mr. Hollis ter verantwoording te roepen, dreef hem. Wât er precies gebeuren zou, stond ook hèm slechts wazig voor de geest. En er gebeurde het volgende: Zoals Conway voorzien had, trad Mr. Hollis met een korten groet de kamer binnen. Hij sloot de deur, trok zijn jas uit en hing die in de kast, die in een der hoeken van de kamer stond. Toen hij de kastdeur gesloten had en zich omkeerde, stond hij tegenover Conway, die zeer bleek was en hem met onnatuurlijk schitterende ogen aanstaarde. Dadelijk voelde hij, dat er gevaar was: Turnbull had hem gewaarschuwd, en hij had besloten die waarschuwing niet in de wind te slaan. Maar thans was hij in de val gelokt... door een list... Mr. Hollis was een moedig man. Hij hield zich zeer kalm. "U wenst, Mr. Conway?" De ander verroerde zich niet. Hij wilde iets zeggen, maar kon geen geluid uitbrengen. "Wilt u zo vriendelijk zijn, op zij te gaan, M1. Conway?" Nog steeds geen beweging in de dreigend vóór hem staande gestalte. Mr. Hollis deed een stap naar voren. "U dwingt mij, de hulp van anderen in te roepen", zei hij. In een oogwenk had Conway, die zijn bezinning geheel verloren had, hem bij de keel. En nu volgde een korte worsteling, waarbij Mr. Hollis, die zwaarder en krachtiger was dan zijn tegenstander, dezen weldra in zijn macht had. Het eigenaardige daarbij was, dat de worstelende mannen bijna geen gerucht maakten. Zwijgend, hun uiterste krachten inspannende, trachtten zij elkaar ònder te krijgen. Het duurde niet lang, of de rollen waren omgekeerd. Mr. Hollis had nu zijn tegenstander bij de keel en drukte diens bovenlichaam achterover op de schrijftafel.
en drukte diens bovenlichaam...

Van de overzijde, uit het huis van Mrs. Evergreen, hadden een paar angstige ogen deze worsteling gevolgd. Ellen was, na een slapeloozen nacht, vroeg opgestaan. Zij had, gedurende de eindelooze uren van wakker-liggen, overlegd wat haar thans te doen stond, en was tot de slotsom gekomen, dat zij goed deed, voorloopig te blijven, waar zij was. Mrs. Evergreen had zij reeds de vorigen avond in haar vertrouwen genomen; en deze vrouw, die schijnbaar zo luchthartig was, had zij tot tranen toe geroerd door het verhaal van haar ongeluk. Zij zou en moest blijven, nu haar vader haar zo harteloos op straat had gezet: Mrs. Evergreen zou als een moeder voor haar zorgen! Die zorg was die ochtend reeds vroeg aan de dag getreden, doordat de goede vrouw haar een stevig ontbijt op haar kamer gebracht had. Maar Ellen was te vermoeid en te bezorgd om daaraan veel eer te bewijzen. De wasvrouw was nu, mèt haar meisjes, aan het werk beneden in de winkel: het voortdurend mangelen klonk dóór tot hier boven. En Ellen staarde, achter de witte glasgordijnen gezeten, uit haar venster, zich - bij al haar ellende - vaag erover verwonderend, dat zij hier nu zat, veilig in haar schuilplaats, en tòch met het uitzicht op de kamer, waarin zij wist dat Mr. Hollis en haar vader een groot gedeelte van de dag doorbrachten. Een zonderlinge, bijna ziekelijke nieuwsgierigheid maakte zich van haar meester om te zien, wat daarbinnen zou voorvallen. Zij begreep, dat haar vader zijn patroon diens schandelijk gedrag voor de voeten werpen zou, en zij voelde het bijna als iets humoristisch, dat zij daarvan wellicht de onzichtbare getuige zijn zou! Wellicht! Want, al kon zij op dit ogenblik door een der vensters, dat van boven open stond, een deel van de chefskamer overzien, zo straks de glasgordijnen daar toegetrokken mochten worden, zou haar dat gezicht benomen worden. Zij zag haar vader binnen komen. Zij zag hem van jas verwisselen en aan de schrijftafel plaats nemen. En toen speelde zich het gehele boven beschreven tooneel voor hare ogen af. Mr. Conway lag half-achterover op de schrijftafel en Mr. Hollis had hem bij de keel. Een wilde angst overviel Ellen, dat de man, die haar bedrogen en verlaten had, thans haar vader dooden zou! Aan die angst paarde zich haat, bittere haat jegens Mr. Hollis. Hoe kon zij haar vader helpen?... Deze gedachte hergaf haar plotseling alle energie. Tot dusverre had zij roerloos, zwijgend, als in een droom aangezien wat daarginds geschiedde. Thans sprong zij overeind, en, op hetzelfde ogenblik, viel haar oog op de revolver, die zij de vorigen avond bij het uitpakken van haar koffertje, op de tafel had gelegd. Vóórdat zij zich klaar rekenschap ervan gaf, wat zij deed, had zij met de linkerhand het gordijn op zij geschoven en, in de rechter de revolver houdende, vuurde zij door het geopende venster. Sinds zij in het Verre Westen de revolver gehanteerd had, was haar oog zeker en haar hand vast gebleven. Zij zag Mr. Hollis met de armen door de lucht zwaaien en voorover op de grond storten. En toen zag zij, dat haar vader in de richting keek, waaruit het schot gevallen was, en dat hij haar herkende! Méér zag zij niet, want plotseling begaven haar de krachten en zonk zij inéén op de vloer van haar kamertje. --- ## Hoofdstuk XVII - De Beslissing. Toen Mr. Conway zijn dochter herkende aan het raam, waaruit het schot gekomen moest zijn, had er een plotselinge, geweldige omkeer in zijn gevoelens plaats: zijn kind, dat hij de vorigen dag uit zijn huis gedreven had, had hem thans gered! In de ogen van Mr. Hollis had hij moord gelezen; en - al zou het misschien zo ver niet gekomen zijn - Ellen was, om zijnentwille, geworden tot wat de wereld een misdadigster noemen zou! Een plotseling gevoel van grote, innige liefde, zoals hij dat vroeger nooit voor zijn dochter gekend had, doorstroomde hem. Zij moest gered worden van de gevolgen van haar daad. Mr. Conway had nooit scherper gedacht dan op dit kritiekste ogenblik van zijn leven. Snel schoof hij het raam, waardoor het schot gekomen was, met de langen, daarvoor bestemden stok omhoog en sloot de glasgordijnen. Daarop trad hij in de gang, nadat hij zijn eigen jas weer had aangetrokken. Hij ging de archief-kamer binnen en wachtte daar, totdat alle bedienden op het kantoor waren. Toen betrad ook hij het grote kantoor, zich de schijn gevende, alsof hij zoeven gekomen was. Geen ogenblik dacht hij daarbij aan de omslag in het weêr en aan zijn glimmende schoenen, die hem aan Geoffrey verraden zouden. Als ooit een mens helse kwalen heeft uitgestaan, dan was het Mr. Conway tot op het ogenblik, waarop het driftig bellen van Mr. Turnbull hem bewees, dat deze het lichaam van zijn compagnon gevonden had. Toch zat hij, schijnbaar kalm als steeds, achter zijn hooge lessenaar. Toen de jongste compagnon de bedienden uit de chefskamer had wèggestuurd (Geoffrey, zoals men zich herinneren zal, het laatst), bleven Mr. Turnbull en Mr. Conway alleen. De eerste kòn, na alles wat gebeurd was, niet anders aannemen dan dat de laatste de schuldige zijn moest. Hij zei hem dit ronduit. En de ander, denkend aan de noodzakelijkheid. Ellen's schuld voor iedereen verborgen te houden, was verward in zijn antwoord, al ontkende hij zijn schuld. Het vreemde gedrag van Geoffrey had Mr. Turnbull in de waan gebracht, dat ook deze meer van de zaak wist dan hij zeggen wilde: misschien had hij een aanwijzing tegen Conway kunnen geven en had deze hem bewogen te zwijgen. In elk geval, de zaak was niet eenvoudig en eigenlijke bewijzen waren er niet. Mr. Turnbull besloot het onderzoek van politie en justitie af te wachten, vóórdat hij zelf enige stap doen zou. Dienzelfden avond bracht Geoffrey's bezoek zijn vermoeden omtrent diens schuld sterk aan het wankelen. En de volgenden dag was het Mr. Conway zelf, die - ten einde raad en vertrouwende op Turnbull's, trots alles, onmiskenbare genegenheid voor Ellen - hem mededeelde, wat er gebeurd was. Dat vertrouwen was niet misplaatst. De mens bleek sterker dan de jurist: na zwaren strijd besloot de advocaat alles te wagen om Ellen aan een vervolging te onttrekken. Vandaar ook zijn veranderde houding tegenover Geoffrey, bij diens tweede bezoek.
* * *

Tot dusverre was Ellen bij Mrs. Evergreen gebleven. Deze had haar op de ochtend van de moord bewusteloos op de vloer van haar kamertje vinden liggen, met de revolver nog in de hand. Zij had geen alarm geslagen, omdat zij dadelijk begreep, dat hier iets heel bijzonders was gebeurd. Zelfmoord was het niet: Ellen kwam spoedig weer bij. En toen - in de eerste opwelling van ontsteltenis over wat geschied was - vertelde zij dit aan Mrs. Evergreen. Aanstonds stond het bij deze vast, dat geen menselijke macht haar ertoe brengen zou. Ellen te verraden. Toen dus Mr. Conway zich bij haar aanmeldde, vond deze haar op de hoogte van wat gebeurd was. Zij overlegden tezamen en kwamen tot de slotsom, dat het voor Ellen het veiligst was zich voorloopig bij Mrs. Evergreen schuil te houden. Niemand scheen aan de mogelijkheid te denken, dat het revolverschot niet in de chefskamer zelve gelost was. Gevaar was er dus niet! Maar het bleek, dat Mr. Turnbull van een ander gevoelen was. Deze vreesde, dat de politie elk ogenblik op de gedachte komen kon, dat het schot van elders gekomen was. En hij vreesde bovendien de "bemoei-al", die Geoffrey Gill heette. Daarom werd Ellen naar haar tante te Bridgeend gebracht. Het bezoek van Geoffrey bij Mrs. Evergreen bewees, dat de vrees van de advocaat niet ongegrond geweest was. Al was het dan niet de politie: Geoffrey was op het rechte spoor! En het diende tot niets, het gevaar, dat men thans liep, te verbloemen. Mr. Conway meende, dat Ellen thans het minste gevaar lopen zou in zijn eigen huis, haar natuurlijke verblijfplaats. Men vergete niet, dat noch hij noch Mr. Turnbull weten kon, dat Geoffrey de naam ontdekt had van de jonge dame, die enkele dagen het achterkamertje van Mrs. Evergreen bewoond had. Zelfs wisten zij niet, dat hem van zo'n tijdelijk verblijf ook maar iets bekend was. Wij weten, dat Mr. Conway dadelijk naar Bridge-end ging. Geoffrey, die nu vermoedde in welke richting de oplossing van het vraagstuk gezocht moest worden, verwachtte, dat Mr. Turnbull zo spoedig mogelijk volgen zou. Want dat deze trachtte de schuldige aan vervolging te onttrekken, scheen wel zeker. En waar die schuldige een jonge vrouw was ... Bovendien wees het telegram, dat Mr. Conway aan de advocaat zond, erop, dat Mr. Turnbull thans wist, wat er gaande was. Wij weten reeds, dat Geoffrey zich niet bedroog. Ook wat er op die avond te Bridge-end voorviel, is de lezer reeds bekend.
* * *

Het verhaal van Mr. Conway was ten einde. Geoffrey had ademloos toegeluisterd. Nu sloot hij de ogen en bleef langen tijd onbeweeglijk zitten. Noch Mr. Turnbull noch Mr. Conway waagde het hem te storen. Beiden begrepen, dat van de beslissing, die de jonge man nemen zou, alles voor hen afhing. En vooral Mr. Turnbull gevoelde de toestand als een bittere vernedering. Intussen voerde Geoffrey een zwaren strijd. Mòcht hij vóór zich houden, wat hij thans wist? Als hij sprak, opende zich voor hem bij Scotland-Yard een schoone toekomst: daarvoor had hij het woord van Mr. Monk. Als hij zweeg, zou hij voor dezen staan als 'n stumperd! Al zijn eerzucht, al zijn verlangen naar een eervolle carrière kwam daartegen in opstand. En tòch...... "Mr. Turnbull!" zei hij plotseling (en zijn stem klonk heel zacht, als van iemand, die moê is van innerlijke strijd). "Werd de daad van Miss Conway niet uit noodweêr gepleegd? Zij zag haar vader voor haar ogen in gevaar..." De advocaat schudde het hoofd. "Natuurlijk heb ik daaraan gedacht", zei hij. "Er zou enige kans bestaan, dat de Rechter daarmede rekening hield, maar ik acht dit niet zeer waarschijnlijk. Vergeet niet, dat Mr. Conway de aanvaller was, dat het volstrekt niet vast staat, dat zijn leven inderdaad gevaar liep, en - ten slotte dat Miss Conway reden had, zich op Mr. Hollis te wreken." Opnieuw bleef het langen tijd stil. Het had er de schijn van, alsof Geoffrey was ingeslapen. Toen hij de ogen opsloeg, lag daarin die zachte, bijna vrouwelijke uitdrukking, die zulk een zonderlinge tegenstelling vormde met de staal-harden glans, die zij op andere ogenblikken konden vertoonen. "De heren en Miss Conway kunnen gerust zijn", zei hij langzaam. "Ik zal niet spreken." En toen gebeurde het onverwachte. Geoffrey sloeg plotseling beide handen voor de ogen en...... schreidde. Tenslotte was hij nog hàlf 'n kind en zag - naar hij meende - zijn illusiën omtrent de toekomst in rook opgaan. Maar dat zijn goed hart hem tot dit grote offer gebracht had, bewees, dat hij meer zedelijke kracht bezat dan de meeste mannen. --- ## Besluit. De dankbaarheid van Mr. Conway en zijn dochter, alsook die van Mr. Turnbull, was grenzenloos. De laatste wilde Geoffrey geldelijk schadeloos stellen voor het offer, dat hij voelde, dat deze gebracht had, al sprak hij daarover niet. Maar Geoffrey wilde daarvan niets weten; en evenmin van het hernemen van zijn plaats op het kantoor, waar hem nu een mooie toekomst wachtte. "Het zou de schijn hebben, alsof ik mij liet omkoopen", zei hij. En hij bleef onverbiddelijk. Er braken voor Geoffrey nu moeilijke dagen aan en zijn vermogen van bijna £ 85.— slonk ziender-ogen. Na korten tijd besloot hij - hoewel met een zwaar hart - het nog eens te wagen, zijn diensten aan Scotland-Yard aan te bieden. Inspecteur Higgins ontving hem daar met nederbuigende vriendelijkheid, maar toonde zich hoogst verbaasd over de reden van zijn komst. Dat was immers al lang van de baan! Toen vroeg Geoffrey naar Mr. Monk, hetgeen de Inspecteur hooglijk verbaasde, omdat hij niet wist, dat hij dezen kende. Mr. Monk keek de jongen man vragend aan. "En...?" zei hij. "Niets!" antwoordde Geoffrey. "Ik dacht, dat u dan thuis gebleven zou zijn", zei Mr. Monk. "Hebt u de geleende artikelen aan Mr. Perkins teruggeven?" "Alles! Behalve de hoed. Die is in de slag gebleven." "Zo iets kàn voorkomen, Mr. Gill. Maar als de slag niet gewonnen wordt, is het geen aanbeveling. Ik had méér van u verwacht. Uw gang naar de woning van Mrs. Evergreen wees op enig goed inzicht in de zaak. Vanuit de bovenachterkamer kon men in de kamer zien, waar de moord gepleegd werd. U wildet natuurlijk weten, wie het kamertie bewoonde. Misschien had die iets opgemerkt, dat een aanwijzing worden kon. Maar op het ogenblik, waarop Mr. Hollis werd dood geschoten, was die kamer onbewoond. Mr. Perkins, die ik op Mrs. Evergreen afstuurde na uw bezoek ten harent, vernam dit zonder veel moeite. Ik weet niet, of ù dat bekend is." Geoffrey knikte; maar in die knik lag een leugen! "Ik wil nog wel eens de proef met u nemen", hernam Mr. Monk. "Maar, eerlijk gezegd, zou ik het u niet aanraden." "Dank u!" zei Geoffrey, opstaande. Hij was heet-gebakerd, zoals het aan de jeugd past; en aan het bewustzijn, dat hij méér te weten was gekomen dan de grote Mr. Monk, paarde zich thans enige geraaktheid over de geringschatting, waarmede hij behandeld werd. "Ik begrijp, dat mijn toekomst buiten Scotland-Yard ligt. Goedenmorgen, Mr. Monk!" Toen Geoffrey thuis kwam, vond hij daar een brief van de procureursfirma Bruce, Oldman & Bruce, hem uitnodigende tot een bezoek op de volgenden dag.\*) Er bleek op het kantoor dezer firma een diefstal te hebben plaats gehad en Geoffrey's hulp werd ingeroepen op aanbeveling van Mr. Turnbull! \*) Zie No. 1 der G.G.-serie: "De Man uit Frankrijk", Hoofdstuk I. Hij bracht deze zaak tot een goed einde. En dat was voor hem de voet in de stijgbeugel. Zijn tegenzin tegen een vaste betrekking bij Scotland-Yard heeft hij steeds behouden. En hij heeft er nooit berouw van gehad, dat hij zich, in zijn beroep, volledige vrijheid had voorbehouden. Over Ellen Conway kunnen wij kort zijn. Zij bleef, tot het einde, in het huisje van haar tante. Niet ongestraft had zij de geweldige emoties doorstaan, die op haar waren ingestormd. Na twee weken bracht zij ontijdig een dood kindje ter wereld; en zij overleefde de geboorte daarvan slechts enkele uren. Mr. Conway was, van dat ogenblik af, een gebroken man. Wat Mr. Turnbull betreft, in zijn beroep bleef het succes hem trouw. Maar hij is ongetrouwd gebleven en vergeefs hebben zijn vrienden zich afgevraagd, wat daarvan de reden kan zijn. Antwoord op die vraag hebben zij nooit gekregen, want de weinigen, die dat antwoord hadden kunnen geven, bewaarden het geheim. Ten slotte nog een eigenaardige confidentie. De vraag van Mr. Monk naar de "geleende artikelen" had Geoffrey's aandacht gevestigd op de omstandigheid, dat de slappe hoed, die hij te Bridge-end in een greppel geworpen had, daar vermoedelijk was blijven liggen. Werd die gevonden en door de politie herkend, dan zou dit het uitgangspunt kunnen worden voor een onderzoek, dat hoogst onaangenaam zijn kon! Op de avond van de dag, waarop Geoffrey met Mr. Monk gesproken had, bracht de trein hem naar Bridge-end. Hij zocht en vònd wat hij kwam zoeken. En zo bewaarde Engeland's scherpzinnigste detective, als herinnering aan zijn eerste "experiment", een oude, versleten hoed, die hij... van Scotland-Yard gestolen had! --- # Het Blauwe Meer. --- ## Hoofdstuk I - Verdwenen! "Neemt u plaats, Sir! Mrs. Wimbleton zal dadelijk bij u zijn." De imposante livrei-knecht maakte een lichte buiging en sloot de deur achter zich. Mr. Turnbull was nu alleen en keek rond in de kleine, hem welbekende kamer. Reeds menigmaal had hij hier geconfereerd met Mrs. Wimbleton, de weduwe van een rijken bankier en een zijner grootste cliënten. Zij was een enigszins oorlogszuchtige dame, die in geldzaken erg bij de pinken was en met haar medemensen niet altijd in pais ende vreê leefde. Vandaar dat zij dikwijls de hulp van een advocaat nodig had. Het kamertje, waarin Mr. Turnbull zich thans bevond, vormde, naar het uiterlijk, een merkwaardige combinatie van boudoir en werkkamer. Om slechts op één eigenaardigheid te wijzen: in de hoek bij een der beide ramen stond een kostbare toilet-spiegel, style empire, met rijk verguldwerk en rustende op een voetstuk in denzelfden stijl. Voor het andere raam stond een bijna armoedig houten schrijfbureau en daarvóór een gewone stoel, zonder armleuningen, een toonbeeld van de grootst mogelijke eenvoud. In schril contrast daarmede prijkten, naast een elegant salontafeltje, twee grote fauteuils, met kostbare stof bekleed en van de meest luxueuse vormen. En tòch - hoe vreemd het ook klinke — dit alles vormde een harmonisch geheel, niettegenstaande de tegenstelling in de onderdelen. Het viel Mr. Turnbull in, hoe dit vertrek geheel in overeenstemming was met de natuur der vrouw, die het straks betreden zou. Ook bij háár een zonderlinge mengeling: een scherp, nuchter verstand, en tevens - bij sommige gelegenheden - het plotseling aan-den-dag-treden van vrouwelijke zachtheid en fijngevoeligheid. En ook hier bleef het harmonische geheel bewaard! Toen Mrs. Wimbleton binnen trad, zag de advocaat onmiddellijk, dat er iets bijzonders gebeurd moest zijn. Zij was een grote, slanke vrouw, recht als een kaars, niettegenstaande haar vijf-en-vijftig jaren. Het dikke, grijzende haar lag in een zwaren wrong om achterhoofd en schedel. Een paar heldere, grauw-blauwe ogen en enige scherpe trekken om neus en mond gaven aan het gelaat een zeer intelligente, meestal wat spottende uitdrukking. Op dit ogenblik echter was de spot vèr te zoeken. En Mr. Turnbull, die gedacht had de koele vrouw van zaken te zien binnen komen, begreep aanstonds, dat hij ditmaal stond tegenover een vrouw, die verdriet had en naar hulp zocht. De grote, statige vrouw - inplaats van, zoals anders, op de stoel voor het schrijfbureau plaats te nemen - liet zich, met voorbij-zien van alle decorum, in een der fauteuils vallen en bedekte zich het gelaat met de handen. Wij brengen in herinnering, dat Mr. Turnbull nog geen veertig jaar en ongetrouwd was. Zijn moeder had hij vroegtijdig verloren, en hij behoorde niet tot die eigenaardige categorie van mannen, die "men about town"\*) genoemd worden en meestal van de studie der vrouw een soort van sport maken. Tegenover de blijkbare droefheid van Mrs. Wimbleton gevoelde de advocaat zich, in de eerste plaats, verlegen. Doch toen kwam er een gevoel van medelijden bij hem op, dat dermate toenam, dat het zijn verlegenheid overwon. \*) : mannen, die zich in de stad in alle kringen bewegen. "U hebt verdriet, Mrs. Wimbleton!" zei hij, met de hand rustend op de armleuning van haar fauteuil. "En daar u mij verzocht hebt, hier te komen, vermoed ik, dat u troost van mij verwacht." "Ik verwacht uw raad, uw hulp: dat is al troost!" zei de oude dame, terwijl zij het hoofd ophief en Mr. Turnbull in de ogen keek. "De berichten, die ik ontvangen heb, zijn zo vreemd, dat ik ze gaarne bespreken wil met iemand, die meer verstand van strafzaken heeft dan ikzelve." "Van strafzaken...?" "Juist, Mr. Turnbull! Ik vrees, dat er een misdaad heeft plaats gehad, en dan... en dan..." "...dan zullen wij trachten de schuldigen ter verantwoording te roepen, Mrs. Wimbleton!" De oude dame haalde thans twee brieven te voorschijn en reikte ze de advocaat toe. Maar nog vóórdat deze een blik op de inhoud had kunnen werpen, hield zij hem, met een kort gebaar, daarvan terug. „. U hebt mijn zoon Reginald gekend?" vroeg zij. "Ik heb meermalen het genoegen gehad", antwoordde Mr. Turnbull, zich erover verwonderende, dat Mrs. Wimbleton in de verleden tijd sprak. "De brieven, die u daar in handen hebt, betreffen mijn zoon Reginald", hernam zij. "Ik vrees, dat hem een ongeluk - of erger! - is overkomen. Leest u nu!" Zij scheen thans haar weeke stemming overwonnen te hebben. Haar laatste woorden hadden zelfs hard en droog geklonken. Zij herinnerden, wat hun toon betrof, Mr. Turnbull aan de wijze, waarop zij placht te kennen te geven, dat met de een of anderen achterstalligen pachter geen verdere consideratie gebruikt mocht worden. De eerste brief die Mr. Turnbull las, was afkomstig van de Londense politie. Hij was die ochtend door Inspecteur Higgins in persoon aan Mrs. Wimbleton gebracht, omdat men die dame voorzichtig wilde voorbereiden op de tijding, die hij inhield. De politie schreef, dat bij haar bericht was ingekomen van de autoriteiten te X\*), een stadje in Noord-Tirol, dat Mr. Reginald Wimbleton, nadat hij daar enkele dagen in het Hotel "Zur Sonne" gelogeerd en verschillende bergtochten ondernomen had, van een tocht naar de "Schnee-Köpfe" niet was teruggekeerd. Alle nasporingen waren vruchteloos gebleven. Men meende verplicht te zijn, hieraan de mededeeling toe te voegen, dat dergelijke gevallen zich in de laatsten tijd meer hadden voorgedaan en dat ook de politie - maar tevergeefs - een onderzoek had ingesteld. \*) De werkelijke naam wordt, om verschillende redenen, verzwegen. De tweede brief was afkomstig uit X zelf. Hij bestond uit niet meer dan een strook dun, geribd papier, dat de indruk van vloeipapier maakte en haastig van een groter stuk afgescheurd scheen te zijn. Hierop stonden in gebrekkig Duits deze weinige woorden: "De jonge Engelsman, die op weg van de Schnee-"Köpfe verdwenen is, kwam niet door een toeval om het "leven." De strook was gestoken in een grauw couvert van de slechtste kwaliteit. Het adres aan Mrs. Wimbleton was - wat de spelling betreft - in correct Engels geschreven, maar aan de wijze, waarop de woorden afgebroken en gegroepeerd waren, kon men zien, dat de schrijver die taal niet machtig was. De brief was te weinig gefrankeerd geweest: men had er een postzegel voor het binnenland in plaats van een voor het buitenland op geplakt. Deze tweede brief was bezorgd enkele uren na het bezoek van Inspecteur Higgins en was nog niet ontvangen, toen Mrs. Wimbleton aan Mr. Turnbull telefonisch had doen verzoeken, haar zo spoedig mogelijk een bezoek te brengen.
* * *

