# Aan den Rand van het Bosch
No. 6 der "G. G."-Serie
Een Avontuur van Geoffrey Gill
DOOR **IVANS**
Bewerkt van een scan van de 2e DRUK
# INHOUD:
- [Aan den Rand van het Bosch](#aan-den-rand-van-het-bosch)
- [INHOUD:](#inhoud)
- [VOORWOORD VAN MR. WILLEM HENDRIKS.](#voorwoord-van-mr-willem-hendriks)
- [HOOFDSTUK 1. OP DE HEIDE.](#hoofdstuk-1-op-de-heide)
- [HOOFDSTUK II. EEN VERSTUIKTE VOET.](#hoofdstuk-ij-een-verstuikte-voet)
- [HOOFDSTUK III. BROEDER EN ZUSTER.](#hoofdstuk-iii-broeder-en-zuster)
- [HOOFDSTUK IV. MIJN "SCHOONZOON".](#hoofdstuk-iv-mijn-schoonzoon)
- [HOOFDSTUK V. KRIJGSRAAD.](#hoofdstuk-v-krijgsraad)
- [HOOFDSTUK VI. NOG MEER RAADSELEN.](#hoofdstuk-vi-nog-meer-raadselen)
- [HOOFDSTUK VII VERDWENEN!](#hoofdstuk-vij-verdwenen)
- [HOOFDSTUK VIII HUISZOEKING.](#hoofdstuk-viii-huiszoeking)
- [HOOFDSTUK IX DE SCHUILPLAATS VAN MEVROUW X.](#hoofdstuk-ix-de-schuilplaats-van-mevrouw-x)
- [HOOFDSTUK X DE JUSTITIE EN DE DETECTIVE.](#hoofdstuk-x-de-justitie-en-de-detective)
- [HOOFDSTUK XI WIE VAN BEIDEN?](#hoofdstuk-xi-wie-van-beiden)
- [HOOFDSTUK XII DE KANSELIER VAN HET GEZANTSCHAP.](#hoofdstuk-xij-de-kanselier-van-het-gezantschap)
- [HOOFDSTUK XIII DE DERDE VERDACHTE.](#hoofdstuk-xiii-de-derde-verdachte)
- [HOOFDSTUK XIV KLUIZENAARS.](#hoofdstuk-xiv-kluizenaars)
- [HOOFDSTUK XV VRIJ VAN ALLE SCHULD!](#hoofdstuk-xv-vrij-van-alle-schuld)
- [HOOFDSTUK XVI EEN ALIBI.](#hoofdstuk-xvi-een-alibi)
- [HOOFDSTUK XVII UIT LOGEEREN.](#hoofdstuk-xvij-uit-logeeren)
- [HOOFDSTUK XVIII EEN VORSTELIJK VERBLIJF.](#hoofdstuk-xviii-een-vorstelijk-verblijf)
- [HOOFDSTUK XIX EEN AVONDZITTING.](#hoofdstuk-xix-een-avondzitting)
- [HOOFDSTUK XX BIJ DE TUINMANSWONING.](#hoofdstuk-xx-bij-de-tuinmanswoning)
- [HOOFDSTUK XXI GEHEIMZINNIGE VOORBEREIDINGEN.](#hoofdstuk-xxi-geheimzinnige-voorbereidingen)
- [HOOFDSTUK XXII HET BOOZE GEWETEN.](#hoofdstuk-xxij-het-booze-geweten)
- [HOOFDSTUK XXIII OP HET GOEDE SPOOR.](#hoofdstuk-xxiii-op-het-goede-spoor)
- [HOOFDSTUK XXIV HET SPOOR WORDT DOORKRUIST.](#hoofdstuk-xxiv-het-spoor-wordt-doorkruist)
- [HOOFDSTUK XXV DE WAARHEID.](#hoofdstuk-xxv-de-waarheid)
- [BESLUIT.](#besluit)
- [EINDE.](#einde)
## VOORWOORD VAN MR. WILLEM HENDRIKS.
Onlangs sprak ik mijn vriend Janus van Dorp, Janus is Groot-Nederlander, purist en dichter, In die laatste kwaliteit houdt hij veel van vogels:
„fluitend,
„fluitend,
„flad'rend fluitend
„minne-tonen...“
En zijn korte verzen worden gedrukt rechts in den bovenhoek van de bladzijden: de rest blijft blanco.
Met mijn constitutioneele nuchterheid verwonder ik er mij telkens over, dat iemand, in dezen tijd van dure papierprijzen, zijn regels zoo kort maken en zooveel papier ongebruikt laten kan. Eéns heb ik het gewaagd. hem daarover iets te zeggen. Het antwoord was, dat het voor mijzelven beter zou zijn, wanneer ik het papier, dat voor mijn geesteskinderen noodig is, heelemaal ongebruikt liet!... Dat was fnuikend!
Sinds ik getrouwd ben met eene Engelsche vrouw —Lady Maud, tweede dochter van den overleden Lord Stockton —, ben ik gewoon geraakt aan den wat geprikkelden toon, dien Janus van Dorp tegen mij pleegt aan te nemen. Ook thans — na zoovele jaren — heeft hij mij nog niet kunnen vergeven, dat ik geen Hollandsche tot mijn levensgezellin gekozen heb.
Maar Janus meent het niet slecht. En ook bij de gelegenheid, die ik thans op het oog heb, bedoelde hij niets kwaads, want later vertelde hij mij, dat hij de deeltjes van de G.G.-serie gelezen had en er niet bij in slaap was gevallen. Zijn twee hoofdaanmerkingen waren: te veel vreemde woorden èn — dit vooral! — dat er een Engelsche detective in voorkomt en de verhalen niet in Holland spelen.
Over die kwestie omtrent vreemde woorden heb ik maar niet met hem gevochten! Maar, wat de andere zaak betreft, heb ik hem gezegd:
"Janus, je vergeet, dat ik geen "verhaaltjes' schrijf, maar geschiedenis: mijn stof wordt mij geleverd door de werkelijkheid. En wanneer, in werkelijkheid, mijn vriend G.G., de beroemde Engelsche detective, zelden beroepsplichten in Nederland te vervullen heeft, dan kan ik zijn avonturen in ons vaderland toch niet... fantaseeren en hem evenmin de Hollandsche nationaliteit in de schoenen schuiven!"
De opmerking van Janus van Dorp gaf mij echter aanleiding aan G.G. eens de vraag te stellen, waaraan het eigenlijk is toe te schrijven dat, terwijl hij toch dikwijls internationale zaken behandelt, zijn beroepsplicht hem zoo zelden hierheen voert.
"Willy" — antwoordde hij (en ik moet hier de opmerking maken, dat hij, hoewel met mijn pleegdochter Mariska gehuwd, zijn gewone gemeenzaamheid tegenover mij niet heeft laten varen), "ik versta te weinig Hollandsch."
"Je hebt wel met succes in Hongarije gewerkt" 1) zeide ik, "en Hongaarsch versta je heelemaal niet."
1) Zie No. 2 der G.G.-serie: "Het spook van Vöröshegy"._
G.G. knikte mij bemoedigend toe.
"In den grond heb je gelijk, Willy!" — zeide hij. "Ikzelf heb je wel eens gezegd, dat de logica der feiten geen bepaalde taal spreekt. Dat ik mijn professioneele kwaliteit zoo zelden in Holland ben, zal wel dááraan liggen, dat men zich daar best alleen redden kan. Weet je wel, dat jelui recherche-dienst opperbest in orde is?" Ik merkte op, dat men in de couranten wel eens het omgekeerde leest.
"Jij, als advocaat, moest niet aan couranten-gemopper gelooven, ook al blijft er wel eens 'n misdaad ongestraft" — antwoordde hij. "De Hollanders zijn merkwaardige menschen: zij steenigen hijn eigen profeten." Hoe zoo?'' — vroeg ik.
G.G. kwam nu op zijn praatstoel.
"Het is wonderlijk, dat er menschen zijn, die in hun eigen omgeving zoo slecht rondkijken" — zeide hij (en de woorden waren blijkbaar niet als een compliment te mijwaart bedoeld!). "Heb je nooit opgemerkt, hoe veeleischend en ondankbaar men in Holland is? Om nu maar te blijven waar we eenmaal meê begonnen zijn: bij de politie! Wat eischt men in Holland niet al van 'n gewoon politie-agent! Dapper moet hij zijn, maar vooral niet ruw: geduldig. voorkomend, doortastend, bescheiden, hulpvaardig, niet praatziek, niet stug en, bovenal, tevreden met 'n heel karig loon. En wanneer zoo'n ongeluksvogel in een van die vele eigenschappen eens te kort schiet, dan komen er verontwaardigde protesten, ingezonden stukken en jammerklachten over het gehalte van het politie-corps. Gelukkig weten de chefs wel beter, maar die moeten het dan óók ontgelden. En 't mooiste is, dat de hardste schreeuwers de eersten zijn om zich onder de hoede der gesmade politie te stellen, als 'n straatjongen met 'n grauwe erwt naar hen gooit."
Ik ben — n'en déplaise Janus van Dorp — altijd 'n goed vaderlander geweest en het sarcasme van mijn vriend ergerde mij.
„Je bent niet vriendelijk in je oordeel over ons publiek" — zei ik, 'n beetje vinnig.
"Maar des te vriendelijker in dat over jelui politie" — antwoordde hij. "Misschien zal dat een pleister leggen op de wonde, die ik geslagen heb in je patriottisch gemoed."
Ik vond, dat het tijd werd een andere wending aan het gesprek te geven, en kwam dus op ons punt van uitgang terug.
"Het is en blijft jammer" — zeide ik, "dat ik, die zoovele van je , experimenten' beschreven heb, nooit eens iets van je ondervindingen in mijn eigen land kan mededeelen."
Hij keek mij een oogenblik zwijgend aan.
"Ben je dan die historie vergeten, die zich aan den rand van het bosch heeft afgespeeld? Die twee geheimzinnige menschen...? .Dien nachtelijken gast...?. En wat volgde...?"
"Maar je hebt me altijd gezegd, dat ik daarover niet schrijven mocht, omdat er familie-belangen bij in het spel waren..."
"De persoon, wien het schaden kon, is voor korten tijd gestorven. Als je er zin in hebt, kun je die geschiedenis nu wel vertellen, mits je maar gefingeerde namen gebruikt."
* * *
_Janus van Dorp zal thans, naar ik hoop, tevreden over mij zijn: de gebeurtenissen, die ik ditmaal verhalen zal, vonden plaats in ons eigen land. Dat G.G. er een rol in speelde, was het gevolg van een toeval; maar dit maakt die rol niet minder belangrijk en het gebeurde, op zichzelf, niet minder interessant._
## HOOFDSTUK 1. OP DE HEIDE.
Het was in het voorjaar, volgende op die veelbewogen September-maand, waarin ons op een reis naar Weenen en Tirol zulk een ernstig gevaar gedreigd had.*) Mijne vrouw had in den afgeloopen winter — voor het eerst, zoolang zij zich herinneren kon — wat gesukkeld, hoofdzakelijk aan slapeloosheid. Vermoedelijk was dit een gevolg geweest van de gemoedsbewegingen, waaraan zij op onze reis in het najaar had bloot gestaan. Zij is steeds een kordate vrouw geweest, die op critieke oogenblikken een koel hoofd weet te bewaren, maar de doorgestane angsten wreekten zich thans, nu het geloopen gevaar niet meer dan een benauwde herinnering was.
*) Zie No. 5 der G.G. Serie: "Het verloren Spoor"._
Toen de lente in het land kwam (en het was een vroege lente: reeds in Maart hadden wij mooie, warme dagen), begon de dokter te spreken over de wenschelijkheid, dat Maud eenigen tijd ergens buiten rust zou nemen. "Rust" moest dan verstaan worden in dien zin, dat zij zoo min mogelijk geestelijken arbeid behoorde te verrichten. Lichamelijke vermoeienissen daarentegen vormden in haar toestand het beste geneesmiddel: veel wandelen, veel wielrijden!
Wij brachten den Engelschen "season" nog al eens bij onze familie-leden en kennissen te Londen door. Ditmaal zagen wij daarvan af, hetgeen — afgescheiden van Maud's toestand — tòch noodig zou zijn geweest, omdat ik in mijn praktijk midden in een paar zeer ingewikkelde processen zat, die mijn aanwezigheid in Den Haag gebiedend eischten.
De oplossing was spoedig gevonden: Maud nam haar intrek in het bekende familie-hotel Timan te Nunspeet en ik hield haar elken Woensdag en van Vrijdag tot Zondag gezelschap.
Het viel ons vreemd, dat onze pleegdochter Mariska er niet meer was, om haar moeder naar buiten te vergezellen. De lezers mijner vorige G.G.——boeken weten, dat wij Mariska als kind in Hongarije aangetroffen en tot ons genomen hadden. Zij was een Zigeunerkind en groeide op tot een buitengewoon mooi meisje, zwart van haar en blauw van oogen, dat met heel haar hart aan òns hing, totdat zij dat hart aan ander schonk: aan mijn besten vriend, den een beroemden detective Geoffrey Gill — of ",G.G.", zooals zijn goede bekenden hem sinds jaren noemen. Zij waren getrouwd in Januari van dat jaar en Mariska was haar man naar Engeland gevolgd.
Maud was een maand te Nunspeet en gevoelde zich reeds heel wat beter dan toen zij daar gekomen was, toen Mariska ons schreef, dat zij, met haar man, een paar weken zou óverkomen om haar moeder bij Timan gezelschap te houden en mèt haar te wandelen en te fietsen. G.G. had juist een belangrijke zaak tot een goed einde gebracht en erin toegestemd, de "arme zieke" (zooals hij Maud met sarcastisch medelijden betitelde) het gezelschap van haar dochter te schenken.
Daar hijzelf dat gezelschap echter niet missen wilde, schoot er niets anders over dan dat hij medekwam, iets waarover wij ons misschien méér verheugden dan onze "schoonzoon" verdiende.
Ik had het reeds lang opgegeven mij tegenover G.G., die even oud is als ik, de allures van 'n schoonpapa te geven. Om de waarheid te zeggen had ik dat zelfs nooit trachten te doen en met wederzijdsch goedvinden was de verhouding tusschen ons precies zoo gebleven als vóór zijn huwelijk.
Wij verwachtten G.G. en Mariska op den tweeden Zaterdag van Mei, in de late avonduren. Den daaraan voorafgaanden Vrijdag kwam ik vóór het etensuur te Nunspeet aan en dineerde met Maud in de keurige eetzaal van het hotel.
Er logeerden reeds vijf of zes families en 's avonds werd — daar het regenachtig weêr was — de thee gebruikt in de ruime vóórhal, waar gemakkelijke rieten fauteuils lokkende armen uitstrekten naar moegewandelde of alleen moe-gegeten gasten.
* * *
Dien avond hadden mijne vrouw en ik — zooals reeds meer gebeurd was — moeite den gepasten ernst te bewaren. Om ons heen heerschte anders ernst genoeg; maar juist dàt werkte op onze lachspieren. Er scheen in de vóórhal van Hotel Timan iets plechtigs in de lucht te zitten. De aanwezigen zaten stil bijeen, iedere familie aan haar eigen tafeltje. Men sprak half-fluisterend en men keek gewichtig. Het rinkelen van een theelepeltje tegen een schoteltje riep den schaamte-blos te voorschijn op het gezicht van hem of haar, die zulk een onbehoorlijk leven maakte; en wanneer een enkele maal iemand op z'n teenen van één tafeltje naar een ander óverstak om eenige oogenblikken met anderen meê te fluisteren, werden er op zoo'n stoutmoedige verbaasde of bewonderende blikken geworpen.
Dat alles was echt solide, echt Hollandsch-deftig. En het zal wel aan het cosmopolitische tintje, dat, door ons vele reizen, ons karakter ontsiert, te wijten zijn geweest, dat Maud en ik de verkwikkende stilte niet op den waren prijs stelden. En toch... ook onze stemmen rezen niet tot haar normalen omvang, ook wij kwamen onder den indruk en voelden rug en hals in deftigheid verstijven. Hetgeen niet belette, dat wij in ons hart uitbundig veel plezier hadden over het plechtige in onze omgeving!
Ditmaal nu kwam er een afwisseling. Er was een jong echtpaar aangekomen, dat voor 't eerst aan z'n tafeltje zat, als juist gestrande schipbreukelingen op 'n onbewoond eiland. Met groote oogen keken zij rond en toen die oogen de onze ontmoetten, zagen wij, dat daarin 'n heele schat van onderdrukt lachen gelegen was. Later bleek ons, dat de ontdekking wederkeerig was geweest.
Er hing in de vóórhal 'n groote Westminster-klok, die om het kwartier haar steeds-aangroeiend wijsje åftingelde, totdat zij het uur verkondigde in heldere, sonore slagen. Wij ontdekten spoedig, dat het wijsje telkens meêgebromd werd. Het geluid kwam van het tafeltje naast ons maar op het onverstoorbare gezicht van den jeugdigen echtgenoot vertrok geen spier. Alleen de oogen lachten en het jonge vrouwtje beet zich op de lippen en werd rooder en rooder. Eindelijk, toen de klok het geheele wijsje en daarop negen slagen ten beste had gegeven — steeds begeleid door het geheimzinnige gebrom —, keerde de jonge man zich naar het muzikale uurwerk en zeide met een gezicht, waarop de grootste verbazing te lezen stond, en op luiden, zeldzaam luguberen toon deze drie onvergetelijke woorden: "Die klok zingt!"
Het volgende oogenblik lachten Maud en ik tranen! Onze twee buurlieden hielden het óók niet langer uit en lachten meê. Tot verstomming der aanwezigen zaten we toen weldra met ons vieren aan één tafeltje en... lachten met ons vieren! En in ònzen hoek was het *uit* met de plechtigheid!
Het bleek, dat onze nieuwe vrienden uit Rotterdam kwamen. De man was scheepsbouwkundig ingenieur en zij waren eerst twee jaar gehuwd. Zooals meer gbeurt, wanneer in een óver-deftige omgeving minder plechtig gestemden samenkomen, schoten wij bizonder goed met elkander op en amuseerden ons dien avond kostelijk. Bepaald komisch was het. de verwondering van het echtpaar te zien, toen zij ontdekten, dat ik Mr. Hendriks was, de biograaf (om dit wijdsche woord eens te gebruiken) van den beroemden Geoffrey Gill. Zij hadden mijne boeken over dien merkwaardigen man gelezen en Maud. Mariska en ikzelf waren voor hen dus geen volslagen onbekenden.
Toen wij hun in vertrouwen (want vermoedelijk zou G.G. — zijn gewoonte getrouw — wel incognito reizen) mededeelden, dat de detective en zijn vrouw den volgenden avond ook te Nunspeet komen zouden, sloeg hun belangstelling tot enthousiasme over; en van dat oogenblik af draaiden al onze gesprekken om de persoon van mijn vriend, over wien zij maar niet genoeg bizonderheden vernemen konden. Dat Mariska (onze muzikale pleegdochter met de blauwe oogen, zooals zij haar noemden) daarbij niet vergeten werd, behoeft zeker niet vermeld te worden.
Dien avond scheidden wij niet, voordat wij het plan voor een grooten gemeenschappelijken fietstocht op den volgenden dag gemaakt hadden. Wij zouden dadelijk na het koffiedrinken vertrekken, om over Elspeet naar Vierhouten te rijden en vervolgens over Epe weder naar Nunspeet. Wij rekenden er dan op, tijdig terug te zijn om Mariska en G.G., die wij niet voor acht uur verwachtten, bij Timan te ontvangen; en wij spraken daarom met de altijd vriendelijke vrouw van onzen hotelhouder af, dat wij laat eten zouden. Daarop gingen wij naar bed, wêl voldaan over onzen avond en vroolijk gestemd in het vooruitzicht van een genotvollen tocht door een van de mooiste streken van ons land. Dat het goed weêr zou zijn, namen wij als vanzelf sprekend aan.
* * *
Het was goed weer: heldere zonneschijn, een van die windstille dagen, niet te warm en niet te koud. zooals wij er in Holland eigenlijk maar zoo weinige hebben en waarop er geen zweem van guurheid in de lucht is, zonder dat men daarom aan overmatige hitte is blootgesteld.
Tegen twee uur in den namiddag bestegen wij het stalen ros. Aan de overzijde van de spoorbaan loopt de groote weg naar Elspeet, eerst door hoog dennenhout, later recht en stoffig, met aan beide zijden een rand van struikgewas, te laag om de illusie van een bosch te geven, maar hoog genoeg om elk uitzicht op de daarachter liggende open heide af te sluiten. Daarom sloegen wij spoedig linksom en trapten dapper voort langs allerlei smalle, maar goed onderhouden paadjes, door lage dennen-bosschen of door jong essenen beukenhout, waaraan het voorjaar het eerste, malsche loof getooverd had. Nu en dan hadden wij een dóórblik op het groen van weilanden, met bosch omzoomd, of op het bruin van de heide, zich vèr uitstrekkend tot in het wazige verschiet. Vogels tjilpten in het loover; nu en dan vluchtte een haasje met rappe sprongen in het struikgewas en ééns zagen we een ree, die ons, op korten afstand, onbeweeglijk aanstaarde, maar plotseling opschrikte en met groote snelheid tusschen de stammen wègijlde en verdween.
Het was Lente, overal: in de tinten van bosch en veld, in de geuren, die ons op den wind tegenzweefden, in het stille, jonge leven der natuur rondom ons, overal lente-vreugde, lente-weelde!
Kort vóór Elspeet kwamen wij op de open heide. Zij lag in den warmen zonneschijn, roodbruin, op sommige plaatsen spelend in het geel en zwart; dor, maar tintelend in den middaggloed, dien zij gretig had opgezogen. Eerst later in het seizoen zou de erica haar dekken met een teêr-paarsch kleed; nu lag zij daar, stovend in haar ruwe bruinheid, in nauw-merkbare golving zich uitstrekkend tot waar zij, héél in de verte, den zoom der bosschen raakte.
"Wat is ons land toch mooi" — kon ik niet nalaten te zeggen.
"U schijnt het anders nog al eens buiten-àf gezocht te hebben" — merkte Verstraten (zoo heette onze Rotterdamsche vriend) droogjes op. Hij reed naast mij en ik had reeds ontdekt, dat hij meer sportsman dan natuurliefhebber was. Bij mij is het juist omgekeerd.
"Afwisseling doet leven" — antwoordde ik. "Ons Hollandsche landschap schijnt mij nooit mooier dan wanneer ik uit de bergen kom.
„*Ik* houd het met de vlakte" — zeide Verstraten. "tenminste als er behoorlijke fietswegen zijn. Het is mij altijd 'n raadsel geweest, hoe 'n mensch zich in zijn rusttijd in de bergen dóód loopen kan!"
"Dan mist U veel!" — zeide ik op zóó drogen toon, dat mijn buurman mij eenigszins verbaasd aankeek. "U hebt daar aan m'n zwakke punt geraakt" —vervolgde ik lachend. "'n Voettoer in de Alpen is voor mij 'n niet te overtreffen genot. Maar, Goddank, ik heb daarom het gevoel voor ons eigen Hollandsch natuurschoon nog niet verloren!"
Reeds lang hadden we het spitse kerk-torentje van Elspeet in het gezicht gehad. Nu naderden wij het kleine dorp, dat midden in de wijde heidevlakte ligt, een oase van groen en bloemen.
Ik durfde nog niet te veel van Maud's krachten vergen en daarom besloten wij hier even uit te rusten. Voor een klein dorpslogement stapten wij af en namen plaats onder de primitieve veranda om een kop thee te gebruiken.
Behalve ons was er slechts één gast, die dadelijk mijn aandacht trok, doordat zijn uiterlijk niet in deze omgeving paste. Hij was een lange, magere man met 'n gezicht, dat smal geweest zou zijn, wanneer de sterk ontwikkelde jukbeenderen daaraan niet iets massiefs gegeven hadden. Zijn gelaatskleur was zeer bleek, hetgeen nog meer uitkwam door zijn donkeren baard en haren. Het was vooral zijn kleeding, die op een zonnigen namiddag op de heide geheel uit den toon viel. Hij was namelijk de type van een "dandy": zwart jacquet met lange panden, een gestreepte pantalon, verlakte schoenen, 'n gekleurde das met 'n diamanten speld erin en de punt van een gekleurden zakdoek uit het zijzakje van zijn jas. Toch had de man niets parvenu-achtigs. Integendeel, hij had in zijn voorkomen jets aristocratisch, dat elke gedachte aan vulgariteit uitsloot. Wat echter nog het meest opviel was, dat hij op dit uur en in dit eenvoudige Hollandsche dorp op de heide... champagne dronk! Er stond een halve flesch op het wrakke tafeltje vóór hem; de wijnkelder van het logement scheen beter voorzien dan men, oppervlakkig gezien, zeggen zou.
Het spreekt van zelf, dat wij, daarin een loffelijke Hollandsche gewoonte volgende, weldra bezig waren onzen eenzamen medegast te critiseeren. Waren wij eenige jaren verder geweest, misschien waren de letters "O.W." ons op de lippen gekomen, al herinnerde het uiterlijk van den man — ik herhaal het allerminst aan wat men in de oorlogsjaren een "O.W.-ër" is gaan noemen. Maar niemand onzer dàcht toen nog aan den oorlog, die toch al zoo dicht voor de deur stond, en dientengevolge was het geslacht der "O.W.-ërs" ons toen nog onbekend.
Toen vriend Verstraten in zijn spot nog al luidruchtig werd, scheen het mij voorzichtig toe, een lichten domper op zijn uitgelaten stemming te zetten.
"De man is stellig geen Hollander" — zeide ik. "en ik heb er altijd het land aan, buitenlanders uit te lachen, omdat ze andere gewoonten hebben dan wij, in ons eigen landje. Als men ons buiten onze grenzen met gelijke munt betaalde, zouden wij daar dikwijls het middelpunt worden van lachende en meesmuilende menschen. Wat gij niet wilt, dat U geschiedt..."
"Ik houd hem voor 'n Italiaan" — zeide Verstraten. "En ik voor 'n Rus" — antwoordde ik.
"'n Bleek gezicht, donkere haren, 'n slanke gestalte..."
"...komen overal voor, m'n waarde heer! Maar iemand met vooruitspringende jukbeenderen, die op z'n ééntje champagne drinkt, moet noodzakelijk een Rus zijn. Buiten Rusland is champagne de natuurlijke drank voor wie zich in gezelschap amuseert, in Rusland laaft zich daaraan ook de ongezellige éénling."
"Ik drink 'm liefst met z'n tweeën, als ten minste die andere..." — begon Verstraten, maar hield plotseling op en wierp 'n quasi-ontstelden blik op z'n vrouw.
Wij lachten en de beleedigde echtgenoote gaf hem met haar hand, die tot de kleine in haar soort behoorde. een tikje om de ooren.
Toen wij betaalden, vroegen wij aan de dikke boerin, die ons bediend had, of zij wist, wie de champagne drinkende vreemdeling was.
Aanstonds liet zij haar stem tot een geheimzinnigen fluistertoon dalen. Zij sprak in onvervalscht Geldersch dialect en was daarom, wanneer zij fluisterde, moeielijk te verstaan. Maar toch begrepen wij haar voldoende om uit haar woorden op te maken, dat de man van héél ver weg kwam; maar ze was vergeten wáár vandaan. Of het soms uit Rusland zijn kon? —"Jaô, juustement! Uut Rusland!" — Hij kwam dikwijls in Elspeet en bleef dan wel eens 'n paar nachten óver. Speciaal voor hèm had men 'n paar halve fleschies champagne moeten inslaan. Als het goed weêr was, zat hij meestal in de veranda te lezen of te dommelen. Alleen tegen den avond ging hij wandelen en bleef dan dikwijls tot diep in den nacht uit.
Verstraten informeerde met belangstelling, of hij ook die nachtelijke tochten in zijn zwarte pandjesjas ondernam en of hij daarbij misschien 'n hoogen hoed opzette. Het gelach, dat over deze vraag ontstond, belette mij niet van mijn kant te informeeren, waar deze zonderlinge man in Holland tehuis was. De dikke waardin wist dat niet precies: in zoo'n klein logement wordt de hand wel eens gelicht met het noteeren van naam en woonplaats van de gasten; maar zij meende zich te herinneren, dat hij uit Holland kwam, uit Amsterdam of Den Haag of 'n andere stad, waar zulke meneeren wonen. Die aanwijzing muntte niet uit door nauwkeurigheid!
Terwijl de vrouw sprak keken Maud en ik elkander aan: wij gevoelden dezelfde gedachte bij ons òpkomen. Hoe jammer, dat G. G. nog niet in ons gezelschap was! Of eigenlijk, jammer was het niet! Want misschien zou de tegenwoordigheid van dezen zonderlingen gast hem aan het "deduceeren en combineeren" hebben gezet, om zijn eigen geliefkoosde uitdrukking te gebruiken. En dat zou hem waarschijnlijk het genoegen aan zijn uitstapje en aan zijn omgeving gekost hebben.
"Spreekt die meneer Hollandsch?" — vroeg Maud, wier nieuwsgierigheid in hooge mate was opgewekt.
"Zoo'n bietje!" — antwoordde onze waardin. "Moâr i sprêkt 't as 'n aôp, die d'n bibel veurleest."
Verstraten, die maar niet in toom te houden was, vroeg hier met 'n ernstig gezicht, of er te Elspeet veel apen in den bijbel lazen, waarop de waardin slagvaardig antwoordde, "dat meneer dat maôr aan z'n vrinden vrôagen most, want dat 'r in Elspeet véúr vandaôg nooit aôpen gewêst waôren!" En de wending, die het gesprek thans dreigde te nemen, gaf mij aanleiding gauw het sein te geven om onzen tocht te vervolgen.
Toen wij wêgreden zat de Rus nog steeds onbeweeglijk op zijn plaats. Zijn glas was leêg en er lag 'n open boek vóór hem. Las hij of dommelde hij? Onzen groet beantwoordde hij niet: hij dommelde dus waarschijnlijk.
## HOOFDSTUK II. EEN VERSTUIKTE VOET.
Achter Vierhouten loopt een prachtig fietspad over de open heide, dat na een half uur in de bosschen voert, waardoor men over het landgoed Tongeren den breeden straatweg naar Epe bereikt.
Het was 'n uur of vier, toen we in deze bosschen kwamen. Wij reden langs smalle paden, die door het jonge groen kronkelden en ons spoedig onder hooger geboomte brachten. De weg was niet gemakkelijk te vinden, maar ik maakte mij daarover niet erg bezorgd. Want het was nog vroeg genoeg, ook al mochten we misschien een poosie ronddwalen. Bovendien beweerde Verstraten, dat hij hier meermalen geweest was en den weg heel goed kende.
Over het algemeen heb ik veel oriënteeringsvermogen. Op mijn tochten in de Alpen heb ik geleerd goed uit mijn oogen te kijken en mijn eigen weg te zoeken. Het gebeurt mij dan ook zelden, dat ik den weg verlies.
Ditmaal, deels vertrouwende op Verstraten's kennis van het terrein, deels tengevolge van het bewustzijn dwaas, maar begrijpelijk! —, dat men zoo dicht bij huis zeker niet verdwalen zal, lette ik weinig op de richting, waarin wij reden. De bochten, die ons pad telkens maakte, en de vele zijpaden, die er uit verschillende richtingen op uitkwamen, maakten het trouwens niet gemakkelijk zich goed te oriënteeren. Maar — zooals gezegd — ik maakte mij daarover niet bezorgd.