"Kunt u met mij meê naar Tirol gaan, Mr. Turnbull?" De advocaat, die, met de brieven in de hand, was blijven dóórdenken over het zonderlinge geval, schrikte op bij deze plotselinge vraag, die op scherpen, drogen toon gesteld werd. Mrs. Wimbleton keek hem aan, met harde brandende ogen: de ogen van iemand, die doodsangst uitstaat, die verlichting in tranen zou willen zoeken, maar ze niet vinden kan. De advocaat schudde langzaam het hoofd. "Onmogelijk! Geheel onmogelijk, m'n waarde mevrouw!" zei hij. "Ik ben, door mijn praktijk, op dit ogenblik aan Londen gebonden." "Ik kan u schadeloos stellen voor alles, wat u verzuimt!" "Maar mijn andere cliënten zouden daaraan weinig hebben, mevrouw! Zij rekenen op mij en ik mag hen niet dupeeren. Bovendien: dit is meer detective- dan advocaten-werk." "Liefst houd ik Scotland-Yard buiten de zaak. Ik heb niet veel vertrouwen in die heren, als het om een onderzoek buitenslands gaat." "Uw oordeel is niet geheel billijk, mevrouw! Maar dat dáárgelaten! Ik kan u met een jongen man in aanraking brengen, die niet aan Scotland-Yard verbonden is, maar, hoe jong hij ook is, menig geroutineerd detective beschamen zou." "Hebt ù hem ontdekt, Mr. Turnbull?" vroeg Mrs. Wimbleton. De advocaat keek enige ogenblikken strak vóór zich. "Het omgekeerde is veeleer het geval", zei hij toen, met een eigenaardigen glimlach. "Mr. Gill heeft mij ontdekt." "Hoe bedoelt u dat?" Mr Turnbull beside a select Mr. Turnbull haalde de schouders op. "Een woordspeling, zonder diepere beteekenis", zei hij. "En het doet er trouwens ook minder toe, hoe wij aan elkaar gekomen zijn. Dit ééne kan ik u zeggen: een man, meer schrander en betrouwbaar dan deze jonge detective, zult u moeilijk vinden." "U is bijna geestdriftig in uw lof, Mr. Turnbull!" zei de oude dame. "Maar het zal u niet verwonderen, dat ik mij afvraag, of het wel verstandig is, voor een werk, dat zo moeilijk worden kan, een jongen man te kiezen, zonder ondervinding." "Ondervinding is 'n heel mooi ding!" zei Mr. Turnbull. "Maar ik heb heel wat detectives gekend, die niets geleerd hadden uit alles, wat zij hadden ondervonden. Mijn jonge vriend Geoffrey Gill daarentegen heeft méér dan ondervinding : hij heeft de aangeboren gave om snel te observeeren en uit het geobserveerde, met instinctmatige logica, zijn deducties en combinaties te maken. Als aan deze gave zich over enige tijd ondervinding paart, zal hij de grootste detective van het Verenigde Koninkrijk zijn." "En is het iemand, die over voldoende talenkennis beschikt om in Duits-sprekende landen met vrucht te kunnen werken?" "Hij spreekt vloeiend Frans en Duits, mevrouw! Dat heeft hij beschouwd als een onmisbaar deel van zijn opleiding." "Zijn opleiding?... Waar heeft hij die genoten?" "Op z'n zolder-kamertje in Pimlico, mevrouw! Zijn leermeesters waren: een oude, uitgedroogde Fransman, een Duitse kellner, die hij ergens in een restaurant had opgedaan, maar bovenal zijn eigen, nooit verflauwende volharding." "Een ,self-made man'\*) dus?" \*) : een man, die zichzelven gevormd heeft. "In de vollen zin van het woord!" "Maar zulke mannen zijn niet altijd aangenaam gezelschap, Mr. Turnbull." De advocaat maakte een ongeduldig gebaar. "Mij dunkt, mevrouw, dat dit bijzaak is", zei hij scherp. "U gaat vermoedelijk niet voor uw genoegen met hem op reis! Intussen kan ik u ook hieromtrent gerust stellen: hij is een beschaafd jongmens met goede manieren." "Laat hij dan zo spoedig mogelijk hier komen!" zei mevrouw Wimbleton. --- ## Hoofdstuk II - Deducties. Toen Geoffrey Gill van Mr. Turnbull vernam, dat de rijke mevrouw Wimbleton hem wenste te spreken, in verband met een onderzoek in het buitenland, dat hem wellicht zou worden opgedragen, was hij zo verheugd als hij zelden geweest was. Tot dusverre had hij enkele kleinere zaken behandeld, waarvan één hem naar Frankrijk gevoerd had: het land, waarin hij zich later, evenals in Engeland, zulk een grote naam verwerven zou. Het was steeds een illusie van hem geweest, de Alpen te zien. En het was juist dáárheen, dat de hem te geven opdracht hem voeren zou! Hij spoedde zich in gespannen verwachting naar het grote huis van Mevrouw Wimbleton. De jonge detective en de rijke weduwe zaten bij elkaar in dezelfde kleine kamer, waarin enige uren vroeger Mr. Turnbull ontvangen was. Met enkele woorden had Mevrouw Wimbleton haar bezoeker op de hoogte gebracht van haar angst en zorgen, en thans was Geoffrey bezig met het lezen der beide hem ter hand gestelde brieven. Terwijl hij in die lectuur verdiept was, hield Mrs. Wimbleton haar blikken onafgewend op hem gevestigd. Ja! Hij was 'n zéér jonge man! Maar toch lag er over zijn gehele persoon iets, dat imponeerde en vertrouwen gaf. Was het de kalme bedachtzaamheid, die uit zijn blauwe ogen sprak? Was het de grote gedecideerdheid, waarmede hij optrad, zonder nochthans in onbescheidenheid te vervallen? Zij zou er zich geen rekenschap van hebben kunnen, geven! Doch dat zij, van de aanvang af, onder de bekoring van zijn eigenaardige persoonlijkheid kwam, was onmiskenbaar. Toen Geoffrey de beide brieven gelezen had, leunde hij achterover in zijn stoel en sloot de ogen. Mrs. Wimbleton begon tegen hem te spreken, maar hij wenkte haar, enigszins ongeduldig, dat zij zwijgen zou. Beleefd was dat niet; maar Geoffrey had nu eenmaal zijn eigenaardigheden en het was, zelfs in zijn jonge jaren, inderdaad merkwaardig, hoe gauw anderen leerden, zich daarnaar te schikken. Geoffrey was dus aan het "deduceeren en combineeren", en Mrs. Wimbleton, die wel begreep, dat hij in deze ogenblikken van schijnbare rust zwaren hersenarbeid verrichtte, wachtte zwijgend, totdat hij met zijn meening voor de dag zou komen. In later jaren, toen Geoffrey Gill een wereld-reputatie genoot, was het een van zijn eigenaardigheden, dat hij meestal tot het laatste ogenblik - het resultaat van zijn deducties en combinaties geheim hield: op dit punt had, vermoedelijk, de ondervinding een correctie aangebracht op zijn natuurlijke openhartigheid. Maar in de dagen, toen Mrs. Wimbleton zijn hulp inriep, was hij jong en impulsief, ja te impulsief! Want Mr. Turnbull had volkomen gelijk gehad, toen hij zei, dat eerst de ondervinding "den grootsten detective van het Verenigde Koninkrijk" van hem maken zou! Toen de jonge man de ogen weer opsloeg, zette hij de slotsom, waartoe hij gekomen was, uiteen met een openhartigheid, die hem, toen hij ouder werd, vreemd worden zou. "Deze enkele regels, in potlood geschreven op 'n soort van vloeipapier", aldus begon hij, "geven ons verschillende aanwijzingen, die bij ons onderzoek dienen kunnen. "Ten eerste: de persoon, die ze schreef, beschouwt het als vaststaand, dat uw zoon dood is." "En ù. Mr. Gill, beschouwt ook u dat als vaststaand...?" Er klonk angst in Mrs. Wimbleton's stem. Dat bewees, dat zij nog niet àlle hoop verloren had: de wanhoop begint waar de angst ophoudt! "Ik kan slechts oordelen op grond van deze beide documenten", antwoordde Geoffrey. "En die laten, naar mijn inzien, maar weinig twijfel omtrent het feit, dat uw zoon niet meer in leven is. Ik zou mij kunnen voorstellen, dat iemand - bij voorbeeld iemand, die Mr. Wimbleton om het leven had gebracht - er belang bij hebben zou, de doode nog als levend voor te stellen. Maar wie kan belang hebben bij het omgekeerde?... en speciaal bij misleiding daaromtrent van ù. Mrs. Wimbleton?..." De arme moeder had zich het gelaat met de handen bedekt en Geoffrey zweeg enige tijd om haar gelegenheid te geven zich te herstellen. Toen vervolgde hij: "Ten tweede leert dit briefie ons, dat de schrijver met de oorzaak van Mr. Wimbleton's dood bekend is." "Moord...?" vroeg de oude dame zacht. "... òf zelfmoord, Mevrouw! Ik begrijp, dat mijn woorden u sterk moeten aangrijpen. Maar ik moet tegenover u toch openhartig zijn." Opnieuw bleef het enige tijd stil. "Intussen", vervolgde Geoffrey: "zelfmoord acht ik niet waarschijnlijk, ook alweer, omdat ik niet begrijp, waarom iemand er dan belang bij hebben zou, ù daarvan 'op deze vreemde wijze kennis te geven. Bovendien schijnt ook de politie te X aan moord te denken." "Maar welk belang kan iemand erbij hebben, mij erop te wijzen, dat er moord heeft plaats gehad?" vroeg Mrs. Wimbleton. "Het derde punt, dat wij uit dezen brief leeren, geeft tevens het antwoord op uw vraag, Mevrouw! Het is duidelijk, dat de schrijver de moordenaar haat: hij wil dezen verraden!" Mrs. Wimbleton knikte. Zij had de handen van het gezicht genomen en bleef nu de jongen man, in de grootste spanning, aanzien. "Ten vier de leert de brief ons, dat de schrijver angst koestert voor de moordenaar en wellicht ook voor de politie. Ware het anders, hij zou openlijk als diens aanklager zijn opgetreden. Nu tracht hij door een anonieme aanwijzing, waarin zelfs de naam van de schuldige niet genoemd wordt, een nader onderzoek uit te lokken. Vooral wanneer hij, buiten de moordenaar, de enige zijn mocht, die weet wat geschied is, is dit de beste wijze om de schijn te wekken, alsof dat onderzoek spontaan ondernomen werd." "Maar waarom zich dan niet op dezelfde wijze tot de politie te X gewend. Mr. Gill?" "Het is mogelijk, dat hij reden heeft, zèlf liever niet met de politie in aanraking te komen", antwoordde Geoffrey. "Maar bovendien: hij heeft met zijn schrijven aan u gewacht, totdat hij wist, dat het onderzoek der politie vruchteloos was afgelopen. Anders hadt u de brief ontvangen, vóórdat Scotland-Yard u van het mislukken der nasporingen had kennis gegeven." Mrs. Wimbleton knikte opnieuw en scheen thans haar bezoeker de woorden van de lippen te lezen. "Ten vijfde" - ging deze voort - "blijkt uit de omstandigheid, dat uitdrukkelijk gesproken wordt van de weg van de ,Schnee-Köpfe', dat de schrijver van de bewegingen van uw zoon op de kritieken dag op de hoogte is. Hoe kon hij anders - waar het aan de politie niet gelukt is een spoor te ontdekken — weten, dat Mr. Wimbleton omgekomen is juist op de terugtocht?" Geoffrey sloot wederom de ogen, om zijn gedachten te verzamelen. Toen vervolgde hij, rad sprekende, als om, bij de snellen gang van zijn gedachten, niets over te slaan: "Ten zesde: uit het feit, dat de schrijver van de brief uw adres juist geschreven heeft, Mrs. Wimbleton, blijkt, dat hij persoonlijk met uw zoon in aanraking is geweest, of althans, vóór of (meer waarschijnlijk) na diens dood, documenten, die deze bij zich droeg, in handen heeft gehad. Hebt u uwen zoon naar X geschreven en kwam uw naam, als afzendster, misschien op de enveloppe voor. Mrs. Wimbleton?" De oude dame beantwoordde deze vraag bevestigend. "Dan is het verklaard, hoe men uw adres uitvond", hernam Geoffrey, "en kom ik tot het zevende punt! De afzender van onzen brief moet een weinig ontwikkeld persoon geweest zijn: de fouten, die hij in het Duits maakt, wijzen daarop; eveneens het feit, dat hij een postzegel voor het binnenland gebruikte. Dit is een typisch verschijnsel, omdat onontwikkelde mensen bijna altijd in die fout vervallen, wanneer zij naar het buitenland schrijven. Ook de kwaliteit der enveloppe wijst er niet op, dat zij van iemand afkomstig is, die zich in een zekere mate van welstand verheugt." De jonge man hield een ogenblik op. "Dat zijn dus zeven aanwijzingen, de eene van meer, de andere van minder beteekenis", vervolgde hij. "Het zou toch al vreemd moeten lopen, als we, met behulp daarvan, niets ontdekken konden. Bovendien kan ons ook het vreemdsoortige papier, dat gebruikt werd, op het goede spoor brengen! Intussen, Mrs. Wimbleton, mogen wij de ogen er niet voor sluiten, dat sommige van de eigenaardigheden, die wij hebben opgemerkt, opzettelijk kunnen zijn aangebracht om ons te misleiden. Bijvoorbeeld: het grove couvert kan gebruikt en de fouten in het Duits kunnen gemaakt zijn, om de schijn te wekken, alsof de brief van een onontwikkeld persoon komt. Ook op zulke zaken moet men verdacht zijn!" "Ik heb uw redeneering met spanning gevolgd"; zei Mrs. Wimbleton. "Zij beneemt mij de laatste hoop, maar schenkt mij tevens de overtuiging, dat ik geen lichtzinnige keus doe, wanneer ik u thans verzoek, mij te willen bijstaan in het onderzoek naar wat er van mijn zoon geworden is. Wanneer kunnen wij vertrekken. Mr. Gill?" De aangesprokene keek haar een ogenblik zwijgend aan, met een uitdrukking van verbazing op het gezicht. "Wij...?" vroeg hij toen. "Was het uwe bedoeling mede naar Tirol te gaan?" "Natuurlijk! Ik heb er geen ogenblik aan gedacht de leiding van deze treurige zaak uit handen te geven. Uw hulp zal mij daarbij zéér welkom zijn." Geoffrey was opgestaan. Een gevoel van grote teleurstelling maakte zich van hem meester, want hij moest thans vreezen, dat deze geheimzinnige zaak, die niet nagelaten had hem buitengewoon belang in te boezemen, hem ontgaan zou. Toch aarzelde hij geen ogenblik. "Het spijt mij hartelijk, mevrouw! Maar op die voet moet ik weigeren mij met het onderzoek te belasten", zei hij. "Alleen dân kan ik in deze zaak enige verantwoordelijkheid aanvaarden, wanneer de leiding aan mij blijft." "Voor iemand, die zo jong is, is u wèl veel-eischend", zei Mrs. Wimbleton scherp; maar Geoffrey liet zich niet uit het veld slaan. "Ik eis niets, mevrouw!" zei hij. "U is immers volkomen vrij, àl of niet van mijn diensten gebruik te maken. Maar juist, omdat het mijn doel is te slagen, ben ik verplicht u erop te wijzen, dat uw tegenwoordigheid dat slagen zéér bemoeilijken zou. Ik kan X bezoeken, zonder bijzondere aandacht te trekken, als 'n gewoon toerist. Maar, mevrouw, ù is iemand, die opvalt en imponeert! U kunt zich niet in 't bescheiden hoekje verborgen houden! U kunt zich niet op zij laten drukken en in de grote menigte ondergaan. Daartoe leent uw persoonlijkheid zich niet en zàl zij zich nimmer leenen, ook al zou u het beproeven!" "Dus zelfs tegen mijn gezelschap hebt u bezwaar, Mr. Gill...?" Het was voor Geoffrey een verlichting, dat haar toon niet onvriendelijker geworden was. Zonder het te weten, had hij de juisten toon aangeslagen: gedecideerd, maar met volle waardeering voor haar buitengewone persoonlijkheid. Zij was vrouw genoeg, om - ook in haar verdriet - nog enige ijdelheid te gevoelen. De hulde, aldus spontaan aan haar optreden en haar uiterlijk gebracht, stemde haar milder. "In gewone omstandigheden zou uw gezelschap mij verheugen en vereeren", zei de jonge man (en hij meende, wat hij zei!). "Maar waar ik in alle stilte en in het verborgen zal moeten werken, misschien wel met enig gevaar voor mijn persoon, zou ik de verantwoording voor uw veiligheid geen ogenblik kunnen dragen." Mrs. Wimbleton dacht even na. "Heden avond zal ik u mijn decisie mededelen", zei zij toen. En, nadat zij nog eens met Mr. Turnbull beraadslaagd had, nàm zij haar decisie: zij zou dezen zo gedecideerd optredenden jongen man haar volle vertrouwen schenken! En Geoffrey zou zonder haar naar Tirol gaan! --- ## Hoofdstuk III - Het "Gasthaus Zur Sonne". Op een prachtigen avond in Augustus daalde een jonge man langs het kronkelende bergpad neder in het wijde dal, waarin het stadje X gelegen is, de vorigen avond was hij te X aangekomen en had, met verschuldigden eerbied de beide grote hotels tegenover het station op een afstand latend, zijn intrek genomen in het typische oude "Gasthaus zur Sonne", in het midden van de stad, waar men kans had de "kinderen van het land" te ontmoeten en niet onder te gaan in een zee van spichtige Engelsen en goedmoedige Zuid-Duitsers, de volgenden ochtend was hij er dadelijk op uitgetogen en had de gehele dag in de bergen rondgedwaald. Geoffrey Gill - de lezer heeft hem reeds herkend! had zich die eersten dag geheel gedragen als een onschuldig toerist. Hij was vêr van de weg naar de "Schnee-Köpfe" gebleven en had zich in de schoonheid van het landschap verheugd, als ware hij hier gekomen met het uitsluitend doel van de Alpennatuur te genieten. Het was zijn doel, tegenover elkeen de indruk te maken van een toerist, zoals er zovele hierheen kwamen, en hij begreep, dat hij zich daartoe inderdaad enige dagen aan wandelsport moest wijden: voor hem niet het onaangenaamste deel van zijn taak! Thans was hij op de terugweg naar het "Gasthaus". De zon verguldde nog de besneeuwde toppen aan de overzijde van het dal, maar de stad beneden hem lag reeds in diepe schaduw. Lichten blonken hem uit de vensters tegen en het diepe galmen van een kerkklok golfde tot hem òp. Het landschap ademde rust en vrede, een echte avondstemming. Dat het avond was ondervond Geoffrey ook door een meer prozaïsch verschijnsel: het jeuken van zijn maag! Wel had hij op zijn tocht wat proviand medegenomen, maar dit was lang òp en hij verlangde naar een stevig avondmaal.
...zag hij in de verte

Toen hij, met grote stappen het vrij steile pad afdalende, een scherpe bocht omsloeg, zag hij in de verte een man voor zich uit lopen, die blijkbaar minder haast had en langzaam naar beneden slenterde. 't Was een lange, pootige kerel met een breeden rug en een bos rossig haar, waarop een smerige hoed rustte, aan de achterzijde versierd met de onmisbaren haneveêr. Maar die veêr was doormidden geknakt en 't bovenste deel hing slap naar omlaag, in plaats van flink en brutaal in de wind te staan, zoals dat bij een rechtgeaard Tiroler behoort. Toen Geoffrey hem passeerde en hem - naar landsgebruik - zijn "Grüss Gott" toeriep, zag hij, dat de kerel een rood, lelijk gezicht had, waaraan een paar diepe lidteekens op de wangen iets bijzonder terugstootends gaven. Hij wierp een dreigenden blik op Geoffrey en bromde iets in zijn rooden baard. Geoffrey keek nog eens even om en dacht bij zichzelven, dat, wanneer alle Alpenbewoners er zo uitzagen, het geen veilig wandelen in de bergen zou zijn. Onwillekeurig keerden zijn gedachten naar het doel, dat hem hierheen had gebracht. Maar... er was geen reden om aan te nemen, dat juist deze man daarmede iets uitstaande had. Toen hij hem dan ook bij de volgende bocht van het pad uit het oog verloor, verloor hij hem tevens uit het hart, want hij was meer in de stemming om zich op zijn avond-eten te verheugen dan om zich over een lelijke kerel te ergeren. Een half uur later bereikte hij het "Wirtshaus zur Sonne" en opende de deur, die - zoals dikwijls in Oostenrijk onmiddellijk in het "Gastzimmer" voerde. Dit vertrek was laag van verdieping en niet zeer diep, doch liep over de gehele breedte van het huis en had zes ramen aan de straat, die thans met gordijnen gesloten waren. Het buffet bevond zich aan de linkerzijde tegen de zijwand en op de met ruwe kokosmatten bedekten vloer stonden een tien-tal tatafeltjes, alle bedekt met de grove tafelkleeden - rood met wit gebloemd -, die men in Duitsland en Oostenrijk zo dikwijls te zien krijgt. Alle tafeltjes, op één na, waren bezet en aan dat eene, dat vlak bij 't buffet stond, nam Geoffrey plaats. Hij bestelde zijn avondmaal en keek eens rond. Het spreekt vanzelf, dat onze vriend in de "Sonne" zijn intrek had genomen, omdat ook Mr. Reginald Wimbleton daar gewoond had. Terecht had Geoffrey aangenomen, dat in een dergelijk oud en enigszins primitief "Gasthaus" des avonds vele stamgasten uit de stad zouden bijeenkomen. En daaronder zouden er vermoedelijk enige - misschien vele! - zijn, die met Mr. Wimbleton zelven in aanraking waren geweest. Deze jonge Engelsman scheen, in tegenstelling met de meeste zijner landgenooten, meer voor het verblijf in een eenvoudig, maar typisch Oostenrijks "Gasthaus" gevoeld te hebben dan voor het in statie logeeren in een der grote hotels. Het publiek, dat hier het avondmaal gebruikte, bestond grotendeels uit eenvoudige mensen, die Geoffrey voor kleine ambtenaren, winkel-bedienden en dergelijken hield. Hier en daar zaten stevige, stoere kerels, blijkbaar welgestelde boeren uit de omtrek, die zich wat lang in de stad hadden opgehouden en nu hun avondmaal gebruikten, voordat zij de wandeling naar huis aanvaardden. Twee van hen zaten aan het tafeltje naast Geoffrey, in druk gesprek met een zwaar-gesnorden Onder-officier en een klein, oud mannetje, dat in hooge mate de aandacht van de jongen detective tot zich trok door zijn bijzonder geestig, fijn-besneden gezicht. Hij had baard noch snor en zijn lange, grijze haren vielen hem bijna tot op de schouders. Voor Geoffrey had zijn gelaat iets bijzonder aantrekkelijks, zoals hij daar zat, met het hoofd op de hand geleund, ingespannen luisterend naar wat de Onder-officier vertelde. Onder-officieren hebben zelden de gewoonte hun stem bovenmatig te dempen! Onze jonge vriend kon dan ook elk woord, dat de mond van dezen krijgsman verliet, duidelijk verstaan. En de ômzittenden verkeerden allen in hetzelfde geval, zodat zij weldra hun eigen gesprekken staakten. Het onderwerp toch, waarover de Onder-officier zijn wijsheid ten beste gaf, interesseerde hen allen in hooge mate. Maar zeker zouden zij verwonderd geweest zijn, wanneer men hun gezegd had, dat niemand der aanwezigen daarin méér belang stelde, dan de jonge toerist, die - alleen aan z'n tafeltje gezeten - schijnbaar geheel verdiept was in het naar de regelen der kunst ontleden van zijn "Paprikahend".\*) \*) Kip, met paprika toebereid. In het eerst was Geoffrey geneigd aan een wonderlijk toeval te geloven, dat hem, om zo te zeggen dadelijk na zijn aankomst te X, in aanraking bracht met mensen, die spraken over dezelfde zaak, die hèm bezig hield. Maar weldra gaf hij er zich rekenschap van, dat het veeleer een toeval geweest zou zijn, wanneer dit niet het geval geweest was. Het was nauwelijks een week geleden, sinds Mr. Wimbleton verdwenen was. Dat verdwijnen had natuurlijk heel wat tongen en pennen in beweging gebracht en speciaal in het "Gastzimmer" van de "Sonne", waar hij gelogeerd had, werd het geval sedert avond aan avond behandeld. Het zou wel heel toevallig geweest zijn, als men daarmede juist die avond had opgehouden! "Ik zeg, dat de politie schandelijk is te kort geschoten", zei de Onder-officier, met die toon van verachting in zijn stem, die men bij militairen zo dikwijls waarneemt, wanneer zij over het doen en laten van het politie-corps spreken. "Dat is nu de derde maal in 'n paar maanden geweest! En telkens eindigt het met 'n bekentenis van onmacht! de eersten keer hebben ze Rooien Peter te pakken gehad, maar... weer losgelaten ook! En nu schijnen ze helemaal niet meer aan hem te denken. En tòch verwed ik er mijn hoofd onder, dat die ook ditmaal bij de zaak betrokken is geweest." "Maar er zijn immers geen bewijzen..." bracht het oude mannetje met de lange haren in het midden. "Bewijzen?... Bewijzen...?" smaalde de ander. "Wij hebben geen bewijzen nodig, Vader Kaspar! Zo iets voel je, als ie een normaal aangelegd mens bent. Ik zeg je, dat ze zo'n zaakje in andere landen heel anders zouden aanpakken! In Amerika knoopt het volk zo'n gemeenen boef zèlf op en lacht dan justitie en politie uit! Maar Amerika is 'n vrij land ..." "Maar je kunt Rooien Peter toch niet..." begon Vader Kaspar te protesteeren, maar verder bracht hij het niet. "Waarom zou je Rooien Peter niet kunnen ophangen?" schreeuwde de Onder-officier en sloeg met de vuist op tafel. "Omdat je dan zèlf zou worden opgehangen", lachte Vader Kaspar; en de bloeddorstige krijgsman had daarvan niet terug. Toch gaf deze de zaak nog niet op. "Ik zeg je", begon hij opnieuw: "onze hele politie-dienst is geen knip voor de neus waard! Nu ze Rooien Peter ongemoeid laten, wordt die brutaler en brutaler. In plaats van zich schuil te houden, slentert hij de hele dag in de stad of in de omtrek rond en kijkt iedereen, die hij ontmoet, met uitdagende ogen aan, alsof-i zeggen wil: .Ik laat me zien, waar ik wil! Heb het hart eens, iets tegen me te zeggen!' Ik zoù 'm!" "Heb jij 'm wel eens ontmoet, sergeant?" vroeg hier een van de boeren. "Meermalen!" "En wat heb je 'm gedaan?" De Onder-officier keek enigszins beteuterd. "Ik heb 'm z'n brutale blikken teruggeven", zei hij. "Dat 's pootig! Dat 's flink!" lachte de boer, en herhaalde toen het "Ik zoù 'm!", dat de ander zoeven had laten hooren, op zo komische toon, dat de òmzittenden in lachen uitbarstten. De Onder-officier werd rood van ergernis en keek uitdagend in het rond. Geoffrey, wiens hoentje thans tot enige schamele afgekloven beentjes geslonken was, had zich niet kunnen weerhouden mede te lachen. Dit scheen des krijgsmans toorn te wekken! "Hoor eens, jonge Heer!"\*) zei hij, zich plotseling tot de detective wendende: "Je weet misschien niet, dat ik hier onder vrienden ben! Als die eens om je lachen, welnou, daar is geen kwaad bij! Maar als 'n vreemde meêlacht en zo brutaal kijkt, als jij je dat veroorlooft, dan..." "...dan geef je hem z'n brutale blikken terug! Ga je gang, sergeant!" zei Geoffrey, zijn tegenpartij gemoedelijk toeknikkende. \*) Het Duitse "junger Herr" wordt in Oostenrijk zonder enige spottende bijbedoeling gebruikt. De hele zaal daverde nu van het lachen en de Onderofficier werd nog rooder. Hij wond zich de langen snor met energieke bewegingen om de vinger, mompelde een paar, vermoedelijk niet vriendelijke, woorden, rolde zelfs met de ogen, maar... bleef rustig zitten. In de ogen van de jongen man, die hem zo gemoedelijk toeknikte, had hij namelijk een eigenaardig harden glans opgemerkt, die hem te denken gaf en 'n beetje voorzichtig maakte. Geoffrey was, op deze enigszins zonderlinge wijze, plotseling het middelpunt der belangstelling geworden. Toen de Onder-officier hem met 'n verachtelijk schouder-ophalen de rug toewendde, voelde Vader Kaspar zich geroepen als vredestichter op te treden. "U moet zich het optreden van onzen goeden vriend maar niet aantrekken!" zei hij tot Geoffrey. "Hij blaft wel eens meer wat hard, maar hij bijt slechts zelden." "Dat zou dan nu wel eens kunnen gebeuren!" bromde de harde blaffer, wiens verontwaardiging er niet minder op werd. Nu haalde Geoffrey de schouders op. "Ik zoek met niemand ruzie!" zei hij. "Laten wij de zaak er nu maar bij laten. Gedurende de korten tijd van mijn vacantie heb ik wel wat beters te doen dan gevechten te leveren met de gewapende macht van de Monarchie!" "Meneer komt zeker uit Noord-Duitsland?" informeerde de oude man. "Naar zijn Duits te oordelen, zou men dat zeggen." "Maar dan zou men zich vergissen", antwoordde Geoffrey, die enige gepasten trots voelde, omdat men hem niet als niet-Duitscher herkend had, en - in dankbaarheid - zijn kellner-leermeester herdacht. "Ik kom uit Engeland." Deze verklaring wekte de algemeene belangstelling. "Dan zal meneer zich wel bijzonder voor 't geval van zijn landgenoot interesseeren", zei de oude Kaspar. Het stond Geoffrey plotseling duidelijk voor de geest, dat hij deze vraag niet met "ja" beantwoorden mocht. Dat antwoord zou wel natuurlijk geweest zijn, maar... als bij intuïtie gevoelde hij, dat het gevaarlijk zijn kon, omdat gedurende het voorafgaande gesprek het verdwijnen van Mr. Wimbleton niet met zoveel woorden ter sprake was gekomen. Indien hij liet blijken, dat hij wist, waarover het gesprek gelopen had, zou het mogelijk zijn, dat deze of gene zich daarover verwonderde, en zich afvroeg: hoe weet hij waarover wij spraken? Dat kòn gevaarlijk zijn. "Het geval van mijn landgenoot?" vroeg hij quasi-verbaasd. "Ik weet niets van zo'n geval. Ik heb wel 'n hele boel gehoord over de brutaliteit van 'n zekeren Rooien Peter, maar daartoe beperkt zich mijn weten." "Och, natuurlijk!" zei Kaspar. "U is pas hier!" En de sergeant, die de gelegenheid schoon zag om zijn zware stem weer eens te doen hooren, draaide zich om en zei, alsof er niets Tussen hen was voorgevallen: "Ik zeg u: 't is een van de merkwaardigste gevallen, die zich in de laatsten tijd hebben voorgedaan. Laat mij u eens vertellen, wat er eigenlijk gebeurd is." En daarop deed hij, met veel omhaal van woorden, het verhaal van het verdwijnen van Mr. Wimbleton. Veel nieuws vernam Geoffrey daaruit niet. Alleen dit: dat de "babbelende menigte" van het stadje Rooien Peter met de zaak in verbinding bracht, omdat deze - toen zich enige maanden vroeger voor het eerst in dezelfde buurt een dergelijk geval had voorgedaan - op weg naar de "Schnee-Köpfe" was aangetroffen en niet voldoende had kunnen verklaren, wat hij daar eigenlijk zocht. Men had hem toen zelfs aangehouden, maar, daar er schijn noch schaduw van bewijs tegen hem was, spoedig weder losgelaten. --- ## Hoofdstuk IV - Roote Peter. De Onder-officier had zijn verhaal juist ten einde gebracht, toen de deur van het "Gastzimmer" open ging. Binnen trad dezelfde man, die Geoffrey die avond, het pad naar X afdalende, had ingehaald. Alle gesprekken verstomden plotseling. En dááruit reeds maakte Geoffrey op, wat hem in de loop der gesprekken duidelijker en duidelijker geworden was: dat deze man niemand anders zijn kon dan de veel-besproken Rooie Peter. De hooge, breede gestalte, met de bos rossige haren en de vuile, verwaarloosde kleeding, bleef enige ogenblikken bij de ingang staan. De grote, bijna zwarte ogen dwaalden met een boosaardige, uitdagende uitdrukking van het eene tafeltje naar het andere en om de mond lag een grijnslach, waarschijnlijk veroorzaakt doordat het plotseling zo stil was geworden en de man zich verheugde in de indruk, die zijn verschijnen gemaakt had. Het duurde niet lang, of zijn blik viel op het tafeltje, waaraan Geoffrey alleen gezeten was en nog twee leêge stoelen stonden. Zonder iemand te groeten, ging hij regelrecht op dat tafeltje af en nam plaats tegenover de detective. Met een ruwe, luide stem bestelde hij een "Viertel Rot"\*) en keek toen opnieuw rond met die uitdrukking in zijn ogen, die de Onder-officier terecht aldus onder woorden had gebracht: "Ik laat me zien, waar ik wil! Heb het hart eens, iets tegen me te zeggen". \*) kwart liter roode wijn. Nu, de Onder-officier zelf bleek het hart daartoe niet te hebben. Hij had zich half afgewend en deed, alsof hij de man niet zag. Maar van het tafeltje, waaraan de boer, die zich vroeger reeds in het gesprek gemengd had, gezeten was, klonk op dit ogenblik een zacht: "Ik zoù 'm!", gevolgd door een onderdrukt gegrinnik. Rooie Peter, die daarvan natuurlijk niets begrijpen kon, vond daarin niettemin aanleiding, nu ook zijnerzijds de stilte te verbreken. "Ik heb gehoord", zei hij, zich tot zijn onmiddellijke omgeving richtende, "dat ik hier avond aan avond over de tong ga. Daarom ben ik nu zelf eens hier gekomen, om te hooren, wat jelui over me te zeggen hebt. Vooruit! Jelui kunt vrij-uit spreken: ik kan tegen 'n stootje!" Niemand gaf aan deze uitnodiging gevolg en Rooie Peter begon luid te lachen. "Dappere kerels zijn jelui!" zei hij. "'n Mens achter zijn rug belasteren, dàt kunnen jelui! Maar in zijn gezicht...! Bah !" Hij sloeg met de vuist op tafel, zodat de wijn uit zijn glas spatte, enige druppels daarvan kwamen terecht op Geoffrey's "Joppe".\*) \*) = toeristen-kiel. Hoewel onze vriend zijn nieuwen tafel-buurman voor een gevaarlijke kerel hield, gevoelde hij, als recht-geaard Engelsman, toch sympathie voor de moedige wijze, waarop deze al die mensen, die zo dapper met de mond waren, in hun eigen hol was komen braveeren! Hij wiste zich met zijn servet de droppels van de "Toppe". "Ik kan mij bèst begrijpen, dat u boos is", zei hij kalm. "Maar u is wat heftig in uw bewegingen." Rooie Peter keek hem 'n ogenblik strak aan. "U schijnt mij zoowat de jongste van het gezelschap", zei hij toen. "Is ù niet bang?" "Bang? Waarvoor zou ik bang zijn?" lachte Geoffrey. "U hebt 'n paar stevige armen, maar de mijne zijn óók niet van glas. En al werpt u nog zulke vernietigende blikken op mij, verbeeld u niet, dat ik mijn ogen zal neêrslaan. Kom, kom! We zijn toch geen kinderen, om zonder reden aan het vechten te slaan?" Opnieuw keek Rooie Peter hem aan. "Een man onder de oude wijven!" zei hij daarop langzaam, en ledigde zijn glas in één teug. Deze laatste uitlating bleek enige van de aanwezige boeren dan toch wat àl te machtig. Zij hadden tot dusverre rustig toegezien, omdat zij, wat Rooie Peter zei, niet ernstig opnamen, maar nu hadden zij er genoeg van! "Als jij je lelijke bek niet houdt...", begon er een, van zijn stoel opspringend. Maar hij bracht het niet verder. Geoffrey was het namelijk met zichzelven eens geworden, dat het van groot belang voor hem zijn kon, met Rooien Peter op goeden voet te raken. Omtrent diens schuld of onschuld aan het verdwijnen van Mr. Wimbleton kon hij natuurlijk niets weten. Maar als Peter schuldig was, waren de bewijzen daarvoor het gemakkelijkst te vinden, wanneer hij zich - zo mogelijk! - wat nauwer bij hem aansloot. En wanneer Peter onschuldig was, had deze natuurlijk het grootste belang om meê te helpen bij het ontdekken van de waren schuldige: daarmede zou dan de lasterpraat, waarover hij zich beklaagde, ophouden. In beide gevallen was het voor Geoffrey van belang, de kennismaking met Peter voort te zetten! Hij trad dus nu op als bemiddelaar, en, hoewel een ongeroepen bemiddelaar wel eens met de kous op de kop thuis komt, was dat ditmaal allerminst het geval. "Maak toch zo'n leven niet!" viel hij de boze boer in de rede. "Waarom zouden we ons het rustig samenzijn laten bederven door 'n paar beleedigende woorden, die ten slotte niemand zich behoeft aan te trekken?" De Tirolse boer is allerminst een ruzie-zoeker. Ook dit speciale exemplaar maakte geen uitzondering op de regel. Hij nam weer plaats op zijn stoel, doch bromde, nog zéér hoorbaar: "Laat hij dan z'n bek houden! Wat heeft hij ons uit te schelden?" Hier zag Geoffrey een schoone gelegenheid ter bereiking van zijn doel! "Laten wij toch billijk blijven!" zei hij. "Wanneer Rooie Peter 'n brave man is - en uit wat ik gehoord heb, maak ik op dat het moeilijk is het tegendeel te bewijzen -, zal iedereen het toch begrijpelijk moeten vinden, dat-i verre van lieflijk gestemd is." De Onder-officier had de mond reeds geopend om opnieuw te constateeren, dat er geen bewijzen nodig waren, maar bedacht zich nog bij tijds en... maakte zijn mond weer toe! Het was te zien, dat Geoffrey's woorden indruk maakten. Dat was eigenlijk verwonderlijk, want hij was een vreemde in een vreemd land, hij was jong en hij bevond zich onder mensen, die tegenover wild-vreemden nu niet zo bijzonder toeschietelijk zijn. Ongetwijfeld was de aandacht, die men schonk aan wat hij zei, het gevolg van die eigenaardigen invloed, die er van zijn gehele persoonlijkheid uitging en die in later dagen maken zou, dat hij in moeilijke ogenblikken de onbetwiste leiding op zich nemen kon, ja dat mensen, die in positie ver boven hem stonden, zich zonder tegenstribbelen aan die leiding onderwierpen. Maar nu wilde Rooie Peter nog een duit in het zakje gooien! "Ik geef geen zier om dreigementen..." begon hij. Doch ook hèm viel Geoffrey in de rede. "Neen, vriend!" zei hij rustig. "Nu de tegenpartij naar mij luisteren wil, behoort gezelf ook geen verderen aanstoot te geven. Als men u belastert, zal dat vroeg of laat uitkomen. Wie het laatst lacht, lacht het beste, m'n vriend!" De man keek hem met zijn donkere ogen strak aan. Zijn blik was half-verbaasd, half-dreigend. "Ik begrijp niet, waarom ik u niet tot pap sla", zei hij. "Ik begrijp dat bèst!" antwoordde Geoffrey, steeds met dezelfde kalmte sprekend. "Er zijn mensen, die nooit pap worden, al sla je nog zo hard. U is te verstandig, om ermeê te beginnen, meneer Peter!" In de blik van de ruwen kerel kwam waarlijk een wat vriendelijker uitdrukking. De jonge detective had, met de hem ingeboren tact, de juisten toon gevonden, waarop deze man moest worden toegesproken! "Komaan!" vervolgde Geoffrey. "Als u hier zitten blijft, drink dan nog 'n ,Viertel' en bederf mij dezen avond niet door, met 'n zuur gezicht, ,krawall'\*) te maken! ,Herr Wirt'! Breng nog 'n ,Viertel Rot' voor meneer Peter!" De man wist blijkbaar niet, hoe hij zich houden moest. Hij zat met 'n boos gezicht naar de grond te kijken. \*) = herrie, ruzie. Toen de "Wirt" de kleine karaf met wijn vóór hem zette, zag hij plotseling op. "Ik wil niet weigeren, je gezondheid te drinken, jonge Heer!" zei hij. "Maar wat die anderen betreft, ik verdraai het..." "Niemand verlangt, dat je hùn gezondheid drinken zult", viel Geoffrey snel in. "Lieve hemel, man, ik heb hoogstens twee weken vacantie! Bederf mij nu één van mijn veertien avonden niet, door telkens zo op te stuiven. Blijf genoeglijk een poos bij me zitten, of... ga weg! De keuze is aan jezelven, m'n vriend!" "Als u me genoeglijk zien wilt, verlangt u te veel van me", zei Rooie Peter. "En, daar ik tòch gezegd heb wat ik zeggen wilde, verkies ik het heengaan." Daarop nam hij zijn glas op en stiet met de rand daarvan tegen dat van Geoffrey, dat vóór dezen op de tafel stond. "Zum Wolsein, junger Herr!"\*) zei hij daarbij en dronk het glas uit. \*) "Op uw wèlzijn, jongeheer!" Hij stond op, knikte Geoffrey toe en verwijderde zich, zonder iemand anders te groeten. Toen de deur zich achter hem gesloten had, kwamen de tongen, die zo lang gezwegen hadden, in beweging. Ieder wilde zijn woordje zeggen en in een oogwenk ontstond er een verward stemgedruis, waarboven zelfs de Onder-officier, die plotseling al zijn moed herkregen had, zich niettegenstaande zijn basstem - niet verstaanbaar kon maken. Het was zeker dáárom, dat de kleine, oude man, die Geoffrey met de naam van Vader Kaspar had hooren toespreken, opstond en aan het tafeltje bij de jongen man zitten kwam. "Ik maak u mijn compliment, jonge Heer!" zei hij, terwijl hij Geoffrey vriendelijk toeknikte. "U hebt daar, in een ommezien, de leeuw getemd!" "Dat was nog al niet moeilijk!" lachte de detective. "Het komt mij voor, dat de leeuw niet zo héél gevaarlijk is!" "Daarin vergist u zich toch!" meende de oude man. "Ik zal nu niet ingaan op de geruchten, die over hem in omloop zijn, in verband met het verdwijnen van enkele personen in de bergen: het bewijs van de gegrondheid dier geruchten is inderdaad niet te leveren. Maar, afgescheiden daarvan, is Rooie Peter een gevaarlijk mens: een woesteling, een vechtersbaas en een drinker." "Ik moet bekennen, dat zijn uiterlijk niet innemend is" zei Geoffrey. "Maar tòch schijnt het mij, dat hij niet zo slecht is als zijn reputatie." Vader Kaspar schudde bedenkelijk het hoofd. "U is nog jong! U vertrouwt de mensen te gauw", zei hij. "Denkt u nog enige tijd in X te blijven?" "Vermoedelijk een dag of tien", antwoordde Geoffrey. "Laat mij u dan de raad geven, het gezelschap van Rooien Peter te vermijden." "U kunt ervan op aan, dat ik zijn gezelschap niet zoeken zal!" zei Geoffrey lachend. "Daartoe is het niet aantrekkelijk genoeg. Ik ben niet van plan, gezamenlijk met hem tochtjes te ondernemen!" Opnieuw schudde Vader Kaspar het hoofd. "U maakt er een grapje van!" zei hij. "De zaak is ernstig genoeg. In ieder geval, u is nu gewaarschuwd!" Hij stond op en nam zijn vroegere plaats weer in aan het tafeltje naast dat van Geoffrey. --- ## Hoofdstuk V - De Kaart Van Het Land. De eerstvolgende dagen was Geoffrey aanhoudend op het pad, hetzij in de stad zelve - om de bezienswaardigheden te zien, zoals iedereen aannam -, hetzij in de omgeving om van de bergnatuur te genieten. In werkelijkheid was hij bezig de kaart van het land op te nemen, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin. Van de aanvang af had deze gedachte bij hem vóórgezeten: geen overhaaste conclusies, geen zich-laten-influenceeren door de uiterlijke schijn der dingen, geen vóóroordelen voordat men oordelen kan! En, naar die gedachtengang handelende, begon hij zijn onderzoek in volkomen objectieven geest. Stad en omgeving moest hij leeren kennen: van mensen, die - direct of indirect - bij de zaak betrokken kònden zijn, moest hij méér weten. Hij wendde zich niet tot de plaatselijke politie-autoriteiten omdat hij deze, zo het enigszins mogelijk bleek, buiten zijn onderzoek houden wilde. Hij gaf zich er namelijk rekenschap van, dat ook een politie-beambte 'n mens is, met menselijke gebreken en zwakheden behebt. Waar de politie tot dusverre gefaald had, scheen het hem schier bovenmenselijk, dat zij zich met hart en ziel ter beschikking stellen zou van een vreemdeling, die zich - als particulier detective - plotseling in het opzien-barende geval mengen kwam. Hij zou die mentaliteit volkomen begrepen en vergeven hebben, maar... hield zich daarom voorloopig liever vèr van de mannen der wet! Voorzichtig won hij zijn informaties in, maakte nu eens met dezen, dan eens met genen kennis en verzamelde stelselmatig al die kennis, die nuttig voor hem zijn kon, wanneer hij eenmaal handelend zou moeten optreden. Daarbij bewaarde hij, naar het uiterlijk, geheel de schijn van belangstellend en weetgierig toerist. Naarmate hij toestanden en feiten kennen leerde, vormde zich, als vanzelf, zijn plan van actie. Instinctmatig vermeed hij de fout, waarin zo menig detective vervalt: het vooruit beramen van plannen en het daaraan uitvoering (of althans begin van uitvoering) geven, vóórdat een objectief onderzoek naar feiten, toestanden en personen enige zekerheid geschonken heeft omtrent de weg, die gevolgd moet worden om wellicht (hier is zekerheid bijna steeds uitgesloten) tot wèlslagen te geraken. Wat de omgeving betreft, was het vooral die aan de zuidzijde der stad, welke hem belang inboezemde. Daar sprong het gebergte in het breede dal vooruit tot vlak in de nabijheid van de eerste huizen, en onder de vele toppen, die hier de toerist tot een klimpartij verlokten, behoorden ook de beide "Schnee-Köpfe". Zij vormden samen een geweldig rotsgevaarte, dat aan de bovenzijde wigvormig gespleten was en dus twee toppen bezat. In de winter pakte zich de sneeuw samen in de diepe spleet Tussen die beide en bleef daar meestal tot in de zomer liggen. Aan dit verschijnsel ontleende de berg zijn naam. Van eeuwige sneeuw of gletsers was hier geen sprake, want de hoogste der beide toppen bereikte een hoogte van nauwelijks 2000 M. De bestijging van die top was geheel ongevaarlijk. Die van de lageren daarentegen was zeer bezwaarlijk en werd slechts zelden ondernomen. Vanuit de stad voerde een breede weg, in grote zigzags, tegen de bergen op en bracht de wandelaar binnen een half uur naar een vrij groot, diep-blauw meer, dat door hooge boomen - voornamelijk naaldhout - omzoomd en aan alle zijden door steile bergwanden omgeven was. "Het Blauwe Meer" noemde men het in de omtrek. Van daaruit gingen voetpaden in verschillende richtingen: naar de "Felsberg", de "Kahlenstein", de "Sonnewendstein", de "Sturmberg" en de "Schnee-Köpfe". Er was hier dan ook des zomers overdag meestal een levendig toeristen-verkeer, en het kleine "Wirtshaus", dat aan de oever lag, was dan goed bezet. Gelegenheid tot nachtverblijf bestond hier echter niet en tegen het vallen van de avond was alles er meestal uitgestorven. Toen Geoffrey, op de tweeden dag van zijn verblijf, voor het eerst naar het Blauwe Meer gewandeld was, werd hij tot zijn verrassing - daar ontvangen als een oude kennis. De "Wirt" bleek n.l. niemand anders te zijn dan Vader Kaspar, die hij de vorigen avond in de "Sonne" ontmoet had. De oude man huisde gewoonlijk hier boven. Maar twee of drie maal in de week ging hij in de namiddag naar de stad om in de "Sonne" de vrienden te ontmoetten. 's Avonds laat wandelde hij dan naar huis terug. Vader Kaspar was bijzonder trots op zijn "See-Restauration", zoals hij zijn "Wirtshaus" gedoopt had. Met grote letters - zwart op wit - prijkte deze wijdse naam boven een ijzeren hek, waardoor men de "tuin" van het etablissement betrad, namelijk een smalle, met fijn steengruis bedekte strook gronds, vlak langs de oever van het meer, waar tafelties en stoelen stonden. Maar nog trotser dan op zijn "Restauration" was Vader Kaspar op iets anders. Hij was namelijk op de gelukkige gedachte gekomen om, vlak in de nabijheid, een klein, houten badhuis te doen aanleggen. De temperatuur van het water was hier des zomers overheerlijk en deze primitieve "Bade-Anstalt" was een waar succes geworden, niet het minst ook in financiëel opzicht. De oude man liet daarover wel niet veel los, maar nu en dan kon men toch uit zijn woorden wel opmaken, dat deze nieuwe onderneming hem geen windeieren legde. Bij zijn eerste bezoek moest Geoffrey al dit fraais in ogenschouw nemen. Vader Kaspar bracht hem ook in kennis met zijn nicht, die hierboven de huishouding voerde. Deze was een jonge vrouw van misschien dertig jaar, met een onbeteekenend gezicht vriendelijke bruine en ogen. Er lag een uitdrukking van lijden op haar trekken en haar oom vertelde dan ook, dat zij haar ouders vroeg verloren en het heel hard in de wereld gehad had, totdat hij zich haar lot had aangetrokken. Het bleef niet bij één bezoek aan de "See-Restauration"! Afgescheiden van het genot, dat de heerlijke omgeving hem schonk en van het behagen, dat hij schepte in Vader Kaspar's gezelschap, stelde Geoffrey, ook uit beroepsoverwegingen, veel belang in zijn gesprekken met dezen volstrekt niet onontwikkelden man. Deze wist namelijk heel wat te vertellen omtrent de stad en haar bewoners en deed dat altijd op een origineele, ietwat droge, wijze. Wat Geoffrey gedurende zijn omzwervingen meende op te merken, toetste hij dikwijls aan het oordeel van Vader Kaspar. En zo raakte hij meer en meer op de hoogte van personen en toestanden.
* * *