Het pad, dat wij volgden, werd er niet beter op. Meer en meer geraakten wij in het zand verzeild en het fietsen werd bepaald bezwaarlijk. Het duurde niet lang, of Verstraten, die vooròp reed, stak de hand omhoog om ons te verstaan te geven, dat wij moesten afstijgen. Hijzelf deed dat ook en keek met 'n ongelukkig gezicht rond.
"Wij zijn verkeerd" — zeide hij. "Hier komen wij in het mulle zand. 't Beste zal zijn, dat wij òmkeeren tot waar we van het goede pad zijn àfgeraakt."
Met de fietsen aan de hand sukkelden wij terug, totdat de weg harder werd en wij weer opstegen om langzaam verder te trappen in de richting, waaruit wij gekomen waren. Na eenigen tijd begon ik te merken, dat wij op een weg waren, dien wij vroeger niet gevolgd hadden. Links lag, tusschen hooge boomen, een vrij groot terrein, met kort hakhout bedekt, en ik wist zeer stellig, dat wij dat, toen wij in tegenovergestelde richting gingen, niet hadden gepasseerd. Ik maakte de anderen daarop opmerkzaam en wij stegen opnieuw af. Wij raadpleegden onze wandelkaart, maar, bij het warnet van paden en paadjes hier in het bosch, liet deze ons in den steek.
"Misschien is het 't verstandigste de open heide op te zoeken" — zeide ik. "Zij moet in die richting liggen"; en ik wees naar rechts.
Het bleek, dat Verstraten het niet met mij eens was: hij wees in tegenovergestelde richting.
"U is stellig in de war" — zeide hij. "De heide ligt aan dien kant!"
Wij trachtten vergeefs elkander over-en-weêr te overtuigen. Ik was zeer zeker van mijn zaak, maar toen ik bemerkte, dat Verstraten op zijn stuk staan bleef en zich zelfs over de kwestie begon op te winden, zag ik ervan af hem zijn ongelijk te doen inzien. Om er een eind aan te maken, stelde ik voor, dat Verstraten en zijn vrouw een pad naar links, Maud en ik een pad naar rechts zouden inslaan. Een van deze paden moest dan waarschijnlijk reeds binnen een kwartier aan den rand van het bosch uitkomen. In elk geval zouden wij binnen drie kwartier naar de plaats, waar wij thans uit elkaâr gingen, terugkeeren. Degeen van ons, die het aan 't verkeerde einde had gehad, zou dan ruimschoots gelegenheid gehad hebben zich van zijn dwaling te overtuigen, en kon de anderen, langs den weg, die dezen dah bekend zou zijn, naar den boschrand volgen. Verstraten vond dit plan lumineus, hoewel ikzelf het vrij omslachtig vond. Maar wij hadden tijd genoeg en het was erom te doen om onzen vroolijken, maar naar ik meer en meer bemerkte — wel wat koppigen tochtgenoot tevreden te stellen.
Wij namen dus voor korten tijd afscheid, en Maud en ik richtten ons naar rechts. Het pad bleef wat zandig en daarom liepen wij met onze fietsen aan de hand. Het kwartier, waarop ik gerekend had, ging voorbij en Maud begon mij reeds ermede te plagen, dat ik mij ten slotte toch vergist had. Ik wist echter wel beter en begreep dus, dat ik het laatst en het best lachen zou. En inderdaad, na ruim twintig minuten, stonden wij plotseling aan den rand der open heide, op een werkelijk idyllisch plekje. Er was hier, hoe ver men ook zien kon, geen huis, geen kerktorentje en evenmin eenig levend wezen te ontdekken: een heerlijk oord om op den rug te liggen en een korte siësta te houden. Ik sloeg dus voor, dat Maud daar zou blijven, terwijl ik terugging naar de plaats, waar wij de beide anderen ontmoeten zouden. Daarvan wilde mijn vrouw echter niets weten. Zij was in het geheel niet moe en wilde mij niet alleen laten gaan.
Tien minuten later (wij waren, nu wij het pad kenden, teruggefietst en de weg was nog al meêgevallen) hadden wij ons punt van uitgang weêr bereikt. Wij stegen af en zetten ons in het mos, wachtende op onze beide tochtgenooten.
Wij wachtten lang... De drie kwartier waren verstreken, het uur was reeds vol. Nog wachtten wij...
Over het algemeen ben ik geen ongeduldig mensch, maar ditmaal was ik toch uit mijn humeur.
"Op die manier is het geen plezier met anderen uit te zijn!" — bromde ik. "Die Verstraten lijkt me een stijfkop. We hadden waarachtig al in Epe kunnen zijn!"
"Als ze maar niet opnieuw den weg kwijt zijn" zeide Maud.
"Mooi zoo, dan zouden wij hier tot morgenochtend kunnen wachten! En hij beweerde nog wel, dat-i den weg zoo goed kent! De man is toch niet blind, dat-i nooit op het goede pad blijven kan! Ik zal eens even wat geluid vàn mij geven. Misschien hoort hij dat... als-i tenminste niet doof is óók!"
Ik stiet een van die langgerekte kreten uit, waarmede in de bergen de bewoners elkander plegen te roepen: ik had mij daarin op onze voettoeren in de Alpen met eenig succes geoefend.
Wij wachtten vijf minuten. Toen herhaalde ik den kreet en daarop nog eens.
Een kwartier verstreek... Niets!
"Ik geef het òp" — zeide ik eindelijk. "Die twee moeten hun weg naar huis dan maar alleen vinden; wij hebben gedaan wat wij doen moesten."
Het was nu bijna kwart voor zes en wij moesten zien langs den kortsten weg naar Nunspeet terug te komen. Als wij eenmaal aan den rand van het bosch waren, zou dat zoo moeilijk niet zijn, want daar liep een weg naar het Noord-Westen, die — volgens onze wandelkaart — dichtbij Nunspeet uitkwam. Weldra trapten wij dus opnieuw langs het pad, dat ons naar den boschrand voeren zou.
Ik heb gezegd, dat de weg hier nog al was meêgevallen. Er lag wel 'n dun laagje zand, maar de ondergrond was hard. Hier en daar echter kwamen harde boomwortels uit den grond te voorschijn en het kostte wel eens moeite daar niet tegen-òp te rijden.
Juist op de plaats, waar wij op de heide uitkwamen, liep een sterk ontwikkelde boomwortel dwars over het pad. Ik reed vooruit en sprong tijdig van mijn fiets af, aan Maud toeroepende hetzelfde te doen. Zij begreep echter niet, wat ik bedoelde en reed dóór. Snel rukte ik mijn rijwiel op zijde, daardoor een botsing vermijdende; maar het volgende oogenblik raakte zij met haar vóórwiel den verraderlijken wortel en de fiets kantelde, zoodat zij op den grond viel: gelukkig niet hard, want zij kwam op het mos terecht.
Maar toen zij, met mijn hulp, wilde opstaan, bleek het, dat de zaak toch niet zoo onschuldig was als wij een oogenblik gemeend hadden. Maud had getracht den val te breken door den linkervoet snel op den grond te zetten. Maar de schok was zoo groot geweest, dat de voet was dóórgezwikt en zij zich den enkel verstuikt had.
Goede raad was duur! De enkel was sterk gezwollen, zoodat wij den schoen moesten losmaken en het was haar onmogelijk op den linkervoet te staan. Van fietsen kon nog veel minder kwestie zijn.
Wat moesten wij doen? De groote eenzaamheid van deze plek, die ons kort te voren nog zoo aangetrokken had, bracht ons nu in een geheel andere stemming. Het was bijna ondenkbaar, dat hier iemand voorbij zou komen. En toch scheen het onmogelijk op andere wijze hulp te krijgen dan door een boodschap te zenden naar Vierhouten en te trachten het een of andere voertuig machtig te worden om mijn vrouw naar Nunspeet te brengen.
Een poging om, door mij ondersteund, te loopen was jammerlijk mislukt. Maud, die gewoonlijk flink en vastberaden is, was thans gejaagd en zenuwachtig, waarschijnlijk het gevolg van haar gezondheidstoestand. Toen wij, aan den rand van de heide gezeten, overlegden wat wij doen moesten, en ik voorstelde, dat ik naar Vierhouten gaan zou om hulp te halen, verzette Maud zich daartegen met een heftigheid, die ik niet van haar gewoon was. Zij was blijkbaar bang om alleen te blijven en wond zich, in het vooruitzicht daarvan, zóózeer op, dat ik het raadzaam vond voorloopig althans — niet verder aan te dringen.
Maar wat dan? Wij konden toch niet den geheelen nacht op deze plaats kampeeren!
Maud zeide, dat zij er volstrekt niet tegen opzag tot den volgenden morgen hier te blijven. Wij hadden onze loden "capes" aan het stuur van onze rijwielen gebonden en het was een warme avond, zoodat wij, naar zij hoopte, geen koude zouden lijden. Maar den volgenden ochtend zou ik haar dan toch alleen moeten laten, want op voorbijgangers mochten wij niet rekenen.
De zon begon al mooi te dalen. Zij scheen ons recht in het gezicht en, wanneer wij vèr over de heide zien wilden, moesten wij de oogen met de hand beschutten. Op andere oogenblikken zouden wij, bij dit mooie avondlicht, van het prachtige landschap intens genoten hebben. Nu concentreerden al onze gedachten zich op de vraag, hoe wij weg zouden komen.
De dalende zon wees op de noodzakelijkheid van een spoedig besluit. Ik besloot ten slotte, niettegenstaande Maud's protest, naar Vierhouten te gaan, want ik wilde haar niet blootstellen aan de nachtlucht. Het mocht nu een mooie avond zijn, om dezen tijd van het jaar zijn de nachten koud en vochtig: 't zou dwaasheid geweest zijn, ons, alleen om Maud's ongemotiveerden angst, aan ziekte bloot te stellen.
Hoewel het mij veel moeite kostte, mijn vrouw van de noodzakelijkheid van mijn expeditie naar Vierhouten te overtuigen, onderwierp zij zich ten slotte toch aan het onvermijdelijke. Juist maakte ik mij gereed om op weg te gaan, toen wij achter ons, op het pad, dat wij hierheen gevolgd hadden, voetstappen hoorden. Het onverwachte scheen te zullen geschieden: in deze eenzaamheid kwam een mensch tot ons!
De komende bleek een groote, zware man te zijn van een jaar of vijftig. Hij was gekleed in een fluweelen jasje, zooals schilders dikwijls dragen, en een korten toeristen-broek met grijze kousen en zware laarzen. Op het hoofd droeg hij een grijze sportpet en in de hand een zwaren, knoestigen stok. Baard en snor waren geheel grijs, maar uit de donkere, tintelende oogen sprak veeleer jeugd dan ouderdom. Een krachtige figuur, stoer van lichaam, en, naar de energieke uitdrukking van het gelaat te oordeelen, stoer ook van geest.
Bij zijn nadering was ik opgestaan en de man was blijkbaar zéér verbaasd op deze eenzame plek menschen aan te treffen.
Nog vóórdat ik gelegenheid gehad had iets te zeggen, riep hij mij op niet zeer vriendelijken toon toe:
"U is waarschijnlijk verdwaald. U is geheel en al van den gewonen weg àfgeraakt. Waar wilt u eigenlijk heen?"
Het ongeduld, dat uit zijn woorden sprak, verwonderde en ergerde mij.
"U zoudt ons hier zeker niet gevonden hebben" zeide ik, "wanneer wij niet gedwongen waren geweest hier te blijven. Uw komst gaf ons de hoop, dat wij een helper in den nood zouden vinden, maar het schijnt wel, dat U in geen bizonder menschlievende stemming verkeert."
De man keek mij een oogenblik strak aan en toen glimlachte hij. Het was merkwaardig, hoezeer die glimlach de uitdrukking van zijn gezicht veranderde. Dit had tot dusverre barsch, bijna terugstootend gestaan; nu was het plotseling vriendelijk en innemend. Het drong tot mij door, dat het een goed gezicht was, 'n gezicht, dat vertrouwen wekte.
"Mijn menschlievendheid zal u misschien meevallen" — zeide hij. "Barsche menschen vallen dikwijls meê in 't gebruik." Zich daarop tot Maud wendende, nam hij beleefd zijn pet af en vervolgde: "Ik zie tot mijn spijt, dat de dame haar voet gekweste heeft. Toch niets ernstigs, hoop ik?" Wij deden hem daarop het verhaal van ons wedervaren
Toen hij hoorde, dat ik naar Vierhouten wilde, schudde hij het hoofd.
"Het zal u niet gelukken, daar een behoorlijk voertuig te vinden om Mevrouw naar Nunspeet te brengen" — zeide hij. "Hoogstens 'n handkar, en ik kan mij niet voorstellen" (hier wendde hij zich speciaal tot mij) "dat u er veel voor voelen zoudt, Mevrouw op 'n handkar het dorp in te rijden."
"Als het niet anders gaat..." — zeide Maud, lachend niettegenstaande haar pijn; maar de man schudde opnieuw het hoofd.
"Neen, neen, Mevrouw! Daaraan moogt u niet denken" — zeide hij. En toen zweeg hij een poos, strak voor zich uit starend, terwijl hij de wenkbrauwen fronste en zich een diepe rimpel tusschen zijn oogen vertoonde, een teeken van nadenken en misschien van ergernis.
De stilte begon pijnlijk te worden. Hij scheen niet in staat te zijn ons afdoende te helpen. Ik was overijld genoeg, mij reeds teleurgesteld en zelfs gekwetst te voelen.
"Laten wij u niet langer ophouden" — zeide ik eindelijk en hoorde zelf, dat mijn stem een kouden, onvriendelijken klank had.
Mijn woorden hadden tenminste de verdienste, hem uit zijn gepeinzen wakker te roepen. Hij maakte een bruusk gebaar en haalde daarna even de schouders op, als om met zijn eigen afgetrokkenheid den spot te drijven.
"Als andere plichten mij daarvan niet terughielden" — zeide hij, "zou ik gaarne voor u naar Nunspeet gaan om een wagentje te halen. Er zijn van die lichte karretjes op twee wielen, waarmeê men wel over de hei-paden hobbelen kan. Ik geloof echter, dat het aanhoudend schokken Mevrouw's voet geen goed zou doen. En daarom is het maar het beste, dat ik u voor dezen nacht de beschutting van mijn eigen woning aanbied; morgen kunnen wij dan verder zien."
*"Toch niets ernstigs, hoop ik?"*
"U is meer dan vriendelijk" — zeide ik, berouwvol over mijn geprikkeldheid van zooeven. "Maar de vraag is, of mijn vrouw zoover loopen kan."
"Wij kunnen haar met ons beiden gemakkelijk zoover krijgen" — luidde het antwoord. "Mijn woning ligt nog geen tien minuten van hier. Er zal niets anders opzitten. Als het niet noodig was, zou ik het U niet voorstellen."
De laatste woorden werden wederom op den eenigszins ongeduldigen toon uitgesproken, die zoo sterk contrasteerde met de gemoedelijke wijze, waarop hij de rest van het gesprek gevoerd had. Ik waagde het dan ook niet, het zeer wezenlijke bezwaar te vermelden, dat aan ons niet-teruggaan naar Nunspeet verbonden was. G. G. en Mariska zouden ons dan bij hun aankomst dien avond niet vinden en zich misschien — vooral wanneer de Verstratens reeds terug mochten zijn en van onze zwerftochten verhaald hadden — zeer ongerust maken over dit voor hen onverklaarbaar uitblijven. Daar het eerst zeven uur was, nam ik mijzelven thans reeds voor, zoodra Maud onder dak zou zijn, — even heen-en-weer naar Nunspeet te trappen. Daar blijven en haar dien nacht alleen laten wilde ik in geen geval. Ook in verband met de noodzakelijkheid om voor een behoorlijk transportmiddel op den volgenden dag te zorgen, scheen het mij echter noodzakelijk, dat ik nog dienzelfden avond te Nunspeet de noodige maatregelen ging nemen. Maar daarover zou ik straks dan wel spreken.
Het resultaat van deze overwegingen was, dat ik, ook namens mijn vrouw, het vriendelijke aanbod van den onbekende gaarne aannam. Inderdaad, de man toonde zich nu wèl een redder in den nood; en ik zeide hem dit in eenige dankbare woorden.
De ongeduldige bui scheen hem echter nog niet verlaten te hebben.
"Dank is niet noodig, meneer!" — zeide hij, bijna ruw. En daarop met dien plotselingen overgang, dien ik ook vroeger reeds had opgemerkt, vervolgde hij op beleefden toon en met zijn prettigsten glimlach: "Wellevendheid en conventie eischen, dat U weet, bij wien U Uw intrek neemt. Mijn naam is Van Noort en ik woon samen met mijne zuster."
Ik stelde mijne vrouw en mijzelven nu ook voor.
"Ziezoo!" — lachte hij. "Daarmede hebben we onzen plicht als beschaafde burgers volbracht. En nu komt het erop aan, Mevrouw op de gemakkelijkste manier van hier te krijgen."
Wij namen hiertoe onze toevlucht tot een middel, dat iedereen uit zijn kinderjaren kent. Ik vatte met mijn rechterhand de linkerhand van onzen metgezel, en op dezen geïmproviseerden zetel nam Maud plaats, daarbij de beide levende zij-leuningen ieder met een arm omvattend. Aan de vrij-blijvende hand voerden Van Noort en ik ieder een rijwiel.
Wij moeten wel een zonderlinge groep gevormd hebben, toen wij aldus onze korte wandeling aanvaardden. Maar daarom bekommerden wij ons niet. Hoofdzaak was, dat het "transport" op deze wijze boven verwachting gemakkelijk en snel ging, zoodat wij nog binnen den tijd van tien minuten ons doel bereikten.
## HOOFDSTUK III. BROEDER EN ZUSTER.
Het huis, dat ons dien nacht tot verblijf strekken zou. had het uiterlijk van een boerenwoning. Het was vrij breed, maar niet diep en de onmiddellijke omgeving bood niets bizonders. Alleen ontbrak de gebruikelijke hooiberg. Aan de achterzijde echter bevond zich de niet minder gebruikelijke put en daaromheen een goedonderhouden moestuintje, waarin het gewas reeds flink boven den grond kwam. Vóór het huis stonden wat bloemen: viooltjes, muurbloemen en geraniums; en ook aan dezen kleinen bloementuin was veel zorg besteed. Het zonderlinge van deze woning was haar ligging, die mij dadelijk opviel.
Van de open heide was zij gescheiden door een smalle strook hoog struikgewas en door een rij zware beukenboomen. Voor wie van die heide kwam, was de woning zoo goed als geheel achter het groen verborgen; maar, wanneer men zich vóór het huis in den bloementuin bevond, was het gemakkelijk door de openingen in het struikgewas tot in de verte te zien. Het had er werkelijk iets van, alsof men het huisje aan de blikken van hen, die toevallig deze buurt uitkwamen, had willen onttrekken.
Deze indruk werd nog versterkt, doordat men het bereikte langs een zeer smal pad, dat reeds enkele minuten vóórdat men op de plaats kwam, waar het gelegen was, van de heide af in het bosch voerde en. evenwijdig met den boschrand loopende, op zij van het huis uitkwam. Slechts langs dit ééne pad was nadering mogelijk, tenzij men door de struiken dringen wilde: de moestuin en de niet breede strooken grond, links en rechts, waren geheel ingesloten door dicht kreupelhout, met zware boomen daartusschen.
Waar het smalle pad in het bosch voerde, hadden wij de beide fietsen, tegen boomen aangeleund, achter gelaten, omdat er niet voldoende ruimte was om ze aan de hand meê te nemen: met ons drieën vulden wij de geheele breedte. Toen wij op de om de woning gelegen open ruimte kwamen, gingen wij naar de vóórzjide van het huis. Aan beide kanten van de deur stond een ruwe, groengeschilderde bank. Op één daarvan zat een oude man te dommelen, die bij onze nadering wakker schrikte, opstond en ons met open mond en verbaasde oogen aanstaarde.
Deze man was zeker zestig jaren oud. Zijn gestalte was kort, inéén gedrongen en krachtig; zijn gelaat zonder baard of snor — was doorploegd met diepe rimpels. De oogen, die wijd open stonden, waren licht blauw, aan den waterigen kant! Er lag over zijn heele persoon een waas van goedmoedigheid, maar ook van domheid, terwijl ik weldra ontdekte, dat de uitdrukking van verbazing, die ik op zijn gezicht had meenen te lezen, meer te wijten was aan het wijd openstaan der oogen en het niet gesloten houden van den mond dan aan een gemoedsbeweging, door het plotselinge verschijnen van onze zonderlinge groep veroorzaakt. Hij was gekleed als een gewone boer uit den omtrek en hij droeg een paar zwart-geverfde klompen. De man maakte in zijn boerenkleeding geen onaangenamen indruk, vooral omdat hij, zoowel wat zijn persoon als wat zijn kleêren betrof, groote reinheid scheen te betrachten, iets dat men niet van elken boer in Nederland zou kunnen zeggen!
De man was, zooals ik reeds zeide, opgestaan. Hij nam z'n pet af om ons te groeten en keek belangstellend naar wat er gebeuren zou.
Wij hadden Maud neêrgezet op de bank aan den anderen kant van de deur. Niettegenstaande de pijn, die haar voet haar nog veroorzaakte, was zij thans veel minder zenuwachtig, ja het had er iets van, alsof zij pleizier begon te krijgen in de wat ongewone situatie.
De man, die ons de gastvrijheid van zijn woning had aangeboden, scheen om de een of andere reden, die wij niet begrepen, in eenige verlegenheid te verkeeren.
Dat duurde echter slechts zeer kort. Toen maakte hij het eigenaardige, bruuske gebaar, dat ik reeds eenige malen bij hem had opgemerkt.
"Ik moet U nu even alleen laten" — zeide hij. "Het is noodig dat ik mijn zuster op de hoogte stel, vóórdat U naar binnen gaat." Hij liet ons geen tijd om te antwoorden en lichtte de klink van de deur, om het volgende oogenblik in het huis te verdwijnen.
Wij waren nu alleen met den ouden man van de verbaasde oogen. Deze stond nog op dezelfde plaats. Hij had zijn pet afgenomen en draaide die in de handen rond, ons daarbij verlegen aanstarend. Wij konden nu zien, dat hij bijna geheel kaal was.
"Goeden avond, vriend!" — zeide ik (want zijn houding begon ons te hinderen). "Meneer van Noort is zoo vriendelijk geweest, ons voor vannacht te logeeren te vragen. Mijn vrouw kan niet loopen: zij heeft haar voet verstuikt."
"Goeien avond samen!" — zeide de oude man en aan zijn tongval ontdekte ik dat hij geen Gelderschman was, al gebruikte hij dezen typisch Gelderschen groet. "We hebben hier nog nooit gasten gehad, maar U zult 't goed hebben, daarvan kunt U zeker zijn."
"Ik hoop maar, dat we niet te veel last veroorzaken" zeide Maud.
De man scheen haar niet gehoord te hebben, want zonder iets op haar opmerking te antwoorden, vroeg hij plotseling: "Houdt Mevrouw van bloemen?"
"Heel veel!" — verklaarde Maud.
Zonder verder iets te zeggen zette onze vriend plotseling de pet weer op het hoofd, ging naar een perk viooltjes en plukte er snel eenige af, die hij handig tot een kleine bouquet samenbond en zwijgend aan Maud overhandigde.
Deze knikte hem vriendelijk toe.
"Dank U wel!" — zeide zij. "Als meneer Van Noort het maar goed vindt, dat zijn tuin zoo geplunderd wordt."
"Ik ben de tuinman" — was het antwoord, dat op een toon gegeven werd, alsof daarmee elke twijfel aan de rechtmatigheid van zijn daad opgeheven was. Hij knikte ons beschermend toe en ging weer zitten op de andere bank.
"Wat 'n merkwaardig type!" — fluisterde ik Maud toe
"En op zijn manier heel galant" — lachte zij.
Toen werd het stil en wij zaten zeker wel tien minuten zwijgend naast elkander, ons innerlijk verwonderend over het lange uitblijven van onzen gastheer. Eindelijk verscheen deze in de deur
"Ik zie, dat Kobus U reeds met bloemen getooid heeft" — zeide hij lachend. "U moet weten, dat Kobus ons factotum is: tuinman, huisknecht, en vooral... kok! U moet hem zien met z'n witte vóórschoot voor: dan is hij eerst recht in zijn element!" Hij klopte den ouden man op den schouder en deze glimlachte vergenoegd.
„Mijn zuster is gereed U te ontvangen!" — vervolgde Van Noort, zich nu in het bizonder tot Maud richtende. "Als U op Uw man en op mij steunt, zult U wel naar binnen kunnen komen, al zal 't ook voetje voor voetje gaan."
Het viel mij op, dat onze gastheer nu veel natuurlijker en opgewekter was dan zooeven. Het maakte den indruk. alsof hij in het huis den een of anderen moreelen last had achtergelaten.
"Haal jij de fietsen van meneer en mevrouw even, Kobus! Zij staan aan den ingang van het boschpaadje" — zeide Van Noort; en daarop trad hij nader om Maud bij het loopen behulpzaam te zijn. Wij namen haar in ons midden en gingen daarop langzaam het huis binnen.
De gang, waarin wij kwamen, was een korte echte boeren-gang; de vloer bestond uit klinkers, met hier en daar een ruwe mat, en een groote, ouderwetsche klok tikte tegen den achtermuur boven een planken deur, die waarschijnlijk in den moestuin uitkwam. Van Noort opende een deur rechts, en nu betraden wij een kamer, waarvan de inrichting in geen enkel opzicht in boerenstijl gehouden was. Het was een goed, hoewel wat stijf ingericht vertrek, half zitkamer, half salon. De meubels waren ouderwetsch en zwaar, de gordijnen voor de niet groote ramen en ook het voerkleed in donkere kleuren gehouden.
Bij het raam zat, op een hoogen armstoel met rechte leuning, zelve stijf opgericht alsof zij uit hout gesneden was, een vrouw. Wij begrepen, dat dit de zuster van onzen gastheer zijn moest, hoewel zij in het geheel niet op dezen geleek. Zij was veel jonger dan hij: ik schatte haar op vijf-en-dertig jaar, naar de uitdrukking van gezicht en oogen te oordeelen. Hoewel er rimpels op het voorhoofd lagen, waren de wangen nog vol en glad als van een jong meisje, terwijl menige achttien-jarige schoone haar om haar frissche "teint" benijd zou hebben. Het gezicht was zeer regelmatig en had daarom iets kouds, dat in wonderlijk contrast stond met den levendigen, soms bijna schichtigen, opslag der schitterende, maar niet groote oogen. Die oogen, donkerbruin, bij het zwarte af, hadden — zooals wij later opmerkten — de gewoonte iemand snel van het hoofd tot de voeten op te nemen en zich dan àf te wenden, om naar buiten te zien of strak te staren in het boek, dat op haar schoot lag. Het meest opvallende aan deze vrouw was haar kapsel: zij had een waren schat van zwaar, glanzend haar, dat in dichte vlechten om haar hoofd was gelegd, doch de kleur ervan was grijs, op het witte af, in tegenstelling met de jeugdige frischheid van haar gelaat.
"Olga!" — zeide Van Noort bij het binnenkomen. "Hier breng ik je meneer en mevrouw Hendriks, over wie ik je gesproken heb."
De toegesprokene legde haar boek op zij. Zij keek ons een oogenblik, op de wijze, die ik zooeven beschreven heb, van het hoofd tot de voeten aan, stond op en reikte ons de hand.
"U is welkom!" — zeide zij eenvoudig en met een bizonder welluidende stem. "Gaat U spoedig zitten, mevrouw. Het zal goed zijn, zoo gauw mogelijk een waterverband om Uw voet te leggen, als U het mij toestaat."
Terwijl zij sprak, drong het tot mij door, dat deze vrouw geen Hollandsche was. Hoewel zij onze taal goed en vloeiend sprak, lag er in de intonatie jets. dat gedecideerd on-Hollandsch was, iets zangerigs, dat ik in die taal — althans bij het voeren van dagelijksche gesprekken — alleen heb opgemerkt, wanneer zij, op overigens volmaakte wijze, door vreemdelingen wordt gesproken. Maar hoe rijmde zich de conclusie, waartoe ik kwam, met het feit, dat haar broeder een echte, onvervalschte Hollander was, zooals reeds zijn naam getuigde? Een, half-zuster misschien?... Trouwens, wat ging het ons aan?
Van Noort was naar buiten gegaan, naar hij zeide om onze fietsen in ontvangst te nemen, maar inderdaad (zooals ik aannam) om aan zijne zuster de gelegenheid te geven haar verpleegsterstalenten aan Maud te toonen. Het duurde niet lang, of de voet was verbonden en de patiënte in een leunstoel geïnstalleerd met een kopje thee naast zich, in afwachting van meer substantiëele zaken, waarmede Kobus zich in de keuken bezig hield. Men bedenke, dat wij nog niet gegeten hadden en onze gastheer scheen niet van plan zijn plichten ten halve te vervullen! Toen hij kort daarop bij ons zitten kwam, ontstond er een geanimeerd gesprek over het vele moois, dat de streek te zien gaf. en ik bemerkte duidelijk, dat mijn vrouw zich in deze omgeving meer en meer thuis begon te voelen. Dit deed mij des te meer genoegen, omdat het oogenblik nu voor mij gekomen was om haar voor korten tijd alleen te laten met het vriendelijke paar menschen, dat zich in den nood met zooveel voorkomendheid over ons ontfermd had.
Toen ik mijn plan om snel heen-en-weêr naar Nunspeet te fietsen opperde, wilde men daarvan eerst niets weten, omdat ik nog niet gegeten had. Maar het reeds gevorderde uur (het was nu half-acht, gevoegd bij de noodzakelijkheid om maatregelen te nemen voor den volgenden dag, overtuigde zelfs Maud van het onvermijdelijke van mijn tocht. Ik mocht dien geen oogenblik langer uitstellen.
Kobus was te oud, maar vooral te onnoozel (zooals Van Noort mij in vertrouwen verzekerde) om in Nunspeet alles in orde te gaan maken.
"Wij hebben nog een huisgenoot, dien U na uw terugkomst ontmoeten zult" — zeide de gastheer. "Die is jong, maar heeft een gebrek, dat... dat zulke dingen voor hem onmogelijk maakt."
Ik zag dat onze gastvrouw zich hier åfwendde en strak naar buiten staarde. Natuurlijk haastte ik mij te verzekeren, dat ik er niet aan denken kon deze taak aan 'n ander op te dragen. De weg was gemakkelijk te vinden: van de plaats af, waar wij den rand van het bosch bereikt hadden, liep immers een pad naar het Noord-Westen, dwars over de hei: dat moest mij in de buurt van Nunspeet brengen. Van Noort bevestigde dit: het kwam uit bij een groote boerenplaats: de Martha-hoeve, en vandaar kon men langs een formeelen rijwielweg het dorp binnen 't half uur bereiken. Ook het eerste pad was niet kwaad om te fietsen; nu en dan slechts zou ik even moeten afstijgen, waar het mulle zand het rijden belette. Van verdwalen kon ditmaal in het geheel geen sprake zijn.