Het is hier de plaats om kortelijks uiteen te zetten, wât hij alles vernam. Vooreerst dan omtrent het verdwijnen van Mr. Wimbleton! Deze was vroeg in de ochtend op weg gegaan, om de hoogsten der beide "Schnee-Köpfe" te bestijgen, enige boeren uit de omtrek hadden hem tegen tien uur ontmoet aan de voet der steil-rijzende rotswanden, waar het moeilijkste gedeelte van de tocht begon. Zij hadden hem zelfs gevraagd, of hij geen gids bij zich had, waarop Wimbleton gelachen had. "Ik zal er onder weg wel een òpdoen"; had hij gezegd. De boeren hadden die woorden niet ernstig opgenomen. Toen zij echter later Rooien Peter in dezelfde richting hadden zien gaan, was onwillekeurig de vraag bij hen opgekomen of deze misschien de gids zijn kon, op wie de Engelse toerist gezinspeeld had. Niemand had Mr. Wimbleton na die tijd teruggezien. Maar Rooie Peter had men 's avonds opnieuw in de buurt aangetroffen, thans komende vàn de zijde der "Schnee-Köpfe", en toen de Engelsman niet terugkeerde en alle nasporingen vergeefs bleken, was er op hèm verdenking gevallen. Intussen, men had hem ook ditmaal wegens gebrek aan bewijs, moeten vrij laten. Mr. Wimbleton was de derde toerist, die op een zo geheimzinnige wijze verdwenen was. Twee maanden geleden was een Professor uit München en, nog geen maand geleden, was een jonge fabrikant uit Maagdenburg, onder ongeveer gelijke omstandigheden, niet teruggekeerd van een tocht naar de "Schnee-Köpfe". Op de meest voorzichtige wijze en bij verschillende personen wist Geoffrey zich op de hoogte stellen van allerlei bijzonderheden ook omtrent die vorige gevallen. Hij had genoeg tact om nergens de indruk te wekken, dat hij bij de zaak enig bijzonder belang had. Men vond het niet meer dan verklaarbaar, dat hij zich interesseerde voor wat te X nog steeds het onderwerp van vele gesprekken uitmaaktel Alles wat hij vernomen had op de hem eigen logische wijze overdenkende, had hij zich rekenschap ervan gegeven, dat de drie gevallen in verschillende opzichten met elkaar overeen kwamen. Ten eerste hadden de drie verdwenen toeristen allen in de "Sonne" gelogeerd. Ten tweede waren zij alle drie vermogende mensen, die onvoorzichtig genoeg geweest waren om te laten blijken, dat zij gewoon waren, nog al wat geld bij zich te dragen. Ten derde waren zij alle drie verdwenen op een zonder gids ondernomen tocht ter bestijging van de hoogsten der "Schnee-Köpfe". Ten vierde had (merkwaardig toeval!) dat verdwijnen in alle drie de gevallen op een Donderdag plaats gehad. Ten vijfde was het op die drie Donderdagen tegen de avond telkens zwaar weêr geweest. Ten zesde had niemand de drie toeristen op de terugweg van de "Schnee-Köpfe" gezien. Toch wist Geoffrey, dat er één persoon was, die - althans voorzooverre het Mr. Wimbleton betrof - wèl wist, dat deze op de terugweg geweest was: de schrijver van de anoniemen brief op het geribde vloeipapier! De zes punten van overeenstemming in deze drie onopgeloste gevallen konden, naar Geoffrey's oordeel, nauwelijks aan het toeval geweten worden. Als er van misdaad sprake was - en dit scheen wel niet twijfelachtig meer! moesten die zes omstandigheden die misdaad hebben uitgelokt of bevorderd! En nu vormde zich in Geoffrey's brein langzamerhand een plan, waarnaar hij handelen wilde. Tot dusverre had hij met uitzondering dan van Rooien Peter - niemand gezien of ontmoet, die hij op steekhoudende gronden ervan verdenken kon, de hand in het spel te hebben gehad bij het geheimzinnige verdwijnen van de drie toeristen. In de aanvang had hij de Onder-officier, met z'n grove basstem, voor enigszins verdacht aangezien: had deze niet zijn best gedaan, Rooien Peter verdacht te maken? Kon dat niet gebeurd zijn, om de aandacht der aanwezigen van anderen misschien van zichzelven - af te wenden? Maar later, toen hij de man enige avonden aanéén in het "Gastzimmer" geobserveerd had, wat hij van die gedachte teruggekomen. Deze man was een luidruchtige bluffer - en méér niet! Bovendien had hij overdag dienst in de kazerne en was daar ook geweest op de Donderdag, toen Mr. Wimbleton verdwenen was. Er waren des avonds in de "Sonne" — behalve toeristen, die er voor één of enkele dagen verblijf hielden - meestal dezelfde mensen: stamgasten uit de stad of uit de omtrek. En dat waren er verscheidene, misschien wel twintig. Door gesprekken met dezen en genen, ook door de inlichtingen, die de spraakzame Vader Kaspar hem gaf, wist hij, althans in grove trekken, wie zij waren en wat zij deden. Vader Kaspar zelf was te X geboren en reeds als jonge man naar Amerika getrokken, enige jaren geleden was hij vandaar, met 'n beetje vermogen, teruggekeerd en had de "See-Restauration" gehuurd en later het kleine badhuis doen bouwen. Het laatste was eerst voor enige maanden geopend en de bezitter maakte, in dit seizoen, goede zaken. Zo was Geoffrey vrij wel op de hoogte gekomen, van de levensomstandigheden van vele mensen, met wie hij in aanraking geweest was. Zoals gezegd kon hij tegen geen van die allen enige grond van verdenking vinden, behalve tegen Rooien Peter. En dezen had hij, sinds die eersten avond, niet meer gezien. Daarom besloot hij nu meer actief op te treden, teneinde de schuldigen (of - zo er méér waren -: de schuldigen) ertoe te brengen, zich bloot te geven. --- ## Hoofdstuk VI - De Veldtocht Geopend. Het plan, dat Geoffrey ontwierp, was stoutmoedig misschien geniaal! Hij besloot, ten opzichte van zijn eigen persoon - althans voor zover hem dat mogelijk was -, al die omstandigheden kunstmatig te scheppen, welke zich bij het verdwijnen van alle drie de toeristen hadden voorgedaan. In de "Sonne" hàd hij reeds zijn intrek genomen. Het lag aan hèm het tweede, derde en vierde punt, waarop de overeenstemming bestond, in het leven te roepen. Het vijfde punt - een weêr-kwestie - ontsnapte natuurlijk aan zijn invloed, evenals het zesde: de vraag, of men hem àl dan niet op de terugweg zien zou! Geoffrey gaf er zich volkomen rekenschap van, dat hij zich, mocht zijn plan slagen, aan groot gevaar bloot stelde. Maar hij was van de leer, die hij in zijn eigen taal aldus uitdrukte: "forwarned, forarmed!"\*) Bovendien lokte het gevaar hem eer aan dan dat het hem terughield. In latere jaren zou hij de zaak wellicht behoedzamer hebben aangepakt: de ondervinding had hem toen bezadigder gemaakt! Maar in zijn jonge dagen was hij, zo men wil, onvoorzichtig. Wie in zijn jeugd door voorzichtigheid uitmunt, is meestal niet van de stof, waaruit men flinke, kordate mannen maakt! \*) Vooruit gewaarschuwd: vooruit gewapend! Geoffrey begon hier en daar, vooral des avonds in het "Gastzimmer", opmerkingen te plaatsen, waaruit een goed verstaander kon opmaken, dat hij lang niet slecht bij kas was. Ook tracteerde hij de stamgasten, onder wie hij langzamerhand populair was geworden, herhaaldelijk op 'n glas extra-fijnen wijn (het merk "Tiroler Gold" werd hier - als overal in de Alpen - bijzonder op prijs gesteld!)' en nu en dan wisselde hij groot bankpapier. Op Woensdag-avond (het was nu tien dagen geleden, dat hij te X gekomen was) vond hij, van zijn gewonen namiddagtocht thuis komende, het "Gastzimmer" vol mensen. Het was die dag mooi weêr geweest, en het was - ook thàns, in de avond, nog - drukkend warm. De barometer liep achteruit en Geoffrey vroeg zich reeds af, of het lot bezig was, hem in de kaart te spelen. Toen hij binnen trad werd hij door vele der aanwezigen onder wie de Onder-officier en Vader Kaspar - op vrij luidruchtige wijze verwelkomd. Het bleek, dat de eerste zijn naamdag vierde en dat er dientengevolge, méér dan gewoonlijk, een Bacchus geofferd was. Tot grote vreugde der aanwezige vrienden plengde hij, zijnerzijds, enige flessen "Tiroler Gold" op het feestaltaar. Men maakte aan de grote stam-tafel, die men gevormd had door verscheidene kleine tafeltjes aan elkaar te schuiven, plaats voor de nieuwaangekomene en weldra zat deze Tussen Vader Kaspar en de Onder-officier, in de fideelste stemming, alsof hij zijn leven lang hier thuis geweest was. Het duurde niet lang, of het gesprek kwam op de vooruitzichten, in verband met het weêr. „De barometer is aan het dalen", zei een der aanzittenden. "Morgen zal 't wel regenen." "Ik kan het je op een briefje geven, dat wij morgen, over dag, nog zonneschijn hebben", antwoordde de sergeant. "Vóór morgenavond valt er geen droppel!" Over deze weêrkundige vraag ontspon zich een uitvoerig debat. De meesten der aanwezigen waren het met de sergeant eens, maar anderen voorspelden, dat het de volgenden ochtend reeds zwaar weêr zou zijn. Men begrijpt, dat Geoffrey, met het oog op zijn plannen, het gesprek met grote belangstelling volgde. "Ik ben voornemens, morgen naar de "Schnee-Köpfe' te gaan", zei hij. "Maar als 't in de ochtend al regent, vrees, ik, dat ik mijn plan zal moeten opgeven." "Ik zou 't er maar op wagen", meende de sergeant. "Als wij morgen-ochtend al regen hebben, klaart het tegen de middag wel weer op: de buien duren om dezen tijd van 't jaar gelukkig nooit heel lang." "Gaat u zonder gids?" vroeg een boer uit de omtrek. Geoffrey lachte. "Wat zou ik met 'n gids moeten uitvoeren?" vroeg hij. "Ik heb nu al zo lang hier in de bergen rondgezworven, dat ik heus m'n weg wel alleen vinden kan. En gevaarlijke klouterpartijen komen op de tocht naar de "Schnee-Köpfe' niet voor, zoals men mij verzekerd heeft." "En vreest u geen andere gevaren?", vroeg de oude Kaspar. "Ik denk onwillekeurig aan de toeristen, die op hun tocht naar de "Schnee-Köpfe' verdwenen zijn." "Als men zich door zülke dingen bang wilde laten maken, zou men ten slotte geen enkelen bergtocht meer kunnen ondernemen", meende Geoffrey. "Ongelukken komen overàl voor in de bergen." "Maar zijn het wel ongelukken geweest...?" Geoffrey haalde ongeduldig de schouders op. "Laten wij vanavond nu eindelijk eens over iets anders spreken dan over dat eeu wige onderwerp van de drie toeristen", zei hij. "Ik ben nu tien dagen hier en elken avond heb ik daarover meer of minder interessante verhalen moeten aanhooren. Dat begint 'n mens ten slotte hartgrondig te vervelen!" "Toch is het interessant genoeg", meende Kaspar. "Spreek er dan, na mijn vertrek, over zo lang en zo dikwijls als je zelf maar wilt", lachte Geoffrey. "Maar laten we vanavond, nu onze goede sergeant z'n feest viert, over vrolijker dingen spreken. Of nog beter: wie zingt er 'n liedje?" Dit voorstel bracht de stemming eerst recht op peil! De enkele toeristen, die aan de tafeltjes verspreid zaten, werden vriendschappelijk onder de arm genomen en naar de stam-tafel geëxpedieerd, die voortdurend aangroeide door het telkens bijschuiven van nieuwe, kleine tafeltjes. En nu moest ieder op z'n beurt 'n lied ten beste geven: stem of geen stem! De Onder-officier, die - als jubilaris - het goede voorbeeld meende te moeten geven, bulderde met een geweldige stentor-stem een lied, waarin veel over soldaten en sabels en helden en slagvelden en krijgsmansgraven voorkwam. De goede man hield daarbij wijs noch maat, maar het enorme succes, dat hij oogstte, bewees voldoende, dat men het daarmede zo nauw niet nam. Een Engels liedje, dat Geoffrey vervolgens voordroeg en waarvan geen der aanwezigen (behalve Vader Kaspar, die immers in Amerika geweest was) een syllabe verstond, werd eveneens begroet met geestdriftige toejuichingen, die eigenlijk meer de zanger dan het gezongene golden. Verschillende der aanwezigen gaven daarop van hun meerdere of mindere muzikale gaven blijk, en het echt-Tirolse "jodeln" was niet meer van de lucht. Het meeste bijval vond echter Vader Kaspar, die - met een bevende oude-mannenstem - een ouderwets Duits liedje tem beste gaf. Zo werd het, onder lachen en gezang, tien uur. De gasten begonnen op te breken en een der eersten, die naar huis ging, was Vader Kasper: hij had trouwens, om zijn "See-Restauration" te bereiken, nog een hele wandeling te maken! Daar het, niettegenstaande het dalen van de barometer, buiten nog steeds mooi weêr was, besloot Geoffrey een eindje met de oude man mede te lopen: een loopje in de open lucht, vóór het naar bed gaan, zou ongetwijfeld aan zijn nachtrust ten goede komen. De straten van het stadje waren uitgestorven: op dit uur zijn ze trouwens in zo goed als alle Oostenrijkse steden vrijwel ontvolkt. De maan stond aan de hemel en ging nu en dan achter losse wolken schuil. De voetstappen der beide mannen weerkaatsten in de nauwe straten en toen zij op het marktplein kwamen, lag dit vóór hen, eenzaam en verlaten. Nog slechts uit enkele huizen drong licht naar buiten. Aan de noordzijde van het plein lag een lange rij winkels, met - daarvóór - een op ruwe, gemetselde pijlers rustende portiek, zoals men die in Italië - en ook hier en daar in Tirol — dikwijls aantreft. Uit de duisternis van deze portiek trad plotseling een man te voorschijn, die zich dwars op hun weg plaatste. "Goeienavond!" klonk het met een ruwe, schorre stem. Het was Rooie Peter! Hij zag er juist zo uit als die avond - nu meer dan een week geleden - in de "Sonne"! En ook zijn stemming — onvriendelijk en uitdagend! — was weinig veranderd. "Goeienavond, Peter!" zei Vader Kaspar en wilde dóórlopen. "Een ogenblik!" zei Peter, terwijl hij hem tegenhield. "Ik heb zin om 'n eindje meê te lopen. Of zijn de heren misschien niet van mijn gezelschap gediend?" "Ik kan niet zeggen, dat ik er erg op gesteld ben!" lachte de oude man. "Dat doet er minder toe!" zei de ander ruw. "Wat zegt de jonge Heer ervan?" Geoffrey, denkende aan de vermoedens, die tegen dezen man bestonden, voelde evenmin iets voor het opgedrongen gezelschap van de ruwen kerel. Maar, getrouw aan zijn eenmaal aangenomen tactiek, wilde hij dat niet laten blijken. "Ik zou 't bèst vinden, als je zou willen meêwandelen, meneer Peter", zei hij. "Maar mijn wandeling is al ten einde. Ik was juist van plan om afscheid van Vader Kaspar te nemen en naar de ,Sonne' terug te gaan." "Dat is héél verstandig", zei Peter. "Ik loop nog 'n eindje mee met Vader Kaspar, ook al is die op mijn gezelschap niet gesteld." Een ogenblik later was Geoffrey alleen op de terugweg. Maar hij had nog geen vijf minuten gelopen, toen hij haastige voetstappen achter zich hoorde. Hij keerde zich om: Rooie Peter kwam terug! "De oude Kaspar is zo zuur vanavond, dat ik 'm maar alleen gelaten heb", zei de man, terwijl hij hem op zij kwam. Korten tijd liep hij naast Geoffrey voort, zonder iets te zeggen. En onze vriend zelf zweeg eveneens: hij begreep in de verste verte niet, wat Rooie Peter van hem wilde, en achtte het 't verstandigst dezen zelf uit de hoek te laten komen. "Wij hebben morgen regen", zei de man plotseling en wierp een blik naar de wolken, die de maan thans opnieuw bedekten. "Best mogelijk!" antwoordde Geoffrey. "Vanavond in de "Sonne' zijn er heel wat voorspellingen omtrent het weêr gedaan! Ik hoop, dat 't niet zo slim zal uitkomen als sommigen verwachten." "Ik hoop voor u, dat het regenen zal!" zei Rooie Peter en lachte daarbij op zijn gewone, ruwe manier. "Waaròm?" vroeg Geoffrey. "Dan kunt u eens 'n dag uitrusten", luidde het onverwachte antwoord. "Blijft u maar eens thuis, dat zal u geen kwaad doen!" "Ik wilde naar de ,Schnee-Köpfe'." "Dan is u nu gewaarschuwd!" Het volgende ogenblik was Geoffrey alleen. Wat kon zijn zonderlinge begeleider met zijn nog zonderlinger waarschuwing bedoelen?...... En wat betekede het, dat die waarschuwing juist van hèm kwam?...... --- ## Hoofdstuk VII - In De Bergen. Toen Geoffrey de volgenden ochtend het gordijn van zijn venster op zij schoof, zag hij, dat de hemel blauw was. De pessimisten van de vorigen dag hadden - althans voorloopig! - ongelijk gekregen. Snel kleedde hij zich aan en maakte daarop enige preparatieven, die voor een gewoon toerist zeker niet gebruikelijk waren. Uit zijn handkoffer, die een dubbelen bodem bleek te hebben, haalde hij in de eerste plaats een revolver. Hij controleerde met zorg, of deze goed geladen was, en stak haar daarna in zijn zak. Vervolgens verdwenen in een anderen zak een paar kleine handgereedschappen, die aan het gilde der inbrekers vermoedelijk oude en goede bekenden zouden hebben toegeschenen: een schroevendraaier, een kleine zaag, een bos sleutels en nòg enige instrumenten, waarvan het gebruik voor niet technisch ontwikkelde geesten een mysterie zijn moest. Dat alles was samengepakt in de kleinst mogelijke ruimte. Dat Geoffrey zich aldus toerustte was zéér natuurlijk. Het stond, naar zijn meening, vrij wel vast, dat de drie toeristen en althans Mr. Wimbleton - vermoord waren. Maar... de jonge detective was te vèr-ziende om als een a b s o l u t e zekerheid te beschouwen, wat nog enige ruimte tot twijfel liet. Aangenomen, dat de toeristen niet vermoord en evenmin verongelukt waren, dan werden zij ergens gevangen gehouden. En, waar Geoffrey nu àl zijn best deed, om de omstandigheden, waaronder zij verdwenen waren, te reconstrueeren, was het een wijze daad van voorzorg, dat hij zich van de boven omschreven instrumenten voorzien had. Bij hèm was het doel daarvan echter het omgekeerde van dat van de inbreker: hij moest in staat zijn om uit te breken, zo dat nodig mocht blijken! Beneden in het leêge en niet heel fris riekende "Gastzimmer" was de "Wirt" reeds in de weer. Over die "Wirt" hebben wij nog niet gesproken, omdat hij 'n zo buitengewoon onbeduidend man was: klein, kaal en bijziende, een slaaf van zijn gasten, maar zonder de eigenaardige "bonhommie", die de Oostenrijkse "Gastwirt" zo dikwijls kenmerkt. "Dus u gaat tòch, jonge Heer?" zei de man, terwijl hij zich in de handen wreef en Geoffrey over zijn bril aanzag. "Natuurlijk! Waarom zou ik niet gaan?" vroeg Geoffrey. De "Wirt" antwoordde niet, maar schudde bedenkelijk het hoofd. Hij haalde een paar glazen voor de dag en schonk die vol met de lichten, witten landwijn uit de omgeving. "Op uw behouden terugkomst!" zei hij, terwijl hij één der glazen aan Geoffrey overhandigde en zelf het zijne ledigde. "Dank u!, Zum Wolsein'!" antwoordde Geoffrey en ook hij ledigde zijn glas. Daarop trad hij naar buiten in de frisse morgenlucht.
* * *

Drie kwartier later stond hij voor de "See-Restauration". De oude Kaspar was naar buiten gekomen. "Dus u gaat tòch?" vroeg hij, in dezelfde woorden, die de , Wirt' gebruikt had. En Geoffrey antwoordde, evenals hij de "Wirt" geantwoord had: "Waarom zou ik niet gaan?" Toch ontveinsde hij zich niet, dat zich een enigszins onbehaaglijk gevoel van hem begon meester te maken. Het was nu al voor de derde maal, dat hem een indirecte waarschuwing bereikte om niet te gaan. Wel verre van hem terug te houden, stijfden die waarschuwingen - zeker ook door de vagen vorm, waarin zij gegeven werden - hem, in zijn voornemen; maar niettemin bevestigden zij hem tevens in de overtuiging, dat er enig geheimzinnig gevaar aan de uitvoering van dat voornemen verbonden was. Trouwens, ook zònder die waarschuwingen, had hij dat begrepen! En was het niet juist zijn doel, dat gevaar op te zoeken? Hij was te veel Engelsman om zich door iets onbestemds te laten afschrikken; en hij was te veel detective om niet te verlangen, dat onbestemde te doen verdwijnen en te ontdekken, welke concrete gevaren hem konden bedreigen. Het was zijn plicht zich daaraan bloot te stellen, omdat hij geen ander middel zag om de opdracht, die hij op zich genomen had, tot een goed einde te brengen! Toen hij, na nog enige vriendelijke woorden met Vader Kaspar gewisseld te hebben, de voetweg, die - rechts van de "See-Restauration" — òm het Blauwe Meer voerde, insloeg, en vervolgens, rechts-om, langs de korte windingen van een smal en stenig voetpad, de rotswand begon te bestijgen, verkeerde hij in de meest opgewekte stemming. Enerzijds koesterde hij de hoop op succes; anderzijds waren al zijn zintuigen in de hoogste spanning: voor zijn eigenaardige natuur een groot en bijna fysiek genot. Met de scherpen blik, die hem in staat stelde de indruk, die zijn omgeving op hem maakte, in zijn geheugen onwrikbaar vàst te leggen, keek hij rondom zich. Wanneer hij later terugkeerde, zou de weg, die hij volgde, hem tot in alle bijzonderheden bekend zijn. Daaraan hechtte hij grote waarde, omdat hij, in overeenstemming met de gehele opzet van zijn plan -: het scheppen van analoge toestanden als bij vroegere gelegenheden -, sterk het gevoel had, dat het gevaar hem eerst op de terugweg dreigen zou. Was er, in het op geribd vloeipapier gekrabbelde briefje, niet sprake geweest van de weg van de "Schee-Köpfe"? Dat briefje rustte in de diepten van zijn portefeuille, maar de bewoordingen ervan stonden hem in het geheugen gegrift. Op ongeveer twee-honderd meter boven de spiegel van het meer (dat, van deze hoogte gezien, zijn naam alle eer aandeed: het was blauw, als het zuiverste azuur), verloor hij dit uit het oog. Het pad voerde hem nu steil omhoog door een nauw, met grote rotsblokken bezaaid, dal, waarin naarmate hij hooger kwam - de plantengroei steeds spaarzamer werd. Na enige uren bereikte hij een nauwen bergpas, Tussen twee loodrechte rotswanden. Hier stonden nog enkele dwerg-dennen, maar aan de andere zijde waren geen boomen meer te zien. Daar begon een ware steenwoestijn. Het smalle pad voerde, ietwat dalend, dwars daardoorhéén, en vervolgens, wederom stijgend, regelrecht op de wigvormige spleet Tussen de beide "Schnee-Köpfe" toe: links lag de hoogste, rechts de laagste der beide toppen. Sedert hij van Vader Kaspar afscheid genomen had, had Geoffrey geen menselijk wezen gezien. Hierboven huisden vele marmotten, die de lucht vervulden met hun eigenaardig piepend geluid. Maar geen hunner liet zich zien: bij de nadering van de mens verdwenen zij snel in hunne schuilplaatsen. Het was dus eenzaam. En tòch had Geoffrey nu en dan het gevoel eener menselijke nabijheid. Soms was dit zo sterk, dat hij stil bleef staan en rondkeek, of hij niemand ontdekken kon. Ook luisterde hij dan scherp, maar behalve het piepen der marmotten en de schreeuw van een roofvogel, waarvan er verscheidene hoog in de lucht zweefden, hoorde hij niets. Het eeuwig ruisen van de bergstroomen vormt in de Hooge Alpen de achtergrond van elk geluid, maar kan zèlf nauwelijks een "geluid" genoemd worden, omdat men aan dit woord het begrip van iets plotselings pleegt te verbinden, of althans van iets, dat een bijzondere indruk op het gehoor maakt. Onze vriend schudde het hoofd. Want hij kon niet anders aannemen dan dat de eigenaardige situatie, waarin hij zich bevond, hem wat zenuwachtig gemaakt had. En hij vond het niet aangenaam dat zichzelven te moeten bekennen! De sneeuw, die in de spleet Tussen de twee toppen lag, bleek door de zonne-warmte reeds week geworden te zijn, zodat de voet, bij elken stap, diep daarin wègzakte. Geoffrey was dan ook blij, toen een roode streep, op een groot rotsblok aangebracht, hem de plaats aanwees, waar hij, naar links, het kleine sneeuwveld verlaten moest, om de bestijging van de eigenlijke top te beginnen. Een ogenblik vroeg hij zich af, of het eigenlijk wel de moeite waard was, die top te bestijgen. Maar hij was te veel sport-liefhebber en natuurvriend om terug te gaan, zo vlak vóór het einddoel. En bovendien: getrouw aan zijn voornemen om alles zoveel mogelijk in te richten als die vroegere toeristen dat waarschijnlijk gedaan hadden, wilde hij het in elk geval tot op de top brengen. Hij had dan de zekerheid, dat hij zich althans ongeveer - op denzelfden tijd van de dag als die vorigen op de terugweg zou bevinden. De weg naar boven was hier ruw, soms vrij moeilijk, zodat, op enkele zéér steile plaatsen, behalve met de voeten, ook met de handen gewerkt moest worden. Maar werkelijk gevaarlijke plaatsen waren er niet, zodat de jonge man, na een flinke klouter-partij, behouden de top bereikte. Het was toen elf uur in de morgen.
* * *

Op een zonnig plekje, door zware rotsblokken tegen de wind beschut, zat Geoffrey, op de meest prozaïsche wijze het proviand verterend, dat hij in zijn rugzak had medegenomen. Maar zijn geest zweefde in hooger sfeeren; want het uitzicht, dat vóór hem lag, deed hem, zelfs in de vreemde omstandigheden, waarin hij zich thans bevond, alle gedachten aan de zorgen, die hem drukten, ter zijde zetten. Top aan top reide zich rondòm. Naar het Noorden toe vertoonden zij het grauw der naakte rotsen, en het groen van Alpenweiden en naaldhout. Maar - zuidwaarts - rezen de hoogere gebergten. Daar blonk het wit der eeuwige sneeuw, daar wenkte het wazig-blauw der machtige gletsers! Men bedenke, dat dit de eerste reis van Geoffrey in het hooggebergte was. En de indruk, die dit machtige landschap op hem maakte, was overweldigend: hij heeft die ook later, toen hij een bereisd man was, nooit kunnen vergeten. Twee uren lang bleef hij in de aanblik der geweldige natuur verloren. Hoewel hij zich hier op 2000 meter hoogte bevond; had hij niet de minsten last van koude: de zon stoofde het gesteente rondôm hem en er kwam een behaaglijke loomheid over hem, waaraan hij, onder andere omstandigheden, zeker zou hebben toegegeven. Plotseling echter - in tegenstelling met de weldadige warmte, waarvan hij genoten had - voelde hij een koude windvlaag langs zijn gezicht strijken. Naar rechts ziende, ontdekte hij de scherp-omlijnden omtrek van een bijna zwarte wolkenbank, die van die zijde van achter de toppen, die het uitzicht afsloten, opgedoken was. En dit gezicht bracht zijn gedachten plotseling terug naar het proza der aarde en naar de plichten, die hem in de eerst-volgende uren wachtten. Donkere, dreigende wolken! Zou het toeval hem inderdaad dienen en, ook ten opzichte van het weêr, de gelijkheid met de vroegere gevallen in het leven worden geroepen? Er viel niet aan te twijfelen: zwaar weêr was op komst! En Geoffrey - in tegenstelling met andere toeristen, die, hoog in de bergen, de voorboden van sneeuw, regen en storm ontdekken — verheugde zich in het vooruitzicht op de aangekondigden strijd der elementen. Hij geloofde, dat deze zijn kans op wèlslagen groter zou maken. Intussen was het duidelijk, dat hij zich hierboven niet aan storm en regen (of sneeuw!) blootstellen mocht. Hij begon dus voorzichtig de afdaling langs de steilen rotswand, die neêrdaalde in de met sneeuw gevulde kloof Tussen de beide toppen. Het dalen was hier moeilijker dan het stijgen. Geoffrey moest al zijn aandacht concentreeren om voor handen en voeten behoorlijke steunpunten te vinden. En, terwijl hij langzaam naar omlaag ging, rees plotseling de gedachte bij hem op, hoe gemakkelijk het zijn moest, hem op dit ogenblik, door een schot vanuit de een of anderen schuilhoek (er lagen overal grote rotsblokken, waarachter de aanvaller zich had kunnen verbergen), te doen "verdwijnen". Maar er gebeurde niets. Geoffrey kwam behouden beneden aan en vervolgde zijn weg over het kleine sneeuwveld. --- ## Hoofdstuk VIII - Noodweer. Twee uur later brak het noodweêr los! Geoffrey bevond zich toen op de terugweg, ongeveer halverwege in het nauwe, met rotsblokken bezaaide dal en op het pad, dat hem voeren zou naar het punt, vanwaar hij die ochtend voor het laatst het uitzicht gehad had op het Blauwe Meer. Inktzwarte wolken hingen laag langs de bergen, en toen zij - na lang dreigen - hun inhoud ontlastten, zag Geoffrey niets anders meer dan de voet van de rotswanden ter weêrszijde. Er viel een ijzige, verkleumende regen en het duurde niet lang of men kon nog slechts enkele meters voor zich uit zien. Voorzichtig ging de jonge man verder, nauwkeurig acht gevende op de plaats, waar hij zijn voeten zette: het was nu zo donker, dat hij er voor waken moest niet van het pad te geraken. Er zijn maar weinig mensen, die, wanneer zij voor het eerst in het hooggebergte door zwaar weêr overvallen worden, een gevoel van vrees kunnen onderdrukken. Niet alleen, dat het heersende duister hen, tot op zekere hoogte, hulpeloos maakt, maar het loeien van de wind, het kletteren der regenvlagen op de naakte rotsen en het steeds aanzwellende bruisen der bergstroomen, die van smalle beken tot ontstuimige watermassa's wassen, - dit alles vormt een concert, dat wel in staat is, ook de dappersten mens schrik aan te jagen. Maar Geoffrey voelde niet de minsten angst. Naarmate het weêr in hevigheid toenam, geraakte hij in een stemming, die men het best door het woord "krijgslust" kan karakteriseeren: de behoefte om het hoofd tegen de wind in te zetten, om de schuimenden, buiten zijn oevers getreden stroom te trotseeren, om te vechten tegen de ontketende krachten der ruwe natuur! Nu en dan bleef de jonge man stil staan. Hij luisterde naar het razen van de elementen rondòm zich, naar het áánstormen van wind en regen, eerst huilend in de verte, dan zwiepend door het omliggende lage hout, dat onder de zwaren druk kraakte en knakte, eindelijk met donderend geweld brekend tegen de hooge bergwanden en op de voet gevolgd door nieuwe, huilende vlagen. Tussen twee zulke vlagen in, heerste er soms een ogenblik van betrekkelijke kalmte. Op zulk een ogenblik was het (Geoffrey was juist blijven stil staan om opnieuw te luisteren), dat een ander geluid zijn aandacht trok: in de nabijheid hoorde hij het vallen van kleine steenen en een knarsen, als van met spijker beslagen schoenen op de natte oppervlakte van de rots. Slechts even hoorde hij het: toen huilde de storm opnieuw, luid en ontstuimig, elk ander geluid overstemmend. Bijna met geweld maakte hij zijn geest los van de overweldigende indrukken, die hem bestormden: temidden van de strijd der elementen hernam zijn brein de rustigen, logische arbeid van de detective!
Op zulk een ogenblik...

Werd hij gevolgd? Nauwelijks was deze gedachte bij hem opgekomen, of hij besloot zich op dit punt zekerheid te verschaffen. Het eenvoudigst zou het geweest zijn, op het pad terug te keeren en de vervolger - zo die er was! - tegemoet te gaan. Maar dit strookte niet met Geoffrey's plannen. Het kwam er voor hem op aan, de rollen om te keeren: hij moest van vervolgde vervolger worden! Voorzooverre zijn ogen hem leeren konden, was hij alleen. En wanneer er inderdaad iemand achter hem op het pad was, die hem bewust en opzettelijk volgde, zou deze zich er wèl voor hoeden zo dicht te naderen, dat hij hem te zien zou krijgen. Tenzij... tenzij die vervolger hem onverwachts zou willen aanvallen! Blijkbaar lag dit thans echter niet in diens bedoeling: hij zou er immers reeds te over gelegenheid toe gehad hebben. Daarom meende Geoffrey zijn doel op eenvoudige wijze te kunnen hereiken. Nog vijf of zes maal bleef hij stil staan, telkens op een ogenblik, waarop er, Tussen de stormvlagen, enige kalmte heerste. Telkens hoorde hij dan hetzelfde verdachte geluid, maar het hield ook telkens onmiddellijk op! Dat verklaarde hij uit de omstandigheid, dat de man, die achter hem was, hem op het gehoor volgde en stil stond, zodra hij bemerkte, dat ook hij (Geoffrey) stil stond. Zodra het huilen van de storm zich opnieuw verhief, sloop die man dan vermoedelijk voorzichtig verder, in de onderstelling, dat ook Geoffrey zijn weg hervat had. Op dit gedeelte van het pad lagen, rechts en links, hier en daar zware rotsblokken. Juist op een ogenblik, waarop het huilen van de storm op zijn sterkst was, trad Geoffrey met een paar snelle schreden op zij van het pad en verborg zich achter zo'n blok. Hij stond in gebukte houding, zodat iemand, die het pad afdaalde, hem niet zien kon. Maar ook hij kon zo iemand niet in het oog krijgen, vóórdat deze het rotsblok voorbij en het pad enige meters verder afgedaald was. Geoffrey wachtte nu...... Toen er wederom een ogenblik van stilte intrad, hoorde hij duidelijk het geluid, dat hij voor de stap van een naderenden man hield. Het was nu vlak in de nabijheid en hield ook ditmaal onmiddellijk op. Maar toen de storm opnieuw loeide, duurde het niet lang, of voorzichtige voetstappen gingen aan zijn schuilplaats voorbij. Toen, enkele seconden later, kreeg hij de geheimzinnigen vervolger in het gezicht. Rooie Peter! Geoffrey had het al die tijd reeds vermoed. Thans had hij zekerheid! Hij zag de man half van terzijde en het was licht genoeg om op te merken, hoe langzaam en voorzichtig deze het pad afdaalde, de hals enigszins naar voren gestrekt en de blik strak voor zich uit gevestigd. De jonge detective wachtte, totdat Rooie Peter bij een bocht van het pad, achter een paar rotsblokken uit het gezicht verdween. En toen waren de rollen inderdaad omgekeerd; want het was thans Geoffrey, die de man vóór hem behoedzaam nasloop! Aldus langzaam voortgaande, bereikte onze vriend de plaats, waar zich het uitzicht op het Blauwe Meer opende. Het regende nog steeds bij stroomen en het zag er niet naar uit, of het weêr spoedig beter worden zou. De laaghangende wolken weêrkaatsten hun somber grauw in het meer, over welks oppervlakte de storm zwiepte, hier lange, scherpe strepen erop àfteekenend en ginds onrustig deinende, wit-gekuifde golven òpjagend. Het water had de kleur van dof-grijs staal aangenomen: het Blauwe Meer was thans niet blauw! Van hier af kon Geoffrey het pad, dat in korte windingen langs de rotswand naar het meer afdaalde, bijna in zijn geheel met de ogen volgen. En, misschien dertig meter onder zich, zag hij Rooien Peter, die was blijven stil staan en beurtelings naar beneden en dàn weer het pad langs naar boven keek. Geoffrey begreep, dat de nian het spoor bijster was, en hield zich achter boomen en struiken schuil. Met spanning wachtte hij af, wat er nu gebeuren zou. Dat wachten duurde wel een kwartier. Toen zag hij, dat Rooie Peter met een ongeduldig gebaar de schouders ophaalde en het pad weer begon òp te klimmen. Weldra stond hij op geen tien schreden afstands van de plaats, waar de detective zich schuil hield. En toen gebeurde er iets, dat dezen in enige verlegenheid bracht: de man ging, midden in de regen, op een steen aan de weg zitten en scheen te wachten! Geoffrey overlegde nu, wat hij doen moest. Zou hij zich laten zien? Gewapend als hij was, vreesde hij de ruwen kerel niet in het minst. Maar... op die wijze zou hij het voordeel prijs geven, dat hij - die nu de vervolger was tot dusverre niet ontdekt was geworden. Ook hij besloot daarom te wachten. Prettig was het niet, deze geduld-proef! Wie der beide mannen zou de eerste zijn, die het wachten moede werd?... Er verstreek een kwartier, een half uur. De regen viel, de storm huilde... Geen dier beiden maakte aanstalten om òp te stappen! Het was een les, die Geoffrey, als detective, ontving in de voor zijn beroep zo onmisbare kunst: het oefenen van geduld, ook onder de moeilijkste omstandigheden. En hij toonde zich in die kunst reeds een meester! Na ruim een uur gaf Rooie Peter het op. Hij stond op, schudde het hoofd en begon toen plotseling zeer snel het pad af te dalen. Geoffrey volgde hem met de ogen, totdat hij de oever van het meer bereikte en, linksom, de voetweg in sloeg, die naar de "See-Restauration" voerde. Hij scheen nu plotseling grote haast te hebben, want hij rende bijna langs het pad en Geoffrey zag hem weldra in het huis verdwijnen. Nu eerst begon de detective de afdaling.
* * *

Het liep reeds naar zeven uur, toen Geoffrey, met gebogen hoofd tegen de wind worstelend, de "See-Restauration" naderde. Hij was bitter teleurgesteld, omdat... het gevaar nu voorbij was. Of liever: omdat hij, nu het gevaar voorbij was, geen enkele bepaalde ontdekking had gedaan. Het gedrag van Peter was wel zeer verdacht en zonderling geweest. Maar - al wantrouwde hij de man nog zo zeer -: hij kon hem, op grond daarvan, onmogelijk openlijk beschuldigen van een aanslag op zijn persoon, laat staan van het daderschap van misdaden, die vroeger gepleegd waren. En nu Peter blijkbaar in het huis van Vader Kaspar een schuilplaats tegen het weêr gezocht had, was de kans op succes voor Geoffrey voorloopig verkeken. Immers, de tegenwoordigheid van de oude man zou elk boos opzet, dat de kerel in zijn schild mocht voeren, verijdelen. Geoffrey kon het zich niet verhelen, dat zijn avonturen, voor dezen dag althans, ten einde waren. Dit stelde hem - zoals gezegd - bitter te leur. Maar anderzijds was hij blij, dat hij nu weldra een schuilplaats tegen weêr en wind in de "See-Restauration" vinden zou. Hij betreurde het alleen, dat daar geen gelegenheid tot nachtverblijf bestond; want nu zou hij, wanneer het weêr niet opklaarde, later op de avond nog in storm en regen naar X moeten wandelen. De laatste loodjes wegen het zwaarst! En Geoffrey, die uren lang in het hooggebergte weêr en wind getrotseerd had, zag bepaald op tegen die natte avondwandeling van drie kwartier! Zou hij Peter daarbinnen nog aantreffen? Het was best mogelijk, dat deze de wandeling naar X reeds aanvaard had. Geoffrey hoopte het niet! Hij verwachtte, wanneer hij die avond nog met Peter samenkwam, de een of andere aanwijzing te zullen krijgen, die voor hem van waarde zijn kon. Misschien zelfs zou hij mèt Peter naar X kunnen wandelen, of zou hij dezen ongemerkt kunnen nagaan, wanneer hij de "See-Restauration" verliet. In elk geval, hij moest het aan de omstandigheden overlaten, welke gedragslijn hij volgen zou! Aldus kwam hij ten slotte tot het bewustzijn, dat zijn taak voor dezen dag misschien nog niet afgelopen zou blijken. En dat schonk hem, hoewel hij dóórnat en zeer vermoeid was, weêr enige meerdere opgewektheid. In deze meer hoopvolle stemming betrad hij, dóór het ijzeren hek, de "tuin" van de "See-Restauration". --- ## Hoofdstuk IX - Een Aanwijzing. Twee houten treden voerden uit de "tuin" naar de voordeur van het huis, dat door een korte gang in twee gelijke delen was verdeeld. Links van die gang lag het "Gastzimmer", rechts lagen twee kleinere kamers: de slaapvertrekken van Vader Kaspar en van zijn nicht. Aan het einde van de gang was een kleine keuken uitgebouwd en de zolder diende tot slaapvertrek voor het dienstpersoneel. Men ziet, dat een eenvoudiger bouwwijze nauwelijks denkbaar is! Het "Gastzimmer" was laag van verdieping, maar vrij groot. Er stonden een tiental kleine tafeltjes, met bijbehorende stoelen, langs de wanden; en in het midden stond een grotere, langwerpige tafel, waarop twee lokale blaadjes de intellectueelen bezoeker verlokkend toewenkten! Twee ramen zagen uit op het meer, het derde was naar de kant gekeerd, waarvan Geoffrey zoeven gekomen was. Het eerste wat Geoffrey opmerkte, toen hij dit vertrek binnen trad - en het deed hem, in de druipenden toestand waarin hij zich bevond, bijzonder aangenaam aan! - was, dat er vuur brandde in de hooge, wit-porceleinen kachel. Hij had wilde visioenen van dóór-en-dóór warme voeten en dóór-en-dóór droge kleêren — een weelde, waarop hij enige ogenblikken vroeger nauwelijks had durven hopen! De voordeur was niet gesloten geweest, zodat de jonge man in het "Gastzimmer" trad zonder vooruit aangekondigd te zijn. Aan de grote tafel, onder de geel-koperen hanglamp, zaten tegenover elkaar Vader Kaspar en Rooie Peter. Zij hadden blijkbaar woorden gehad. Peter, die het gezicht naar de deur gekeerd had, zat, met het hoofd op de borst gezakt, achterover in zijn stoel geleund, waarbij hij de handen in de zak en de beenen vèr onder de tafel uitgestrekt hield. Kaspar gaf, juist toen Geoffrey de deur opende, een slag met zijn vuist op de tafel. "Ik waarschuw je!" hoorde Geoffrey hem zeggen. "Mijn geduld raakt ten einde!..." Hij had vermoedelijk nog meer willen zeggen, maar aan de uitdrukking van Peter's gezicht ontdekte hij, dat er iemand binnen gekomen was. Hij draaide zich om en het viel Geoffrey op, dat zijn gelaat, dat gewoonlijk bleek was en een trek van rustig overleg en nadenken droeg, nu een hoogroode kleur had. Zijn ogen schitterden en om de mond lag een harde, bijna wreede trek. Het was duidelijk, dat Peter hem ernstig boos gemaakt had! Zodra Vader Kaspar de binnentredende herkende, kwam er een grote verandering op zijn gezicht: het hernam de welwillende, intelligente uitdrukking, die onzen vriend van de aanvang af zoozeer had aangetrokken. Haastig stond de oude man op en reikte Geoffrey de hand. "Dus behouden terug!" zei hij. "Zeker, alle gevaar is nu geweken!" zei Geoffrey lachend. "Toch loop ik nog één kwade kans: om mij 'n lelijke kou op de hals te halen." "Daartegen zullen wij de nodige voorzorgsmaatregelen nemen ", zei Vader Kaspar, terwijl hij een stoel naar de warme kachel schoof. "Van dezen middag af, heb ik al vuur in de kachel. Wij rekenen hier aan het Blauwe Meer in Augustus altijd op twee koude dagen. Dit is de eerste en de maand is bijna om. Vermoedelijk zullen wij dus brandstof besparen!" Hij lachte en hielp Geoffrey bij het uittrekken van zijn dóórnatte "Joppe", die hij op een stoel te drogen hing. Weldra was de detective op zijn gemak geïnstalleerd, met de voeten naar de kachel gekeerd. Van zijn onder-kleêren en zijn korten toeristen-broek sloeg, onder de invloed der warmte, de damp af. Hij zou zich zeker héél behaaglijk gevoeld hebben, wanneer niet de tegenwoordigheid van Rooien Peter een domper op zijn stemming gezet had. Zelfs waar hij, uit overwegingen aan zijn beroep ontleend, diens aanwezigheid gewenst had, was het toch geen aangenaam bewustzijn, met de man, die hem zo harnekkig vervolgd had, samen in één kamer te zijn. Zoals reeds gezegd, had de uitdrukking op Peter's gezicht Kaspar het eerst op Geoffrey's binnentreden opmerkzaam gemaakt. Ook Geoffrey zelven was die uitdrukking opgevallen. Peter was namelijk plotseling bleek geworden. Hij was recht-op in zijn stoel gaan zitten en had de onverwachten gast aangestaard met ogen, waarin, nevens verbazing, grote angst te lezen was. Wàt vreesde hij? Tevergeefs stelde Geoffrey zich deze vraag. Het zou veeleer natuurlijk geweest zijn, wanneer hij (Geoffrey) enige vrees gekoesterd had bij deze ontmoeting met de man, wiens gedrag hem zo onverklaarbaar was voorgekomen. Peter had geen enkel woord gesproken, ja de binnentredende zelfs niet toegeknikt. Nu Geoffrey bij de kachel zat, had hij zijn vroegere achtelooze houding weer aangenomen en zat, met het hoofd op de borst geleund, alsof hij verdiept was in gedachten en zijn omgeving hem niet aanging. "Ziezo!" zei Vader Kaspar, toen Geoffrey zich lekker warm begon te gevoelen. "Warmte is het eerste, wat 'n mens nodig heeft, en natte kleêren bederven de eetlust!" "U zorgt voor me als 'n moeder voor haar kind!" antwoordde Geoffrey. "Maar daar aan de tafel zit er nôg een, wiens kleêren verre van droog zijn!" Hij knikte in de richting van Peter. Het was zijn doel, dezen in het gesprek te betrekken. De man gaf echter geen enkel teeken, dat hij hem verstaan had. Vader Kaspar lachte. "Bedoelt u Peter?" vroeg hij. "Maakt u zich over hèm naar niet bezorgd! Die is aan weêr en wind gewoon en zwerft bij nacht en ontij door de bergen!" "Een eigenaardig genoegen", zei Geoffrey droog. "Hij doet het uit pure mensenliefde", antwoordde Vader Kaspar. "Er mocht eens iemand door sneeuw of storm in gevaar komen te verkeeren! Peter is mensen-redder van beroep!" De oude man had op scherp-sarcastische toon gesproken. Plotseling viel het Geoffrey in, hoe vreemd het was, dat deze man, die in het "Gastzimmer" van de "Sonne" er altijd op was blijven staan, dat men Rooien Peter niet zonder bewijzen veroordelen mocht, thans erop scheen te zinspelen, dat de man tòch schuldig zijn moest. Was er sedert iets gebeurd, dat in die richting wees? Kòn het zijn, dat Vader Kaspar vermoedde, hoe Peter de namiddag had doorgebracht met de vervolging van een vreedzaam toerist door het gebergte? Geoffrey observeerde de ruwen kerel scherp. Deze had, bij de sarcastische woorden van de oude man, het hoofd opgeheven en een verre van vriendelijke blik op de spreker geworpen. Maar nu zat hij weer onbeweeglijk in zijn vroegere houding. "Ik moet erkennen", aldus vervolgde Geoffrey het gesprek, "dat ik tot dusverre weinig begrip ervan had, wat een storm in het gebergte eigenlijk beteekent. Nu eerst begrijp ik, dat men de gevaren daarvan niet overdreven heeft voorgesteld." "Er zijn andere gevaren in het gebergte", zei Peter plotseling, zonder op te zien. Daarop stond hij op en ging de deur uit. Geoffrey verkeerde een ogenblik in twijfel, of hij Vader Kaspar àl dan niet deelgenoot maken zou van wat hem op het laatste deel van zijn tocht overkomen was. Het instinct van de detective, dat tot stilzwijgendheid tegenover iedereen dreef, won het van de natuurlijke begeerte van de mens om tegenover een vertrouwd man over een onaangename ondervinding te spreken. "'n Vreemde kerel toch!" was de enige opmerking, die hij zich veroorloofde. "Vreemd en gevaarlijk", antwoordde Vader Kaspar. "Wij zijn aan zijn vreemde manieren en onvriendelijke woorden gewoon. Maar die moeten ù wel bijzonder treffen." "Hij is vanavond buitengewoon uit zijn humeur", zei Geoffrey. "Zelfs mij heeft-i boos gemaakt!" lachte de ander. "En daartoe behoort nog al wat. Maar komaan, jonge Heer! De tocht zal u zeker eetlust gegeven hebben. Wij zullen eens kijken, of wij in de provisie-kast iets voor u vinden kunnen. Na zo'n vermoeienden tocht pleegt de maag te spreken!" Maar Geoffrey had hiertegen bedenkingen. "Ik ben van plan, zo gauw mogelijk naar X op te breken", zei hij. "Het vooruitzicht, er bij dit weêr opnieuw op uit te gaan, is wel niet prettig, maar - 't zal wel moeten!" Op dit ogenblik joeg de wind met groot geweld de regen tegen de ruiten, als om te bewijzen, dat het bedoelde vooruitzicht inderdaad onaangenaam wàs. "Hoor eens!" zei Vader Kaspar, de vinger opheffende en luisterend naar de vlagen daar buiten. "Men zou er z'n hond vanavond niet op uit jagen! Kom, kom, jonge Heer! Voor 'n goeden vriend laat zich altijd nog wel 'n hoekje om te slapen vinden. Daarover spreken wij later wel. Eerst moet er wat te eten zijn!" "Misschien houdt de regen straks op", zei Geoffrey. "Bovendien als ik vannacht niet in de "Sonne' terug ben, zal men geloven, dat er een vierde toerist verdwenen is." „U vergeet, dat Peter naar X op weg is. Die zal daar beneden wel vertellen, dat hij u hier gezien heeft. En zelfs al mòcht hij z'n mond daarover houden - het is moeilijk te voorspellen, wat zo'n zonderling heer doen of laten zal!-, dan nòg zouden de bezorgde mensen, die zich ongerust over u maken, eerst morgen vroeg met hun nasporingen beginnen kunnen. En dan zult u zelf reeds ter plaatse zijn om hen gerust te stellen!" "Dat is zo!" stemde Geoffrey toe. "En ik wil wel bekennen, dat ik mij tegen uw voornemen, om mij iets warms voor te zetten, niet àl te hard verzetten zal. Als het weêr opklaart, kan ik later in elk geval de tocht naar X nog ondernemen." De oude Kaspar riep nu zijn nicht uit de keuken. De lezer zal zich herinneren, dat deze een jonge vrouw van ongeveer dertig jaar was, met een weinig-zeggend, wat lijdend gezicht. Haar oom sprak haar aan met de naam van Maria, en zij volgde al wat hij zei (ook de eenvoudigste dingen!) met zoveel aandacht, dat het scheen alsof zij hem de woorden van de lippen las. Haar bruine ogen namen daarbij een wat schuwe uitdrukking aan. En het viel Geoffrey op, dat zij zeer bleek was en dat haar handen trilden. "Uw nicht is niet heel wèl, geloof ik", zei Geoffre, toen Maria naar de keuken was teruggekeerd, met de opdracht een krachtige soep en een flinke portie "Rostbraten" gereed te maken. "Zij is, door de ellende, die zij vroeger heeft dóórgemaakt, een zenuwachtig schepseltje geworden", antwoordde Vader Kaspar. "Maar u zult zich er weldra van kunnen overtuigen, dat zij volleerd in de kookkunst is." "Kookt zij voor àl uw gasten?" vroeg Geoffrey. "Ik heb twee dienstmeisjes om te koken en te bedienen", zei Vader Kaspar, terwijl hij voor zijn gast op de grote tafel begon te dekken. "Maar op Donderdag-avond hebben die altijd verlof om naar X te gaan en zij blijven daar de nacht over bij hun familie. Dan doen Maria en ik het werk samen af." De oude man had nu een rood-gebloemd tafellaken vóór Geoffrey neêrgelegd en plaatste daarop een soepbord, benevens enige lepels, vorken en messen. "Drinkt u rood of wit?" vroeg hij. "'n ,Viertel' rood, als 't u blieft", antwoordde Geoffrey. Vader Kaspar bracht hem het gevraagde in de gebruikelijke kleine glazen karaf. Tegelijkertijd legde hij een papieren servetje - zoals men dat in buiten-restauraties zo dikwijls ziet -, in een driehoek gevouwen, naast het bord. Wanneer Geoffrey's latere "hof-biograaf", Mr. Willem Hendriks, tegenwoordig ware geweest, zou deze hier ongetwijfeld hebben moeten gewag maken van een schier onmerkbaar schokje, dat de jongen man door hals en achterhoofd voer: bij hem de onfeilbare aanwijzing, dat hij een plotselinge, gewichtige ontdekking had gedaan! Het papieren servetje, dat naast Geoffrey's bord lag, was vervaardigd uit een eigenaardig, geribd vloeipapier! Onze vriend herkende het dadelijk: een strook van datzelfde papier, met potlood beschreven, had hij in zijn portefeuille! --- ## Hoofdstuk X - Fräulein Maria. Geoffrey had vroeger nooit in de ..See-Restauration" gegeten: anders zou hij deze verrassende ontdekking vroeger gedaan hebben. Zij kòn erop wijzen, dat de geheimzinnige waarschuwing, die aan Mrs. Wimbleton te Londen gezonden was, gestuurd was door iemand, die in deze restauratie geweest was. Misschien zelfs was zij geschreven binnen de vier muren, waartussen de detective zich thans bevond! Mogelijk en zelfs waarschijnlijk was het natuurlijk, dat dergelijke papieren servetten ook elders te X in gebruik waren, maar... de "See-Restauration" lag op weg naar de "Schnee-Köpfe"! En de schrijver der waarschuwing had geweten, dat Mr. Wimbleton op de terugweg omgekomen was. Dit een en ander wees op de zeer grote waarschijnlijkheid, dat de strook papier, waarvan die man zich bediend had, afgescheurd was van een uit de "See-Restauration" afkomstig papieren servet. Plotseling was Geoffrey's detective-instinct in zijn vollen omvang ontwaakt! De eerste aanwijzing! Het was, of hij alles wat hem hier omgaf, ook de mensen, die zich in deze omgeving bewogen, opééns met een ander oog aanzag. Wanneer het "verdwijnen" der drie toeristen op rekening kwam van eenzelfde misdadige hand, dan moest de bezitter van die hand binnen de muren der restauratie geweest zijn. Of misschien had hij buiten gegeten. Hij moest zich twee maanden in de buurt hebben opgehouden, want die tijdsruimte lag er Tussen het eerste en het laatste "verdwijnen". Of was hij telkens naar elders vertrokken en dân weer teruggekeerd...? Geoffrey wist, dat vele toeristen meermalen de "See-Restauration" bezochten, omdat men van daaruit de bestijging van verschillende der omliggende toppen ondernemen kon. Maar dan kwamen zij toch gewoonlijk met korte tussenruimten... Welke toerist bleef er volle twee maanden te X...? Men had Geoffrey's verblijf van 14 dagen al lang gevonden; en de jonge man was, door ijverig speuren in de vreemdelingenlijsten, geen enkelen naam gedurende meer dan vijf achtereenvolgende weken tegengekomen! Dat speuren was een vervelend werk geweest, dat hem menig uur van zijn nachtrust gekost had. En het was uitgesloten, dat hij op de resultaten met volkomen zekerheid kon afgaan: dáárvoor was het werk te omvangrijk en de tijd, daaraan besteed, te kort. Maar zoveel had hij toch wel ontdekt, dat het in hooge mate waarschijnlijk zijn moest, dat de bedrijver der misdaden geen toevallige bezoeker van de stad X, geen gewoon toerist was. En die overtuiging was nog ongeschokt! Daarom vroeg hij zich thans - na de zoeven gedane, verrassende ontdekking - af: "Van welke mensen, die ik te X ontmoet heb, is het mij bekend, dat zij de ,See-Restauration' nu en dan bezoeken?" Hij wist dat van een tiental personen, waaronder de Onderofficier met de martiale snorren, en... Rooie Peter!... Opnieuw Rooie Peter !... Maar van nu af moesten ook degenen, die in het restauratie-gebouw woonden, meer dan vroeger, onder zijne observatie vallen: de twee vrouwelijke bedienden, die nu te X waren, de nicht, die thans in de keuken de maaltijd bereidde, en... Vader Kaspar zelf! Hij moest even glimlachen, toen hij zich er rekenschap van gaf, dat de onzekerheid, waarin hij zwom, zelfs ruimte liet om de kleinen, oude man, die hem zo vriendelijk ontvangen had, te verdenken. En tòch...! Geoffrey's brein behoorde tot die wonderbaarlijke denkmachines, die, wanneer ze eenmaal in beweging gebracht zijn, dóórwerken ... steeds dóórwerken..., zelfs al zou hun bezitter ze gaarne doen stilstaan. Zijn instinctmatig combinatie-vermogen was aan de arbeid! Op Donderdagen waren de drie toeristen verdwenen. Zoeven had Vader Kaspar verteld, dat de twee dienstmeisies elken Donderdag-avond afwezig waren. Hij en Fräulein Maria waren dan alleen... juist zoals nu... juist zoals nu...
* * *