Juist toen ik, na afscheid van de dames genomen te hebben, mèt onzen gastheer buiten trad om den tocht te aanvaarden, kwam er langs het boschpad een jongen van een jaar of veertien op het huis toe. Toen hij ons zag, bleef hij plotseling staan en maakte een beweging alsof hij omkeeren wilde. Van Noort echter wenkte hem nader te komen, waarop de jongen schoorvoetend op ons toekwam.
Zelden heb ik een gezicht gezien, zóó volmaakt schoon als dat van dezen jongen knaap. Hij geleek, wat de trekken van zijn gelaat betreft, veel op Van Noort's zuster, maar het pikzwarte, krullende haar en de donkere, sprekende oogen verleenden aan dat gelaat een geheel andere uitdrukking. Hij had een welgevormden, misschien wat te grooten mond, en een gestalte, die — niettegenstaande een leeftijd, waarop de meeste jongens iets on-àfs en onbeholpens hebben — zeldzaam sierlijk was. Hij was gekleed op dezelfde wijze als onze gastheer: in een kort fluweelen jasje, met korten toeristen-broek en hooge schoenen; die kleeding deed het elegante in zijn bewegingen nog beter uitkomen.
"Mijn neef Albert" — zeide Van Noort, "de zoon van mijn zuster."
Ik maakte een gebaar van verbazing, want ik begreep, dat dit de jonge huisgenoot zijn moest, over wien reeds met een enkel woord was gesproken; maar door wat toen gezegd was, had ik verwacht iemand met een lichaamsgebrek te zullen zien!
*De jongen stond nu voor ons.*
Onze gastheer bemerkte mijn verbazing. "Albert is zwaarder getroffen dan iemand, die lam of scheef is" — zeide hij, met iets bitters in zijn stem. "Hij is doofstom geboren!"
De jongen stond nu vóór ons. Er lag in den blik van zijn donkere oogen iets uitdagends, iets dat men aldus in woorden had kunnen overzetten:
"Zeg wat ge over mijn gebrek te zeggen hebt, maar zeg het gauw!"
"Ge kunt met hem spreken, mits langzaam" — zeide Van Noort. "Hij heeft geleerd de woorden van de lippen te lezen."
"Uit wandelen geweest, beste jongen?" — zei ik dus langzaam, terwijl ik hem de hand reikte.
Opnieuw werd ik verrast, want de jongen antwoordde. Wel kwamen de woorden er hakkelend en onduidelijk uit en zonder toon of kleur, maar met eenige inspanning kon ik hem toch verstaan.
"Het is nog geen acht uur" — zeide hij. "Tot acht uur mag ik buiten blijven."
"Ik zou nu maar naar binnen gaan, Albert!" — zeide zijn oom. "Moeder wacht je met een kopje thee."
Ook dit had de jongen hem van de lippen gelezen. Hij knikte ons toe en ging het huis in.
Ik kan niet zeggen, hoezeer ik onder den indruk was van de schrille tegenstelling tusschen het uiterlijk van dezen armen jongen en het treurige gebrek, dat hem het leven verbitteren moest, zonder genade, zonder hoop... Blijkbaar zag de gastheer, dat de onverwachte ontmoeting mij had aangegrepen, want hij antwoordde op mijn onuitgesproken gedachten.
"Ja, het is een treurig geval" — zeide hij met een zucht, "des te treuriger, omdat hij zoo buitengewoon gevoelig is voor elke toespeling op zijn ongeluk. Menschen, die hem meêwarig toespreken, kan hij niet uitstaan. Ik overdrijf niet, wanneer ik zeg, dat hij ze haat, want hij heeft een zeer hartstochtelijk karakter. Wij hebben vroeger wel eens voor zijn verstand gevreesd."
"Gelukkig maar, dat ik niet op zijn gebrek gezinspeeld heb" — merkte ik op.
"Zeker! U staat nu bij hem in een goed blaadje. Want wanneer iemand hem behandelt, zooals hij ieder ander behandelen zou, is hij daarvoor dankbaar."
"Het is onbegrijpelijk, dat men, niettegenstaande zijn gebrek, een gesprek met hem voeren kan" — zeide ik.
"Dat kost dikwijls moeite genoeg! Maar niettemin is het inderdaad verbazingwekkend: het gevolg van oefening, onderwijs en een oneindige dosis geduld. Er is geen moeite gespaard om hem zoo ver te brengen."
"Wáár heeft men hem dat geleerd?"... Ik zag dadelijk, dat mijn nieuwsgierigheid niet in goede aarde viel. Het gezicht van onzen gastheer betrok; het was of er weer "een booze bui" over hem kwam.
"Het wordt tijd voor u om te vertrekken!" — zeide hij, zich den schijn gevende, alsof hij mijn vraag niet gehoord had. En ik wachtte mij er wel voor, die te herhalen; hij had trouwens volkomen gelijk: het wêrd tijd!
Toen ik weinige minuten later langs het smalle pad over de open heide fietste, lette ik eigenlijk veel te weinig op de verrukkelijke omgeving: zóózeer was ik bezig met mijn gedachten! Men weet, dat ik een nuchteren aanleg heb en de dingen meestal van den practischen kant beschouw. Ditmaal kostte mij dat, tot mijn eigen verwondering, eenige moeite. Er wastoch eigenlijk niets bizonders gebeurd: een dood-gewone verdwaalpartij, die een oogenblik gedreigd had zeer onaangenaam te zullen worden door het pijnlijke. maar in het minst niet bedenkelijke ongeval, dat mijn. vrouw met haar voet gehad had; daarop uitkomst in den meest gewonen en natuurlijken vorm, doordat twee vriendelijke menschen ons te hulp gekomen waren op de eenige wijze, waarop wij op dat oogenblik geholpen konden worden. Dat alles was zoo laagbij-den-grond als 't maar zijn kon, en had plaats gevonden in ons eigen land, dat de reputatie heeft van een nuchtere lijst voor nuchtere tafereelen. En tòch: terwijl ik daar zoo voorttrapte of, met het rijwiel aan de hand, door het mulle zand marcheerde — de eenige menschelijke figuur op de wijde, bruine heide —, kon ik het gevoel niet van mij àfzetten, dat er achter al dit gewone iets buitengewoons verborgen lag.
Waarom? Ik had het niet kunnen zeggen! Wie ontleedt en beschrijft de duizenderlei indrukken en indrukjes, waaruit een stemming geboren wordt? En zeker, het was bij mij een kwestie van stemming: in de vroege morgenuren, bij rijzende zon en ontwakende natuur, zou ik de zaken ànders gezien hebben. Nu viel de avond...
Met geweld schudde ik deze ongewone stemming van mij àf. Ik keek rond, om bewust te genieten van het schoone ook in de avondstond. In de verte, vóór mij, doemde zwaar geboomte op: dáár moest de Martha-hoeve liggen! Nu passeerde ik reeds beuken en wit-afgeschilverde, fijn-vertakte berken.
In het Westen was de zon schuil gegaan in een bed van donzige, rooskleurige wolkjes. Groenblauw was de lucht daarboven, doorlijnd met 'n paar scherproode wolkenstrepen. Langzaam werd het rood matter, maar het groenblauw werd dieper en dieper, uitdeinend in de ijle verten tot 'n breed veld, stil rustend boven den horizon. Koelte zweefde áán en de boomen fluisterden hun avondstemming neêr in de wijde vlakte, zacht met hun gepluimde kruinen wuivend het afscheid aan het stervende avondrood. In lange, fluitende toonen, òpjubelend telkens in klokkend gekweel, klonk nachtegalenlied...; in de verte, gedempt door den afstand, het blaffen van een hond...
En nu was ik aan de Martha-hoeve. En er waren menschen op den weg. En ik was niet meer alleen met de Natuur...
## HOOFDSTUK IV. MIJN "SCHOONZOON".
Een half uur later arriveerde ik bij Timan. Mariska en G. G. waren reeds aangekomen. Door het echtpaar Verstraten hadden zij gehoord, dat wij in de bosschen om Vierhouten den weg gemist hadden en vermoedelijk wel later op den avond terug zouden komen. Dat echtpaar zelf was, nadat wij afscheid genomen hadden, opnieuw aan het dwalen geraakt en had den weg naar de plaats, waar wij elkander weêr treffen zouden, niet kunnen terugvinden. Mijn "bergmansroep" had het niet gehoord en eindelijk was het door een oude vrouw, die hout sprokkelde, op het goede pad naar Epe geholpen. Vandaar naar Nunspeet was de weg gemakkelijk te vinden geweest.
Terwijl ik vertelde wat er gebeurd was, gebruikte ik snel wat vleesch en groenten aan het tafeltie van G. G. en Mariska. Het was reeds zeven uur geleden sinds ik wat binnen had gekregen en ik voelde, dat ik het zonder eten niet langer stellen kon.
Het is hier de plaats om den lezer, die mijn vorige boeken niet gelezen heeft, wat nader in kennis te brengen met mijn "schoonzoon". Deze was in den tijd, waarover ik schrijf, acht-en-dertig jaar, dat wil zeggen even oud als ik — dat was hij trouwens vroeger ook reeds! Hij was van middelbare grootte en had een wat scherp, intelligent gezicht, 'n breed voorhoofd en oogen van een eigenaardig staalblauwe kleur, waarvan de uitdrukking sterk variëeren kon mèt zijn gemoedsstemmingen. Als de detective in hem ontwaakte, konden die oogen een harden glans aannemen, die zeer veel verschilde van hun gewoonlijk vriendelijke, ja zachte expressie. Hoewel het hoofdhaar reeds sterk begon te grijzen, maakte hij een voor zijn jaren bizonder jongen indruk. Wat zijn bekwaamheden als detective betreft, hierover behoef ik niets te zeggen: de Europeesche naam, dien hij zich verworven heeft, zegt daaromtrent genoeg.
Mariska, mijn pleegdochter, was thans even achttien jaar. Zij had — zooals ik reeds vroeger gezegd heb Zigeunerbloed in de aderen en was reeds op haar zestiende jaar een volwassen vrouw geweest. Haar blauwe oogen en zwarte haren maakten haar tot een werkelijke schoonheid en vóór haar huwelijk had ik mij menigmaal bezorgd gemaakt over de groote aantrekkingskracht, die haar uiterlijk op vele mannen uitoefende. Hoe G. G. en zij, die elkander reeds zoovele jaren kenden, tot de voor mij verrassende ontdekking gekomen waren, dat er voor hen geen geluk bestond buiten elkander, heb ik bij een vroegere gelegenheid verteld.3
*3) Zie No. 5 der G.G. serie: "Het verloren Spoor".*
Het spreekt vanzelf, dat mijn verhaal de belangstelling van den detective en zijne vrouw opwekte. En dat niet alleen omdat Maud en ik er het middelpunt van vormden, maar ook in verband met de min-ofmeer ongewone persoonlijkheden, met welke wij in aanraking gekomen waren. De wijze, waarop G. G. vragen stelde omtrent het gebeurde, de omstandigheid. dat hij nu en dan de oogen sloot (hij was dan aan het "deduceeren" en "combineeren", zooals hij het zelf zoo graag uitdrukt) en zijn verzoek, dat ik enkele gedeelten van mijn verhaal nog eens vertellen zou dit alles bewees mij, dat de detective in hem was wakker geworden. Ik was ervan overtuigd, dat dit buiten zijn wil, misschien wet tegen zijn wil geschied was. Het "combineeren en deduceeren" is een tweede natuur bij hem geworden en wanneer zijn brein eenmaal in die richting is begonnen te werken, werkt het dóór, ook al zou hij dat niet wenschen. Dit hangt dan niet meer van zijn vrijen wil af: de denk-machine is niet meer tot stilstand te brengen.
Ditmaal berustte zijn "deduceeren en combineeren" op mijne mededeelingen en dus niet op zijn eigen observaties. Ik begreep, dat hij begeerig zou zijn ook zèlf te observeeren, en inderdaad, toen hij mij beloofde, dadelijk na het eten voor een licht wagentje te zullen zorgen om ons den volgenden dag te komen àfhalen, gaf hij onmiddellijk zijn voornemen te kennen zelf mede te komen.
Ik beschreef hem den weg nauwkeurig; — zooals ik reeds zeide kon van verdwalen geen sprake zijn! Alleen was het waarschijnlijk, dat men het huis, verscholen als het lag achter groen en boomen, te vèr voorbij zou rijden. Ik beloofde daarom tegen half-twaalf op den uitkijk te zullen staan. Maud had dan den geheelen morgen vóór zich om "uit te slapen", wanneer de pijn aan haar voet haar des nachts het slapen beletten mocht en wij konden tôch tegen één uur te Nunspeet zijn. De vriendelijke vrouw van onzen hotel-houder beloofde den traditioneelen warmen schotel, die bij de "lunch" behoorde, zoo lang warm te zullen houden.
Mariska wilde gaarne mede van de partij zijn, maar G G. had daar bezwaar tegen. Hij vreesde, dat het wagentje te vol zou worden. Voor iemand met een verstuikten voet was het noodig, minstens twee plaatsen open te houden. En — terug rijdende zouden wij, als Mariska medeging, met ons vieren geweest zijn.
Hoewel Mariska zich dadelijk aan deze beslissing onderwierp, kon zij hare teleurstelling daarover niet verbergen. Wat mij betreft, ik vond G.G.'s bezwaar nog al gezocht en vermoedde, dat er nog wel een andere reden zou zijn, die het hem beter deed schijnen zijne vrouw thuis te laten.
Vóórdat ik den terugtocht aanvaardde, nam ik een oogenblik, waarop wij beiden alleen waren, te baat om hem dit ronduit te vragen. Hij keek mij aan met 'n goedkeurend knikje en lachte even.
"Goed geobserveerd, m'n jongen!" — zeide hij. (Ik breng hier nogmaals in herinnering, dat hij, niettegenstaande zijn kwaliteit van "schoonzoon", zijn vroegere gemeenzaamheid tegenover mij niet heeft afgelegd.) "Er is iets anders. Je kent Mariska even goed als ik. Zij is zéér vatbaar voor indrukken. En, naar wat je mij verteld hebt, zouden die indrukken in dit geval niet van de vroolijkste zijn."
"Ik heb niets kunnen ontdekken, dat recht geeft tot die uitspraak" — zeide ik.
"En toch ligt er over alles wat je verteld hebt, een zeker waas van somberheid, Willy! Je bekende nuchterheid" (hier glimlachte hij: tot mijn ergernis wil hij nooit recht aan die nuchterheid gelooven!) "heeft je misschien belet dat zoo te zien. Ik, met mijn zin voor combinatie en deductie, zie in je verhaal vele open vragen en vele mogelijke antwoorden daarop. Het geheel stemt mij niet vroolijk en wij — Mariska en ik — hebben reden om aan te nemen, dat het van groot belang is haar onnoodige emoties te besparen!"
"Ho, ho!" — zeide ik, terwijl ik hem verheugd de hand drukte. "Waait de wind uit dien hoek? Zou het niet 't beste zijn maar eenvoudig te bekennen, dat je bang bent, dat het schokken, in zoo'n karretje op de hei, haar kwaad zal doen?"
"Als ik even nuchter was als jij, zou ik vermoedelijk dåt argument gebruikt hebben" — lachte hij. "Maar het andere telt óók meê."
In het licht der latere gebeurtenissen heb ik mij dikwijls afgevraagd, of inderdaad het detective-instinct van mijn "schoonzoon" hem gewaarschuwd had voor de dingen, die komen zouden.
* * *
Het was ruim negen uur, toen ik den terugtocht aanvaardde, nadat ik Mariska iets in het oor had gefluisterd, dat in verband stond met G.G.'s vrees voor schokkende karretjes.
De maan scheen helder, zoodat ik geen oogenblik bevreesd behoefde te zijn, door de duisternis misleid te zullen worden.
Het scheen wel, of het Noodlot het erop aangelegd had, mij in den kortst mogelijken tijd het Hollandsche heideveld in al zijn pracht en onder alle verlichtingen te toonen. Ik had het gezien, stovend in de middagzon; ik had het gezien in het gouden licht van den laten namiddag èn bij het gloeien van het scheidende avondrood. Thans zag ik het bij nacht en maanlicht, en de groote eenzaamheid, die mij vroeger op den dag telkens zoo getroffen had, lag thàns om mij heen, bijna als iets voel- en tastbaars. De heide straalde in zilveren glans en er heerschte een volkomen stilte, die echter niets drukkends had. Het was alsof de natuur een diepen, verkwikkende slaap sliep, waaruit zij straks ontwaken zou tot een nieuwen dag van onvermoeiden, stillen voorjaarsarbeid.
Vlak bij de Martha-hoeve, in de schaduw der hooge boomen, die om de hoeve gelegerd zijn als een eiland op de groote heide-zee, passeerde ik een man. Hij stond geheel in het duister en ik zou hem waarschijnlijk voorbijgereden zijn, zonder hem te bemerken, wanneer niet de gloeiende stip van een brandende sigaar hem verraden had. Nu zag ik een donkere gestalte, die zich nauwelijks åfteekende tegen het duister der omgeving. Van duidelijk zien, laat staan van herkennen, was geen sprake en toch had ik den onbestemden indruk, dat het de vreemde, lange man was, dien wij in den namiddag in de veranda van het logement te Elspeet gezien hadden. Het viel mij in, dat de dikke waardin ons verteld had, dat haar zonderlinge gast gewoon was lange, nachtelijke wandelingen te ondernemen, zoodat het niet onwaarschijnlijk was, dat mijn indruk juist was geweest. En nu het toeval mijzelven zoo laat op de heide en daarmede in een droomwereld vol zilveren maanglans gevoerd had, kon ik mij die voorliefde voor het wandelen, althans in nachten als deze, inderdaad ook wel verklaren. Trouwens, de man en zijn liefhebberijen gingen mij in het geheel niet aan, zoodat ik aan deze ontmoeting verder geen aandacht schonk.
Ik was bijna twee en een half uur wèg geweest, toen ik het vertrek, waar ik Maud met Van Noort en zijne zuster had achtergelaten, opnieuw betrad. Mijn vrouw zat nog in denzelfden stoel en het was haar aan te zien, dat zij zich goed en behaaglijk voelde. Later vertelde zij mij, dat gedurende mijn afwezigheid het gesprek zeer geanimeerd geweest was en dat zij tot de overtuiging was gekomen, met twee hoog-staande en zeer ontwikkelde menschen te doen te hebben.
Zal ik bekennen, dat het voor mij een verlichting was, haar aldus tevreden en in goeden welstand terug te vinden? Eerst thans gaf ik er mij rekenschap van, dat ik inderdaad een onbestemde onrust gevoeld had met betrekking tot Maud's alleen achterblijven in deze vreemde omgeving. Onbewust had G.G. aan die onrust voedsel gegeven en, om de waarheid te zeggen, was de "nuchtere" opvatting, waarvan ik op dit punt tegenover hem blijk gegeven had, er wel wat op berekend geweest mijzelven wijs te maken, dat ik volstrekt niet ongerust was! Intusschen, elke oorzaak voor onrust was thans voorbij: ik had mijn vrouw in de beste stemming en in de prettigste omgeving teruggevonden.
Albert, de doofstomme zoon van Van Noort's zuster, was reeds naar bed. De moeder zelve bracht het gesprek op hem, nu wij hem eenmaal hadden leeren kennen, en het scheen haar goed te doen zich eens over haar jongen te kunnen uitspreken. Het was aandoenlijk om te zien, hoe daarbij het koude gezicht ophelderde en de schichtige oogen een rustige, zachte uitdrukking aannamen. Het echt vrouwelijke, dat ik tot dusverre bij haar gemist had, trad daardoor plotseling naar voren en nam mij méér voor haar in dan haar vriendelijke, maar toch steeds koele voorkomendheid tegenover mijne vrouw en mij dat had kunnen doen.
Het bleek, dat zij erop gerekend had mij nog een avondmaal te moeten voorzetten, en ik kan niet ontkennen, dat dit mij zeer welkom was, want wat ik te Nunspeet, tusschen de bedrijven dóór, gegeten had, had — kwantitatief — nog al wat te wenschen overgelaten. Uit beleefdheid aten de anderen een kleinigheid meê, maar het grootste deel van den arbeid werd toch door mij verricht.
Onder en na het eten bleef het gesprek zeer geanimeerd. Onze gastvrouw bezat, op de haar eigen koele wijze, in hooge mate de gave der conversatie. Herhaaldelijk voelde ik de vraag bij mij opkomen, hoe een vrouw van haar ontwikkeling en beschaving ertoe gekomen was, zich — zij het dan ook op een bekoorlijk plekje! — zóó van de wereld terug te trekken als dat hier het geval was. Immers uit de gesprekken maakte ik op, dat zij en haar broeder winter en zomer op deze eenzame plaats woonden. Wat Van Noort betreft, hoewel ook hij een beschaafd man was, paste hij toch beter in deze omgeving: goed-rond, nu en dan op het ruwe af, goedhartig en met een groote smaak voor bloemen en planten, zeer vatbaar voor natuur-indrukken en een groot genoegen vindend in het zwerven door de bosschen en over de heide. Van dien zin voor de natuur viel bij zijne zuster geen spoor te ontdekken; en dit maakte het des te opvallender, dat zij zich in deze eenzaamheid gevestigd had en daar blijkbaar gevestigd wilde blijven. Dit was ongetwijfeld één van de vele "open vragen", waarop mijn vriend G.G. gezinspeeld had.
Nog een andere vraag bleef open, n.l. deze: hoe eigenlijk de naam was van onze gastvrouw en van haar zoon. Het was moeielijk aan te nemen, dat dit bij toeval verzwegen werd. Toen ik haar, in den loop van ons gesprek (en het geschiedde inderdaad bij vergissing en zonder arglistige bedoelingen), als "Mevrouw Van Noort" aansprak, en daarop — mijzelven verbeterende — met een: "Och pardon, Mevrouw..." steken bleef, was er niemand, die den ontbrekenden naam aanvulde. Zijzelve viel mij snel in de rede met een opmerking, die blijkbaar alleen gemaakt werd òm mij snel in de rede te vallen en zoodoende mijn aandacht af te leiden. Kort daarop geschiedde er wederom iets, dat mij bevestigde in het (overigens nog zeer vage) gevoel, alsof er aan dit huis en zijn bewoners het een of andere geheim verbonden was.
Mij herinnerende de ontmoeting, die ik bij de Marthahoeve in het duister gehad had, zeide ik op een gegeven oogenblik tot mijn vrouw:
"A propos! Ik geloof, dat ik onderweg dien langen, keurig gekleeden heer ontmoet heb, die vanmiddag in het hotel te Elspeet was."
"Den Rus, die nachtelijke wandelingen maakt?". vroeg Maud lachend.
"Ik geloof wel, dat hij het was" — antwoordde ik. "Maar het was te donker om er zeker van te zijn."
Op dit oogenblik ontdekte ik, dat onze gastvrouw diep over haar boek hééngebogen zat, hoewel zij daarin, sedert ik teruggekeerd was, geen blik geworpen had. Wanneer de gordijnen niet gesloten waren geweest (het licht — een groote hanglamp — was natuurlijk sinds lang aangestoken), zou zij waarschijnlijk naar buiten gestaard hebben. Toen zij weêr opkeek, verbeeldde ik mij, dat zij bleek zag.
"Heb ik goed gehoord, dat u uit den Haag komt, meneer Hendriks?" — vroeg zij, als om een nieuw onderwerp van gesprek op het tapijt te brengen.
"Zeker, Mevrouw!" — antwoordde ik. "Ik ben daar advocaat."
"U zit zeker dik in de kennissen, niet waar?"
"Wij zien nog al eens menschen" — zeide ik, eenigszins verbaasd over deze plotselinge belangstelling.
"En door uw beroep komt u met vele menschen in aanraking?"
"Natuurlijk, Mevrouw!"
Zij zweeg een oogenblik, alsof zij erover nadacht, hoe zij haar volgende vraag zou inkleeden, en ik vroeg mij in stilte af, waarheen zij eigenlijk wilde met al dat vragen.
"Het is toch vreemd, dat er altijd zooveel menschen uit Den Haag naar de Veluwe komen" — zeide zij eindelijk. "U hebt zeker vandaag onder weg ook nog wel bekende gezichten uit Uw woonplaats gezien...?"
"Dat niet, mevrouw! En ik wist ook niet, dat de Veluwe speciaal voor de residentie-bewoners zoo'n groote aantrekkingskracht heeft. Maar te verwonderen zou het zeker niet zijn: is er een mooiere streek denkbaar dan deze?"
"Ja, 't is hier heel mooi!" — zeide zij verstrooid en keek toen peinzend vóór zich.
Die plotselinge reeks van vragen deed mij allerzonderlings aan. Onze gastyrouw had zich anders dien avond in het geheel niet nieuwsgierig getoond noch naar onze personen, noch naar onze levensomstandigheden.
"U spraakt daar juist over een Rus" — mengde zich thans Van Noort in het gesprek. "Ik heb hier in den omtrek ook wel eens 'n langen, mageren man ontmoet, die met opvallende zorg gekleed was. Dat is misschien dezelfde, dien U bedoelt, maar ik heb nooit geweten, dat hij 'n Rus was."
"Z'n visite-kaartje lag te Elspeet vóór hem op tafel" — zeide ik.
Opnieuw zag ik, dat onze gastvrouw bleek werd.
"Z'n visite-kaartje?" — vroeg zij. "Hoe bedoelt U dat?"
"U moet dat niet in letterlijken zin opvatten" — antwoordde ik lachend. "De zaak is, dat er een halve flesch champagne vóór hem stond!"
Van Noort lachte nu ook.
"Ja" — zeide hij, "Russen schijnen zonder champagne niet te kunnen leven, althans, wanneer ze tot de machthebbers en hun vriendjes behooren."
"Is U ooit in Rusland geweest?" — vroeg zijne zuster.
"Verder dan tot Oost-Pruisen heb ik het in die richting nooit gebracht, Mevrouw!" — zeide ik.
"U verstaat dus ook geen Russisch?"
"Ik ken maar één zin" — antwoordde ik, toegevende aan een plotselingen inval. "Gospodin Hendriks neopaszen."4)
*4) "Mijnheer Hendriks is ongevaarlijk". — Hoe ik aan deze Russische wijsheid gekomen was, vindt men in No. 4 der G.G.serie: "De man op den achtergrond".*
De uitwerking van deze woorden, die natuurlijk als scherts bedoeld waren, was zeer onverwacht. Van Noort keek mij aan met een blik, waarin groote verbazing, doch tevens groot wantrouwen te lezen stond. Hij was opgestaan en sloot de lade van een ouderwetsche schrijftafel open, die schuin in een hoek van het vertrek stond. Terwijl hij het gesprek over allerlei onverschillige onderwerpen voortzette, zag ik hem iets uit de lade nemen en in zijn zak steken. Wat het was kon ik niet zien, want hij stond met den rug naar mij toe. Maar Maud, die tegenover een spiegel zat en daardoor — in verband met den schuinen stand van de schrijftafel — den man "en profil" zien kon, werd plotseling zeer bleek. Niet bleeker echter dan Van Noort's zuster! Deze leunde nu achterover in haar stoel en kampte met de een of andere sterke gemoedsbeweging. Was het angst? Was het plotselinge schrik? Ik had daarop geen antwoord kunnen geven, want de geheele zaak was mij volkomen onbegrijpelijk.
En, als om den toestand nog onbegrijpelijker te maken, klonken er op dat oogenblik tegen een der vensters drie korte tikken.
Onze gastvrouw zat dadelijk weêr recht overeind. Haar oogen ontmoetten die van haar broeder. Deze stond besluiteloos en het tikken herhaalde zich.
"Doe open!" — zeide onze gastvrouw kortàf.
"Is het wel voorzichtig?" — vroeg Van Noort, en tot mijn verbazing was zijn blik daarbij op mij gericht.
"Het moet, maar..." De rest legde zij in haar oogen; en de man scheen te begrijpen wat zij wenschte. Hij keerde zich om en verliet de kamer.
## HOOFDSTUK V. KRIJGSRAAD.
Zoodra haar broeder de kamer had verlaten, begon onze gastvrouw een druk gesprek., waarbij zij bijna uitsluitend zelve aan het woord was en luider sprak dan zij dien heelen avond gedaan had. Ik kon de gedachte niet van mij àfzetten, dat het haar erom te doen was, ons te beletten te luisteren naar wat er in de gang geschiedde, en, terwijl ik mij den schijn gaf als volgde ik met aandacht alles wat zij zeide, luisterde ik scherp naar geluiden, die van de andere zijde der gesloten kamerdeur tot mij mochten komen.
Ik hoorde de voordeur opengaan en vervolgens een zacht gebrom van mannenstemmen. Daarop eenig geschuifel in de gang en het openen en sluiten van een deur binnenshuis. Blijkbaar was de nachtelijke bezoeker in een kamer van de benedenverdieping gelaten. Eenige oogenblikken later trad Van Noort weder binnen.
"Het was Kobus" — zeide hij. "Hij was nog buiten en ik had de voordeur reeds gesloten. Ik heb hem naar bed gestuurd."
"Ik was werkelijk geschrokken" — antwoordde zijn zuster. "Wanneer men zoo eenzaam woont als wij, heeft dat tikken op de ruiten iets, dat schrik aanjaagt. Het is eenigen tijd geleden nog eens gebeurd en toen was het een verdachte kerel, dien wij met moeite buiten de deur hielden."
Ik was ervan overtuigd, dat men trachtte ons zand in de oogen te strooien. Waarom? — Dat kon ik natuurlijk niet uitmaken, maar ik besloot toch nog wat dieper op de zaak in te gaan.
"Mij dunkt, meneer Van Noort, dat U daareven wel gelijk hadt, toen U vroegt of het wel voorzichtig was open te doen" — zeide ik op wat drogen toon.
De man deed alsof hij mij niet hoorde. Hij ging weêr zitten en wilde ons allen nog een glas wijn inschenken. Maud echter bedankte.
"Ik geloof, dat het tijd wordt om naar bed te gaan" zeide zij. "Na alle vermoeienissen van dezen dag hadden wij veel vroeger moeten gaan slapen. Het is eigenlijk onbeleefd, dat wij U zoo lang hebben op gehouden!"
Er lag iets in de stem van mijne vrouw, dat ik van ouds kende: een gedecideerde klank, dien ik daarin altijd had opgemerkt, wanneer zij voor moeilijkheden of plotselinge gevaren gesteld werd. Ik begreep dan ook, dat het met die vermoeidheid zoo'n vaart niet liep, maar dat zij zoo gauw mogelijk met mij alleen wilde zijn om elkander onze indrukken óver en weêr meê te deelen. Het was ons bij vroegere gelegenheden reeds dikwijls overkómen, dat wij met ons beiden "krijgsraad" hadden moeten houden, en in veel moeilijker omstandigheden dan thans. Dat was altijd buitenslands geweest en het wilde er bij mij nog maar steeds niet goed in, dat in ons eigen, nuchtere Holland dingen gebeuren konden, die het houden van een "krijgsraad" noodig maakten. Trouwens, wat was er
eigenlijk gebeurd? Telkens en telkens verzekerde ik mijzelven, dat ik mij ongerust maakte over zaken, die een zeer natuurlijke en onschuldige oorzaak konden hebben.
Ik was opgestaan en zeide, dat ook ik, na mijn geforceerden fietstocht van dien avond, naar bed verlangde.