De soep werd binnengebracht. "Ik geloof, dat u al half ingedommeld was", lachte Vader Kaspar, terwijl hij een paar grote hompen brood afsneed en ze naast Geoffrey's bord legde. "Maar de geur van dit soepje zou zelfs de dooden wakker maken! Eet smakelijk, jonge Heer!" Niettegenstaande de gedachten, die nu op hem in stormden, at Geoffrey met veel smaak en toen het "Rostbraten" op tafel verscheen, bewees hij ook daaraan alle eer. Fräulein Maria was intussen uit de keuken binnen gekomen. Zij zat aan een tafeltje in de hoek van het vertrek met enig naaiwerk, en Geoffrey zag duidelijk, dat zij hem nu en dan, wanneer zij meende dat hij niet op haar lette, scherp opnam. Na het "Rostbraten" kwam de koffie en nu besloot Geoffrey zijnerzijds een zet op het schaakbord te wagen. Hij wist in de verste verte niet, of die hem dichter bij het succes brengen zou. Maar, in de gegeven omstandigheden, scheen hem dit althans niet geheel onmogelijk. Geoffrey stopte zijn pijpje en begon te rooken. Vervolgens - als viel hem plotseling iets in - greep hij in zijn binnenzak en haalde zijn portefeuille voor de dag. Hij zocht daarin enige ogenblikken en haalde toen de strook geribd papier te voorschijn, waarop de geheimzinnige waarschuwing geschreven was. Terwijl hij zich de schijn gaf alsof hij las wat daarop stond, hield hij ter sluiks de twee andere personen, die zich in het vertrek bevonden, in het oog. Die beiden waren dicht genoeg in de nabijheid om te zien, wat hij deed; en dat temeer, omdat hij vlak bij de koperen hanglamp zat. Vader Kaspar gaf geen enkel teeken, dat wat hij zag hem belang inboezemde. Een paar maal keek hij naar de portefeuille, die Geoffrey naast zich had neêrgelegd (dezelfde, waaruit deze in de "Sonne" zo dikwijls groot bankpapier voor de dag had gehaald om het tegen kleiner geld te wisselen!); maar het liet hem blijkbaar steen-koud, wat zijn gast met die strook papier uitvoerde! Geheel anders was het met Fräulein Maria. Deze was van bleek rood en van rood bleek geworden. Nadat zij enige ogenblikken strak in Geoffrey's richting gekeken had (en de jonge man had erop durven zweren, dat haar blikken gevestigd waren op zijn vingers, die met de strook papier bezig waren), wendde zij plotseling het hoofd af en maakte een gebaar, alsof zij dat met de hand ondersteunen wilde. Maar blijkbaar bedacht zij zich. Snel opstaande, begon zij de tafel af te nemen en kwam daarbij telkens zo dicht in de nabijheid van de jongen man, dat zij het papier duidelijk moest kunnen waarnemen, ja moest kunnen zien, dat het met potlood beschreven was, al kon zij de woorden waarschijnlijk niet onderscheiden. De detective, die thans op al hare bewegingen lette, zag, dat die elk ogenblik gejaagder werden. Ook hoorde hij, dat zij snel adem haalde, en hij zag haar nu en dan zenuwachtig slikken, als iemand, die een grote ontroering te bedwingen zoekt. Voorwaar, de zet, die hij gewaagd had, schonk hem een groter succes dan hij had durven hopen! Alsof hij gevonden had, wat hij had gezocht, deponeerde hij het papier weer in de portefeuille en deze in zijn binnenzak. Hij stak zijn pijpje, dat uitgegaan was, opnieuw aan en leunde achterover in zijn stoel. Tevens sloot hij de ogen, maar bleef, door de wimpers ziende, nauwkeurig acht geven op wat er rondom hem gebeurde. Het was nu dood-stil in het vertrek. Buiten was het donker geworden en de regenvlagen kletterden bij korte tussenpozen tegen de vensters. Geoffrey zat aan de korte zijde van de tafel, met de rug naar het zijraam; rechts van hem zat de oude Kaspar en achter dezen lagen de beide ramen, die op het meer uitzagen. Er hingen voor die ramen geen gordijnen: of althans, deze waren niet dicht getrokken. Op de ruiten stonden dikke regendroppels en bij elken nieuwen vlaag gleden die, in grilligen loop, langs het glas naar beneden. Terwijl Geoffrey, door de half-gesloten ogen, Vader Kaspar observeerde, kwam hij plotseling tot de ontdekking, dat - àchter de oude man - iemand door het beregende venster naar binnen keek. Eerst kon hij weinig meer onderscheiden dan een witten plek, die men - met enige goeden wil - voor een menselijk gelaat houden kon. Daarop echter werd er iets tegen de ruiten áángedrukt, dat zonder enige twijfel een gezicht was, omgeven door een bos wilde haren. Geoffrey was er spoedig van overtuigd, dat het Rooie Peter was, die daar buiten stond en - dit voelde hij meer dan hij het zàg — de blikken strak op hem gevestigd hield. Zelfs had het er enige schijn van alsof Peter trachtte hem teekens te geven. Hij knikte met het hoofd, de mond scheen woorden te vormen en nu en dan meende Geoffrey te zien, dat hij met de hand wenkte. Het kostte de jongen man enige moeite, zich zodanig in te houden, dat men niets aan hem bemerken kon. Toch was dit noodzakelijk, bij de volslagen onzekerheid, waarin hij verkeerde omtrent de beteekenis van wat er rondom hem gebeurde. Steeds scherp observeerende, kwam hij tot de ontdekking, dat ook Fräulein Maria, die thans weer aan het tafeltie in de hoek zat, het gezicht aan het raam gezien had. Hare ogen dwaalden telkens in de richting, waarin het zich vertoonde, en haar handen trilden thans zo, dat zij de naald, waarmede zij haar werk verrichtte, had moeten neêrleggen. Geoffrey had zich thans weer geheel in bedwang. Hij sloeg de ogen op en rekte zich behaaglijk uit. "Het wordt tijd om op te breken!" zei hij, langzaam en als met grote tegenzin opstaande. In zijn hart had hij reeds besloten niet te gaan, want meer en meer kwam hij tot de overtuiging, dat een langer verblijf in de "See-Restauration" tot gewichtige ontdekkingen leiden kon. Echter was het de moeite waard om te onderzoeken, of er op zijn blijven àl dan niet zou worden aangedrongen. --- ## Hoofdstuk XI - Tegenstrijdige Raadgevingen. Geoffrey's "Joppe" hing, zoals reeds gezegd is, op een stoel vóór de grote porceleinen kachel. Vlak daarbij zat, aan het tafeltje in de hoek, Fräulein Maria. Alsof hij zijn loomheid met geweld overwonnen en plotseling een kloek besluit genomen had, trad de jonge man met snellen stap op de stoel toe en greep naar het thans geheel droge kleedingstuk. Daarbij stond hij - en het was opzet, dat hij het deed! - een kort ogenblik Tussen Fräulein Maria en Vader Kaspar, met de rug naar de laatsten gekeerd. Bijna onmiddellijk bewogen zich de lippen van de over haar werk gebogen vrouw. "Hier blijven... Oppassen..." Deze woorden bereikten Geoffrey's oor, maar zo zacht, dat hij moeite had ze te verstaan. Het volgende ogenblik stond Vader Kaspar naast hem. "Ik zou mij nog maar een bedenken, jonge Heer!" zei deze. "Het is nog veel erger noodweêr dan zoeven. Ik heb immers gezegd, dat er hier voor vrienden altijd nog wel 'n slaapplaats te vinden is!" Geoffrey scheen een ogenblik te weifelen; maar daarop trok hij zijn "Joppe" aan en nam ook zijn rugzak van de haak, waaraan hij dezen had opgehangen. "Het is werkelijk héél vriendelijk van u, dat u mij helpen wilt in de nood", zei hij op luchtigen toon. "Maar ik vind het toch beter, naar X terug te gaan. U zelf hebt mij bewezen, dat men betrekkelijk gauw van natte kleren droge kleren maken kan. Waarom zou ik dan ertegen opzien, nòg eens 'n nat pak te halen?" Vader Kaspar schudde het hoofd en keek hem meêwarig aan. "U moet het natuurlijk zelf weten, jonge Heer!" zei hij. "Maar, als u opnieuw zo dóórnat wordt als zoeven, voorspel ik u enige onaangename dagen: verkoudheid, koorts, rhumatiek en misschien erger!" Geoffrey haalde de schouders op. "Ik ben immers - zoals uzelf telkens zegt - een jonge Heer!" lachte hij. "Met die rhumatiek zal het zo'n vaart niet lopen. Ik kan tegen 'n stootje, oude Heer!" Hij klopte Vader Kaspar vriendschappelijk op de schouder en deed zijn rugzak aan. "Wat ben ik u schuldig?" vervolgde hij, zijn portefeuille voor de dag halende. "Laten we nu maar gauw afrekenen: hoe eer ik beneden ben, hoe beter!" Nog scheen de oude man een ogenblik te weifelen. Toen haalde hij een kleine blocnote voor de dag, zoals men die in Oostenrijk voor het schrijven van de nota's in restaurants gebruikt. Hij ging aan het tafeltje bij Fräulein Maria zitten, schoof haar naai-gerei op zijde en begon op het bovenste blaadje Geoffrey's verteringen met potlood te noteeren. Deze manier van doen viel de jongen man, aan wie op dit ogenblik geen bijzonderheid, hoe klein ook, ontsnapte, als iets vreemds op. Waarom was Vader Kaspar niet aan een der andere tafeltjes gaan zitten? Daar zou hij ruimte genoeg gehad hebben en viel er geen naai-gerei op zijde te schuiven! Maar Geoffrey zou dan opnieuw Tussen hèm en het meisje hebben gestaan! Kòn het zijn, dat de ander dit voorkòmen wilde?... dat hij voor geheime mededeelingen van haar kant vreesde?... dat hij... "Vier kronen vijftig, alles samen", zei Vader Kaspar, de overpeinzingen van Geoffrey onderbrekende. "Als u dan met alle geweld gaan wilt, zal ik u niet tegenhouden." De laatste woorden hadden bijna bitter geklonken! "Maar, m'n waarde heer!" zei Geoffrey lachend. "U doet, alsof ik u beleedig door wèg te gaan. U weet toch wel, dat ik er niet aan dènk u onaangenaam te zijn?" Ook Vader Kaspar begon nu te lachen. "Van een beleediging is natuurlijk geen sprake!" zei hij. "'t Is alleen maar 'n teleurstelling voor mij! Onze avonden zijn hier, aan het Blauwe Meer, eentonig en het gezelschap van iemand als u is niet te versmaden." Geoffrey rekende nu af en een ogenblik later trad hij buiten, waar de koude regenvlagen hem onmiddellijk in het gezicht striemden. De deur der "Restauration" sloot zich achter hem en het laatste wat hij gehoord had, was de stem van Vader Kaspar geweest, die hem een behouden thuiskomst toewenste.
* * *

Hoewel de detective nu het schuttende dak der "See-Restauration" verlaten had, was hij - zoals reeds gezegd besloten niet naar X te gaan. Hij was alleen naar buiten gekomen, om zo mogelijk te ontdekken, wat het vreemde gedrag van Rooien Peter, die hij aan het raam gezien had, te beduiden had. Wanneer deze inderdaad getracht had, zijn aandacht tot zich te trekken, werd hem nu de gelegenheid geboden te zeggen, wat hij te zeggen had. En, voor 't geval hij met de een of andere boze bedoeling rondliep: welnu, hij (Geoffrey) was op zijn hoede en het gevaar zou hem niet weerloos vinden! Het was inderdaad opmerkelijk, hoe koel van hoofd de jonge man thans was. Naarmate de dingen òm hem ingewikkelder en onverklaarbaarder werden, was het alsof zijn kalmte toenam. Van vrees, van angst voor het onbegrepene in deze vreemde en ongewone omgeving, was bij hem geen sprake. Hij stond bóven de gebeurtenissen en kon deze in zijn gedachten zozeer los maken van zijn eigen persoon, dat hij in staat was ze te beoordelen alsof ze een ander overkwamen. Er is geen groter struikelblok voor de detective dan vreesachtigheid, omdat daardoor de objectiviteit van het oordeel verloren gaat. Geoffrey bleef, bij de eerste bocht, die het voetpad maakte, staan. Hij keek scherp rondom zich, maar het was nu zo duister, dat hij alleen zijn onmiddellijke omgeving met enige nauwkeurigheid kon waarnemen. Hij zette zich - zoals vroeger op de avond Peter gedaan had - op een steen aan de rand van de weg en wachtte in storm en regen! Plotseling dook er een gestalte uit de duisternis op. "U behoeft niet te schrikken", klonk een ruwe stem. Rooie Peter !... "Ik schrik zo gauw niet!" zei Geoffrey, terwijl hij opstond en op de man toetrad, totdat hij vlak vóór hem stond. "Ik heb u daareven aan het venster gezien. Wat betekede dat comedie-spel?" "Ik ben niet gekomen om vragen te beantwoorden", zei Peter nors. "Maar ik heb wèl een vraag te doen: Waarom blijft u hier zitten aan de weg, in plaats van naar X te gaan?" "Waarom zou ik uw vragen wèl en u de mijne niet beantwoorden?" zei Geoffrey. "Ik zit hier, omdat ik hier zitten wil."
"Waarom zou ik uw vagen wel... beantwoorden?"

Het bleef enige tijd stil. "Als ik u was, zou ik zo gauw mogelijk naar de ,Sonne' terug gaan", zei Peter eindelijk. "Dank u voor de raad! Maar de "See-Restauration" is dichterbij." "U komt daar juist vandaan!" "Maar ik kan erheen terugkeeren en daartoe gevoel ik nog al geneigdheid. Het weêr is mij niet meêgevallen, meneer Peter!" Geoffrey had deze woorden op luchtigen toon gesproken. Op Peter schenen zij, om de een of andere onbekende reden, te werken als een roode lap op een stier. "Uw aardigheden bevallen mij al evenmin als uw vragen", zei hij ruw. "Ik ben van mijn kant ernstig genoeg, wanneer ik u de raad geef uw weg te vervolgen." "Het is ook mij volle ernst", antwoordde Geoffrey. "Ik g a terug, tenzij u mij een steekhoudende reden aangeeft, waarom ik dat niet zou doen." "Ik heb u verder niets te zeggen", antwoordde Peter. "U is heer en meester over uw eigen lichaam. Doet u dus, wat u wilt!" Het volgende ogenblik was hij in de duisternis verdwenen. Geoffrey was thans meer dan ooit ervan overtuigd, dat hij goed zou doen naar de "See-Restauration" terug te keeren. Hij herinnerde zich, hoe Peter de vorigen avond getracht had hem ervan terug te houden, de tocht naar de "Schnee-Köpfe" te ondernemen; thans waarschuwde hij - op ruwe en onhandige wijze — ertegen om langer hierboven te blijven. Hoewel de man, als gewoonlijk, op barse en onvriendelijke toon gesproken had, begon Geoffrey zich af te vragen, of zijne bedoelingen inderdaad wel vijandig waren. Zo hij hem die namiddag met enig boos opzet gevolgd had, waarom was er dan thàns, nu hij met Geoffrey alleen geweest was, niets van zo'n boos opzet te bemerken geweest? Wilde hij Geoffrey misschien waarschuwen...? Waarschuwen tegen gevaren, die hèm (Peter) bekend waren...? Maar waarom sprak hij dan niet openlijk? Waarom kleedde hij zijn waarschuwing in een vorm, die het moeilijk maakte te begrijpen, wât hij eigenlijk bedoelde? Men ziet het: in menig opzicht tastte Geoffrey nog in het duister rond. Maar één ding meende hij toch met vrij grote zekerheid te kunnen aannemen: dat er namelijk aan zijn overnachten hierboven iets heel bijzonders verbonden moest zijn. De oude Kaspar had hem opvallend tot blijven aangespoord; Maria had (in drie gefluisterde woorden!) hem eveneens tot blijven aangezet en daaraan de raad verbonden "op te passen"; en Peter had hem àfgeraden te blijven!. Het zou wonderlijk geweest zijn, indien deze elkaar tegensprekende raadgevingen Geoffrey, met zijn eigenaardige natuur, er niet toe gebracht hadden, de verklaring van al dit wonderlijke te zoeken. En daartoe moest hij blijven. Bovendien: het onderzoek, dat hij op zich genomen had, liet hem geen andere keuze. De terugkeer, zonder enig resultaat, naar X zou een nederlaag geweest zijn en zelfs méér dan een nederlaag: een lafhartige vlucht! Het was waarschijnlijk, dat hem gevaar dreigde. Geoffrey gevoelde dat meer en meer. Misschien hetzelfde gevaar, waaraan die anderen ten offer gevallen waren...? Het was mogelijk! En daarom mocht hij niet gaan. Geoffrey keerde terug naar de "See-Restauration". --- ## Hoofdstuk XII - Leerrijke Gesprekken. De voordeur van de restauratie was gesloten, maar in het "Fremdenzimmer" brandde nog licht. Voorzichtig sloop Geoffrey tot voor een der vensters - hetzelfde waarvoor vroeger op de avond Rooie Peter gestaan had -, en zag naar binnen. Aan de langwerpige tafel in het middel der kamer zat Maria. Zij had de handen voor de ogen geslagen en steunde met de ellebogen op de tafel. Vader Kaspar liep door het vertrek heen-en-weêr. Nu en dan bleef hij stil staan en sprak dan een paar woorden tot zijn nicht, om vervolgens zijn wandeling te hervatten. Wàt hij zei, kon Geoffrey niet verstaan. En evenmin kon deze door de beregende ruiten de uitdrukking der gezichten waarnemen. Door langer hierbuiten te blijven staan, kon hij niets winnen! Hij ging dus naar de voordeur terug en trok aan de ijzeren stang, die binnenshuis de bel in beweging bracht. Lang te wachten behoefde hij niet. En het was Vader Kaspar zelf, die hem de deur opende. Hij hield een kaars in de eene hand, die hij met de andere tegen de tocht beschutte. Daardoor was zijn gezicht vrij helder verlicht. Geoffrey zag, dat zich daarop eerst grote verbazing en vervolgens blijde verrassing afteekende. "Wel, wel!" zei hij, terwijl hij de detective binnen loodste en de deur achter hem sloot. "Heeft de jonge Heer zich bedacht?" "U hadt gelijk", antwoordde Geoffrey. "'t Is zo'n beestenweer, dat ik het heb moeten opgeven." "Ja, ja!" lachte de ander vergenoegd. "Dat kòmt ervan, als jeugd niet naar ouderdom luisteren wil! Maar gaat u binnen, jonge Heer!" Hij opende de deur van het "Gastzimmer" en liet Geoffrey vóór zich binnen treden. Fräulein Maria zat thans weer in haar hoekje, met het naaiwerk op haar schoot. Toen zij Geoffrey zag binnenkomen, werd zij bleek en had moeite een kreet te onderdrukken. De jonge man deed, alsof hij niets van hare ontroering bemerkte. Maar deze was hem een nieuw bewijs voor de bijzondere beteekenis, die aan zijn hier-blijven gehecht scheen te worden. "De jonge Heer is teruggekomen, Maria!" zei Vader Kaspar. "Nu blijft hij bij ons, vannacht! Maar eerst zal hij zijn Joppe' en zijn kleêren opnieuw moeten drogen. Alles dubbel werk! O, die jeugd, die jeugd!" Hij schudde glimlachend het hoofd en hielp Geoffrey bij het àfleggen van zijn rugzak. Een ogenblik later zat de jonge man op zijn vroegere plaats bij de kachel: opnieuw dampten zijn kleêren en opnieuw hing de "Joppe" over een stoel te drogen! Vader Kaspar zette ongevraagd een "Viertel Rot" voor hem neder en ging daarop naast hem bij de kachel zitten. Hij begon een praatje, maar Geoffrey hield zich - althans in de aanvang - alsof hij slaap had. Hij zat met half gesloten ogen achterover geleund, maar observeerde, door de wimpers heen, evenals vroeger, scherp zijn omgeving. Thans was zijn aandacht in het bijzonder gevestigd op Maria, die met haar naaiwerk op slechts enkele passen afstand zat. De onmiddellijke nabijheid van Vader Kaspar maakte het echter onmogelijk, ongemerkt een woord met haar te wisselen. Zij zag eruit, alsof zij geschreid had en aan het trillen van hare handen ontdekte Geoffrey, dat zij nog steeds zeer zenuwachtig was. Nu en dan zag zij van haar werk op en wierp dan een snellen blik op de jongen man. Zodra deze de ogen opsloeg, wendde zij de hare echter af, behalve ééns, toen Geoffrey haar blik met de zijnen als 't ware "vasthield" en hij haar recht in de ogen keek. In die ogen lag nog steeds een uitdrukking van grote angst, maar tevens nog iets anders. Men pleegt wel te zeggen, dat ogen "spreken" kunnen. Deze ogen zeiden - zo duidelijk alsof de mond gesproken had - twee woorden: "help mij!"...
* * *

Helpen? Hoe en in welk opzicht...? Intussen zat Vader Kaspar, met de voeten naar de porceleinen kachel gekeerd, te dommelen. Maar Geoffrey vermoedde, dat de man, evenals hij zelf, klaar wakker was. Onze jonge vriend kon het zich niet langer verhelen, dat deze man, in wie hij tot voor enkele uren niets anders gezien had dan een verstandig en goedaardig mens, sedert in hooge mate zijn wantrouwen had opgewekt. Wanneer men hem naar het waaròm gevraagd had, had hij weinig méér kunnen zeggen dan dat allerlei kleinigheden, zowel in 's mans eigen gedragingen als in die van anderen, daarvan oorzaak waren. Zolang Geoffrey te X geweest was, had hij aan Vader Kaspar's gezelschap de voorkeur gegeven, boven dat van alle andere personen, die hij daar ontmoet had. Deze man, met zijn intelligent gezicht, bezat meer beschaving dan die anderen; hij had gevoel voor humor en kon zelf allergeestigst zijn, zonder tot goedkoope grappen ten koste van anderen te vervallen. Geoffrey was nog te jong om zich te kunnen onttrekken aan de eigenaardige bekoring, die er van dezen oude man uitging. Sombere gedachten aan misdaad hechten zich zelden aan grijze haren en aan een vriendelijk gelaat. Eerst de ondervinding maakt wantrouwend, ook tegenover de schijnbaar eerwaardigen ouderdom. En dit wantrouwen leefde nog niet in Geoffrey's jonge hart, ook al bezat hij het hoofd van de detective. Maar in de laatste uren had zijn verstand — combineerend en deduceerend - hem, op grond van zijn waarnemingen, op nieuwe mogelijkheden gewezen! Ontsnapte de oude Kaspar, juist op de fatale Donderdag-avonden, niet aan elke contrôle, van wie ook? Want zijn nicht mocht dan al bij hem zijn: deze koesterde blijkbaar grote angst voor hem, zo groot, dat zij - hoewel zij een stom beroep op Geoffrey's hulp scheen te doen - het niet waagde ook maar één beweging te maken, die dit aan haar oom verraden kon. Was zij de schrijfster van de korte mededeeling op de strook geribd papier...? Het was niet onwaarschijnlijk. Maar dàn was de detective ook op het goede spoor, ja stond hij misschien onmiddellijk voor de oplossing! Alle aanduidingen wezen op het bestaan van een geheimzinnig gevaar in de "See-Restauration"; en de "See-Restauration" wàs Vader Kaspar!...
* * *

Geoffrey gevoelde, dat het noodzakelijk was, elk gevoel van wantrouwen, dat zich bij de oude man gevestigd mocht hebben, wèg te nemen. Hij deed daarom, alsof hij zijn slaperigheid overwon, en begon een gesprek. Vader Kaspar rekte zich eens uit, maar ging daarop met zulk een levendigheid in op wat Geoffrey gezegd had, dat deze bevestigd werd in zijn vermoeden, dat ook bij de oude man het dommelen slechts comedie-spel geweest was. De beide mannen geraakten nu weldra in een geanimeerd en schijnbaar zeer vriendschappelijk gesprek. Geoffrey wist, dat Kaspar een groot deel van zijn leven in Amerika had doorgebracht en bracht daarom de ander aan het praten over de Verenigde Staten en Mexico. Het bleek, dat Vader Kaspar vooral in het laatstgenoemde land langen tijd gewoond had. Hij wist veel te vertellen van de zeden en gebruiken daarginds en uit zijn verhalen bleek, dat hij zowel de grotere steden als de kleine dorpen en zelfs de Indiaanse pueblo's bezocht had. "U schijnt heel wat rondgezworven te hebben", zei Geoffrey, nadat Vader Kaspar een interessant avontuur verteld had, dat hem in de staat Sonora overkomen was. "Bracht uw beroep het mèt zich, dat u zoveel moest rondtrekken?" Het ontging de jongen man niet, dat Kaspar zich een ogenblik bedenken moest, vóórdat hij zijn antwoord klaar had. "Wat zal ik u zeggen?" zei hij eindelijk. "Ik heb van alles bij de hand gehad: ik ben kellner, fotograaf, opzichter op een plantage, goudzoeker en zelfs ,tigrero'\*) geweest. Maar in geen van die beroepen heb ik geluk gehad." \*) = tijgerjager: de vast aangestelde verdelger van jaguar en couguar! „Toch schijnt u niet geheel zonder middelen vandaar teruggekeerd te zijn", zei Geoffrey. Vader Kaspar keek hem strak aan en een ogenblik dacht de detective, dat zijn zeker niet óver-discrete opmerking de oude man beleedigd had. Het bleek echter, dat hij zich hierin had vergist: er verscheen een glimlach op Kaspar's gezicht en hij gaf Geoffrey een knipoogje. "Er zijn twee beroepen, die de mensen over de hele wereld rijk maken, mits men ze met verstand beoefent", zei hij: "dat van koekebakker in de steden en dat van herbergier op het land. Ten slotte heb ik het laatste gekozen... tot mijn geluk!" "U is dus rijk geworden?" vroeg Geoffrey lachend. "Dat nu wel niet! Maar ik heb toch genoeg verdiend om hier hetzelfde beroep te kunnen voortzetten", antwoordde Vader Kaspar. "En sinds ik het badhuis heb laten bouwen, heb ik nog minder klagen dan vroeger: dat is een goede gedachte geweest!" "Het is eigenlijk jammer, dat u aan de restauratie geen hotel verbonden hebt!" meende Geoffrey. "Waarom? Zo'n hotel, vooral als het druk loopt, geeft een massa rompslomp en zorgen. Bovendien moet men er een heel kapitaal in steken en daarin had ik geen zin. Zoals de zaken nu lopen, verdien ik mijn brood met niet àl te veel moeite. U moet niet vergeten, dat ik een oude man ben." "In elk geval heb ik geen reden om mij te beklagen" zei Geoffrey. "Voor mij is de restauratie tevens hotel!" Vader Kaspar gllmlachte even. "Dat is niet helemaal juist!" zei hij. "Hier in het gebouw is geen gelegenheid voor u om te overnachten. Maar tien stappen van hier, in het badhuis, komt u prachtig onder dak." "Ik kan anders heel best hier in het ,Gastzimmer' slapen", merkte Geoffrey op. "'k Zie er volstrekt niet tegen òp, mij voor de nacht op een paar stoelen te installeeren." "Dat zou heel onverstandig zijn, jonge heer! Nu u tweemaal 'n nat pak gehaald hebt, moet u de koude onder de dekens uitstoven! Ik heb in het badhuis één kamertie ingericht voor warme kuip-baden. Er komen zelfs hier mensen, die benauwd zijn voor koud water en het ,griezelig' vinden te baden in het meer. En toch hebben ze, wanneer ze van de een of anderen bergtocht terugkomen, wel eens behoefte zich eens flink af te spoelen. Zulke mensen gaan in de kuip!" "En nu wilt u mij in die kuip laten slapen?" vroeg Geoffrey lachend. "Dat niet. Maar in het kamertje staat een gemakkelijke rustbank. Met 'n paar dekens en kussens maken wij daarvan een heel aannemelijk bed. U zult niet de eerste zijn, die daar geslapen heeft!" Het was Geoffrey, die geen ogenblik zijn waakzaamheid vergat, opgevallen, dat Fräulein Maria steeds zenuwachtiger geworden was. Zij had hem enige malen ter sluiks aangezien en thans vormde haar mond, onhoorbaar, nog eens hetzelfde woord, dat zij die avond reeds vroeger had uitgesproken: "Oppassen!" Blijkbaar had deze waarschuwing betrekking op het kamertje, waarvan Vader Kaspar gesproken had, of althans op wat de jongen man daar overkômen kon. Maar het vermoeden of het weten, dat haar tot waarschuwen bracht, kon niet beletten, dat zij hem tot blijven had aangespoord! Hierin lag iets tegenstrijdigs, iets dat verklaring behoefde. Maar... behoefde niet de gehele zonderlinge toestand, waarin hij zich bevond, een verklaring? Vinden kon hij die alleen, wanneer hij aan de gebeurtenissen nu ook verder de vrijen loop liet, zonder zijnerzijds een poging tot ingrijpen te doen. Gevaar...? Ja, dat hij in gevaar was of komen zou, dit zei hem, na alles wat geschied was, niet alleen zijn verstand, maar ook zijn instinct als detective! Maar hij was gewaarschuwd, hij was waakzaam en... hij had in de zak zijn geladen revolver. "Ik verheug mij erop, onder de dekens te kruipen", zei hij. --- ## Hoofdstuk XIII - Het Gevaar Nadert. De goedkope, ietwat opzichtige klok, die in het "Gastzimmer" hing, had zoeven tien uur geslagen. De wind was gaan liggen, maar het regende nog bij stroomen. "Wij hebben echt gezellig zitten praten", zei Vader Kaspar, "en het spijt mij, dat de avond alweer òm is. Maar ik kan mij begrijpen, dat u, na alle vermoeienissen van de dag, naar bed verlangt. Ik zal met u meêgaan om u uw nachtverblijf te wijzen. Zijn er dekens en kussens in de badkamer, Maria?" "Het bed op de rustbank is opgemaakt", antwoordde de aangesprokene; haar stem klonk schor en zenuwachtig. Geoffrey - om een zijner geliefkoosde uitdrukkingen te gebruiken - noteerde onmiddellijk in zijn geestelijk opschrijf-boekje, hoe vreemd dit antwoord was. Het is weinig gebruikelijk op de rustbank in een badkamer een bed te spreiden! Vader Kaspar noch Maria had vooruit kunnen weten, dat hij de nacht hier zou doorbrengen. Beiden hadden het restauratie-gebouw niet verlaten zolang Geoffrey daar vertoefd had. En gedurende de korten tijd, dat deze buiten was geweest (toen hij zich de schijn had gegeven alsof hij naar X terugkeerde), verkeerden zowel Kaspar als Maria natuurlijk in de gedachte, dat hij niet hierboven overnachten zou. En tòch was het bed op de rustbank opgemaakt! Had men dan iemand verwacht? Had men voorzien, dat er iemand komen zou? Had men misschien zijn komst voorzien...? Het was zo natuurlijk, dat hij - na zijn tocht en bij dit slechte weêr - rust en beschutting zoeken zou in de "See-Restauration". Er behoorde werkelijk geen profetische blik toe om dit te voorzien! En nu had men de attentie gehad, vooruit alles voor zijn nachtverblijf gereed te maken. Of., ? Geoffrey gunde zich niet de tijd om verder dóór te denken. Op dit ogenblik kwam het meer op observeeren aan dan op deduceeren en combineeren! Vader Kaspar had een kleine lantaren genomen en die aangestoken. Terwijl hij daarmede bezig was, zag Geoffrey in de spiegel, die Tussen de beide aan de zijde van het meer gelegen vensters hing, dat Fräulein Maria haar werk neêrlegde. Hij had, op enige afstand staande, de rug naar haar toegewend en Kaspar stond gebogen over zijn lantaren. Op dit ogenblik ontmoette Maria's blik die van Geoffrey in de spiegel. Zij trok onmiddellijk hare wenkbrauwen op, als om de aandacht van de jongen man op zich te vestigen. En toen, de rechter hand aan de mond brengende, maakte zij een beweging alsof zij dronk en schudde vervolgens herhaaldelijk het hoofd.
maakte zij een beweging...