"Bèst te begrijpen, m'n waarde heer!" — zeide Van Noort, die verlicht scheen door ons besluit thans onze slaapkamer op te zoeken. "Het spijt mij alleen maar, dat wij u niet beneden kunnen inkwartieren. Mijn zuster en ik hebben onze kamers gelijkvloers; Albert slaapt boven en onze goede Kobus heeft daar ook zijn kamertje. Ik hoop, dat wij Mevrouw naar boven zullen krijgen, zonder haar àl te veel pijn te veroorzaken."
Lang genoeg was ik bij mijn vriend G. G. in de leer geweest om mijne gevolgtrekkingen te maken uit wat onze gastheer zeide. Hij was — wat hij overigens ook zijn mocht — 'n kind, wanneer het erop aankwam anderen te misleiden: trouwens, dit was geheel in overeenstemming met het goed-ronde, dat uit zijn geheele persoonlijkheid sprak. Uit zijne woorden van zooeven bleek, dat Kobus boven sliep. Volgens zijn zeggen had hij Kobus juist binnengelaten; maar Kobus was de trap niet opgegaan: ik had immers een deur in de benedengang hooren open en toe gaan. En mijn indruk, dat hier iets niet klopte, werd nog versterkt, toen wij later de trap opgingen en ik de opmerking maakte, dat deze geweldig kraakte. Ik had scherp toegeluisterd, toen Van Noort Kobus heette te hebben binnengelaten, en de trap had toen niet gekraakt. En toch zou Kobus dadelijk naar bed gestuurd zijn!
Zonder àl te veel moeite kwamen wij boven. Onze gastheer nam aan de deur afscheid en wenschte ons goeden nacht, daarbij zijn verontschuldiging makend over de primitieve wijze, waarop hij ons logeeren moest: men was in deze eenvoudige woning niet gewend gasten te ontvangen. De woorden waren beleefd, maar de klank was weêr ruw geworden: onvriendelijk, bijna terugstootend. Het scheen geschreven te staan, dat zijn "booze bui" telkens moest terugkeeren.
Ons slaapvertrek was inderdaad primitief. Het lag — zooals vermoedelijk alle vertrekken op de bovenverdieping — direct onder de balken en de zoldering werd gevormd door een deel van het schuin-afdalende dak. Voor Maud was er een klein, ijzeren ledikant, voor mij een geïmproviseerde slaapplaats op een ouderwetsche, leêren canapé. Het beddegoed was van goede kwaliteit, maar noch daarop noch op onze handdoeken konden wij een merk ontdekken. Gegeven alles wat vooraf gegaan was, hoop ik, dat mijn lezers zich niet eraan ergeren zullen, dat wij naar zoo'n merk zochten.
* * *
"Is de deur gesloten, Willy?" Maud zat gekleed op den rand van haar ledikant en ik, eveneens gekleed, op dien van mijn canapé. "Ik heb den sleutel omgedraaid, Maud!"
"Ziezoo, dan zijn wij voorloopig veilig!" — zeide mijn vrouw. "Tenzij er hier valluiken en geheime deuren zijn."
"Je scheen je anders nog al behaaglijk te voelen, toen ik terugkwam" — merkte ik op.
"Zeker, dat zal ik niet ontkennen" — zeide zij. "Maar sinds 'n half uur voel ik mij steeds onbehaaglijker. En nu ben ik bepaald ongerust. Weet je, wat meneer Van Noort daareven uit zijn schrijftafel genomen heeft? — Een revolver!"
"Hij zal dat gedaan hebben, omdat hij moest open doen; hij wist niet, wie tegen de ruiten getikt had."
"Wees niet kinderachtig, Willy! Hij deed het, vóórdat er tegen de ruiten getikt werd en toen jij dat mondje-vol Russisch sprak."
Ik knikte: het diende tot niets het te ontkennen. Ik had mijn vrouw door "vroom bedrog" gerust willen stellen, maar de vlieger ging niet op!
Het was trouwens merkwaardig, hoe, nu de zaken zich compliceerden, Maud haar "zenuwen" in bedwang had gekregen. Ik heb altijd den grootsten eerbied gehad voor haar gezond verstand en voor de kordate wijze. waarop zij in moeilijke omstandigheden het hoofd weet koel te houden. Ook nu bleek zij daartoe in staat, een bewijs, dat de Geldersche lucht haar flink had doen áánsterken. De zenuwachtigheid, die ik in den namiddag bij haar had opgemerkt, was nu verdwenen. Ja zelfs er scheen iets van haar ouden smaak voor het avontuurlijke bij haar herleefd te zijn.
"We moeten samen eens ernstig praten over wat er sedert je terugkomst gebeurd is" — zeide zij.
„...Krijgsraad?” – vroeg ik schertsend.
"Krijgsraad?" — vroeg ik schertsend.
"Krijgsraad!" — antwoordde zij met nadruk.
Mijn vriend G. G., die er zich op beroemt een systematisch mensch te zijn, houdt ervan, wanneer hij zijn observaties beëindigd heeft, de belangrijkste punten van het geobserveerde op zijn vingers àf te tellen. Ik zal trachten, waar mijne vrouw en ik, in krijgsraad vereenigd, onze wederzijdsche observaties met elkander vergeleken, het voorbeeld van G. G. te volgen.
Vooreerst dan, de duim: Waren onze gastheer en gastvrouw werkelijk broêr en zuster? — Wij twijfelden eraan, ook in verband met de omstandigheid, dat haar naam zoo zorgvuldig verzwegen werd.
De wijsvinger: Wat beteekende die plotselinge reeks vragen, die de gastvrouw mij gesteld had betreffende mijn kennissen in Den Haag? — Wij waren het erover eens, dat zij gesteld werden naar aanleiding van mijn mededeeling omtrent de tweede ontmoeting met den Rus. Wij herinnerden ons tevens, dat de dikke waardin te Elspeet ons gezegd had, dat deze ergens in Holland woonde: in Amsterdam, Den Haag of in een andere groote stad. Kon het zijn, dat Van Noort en zijn zuster wisten, dat hij uit Den Haag kwam, en — hetzelfde van ons wetende, — zich ervan wilden vergewissen, of wij hem, misschien alleen van aanzien, kenden? Het feit, dat wij wisten, dat hij een Rus was, had den schijn kunnen wekken, dåt wij hem kenden. Mijn verklaring omtrent het "visite-kaartje" was eerst later gegeven.
*Vooreerst dan, de duim.*
De middelste vinger: Indien ons vermoeden juist was, waarôm wilden zij zich ervan vergewissen, of hij ons bekend was? — Het eenige mogelijke antwoord op deze vraag was, dat ook zij hem kenden en er belang bij hadden te weten of dit bij ons ook het geval was. Welk belang? — Hier tastten wij geheel in het duister.
De ringvinger: Indien zij hem kenden, waarom wilden zij den schijn wekken, dat zij hem niet kenden? — Hierover redeneerden wij langen tijd; resultaat: mysterie!
De pink: Hoe was de vreemde uitwerking van mijn "mondje-vol Russisch" (zooals Maud mijn drie woorden, in die taal gesproken, genoemd had!) te verklaren? —Zonder die vraag te kunnen beantwoorden, meenden wij toch, dat de gevolgtrekking uit wat wij gezien hadden, onvermijdelijk zijn moest, dat zoowel onze gastheer als onze gastvrouw Russisch verstonden. En dit gaf weêr te denken in verband met den langen Rus uit Elspeet.
De duim van de andere hand: Wien had Van Noort binnengelaten? — Kobus was het niet, dat stond vast. Maud kon zich met mijn redeneering in dit opzicht volkomen vereenigen. Wie was het dân? — Wij konden die vraag niet beantwoorden, hoewel onze vermoedens wezen in een richting, die nog al voor de hand lag. De lange Rus was dien avond in de buurt gezien. Deze omstandigheid, in vereeniging met onze vroegere conclusies, deed ons overhellen tot de onderstelling, dat het de Rus geweest was, die aan het venster had geklopt en thans binnenshuis vertoefde.
Verdere vingers hadden we niet noodig, want hiermede waren de verschillende punten àfgeteld. En terwijl wij aldus, het voorbeeld van G.G. volgende, onze observaties en deducties logisch rangschikten, wisten wij van elkander, dat — niettegenstaande de eenigszins onaangename positie, waarin wij ons bevonden — over ons vaardig was geworden, wat wij de "detectivekoorts" pleegden te noemen: een zoeken en dringen naar de oplossing van het zonderlinge, dat om ons heen voorviel.
En toch, eigenlijk ging ons dat in het geheel niet aan! De beide menschen, die ons ten slotte toch niets dan vriendelijkheden bewezen hadden, verdienden het niet aan ons, dat wij thans met ons heele verstand en àl ons denken ernaar streefden achter dingen te komen, die hun geheim waren en òns niet raakten. Zij, die mijn vroegere boeken gelezen hebben, kennen de stemming, waarin wij ons bevonden, zoodat ik die niet — zooals ik reeds zoo dikwijls deed — uitvoerig analyseeren zal. Alleen dit nog: wanneer die stemming eenmaal óver ons kwam, was het vergeefsche arbeid zich daartegen te verzetten: het werken en dringen van onze gedachten was sterker dan onze wil. Hoewel in mindere mate, ondervonden wij hetzelfde, dat onzen goeden G.G. — zooals hijzelf, vooral vóór z'n huwelijk, zoo dikwijls placht te verklaren — ongeschikt maakte voor de samenleving.
De vraag, die thans in de eerste plaats beantwoord diende te worden, was *deze:* wat, in de gegeven omstandigheden, onze gedragslijn zijn moest, en deze vraag stond in nauw verband met Maud's verstuikten voet. Elke gedachte om thans reeds het huis — hetzij openlijk, hetzij in het geheim — te verlaten was daardoor bij voorbaat uitgesloten; en ik durf niet met een gerust geweten te verzekeren, dat wij daarover zéér rouwig waren. De behoefte om, trots hinderpalen en zelfs gevaren, tot een oplossing van het onbegrepene te komen, was mede een symptoom van de "koorts", waaraan wij lijdende waren.
Toch bestreden wij de ziekte zooveel mogelijk. Wij verzekerden elkaår herhaaldelijk, dat er geen enkele reden was om voor onszelven ook maar het geringste te vreezen; wij wedijverden in het aanvoeren van argumenten, om onze eigen bedenkingen en vermoedens te weêrleggen. Maar bij dat al wisten wij zeer goed, dat die bedenkingen en vermoedens onverzwakt zouden blijven voortbestaan, ook al gaven wij ons tegenover elkander den schijn, er niet of althans niet te veel aan te hechten, Teekenachtig was het ook, dat wij niet dan fluisterend spraken en dat wij elkander wel twintig maal verzekerden, dat wij nu werkelijk naar bed moesten gaan: bij de één-en-twintigste maal gooiden wij het eindelijk op een accoordje en besloten wij, ons gekleed op onze legersteden te leggen en aldus wat rust te nemen, zonder aan onze "paraatheid" (deze uitdrukking stamde van G.G.) afbreuk te doen. Er was wel niet de minste reden ons ongerust te maken, maar — men kon niet weten...!
Toen wij ons aldus "in het harnas" hadden neêrgelegd en niet verder met elkaâr spraken (lees fluisterden), hoorden wij in de stilte nu en dan van de benedenverdieping geluiden, die ons bewezen, dat onze gastvrouw en gastheer, mêt hun geheimzinnigen gast, nog op waren en lange gesprekken voerden. Bijwijlen hoorden wij duidelijk het brommen van de mannenstemmen en ééns — zéér duidelijk — de stem van onze gastvrouw. Maar het was niet meer dan het gedempte stemgeluid, dat ons bereikte: geen enkel woord drong tot ons door.
Het raam hadden wij, met op zij geschoven gordijnen, laten openstaan. Het maanlicht viel daardoor naar binnen, zoodat wij onze kleine kamer geheel overzien konden, zonderdat wij onze kaars behoefden aan te houden.
Hoewel ik mij voorgenomen had wakker te blijven, viel ik na eenigen tijd toch in slaap. Maud, die met hetzelfde edele voornemen bezield was geweest, ging het niet beter. Een uur nadat wij waren gaan liggen, sliepen wij beiden den slaap van twee menschen, die een vermoeienden dag in de open lucht achter den rug hadden.
* * *
Ik ontwaakte plotseling met een lichten schrik. Op hetzelfde oogenblik hoorde ik Maud's stem:
"Wat wàs dat, Willy?"
Ja, wat wàs dat? Ik had zeer duidelijk een korten, drogen tik gehoord, alsof in onze kamer een klein, hard voorwerp op den grond was gevallen.
Wij zaten beiden in een oogenblik overeind. Maud moest natuurlijk blijven zitten, maar ik ondernam een ontdekkingstocht door ons klein domein, dat nog steeds helder verlicht was door het binnendringende maanlicht.
Ik liep zachtjes, zonder eenig gerucht te maken, den kant op, vanwaar ik meende, dat die korte tik gekomen was, d.w.z. in de richting van de deur. En daar vond ik ook de oplossing: de sleutel, dien ik had omgedraaid, toen wij de kamer binnengekomen waren, lag op den grond. Hij was op den harden, met linoleum bedekten vloer gevallen: vandaar het geluid, dat ons had doen ontwaken. Maar hoe was het mogelijk, dat hij uit het sleutelgat gevallen was?... Ik had hem, stevig daarin stekende, achtergelaten.
Opeens viel het mij in, dat slechts één verklaring daarvoor denkbaar was: er moest van buiten-af aan het sleutelgat gemorreld zijn!
Ik gaf Maud een teeken zich stil te houden, raapte den sleutel op en sloop onhoorbaar tot vlak bij de deur. Daarop luisterde ik ingespannen.
Het was dood-stil. En tòch, zonder dat ik eenig geluid hoorde, voelde ik, dat er aan den anderen kant van de deur iemand stond. Ik weet niet, of men mij begrijpen zal, wanneer ik zeg, dat ik dit niet met mijn zintuigen waarnam, maar het instinctmatig, met volkomen zekerheid, wist. Bestaat er een fluïdum, dat de onmiddellijke nabijheid van een mensch bemerkbaar maakt, zelfs al is men door een plank van hem gescheiden? Ik moet de beantwoording van deze vraag overlaten aan anderen, die beter dan ik op de hoogte van zulke geheimzinnige invloeden zijn. Ik kan alleen maar constateeren, dat het gevoel, waarop ik hier doel, heel reëel was en geen oogenblik ruimte voor eenigen twijfel liet.
Langen tijd bleef het stil.
"Wat doe je toch, Willy?" — fluisterde mijn vrouw eindelijk. "Waarom blijf je daar zoo lang staan?"
Ik herhaalde, met eenig ongeduld, het gebaar, dat dienen moest om haar de meest absolute stilte op te leggen. Zij haalde, eveneens ongeduldig, de schouders op, maar zweeg nu.
Men zal begrijpen, waarom ik aldus handelde. Wanneer de persoon, die zich aan de andere zijde van de deur bevond en die vermoedelijk de bij ons ontwaken gewisselde woorden gehoord had (of althans, zonder ze te verstaan, daaraan begrepen had, dat wij wakker waren), in den waan gebracht kon worden, dat wij weêr waren ingeslapen, zou hij het begonnen werk waarschijnlijk voortzetten. Want ik kon mij niet anders voorstellen dan dat hij, op welke wijze dan ook, zou trachten binnen te komen. Ik vond het van belang, de "operatie" (aldus zou G. G. zich hebben uitgedrukt) zoo lang te laten voortzetten, totdat het doel daarvan mij wat duidelijker zou zijn.
Terwijl ik daar dus onbeweeglijk stond te luisteren, met de oogen gevestigd op den deurknop, dien ik elk oogenblik verwachtte te zullen zien ômdraaien, verliet mij langzamerhand het gevoel eener menschelijke nabijheid. Het duurde niet lang of hetzelfde geheimzinnige instinct, dat mij die nabijheid had aangekondigd, leerde mij, dat de persoon, die aan de andere zijde van de deur gestaan had, daar niet meer was. Hij had waarschijnlijk bemerkt, dat wij nog steeds wakker waren, en dientengevolge zijn poging — waarop die dan ook gericht mocht geweest zijn — gestaakt.
Ik wilde mij juist tot Maud wenden, om haar een verklaring van mijn handelwijze te geven, toen ik opeens de trap, die naar onze verdieping voerde, zeer duidelijk en herhaaldelijk hoorde kraken. Als een bliksemstraal schoot het mij door 't hoofd, dat de man, die aan onze deur geweest was, thans de trap afdaalde. En tevens overviel me een onweerstaanbare begeerte uit te maken, wie dat geweest was. In een oogwenk had ik den sleutel in de deur gestoken en opende die met een ruk.
Ik had mij vergist: de man, wiens nabijheid ik gevoeld had, was nog niet weg! Tegenover mij stond een menschelijke gestalte, die ik dadelijk herkende: het was onze gastheer!
## HOOFDSTUK VI. NOG MEER RAADSELEN.
Een oogenblik stonden wij zwijgend tegenover elkander. Toen hoorde ik, dat Van Noort zacht begon te lachen.
"Waarom nog steeds in de kleêren, meneer Hendriks?" — vroeg hij op 'n zóó sarcastischen toon, dat mijn bloed begon te koken. Men weet, dat ik nuchter van aanleg ben, maar dit sarcasme, na wat wij zooeven ondervonden hadden, maakte mij razend.
"Ik zou U dezelfde vraag kunnen doen, meneer Van Noort" — zeide ik scherp.
De man lachte opnieuw.
"Zeker zoudt U dat kunnen!" — zeide hij op denzelfden toon, waarop hij het gesprek begonnen had. "Ik zou het U intusschen niet raden, want U zoudt vergeefs op antwoord wachten."
"Dat is merkwaardig!" — zeide ik. "Wij verkeeren dan óver-en-weêr in dezelfde positie, want ook ik ben niet van plan Uw vraag te beantwoorden."
"Er is toch nog wel eenig onderscheid tusschen Uw en mijn positie" — hernam deze zonderlinge man. "Want ik heb geen antwoord noodig, omdat ik het al weet."
"Ik ben benieuwd het dan uit Uw mond te hooren" zeide ik.
En daarop sprak hij, met een uidrukking, die méér dan sarcastisch, die bijna duivelsch was, de drie ongelukkige Russische woorden, die ik mij den vorigen avond schertsend had laten-ontvallen:
"Gospodin Hendriks neopaszen."
Ik was méér dan verbaasd, maar liet daarvan niets blijken.
"Die woorden schijnen indruk op U gemaakt te hebben" — zeide ik, nu op mijn beurt sarcastisch wordende.
"Woorden maken minder indruk op mij dan daden" — hernam hij. "Uw daden zijn met Uw woorden in strijd; ik beoordeel u naar wat u doef en niet naar wat u zegt: en naar die daden zal ik u behandelen."
Nu haalde ik de schouders op.
"Is het wel verstandig mij raadseltjes op te geven?" — vroeg ik. "Ik begrijp niets van uw filosofische beschouwingen over daden en woorden."
"Ik had u voor scherpzinniger gehouden" — zeide hij. "Als mijn gasten boven op de gang rondsluipen en boven aan de trap luisteren, zijn dat daden, die duidelijk genoeg spreken."
Ik begon nu te begrijpen, welke tactiek deze man volgde. Ik had hem betrapt op het oogenblik, waarop hij voor onze kamerdeur stond te luisteren. In plaats van zich daardoor van zijn stuk te laten brengen en de een of andere onhoudbare verontschuldiging te verzinnen, draaide hij, met even groote kordaatheid als onbeschaamdheid, de rollen om. Niet hij, maar ik had in de bovengang rondgeslopen! Die fictie gaf hem de gelegenheid verontwaardiging te veinzen, in plaats van verontschuldigingen te verzinnen. Voorwaar, onze gastheer, met al zijn schijnbare goed-rondheid, moest een gevaarlijke en geslepen man zijn! Onder elke andere omstandigheid zou de beschuldiging, dat ik aan de trap had staan luisteren, mij beleedigd hebben. Nu kon ik alleen maar lachen om de dwaasheid van het geval!
"Misschien was het nog zoo gek niet geweest, wanneer ik geluisterd had" — zeide ik. "Maar u weet even goed als ik, dat uw bewering onzin is!"
"Hoe zou ik dat weten?" — vroeg hij.
"U hebt zelf lang genoeg hierboven voor mijn deur gestaan, om precies te weten wie wêl en wie niet in de gang geweest is. Of hadt u het te druk met aan het slot van onze deur te morrelen?"
Van Noort lachte voor de derde maal; dit scheen bij hem een middel te zijn om verachting of verontwaardiging uit te drukken.
"U volgt een bekende misdadigers-tactiek" — zeide hij. "U tracht de rollen om te keeren. En ik moet u de eer geven, dat u 'n buitengewoon goed comediant is."
"Ik mag u dat compliment zeker wel teruggeven?" — vroeg ik, snijdend-beleefd.
Inderdaad, deze man, die mijn gedachten omtrent zijn tactiek wel gelezen scheen te hebben en nu zijn systeem getrouw! — diezelfde tactiek onmiddellijk als de mijne voorstelde, irriteerde mij thans meer dan ik zeggen kan. Ik besloot mij in geen enkel opzicht meer te laten terughouden door de overweging, dat hij gastheer en ik gast was. Waar de gastheer den eerbied voor zijn gast uit het oog verliest, kan hij van dien gast ook geen eerbied meer verlangen.
"Toch ben ik nog niet aan het einde van mijn complimenten" — hernam Van Noort op spottenden toon. "Het is mijn schuldige plicht ook aan Mevrouw hulde te brengen voor de intelligente manier, waarop zij het ongemak aan haar enkel gesimuleerd heeft."
Bij vroegere gelegenheden heb ik dikwijls gezegd, dat Maud — hoewel van geboorte tot de hoogste en steilste aristocratie van Engeland behoorend — opvallend eenvoudig is, maar dat zij, wanneer iemand haar in haar eer tast, dadelijk de koude, trotsche aristocrate wordt. Háár stem was het, die de stilte verbrak, die na Van Noort's beleedigende woorden ontstond. Ikzelf was zóó verontwaardigd, dat ik geen woorden vond.
"Willy!" — zeide mijn vrouw op den onverschilligen, maar gedecideerden toon, die zij bij zulke gelegenheden pleegt aan te nemen. "Verzoek dien man ons alleen te laten. Zijn tegenwoordigheid hindert mij."
Nu vond ook ik mijn tong terug, en (tot mijn leedwezen moet ik het erkennen!) de wijze, waarop ik mijn verontwaardiging uitte, was minder waardig dan die, waarop *zij* het gedaan had.
"Man, ben je heelemáál gek?" — barstte ik los. "Je eigen zuster heeft een verband om haar gezwollen voet gelegd!"
Blijkbaar had Van Noort, door de vreemde stemming, waarin hij verkeerde, zich te ver laten voeren. Hij scheen dit in te zien en zocht een oogenblik naar woorden.
"U hebt gelijk" — zeide hij eindelijk langzaam. "Die verdenking snijdt geen hout."
De sterke klemtoon, dien hij op het woordje "die" legde, had iets zeldzaam beleedigends.
"Willy" — klonk op dit oogenblik Maud's stem weder. "Is hij nog niet weg? Zou je hem willen zeggen, nu onmiddellijk heen te gaan?"
Wanneer men bedenkt, dat Maud, op den rand van haar bed zittende, onzen gastheer regelrecht in het gezicht keek, zal men begrijpen, dat deze — door de wijze, waarop zij *mij* en niet hem toesprak — zijn beleedigingen met interest terugkreeg.
Toch scheen hij zich dat niet bizonder aan te trekken. Integendeel, het was alsof onze woorden en ons optreden op hem een indruk maakten, die er eer toe bijdroeg hem tot kalmte te brengen dan hem tot steeds grootere boosheid te prikkelen.
Hij bleef eenige oogenblikken zwijgend staan en de stilte was zóó groot, dat wij in een naburige kamer duidelijk iemand hoorden snorken, vermoedelijk den ouden Kobus.
Toen Van Noort eindelijk weêr sprak, had zijn stem een geheel anderen klank aangenomen. Het sarcasme was eruit verdwenen, maar daarvoor in de plaats was groote gedecideerdheid getreden.
"Ik zal aan den wensch van Mevrouw voldoen" zeide hij: "maar daartegenover moet ik maatregelen nemen om mijn eigen veiligheid te waarborgen."
Opnieuw bruischte het in mijn binnenste op.
"Wie, in God's naam, bedreigt Uw veiligheid?! Als wij in dit opzicht voor onszelven bezorgd waren, zou dat zoo'n wonder niet zijn. Maar Ul...'
Van Noort haalde de schouders op.
"U is onverbeterlijk" — zeide hij. "Maar niettemin moet ik mijn maatregelen nemen."
Dit zeggende, en vóórdat ik begreep, wat hij in den zin had, nam hij den sleutel, die thans weer in het sleutelgat stak, daaruit. Het volgende oogenblik had hij de deur geopend en gesloten en hoorden wij den sleutel omdraaien aan de buitenzijde. Wij waren door onzen zorgzamen gastheer eenvoudig opgesloten!
Ik herinner mij nog zeer goed de eigenaardige sensatie, die in mijn jongensjaren over mij kwam, wanneer ik om de een of andere reden door mijn vader in een daarvoor steeds bestemd zolderkamertje werd opgesloten. Dikwijls gebeurde dat niet: het was de ernstigste straf, die mijn vader placht op te leggen. Deze achtte slaan en "straffen in de maag" principieel uit den booze; maar, vrijheidsberooving" in dezen eenvoudigen en afdoenden vorm, beschouwde hij als een ideaal-straf voor ernstige kindervergrijpen. De indrukken uit de kinderjaren blijven dikwijls gedurende het geheele leven bewaard; ik althans beschouwde ook later "vrijheidsberooving" als de grootste straf, die op het ernstigste misdrijf wijzen moest, en die, juist daarom, iets buitengewoon vernederends had. En deze vernedering onderging thans niet alleen ik, maar ook mijne vrouw!
Wij waren beiden diep verontwaardigd, maar begrepen, dat er voorloopig aan den toestand niets te veranderen was. Op de deur te gaan bonken, zooals ik in het eerste oogenblik van woede, toen ik de trap opnieuw hoorde kraken (blijkbaar ging onze vriendelijke(!) gastheer nu naar beneden), bijna gedaan had, zou nutteloos en in strijd met onze waardigheid geweest zijn. Maud hield mij daarvan gelukkig bijtijds terug. Elke lust tot slapen was ons echter voorloopig vergaan. Het was nu half-drie en het vooruitzicht, den nacht wakend en in niet zeer rooskleurige stemming te moeten doorbrengen, had niets uitlokkends. Intusschen, aan het onvermijdelijke was niet te ontkomen!
Onze kamer had één raam, opzij van het huis uitziende op den ingang van het boschpad, dat naar de heide voerde en waarover ik vroeger gesproken heb. Er was geen sprake van, door dit raam naar buiten te komen. Wanneer ik alleen geweest was, zou dat, met 'n beetje inspanning, wel gelukt zijn. Maar met Maud zou het zeer moeilijk zijn geweest en zelfs geheel onmogelijk, zoolang haar voet niet in betere conditie verkeerde.
Er bleef dus niets anders over dan te wachten, totdat het onzen gastheer behagen zou ons onze vrijheid terug te geven; maar ik nam mij voor, hem dan zonder omwegen te zeggen, hoe ik over zijn handelwijze dacht.
Maud was weêr op haar bed gaan liggen; op die wijze had haar voet het meeste rust. Na korten tijd ontdekte ik, dat de vermoeidheid haar toch te machtig geweest was: zij was opnieuw ingeslapen. Ik verheugde mij daarover oprecht, want over den invloed, dien ons onverwachte avontuur op haar zenuwen hebben zou, had ik mij ongerust gemaakt. De slaap zou haar goed doen en dat zij slapen kon, bewees in elk geval, dat de bedoelde invloed niet bedenkelijk was geweest.
Wat mijzelven betreft, ik gevoelde niet den minsten lust tot slapen. Wat geschied was, gaf mij daarvoor veel te veel te denken en ik verheugde er mij reeds op, den volgenden dag het gezicht van G.G. te zien, wanneer ik hem onze vreemde lotgevallen zou mededeelen.
Het was nu ongeveer half-vier geworden. De maan was achter de hooge boomen verdwenen en het zachte ruischen van het gebladerte bewees mij, dat er eenige wind kwam opzetten. Ik keek uit het venster om te zien, of er ook wolken kwamen opzetten: de hemel was echter volkomen helder en de komende dag beloofde even mooi te zullen worden als de vorige geweest was.
Terwijl ik nog aan het raam stond, kwamen er plotseling twee mannen rechts om den hoek van het huis en richtten zich naar den ingang van het boschpad. Het was licht genoeg om hen te herkennen: de eene was Van Noort, de andere niemand anders dan de lange Rus uit Elspeet. Dit laatste was geen groote verrassing voor mij. In onzen krijgsraad waren mijn vrouw en ik inners reeds tot de slotsom gekomen, dat de nachtelijke bezoeker waarschijnlijk onze vriend van de verlakte schoenen en de champagne was. Toch kwam de plotselinge bevestiging van ons vermoeden wel zeer onverwacht. Terwijl onze gastheer zich zooveel moeite gegeven had, zijn bezoeker voor ons verborgen te houden, had het toeval mij thans toch geleerd, wie die bezoeker was. En tevens was dit het onomstootelijke bewijs, dat men ons den vorigen avond geen klaren wijn geschonken had.
Ik begreep, dat het voorzichtig zijn zou niet te doen blijken, dat het toeval mij in deze zaak gediend had; daarom mocht ik niet riskeeren aan het venster gezien te worden. Ik trad dus in de kamer terug, maar bleef, achter het gordijn verborgen, de bewegingen der beide mannen in het oog houden.
Bijna dadelijk had ik oorzaak mijzelven met dezen voorzichtigheidsmaatregel geluk te wenschen. Van Noort keek plotseling naar boven en maakte zijn metgezel opmerkzaam op het venster, waaraan ik nog zooeven gestaan had. Beiden bleven een oogenblik stilstaan en staarden naar boven. Toen haalde de Rus zijn schouders op, keerde zich om en wandelde, in druk gesprek met Van Noort, langzaam naar den ingang van het boschpad. Vandaar keken beiden nogmaals naar boyen en slenterden toen het bosch in. waar zij in het onder de boomen heerschende duister verdwenen.
Ik besloot op mijn observatie-post te blijven, omdat ik weten wilde, of — gelijk ik vermoedde — onze gastheer alleen terug zou komen. Hij bleef echter zóó lang weg, dat het stil-staan mij begon te vermoeien. Ik haalde voorzichtig (want ik moest oppassen mijn vrouw niet te wekken) een stoel en plaatste die zóódanig, dat ik, daarop gezeten, den ingang van het pad in het oog houden kon. En zoo wachtte ik. De oogen werden mij zwaar; een paar maal schudde ik den slaap met geweld van mij, totdat de kracht om dit te doen mij begon te ontbreken. En, niettegenstaande alle goede voornemens, sliep ik ten tweeden male in.
* * *
Ik ontwaakte door een doffen slag beneden in het huis. Buiten begon het reeds licht te worden; maar Maud lag nog in een rustigen, diepen slaap.
De slag, die mij gewekt had, was niet luid geweest. Vermoedelijk was de voordeur wat onzacht dichtgevallen. Daaruit besloot ik, dat Van Noort zooeven thuis gekomen was, maar of de Rus meêgekomen was, wist ik natuurlijk niet: ik had door mijn slaap de gelegenheid verzuimd dat te weten te komen.
Ik luisterde ingespannen of nog andere geluiden mij bereiken zouden. Wel hoorde ik kort daarop ergens beneden in het huis eenig gestommel, maar overigens bleef het stil.
Daar het eerst even over vier was, besloot ik het waken er nu maar verder áán te geven. Ik legde mij, evenals in het eerste gedeelte van den nacht, gekleed op mijn geïmproviseerd ledikant en sliep weldra in.
* * *
Ten derde male werd ik uit mijn slaap gewekt door ongewone geluiden. En ditmaal waren ze luid genoeg om ook mijn vrouw te doen ontwaken. Het was thans helder dag en een blik op mijn horloge leerde mij, dat het reeds bij negenen was. Dit verwonderde mij. Niet omdat wij zoolang dóórgeslapen hadden (de onrustige nacht, dien wij hadden doorgemaakt, verklaarde dit voldoende), maar wêl, omdat wij, niettegenstaande het reeds vrij late uur, nog niets van onzen gastheer bemerkt hadden. Het was toch nauwelijks aan te nemen, dat deze voornemens zou zijn, ons "arrest" te verlengen tot in de late ochtend-uren: daarmede zou hij zijn onheuscheid tegenover ons toch wel wat al te ver gedreven hebben!
Intusschen hadden wij geen gelegenheid ons lang over deze zaken te verwonderen, want onze aandacht werd geheel in beslag genomen door het zonderlinge geluid, waardoor wij uit onzen slaap gewekt waren, en dat nu en dan ophield om zich daarna met verdubbelde kracht te doen hooren. Het was een dof bonzen, nu eens in langzaam tempo, dan weer overgaande in wat men "roffelen" had kunnen noemen, en begeleid door een nijdig geroep, dat door den afstand wel niet te verstaan, maar toch duidelijk hoorbaar was.
Maud en ik keken elkander aan met gezichten, die duidelijker dan woorden zeiden, dat wij er niets van begrepen. Des te hooger rees echter onze verontwaardiging erover, dat wij hier opgesloten zaten, zonder zelfs maar te kunnen vermoeden, wat er aan de hand was. Mijn gewone kalmte verliet mij en ik gevoelde, dat ik driftig werd.
"Wij lijken wel gek, ons dit alles te laten welgevallen!" — zeide ik. "Ik zal eens probeeren, of mijn stem onzen lieven gastheer of zijn zuster niet bereiken kan."
Daarop trad ik aan het raam. Wel was er niemand te zien, maar toch schreeuwde ik naar buiten of het nu eindelijk niet eens tijd werd, ons uit de kamer te laten: ik hoopte dat mijn stem, die niet tot de zwakste behoort, gehoord zou worden. Nog veel méér schreeuwde ik, dat ik den lezer maar niet zal mededeelen. Waartoe zou het dienen, hem te ergeren door een getrouw relaas van wat een in gewone omstandigheden nuchter mensch leelijks schreeuwen kan, wanneer zijn nuchterheid hem verlaten heeft? Ik weet trouwens niet precies meer, hoe ver ik mij vergat; maar het moet nog al erg geweest zijn, omdat ik eerst tot bezinning kwam, toen Maud mij toeriep:
"Nu is het genoeg, Willy! Ik wed, dat men je gekuischte taal tot in Nunspeet gehoord heeft!"
"Dat is best mogelijk!" — antwoordde ik. "Maar wat helpt ons dàt? Het komt erop aan, dat men ons hier hoort, en hier schijnt men ons niet te hooren of althans te doen alsof men ons niet hoort!"
Inderdaad was er buiten nog steeds niemand te zien. Het bosch lag vóór mij in den morgenzonneschijn; vogels tjilpten in de boomen en een paar neuswijze eksters trippelden rond bij den ingang van het boschpad. Rechts kon ik, door de boomen heen, de open heide zien. Een paar hazen huppelden daar rond, en ik benijdde dien dieren hun vrijheid. Maar nergens een mensch, nergens het geringste teeken, dat men mij gehoord had!
Met een krachtige uitdrukking, die ik evenmin herhalen zal als mijne vroeger in dit opzicht bedreven zonden, trad ik eindelijk van het raam terug. En, mijn kalmte weder geheel verliezend, begon ik op de deur te bonken, daarbij roepende, dat men ons open zou doen.
Op eens hoorde ik achter mij een geluid, dat mij in hooge mate verbaasde. Ik keerde mij om. Maud zat op den rand van haar bed en... lachte luidkeels.
"Wees eens even stil!" — zeide zij.
En nu hoorden wij opnieuw dat bonzen en roepen, dat ons gewekt had; maar thans begreep ik het! Er bevonden zich in het huis nog andere menschen, die, zooals wij, in hun kamer waren opgesloten. En, zooals wij, rameiden zij op hun deur! Ik had eenvoudig het concert, dat binnenshuis gegeven werd, met één instrument versterkt!
## HOOFDSTUK VII VERDWENEN!
"Hoe komen wij eruit?" — vroeg ik, thans veel kalmer.
"En hoe helpen wij de anderen eruit?" — vroeg Maud, die in haar goedhartigheid verder dacht dan alleen aan onszelven.
De vragen waren gemakkelijk gesteld maar het antwoord was moeilijk te geven. Het had er allen schijn van, alsof wij en "de anderen" zouden moeten wachten, totdat er redding van buiten zou opdagen. Een troost was het, dat tegen half-twaalf G. G., met het karretje, in de buurt moest komen. Ik zou hem vanuit het venster zeker kunnen zien, wanneer hij op de heide het huis passeeren mocht, zonder het te ontdekken. Dåt gaf tenminste hoop op spoedige uitkomst, maar... ik was niet van plan elke poging om vrij te komen tot zoolang op te geven. Hoewel ik niet zeer groot ben, heb ik krachtige spieren. Wanneer de deur niet àl te stevig was (en daarnaar zag ze er niet uit), zou die eraan moeten gelooven!
"Wie heeft, in Godsnaam, de anderen opgesloten?" — vroeg Maud.
"Waarschijnlijk Van Noort!" — antwoordde ik grimmig. "Hij heeft zijn beroep gemist; hij had cipier moeten worden."
"Maar 't heeft er allen schijn van, alsof hijzelf en z'n zuster óók opgesloten zijn" — meende Maud.
"Mogelijk! Maar dat bonzen schijnt van onze verdieping te komen: beneden hoor ik niets. We zullen het echter spoedig vernemen!"
Er stond in een der hoeken van het vertrek een zware, eikenhouten stoel. Het was een echt ouderwetsch, solide meubel, dat tegen 'n stootje kon. Ik besloot het als stormram te gebruiken, nam het bij de leuning op en stootte, met aanwending van al mijn krachten, de pooten tegen de gesloten deur. Het hout kraakte en ik herhaalde mijn aanval met het voor ons verheugende resultaat, dat een der paneelen, die niet zeer dik bleken te zijn, barstte. Nog een krachtige stoot en het paneel bezweek.
Ik had met 'n zeker soort van blinde woede mijn vernielingswerk verricht, zonder mij veel te storen aan de protesten van Maud, die telkens zeide, dat 't veel eenvoudiger was, het slot op de een of andere manier te forceeren. Gedeeltelijk echter was mijn "berserk"woede ook berekening, want Van Noort, die ons stilletjes had laten roepen en bonzen, zou vermoedelijk nu wel hooren, dat het ernst werd. Ik rekende erop, dat hij zich stellig zou laten zien, om aan het vernielingswerk een einde te maken. Maar ook dit bleek een misrekening. Zou hij dan werkelijk zelf óók opgesloten zijn? Maar waarom?... En door wien?...
*Nog een krachtige stoot....*
Het bonzen en roepen, dat ons gewekt had, liet zich, nu de deur gedeeltelijk bezweken was, duidelijker hooren.
"Het is onze gastheer niet" — zeide Maud.
"Ik geloof, dat het de oude Kobus is" — antwoordde ik. "Maar waar zijn in vredesnaam Van Noort en zijn zuster? Die schijnen het jets heel gewoons te vinden, wanneer hun gasten het huis afbreken!"
"Tracht naar buiten te komen, Willy! Dan zullen wij spoedig weten, hoe of wat."
Hiertegen was niets in het midden te brengen. Ik vatte den rand van het gebroken paneel stevig met beide handen aan en, onder aanwending van al mijn. krachten, gelukte het mij er een groot stuk af te breken. Door deze bewerking eenige malen te herhalen, bracht ik het eindelijk zóó ver, dat de opening groot genoeg werd om er doorheen te kruipen. En enkele oogenblikken later stond ik, na een kleine klim- en kruip-partij, die meer zonderling dan elegant was, in de bovengang.
Het bonzen en roepen wees mij den weg. Er waren twee deuren, die aan de binnenzijde op dezelfde wijze bewerkt werden als ik dat de onze zooeven gedaan had: maar de gedachte aan een stormram was bij onze mede-"arrestanten" blijkbaar nog niet opgekomen. Ik klopte op de eerste der beide deuren en vroeg. wie aan de andere zijde zoo'n leven maakte. Er kwam echter geen antwoord en het bonzen ging onverminderd voert.
Nu echter bereikte mij een stem uit de andere kamer.
"Is daar iemand?" — klonk het en ik hoorde dadelijk, dat het inderdaad de oude Kobus was, die gesproken had.
"Ik ben het!" — riep ik "Meneer Hendriks, die hier vannacht gelogeerd heeft!"
"Goddank!" — klonk het van de andere zijde van de deur. "Ik zit hier opgesloten en 't schijnt, dat de doof-stomme jongeheer ook niet van z'n kamer kan."
Nu begreep ik, waarom vanuit de andere kamer niemand geantwoord had.
"Wie heeft je daar opgesloten?" — vroeg ik.
"Wist ik 't maar!" — luidde het antwoord. "Ik heb me vanochtend verslapen en nu sta ik al 'n uur lang te bonzen. Waarom is u niet vroeger gekomen?"
"Ik was óók opgesloten, vriend! Maar 't verwondert mij, dat meneer Van Noort je niet gehoord heeft."
"Ik begrijp d'r niks van. Maar maakt u nou de deur toch open!"
"Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er zit van buiten geen sleutel op!"
Het bleef een oogenblik stil. De man dacht blijkbaar na.
"In de kamer, waarin u gisteravond geweest is, staat in de kast, links van de deur, een kistje met timmermansgereedschap" — zeide hij eindelijk.
"Ik zal het halen!"
Onder het voortdurend gebons, dat mij uit de kamer van den doof-stommen jongen naklonk, daalde ik de trap af. In de kamer, waar wij gegeten hadden, was niemand en het gebruikte servies stond nog op tafel; maar ik vond het kistje op de aangeduide plaats. In de benedengang riep ik 'n paar maal, of er niemand in huis was. Ik opende zelfs enkele deuren, maar zag of hoorde niets. De zaak was werkelijk onverklaarbaar!
Toen ik weer boven kwam, werd ik door Kobus, van achter zijn deur, met vreugde begroet.
"Hebt u wel eens meer 'n slot opengestoken?" vroeg hij.
"Helaas, neen!" — antwoordde ik. "Ik ben geen slotenmaker en geen inbreker."
"Ik óók niet" — klonk Kobus' stem, gevolgd door een korten lach. "Maar wij, buitenlui, moeten van alle markten thuis zijn. Ik kan u wel zeggen, hoe u doen moet."
Ik toog dus aan het werk, daarbij opvolgende de aanwijzingen, die mij van de andere zijde gegeven werden. Het gelukte boven verwachting! Een kwartier later ging de deur open en verscheen Kobus op den drempel. Hij zag er rood en warm uit: geen wonder, na zijn trommelpartij van dien ochtend!
"Hoe is U eruit gekomen?" — was zijn eerste vraag.
"'k Heb 'n paneel van de deur ingeslagen" zei ik.
"Alle weerga!" — klonk het bewonderend van Kobus' lippen. "Meneer moet pootig zijn."
"Dat schikt vrijwel" — antwoordde ik. "Maar hier de deur van den doofstommen jongenheer zullen we liever niet inslaan. Toon jij nu je kunsten eens, Kobus, en beproef je krachten op het slot."
Zooals niet meer dan begrijpelijk was, bleek Kobus, bij mij vergeleken, een volmaakt inbreker. Vijf minuten nadat hij zijne werkzaamheden begonnen was, stond de deur open. De arme Albert bleek heel wat meer onder den indruk te verkeeren van wat gebeurd was dan de meer lakonieke Kobus. In zijn zenuwachtigheid stiet hij allerlei onverstaanbare klanken uit. Vermoedelijk trachtte hij te spreken, maar, was hij onder gewone omstandigheden reeds moeielijk te verstaan, nu was hij in het geheel niet te begrijpen. Hij zag dat zelf wel in en dit maakte hem nog zenuwachtiger. De tranen liepen hem over de wangen en hij stampte driftig op den grond.
Eindelijk gelukte het mij een verstaanbaar woord op te vangen, het woord "moeder"! En nu had ik mijzelven wel om de ooren kunnen slaan, omdat ik hem niet vroeger begrepen had. Natuurlijk maakte de arme jongen zich ongerust over zijn moeder! Hij wist, dat hij langen tijd op de deur gebonsd had: zijn moeder had dat toch moeten hooren! En nu zij niet gekomen was, vroeg hij zich àf, wat daarvan de reden kon zijn.
Ik deed mijn best hem tot kalmte te brengen.
"Maak je niet ongerust, m'n jongen" — zeide ik, langzaam sprekend en scherp articuleerend. "Alles zal zich wel spoedig ophelderen. Wij zullen nu naar beneden gaan en dan wachten, totdat je moeder terugkomt. Zij is zeker uitgegaan."
Hij schudde ongeduldig het hoofd en maakte een gebaar, alsof hij deze mogelijkheid ver van zich wierp.
"Waar — is — Oom?" — De woorden kwamen er nu duidelijker uit, maar dat kostte hem groote inspanning.
"Ik weet het niet" — antwoordde ik. "Wij zullen dat wel ontdekken, als wij beneden zijn."
Wij gingen nu met ons drieën de gang door en passeerden daarbij onze kamer, waarbij mijn beide metgezellen verbaasde blikken wierpen op het vernielde paneel. Maud, die nog steeds op haar bed zat, stelde ik met enkele woorden op de hoogte van den toestand en verzocht haar, geen moeite te doen om te loopen, vóórdat ik zou terugkomen. Daarop gingen wij naar beneden.
Wij doorzochten thans de kamers, maar vonden nergens een spoor van Van Noort en zijne zuster. Het bleek ons, dat onze gastheer in het geheel niet naar bed was gegaan. Ik vermoedde, dat het in zijn slaapkamer geweest was, dat de nachtelijke bezoeker binnengelaten was, toen wij nog in de huiskamer zaten. Daarentegen was het bed van onze gastvrouw beslapen. De dekens waren haastig op zijde geworpen, alsof zij plotseling was opgestaan.
Wij zochten in het huis en in de kleine schuur, die aan den achterkant daarvan was aangebouwd. Ook op de bovenverdieping gingen wij opnieuw van kamer tot kamer. Maar al ons zoeken was vergeefsch!
De zoon van onze gastvrouw was nu stil geworden. Toen wij, na onzen rondgang, de huiskamer weêr betraden, ging hij op een stoel zitten en deed geen poging meer om op zijn gebrekkige wijze te kennen te geven, wat er bij hem omging. Zijn oogen hingen echter aan onze lippen, om ons de woorden van den mond àf te lezen, en aan de zenuwachtige bewegingen van zijn handen, waarvan de vingers zich beurtelings inéénstrengelden en weêr ontwarden, was het merkbaar, hoezeer het in zijn binnenste werkte en gistte.
Nadat ik getracht had hem, op de tegenover hem gebruikelijke langzame en nadrukkelijke wijze sprekend. nogmaals gerust te stellen, liet ik hem bij den ouden Kobus achter, met de belofte spoedig terug te komen om te overleggen, wat ons te doen stond. Ik ging daarop naar boven, want ik wilde mijn vrouw niet langer alleen laten. Toen wij de boven-verdieping hadden afgezocht, had Kobus ook van ònze kamer het slot opengemaakt, zoodat het niet meer noodig was door het gebroken paneel in- en uit te kruipen. Ik wilde nu beproeven, Maud naar beneden te helpen; want het scheen mij gewenscht, dat wij allen bijeen bleven, totdat wij de oplossing van het raadsel gevonden zouden hebben of althans totdat G. G. ter plaatse zou zijn, om ons met raad en daad bij te staan.
Maud's voet deed minder pijn dan den vorigen avond. Het gelukte mij dan ook, zonder àl te veel moeite, haar naar beneden te krijgen. En tien minuten nadat ik naar boven was gegaan, zaten wij opnieuw, thans met ons vieren, in de huiskamer. Kobus had wat ontbijt klaar gezet, maar wij waren te zeer onder den indruk van den vreemden toestand, waarin wij ons bevonden, om daaraan veel eer te bewijzen.
Dat noch Van Noort, noch zijn zuster binnenshuis was, bleek nu wel voldoende. Zij moesten dus uitgegaan zijn. Waarom en waarheen? — Vergeefs vroegen wij ons dit af en ik maakte er mijzelven bittere verwijten over, dat ik in den afgeloopen nacht mij telkens door den slaap had laten overmannen. Wanneer ik beter had opgepast, zou het mij wellicht gelukt zijn, althans eenige aanwijzing te ontvangen omtrent deze geheimzinnige zaak, die ons nu een onoplosbaar raadsel scheen.
Kobus zei ons, dat hij reeds twee jaren bij Van Noort in dienst was; maar het was in al dien tijd nog nooit voorkomen, dat zijn meester en zijn meesteres op dit vroege uur waren uitgegaan. Daarbij kwam, dat die meesteres zoo goed als nooit buiten kwam; en àls zij dat deed, bleef zij steeds in de onmiddellijke nabijheid van het huis. Hij herinnerde zich niet, dat zij zelfs het boschpad, dat naar de open heide voerde, ooit betreden had!
Zooals vanzelf sprak, vroeg ik niet naar den geheimzinnigen bezoeker, dien ik het laatst in den afgeloopen nacht gezien had, toen hij met Van Noort datzelfde boschpad was ingeslagen. Ik oordeelde het voorzichtig niet te laten blijken, dat ik hem gezien en zelfs herkend had — wanneer men althans van "herkennen" spreken kan, waar 't iemand geldt, van wiens identiteit men niet het flauwste begrip heeft. Een Rus! Vermoedelijk uit Den Haag! — Dat was alles wat ik van hem wist! Maar zelfs dat weinige liet ik niet blijken, want, door het geheim te houden, behield ik misschien een middel om later te ontdekken, of Albert en Kobus geheel openhartig tegenover ons zouden zijn.
Ik zeg hier: "later", omdat ik er niet aan dâcht, 'n soort van verhoor te gaan afnemen. Daarmede zou ik veel hebben kunnen bederven en ik deed beter het aan de autoriteiten en aan G. G. over te laten. Trouwens... geheel uitgesloten was het natuurlijk niet, dat de thans vermisten in den loop van den ochtend voor den dag zouden komen. Het kon zijn, dat zij naar het huis terugkeerden, ja dat was zelfs waarschijnlijk! Dat moest toch wel gebeuren! Het was ondenkbaar, dat zij voor langen tijd weggegaan waren, onder achterlating van den armen, doofstommen jongen. Deze laatste overweging deed mijn moed herleven. En ik begon werkelijk te hopen, dat, niettegenstaande het thans nog onbegrijpelijke der zaak, deze spoedig een natuurlijke oplossing vinden zou. Wel vielen mij telkens weêr de vreemde gebeurtenissen in, die den vorigen avond en in den nacht hadden plaats gehad, maar als ik dáártusschen en tusschen wat nu geschied was verband zocht, geraakte ik in een zóó grooten doolhof van onbegrijpelijkheden en tegenstrijdigheden, dat ik geen poging durfde ondernemen om daarin den weg te vinden. De beste gids, die mij het rechte pad wijzen kon, zou immers nog dienzelfden ochtend komen: G. G.! En ik besloot zelf niets te ondernemen, vóórdat hij op het terrein verschenen zou zijn.
Een oogenblik dacht ik erover, om zelf naar Nunspeet te fietsen, teneinde zijn komst te verhaasten. Ik wilde echter Maud, met haar zieken voet, onder deze toch zeker abnormale omstandigheden niet alleen laten. Bovendien, het liep reeds naar half-elf: véél had ik de komst van den detective dus tôch niet kunnen bespoedigen, want reeds om half-twaalf zou ik op den uitkijk staan.
Wij besloten dus te wachten totdat hij komen zou, en dan de verdere leiding aan hèm over te laten.
Tegenover Albert en den ouden Kobus zeide ik alleen, dat ik een vriend verwachtte, met een karretje om mijn vrouw wèg te brengen. Wie en wàt die vriend was, zeide ik niet: ik wilde speciaal den doofstommen jongen niet nog zenuwachtiger maken, door hem te laten merken, dat de hulp van een detective wel eens noodig zou kunnen zijn. Trouwens wie weet? — misschien zou die hulp ook wel geheel overbodig blijken!...
* * *
Het uur, dat nu volgde, viel mij oneindig lang. Maud, die zéér begaan was met Albert, hield zich vooral met dezen bezig. Hoewel het haar eenige moeite kostte, slaagde zij er toch in, een vrij geregeld gesprek met hem te voeren, dat van haar zijde hoofdzakelijk uit woorden van bemoediging, van de zijne uit woorden van aanhankelijkheid voor zijn moeder en van dankbaarheid voor mijne vrouw bestond. Hij scheen er een soort van troost in te vinden, Maud's hand vast te houden; onder den invloed van haar aanraking kalmeerde hij zichtbaar.
Kobus was naar de keuken gegaan; de goede, oude man dacht ook in deze oogenblikken aan zijn plicht, die medebracht voor het middag-eten te zorgen; hij had ons gezegd, dat Van Noort en zijn zuster gewoon waren om één uur te eten en dat hij hoopte, ze tegen dien tijd wel te zien terugkomen.
Ikzelf ging naar buiten, dwaalde om het huis heen en drong aan den achterkant zelfs in de struiken en het bosch door. Waaròm ik dat deed, had ik zelf niet kunnen zeggen. Een onbestemde onrust dreef mij voort en ik zag overal rond naar sporen van de beide verdwenen menschen, hoewel ik mij op hetzelfde oogenblik telkens vóórhield, dat zij waarschijnlijk spoedig in den besten welstand vóór mij zouden staan.
Na eenigen tijd ontdekte ik, dat ik niet de eenige was, die aldus door onrust gekweld werd. Toen ik, uit de struiken komende, weêr in den moestuin trad, zag ik, dat ook de oude Kobus naar buiten gekomen was. Hij liep langzaam langs den achterkant van het huis, de oogen op den grond gericht en zich nu en dan bukkende om beter te kunnen zien.
"Kun je óók geen rust vinden, Kobus?" — vroeg ik, nader tredende.
De oude man keerde zich om. Hij zag er nu bleek en vermoeid uit: de ondervindingen van dien morgen hadden hem blijkbaar sterk aangegrepen.
"Ik kon het in de keuken niet langer uithouden" zeide hij (en zijn stem beefde van aandoening). "Het eten staat nu òp en ik kon best even weg. God geve, dat mijn meester en mijn meesteres het meê zullen helpen opeten!"
Hoewel die verzuchting niet juist poëtisch was, lag er iets zóó roerends in de eenvoudige wijze, waarop hij aan zijn verdriet en zijn angst lucht gaf, dat mij de tranen in de oogen schoten.
"Laten we het hopen, Kobus!" — zeide ik. "Terwijl ik hier buiten rondliep, zijn ze mij geen oogenblik uit de gedachten geweest. Onwillekeurig zoek ik overal!"
Kobus hief nu het hoofd op en keek mij strak aan. "Ik ook!" — zeide hij met nadruk. "Meneer Van Noort liep vóór het ontbijt dikwijls wel 'n half uur hier achter, op het pad langs het huis, heen-en-weêr. Gisteren heb ik het bijgeharkt: als hij hier vanochtend geloopen had, zou ik zijn voetstappen moeten zien. Maar er is niets... niets..."
Hij draaide zich snel om en hervatte zijn onderzoek van het pad. Ik begreep, dat hij niets vinden zou; hijzelf ook, waarschijnlijk! En toch zou ik er niet aan gedacht hebben, hem terug te houden! Dat zou hem gekwetst hebben: hij wilde handelen, hij wilde iets doen. Waarom zou ik hem de illusie niet laten, dat ik inderdaad geloofde aan het nuttige van wat hij deed?
Ik liet hem in den moestuin achter en ging zelf naar den vóórkant van het huis, waar ik door de struiken hééndrong tot op de open heide. Het was elf uur. Nog 'n half uur en G. G. zou komen!
## HOOFDSTUK VIII HUISZOEKING.
Evenals den vorigen dag scheen de bruine heide te stoven in de warme zonnestralen. Er was wat meer wind komen opzetten en het ruischen der bosschen vormde thans den achtergrond van de groote middagstilte. Zacht gegons van insecten zweefde òm mij. Nu en dan ritselde het in het hout, wanneer een hagedis of misschien een kleine slang de nabijheid van den grooten dierenvijand, den mensch, ontvlood.
Helaas! Terwijl ik op het mos zat te wachten en naar de komst van mijn vriend uitzag, vermocht de middagstemming der natuur niet tot mijn gemoed dóór te dringen. Ik bleef, gejaagd en ongedurig, dóórdenken over het zonderlinge van den toestand en in den geest zoekende... zoekende..., zooals ik dien geheelen ochtend gezocht had.
Eindelijk, in de verte, van achter een lichte golving van het terrein, het lang verwachte karretje! Het kwam snel nader. Weldra kon ik den koetsier herkennen: wij hadden al meer met hem gereden en mijn vriend wuifde mij uit het rijtuigje toe, weinig vermoedende, dat hij een "experiment" tegemoet reed!
Een kleine victoria: smal, zeer licht en laag op de wielen, een uitstekend wagentje om, zoo het noodig was, over oneffen terrein te rijden! Het overbrengen van Maud zou nu geen bezwaar meer ontmoeten, maar eerst...
G. G. was uitgestapt en trad met uitgestrekte hand op mij toe.
"Mooi op je post, Willy!" — zeide hij. "Hoe staat het met den voet van je vrouw?"
"Het gaat vrij goed" — antwoordde ik, en de toon, waarop ik sprak, trok dadelijk de aandacht van mijn vriend.
"Wat is er aan de hand?" — vroeg hij, terwijl hij mij verbaasd aankeek. "Je ziet eruit, alsof je iets gewichtigs op het hart hebt, dat je graag kwijt wilt raken."
"Laat den koetsier nog 'n paar minuten verder rijden" — zeide ik. "Er gaat daar een paadje het bosch in en daar moet hij blijven wachten. Maar zeg hem, dat het nog al lang duren zal. Ik heb je veel te vertellen."
De koetsier werd van de vereischte instructies voorzien en ik drong, met G. G., door de struiken, tot wij in den bloementuin vóór het huis stonden.
"Een idyllisch verblijf!" — oordeelde mijn vriend. "Het bekende hutje op de hei is er niets bij! Dat zie je op 'n mijl afstand. *Hier* is 'n mensch werkelijk heelemaal ,en privé': naast de hei en àchter de struiken! Ik verlang ernaar de kennis te maken van de menschen, die het origineele denkbeeld hebben gehad zich hier te vestigen."
"Je zult je verlangen voorloopig moeten bedwingen" — zeide ik. "Die menschen zijn wèg!"
"Weg?" — Hij keek mij aan met oogen, waarin de mij zoo bekende harde glans kwam, die erop wees, dat de detective in hem ontwaakte.
"Spoorloos verdwenen!" — zeide ik. "Ik heb met ongeduld op je gewacht, want ik wilde niets ondernemen buiten je voorkennis."
"Is het ernstig?" — vroeg hij.
"Zéér ernstig."
"Een geval voor de autoriteiten?"
"Niet onmogelijk! Laten wij nu naar binnen gaan: ik kan je dan alles vertellen."
"Ik heb liever, dat je dat hier buiten doet, Willy!" — zeide hij, terwijl hij plaats nam op de bank, links van de voordeur. "Wie zijn er binnen?"
"De doof-stomme zoon en mijn vrouw; de oude knecht is waarschijnlijk in den moestuin achter het huis."
"Het lijkt niet beleefd, dat ik je vrouw niet dadelijk mijn opwachting ga maken, Willy!" — zeide hij met iets berouwvols in zijn stem. "Het haar overkomen ongeval geeft haar dubbel recht op belangstelling. Maar... als er werkelijk iets ernstigs gebeurd is, is het beter, dat ik het terrein, waarop de geschiedenis speelt, met eenige kennis van zaken betreed. Bovendien: hier zijn we alleen. Vertel op, Willy, en zoo uitvoerig mogelijk!"
Ik had nog slechts enkele woorden gezegd, toen hij mij met een ongeduldig gebaar het zwijgen oplegde.
"Je spreekt veel te luid, m'n jongen!" — zeide hij. "Je stem is niet in harmonie met deze rustige omgeving. Tracht die meer in overeenstemming te brengen met de stilte rondom ons!"
Vermoedelijk vreesde hij, dat men ons beluisteren zou, hoewel ik niet zou geweten hebben, wie dat had moeten doen. Maar ik was gewoon, in dergelijke zaken zijn aanwijzingen stipt op te volgen, en sprak dus verder met gedempte stem.
Het is overbodig te herhalen, wåt ik hem vertelde. Het was, in hoofdzaak, hetzelfde wat ik den lezer in de laatste hoofdstukken heb meegedeeld. Sommige gedeelten liet hij mij — zooals hij dat in zulke gevallen meer placht te doen — tweemaal vertellen, en nu en dan legde hij mij, door een plotseling gebaar, het zwijgen op, om gedurende eenige minuten de oogen te sluiten en onbeweeglijk achterover te leunen op zijn bank. Dit was een bewijs, dat hij aan het "combineeren en deduceeren" was.
Toen mijn verhaal ten einde was, bleef hij zóó lang in die voor hem typische houding zitten, dat het mij moeite kostte, hem niet uit zijn gepeinzen te wekken.
Maar ik wist te goed, dat het beter was hem de draden zijner gedachten tot het einde te laten uitspinnen, dan dat ik aan den lust daartoe niet weerstand zou geboden hebben. Zooals steeds, kwam de overgang van het stille denken tot het energieke handelen bij hem zeer plotseling.
Hij sprong van de bank op en sloeg de hand aan de klink van de deur.
"Je verhaal was uitvoerig en duidelijk, Willy" zeide hij op den schoolmeester-achtigen toon, dien hij soms aannam en die mij altijd hinderde, "misschien hier en daar wat te uitvoerig. Je verstaat het nog niet voldoende, de hoofdzaken van de bijzaken gescheiden te houden. We zullen nu een kijkje ,in loco' gaan nemen!"
Dit zeggende, opende hij de deur; maar in plaats van binnen te gaan, bleef hij plotseling staan waar hij stond, en keek beurtelings naar de deur en naar mij.
"kom eens hier!" — zeide hij.
Ik trad nader, benieuwd naar wat er volgen zou.