De beteekenis van deze pantomine was duidelijk. Niet drinken! Er vièl echter niets meer te drinken, want Vader Kaspar ging hem nu vóór naar de deur. Hoogstens zou hij op de badkamer water vinden... "Goeienavond, Fräulein Maria!" "Goeienavond, Herr!" De deur van het "Gastzimmer" sloot zich achter de beide mannen en een ogenblik later stonden zij buiten. Met snellen stap liep Vader Kaspar vooruit. Hij hield de lantaren in de hand en had een oude paraplu opgestoken. Geoffrey volgde hem op de voet en binnen weinige ogenblikken kwamen zij aan het badhuis. Het was zo donker, dat men niet veel van het houten gebouwtje zien kon; maar Geoffrey kende de inrichting ervan van zijn vroegere bezoeken aan het Blauwe Meer. Die inrichting was zeer primitief. Een kleine houten brug van misschien drie meter lengte voerde direct naar de galerij, die om de rechter- en de voorzijde van het badhuis héén liep. Het gebouwtje zelf had de vorm van een lange sigaren-kist, die op haar lengte-kant gelegd was.
Het Badhuis

Het bevatte zes kleine kamertjes, ieder met een raam naar de landzijde, terwijl de zes deuren op de galerij uitkwamen, aan de kant van het meer. Van die galerij af voerden een paar kleine ladders in het hier nog ondiepe water. De badkamer, waarin Geoffrey de nacht zou doorbrengen, lag geheel aan de rechterzijde en kwam met haar deur uit op dat gedeelte van de galerij, dat daar langs het gebouw liep. Het geheel rustte op palen boven het water. Vader Kaspar ging Geoffrey vóór over de kleine brug en opende toen dadelijk, links, de deur van de badkamer. Hij plaatste de brandende lantaren op een klein tafeltje en wenste zijn gast daarop goeden nacht, de sleutel liet hij aan de binnenzijde van de deur steken, voor het geval Geoffrey deze zou willen afsluiten.
* * *

De jonge man had nu gelegenheid het kleine vertrek, waarin hij zich bevond, nauwkeurig op te nemen. Wanneer men zich met de rug naar de deur plaatste, had men aan de rechterzijde een groot, zinken bad met een geyser en de gebruikelijke koperen kranen. Vader Kaspar had verteld, dat de verwarming doormiddel van acytileengas geschiedde. Een kleine toestel ter vervaardiging daarvan bevond zich in een kastje op de galerij, onmiddellijk tegen de wand der badkamer áángetimmerd. Links, op misschien twee meter van de vloer, was een tuimelraam, dat thans, bij het natte weêr, gesloten was. Tegenover de deur stond, aan de wand, de rustbank, waarop een inderdaad uitlokkend uitziend bed was gereed gemaakt. De kleine tafel, waarop de lantaren stond, bevond zich aan het hoofd-einde van de rustbank. Aan het voet-einde daarvan, in de hoek der kamer, was een op ringen lopend gordijn aangebracht, waarachter zich enige kleêren-haken bevonden. Ten slotte bevatte de kamer twee eenvoudige stoelen met matten zitting. Dit alles had voor de oppervlakkigen beschouwer niets bijzonders. Maar Geoffrey wàs geen oppervlakkige beschouwer! Hij had zich voorgenomen geen stukje van de wand of de vloer of zelfs van de zoldering ononderzocht te laten. Maar eerst deed hij iets anders, dat - al was het een kleinigheid - van zijn vooruit-zien getuigde. Hij trok zijn "Joppe" uit en maakte zich voor de nachtrust gereed: het kòn zijn, dat Vader Kaspar onverwachts terug kwam, en dan zou diens argwaan gewekt worden, indien hij zijn gast nog geheel gekleed mocht aantreffen. Toen eerst begon hij zijn onderzoek. Het eerst richtte hij zijn aandacht op het bad. De waterkranen, de geyser, de gasbuis, die -- de wand doorborend in het op de galerij aangebrachte kastie uitkwam, dit alles werd nauwkeurig bezien en gecontroleerd. Daarna volgde het onderzoek van het rustbed, het tafeltje, de zoldering (hierbij stond hij op een stoel!) en ten slotte dat van de vloer. Alleen dit laatste leverde iets bijzonders op. Geoffrey ontdekte namelijk, onder de rustbank, iets dat hij voor een vierkant luik hield. Het sloot zich gebrekkig aan de vastliggende planken aan, zodat de afscheiding gemakkelijk te bespeuren was. De detective stelde zich de vraag, waartoe dit luik diende. Het was duidelijk, dat op korten afstand onder de planken vloer het water van het meer staan moest. Voor de afwatering van het bad was echter, op de gewone wijze, aan de kuip zelve een pijp aangebracht, zodat het luik niet gebruikt behoefde te worden om het badwater uit te gieten. Waartoe werd het dàn gebruikt? Trouwens de omstandigheid, dat het zich onder de rustbank bevond, wees erop, dat men het niet dikwijls opende. Of... (wij herinneren eraan, dat Geoffrey's wantrouwen in hooge mate gewekt was), kon het misschien zijn, dat men de rustbank juist dáár had neêrgezet om het luik voor de oppervlakkigen beschouwer te verbergen?... Eene oplossing van deze vragen was niet zo gemakkelijk te vinden! Terwijl Geoffrey daarover nadacht, hoorde hij voetstappen op de brug en op de galerij. Dadelijk daarop werd er op de deur geklopt. "Wie is daar?" riep Geoffrey. "Maak maar open, jonge Heer!" klonk de stem van Vader Kaspar. "Ik breng u nog iets, dat u goed zal doen!" Niets drinken! Onmiddellijk moest Geoffrey terugdenken aan deze stomme waarschuwing, hem door Fräulein Maria mede gegeven. Zou de oude man hem iets te drinken brengen...? Hij opende de deur en Kaspar trad naar binnen. Hij bracht niets anders meê dan een leêg glas! "Ik was juist van plan onder de dekens te kruipen", antwoordde Geoffrey, terwijl hij gaapte en zich uitrekte. "Het is mij de helen avond opgevallen, dat u er koortsig uitziet", hernam Vader Kaspar. "Tweemaal 'n nat pak, zoals u dat vandaag hebt opgelopen, haalt men zich niet ongestraft, als het weêr guur en de wind scherp is, jonge Heer! Morgen zou u wel eens lelijk ziek kunnen zijn. Ik heb mijn huis-apotheek er eens op nagekeken en nog enige kinine-poeders gevonden. Ik zou u raden er een te nemen: ziekte voorkómen is beter dan ziekte genezen!" Dit zeggend haalde hij een doosje voor de dag, waarop in duidelijk schrift het woord: "kinine-poeders" te lezen stond. Het was afkomstig uit de "Löwen"-apotheek te X: dat zag Geoffrey met één oogopslag. In het doosje lagen enige, op de gebruikelijke wijze in papier gevouwen, poeders. Vader Kaspar vulde het glas uit een der kranen van het bad. "Ziezo, jonge Heer!" zei hij. "Neem nu gauw zo'n poeder: dan zult u lekker slapen! En als u mijn raad wilt aannemen, neemt u er morgen-ochtend weêr een!" Hier was dan toch inderdaad het "drinken" aan de orde gesteld! Want de bitteren poeder droog in te nemen, zou moeilijk gaan. Wanneer Geoffrey minder wantrouwend geweest was, zou hij waarschijnlijk aan de uitnodiging van de oude man, zonder meer, voldaan hebben. Nu dacht hij aan de waarschuwing van Fräulein Maria en weifelde! "Is dat goed drinkwater?" vroeg hij. Kaspar lachte. "Het komt regelrecht uit het meer: wij drinken hier boven nooit ander water. Het is zo zuiver als kristal!" Natuurlijk! Geoffrey had het onder zijn ogen uit de kraan zien tappen en in het leêge glas vloeien. Het was vrijwel onmogelijk, dat hierbij iets niet in orde was! Maar die poeder... Wàs het kinine?... Tijd om langer te weifelen was er niet, wilde hij het wantrouwen van Kaspar niet opwekken. Hij handelde dus, zonder enig verder aarzelen. Op dit ogenblik, onder de druk van wat hij, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, voor een gevaar hield, was zijn hoofd zo koel, dat hij zich met ongewone en scherpe snelheid rekenschap gaf van de kleinste bijzonderheden van zijn toestand. Aannemende, dat Vader Kaspar hem wat anders dan kinine wilde ingeven, begreep hij, dat de bovenste poeder die hij immers het eerst in handen zou krijgen - dan in elk geval dat "andere" inhield. Niet onwaarschijnlijk was het, dat de overige onschadelijk waren: meerdere poeders van dat "andere" konden een gevaarlijke aanwijzing vormen! Wanneer de bovenste poeder in het doosje bleef, bleef de dáárin gelegen aanwijzing bestaan! Het is niet waarschijnlijk, dat Geoffrey op dit ogenblik bewust deze redeneering hield. Maar zijn verbazingwekkend - bijna automatisch - denkvermogen wees hem onmiddellijk de weg, die anderen slechts door zo'n redeneering zouden hebben gevonden. De lantaren verspreidde slechts een spaarzaam licht. Geoffrey opende het doosje, werkte er, met zijn buigzame vingers, in een ogenblik de tweeden poeder uit en vouwde het papier, waarin deze verpakt was open. Zich daarop half afwendende, schudde hij de inhoud handig in de wijd-openstaanden boord van zijn toeristen-hemd en nam daarop een paar flinke slokken water, als om de poeder naar beneden te spoelen. "Ziezo!" zei hij, een paar korrels, die op het hemd gevallen waren met de hand àfkloppende. "En nu naar bed!" "Ik zal het doosje hier laten staan", zei Vader Kaspar. "Laat u de lantaren maar branden. Zo nodig, kunt u dan vannacht nog een tweeden poeder nemen!" En met een vriendelijk: "goeiennacht", verliet hij het kamertie. --- ## Hoofdstuk XIV -Het Gevaar Afgewend. Geoffrey wachtte, totdat hij de voetstappen van de oude man gehoord had, die zich over de brug verwijderden. Toen kleedde hij zich gedeeltelijk weder aan en begon een zonderlinge operatie. Wanneer hij zich dacht in de toestand van een volkomen argeloos toerist, die in dezelfde omstandigheden verkeerde als die, waarin hij zich thans bevond, begreep hij, dat de man zich onmiddellijk te slapen gelegd zou hebben. Trouw aan zijn beginsel, in geen enkel opzicht van de natuurlijke gang van zaken af te wijken, moest hij nu dus inderdaad "onder de dekens kruipen". Het feit, dat hij zich gedeeltelijk had aangekleed, bewees genoegzaam, dat hij niet van plan was dit te doen. Maar niettemin kwam het er thans op aan, de schijn te wekken alsof hij het wèl gedaan had. Geoffrey nam zijn alpenstok en zijn rugzak, benevens twee badmantels, die boven het bad aan spijkers aan de muur hingen. Van deze zeer uiteenlopende zaken wist hij een geheel te fabriceeren, dat, met dekens toegedekt, de indruk maakte van een menselijk lichaam, dat daar op de rustbank lag uitgestrekt. Toen dit kunstwerk voleindigd was, hing Geoffrey zijn "Joppe" over de rug van een der beide stoelen en ging zelf op de anderen zitten. Hij wachtte...... Waaròp wachtte hij? Terwijl hij daar neêrgezeten was, met over elkaar geslagen armen, ingespannen luisterend naar de geluiden òm zich, moest hij onwillekeurig glimlachen. Hij had een val opgesteld voor wie hem die nacht een ongewenst bezoek zou willen brengen. Maar... bestond er inderdaad zo iemand? Had hij zichzelven het bestaan van zo'n geheimen vijand niet gesuggereerd? Speelde hij niet, in de grond, de rol van een Don Quichotte, die tegen windmolens vocht? Ja, was hij niet dwazer dan die vermaarde ridder, omdat deze de windmolens althans zàg, maar hij de zijne nog niet te zien had gekregen?... Al deze vragen rezen bij hem op. Maar het gelukte hem niet, zichzelven van de overbodigheid van zijn voorzorgsmaatregelen te overtuigen. Als ze overbodig mochten blijken, zou hij in zijn eigen ogen al 'n heel ongelukkig figuur maken! Gelukkig echter, dat niemand ànders dan getuige zijn zou van zijn "nederlaag"! Men ziet het: Geoffrey miste nog, althans tot op zekere hoogte, de kalme zekerheid, die hem in latere jaren volkomen vertrouwen stellen deed in het resultaat van zijn combinaties en deducties. En dat was geen wonder! Hij moest eerst zijn eigen kracht als detective grondig leeren kennen. De jonge man staakte weldra zijn gepeinzen en beperkte zich tot ingespannen luisteren. De regen, die hij in de aanvang bij stroomen op het dak, boven zich, hoorde neêrdalen, begon langzaam te verminderen. Na een half-uur hield hij geheel op en nu klonk slechts het lekken van het water, dat - eerst in stralen, later in druppels - van het dak in het meer liep. Onder zijne voeten hoorde Geoffrey duidelijk het zachte klotsen van het water. En, behalve deze zwakke geluiden, bereikte hem nu en dan het ruisen van de bossen daarbuiten, wanneer de nog bij tussenpozen weêrkeerende windvlagen langs de hellingen der bergen streken. Overigens stilte... geen geluid... Zo verliepen er uren! Het zal twee uur in de nacht geweest zijn, toen Geoffrey zachte voetstappen op de galerij buiten zijn kamer meende te hooren. Hij luisterde ingespannen, maar het geluid herhaalde zich niet. Reeds meende hij, dat hij zich vergist had, toen hij plotseling iets anders hoorde, dat hij eerst niet verklaren kon. Het kwam van boven zijn hoofd: een zacht schuifelen, alsof er op het dak voorzichtig iets verschoven werd. Opeens - als instinctmatig - begreep hij, waardoor dit schuifelen veroorzaakt werd: er bevond zich iemand op het dak boven hem. Het onderzoek van de zoldering had hem de overtuiging geschonken, dat het onmogelijk was, zich daardóór toegang tot de badkamer te verschaffen. Maar dan...... Snel stapte Geoffrey achter het gordijn, dat vóór de kleêren-haken hing. Door de kier, die Tussen dit gordijn en de wand open bleef, kon hij juist het tuimelraam zien. Het geschuifel herhaalde zich telkens. Geoffrey voelde, dat de oplossing spoedig komen zou. En inderdaad, na weinige ogenblikken verscheen er aan de bovenkant van het raam een hoofd. Het behoorde aan iemand, die lang-uit op het dak liggen moest en nu, met het hoofd naar beneden, in de kamer zag. Het was te donker om met zekerheid te herkennen, wie het was, die op deze zonderlinge wijze naar binnen keek. Maar, te oordelen naar het weinige, dat te zien was, moest het de man zijn, wiens verschijnen Geoffrey al die tijd reeds verwacht had: Vader Kaspar.
Hij begreep, dat thans de crisis naderde.

Wel vijf minuten bleef het hoofd zichtbaar. Daarop verdween het, en dadelijk daarop liet het voorzichtig schuifelen op het dak zich opnieuw hooren. Het hield echter ditmaal spoedig op: de man was over het dak naar de linker-zijde van het badhuis geslopen om vandaar op de galerij neêr te dalen. Hij volgde daarbij waarschijnlijk denzelfden weg, die hij gekomen was. Geoffrey bleef achter het gordijn staan. Hij begreep, dat thans de crisis naderde. De man, die zoeven naar binnen had gekeken, had dat vermoedelijk gedaan om zich ervan te overtuigen, dat binen "alles veilig" was. Geoffrey dacht er liever maar niet te diep over na, wat hij onder dit "alles veilig" verstond. Hij was ervan overtuigd, dat de aandacht van de indringer vooral op de rustbank gevestigd was geweest. Daar had schijnbaar een roerlooze gestalte gelegen... Toen Vader Kaspar enige uren vroeger, nadat hij de poeders gebracht had, de kamer had verlaten, had Geoffrey de deur van binnen gesloten. Het duurde thans niet lang, of er werd voorzichtig aan die deur gemorreld. De detective had dit voorzien en verwonderde er zich dus niet over, toen de sleutel plotseling uit het sleutelgat viel. Daar er een mat op de vloer lag, geschiedde dit zonder veel gedruis. Dadelijk daarop ging de deur langzaam open en op de drempel verscheen de man, die Geoffrey verwacht had: Vader Kaspar! Het licht van de lantaren, die nog steeds op het tafeltje aan het hoofd-einde van het bed stond, viel op de gestalte van de oude man. Deze had de hals uitgestrekt en stond enige ogenblikken onbeweeglijk, alsof hij ingespannen luisterde. Daarbij waren zijn ogen strak op de rustbank gevestigd en op de gestalte, die, door de dekens bedekt, daarop scheen te rusten. Nu sloot hij de deur achter zich en sloop dieper de kamer in op het bed toe. Hij boog zich daaroverheen en scheen opnieuw ingespannen te luisteren, of de gestalte onder de dekens enig teeken van leven gaf. Toen sloeg hij de hand aan het dek. "U zult daaronder mijn rugzak vinden!" klonk plotseling de kalme stem van Geoffrey. "Wanneer u mijzelf hebben wilt, zult u zich moeten òmdraaien!" Met een ruk stond Vader Kaspar overeind en draaide zich om. Het was te donker om de uitdrukking van zijn gezicht te zien, want hij stond nu met de rug naar het licht gekeerd. Maar aan de beweging zijner handen, die naar een steunpunt tastten, was het te zien, hoe ontsteld hij was. "Eén beweging en ik schiet je neêr als een hond", zei Geoffrey, terwijl hij hem de revolver vóór hield. Het bleef korten tijd stil. Men hoorde slechts het zware ademen van de betrapten booswicht. "Ik begrijp niet, wat u wilt, jonge Heer!" bracht deze er eindelijk met moeite uit. "Speel maar niet langer comedie!" hernam Geoffrey, hem steeds met de revolver dreigende. "Het stuk is ten einde! Misschien interesseert het je te vernemen, dat ik detective hen." Was Geoffrey ouder geweest, hij zou deze mededeeling op dàt ogenblik achterwege gelaten hebben. Het was de beroepstrots van de jongen detective, die hem daartoe bracht, nu hij zijn triomf zeker achtte! Opeens viel de lantaren aan scherven op de grond: de oude man had het rechterbeen ongemerkt achteruit gebracht en daardoor het tafeltje doen kantelen. Onmiddellijk klonk Geoffrey's revolverschot. Maar de plotselinge duisternis had hem zijn doel doen missen! In een oogwenk had Kaspar de deur geopend. Hij spoedde zich over de brug, in de richting van het huis. Opnieuw klonken twee revolverschoten: Geoffrey had ze de vluchteling nagezonden, maar in de duisternis wederom gemist! Doch nu gebeurde er iets zonderlings: het was, alsof er voor de voeten van de vluchtenden man plotseling een witte gestalte uit de grond oprees, om diens vaart te stuiten! Een angstige, half-verstikte kreet drong tot de vervolger door... Toen de detective, enkele seconden later, de hand zwaar op Kaspar's schouder deed neêrdalen, zakte deze plotseling inéén. Geoffrey meende, naar de kant van het meer toe, een wit gewaad te zien fladderen; maar hij had op dit ogenblik geen gelegenheid zich met iets anders te bemoeien dan met de gestalte, die daar roerloos aan zijn voeten lag. Bij het licht van zijn electrische zak-lantaren kwam hij tot de verbazingwekkende ontdekking, dat Vader Kaspar stervende was! Een messtoot had hem in de hals getroffen en de grote slagader dóórgesneden. Toen Geoffrey zich kort daarop de kant uit spoedde, waar hij een wit gewaad had meenen te zien fladderen, was daar niets te zien...... Maar Fräulein Maria was niet in het huis te vinden!
* * *