"Gooi de deur eens dicht, Willy! Flink maar, met 'n vaartie!"
Ik deed, zooals mij bevolen was. De deur draaide wat stroef in haar scharnieren, zoodat zij, tengevolge van den stoot, dien ik haar gaf, niet dadelijk toevloog zooals ik verwacht had —, maar betrekkelijk langzaam draaide en met een korten, drogen klik in de klink viel.
"Dat is van groot belang!" — zeide G. G., nog steeds staan blijvende.
"Wat?... Die deur?..." — vroeg ik.
"Natuurlijk!" — antwoordde hij, de geheele manoeuvre nu zelf nog eens herhalend. "Je begrijpt toch waarom?"
Ik schudde het hoofd. Het gevoel van ('t is een te tragische uitdrukking, maar ik weet geen betere!) geestelijke onmacht, dat mij zoo dikwijls beving tegenover G. G.'s snelheid in het denken en concludeeren, begon mij te bekruipen.
Ook mijn vriend schudde het hoofd, maar met de mij wèl-bekende uitdrukking van meêwarigheid op het gezicht.
"Jammer!" — zeide hij en... zweeg!
Daarop gingen wij naar binnen.
* * *
Maud en Albert zaten nog samen in de huiskamer; de oude Kobus was weêr in de keuken bezig.
Toen wij de huiskamer binnentraden stond Albert op en wilde wèggaan. Ik begreep dat dit in verband stond met den tegenzin, dien hij steeds gevoelde om met vreemden in aanraking te komen. G. G. sprak geen Hollandsch, hoewel hij, sinds zijn huwelijk met Mariska, moeite deed de taal te leeren: met het lezen en verstaan begon het reeds te gaan, maar het was hem afgescheiden nog van de moeite, die hij met de uitspraak had — onmogelijk een geregeld gesprek te voeren. Met ons sprak hij altijd Engelsch.
Onder die omstandigheden was het niet gemakkelijk voor hem, het vertrouwen van den armen jongen te winnen. Met zijn gewone tactgevoel begreep hij, dat dit hem des te moeilijker vallen zou, naarmate hij meer liet merken, dat hij er moeite voor deed. Hij knikte Albert dus vriendelijk toe, maar trachtte niet hem in de kamer terug te houden.
Wij waren dus met ons drieën: Maud, G. G. en ik; en nadat mijn vriend met groote hartelijkheid naar Maud's toestand geïnformeerd had, bracht hij het gesprek dadelijk op de zaak, die ons allen vervulde.
"De groote vraag schijnt mij deze te zijn" — aldus begon G. G.: "hebben Van Noort en zijn zuster vijanden?"
"Dat zou kunnen verklaren, waarom zij zich op deze eenzame plaats gevestigd hebben" — antwoordde ik.
"En het verklaart nog veel meer, Willy! Onder anderen het zonderlinge wantrouwen, dat — nevens de betoonde beleefdheid — Van Noort telkens weêr liet doorschemeren. Misschien zal de jonge man, die ons zooeven verlaten heeft, ons daaromtrent het een en ander kunnen mededeelen, maar wij moeten hem niet verschrikken door er nu al naar te vragen."
"t Is niet onmogelijk, dat ook de oude Kobus ons" op den weg kan helpen" — zeide Maud.
"Heel veel zal hij wel niet weten" — meende de detective. "Hij is een eenvoudige knecht, die slechts twee jaren hier is geweest en van het vóórleven van zijn meester en zijn meesteres vermoedelijk niets weet. Intusschen, ook hem kunnen we ondervragen, als we wat meer van de feiten weten."
"En dienen wij de autoriteiten niet te waarschuwen?" — vroeg ik.
"Nog niet, Willy! Ook daarvoor moeten we eerst wat meer weten. We zouden 'n mooi figuur maken, als we hen alarmeerden en straks de beide verloren schapen in den besten welstand voor onzen neus stonden!"
"Maar hoe kómen wij meer te weten?" — vroeg mijne vrouw.
"Het eenige middel daartoe dragen we bij ons: hier, Mevrouw!" — en G. G. wees op zijn oogen.
"Observeeren?" — vroeg ik.
"... èn deduceeren; juist, Willy! Als je zoo goed wilt zijn, mij nu op een rondgang door het huis te vergezellen, zul je mij een genoegen doen. Onzen jongen vriend Albert zullen we, als we hem daarbij aantreffen, weêr hierheen sturen. U kunt hem zeggen, wie ik ben, Mevrouw! Hij maakt zich nu immers al dood-zenuwachtig en het bewustzijn, dat het niet al te stompzinnige hersens zijn, die naar een oplossing zoeken, zal hem eer rust geven dan onrust veroorzaken."
"Ik begrijp niet, waarom we hier huiszoeking moeten houden" — zeide ik. "We weten toch reeds, dat Van Noort noch zijn zuster in huis is."
"Ga maar meê, Willy!" — zeide G. G., terwijl hij naar de deur ging. Daar bleef hij nog even staan.
"Tracht het vertrouwen van den jongen te winnen, Mevrouw!" — zeide hij met grooten nadruk, "En, als het kan, leer hem ook mij vertrouwen. U is de eenige, die daarin slagen kan."
Daarop gingen wij de gang in.
* * *
Het is niet noodig, onzen geheelen rondgang door het huis te beschrijven. Nergens scheen G. G. iets bizonders te ontdekken, behalve in twee vertrekken.
Het eene was de slaapkamer van Van Noort's zuster. Wij vonden er Albert, die op een stoel zat met de oogen strak gevestigd op het bed, waarvan — zooals ik reeds gezegd heb — de dekens haastig op zij geworpen schenen te zijn. Toen wij binnen kwamen, duurde het eenigen tijd, vóórdat hij ons in het oog kreeg, omdat hij met zijn rug naar de deur gekeerd zat. Nauwelijks echter had hij ons ontdekt, of hij wierp ons een schuwen, bijna vijandigen blik toe en wilde de kamer verlaten. Ik vatte hem bij de hand, en, terwijl ik hem diep in de oogen keek, sprak ik opnieuw een paar bemoedigende woorden en verzocht hem, terug te gaan naar mijn vrouw, die hem iets te zeggen had. Hij knikte en er kwam een zachtere uitdrukking in zijn blik. Gewillig ging hij de gang in en, op den drempel van de deur staande, zag ik hem in de huiskamer verdwijnen.
G. G. was intusschen met het onderzoek van het vertrek begonnen. De vloer bestond uit donker geschilderde planken, waarop hier en daar matten van een dikke, zachte stof lagen. Zulk een mat lag ook vóór het bed. G. G. knielde daarnaast op den vloer, bekeek haar nauwkeurig, bestudeerde den rand ervan en tilde haar eindelijk, zonder haar te verschuiven, met beide handen omhoog om ook eronder te kunnen zien. Vervolgens nam hij twee lichte pantoffels, die onder het bed stonden, in de hand, maar plaatste ze dadelijk weder op de plaats, waar hij ze gevonden had.
Een oogenblik later bleef hij voor de waschtafel staan. Hij had den rug naar mij toe gekeerd en opééns zag ik, dat hem een lichte schok door hals en achterhoofd voer. Ik wist, dat dit wees op een plotselinge, gewichtige ontdekking. Het was zijn grootste gebrek als detective (zooals hijzelf beweerde), dat hij in zoo'n geval die onwillekeurige beweging niet altijd onderdrukken kon. Veel moeite had hij zich gegeven om deze gewoonte af te leggen, maar hierin was hij nooit geheel geslaagd.
Ditmaal werd zijn verrassing blijkbaar veroorzaakt door een voorwerp, dat hij in de hand genomen had. Het was een gewoon glas, half gevuld met water, met daarin ..- twee valsche tanden, door een gouden plaatje met elkander verbonden. Waarom het vinden daarvan hem zoo verraste, begreep ik niet.
Het tweede vertrek, waar iets bizonders onze aandacht trok, was de keuken. Kobus was, toen wij binnen kwamen, met het fornuis bezig. Niettegenstaande de warmte had hij zijn pet opgehouden, maar nam die af, toen hij ons zag binnen treden. Hij keek ons aan met de hem eigen, dom-verbaasde uitdrukking op het gezicht en draaide de pet tusschen de handen rond.
Het fornuis stond onder een schouw, die, zooals dat in boerenhuizen meer voorkomt, van binnen met ruwe tegels bekleed was. Tusschen deze schouw en het venster, dat in den moestuin uitzag, lag een stapel houtblokken, waarvan Kobus er juist twee afnam om ze in het vuur te gooien.
"Vraag hem, waarom hij zooveel brandhout in de keuken heeft, Willy!" — zeide G. G. nadat hij een blokje van den stapel afgenomen had.
"Om niet telkens heen-en-weêr naar het schuurtje te moeten loopen" — antwoordde Kobus, toen ik hem de vraag had overgebracht. "Ik heb hier in huis zóóveel te doen, dat elke minuut, die ik win, geld waard is."
Ik herinnerde mij nu, dat Van Noort ons gezegd had, hoe deze man zijn factotum was. Hij was kok, tuinman, kamermeisje, alles tegelijk! Het was dus zeer verklaarhaar, dat hij trachtte tijd te winnen. Bovendien was hij 'n oude man, die uit den aard der zaak liever niet méér liep dan noodig was.
G. G. knikte het factotum vriendelijk toe.
"Hij is 'n brave kerel, Willy!" — zeide hij. "Vraag hem nu nog, wanneer hij voor de laatste maal hout uit de schuur gehaald heeft?"
De oude Kobus keek mijn vriend, toen ik hem ook deze vraag overbracht, aan met 'n blik, waarin verbazing te lezen stond over de groote belangstelling, die deze voor den stapel brandhout toonde.
"Gisteren" — zeide hij en begon in een pan te roeren. "Ze zijn zeker erg nieuwsgierig in het land waar die meneer vandaan komt" — voegde hij eraan toe, terwijl hij bedenkelijk met het hoofd schudde.
G. G. lachte en klopte hem op den schouder.
"Ik wou dat ik jelui taal beter sprak" — zeide hij. "Dan zouden Kobus en ik beste maatjes worden. En nu nog één vraag: hoeveel paar schoenen had Mevrouw?"
"Drie!" — antwoordde Kobus en "Dank je!" zei G. G.
Vanuit de keuken kon men door een deur in den moestuin komen. Toen wij buiten traden, ging de detective regelrecht op de schuur toe, die achter tegen het huis was áángebouwd. Deze vertoonde van binnen niets bizonders; er lag een groote stapel brandhout, er stonden een paar kruiwagens, en eenige spaden, harken en schoffels leunden tegen den muur. Tot mijn verwondering sloot G. G. de deur zorgvuldig achter ons.
"Ziezoo!" — zeide hij. "Hier kan niemand ons hooren. Ik zal je nu zeggen, tot welke slotsom ik gekomen ben."
Hij zweeg een oogenblik en zeide toen zacht, maar met grooten nadruk:
"De moeder van dien doofstommen jongen heeft het huis nooit verlaten!"
## HOOFDSTUK IX DE SCHUILPLAATS VAN MEVROUW X.
Wàt ik verwacht had, dit zeker niet!
Mijn stomme verbazing stond vermoedelijk zeer duidelijk op mijn gezicht te lezen, want G. G., die zeer ernstig geweest was, schoot plotseling in den lach.
"Je kijkt als 'n visch, die voor het eerst ontdekt heeft, dat 'r land bestaat" — zeide hij. "En tôch is de zaak dood-eenvoudig. Heb je ooit gehoord van een dame, die op bloote voeten uitgaat?"
"Niet dat ik weet!" — antwoordde ik naar waarheid.
"Als je goed had rondgekeken in de slaapkamer, die wij samen doorzocht hebben, zou je tot dezelfde slotsom gekomen zijn als ik. Je hebt zelf de opmerking gemaakt, dat de toestand, waarin we het bed aantroffen, erop wees, dat Mevrouw-X (het wordt vermoeiend telkens zoo 'n lange omschrijving te gebruiken) haastig was opgestaan; de pantoffels stonden onder het bed en de kousen hingen over een stoel. Drie paar schoenen stonden in de kast netjes naast elkander en Kobus heeft ons verteld, dat zij er niet méér bezat."
"Dat is werkelijk alles heel eenvoudig en logisch" — zeide ik.
"Er was nog iets anders, Willy! Je hebt me de zuster van je gastheer beschreven als een imposante, voornaam-uitziende dame, die haar uiterlijk allerminst verwaarloozen zou. Kun je je voorstellen, dat zoo iemand, nadat ze haar nachtrust genoten heeft, haar woning verlaat en uren lang wèg blijft zonder zich te wasschen? Het waschstel was ongebruikt, Willy!"
"Ik constateerde dat bekende schokje bij je, toen..." Met een ongeduldig gebaar viel hij mij in de rede.
"Ik begrijp het al" — zeide hij. "Dat moet geweest zijn, toen ik de proef op de som kreeg. Denk je, dat een dame voor vele uren uitgaat en haar valsche tanden stilletjes op haar waschtafel laat staan? Nooit, Willy!"
Hij zeide de laatste twee woorden met zóó grooten pathos, dat het nu *mijn* beurt was om te lachen.
"Maar het is toch ondenkbaar, dat zij binnenshuis verdwenen zou zijn!" — zeide ik.
"Toch is dat de oplossing, waarop al het geobserveerde wijst" — antwoordde hij, nu zéér ernstig. "En wanneer het blijken mocht, dat die oplossing juist is, dan vrees ik, dat wij voor een zeer tragische ontdekking staan."
Hij zeide de laatste woorden op een toon, die mij deed vermoeden, dat hij meer wist dan hij mij zeide.
"Heb je een théorie?" — vroeg ik en wachtte vol spanning het antwoord.
Dat wachten duurde vrij lang. Hij had de oogen gesloten en stond zeker vijf minuten lang volkomen onbeweeglijk. Toen ontwaakte hij plotseling tot dubbel energiek handelen.
"Kom, Willy!" — zeide hij, terwijl hij mij vóórging naar buiten. "Ik hèb een théorie en ik kan die dadelijk op haar deugdelijkheid toetsen."
Hij ging terug naar het keukenraam. Naar binnen kijkende zagen wij, dat de oude Kobus nog altijd bij het fornuis stond. Hij was druk met zijn pannen in de weer en keek niet op.
Rechts van het raam groeide een wilde wingerd tegen het huis op. Hoewel de jonge bladeren nog niet hun volle ontwikkeling bereikt hadden, was het loover toch zóó dicht, dat het onderste gedeelte van den muur er geheel onder schuil ging.
Weet je wat hier aan den anderen kant van den muur ligt?" — vroeg G. G., op het onderste deel van den wingerd wijzende.
"De keuken, natuurlijk!" — antwoordde ik.
Hij maakte een ongeduldig gebaar.
"Je moet beter preciseeren, Willy!" — zeide hij. "Aan den anderen kant ligt die stapel brandhout, waarvan ik een blokje bekeken heb."
Hij bukte en boog de takken uit elkander.
"Let nu goed op, Willy! Uit wat we hier vinden of niet vinden zal blijken, of de théorie, die ik mij gevormd heb, juist is!"
Hij boog de takken nog verder op zijde en nu zagen wij, dat er vlak tegen den muur een kleine verdieping in den grond gemetseld was en dat daarop een smal, met een ijzeren staaf bevestigd en met een korst van stof en aarde bedekt venstertje uitkwam.
"Er is daaronder een kelder!" — zeide hij.
"Hoe heb je dat in Godsnaam geweten, Geoffrey?" — riep ik uit.
"Dat zal ik je later wel uitleggen! Kom nu meê naar binnen!"
Zijn stem klonk scherp en kort-af, en de harde glans was in zijn oogen weêrgekeerd. In de keuken ging hij op de ruwe houten tafel zitten en keek 'n poosje zwijgend naar de evolutiën van Kobus bij het fornuis.
"Vraag hem eens, Willy" — zeide hij eindelijk, "of ze hier in huis 'n kelder hebben."
De vraag scheen onschuldig maar ik begreep, dat het een strikvraag was. In gevallen als deze was het een stelregel van G. G., zelfs het meest onwaarschijnlijke niet onmogelijk te achten. Den ouden Kobus, die zelf opgesloten geweest was, met het verdwijnen van Van Noort en zijn zuster in verband te brengen, scheen, oppervlakkig beschouwd, een dwaasheid. Maar mijn vriend had, gedurende zijn langdurige practijk, zóó dikwijls het onwaarschijnlijke waar zien worden, dat hij alleen datgene als mogelijkheid verwierp, wat buiten elken twijfel onwaar was gebleken. Ook in dit geval werd zelfs de oude man door hem op de proef gesteld. Het was duidelijk, dat de detective de een of andere bizondere beteekenis aan het bestaan van dien kelder hechtte; vermoedelijk geloofde hij, dat hij daarin aanwijzingen vinden zou omtrent de zaak, die ons bezig hield. Wanneer Kobus pogen zou, het bestaan ervan geheim te houden, zou dit, eenerzijds, bewijzen, dat er inderdaad iets niet mede in den haak was, en, anderzijds, dat Kobus zelf daar meer van wist.
Zooals ik wel verwachtte, doorstond de oude man de proef glansrijk: hij had er natuurlijk geen flauw vermoeden van, dât hem een strik gespannen werd!
"Hier onder de keuken is 'n keldertje" — zeide hij. "Meneer Van Noort heeft mij dat meermalen gezegd. Maar het is in jaren niet open geweest!"
"Waar is de ingang?" — vroeg ik, op hoog bevel. "Daar in den hoek. Het brandhout ligt erop gestapeld!"
G. G. knikte. Hij was blijkbaar voldaan èn omdat zijn théorie bevestigd werd èn omdat Kobus bewees van den prins geen kwaad te weten.
"Wij zullen eens een kijkje in dat geheimzinnige keldertje nemen" — zeide hij, van de tafel àfspringende, en op den stapel hout toetredend. "Maar laat Kobus eerst nog eens zeggen, of het hem ook opgevallen is, dat er hier vandaag meer hout ligt dan gisteren?"
Kobus nam de stapel opmerkzaam op. Toen knikte hij langzaam met het hoofd.
"Ik had er tot dusver niet op gelet" — zeide hij. "Maar er ligt meer dan ik gisteren gebracht heb; ik begrijp niet, hoe dat er gekomen is."
"Misschien zal het ons gelukken, onzen vriend daaromtrent in te lichten" — zeide G. G., terwijl hij begon met de houtblokken weg te nemen en ze in een anderen hoek op te stapelen. "Help mij eens meê, Willy! En ook Kobus kan z'n handen wel eens uit de mouw steken. Veel handen maken het werk licht."
Tengevolge van onze vereenigde krachtsinspanning slonk de stapel zienderoogen. Het duurde niet lang, of er kwam een verveloos, vierkant luik voor den dag. Toen dit geheel vrij lag, bukte mijn vriend zich en bekeek het nauwkeurig.
"Kobus zegt, dat dit luik in langen tijd niet open geweest is, niet waar?" — vroeg hij, zich weder oprichtende.
Ik liet den ouden man dit nog eens bevestigen.
"Dan heb ik 'n nieuwtje voor hem" — hernam G. G. "Dit luik is nog zeer kort geleden open geweest. Het zit dik onder de stof, maar de reten tusschen het luik en den vloer zijn, zooals je zelf zien kunt, Willy, scherp åfgeteekend en zoo goed als stofvrij. Wij zullen nu eens zien, of wij het open kunnen krijgen."
Hij vatte den roestigen ring en maakte de opmerking, dat ook deze vrijwel stofvrij was. Daarop trok hij uit alle macht en het luik ging halverwege open. Maar misschien wel met opzet — liet hij het plotseling los, zoodat het met een doffen slag weêr dicht viel.
"Herken je dat geluid. Willy?" — vroeg hij.
*daalde drie of vier treden naar beneden...*
Er was geen twijfel aan: dit was hetzelfde geluid, waardoor ik dien morgen gewekt was. En nu werd het mij ook plotseling duidelijk, wat G. G. bedoeld had, toen hij mij zooeven de voordeur van het huis had doen dichtgooien. Die deur had langzaam op haar scharnieren gedraaid en was met een drogen klik dichtgevallen. De doffe slag, dien ik des ochtends gehoord had, kon dus niet veroorzaakt zijn door het dichtvallen van de deur, zooals ik gedacht en aan G. G. verteld had. De oorsprong van dat geluid was nu duidelijk. En daardoor was het tevens duidelijk, dat het kelderluik inderdaad dien ochtend geopend was.
G. G. had het thans opnieuw geopend en ditmaal geheel, zoodat het tegen den muur áán rustte. Een houten, vermolmde ladder voerde naar beneden en, zonder zich lang te bedenken, zette de detective den voet op de eerste sport en daalde drie of vier treden naar beneden. met den rug naar den ladder gekeerd. Toen bukte hij zich en, zich rugwaarts aan de stijlen vasthoudende, keek hij in den lagen kelder rond.
Het duurde lang, voordat hij zich weder oprichtte. Kobus stond met een bleek gezicht toe te kijken, en ook ik voelde, dat mijn gelaatskleur minder fleurig was dan onder normale omstandigheden. Maar toen de detective zich oprichtte, was hij de bleekste van ons drieën.
"Het is, zooals ik gevreesd heb, Willy!" — zeide hij. "De vrouw, die je gisteren gastvrijheid verleende, ligt daar beneden... vermoord!"
* * *
Hoewel ik meer en meer een tragische ontknooping van ons avontuur was gaan vermoeden, viel deze — de grootste — tragiek mij toch als een donderslag op het lijf. Ik was eenige oogenblikken niet in staat om iets te zeggen en verlengde daarom nog de spanning van den ouden Kobus, die geen Engelsch verstond en dus niet wist, wat de detective gezegd had.
"In God's naam, spreekt U toch!" — zeide hij eindelijk, schor en toonloos. "Wat is er daar beneden?" Ik zeide het hem zoo voorzichtig mogelijk.
Een oogenblik stond hij onbeweeglijk. Toen sloeg hij beide handen voor het gezicht en zonk op een stoel inéén.
En het bleef langen tijd stil, want zelfs G. G. was zóózeer onder den indruk, dat hij, na die eerste vreeslijke woorden, geen verdere woorden vinden kon.
Hij was de ladder weder opgekomen en stond aan den rand van het vierkante, donkere gat, dat mij huiveren deed telkens als mijn oog erop viel.
Eindelijk verbrak zijn stem de stilte, die tot dusverre slechts door het zware ademen van Kobus verbroken was.
"Je hebt daarjuist gevraagd, of de autoriteiten gewaarschuwd moeten worden, Willy!" — zeide hij. "Dat moet nu zeker gebeuren en wel zoo spoedig mogelijk!"
"Maar hoe bereiken wij ze het snelst?"
G. G. draaide zich plotseling, met een driftige beweging, naar mij toe.
"Hoor eens, Willy!" — zeide hij. "Je bent hier in je eigen land en je bent advocaat. De vraag, die je mij stelt, behoor ik aan jou te stellen."
Ik kon niet ontkennen, dat hij gelijk had. Vermoedelijk waren wij hier in de gemeente Epe en deze behoort tot het rechtsgebied van het Arrondissement Zutphen. Ik had daaraan vroeger reeds gedacht en tevens was mij toen ingevallen, dat de Officier van Justitie bij de Rechtbank te Zuphen, Mr. Vereman, een zeer goede bekende van mij was. Wij hadden samen gestudeerd en waren zelfs clubgenooten geweest. Daarna hadden wij elkander uit het oog verloren, zooals dat met vrienden uit den studententijd zoo dikwijls geschiedt. Het was wel een zonderling toeval, dat ons op deze wijze weer samenbrengen zou!
"Hoe is het?" — liet G. G. zich hooren. "Ik wacht op je advies, m'n jongen!"
"Ik stel voor" — begon ik, "den koetsier, die nog steeds aan den ingang van het boschpad staat te wachten, met z'n rijtuig zoo spoedig mogelijk naar Apeldoorn te sturen. Ik zal hem 'n telegram medegeven voor den Officier van Justitie te Zuphen. Zooals ik dezen ken, zal hij geen gras over de zaak laten groeien en dadelijk naar Apeldoorn sporen. De koetsier kan hem daar blijven wachten en hem dan dadelijk hierheen rijden."
"Een uitmuntend plan, Willy!" — zeide de detective. "Nu spoedig dat telegram als 't je blieft!"
Ik schreef het snel op een bladzijde van mijn notitieboekje. Het luidde aldus:
"Geheimzinnige moord op de Veluwe onder Epe, in "huis rand heide. Bewoner Van Noort, verslagene zijn "zuster. Verzoek dringend onmiddellijke overkomst.
"Rijtuig wacht U te Apeldoorn." Om alle misverstand te voorkomen teekende ik voluit: "Mr. Willem Hendriks, advocaat uit 's Gravenhage".
Op verzoek van mijn vriend belastte ik mij ermede, den koetsier de noodige aanwijzingen te geven. G. G. zelf wilde, onder de bestaande omstandigheden, het huis niet verlaten. Nadat ik mij van mijn opdracht gekweten had en het rijtuigje had zien wêgrijden zoo snel het kleine, maar krachtige paard het trekken kon, keerde ik langs het boschpad naar het huis terug.
G. G. had in dien tusschentijd Maud in het vertrouwen genomen en deze had de zware taak aanvaard, den doofstommen jongen voor te bereiden op wat deze thans onvermijdelijk spoedig vernemen moest. Zij was met hem in de huiskamer. Kobus was in de keuken gebleven en G. G. trof ik aan, achter het huis heen-en-weêr loopende op hetzelfde pad, waarop de verdwenen heer des huizes dat zoo dikwijls gedaan had.
De gedachte aan Van Noort was mij, sinds de ontdekking van het lijk zijner zuster, niet uit het hoofd geweest. Waar was hij?... Waarom had hij den vorigen avond òns en de andere huisgenooten opgesloten?... Was hij, evenals zijn zuster, het slachtoffer van een geheimzinnige misdaad geworden?... Of was het mogelijk...?
Hier rezen vermoedens, die ik het niet waagde verder te formuleeren, zelfs niet in het verborgene van mijn intiemste gedachten! Voorloopig was het beter, mijn "denken" wat in toom te houden en mij te beperken tot wat ik wist en gezien had.
"Geoffrey" — zeide ik, nadat ik mij bij hem gevoegd · en eenigen tijd mèt hem achter het huis gepatrouilleerd had, "je hebt mij beloofd, dat je mij later zoudt zeggen, hoe je ertoe gekomen bent, de aanwezigheid van dien kelder onder het huis te vermoeden. Vind je niet, dat het tegenwoordige oogenblik zeer geschikt is om daarvoor te worden gebruikt?"
Even keek hij mij aan, met in de oogen iets, dat naar ongeduld zweemde; maar toen glimlachte hij.
"Waaròm ook niet?" — zeide hij. "Je zult mij anders tòch rust noch duur laten. Alleen verwondert het mij, dat je het niet begrepen heb: de zaak was nog al eenvoudig!"
"Wat voor jou eenvoudig is, is dat nog niet voor mij" — zeide ik. "Je presumeert bij je omgeving altijd te veel van je eigen scherpzinnigheid."
"'t Is mogelijk, Willy! In elk geval zul je het nu spoedig begrijpen! Toen wij de keuken betraden, koesterde ik (tengevolge van onze observaties in de slaapkamer) reeds de vaste overtuiging, dat de verdwenen vrouw ergens binnenshuis verborgen moest zijn. Wij hadden alle kamers nauwkeurig onderzocht en ik had er behoorlijk acht op gegeven, dat de verschillende ruimten, waarin het huis verdeeld is, precies aan elkaâr grenzen. Er zijn geen dubbele muren en geen dubbele vloeren; de architectuur van de geheele woning is trouwens eenvoudig, op het naïeve af, zooals bij een boerenhuis ook niet anders verwacht kan worden. Het heeft dus niets verwonderlijks. dat ik aan een kelder dacht, die misschien aan onze aandacht ontsnapt was."
"Maar hoe kwam je ertoe, dien kelder zoo nauwkeurig te localiseeren?"
"Wij eindigden ons onderzoek met de keuken" vervolgde hij, zonder mijn vraag rechtstreeks te beantwoorden. "Tusschen het fornuis en den buitenmuur lag, tegen den binnenmuur aan, dat brandhout opgestapeld op een oppervlakte van zeker een vierkanten meter. De stapel was niet veel hooger dan twee decimeter en zou heel wat minder plaats hebben ingenomen, wanneer men hem hooger gemaakt had. Intusschen, niet dàt was het opvallende aan de zaak."
Hij hield even op, zooals zijn gewoonte is, wanneer hij, al vertellende, tot iets bizonder belangrijks gekomen is. Ik kende die gewoonte en wachtte geduldig. Na korten tijd vervolgde hij aldus:
"Kobus zeide ons, dat hij den vorigen dag brandhout uit het schuurtje gehaald had. Maar het blokje, dat ik van den stapel genomen en bekeken had, was (evenals een paar andere, die ik later nog òpnam) vochtig, zóó vochtig, dat het onmogelijk reeds een geheelen dag in de warme keuken-atmosfeer kon gelegen hebben. Ook zat er nog wat vochtige aarde aan, die er — bij een zóó lang verblijf in de keuken — als droog zand zou zijn àfgevallen. Dat vochtige hout lag alleen vóóraan. Je zult mij nu wel begrijpen, Willy!"
"Nog niet!" — antwoordde ik nederig.
"Het moet je toch duidelijk zijn, dat ik verschillende punten in mijn geestelijk opschrijfboekje noteerde. Ten eerste: het breed uitspreiden van het hout! Het kon wijzen op het voornemen iets te bedekken, dat zich er onder bevond. Gegeven nu, dat ik feitelijk op den zoek was naar een kelder, ligt het voor de hand, dat ik aan een kelderluik dacht. Ten tweede: het feit, dat er vochtig hout vóóraan den stapel lag (hout, dat er waarschijnlijk dezen morgen was neêrgelegd), wees op het voornemen den stapel nog te verbreeden, misschien om wat eronder lag — het luik — beter te bedekken. Ten derde: had Kobus ook dat hout gehaald en opgestapeld? Maar waarom loog Kobus dan ?"
Hier trad de gebruikelijke pauze in.
"De eerste twee punten waren oorzaak, dat ik nauwkeurig acht gaf, tegen welk deel van den buitenmuur het hout lag opgestapeld. Daar groeide aan de buitenzijde die wilde wingerd en je weet, wat we daaronder vonden! Het derde punt gaf mij aanleiding, den ouden Kobus op de proef te stellen. Je vond dat misschien dwaas en overbodig, Willy! Maar men moet nooit van achter-af oordeelen. De antwoorden van onzen vriend waren volkomen voldoende: hij weet evenmin als wij, wie vanochtend dat nieuwe hout uit de schuur gehaald heeft."
"Er is mij nog iets niet duidelijk" — merkte ik hier op. "Wij hebben mooi, droog weêr gehad en het hout, dat in de schuur ligt, zag er kurk-droog uit. Hoe komen die blokjes in de keuken dan nat?"
G. G. knikte goedkeurend.
, Heel goed, Willy!" — zeide hij. "Ik had gehoopt, dat je mij die vraag stellen zoudt! Natuurlijk stelde ik die mijzelven ook. Het antwoord is ook alweêr heel eenvoudig."
Opnieuw pauze!