Vroeg in de ochtend kwamen er mensen uit X, om Geoffrey te zoeken: Rooie Peter had zich niet in het stadje laten zien en men had zich over het uitblijven van onzen vriend dodelijk ongerust gemaakt. De Onder-officier met de grote snorren had zichzelven tot commandant van de expeditie opgeworpen. Men vond het lijk van Vader Kaspar Tussen het badhuis en de "See-Restauration" in de "tuin" liggen. Naast het lichaam, op een der stoelen, die hierbuiten stonden, zat Geoffrey en... sliep! De lichamelijke en geestelijke inspanning, die hij had ondergaan, hadden hem dermate aangepakt, dat de vermoeidheid hem te machtig geworden was. Fräulein Maria was nog steeds nergens te vinden. Eerst de volgenden dag vond men haar lijk in het meer. Er was geen twijfel aan, of zij had de dodelijke messtoot toegebracht; en daarop had Zijzelf de dood in de golven gevonden. --- ## Hoofdstuk XV - "De Heilige Johannes". Het duurde enige tijd, voordat het de politie gelukte, de volledige verklaring te vinden van het drama, dat zich aan het Blauwe Meer had afgespeeld. Eerst toen Rooie Peter, die spoorloos uit X verdwenen was, enkele dagen later te Klagenfurt gearresteerd werd (Geoffrey had - hoewel noode tot deze arrestatie moeten adviseeren), vulden diens mededeelingen de observaties van de detective zoodanig aan, dat men een inzicht kreeg in de onderlingen samenhang der feiten. Telegrafische inlichtingen, in Amerika ingewonnen, verklaarden wat daarna nog onverklaard was gebleven. De man, die Geoffrey als "Vader Kaspar" had leeren kennen, heette Johann Kaspar Häckner. Hij was inderdaad te X geboren en was, als jonge man, vandaar naar Amerika gegaan. Daar raakte hij spoedig op verkeerde wegen. De verschillende en zeer uitéénlopende beroepen, die hij in zijn gesprek met Geoffrey had opgenoemd, had hij inderdaad beoefend, mèt nog 'n dozijntje andere. Maar daarop had hij in het wilde binnenland van Mexico een ander beroep uitgeoefend, dat hij voor Geoffrey verzwegen had: hij had deel uitgemaakt van een bende bandieten, die de Staat Sonora onveilig maakten, daar roof en moord pleegden en de zwakke krachten der Mexicaanse militairen stoutmoedig tartten. Hij was een man van bloed en geweld geweest! Meer en meer kreeg hij een afschuw van elken eerlijke arbeid. Niettegenstaande zijn avontuurlijke levenswijze, wist hij - tengevolge van zijne vele omzwervingen en doordat hij met zovele mensen in aanraking kwam - een zeker vernis van beschaving te verkrijgen, dat hem (gevoegd bij zijn intelligent en innemend uiterlijk) dubbel gevaarlijk maakte. Het viel hem gemakkelijk, eerst het vertrouwen van zijn slachtoffers te winnen, om ze daarna uit te plunderen en soms te vermoorden. Ook als valse speler sloeg hij menigmaal zijn slag. Er waren maar weinig misdaden in het wetboek van strafrecht aan te wijzen, waaraan hij zich niet, vroeg of laat, schuldig had gemaakt. Zelfs in een wild land als Mexico werd de bodem eindelijk te warm voor hem. Hij trok naar de Verenigde Staten en zette daar zijn "beroep" — speciaal dat van valsen speler in het Verre Westen voort. Maar de hand der gerechtigheid reikt in de Unie verder dan in Mexico. Toen hij zich ook op het nieuwe terrein van zijn werkzaamheden enige malen aan het leven en de eigendom van anderen vergrepen had, viel hij - vluchtende voor Rechter Lynch - der politie in handen. Jaren lang moest hij zijn misdaden in de gevangenis boeten. Maar nauw had hij de straf "uitgezeten", of het lieve leven begon opnieuw! Wederom werd de politie op zijn spoor gezet. Doch ditmaal was hij haar te slim af. Zij raakte dat spoor bijster en Kaspar, die thans in het bezit van geld was - de vrucht van zijn misdaden! - vluchtte naar Europa. In Amerika had hij gedurende al die jaren onder vele namen geleefd, behalve onder zijn eigen naam! Dit zou het, naar hij meende, altijd gemakkelijk maken in Europa "incognito" te blijven. Hij ging terug naar zijn geboorte-land (Oostenrijk), doch niet naar de stad zijner geboorte: X. De hoofdstad, het vrolijke, wat lichtzinnig levende Weenen, trok hem aan. Daar wist deze gevaarlijke man enige broeders in de misdaad om zich heen te verzamelen. Hij werd het hoofd van een inbrekersbende, die met ongelooflijke stoutmoedigheid optrad. In de misdadigerswereld noemde men hem sarcastisch "den Heiligen Johannes", en onder dezen naam raakte hij ook daarbuiten bekend. Zijn waren naam kende niemand. "De Heilige Johannes" wist zijn stoutmoedige aanslagen herhaaldelijk te plegen met volkomen straffeloosheid. Voor de politie was hij onvindbaar; maar hij begreep, dat dit niet altijd zo blijven zou. Zijn ondervinding, in Amerika opgedaan, had hem geleerd het veld te ruimen in de dagen, waarin zijn haan nog koning kraaide, en daarmede niet te wachten, totdat het dreigende gevaar hem daartoe dwong. Zo verscheen er dan te X op zekeren dag een kleine, oude man met lange grijze haren en een gladgeschoren, intelligent gezicht. De oudere bewoners van het stadje herkenden zonder veel moeite de voor vele jaren naar Amerika vertrokken Johann Kaspar Häckner in hem! Op zijn oude dag was deze naar zijn geboorte-stad teruggekeerd! Niemand dàcht eraan dezen schijnbaar zo rustigen, verstandigen oude man met de beruchten "Heiligen Johannes" te vereenzelvigen (deze "Heilige" had een langen baard en snor gedragen!) laat staan met de beruchten Amerikaanse bandiet, van wie men hier, in Tirol, nauwelijks gehoord had. Slechts één persoon te X wist, wie hij was. Rooie Peter, die ongeveer tezelfder tijd met hèm aldaar was opgedoken, had te Weenen tot zijn bende behoord. Deze ruwe, onbeschaafde kerel had voor zijn "hoofdman" een genegenheid opgevat, die herinnerde aan de trouw van een hond. Trouwe, ja opofferende vriendschap komt onder misdadigers meer voor dan men denken zou; en deze omstandigheid bewijst eens te méér, dat ook de diep gevallen mens toegankelijk blijven kan voor zachtere gevoelens. Rooie Peter volgde Kaspar naar X en deze zag niet ongaarne, dat hij medeging. In zijn omstandigheden kon men nooit weten, hoe de hulp van een vastberaden en trouwen vriend te pas zou komen. Peter's rossige baard en verwarde bos haren stamden eerst uit de laatsten tijd: zij moesten dienen om ook van hèm elk gevaar om herkend te worden, af te wenden. Toen Kaspar te X kwam, was het zijn doel, zich enige tijd in dit provincie-stadje schuil te houden, totdat zijn vroegere "heldendaden" enigszins in het vergeetboek zouden zijn geraakt en hij, met groter kans op succes, nieuwe "heldendaden" bedrijven kon. Toen hij echter weldra ontdekte, hoe X het middelpunt geworden was van een groot toeristenverkeer en hoe, van daaruit, menig eenzaam wandelaar de bergen intoog, was de gedachte bij hem opgekomen, of ook hier niet een terrein voor zijn "werkzaamheid" te vinden zou zijn. Maar - àls hij in die richting wilde - moest alles met zorg voorbereid worden. En, in dat geval, was het beter, dat hij niet in de stad zelve, doch in de bergen woonde. Juist in die tijd vertrok de "Wirt" van de restauratie aan het Blauwe Meer naar elders. Kaspar en Rooie Peter, die hij - voorzoover hij dat nodig vond - in zijn vertrouwen nam, staken de hoofden bij elkaar en het resultaat daarvan was, dat Kaspar de restauratie huurde en met de schone naam van "See-Restauration" doopte. De eigenaardige verhouding, die er Tussen de beide mannen bestond, hadden zij voor de bewoners van X geheim gehouden. Dit was geschied op aandringen van Kaspar, die uit Peter's trouw voor zijn persoon munt wenste te slaan. Niemand te X vermoedde, dat er Tussen de oude "Wirt" en de ruwen kerel, wiens uiterlijk vrees en wantrouwen wekte, een bijzondere band bestond. Nu geschiedde er iets eigenaardigs: het bedrijf van herbergier, dat Kaspar met zulke boze bij-oogmerken begonnen was, verschafte hem een ruim bestaan! Het is in de annalen der criminaliteit geen ongewoon verschijnsel, dat misdadigers - en zelfs gevaarlijke misdadigers -, die door een toeval in de gelegenheid gesteld worden hun brood op eerlijke wijze te verdienen, hun verder leven als respectabele mensen slijten. Korten tijd scheen het, alsof het met Kaspar die weg zou opgaan. Hij kreeg pleizier in zijn nieuwe beroep en zijn van nature energieke geest bracht hem ertoe, vele verbeteringen in de restauratie aan te brengen en het badhuis te doen bouwen, waardoor zijn verdiensten aanzienlijk toenamen. Natuurlijk kon hij dat alles niet alleen af. Voor de bediening engageerde hij twee dienstmeisjes en aan het hoofd van het huishouden stelde hij de vrouw, die Geoffrey als "Fräulein Maria" had leeren kennen. Deze vrouw, die Kaspar voor zijn nicht liet doorgaan, was in werkelijkheid de vrouw van een zijner vroegere kornuiten, die te Weenen "ongelukkig" geweest was en thans voor vele jaren in de gevangenis zat. Zij had steeds in misdadigerskringen geleefd en was zelve - wegens heling van gestolen goederen - herhaaldelijk met de justitie in aanraking geweest. Om de politie, die haar opnieuw zocht, te ontgaan had zij Weenen verlaten. Voor de "Heiligen Johannes" had zij steeds een schier ziekelijke vrees gekoesterd en toen deze haar te verstaan gaf, dat hij haar hulp wenste, had zij niet de moed hem deze te weigeren. Het had trouwens allen schijn, alsof die hulp met de meest onschuldige bedoelingen werd ingeroepen. Kaspar wist, dat hij èn Rooien Peter èn zijn "nicht" geheel in zijn macht had. De bedreiging, dat hij - ook al zou 't hemzelven in moeilijkheid brengen — onthullen zou, wie zij eigenlijk waren, zou hen tot zijn gewillige werktuigen maken, daarvan hield hij zich overtuigd. Wel zouden zij hèm op dezelfde wijze kunnen bedreigen; maar hij gevoelde te zeer zijn persoonlijk overwicht over beiden om zich ernstig ongerust te maken over een dergelijk verraad van hun kant. Peter bleef - voor de wereld - een schooier, van wie Vader Kaspar niet meer scheen te weten dan ieder ander. Maria was, voor diezelfde wereld, Kaspar's rechterhand in de "Wirtschaft", maar binnenkamers behandelde hij haar, geheel in overeenstemming met zijn wreede natuur, met meedogenlooze ruwheid en hardvochtigheid. De arme vrouw vervloekte weldra het uur, waarop zij besloten had aan zijn roepstem gevolg te geven. Maar zij miste de zedelijke moed om zich vrij te maken en de woede van Kaspar te trotseeren. Het bewustzijn, dat deze haar maken en breken kon, verliet haar geen ogenblik. --- ## Hoofdstuk XVI - De Mensen-Val. , Zo stonden de zaken, toen een toeval de oude bandiet, die thans sinds enige tijd de rechten weg gevolgd had, in verleiding bracht. Op zekeren avond - het was stormweêr en reeds donker klopte een eenzaam toerist, die op de terugweg van de "Schnee-Köpfe" van het pad geraakt was, bij hem aan. De man was dood-vermoeid en dóórnat. Vader Kaspar en Fräulein Maria waren alleen thuis: de dienstboden waren - zoals steeds op Donderdagavond naar hunne familie te X. De vermoeide toerist was een Professor uit München. Kaspar kende hem, omdat hij hem reeds enige malen in het "Gastzimmer" van de "Sonne" ontmoet had. Bij die gelegenheden was het Kaspar opgevallen, dat de man veel groot-bankpapier in zijn portefeuille bij zich had, en ook dezen avond was hij onvoorzichtig genoeg daarvan geen geheim te maken. Plotseling ontwaakten in de schijnbaar zo onsadelijken "Wirt" alle boze hartstochten, die in de laatsten tijd gesluimerd hadden. Niemand wist - buiten Maria en Kaspar zelven - dat de Professor in de "See-Restauration" een toevlucht gezocht had. Kaspar's plan was in een ommezien ontworpen. Er waren — met het oog op de slapeloosheid, waaraan Fräulein Maria sinds lang leed - zeer sterke morfine-poeders in huis. Drie daarvan bijeengevoegd vormden ongeveer de hoeveelheid van één kinine-poeder. En de Professor, die een nat pak gehaald had, zou zeker wel ertoe over te halen zijn een kinine-poeder te nemen! De onverwachte gast werd ingekwartierd in het badhuis en, vóórdat hij slapen ging, kwam de goede Vader Kaspar hem kinine-poeders brengen, om aan de gevolgen van zijn nat pak te ontkomen! De ongelukkige Beierse Professor koesterde natuurlijk niet de minste achterdocht. Hij nàm een "kinine"-poeder: de bovensten uit het doosje. En Kaspar vond, toen hij des nachts in de badkamer sloop, zijn gast, zonder beweging en zonder bewustzijn, op de rustbank uitgestrekt. Was hij dood? Kaspar wist te weinig van de uitwerking van morfine om daarvan zeker te zijn. Hij vond het te gevaarlijk zich die zekerheid te verschaffen doormiddel van mes of revolver: het kwam erop aan het lichaam spoorloos te doen verdwijnen en hij vreesde voor bloedvlekken! Daarentegen herinnerde hij zich, dat iemand, die een sterke dosis morfine genomen en dientengevolge het bewustzijn verloren heeft, in het water geworpen, noodzakelijk verdrinken moet. Maar... het zou àl te gevaarlijk geweest zijn, het lichaam eenvoudig in het meer te werpen! Toen had hij een plotselingen inval. Het water stond op een halven meter afstand onder de vloer van het badhuis, ook onder die van de badkamer. Het geheel rustte op palen, die in het water stonden met zéér nauwe tussenruimten, die weinig meer dan spleten genoemd konden worden. Beneden het badhuis bevond zich dientengevolge een afgesloten ruimte, waarin het water ruim een meter hoog stond en steeds een schemer-duister heerste. Zelfs wanneer men het oog aan een der Tussen de palen blijvende spleten bracht, kon men daarbinnen slechts weinig onderscheiden. Bovendien... wie zou op de gedachte komen, dat te doen? Wanneer het lichaam dóór de vloer van de badkamer naar beneden in het water kon worden gelaten, zou het daar voorloopig veilig geborgen zijn. En... op die wijze kon Kaspar er zeker van zijn, dat de dood werkelijk zou zijn ingetreden. Met duivelse kalmte bracht de oude bandiet dit voornemen ten uitvoer. Het zwervende leven, dat hij zo lang geleid had, had hem van alle markten thuis gemaakt. Hij keerde naar de restauratie terug, waar hij in een der kasten een noodzakelijk bezit voor eenzaam levende mensen! enig timmergereedschap had staan. Hij nam dit mede naar de badkamer, schoof de rustbank, met het lichaam eròp, op zijde en zaagde - bij het onzekere licht van de lantaren een vierkante opening in de vloer. Hierdoor liet hij het lichaam naar beneden glijden en bevestigde het uitgezaagde deel, met behulp van enige draadnagels op zijn plaats. De volgenden nacht werd de hulp van Peter gerequireerd, zowel om het lichaam weer te voorschijn te brengen en op korten afstand van het badhuis te begraven, als om het uitgezaagde stuk van de vloer door een luik te vervangen. Al deze zaken waren voor Maria streng geheim gehouden. Eigenlijk zou Kaspar er ook Peter liever niet in gemengd hebben. Maar diens hulp had hij nodig! Hij bood hem een gedeelte - vermoedelijk een klein gedeelte! - van de buit, doch Peter weigerde! Deze zonderlinge man, die als dief en inbreker zeer verdienstelijk werk had geleverd, was niettemin niet zo verhard in de misdaad, dat hij in koelen bloede een moord kon zien begaan. De sluwe en wreede wijze, waarop Kaspar zijn slachtoffer om het leven had gebracht, vervulde diens helper met ontsteltenis en zelfs met verontwaardiging. Hoewel de trouw aan zijn "patroon" er hem toe bracht, dezen te helpen bij het uitwissen van de sporen van de misdaad, wilde hij daaraan geen geld verdienen! Opnieuw moet erop gewezen worden, hoe ook onder misdadigers dikwijls een zeker soort van "eer" bestaat. Peter,die met genoegen de Professor van zijn portefeuille ontlast zou hebben, had er een afschuw van iets van diens geld aan te nemen, nu dit verkregen was ten koste van een laffen moord! Hij nam tegenover zijn "patroon" geen blad voor de mond en weigerde zijn medewerking, wanneer in de toekomst zich dergelijke gevallen mochten voordoen. Kaspar nam die weigering niet àl te ernstig op. Toen, na twee maanden, opnieuw op Donderdag-avond, een dergelijk geval zich herhaalde, sloeg hij opnieuw zijn slag. Ditmaal gold het een jongen fabrikant uit Maagdenburg, die in de "Sonne" herhaaldelijk zijn wel-voorziene portefeuille getoond had. Kaspar zelf had hem de tocht naar de "Schnee-Köpfe" op de fatalen dag aangeraden. Voor alle andere tochten, die van het Blauwe Meer uit ondernomen konden worden, had men een gids nodig. Dit was de reden, waarom voor Kaspar's doel alleen de "Schnee-Köpfe" - en wel speciaal de hoogste der beide - meêtelden. En de voorteekens van zwaar weêr waren ook toen voor de oude man niet verborgen gebleven! De zaak gelukte opnieuw, volgens het vroegere programma! En Peter, hoewel vloekend en dreigend, hielp opnieuw, omdat hij de moreele kracht miste om Kaspar's dreigementen te tarten. Maar bij het derde geval - dat van Mr. Wimbleton -, hoewel overigens gelijk aan de beide andere, deden zich complicaties voor. Vader Kaspar trad, door zijn "succes" aangemoedigd, in zo verre steeds stoutmoediger op, dat hij de gemoederen niet de nodigen tijd liet om tot rust te komen, vóórdat hij een nieuwen aanslag beraamde. Dit bezorgde hem hevige verwijten van de ruwen, doch meer voorzichtigen Peter. Voornamelijk echter was deze ontstemd, doordat men hèm in X schuin begon aan te zien, in verband met het verdwijnen der toeristen. Het was een toeval geweest, dat men hem op de dag na het verdwijnen van de Beierse Professor op de weg naar de "Schnee-Köpfe" had aangetroffen: de man zwierf dikwijls alleen door de omliggende bergen. Maar het was geen toeval, dat hij op de dag, waarop Mr. Wimbleton de tocht ondernam, opnieuw op die weg was. Hij had namelijk, wetende dat de oude Kaspar zich dezen man als derde slachtoffer had uitgekozen, met het vage plan rondgelopen dezen te waarschuwen. Maar, toen het erop áánkwam, was de moed hem in de schoenen gezakt, omdat hij vreesde ook zichzelven te compromiteeren. Ook dezen derden moord had hij laten begaan, maar zijn afkeer van Kaspar's wandaden werd groter en groter. Toch dreigde van zijn kant de moordenaar nog geen bepaald gevaar. Van een andere zijde was dit wèl het geval. Fräulein Maria kon door Kaspar op de duur niet buiten het geheim gehouden worden. Zij had ogen en ooren! Zij was - buiten Kaspar en Peter — de enige, die wist, dat de toeristen in het badhuis onder dak gebracht en eerst daarna "verdwenen" waren. Hoe dat "verdwijnen" in zijn werk was gegaan, begreep zij nog niet. Maar aan Kaspar's schuld kon zij niet twijfelen, vooral toen deze haar onder de ruwste bedreigingen aan het verstand bracht, dat zij tegenover iedereen over hun komst in de restauratie te zwijgen had. Maria vreesde de oude bandiet: maar in de laatste maanden had zij hem bovendien leeren haten met een haat, die des te bitterder was, omdat zij elk symfoon daarvan uit puren angst onderdrukte. Zij had zich echter voorgenomen, hem in het verderf te storten, mits... dat geschieden kon, zonder zichzelve aan gevaar bloot te stellen. Men houde in het oog, dat deze misdadige en zwakke vrouw haar geestelijk evenwicht geheel verloren had en zich nauwelijks meer rekenschap gaf van de beteekenis harer daden. Toen Mr. Wimbleton "verdwenen" was, bood zich haar een goede kans. De afwezigheid van Kaspar gedurende enige uren van de nacht had zij opgemerkt. Zij had zelfs op de loer gelegen en hem náár en vàn het badhuis zien sluipen. Twee dagen later was de oude man naar X gegaan en van zijn afwezigheid profiteerde zij, door een kastje te "openen", waarin zij vermoedde, dat hij belangrijke papieren bewaarde. Op dit "openen" verstond zij zich: zij had dit als een gewoon handwerk leeren beschouwen. En het is een nieuw bewijs voor de oude stelling, dat grote misdadigers op sommige punten blind zijn, dat Kaspar geen ogenblik vermoedde, hoe deze vrouw, die hij mishandelde en tevens als onbetrouwbaar kende, zich - niettegenstaande de vrees, die bij haar inboezemde — tegen hem keeren zou. In het kastje vond zij enige brieven, die Mr. Wimbleton bij zich gedragen had, en daaronder één, die uit Engeland afkomstig was en waarop het adres van herkomst vermeld stond. Zij copieerde dit, om er later gebruik van te maken. Nog dienzelfden avond was zij er getuige van, dat Kaspar diezelfde brieven eerst zorgvuldig nalas en vervolgens verbrandde! Vermoedelijk had hij niet eerder tijd voor dat nalezen kunnen vinden! Het onderzoek van de Oostenrijkse politie was vruchteloos afgelopen. Niemand dàcht er ook maar in de verste verte aan, de kalmen, populairen "Wirt" van de "See-Restauration" te verdenken. Ook ditmaal wees de vox populi (als zo dikwijls, dwalende!) Rooien Peter als de schuldigen aan. En Kaspar wachtte zich wèl ervoor, dit gerucht definitief tegen te spreken, al nam hij nu en dan in zijn rol van welwillend, oud man - de schijn aan, alsof hij hem verdedigen wilde. Maria werd nu door twijfel gekweld, hoe zij het moest aanleggen, de aandacht op Kaspar te vestigen en daarbij zelve achter de schermen te blijven. Aanraking te zoeken met de Oostenrijkse politie scheen haar voor zichzelve te gevaarlijk. Zij maakte toen gebruik van het adres, dat zij gecopiëerd had en schreef het slordige briefje, met de vage aanduidingen, waaruit Geoffrey zijn eerste aanwijzingen geput had.
* * *

Het bovenstaande zal Geoffrey's eigen ondervindingen reeds grotendeels verklaard hebben. Aan Peter had hij, door zijn optreden, reeds op die eersten avond in de "Sonne" respect ingeboezemd en deze gevoelde, op zijn manier, sympathie voor hem. Toen deze ruwe kerel bemerkte, dat Kaspar, die steeds stoutmoediger en onvoorzichtiger werd, Geoffrey als vierde slachtoffer had uitgekozen, besloot hij dezen te waarschuwen tegen de tocht naar de "Schnee-Köpfe". Maar - om eigen gevaar te ontgaan - bleef hij in zijn waarschuwingen vaag en onduidelijk. En toen zij in de wind geslagen werden, trok hij zich baloorig terug. Op de weg naar en vàn de "Schnee-Köpfe" had hij zich in Geoffrey's nabijheid gehouden, evenals indertijd bij Mr. Wimbleton. Ook thàns had hij geweifell en niet geweten, hoe hij de zaak moest aanvangen. Wij weten, hoe hij Geoffrey ten slotte in de nabijheid van de "See-Restauration" had opgewacht, echter tevergeefs. Toen was hij snel naar de restauratie gelopen en had - eveneens tevergeefs - getracht, de oude booswicht - voor het geval de jonge man nog komen mocht - van zijn boze voornemens terug te brengen. Later had Geoffrey zijn waarschuwing opnieuw in de wind geslagen. En toen had hij het opgegeven en was naar X teruggegaan, om de volgenden ochtend vroeg de stad voor goed te verlaten: hij wilde Vader Kaspar niet meer helpen en vluchtte, om aan diens wraak en aan de politie te ontkomen. Maria daarentegen, de enige die begreep, dat Geoffrey gekomen was als wreker en niet als slachtoffer (zij had immers haar briefje in zijn handen gezien), lag die nacht opnieuw op de loer. Toen Kaspar naar het badhuis geslopen was, begreep zij, dat de crisis naderde. Haar instinct had haar gezegd, dat Geoffrey, die trouwens door haar gewaarschuwd was, het gevaar gezocht had, om het te overwinnen. Zij wachtte ademloos in de nabijheid van het huis. Om zich te verdedigen, als dat nodig mocht blijken, had zij een zwaar broodmes medegenomen. Er klonken revolverschoten en Kaspar vluchtte in de richting, waar zij zich bevond. Toen kwam er over deze anders vreesachtige vrouw een blinde woede. Deze man, die haar gekweld en gemarteld had, mòcht niet ontkomen. Zij plaatste zich op zijn weg en, toen hij - haar herkennende - haar met de vuist in het gezicht sloeg, stak zij met het broodmes in de wilde naar hem. Zij zag hem wankelen en begreep, dat de steek noodlottig geweest was. Daarop vluchtte zij naar de kant van het meer. Of zij, in haar verbijstering, bij ongeluk te water raakte dan wel de dood vrijwillig zocht, zal steeds een onopgeloste vraag blijven. Maar de omstandigheid, dat zij niet om hulp riep, wijst op het laatste. --- ## Naschrift Van Mr. Willem Hendriks. Op de avond, volgende op die, waarop G.G. zijn verhaal van "het Blauwe Meer" ten einde had gebracht, verscheen hij opnieuw in mijne woning. "Willy!" zei hij. "Ik heb iets op het hart." "Stort dat ,iets' dan uit in de boezem van je schoonvader", zei ik. "Een beteren vriend hèb je niet!" "Ik twijfel eraan, Willy, of je er wel goed aan zult doen, dat avontuur met Vader Kaspar en Rooien Peter te publiceeren", zei hij. "Waaròm?" vroeg ik verbaasd. "Het schijnt mij enig in zijn soort!" "Tot op zekere hoogte heb je gelijk", zei hij met een glimlach: "enig was het, wat de geldelijke belooning betreft! Mrs. Wimbleton maakte een Croesus van mij. Ik weet eigenlijk niet, of dat voor een zo jongen man wel goed was." "Ik dacht niet aan de belooning", zei ik, enigszins verontwaardigd. "Maar ik wèl, Willy!" lachte hij. "Want die belooning was eigenlijk het enige goede aan de hele zaak." "Ik begrijp niet..." begon ik heftig. Maar mijn vriend viel mij in de rede. "Nu ik het hele geval in kleuren en geuren verteld heb", zei hij, "ben ik tot de slotsom gekomen, dat ik in die zaak toch eigenlijk een vrij treurig figuur heb gemaakt." "Hoe zo?" "Als detective, heb ik niet weten te verhinderen, dat de schuldige om zo te zeggen voor mijn ogen vermoord werd en zo aan de hand der gerechtigheid werd onttrokken." "Aan de hand der aardse gerechtigheid, Geoffrey! Het was de straf des hemels, die hem achterhaalde." "En dat ten koste van het leven eener ongelukkige vrouw! Juist, Willy!" zei hij droog. "Maar al gàf ik je dat toe, dan nòg heb ik, ook als mens, in deze zaak niet uitgeblonken." "Waaròm niet?" "Omdat ik Rooien Peter, de man, die getracht had mij te redden, aan het Gerecht overleverde." "Je bent wel wat àl te teêrgevoelig, Geoffrey!" zei ik ongeduldig. "Je hadt niet anders mogen handelen! En heb je niet alles gedaan, om de Rechters gunstig voor hem te stemmen?" "Niettemin kreeg hij vijf jaar!" "En na die tijd heb je hem voortgeholpen op een manier, die..." "Zwijg maar, Willy! Je behoeft niet uit de school te klappen. Voor mijzelf heb ik altijd het gevoel gehad, dat ik - moreel gesproken - er niet heelhuids ben afgekomen!" "Wat je zegt is pure nonsens!" ijverde ik. "Laat mij je nu eens duidelijk maken, waarom ik juist dit avontuur wèl publiceeren moet." Hij schudde het hoofd, maar keek mij niettemin aan met een gezicht, waarop gespannen verwachting te lezen stond. "Heb je ,De Maansteen' van Wilkie Collins gelezen?" vroeg ik. "Natuurlijk, Willy! Een ouderwets boek met avonturen: dat måg tegenwoordig niet meer." "'t Kan mij niet schelen of dat màg of niet!" zei ik, mijn eerbied voor "litteratuur" aan de kapstok hangende. "Ik heb het vele malen verslonden!" "Een eigenaardig proces voor slokdarm en maag, als 't zo dikwijls herhaald wordt!" lachte mijn vriend. Ik verwaardigde mij niet, op die opmerking in te gaan. "Hoewel in dat boek de schuldige jouw naam draagt, Geoffrey..." ging ik voort; maar G.G. viel mij wederom in de rede! "Je vergist je, Willy!" zei hij kalm. "De man heette Godfrey." "'t Doet er niet toe!" hernam ik ongeduldig. "Ik wilde alleen maar zeggen, dat op een ander punt het boek enige gelijkenis vertoont met jouw avontuur van het Blauwe Meer. Ik bedoel ten opzichte van de opzettelijke reconstructie van het verleden!" "Er is toch één groot punt van onderscheid", zei G.G. ",De Maansteen' is fantasie en mijn avontuur was werkelijkheid." "Zelfs in dat onderscheid ligt een overeenkomst", zei ik, mij erin verheugende, zo'n mooie paradox voor de dag te brengen. "Die reconstructie maakt jouw werkwijze even geniaal als Wilkie Collin's fantasie!" "Je gebruikt grote woorden, Willy!" zei G.G. Maar nu maakte ik mij eerst recht warm. "Vergun mij je mede te delen", zei ik, "dat ik je gedachte om, in en òm je eigen persoon, de omstandigheden kunstmatig in het leven te roepen, die je van vroegere gevallen bekend waren, , misschien geniaal' heb genoemd. Ik verbeter die woorden bij deze: je gedachte was zeker geniaal! Zij verdient in soortgelijke omstandigheden aanbeveling voor elken detective, die meester in zijn beroep wil worden. Maar... niet elke detective zal daartoe de moed hebben, Geoffrey!" "Vind je die gedachte werkelijk zo bijzonder?" vroeg G.G. Zijn stem klonk weifelend, maar ik kon zien, dat mijn woorden hem niet weinig verheugd hadden. "zo bijzonder, Geoffrey", antwoordde ik met nadruk, "dat geen macht op de wereld mij ervan zal terughouden het verhaal van je avontuur aan het Blauwe Meer aan de wereld te onthouden." "Maar dat andere...? Mijn ondankbaarheid jegens Peter...?" "Lieve vriend!" zei ik. "Zou je heus denken, dat mijn lezers, die nu langzamerhand wel zo ver gekomen zullen zijn, dat ze je kennen, ondankbaarheid of andere lelijke eigenschappen bij je zoeken zouden? Als ze dàt uit mijn verhaal lazen, zou niet jij, maar ik gevaar lopen! Want ik verzeker het je: ze krabden mij de ogen uitll" En ik stak mijn vriend de hand toe en drukte de zijne hartelijk. "Doe dan, wat je niet laten kunt!" zei G.G. En ik hèb dat gedaan! --- ----