"Als het zoo eenvoudig is" — kon ik niet nalaten te zeggen, "zeg het mij dan met een enkel woord. Het wachten wordt vervelend!"
"Jong en voortvarend, als steeds!" — zeide de detective hoofd-schuddend (men bedenke, dat deze man, in zekeren zin, mijn schoonzoon was!!). "Maar je zult je zin hebben! Als je je de moeite geeft even naar dien put te kijken, zul je zien, dat daaromhéén de grond in 'n soort van moerasje herschapen is. Ze knoeien in Gelderland blijkbaar nog al eens bij het water putten. Verder zul je kunnen constateeren, dat de put halverwege tusschen de keuken en het schuurtje ligt. Het is duidelijk, dat de man, die vandaag in den vroegen morgen het hout van de schuur naar de keuken transporteerde, een deel van zijn last bij den put in de modder vallen liet. Het bewijs daarvan zul je vinden in het feit, dat er nog twee of drie blokjes zijn blijven liggen: die heeft hij over het hoofd gezien, of hij heeft het niet de moeite waard gevonden, dáárvoor alleen terug te komen."
Er was geen speld tusschen te krijgen! In vroeger jaren zou ik enthousiaste woorden van bewondering gesproken hebben. Maar nu wist ik, dat mijn vriend zulke woorden altijd in de geboorte smoort! ..Wie wàs die man?" —— vroeg ik.
"Als wij dat wisten, zou de Officier van Justitie gemakkelijk werk hebben."
## HOOFDSTUK X DE JUSTITIE EN DE DETECTIVE.
Toen wij in de huiskamer kwamen, bevonden wij, dat Maud de vreeslijke tijding reeds aan Albert had medegedeeld. Zij had den arm om hem heengeslagen en hij leunde met het hoofd op haar schouder. Zijn oogen waren gesloten en op het mooie jongensgezicht waren sporen van tranen. Nu en dan schokten hem krampachtige snikken door het lichaam, maar de tranen vloeiden niet meer. Ik had liever gezien dat hij was blijven dóórschreien: het bittere, ingehouden verdriet van dezen jongen knaap was pijnlijk om aan te zien. Zijn doofheid maakte, dat hij ons binnenkomen niet bemerkte, en Maud gaf ons een wenk, dat wij hem niet storen zouden.
"Weet de armen jongen, dat hij zijn moeder verloren heeft?" — vroeg ik, onwillekeurig fluisterend, hoewel ik wist, dat hij mij evenmin gehoord zou hebben, wanneer ik luid gesproken had.
Maud knikte.
"Hij weet alles en hij weet ook, wie Geoffrey Gill is en dat deze hem helpen wil in den nood" — zeide mijn vrouw.
Vermoedelijk had zij bij het spreken een lichte beweging gemaakt. Albert sloeg plotseling de oogen op en keek ons een oogenblik ontsteld aan. Het scheen, dat zijn vroegere schuwheid weêr óver hem kwam en hij wierp een blik naar de deur, alsof hij van plan was, ons opnieuw te ontloopen. Maar ditmaal bedacht hij zich. Hij stond van zijn stoel op, trad op G. G. toe en vatte diens hand; maar de woorden, die hij trachtte te spreken, waren niet meer dan onverstaanbare klanken: om zich verstaanbaar te maken moest hij blijkbaar al zijn wilskracht op het spreken concentreeren en bij de hevige gemoedsbeweging, waarin hij verkeerde, was hem dit niet mogelijk. Zijn heftige gebaren echter waren welsprekend genoeg!
G. G. knikte hem bemoedigend toe en klopte hem op den donkeren krullenkop.
"Zeg hem, Willy" — zeide de detective, "dat ik hem bèst begrijp. Hij vraagt mij meê te helpen, om den moordenaar van zijn moeder op te sporen. Ik beloof hem mijn hulp. Ook dât kun je hem zeggen!"
Toen ik hem de woorden van mijn vriend, in het Hollandsch, en langzaam sprekende, had overgebracht (waarbij hij ze mij, als gewoonlijk, van de lippen àflas), kuste Albert, met aangeboren gratie, G. G. de hand. Daarop trachtte hij opnieuw iets te zeggen, maar ik verstond hem niet.
"Hij wil zijn moeder zien" — zeide Maud, thans weder in het Engelsch.
"Daarvan kan voorloopig geen sprake zijn" — zeide G. G. "Ik ben tegenover de autoriteiten niet verantwoord, als ik het lichaam niet laat in den toestand. waarin ik het gevonden heb. En in dien toestand" voegde hij er zacht aan toe, "mag de arme jongen het niet zien!"
Maud wist, zonder veel moeite, aan Albert duidelijk te maken, dat hij nog eenigen tijd zou moeten wachten. voordat aan zijn verlangen voldaan kon worden. De jongen scheen eerst te willen rebelleeren, maar toen G. G., op wien hij een gedeelte van het vertrouwen. dat hij in Maud stelde, scheen te hebben overgebracht. hem opnieuw op het hoofd klopte en trouwhartig in de oogen keek, onderwierp hij zich zonder verder protest. Hij ging op een stoel bij de tafel zitten, met het hoofd geleund op beide handen, en staarde met de groote, zwarte oogen onafgewend naar buiten. Een paar groote tranen rolden hem langs de wangen, maar de heftige uitbarsting van verdriet, die op de eerste mededeeling van den dood zijner moeder gevolgd was, herhaalde zich niet.
Wij drieën spraken verder in het Engelsch. Albert bleek niet geleerd te hebben, deze taal van de lippen àf te lezen.
"Ik weet niet, of het je opgevallen is" — zeide G. G., het woord tot mij richtende, "dat er in deze zaak, buiten en behalve de groote vragen — het motief tot den moord èn de identiteit van den moordenaar — nòg iets onverklaards is."
"Verklaar mij dan, wat nog onverklaard is, Geoffrey" — zeide ik, 'n weinig geprikkeld, omdat G. G. weêr, op de hem eigen indirecte wijze, raadseltjes aan het opgeven was.
"Ik bedoel het geval van de sleutels" – antwoordde hij en, daar hij niet verder sprak, was ik wel genoodzaakt te vragen, wêlk geval en wêlke sleutels hij meende.
"Vanochtend waren hier in huis niet minder dan drie bewoonde kamers van buiten àfgesloten. Waar zijn de sleutels van die kamers, Willy?"
Inderdaad, hier stonden wij voor een vraagstuk, waarvan de oplossing van groot belang kon zijn. De bedoelde drie sleutels hadden wij niet gevonden. Die van de kamer, waarin mijn vrouw en ik dien nacht hadden doorgebracht, had ik het laatst in de handen van Van Noort gezien, en ik bracht dit aan G. G. in herinnering.
Hij knikte en sloot daarop de oogen, combineerend en deduceerend!
"Ik kan hieromtrent niet tot een bepaalde slotsom komen" — zeide hij, na eenige minuten gezwegen te hebben. "Er zijn hier te veel mogelijkheden en waarschijnlijkheden. Vermoedelijk zijn die sleutels hier of daar verborgen — misschien wel weggegooid midden in het bosch. Maar, Willy, dit is zeker: mochten wij ze — één ervan of allen — in het bezit van een persoon aantreffen, dan kan dit een belangrijke aanwijzing worden *tegen* dien persoon."
"Maar als Van Noort weêr voor den dag komt, zal die den sleutel van onze kamer wel bij zich hebben" zeide ik.
"Hij heeft hem tenminste bij zich gehâd, Willy! Misschien heeft hij hem dus nòg, tenzij..."
"Welnu, tenzij...?"
"...tenzij de sleutel ergens in de bosschen ligt, Willy!" Wederom voelde ik, dat er een vermoeden bij mij rees, een vermoeden dat ik vroeger onderdrukt had. maar dat nu met vernieuwde kracht terugkwam. Was het mogelijk, dat Van Noort was weggegaan, omdat hij zèlf...?
Opnieuw hield ik mijn wilde gedachten in toom, opnieuw nam ik mij voor, alleen te gelooven aan wat ik gezien had en dus wist!
* * *
Volgens onze berekening zou het wel 'n uur of vier worden, vóórdat Mr. Vereman ter plaatse kon zijn. Het wachten, in deze vreemde en angstwekkende omstandigheden, oefende op allen een neêrdrukkenden invloed, maar tòch had het ook zijn goede zijde: het schonk aan Maud's bezeerden voet de gelegenheid om ongestoord uit te rusten. De waterverbanden werden geregeld vernieuwd en de zwelling was reeds aanzienlijk verminderd. In den aanvang had ik mij bezorgd gemaakt over Mariska, die, nu wij zoolang wègbleven zich misschien zeer zenuwachtig maken zou. Maar toen G. G. mij verzekerde, dat hij haar, vóór zijn vertrek, erop had voorbereid, dat wij ons wel eens langer konden doen wachten dan toen te voorzien was, was ik daarover niet langer ongerust. De detective had immers van den aanvang af, als 't ware bij intuïtie, gevoeld, dat er in het eenzame huis aan den rand van het bosch jets niet in den haak was. Dit onbestemde gevoel was sterk genoeg geweest om hem ertoe te brengen, zijn vrouw op ons eventueel laat komen voor te bereiden.
Reeds om half-vier arriveerden onze eerste bezoekers. Wij hadden ze niet zoo snel verwacht. Het waren de waarnemende burgemeester en een veldwachter uit Epe: de burgemeester was op reis in het buitenland en deze waarnemende burgemeester was een heerenboer. Zij kwamen per rijwiel en hadden de reis ondernomen op telegrafische aanwijzing van den Officier van Justitie uit Zutphen. De naam "Van Noort" had hun dadelijk aangewezen, waar zij zijn moesten.
De beide nieuw-aangekomenen waren het geheel met mij eens, dat wij wachten moesten met eenigen stap te ondernemen, totdat Mr. Vereman zou zijn gearriveerd. G. G. hield zich voorloopig op den achtergrond. Hij vond het onnoodig, zich thans reeds bekend te maken en het was een vermakelijk iets, bij alle ellende die ons omgaf, dat de veldwachter uit Epe, van het eerste oogenblik af, een geweldig wantrouwen tegen hem opvatte. Deze dienaar van Hermandad volgde hem, waar hij ook ging, met donkere blikken en toen mijn vriend, dien dit wantrouwen in hooge mate vermaakte, even, met 'n onschuldig gezicht, op een van de banken vóór het huis was gaan zitten, stond de veldwachter, naar deze meende wel verborgen, hem van achter een paar struiken te bespieden met oogen, die zijn slachtoffer zeker doorboord zouden hebben, als de daad den wil had kunnen volgen!
De waarnemende burgemeester wilde ons allerlei bizonderheden mededeelen omtrent Van Noort en zijne zuster. Maar G. G. verzocht mij hem in overweging te geven, ook daarmede te wachten, totdat Mr. Vereman er zijn zou. Had het van mij alléén afgehangen, ik zou den man stil hebben laten uitpraten, hetgeen waarschijnlijk te wijten was aan een eigenschap, die ik bezit, en die ik zelf beschouw als een uitvloeisel van mijn altijd wat inquisitieven geest, doch door G.G. — ik ben ervan overtuigd, ten onrechte — als nieuwsgierigheid bestempeld wordt.
Om vier uur stonden G. G. en ik op den uitkijk op den rand van de heide, bij den ingang van het boschpad. Wij behoefden niet lang te wachten: reeds na vijf minuten kwam het rijtuigje in zicht, en kort daarop schudde ik mijn ouden vriend Vereman — in onzen studententijd werd hij, vanwege zijn lengte van M. 1.90 kortweg "de lange" genoemd — hartelijk de hand.
"Blij je weêr te zien, dandy!" — zeide Vereman, vanuit zijn onmetelijke hoogte op mij neêrblikkend, op de half-humoristische, half-beschermende manier, die ik mij zoo goed van hem herinnerde. En er helpt nu niets aan: ik moet bekennen, dat ik in mijn studenten-tijd "dandy" genoemd werd, in verband met mijn neiging om, misschien àl te veel, mijn uiterlijk te verzorgen. Ik kom daarmede thans met vrijmoedigheid voor den dag, want later heeft mijn vrouw mij meermalen verzekerd, dat deze neiging een van mijn voortreflijkste eigenschappen is. Ik heb zelfs plechtig moeten beloven, die eigenschap tot aan mijn dood te zullen bewaren!
Ik bracht Vereman dadelijk in kennis met G. G., en toen hij hoorde, wie deze was, zette hij groote oogen op!
"Dat is 'n heele verrassing, dandy!" — zeide hij, uit beleefdheid verder Engelsch sprekend. "Ik ken meneer Gill niet alleen uit je boeken, maar ook omdat ik — althans indirect — ,professional' met hem heb te doen gehad in een van de grootste internatio-. nale proces-zaken, waarin ik ooit betrokken ben geweest."
"De Raad van Vijf?"5) — informeerde G. G.
*5) Zie No. 4 der G.-G.-serie: "De man op den achtergrond".*
"Juist, de Raad van Vijf! En ik ben een van de weinigen, die in zijn vollen omvang over Uw voortreffelijk werk in die zaak oordeelen kunnen."
Dit zeggend stak hij G. G. de hand toe.
"Ik hoop, dat U bereid zult zijn, ons Uw hulp te verleenen, wanneer het geval, dat mij hierheen voert, ingewikkeld mocht blijken" — vervolgde Vereman, terwijl wij gezamenlijk het boschpad op wandelden. "Het zou dan wel een buitengewoon geluk zijn, dat ons van den aanvang af de medewerking van een van de knapste koppen van Europa bezorgt."
Bij vroegere gelegenheden had ik wel eens medegemaakt, hoe de autoriteiten van justitie en politie, hoewel in hun hart blijde, zich G. G.'s medewerking te verzekeren, daarvoor niet openlijk uitkwamen en hem zelfs door hun optreden aanleiding gaven, hun een gevoelige les toe te dienen. De gulle wijze, waarop Vereman hem als medewerker welkom heette, en diens openhartige erkenning van de waarde van de door hem te verleenen hulp, maakten op den detective een zeer aangenamen indruk.
"De zaak is buiten kwestie ingewikkeld, Mr. Officer" zeide hij. Vereman's titel aldus handig verengelschend. "Ik houd mij geheel tot Uwe beschikking; maar ik stel een voorwaarde."
"En die is?" — Het kwam mij voor, dat er nu iets kouds in Vereman's stem lag.
"Deze, Mr. Officer: dat ik met de geheele leiding der nasporingen belast zal worden. Ik verlang dit niet uit professioneele ijdelheid; Mr. Hendriks kan U bevestigen, dat ik voor de recherche in Holland alle respect heb, en, wanneer U het beter vindt, een Hollandschen beambte met het onderzoek te belasten, zou ik mij dat volkomen kunnen begrijpen. In dat geval zal ik U nauwkeurig mededeelen, wat ik vóór Uw komst ontdekt heb en verder de leiding aan mijn Hollandschen collega overlaten. Maar éénheid in het onderzoek moet er zijn; dus: òf hij alléén, òf ik alléén!"
Vereman dacht even na.
"En de taal?" — vroeg hij toen.
"Geen bezwaar!" — lachte G. G. "Een van mijn geliefkoosde stelregels (dien Mr. Hendriks al méér dan genoeg gehoord heeft) is, dat de taal ler logica internationaal is. Bovendien, mijn goede vriend hier zal mij bijstaan, daarvan ben ik zeker!" En hij klopte mij vriendschappelijk op den schouder.
Wij waren nu aan het huis gekomen. Vereman scheen een oogenblik te weifelen. Toen zeide hij ernstig:
"Ik neem op Uw gezag aan, Mr. Gill, dat wij voor een moeilijk onderzoek staan. Het toeval heeft gewild, dat U in de zaak gemengd is vóórdat de Nederlandsche politie of justitie zich ermede bemoeien kon. Heelemaal volgens de regelen is het niet, maar practisch en verstandig is het wèl, wanneer ik het onderzoek aan U, als leider, toevertrouw. Ik doe dat dus bij dezen en zal aan de politie de noodige aanwijzingen geven."
De detective boog.
"En nu, heeren, verzoek ik U, mij zoo uitvoerig mogelijk in te lichten."
Wij stonden nog buiten, op de plaats, waar het boschpad op de open plek om het huis uitkwam.
"Zouden wij niet eerst naar binnen gaan?" – vroeg ik. "Ik stel voor, buiten te blijven" — zeide G. G. "Tenzij Mr. Officer het anders wenschen mocht."
Vereman wierp een blik op het huis.
"Is de burgemeester daarbinnen?" — vroeg hij.
Wij antwoordden, dat de waarnemende burgemeester binnen was: wij hadden hem daar althans achter gelaten. Wat den veldwachter betreft, deze stond uit de verte toe te kijken, onbeweeglijk en als versteend van verbazing, omdat de Heer Officier schijnbaar op den besten voet stond met het individu, dat 's veldwachters argwaan had opgewekt: mijn onschuldigen vriend G. G.
Een wenk van Vereman bracht leven in het steenen beeld: de veldwachter werd naar binnen gezonden om den waarnemenden burgemeester te halen. Vereman had, evenals G. G. dienzelfden ochtend, besloten het huis niet te betreden, vóórdat hij, althans in groote trekken, op de hoogte was van wat zich daarbinnen had afgespeeld. Wij zetten ons op een van de banken vóór het huis en de veldwachter werd in den tuin geposteerd, om te zorgen, dat er niemand in de nabijheid komen zou.
Daarna deed eerst ik en vervolgens G. G. zijn verhaal. Beiden bepaalden wij ons tot de enkele feiten. zonder daaruit conclusies te trekken, en ik althans wachtte met groote spanning af, tot welke slotsom Vereman komen zou, wanneer hij onze mededeelingen had aangehoord. Maar vóórdat deze zich in eenig opzicht uitliet, deed de waarnemende burgemeester eenige mededeelingen, die de zaak nog geheimzinniger maakten.
Van Noort had sinds bijna tien jaar in het eenzame huis aan den rand van het bosch gewoond, mèt de vrouw, die hij voor zijn zuster uitgaf. De laatste was, toen zij zich daar vestigden, nog een jonge vrouw, zeker niet ouder dan vijf-en-twintig jaar; haar zoontje was toen misschien vier jaar. Beiden waren in het bezit geweest van legitimatie-papieren uit Rusland, die volkomen in orde waren. Van Noort zelf had bovendien de bewijzen overgelegd, dat hij van geboorte Hollander was, maar jaren lang in het buitenland had vertoefd, de laatste tien jaren in Rusland.
De vrouw was Russische onderdaan. Hare papieren luidden ten name van Mevrouw Olga van Noort, echtgenoote van wijlen Vladimir Alexovitch Casimir. Daar het Russische gezantschap in Den Haag hare opgaven bevestigde, werd de waarheid daarvan geen oogenblik in twijfel getrokken.
In den aanvang was er over die twee in de buurt nog al gepraat, vooral over de jonge vrouw met grijze haren, die — niettegenstaande haar Hollandsche geboorte — zoo op-ende-op een buitenlandsche scheen. Maar zij lieten zich te zelden zien dan dat dit gepraat lang aanhield. Mevrouw Casimir kwam zoo goed als nooit, Van Noort slechts uiterst zelden met anderen in aanraking. Zij schenen tevreden met hun eenzaam bestaan. In de eerste jaren hadden zij, als eenige hulp, een huishoudster gehad, die bij hen inwoonde. Maar eenige jaren geleden was die gestorven en toen hadden zij hun factotum gevonden in Kobus, den ouden, goedigen man, dien wij kenden. Voor Kobus was deze vaste betrekking een fortuintje geweest: en ook Van Noort scheen zeer tevreden over zijn nieuwen bediende.
Dit was ongeveer alles, wat omtrent broêr en zuster bekend was. Zij hadden al die jaren stilletjes en bijna vergeten voortgeleefd, niemand zoekende en zelven door niemand gezocht. Het treurspel, dat zich thans plotseling had afgespeeld, was voor allen een onverklaarbare gebeurtenis.
Nadat de Officier van Justitie onze drie verhalen had aangehoord, verzocht hij G. G., hem te brengen naar de plaats, waar het lichaam der vermoorde vrouw lag. De detective zeide hem, dat hijzelf de deuren van de keuken had afgesloten, om te beletten, dat er iemand in de nabijheid van de verslagene kwam, zoolang "Mr. Officer" alles niet had opgenomen. G. G. had, zooals ik zelf gezien had, het lijk niet aangeraakt en, nog halverwege de ladder staande, het alleen maar beneden zien liggen.
"Het is toch zeker, dat zij dood was?" — vroeg Vereman.
"Volkomen zeker, Mr. Officer!" — antwoordde mijn vriend. "Als U het lichaam ziet, zult ook U geen oogenblik daaraan twijfelen."
Wij wandelden om het huis heen naar de keuken en gingen deze binnen door de zijdeur, die in den tuin uitkwam. G. G. tilde het luik op en, op uitnoodiging van Vereman, daalde hij en ik, mêt dezen, in den kelder neêr.
Het lichaam lag rechts van de ladder, tegen den muur aan. Het was in nachtgewaad gehuld en geheel inééngezakt, alsof het van boven-af met krachtige hand zijwaarts in den kelder geslingerd was. De voeten waren bloot en het gezicht was naar boven gekeerd. Bij het licht van twee kaarsen, die de veldwachter ons door het geopende luik toereikte, zagen wij, dat het gezicht opgezwollen was en dat er een rij van blauwe plekken om den hals liep.
"Er bestaat niet de minste twijfel omtrent de wijze, waarop zij den dood gevonden heeft" — zeide Vereman, nadat hij zich over het lichaam had heengebogen. "Zij is geworgd: krachtige handen hebben haar de keel dicht gesnoerd!"
Toen deed ik een ontdekking zóó vreemd, dat mij de stem begaf om haar aan te kondigen. Bij het licht van de kaars zag ik in een der plooien van het nachtgewaad iets blinken. Ik bukte mij om beter te kunnen zien: het blinkende voorwerp was een sleutel. En iets
*Het lichaam lag tegen den muur aan. (verder, op den grond, lagen er nog twee.*
Ook hier was twijfel onmogelijk! Ik hield de drie sleutels in de hand, van de kamers, die dien ochtend op slot gevonden waren. Dien van onze eigen kamer (die in het midden een grooten deuk had) herkende ik dadelijk; het laatst had ik dien gezien in de hand van Van Noort! Hoe kwam hij thans hier in den kelder, bij het lijk der vermoorde vrouw?...
## HOOFDSTUK XI WIE VAN BEIDEN?
"Mochten wij die sleutels bij een persoon aantreffen, dan kan dat een belangrijke aanwijzing tegen dien persoon zijn." — Dit waren de woorden van G. G. geweest!
En nu hadden wij ze gevonden bij de vermoorde vrouw zelve.
Had zij ze bij zich gehad? — Had een ander ze er neêrgelegd? — Maar die ander moest dan geweten hebben, wat er in den kelder lag. Waarom had hij dan gezwegen? En wie wàs hij? Van Noort had één van die sleutels in zijn bezit gehad... Ik wilde niet verder denken..., ik wilde het oordeel van den detective afwachten!
Intusschen werd ons gezelschap opnieuw met één lid vermeerderd: Dr. Kolkman uit Epe, door den waarnemenden burgemeester gewaarschuwd, kwam op zijn fiets aanrijden. Hij daalde dadelijk in den kelder af en constateerde den dood tengevolge van worging. Het lichaam werd daarop naar de slaapkamer getransporteerd, waar het op het bed werd neêrgelegd en het was nu niet mogelijk meer, den zoon den toegang tot die kamer te weigeren. Maud, die althans weêr voorwaarts strompelen kon, ging mět hem naar binnen en trachtte hem te kalmeeren, toen hij, in een hernieuwde uitbarsting van hartstochtelijke droefheid, zich naast het bed op de knieën wierp.
De dokter was teruggekeerd naar Epe en de Officier van Justitie had het huis opnieuw van boven tot onderen doorzocht. Hij had nu ook de schrijftafel van Van Noort doen openbreken om te ontdekken, of daarin wellicht papieren waren, die licht konden werpen op wat geschied was. Maar men vond niets van belang, in het bizonder geen enkel document, dat omtrent de vóórgeschiedenis van Van Noort en zijne zuster eenige aanwijzing gaf. Een kleine som gelds werd gevonden, in goud en zilver, alles te zamen nog geen honderd gulden. Noch van het zware tafelzilver, noch uit het juweelen-kistie der vermoorde vrouw, dat eenige kostbare stukken bevatte, was schijnbaar iets ontvreemd. Trouwens, de gedachte aan diefstal was bij geen onzer gerezen.
Het eenige wat thans nog geschieden moest, was het ondervragen van Albert en van Kobus. Het was niet onmogelijk, dat daardoor nieuwe gezichtspunten zouden geopend worden. Daar Albert nog niet tot bedaren gekomen was, begon Vereman met het verhoor van den ouden knecht. Hij deed dat niet op plechtstatige wijze, door den man vóór zich te roepen en met een streng gezicht allerlei vragen te stellen. Integendeel: hijzelf ging bij Kobus in de keuken "'n praatje maken". maar deed dat zóó handig, dat hij weldra alles wist, wat deze hem mededeelen kon.
Veel was dat niet! Kobus was 'n goede twee jaar bij Van Noort in dienst. Deze was voor hem altijd 'n goed meester geweest en ook over zijn zuster had hij zich nooit te beklagen gehad. Waarom zij in zoo groote afzondering leefden, had hij hen nooit gevraagd. Dat ging hem ook niet aan, zoolang hij 't goed bij hen had! Wel was het hem dikwijls opgevallen, hoe angstig zij de aanraking met andere menschen vermeden. Hij herhaalde, wat hij ons vroeger reeds gezegd had: dat hij zich niet herinnerde, Mevrouw Casimir ooit het boschpad, dat naar de heide voerde, te hebben zien betreden. De verhouding tusschen broêr en zuster was altijd zeer goed geweest.
Men ziet het, deze mededeelingen brachten ons niet veel verder.
Op de vraag, of zijn meester en meesteres nooit bezoeken ontvingen, antwoordde hij, dat dezelfde persoon, die den afgeloopen nacht in huis geweest was, hen meermalen had bezocht en altijd in den nacht. Soms was hij dan tot 's ochtends gebleven, soms ook midden in den nacht wèggegaan. Wat die persoon doen kwam? Dat wist hij niet. Vroeger had hij zich daarover het hoofd wel eens gebroken, maar op den duur was hij eraan gewoon geraakt.
Of die man dan zoo dikwijls kwam? — Misschien zes of zeven keer in een jaar, met vrij regelmatige tusschenpoozen.
Of hij nooit eens een woord van het gesprek met dien vreemde had opgevangen? — Dat gesprek werd altijd in een vreemde taal gevoerd. Van Noort en zijn zuster spraken die vreemde taal ook meestal onder elkaår. Zij hadden hem nooit gezegd, wêlke taal het was.
En nu kwam de vraag, die mij vooral interesseerde: had Kobus ooit gemerkt, dat zijn meester of zijn meesteres vijanden had?
De oude man schudde het hoofd en zeide met grooten nadruk, dat hij daarvan nooit iets gemerkt had.
Of de verhouding tot dien geheimzinnigen, nachtelijken bezoeker vriendschappelijk was? — Zéér vriendschappelijk, hartelijk zelfs.
Ten slotte vertelde hij, dat hij den vorigen avond reeds vroeg naar bed was gegaan en den heelen nacht rustig had dóórgeslapen, om 's ochtends te ontdekken, dat men hem had opgesloten. Een van de bij het lijk gevonden sleutels herkende hij als dien van zijn kamer.
Hiermede was het gemoedelijke verhoor van den ouden man afgeloopen en nu rees de vraag, hoe men het moest aanleggen om den jongen Albert de voor de Justitie noodige verklaringen te doen afleggen. Een verhoor, in tegenwoordigheid van ons allen, zou stellig niet tot het gewenschte resultaat voeren. De sluwheid en het wantrouwen van den jongen zouden onoverkomelijke hinderpalen blijken. G. G. deed daarom het voorstel, ook deze taak aan Maud toe te vertrouwen. Zij was de eenige, met wie Albert zich op zijn gemak gevoelde, en tegenover haar zou hij wellicht openhartig spreken, vooral wanneer hij begreep, dat het doel van ons allen niets anders was dan den moordenaar van zijn moeder te vinden en te doen bestraffen. Vereman ging daarom met het voorstel van den detective meê, en Maud, die intusschen met den jongen naar de huiskamer was teruggekeerd, beloofde haar best te zullen doen.
Reeds na een half uur kon zij ons mededeelen, dat het "verhoor" was afgeloopen. Ziehier wat de jongen haar gezegd had:
Hij wist niet beter dan dat hij Casimir heette en dat Van Noort zijn oom was, de broêr van zijn moeder. Zij waren uit Rusland gekomen, maar hij herinnerde zich daarvan niets meer: hij was toen nog te jong geweest. Zijn eerste herinneringen waren verbonden aan de woning, waarin wij hem gevonden hadden. Hij had die — of althans de onmiddellijke omgeving nooit verlaten; zelfs had hij nimmer een nacht buiten die woning doorgebracht. Nooit had hij zich daaronder ongelukkig gevoeld: hij had integendeel steeds de behoefte gehad zich zoover mogelijk van zijn medemenschen àf te houden, want het bewustzijn, doofstom te zijn, drukte hem zéér, zéér zwaar. Het was zijn moeder geweest, die zich gedurende al die jaren geheel aan de taak gewijd had, hem het leven draaglijk te maken. Zij had zich op de hoogte gesteld van de moderne méthoden, die bij het onderwijs aan doofstommen gebruikt worden, en aan háár en haar oneindig geduld had hij het te danken, dat hij tenminste niet geheel afgesloten was van het verkeer met anderen. Merkwaardig genoeg had zijn moeder hem steeds in het Hollandsch onderwezen, hoewel zij met haar broêr meestal Russisch sprak.
Van zijn vader en van het vroegere leven zijner moeder wist Albert volstrekt niets: men had hem daaromtretnt in volkomen onwetendheid gelaten. Hij wist dus ook niet, of zijn moeder of zijn oom vijanden had. Wèl hadden beiden hem steeds ertegen gewaarschuwd, zich bij vreemden aan te sluiten en aan anderen vertrouwen te schenken. De eenige uitzondering, die zij in dit opzicht maakten, betrof de geheimzinnige persoonlijkheid, die wij als "den langen Rus" hadden leeren kennen. Albert kende dezen alleen onder den naam van "Serge". Wanneer Serge den avond in de woning van Van Noort doorbracht en niet te laat arriveerde, was het voor Albert steeds een groot geluk met hem samen te zijn. Hij wist in zijn gebrekkig Hollandsch (dat Albert intusschen zeer goed begreep) te vertellen van allerlei vreemde landen en allerlei vreemde menschen en de arme jongen, die zelf bijna als een gevangene leefde, luisterde ademloos naar die wonderverhalen uit een wereld, die hij niet kende. Na zijn moeder was Serge degene, aan wien Albert zich het meest gehecht had, meer nog dan aan zijn oom Van Noort. Hij bleek echter thans in het geheel niet te weten, dat Serge in den afgeloopen nacht in huis was geweest. Ik herinnerde mij trouwens, dat hij reeds lang naar bed was, toen ditmaal de nachtelijke bezoeker gekomen was.
* * *
"En thans Uw opinie, Mr. Gill!" — zeide Vereman.
Wij — dat wil zeggen: de Officier van Justitie, de waarnemende burgemeester, G. G., en ik — zaten om de tafel in de huiskamer. Maud was, mêt Albert, naar buiten gegaan, in de hoop, dat de heerlijke lente-lucht het hare ertoe zou bijdragen om den doofstommen jongen het bittere van zijn eerste droefheid te verzachten. Zij zaten samen op een van de banken vóór het huis. Maud's voet liet nog niet toe, dat zij wandelde.
"En thans Uw opinie, Mr. Gill!"
G. G. bleef een oogenblik zitten met gesloten oogen. Toen zeide hij langzaam:
"Het geval is moeilijk, Mr. Officer! Een bepaalde opinie heb ik mij nog niet gevormd."
Ik zag, dat dit den Officier van Justitie tegenviel. Hij was nog onbekend met de gewoonte van G. G. — die deze trouwens eerst in den loop der jaren, en door ondervinding geleerd, had aangenomen —, zich niet over de resultaten, waartoe hem zijn "deduceeren en combineeren" gebracht had, uit te laten, voordat hij ze aan de werkelijkheid getoetst had.
"U hebt dus geen enkele opmerking te maken?" vroeg Vereman.
"Integendeel, Mr. Officer, ik heb zeer vele opmerkingen te maken!" — antwoordde G. G. "Maar dáártusschen en tusschen het mededeelen van een bepaalde opinie ligt een groote afstand, dien men dikwijls slechts ten koste van veel werken en denken afleggen kan!"
Na dit staaltie van zijn beroepsfilosofie ten beste gegeven te hebben, leunde de detective achterover in zijn stoel en sloot de oogen opnieuw. Ik gaf Vereman een wenk, hem niet te storen, en ontving een geruststellend knikje terug. Ik herinnerde mij nu, dat de Officier van Justitie mijn vriend uit mijn boeken kende en dus begreep, dat het brein van den detective nu aan den arbeid was.
De waarnemende burgemeester echter, die nooit van G. G. gehoord had, verviel (gelijk vergeeflijk was!) in de dwaling, dat mijn vriend den onverklaarbaren inval gehad had, zich juist dit kritieke oogenblik voor een dutje uit te kiezen!
"Wel, heb ik van mien lêven..." — begon hij, met 'n boozen blik in de richting van den "slapenden" detective; maar verder bracht hij het niet, want Vereman legde hem met een nadrukkelijk gebaar het zwijgen op.
De positie van den burgemeester ad-interim was inderdaad niet benijdenswaardig! Ons gesprek werd in het Engelsch gevoerd, maar Engelsch verstond hij niet, al had hij zich in den aanvang den schijn gegeven, best te begrijpen wat er gezegd werd. En nu werd hem zelfs verboden, dezen onhebbelijken buitenlandschen snoeshaan tot de orde te roepen!
's Mans wraak was karakteristiek: ook hij leunde achterover in zijn stoel en... sloot de oogen! En toen later het gesprek algemeen werd, blééf hij aldus zitten, zich houdende alsof hij sliep, een stille bestraffing 'voor ons, anderen! Maar dat deze bestraffing indruk op ons maakte, durf ik niet te verzekeren.
Na een minuut of vijf sloeg G. G. de oogen op, ging recht overeind zitten en begon te spreken op de jetwat schoolmeester-achtige wijze, die hij aanneemt, wanneer hij zijn gedachten in logischen vorm kleedt.
"Het komt mij voor, dat er twee mogelijkheden zijn, Mr. Officer!" — zeide hij. "Zij houden verband met de twee personen, die, voorzooverre thans te oordeelen valt, van den moord verdacht kunnen worden. Ik zal dus de beide mogelijkheden behandelen, uitgaande van die beide personen.
"Ten eerste dan: de lange Rus, dien wij nu "Serge' hebben hooren noemen."
Hier zweeg G. G. een oogenblik en de waarnemende burgemeester sloeg de oogen op, om ze daarna weêr stijf dicht te knijpen.
"Welke gronden spreken vóór de schuld van Serge?"
vervolgde de detective na eenige oogenblikken. "Slechts gronden van den meest algemeenen aard! Zijn aanwezigheid gedurende den nacht; het geheimzinnige, dat zijn bezoek omgeeft; de zorg, waarmede hij een onmoeting met Mr. Hendriks en zijn vrouw vermeed; zijn vertrek vóór het aanbreken van den morgen!
"Zijn er ook gronden, die voor zijn onschuld pleiten? Zeer zeker, en gewichtige! De goede verstandhouding, waarin hij tot de vermoorde vrouw en haar zoon blijkt te hebben gestaan; het feit, dat hij (hoewel hij deze woning herhaaldelijk bezocht) voor zijn misdaad juist een nacht zou hebben uitgezocht, waarin Van Noort en zijn zuster aan anderen gastvrijheid verleenden; de omstandigheid, dat hij van ochtend met Van Noort het huis verliet en het moeilijk te onderstellen is, dat hij den moord als 't ware onder de oogen van Van Noort beging!
"Voorhands schijnen mij de gronden voor zijn onschuld sterker dan die voor zijn schuld, tenzij..."
"Tenzij...?" — vroeg Vereman, toen de detective plotseling zweeg.
"U zult mij vergunnen, den zin niet te voleindigen, Mr. Officer!" — zeide G. G. "Mogelijkheden, nog in het geheel niet gestaafd door bewijzen, behooren hier niet thuis en kunnen zelfs gevaarlijk zijn. Laat mij dus liever mijn redeneering aan de hand van de feiten vervolgen.
"Ik kom nu tot den tweeden persoon, op wien verdenking rusten kan: op Van Noort zelf!"
Ik sprong bijna overeind: hier werd het vermoeden, dat ik reeds eenige malen bij mij had voelen rijzen, onomwonden uitgesproken!
"Welke gronden" — aldus vervolgde G. G. — "spreken vóór de schuld van Van Noort? Hier staan wij tegenover gronden van meer *feitelijken* aard, die meer nauwkeurige aanwijzingen geven. Van Noort sloot zijn gasten en vermoedelijk ook de andere huisgenooten op: daardoor verzekerde hij zich vrij spel en vermeed het gevaar, dat hij op heeter daad betrapt zou worden; hij verliet het huis en keerde niet terug; het bestaan van den buiten gebruik gestelden kelder was hèm bekend (dat dit aan Serge bekend was, weten wij niet!): het zou dus verklaarbaar zijn, wanneer hij meende, het lijk daar langen tijd verborgen te kunnen houden; de sleutels, waarmede hij de deuren zijner huisgenooten heeft afgesloten, zijn in dien kelder gevonden.'
De detective zweeg, als om ons gelegenheid te geven, zijne woorden goed tot ons verstand te doen dóórdringen.
"Welke gronden pleiten voor de onschuld van Van Noort?" — vervolgde hij daarop, zijn systematisch betoog voortzettende. "Ook hij leefde in de beste harmonie met de verslagene; ook hij zou een zonderling tijdstip voor den moord hebben uitgekozen, met twee gasten in huis! Dat is alles! In dit geval schijnen mij de gronden, die op schuld wijzen, sterker dan de andere. Zoolang Van Noort voortvluchtig blijft, moet er op hem verdenking rusten."
"Maar het motief?" — vroeg thans Vereman.
"Van het motief weten wij niets" — antwoordde G. G. "Het zal er juist op aankomen uit te maken, of een van de beide personen, die wij kûnnen verdenken, een aanneembaar motief voor de daad had. De ontdekking van zoo'n motief zou ons kunnen leeren, wie van beiden de schuldige is."
"Wij weten zoo weinig van die personen" — merkte Vereman op.
"Het komt er dus op aan, méér van hen te weten te komen" — zeide de detective. "Daartoe bestaan verschillende middelen en ik geloof niet, dat wij in dit opzicht op groote moeilijkheden zullen stuiten."
"Het signalement van den langen Rus is gemakkelijk te geven" — zeide ik.
"En dat van Van Noort eveneens" — voegde Vereman eraan toe. "Beide signalementen kunnen in de ochtendbladen van morgen verschijnen. Ik heb ervoor gezorgd, dat vóór dien tijd geen berichten in de couranten komen. Maar de aanhouding van die beide mannen zal ik dadelijk gelasten."
G.G. dacht een oogenblik na. Toen zeide hij plotseling:
"Heb je een spoorboekje bij je, Willy?"
De vraag verwonderde mij, maar ik overhandigde hem het verlangde. Bij een vroegere gelegenheid heb ik er eens op gewezen, hoe verbazend snel mijn vriend, zelfs in de dikke buitenlandsche spoorweggidsen, zijn weg weet te vinden. In ons onnoozel dun spoorweggidsje had hij in enkele seconden gevonden wat hij zocht.
"All right!" — zeide hij. "In de ochtendbladen!"
De samenhang tusschen het spoorboekje en de ochtendbladen ontsnapte mij ten eene male, en ook de Officier van Justitie scheen verwonderd. Maar G. G. liet ons niet de gelegenheid aan onze verwondering uiting te geven. Hij stond op en was nu één-en-al actie, daarbij wel eenigszins uit het oog verliezende, dat niet hij, maar "Mr. Officer" hier de lakens behoorde uit te deelen.
"Mijn taak is hier voorloopig afgedaan" — zeide hij. "U, Mr. Officer, zult wel willen zorgen voor een onderzoek naar de vraag, of Van Noort en zijne zuster veel correspondentie ontvingen, en zoo ja, uit welke landen. Wat mij betreft, ik belast mij persoonlijk met een ander deel van het onderzoek. Vanavond vertrek ik naar Den Haag. De trein uit Nunspeet gaat om half-acht! Wij kunnen dien juist halen, Willy!"
Mijn gezicht moet één groot vraagteeken geweest zijn.
"Je hulp is mij onontbeerlijk" — zeide hij. "Jij hebt den langen Rus gezien, ik niet!"
"Maar wat zoek je, in Godsnaam, in Den Haag?"
"Laat dat aan mij over, Willy! Waar logeeren wij in de Residentie?"
"In ,De twee Steden" — zeide ik, door dit antwoord reeds bewijzende, dat ik voor den wil van mijn vriend gecapituleerd had. En opnieuw zegende ik de omstandigheid, dat Vereman den detective uit mijne boeken kende. Anders zou hij zich zeker aan diens autoritair optreden geërgerd hebben; nu glimlachte hu en gaf mij een knip-oogje.
"Telegrafische berichten bereiken mij dus, tot morgenochtend, in ,De twee Steden', Mr. Officer!" hervatte G. G. "Ikzelf zal u van daaruit telegrafeeren, of ik in Den Haag blijf of naar elders ga. Ga je vrouw halen, Willy! Ik heb met genoegen gezien, dat zij reeds beter loopt. De wandeling langs het boschpad tot aan den rand van de heide zal haar niet àl te moeilijk vallen."
"De koetsier wacht toch nog?" — vroeg ik.
"Natuurlijk! Hoe eer wij nu in Nunspeet zijn hoe beter!"
Er deden zich evenwel twee moeilijkheden voor.
In de eerste plaats: hoe moest Vereman naar Apeldoorn terugkomen? Het was een geluk, dat ik hem zoo goed kende en dat hij zoo'n beste kerel was. Hij nam mijn voorstel, van mijn rijwiel gebruik te maken, dadelijk aan.
Van Apeldoorn uit zou hij dat dan per spoor aan mij terugzenden.
De tweede moeilijkheid deed zich voor met betrekking tot den doofstommen jongen. Onze vriend, de veldwachter, met een collega, die sedert was aangekomen, zou ter bewaking van het huis achtergelaten worden. Kobus, die nog altijd erg in de war was, sprak erover zoo gauw mogelijk de streek te verlaten, maar moest natuurlijk dien nacht nog onder dak gebracht worden: hij wilde het liefst maar in de woning blijven. Maar Albert?...
Het scheen ons onmogelijk den armen jongen geheel alleen onder vreemden te laten. Wel waren wijzelven in den grond weinig méér dan vreemden voor hem. maar de eigenaardige verhouding, die tusschen Maud en hem ontstaan was, maakte, dat hij speciaal háár toch niet als zoodanig beschouwde. Het was roerend om te zien, hoe hij steeds in haar nabijheid bleef en hoe hij onrustiger werd, naarmate hij begon te begrijpen, dat het uur van scheiden naderde. Wij talmden niet lang en zeiden hem, dat hij met ons naar Nunspeet gaan zou. Natuurlijk zou hij den volgenden dag, zoo hij dat wenschte, kunnen terugkeeren. Zoolang zijn moeder niet begraven was, zou de woning, waar haar lichaam lag, voor hem een onweêrstaanbare aantrekkingskracht behouden.
Albert verzette zich niet tegen ons voorstel. Het was wel eigenaardig, dat deze ongelukkige jongen aldus onder onze hoede voor het eerst de plaats verlaten zou, waar hij was opgegroeid. Hijzelf begreep ook, dat hij nu de groote, onbekende wereld zou ingaan; hij toonde zich schuw en zelfs angstig, maar zoodra hij Maud's hand kon vasthouden, werd hij rustig en liet zich gewillig leiden.
Zoo aanvaardden wij dan met ons vieren den terugweg naar Nunspeet: Maud met Albert, G. G. en ik. Het rijtuigje was voor ons vieren te klein en daarom ging de detective op het rijwiel van mijn vrouw; het bleek, dat hij dit zoo gemakkelijk besteeg, alsof hij zijn heele leven lang rokken gedragen had.
Vóórdat wij vertrokken, vond ik nog gelegenheid tot G. G. de vraag te richten, wat hij toch in Den Haag zoeken wilde.
"Heb je vergeten, Willy, dat de Rus waarschijnlijk in Den Haag woont?" — vroeg hij.
"Maar, aangenomen dat dat zoo is, dan zal het toch nog een heele toer zijn, hem in zoo'n groote stad te vinden."
"Willy, je bent minder helder dan je je in den loop van den dag getoond hebt" — zeide mijn vriend met een licht hoofdschudden. "Je vergeet het Russische Gezantschap."
"Ben je dan van plan om daar...?"
"Het Gezantschap heeft geweten, wie Mevrouw Casimir was! Het heeft immers bevestigd, dat haar papieren in orde waren? Welnu, al moest ik er den gezant voor uit zijn bed kloppen, ik moet en zal van avond nog weten, wat men dáár weet!"
"En de lange Rus?"
"Als ze dien èrgens kennen, kennen ze hem aan het Gezantschap!"
## HOOFDSTUK XII DE KANSELIER VAN HET GEZANTSCHAP.
Het was tien uur in den avond, toen G. G. en ik. regelrecht van het Staats-spoorstation komende, bij het Russische Gezantschapsgebouw in Den Haag vóórreden. Reeds dadelijk bleek ons, dat er geen kwestie van behoefde te zijn, den gezant uit zijn bed op te kloppen, zooals G. G. gedreigd had desnoods te zullen doen! De benedenverdieping was helder verlicht en er stonden verscheidene rijtuigen voor de deur, terwijl andere nog telkens kwamen aanrijden. Het onze werd geopend door een gegalloneerden portier, die bij het openen een diepe buiging maakte, doch, toen hij twee mannen, in heel gewone jasjes en met strooien hoeden op, zag uitstijgen, aanstonds in kille deftigheid verstijfde.
"Zijne Excellentie houdt hedenavond receptie" zeide dit zwaarwichtige individu op ijskouden toon en in onberispelijk Fransch.
G. G. knikte hem vertrouwelijk toe.
"Mooi zoo!" — zeide hij. "We hebben werkelijk geluk, Willy! Zijne Excellentie is nog niet naar bed.
"Zijne Excellentie houdt hedenavond receptie" herhaalde de portier, steeds meer bevriezende.
"Ik had reeds het genoegen, dat van dezen cerberus te vernemen, Willy!" — zeide G. G. "Het treft bizonder! Wensch hem van mij een goeden avond!" Hij trad op den door twee lakeien geflankeerden ingang van het Gezantschapshotel toe en ik volgde hem.
De gegalloneerde cerberus stond nog steeds stok-stijf (nu waarschijnlijk van verbazing over zooveel stoutmoedigheid!), met de hand aan den knop van het portier. Maar nu kwam er leven in de beide lakeien. Zij traden ons tegemoet en één hunner zeide op deftigafgemeten toon:
"Hebben de heeren een invitatie ontvangen?"
De andere keek ons daarop van het hoofd tot de voeten aan en wierp van zijn kant een duit in het zakje, door ons te verzoeken onze uitnoodigingskaarten te laten zien.
Ik heb vroeger wel eens meer gezegd, dat weinig dingen den detective meer vermaken dan een vertoon van groote deftigheid bij bedienden van de soort, die wij hier vóór ons hadden. In plaats van zich te ergeren of zich te laten imponeeren, geraakte hij in de meest opgewekte stemming en zeide vergenoegd, zich tot mij richtende:
"Als wij invitaties hadden, Willy, zouden we rokken en hooge hoeden dragen. Aan onze korte jasjes zullen deze brave knapen wel zien, dat wij voor zaken komen en niet voor ons vermaak. Wees zoo goed, hun dat aan het verstand te brengen!"
Ik vond de situatie niet aangenaam: G. G. geneerde zich nooit en voor niemand, maar ik had nog steeds niet geleerd, zekere buien van schroomvalligheid te overwinnen, wanneer de omstandigheden mij dwongen te handelen tegen alle gewoonten en conventie in. Niettemin vervulde ik de mij geworden opdracht met mannenmoed.
"Zijne Excellentie ontvangt niet" — zeide de eene lakei.
"Zaken worden des ochtends op de kanselarij afgedaan" — decreteerde de andere.
Hoewel zij Hollandsch spraken, begreep G. G. zeer goed, wat zij zeiden.
"De brave jongens doen hun plicht, Willy" — zeide hij, "hetgeen voor ons een spoorslag zijn moet om den onzen niet te verzuimen." En hij wilde naar binnen gaan.
Maar nu traden de beide lakeien hem in den weg.
"U komt er niet in, mijnheer!" — zeide de eene.
"Geweld zal met geweld gekeerd worden" — voegde de andere er met zwaarwichtige dreiging aan toe.
G. G. lachte nu hartelijk.
"Je ziet wel, Willy, dat ook Homerus soms knikkebolt!" — zeide hij. "'n Detective, die door een paar lakeiën wordt afgewezen, als-i naar z'n beste krachten aan het werk wil gaan! En alleen omdat hij geen hoogen hoed draagt! Dat ik er niet aan gedacht heb zoo'n nuttig meubel op te zetten, is èrger dan knikkebollen: het is snurken!"
"Heb je geen legitimatie-bewijzen?" — vroeg ik.
"Om tegenover deze brave jongens te gebruiken? Waar dènk je aan, Willy?!"
Hij lachte opnieuw, maar mijn gevoel, dat de situatie niet aangenaam was, werd steeds sterker.
Op dit oogenblik kwam er op onverwachte wijze hulp opdagen. Er hield opnieuw een rijtuig voor de deur stil en in den man, die er uit steeg, herkende ik den Secretaris-Generaal van een onzer ministeriëele Departementen, iemand, dien ik sinds vele jaren kende en met wien ik zeer bevriend was.
Toen hij naar binnen wilde gaan, hield ik hem staande en legde hem met een paar woorden den toestand uit. Ook zeide ik hem, wie mijn begeleider was, en het was dadelijk te zien, dat hij zich voor het geval interesseerde.
"Een dringende zaak dus?" — vroeg hij.
"Een zaak van leven en dood; méér kan ik U op dit oogenblik niet zeggen."
"Ik zal den Gezant dadelijk waarschuwen. Geef mij Uw kaartje, meneer Hendriks!"
Ik voldeed aan dit verzoek en hij zeide daarop eenigen woorden tot een derden lakei, die in de vestibule stond, waarop wij door dezen in een spreekkamer gelaten werden. Men verzocht ons eenige oogenblikken te wachten.
"Willy" — zeide G. G., toen wij alleen waren, "we verkeeren nu in de gunstige positie, dat wij met nieuws komen aandragen, dat nog aan niemand bekend kan zijn. De spoorweggids leerde mij vanmiddag, dat wij vanavond nog in Den Haag konden zijn; en morgen vroeg eerst verschijnen berichten over den moord in de ochtendbladen. Wij zijn dus werkelijk in staat, den Gezant den ,primeur' van die berichten te geven."
"Dat is volkomen waar" — zeide ik. "Maar ik begrijp niet waarom je dat zoo belangrijk vindt."
G. G. liet zijn stem tot fluisteren dalen.
"Ik ben dikwijls in Rusland geweest en ken de Russische opvattingen. Uit het verhaal, dat wij gehoord hebben, blijkt, dat het Gezantschap zich voor Van Noort en zijn zuster geïnteresseerd heeft. Dat beteekent, dat het zich nog voor hen interesseert. Wij weten voldoende om er zeker van te zijn, dat die beiden zich om de een of andere reden schuil hielden. Het Russische Gezantschap was in het geheim, want het heeft, blijkens het verhaal van den waarnemenden burgemeester, medegewerkt om hun identiteit te verbergen."
"Maar het staat niet eens vast, dåt zij hun identiteit verborgen hielden."
"Lieve jongen, als menschen zich schuil houden, moeten zij dat wel doen. De tegenwoordige wereld is zóózeer bedekt met menschelijke speurhonden, dat dit het eenige middel is om dezen te ontkomen. Het rustigste plekje op aarde is voor niemand 'n veilige schuilplaats, als-i z'n naam niet verandert."
Wij werden hier onderbroken door den lakei, die zeggen kwam, dat Zijne Excellentie tot zijn leedwezen door zijn plichten als gastheer verhinderd was persoonlijk te komen, doch dat hij zijn Kanselier verzocht had ons te woord te staan. Of wij nog even geduld wilden hebben.
"Je zult begrijpen, Willy" — aldus vervolgde G. G., zoodra de lakei de deur weder achter zich gesloten had, "dat ik niet uitsluitend afhankelijk wil zijn van de meerdere of mindere bereidwilligheid van de heeren hier, waar het betreft mij inlichtingen te verschaffen omtrent de vrouw, die zoo ongelukkig aan haar einde is gekomen. Is werkelijk die vrouw iemand van beteekenis geweest, iemand, bijvoorbeeld, voor wie het Gezantschap tot op zekere hoogte verantwoordelijk is, dan zal de plotselinge mededeeling van wat gebeurd is allicht een verrassing te weeg brengen, die tot ongewilde uitingen voeren kan. En daaruit zal ik méér kunnen opmaken dan uit vooraf geprepareerde en overdachte mededeelingen."
"Het is alleen maar jammer, dat de Gezant zelf ons niet te woord staat" — merkte ik op.
"Wij zullen dien Kanselier wel spoedig wègwerken" — zei de detective. "Ik ga niet heen, vóórdat ik den Gezant zelven gesproken heb."
Een oogenblik later ging de deur open en trad de Kanselier binnen. Mijn begeerte, hem door G. G. te zien "wêgwerken" verdween, zoodra ik hem zag.
Want de man, die, in onberispelijk avondtoilet en met eenige kleine orde-kruisjes op het "revers" van zijn rok, vóór ons stond, was niemand anders dan... de lange Rus uit Elspeet!
*... en trad de Kanselier binnen.*
Ik wist niet, of hij mij herkende. De eenige maal, dat hij mij gezien had, was den vorigen middag onder de veranda van het logement te Elspeet geweest; en hij was toen zóó verdiept in zijn lectuur (of in zijn dommel-partijtje!), dat hij vermoedelijk weinig acht op ons gezelschap geslagen had. In het huis aan den rand van het bosch had hij zeker genoeg over mij hooren praten, maar mij geen enkele maal te zien gekregen. En toen ik hem bij de Martha-hoeve passeerde (want ik twijfelde er natuurlijk niet meer aan, dat hij de man met de gloeiende sigaar geweest was), was het te donker dan dat hij mij zóó goed kon hebben opgenomen, dat hij mij later zou herkennen. In elk geval, bij het binnenkomen gaf hij geen teeken, dat hij zich mijner herinnerde.
Ik, daarentegen, was niet in staat mijn verrassing te verbergen. Zelfs was ik van mijn stoel opgesprongen met een onstuimigheid, die weinig overeen kwam met het rustige decorum, waarmede men oprijst, wanneer iemand, dien men te spreken gevraagd heeft, binnenkomt. G. G. keek mij dan ook verbaasd aan en van het oogenblik, waarop onze blikken elkander ontmoetten, profiteerde ik, door hem met de oogen te verstaan te geven, dat er iets bizonders aan de hand was.
Dit alles was zeer onvoorzichtig, maar ik gaf mij daarvan op dat oogenblik geen rekenschap. G. G. daarentegen des te meer. Ik begreep dit, doordat hij in het minst niet reageerde op wat ik gedaan had, doch zich dadelijk, mijn opgewondenheid volkomen negeerende, met een ceremonieuse buiging tot den Kanselier wendde.
"Heb ik het genoegen den heer Hendriks te zien?" — vroeg deze, zijn buiging beantwoordende en zich van de Fransche taal bedienende.
Deze eenvoudige vraag deed mij plotseling de schellen van de oogen vallen. De man moest weten, wie ik was. Immers mijn kaartje, dat hij in de hand hield, had hem van mijn naam op de hoogte gesteld en het was buiten kwestie, dat Van Noort hem dien genoemd had, evenals mijn kwaliteit van advocaat, die mede op het kaartje vermeld was. Ik begreep dus, dat hij erop geprepareerd geweest was mij hier te vinden, en — wanneer er nog een sprankje van twijfel bij hem mocht bestaan hebben, of de Mr. W. Hendriks van de Veluwe wel de Mr. W. Hendriks was, die hier thans tegenover hem stond — zou dat nu zeker verdwenen zijn door de wijze, waarop ik zijn binnentreden begroet had. Mijnerzijds besloot ik de kat uit den boom te kijken en voorloopig niet te zinspelen op onze vroegere ontmoeting.
"Mijn naam is Hendriks" — zeide ik, thans op mijn beurt buigende.
Ik was op het punt ook den naam van mijn vriend te noemen, maar twijfel of deze wel wenschte in zijn kwaliteit bekend te zijn (en, bij hèm, stond het noemen van zijn wereldberoemden naam gelijk met het vermelden van die kwaliteit), hield mij daarvan terug, zoodat wij een oogenblik zeer gedwongen tegenover elkander stonden. Gelukkig redde G. G. de situatie, door zelf den knoop door te hakken.
"Mijn naam is Geoffrey Gill" — zeide hij.
Ik verbeeldde mij, dat de Kanselier wat bleek werd. "De beroemde Engelsche detective?" — vroeg hij op scherpen toon.
"Mijn beroep is het door U genoemde" — antwoordde G. G.
"U wenscht?" — Met deze korte vraag wendde de Kanselier zich thans tot mij. Maar G. G. nam de leiding in handen, zooals het hem trouwens toekwam.
"Ik heb de hulp van het Gezantschap noodig in een gewichtige zaak" — zeide hij. "Het geldt vermoedelijk het belang van Russische onderdanen en ik meen daarom eenig *recht* op medewerking te hebben."
Het was nu duidelijk te zien, dat de Kanselier niet op zijn gemak was. Hij scheen een oogenblik te weifelen en liet daarbij zijn blik van G. G. naar mij en van mij naar G. G. dwalen.
"Het oogenblik om Uw zaak voor te dragen, is wat vreemd gekozen" — zeide hij eindelijk. "Ambtszaken behooren in de ambtsuren afgehandeld te worden."
De detective maakte een ongeduldig gebaar en zeide, bijna ruw:
"Een van de lakeiën aan de voordeur heeft mij dat reeds gezegd, meneer de Kanselier! Maar er zijn zaken van zóó groot belang, dat alle overwegingen van formeelen aard daarvoor wijken moeten. Ik meen, dat Mr. Hendriks U reeds heeft doen mededeelen, dat wij hier komen in een zaak, die leven en dood betreft. Ik kan daaraan toevoegen: leven en dood van Russische onderdanen!"
Het was nu zeker geen verbeelding: de Kanselier was thans doodsbleek. Tot dusverre hadden wij het gesprek staande gevoerd; nu noodigde hij ons door een handgebaar uit weder plaats te nemen.
"Ik luister, Mr. Gill!" — zeide hij; en het kwam mij voor, dat er in zijn oogen een uitdrukking lag van angst, maar tevens van vastberadenheid om dien angst te doorstaan onder het masker van onverschilligheid.
Ik verwachtte nu, dat de detective met onze zaak voor den dag zou komen en vroeg mij af, of ik dit mocht toelaten, zoolang hij nog niet wist, dat de Kanselier van het Gezantschap en onze lange Rus één en dezelfde persoon was. Wanneer ik beter had nagedacht, zou ik vermoed hebben, dat mijn vriend de waarheid reeds wist. Zijn voornemen was het immers geweest, den man daar vóór ons zoo spoedig mogelijk "wèg te werken", en daarvan was van het eerste oogenblik af niets te bespeuren geweest; hij moest begrepen hebben, dat juist die man ons gewichtige mededeelingen doen kon. En dân lag het voor de hand, dat hij wist, wien hij vóór had.
Maar — zooals ik zeide — ik dacht zoo ver niet dóór en besloot mijn vriend vooruit in te lichten.
"Vóórdat Mr. Gill met zijn verhaal begint" — zeide ik, "wensch ik een opmerking te maken, meneer de Kanselier! Ik stel er namelijk prijs op, dat wij geheel zuiver tegenover elkander staan. Gisterenmiddag..."
"Onnoodig, Willy!" — viel G. G. mij hier in de rede. "Meneer de Kanselier weet zéér goed, dat je hem gisterenmiddag te Elspeet gezien hebt. Het is overdreven het voor te stellen, alsof je niet zuiver tegenover hem staan zoudt, wanneer je daarover had gezwegen! Wat heeft zoo'n toevallige ontmoeting, die door geen tweede gevolgd werd, te maken met de zuiverheid onzer positie óver-en-weêr?"
De bedoeling van den detective was duidelijk. Hij wilde mij terughouden van het doen van mededeelingen omtrent de tweede maal, dat ik den Kanselier ontmoet had, althans met hem onder één dak was geweest. En op deze wijze bracht hij den man zelven in den waan, dat zijn bezoek in de woning van Van Noort ons onbekend was gebleven. Tot dusverre had ik mij nog te weinig doordrongen van de gedachte, dat wij tegenover een verdacht persoon stonden. G. G.'s woorden stelden mij de mogelijkheid van zijn schuld weder helder voor den geest. Ik zweeg en liet de leiding verder geheel aan den detective.
"Vóórdat ik met mijn verhaal begin" — zeide deze, mijn aanhef van zooeven overnemende, "stel ik er prijs op, de positie van U, meneer de Kanselier, tegenover ons geheel zuiver te maken. U kent ons beider naam en kwaliteit; wij kennen Uwe kwaliteit, maar Uw naam niet."
De Kanselier, die merkbaar op heete kolen zat, werd nu ongeduldig; en ik moet bekennen, dat ook ik mij erover verwonderde, waarom mijn vriend de inleiding tot wat hij te zeggen had, zoo opvallend lang rekte.
"Mijn naam is Graaf Basiloff" — zeide de kanselier. "Het eerste het beste adresboek had U die inlichting kunnen geven."
G. G. maakte een lichte buiging.
"Ik wist niet, dat ik het genoegen hebben zou door U, meneer de Kanselier, te woord gestaan te worden" — zeide hij op zijn beleefdsten toon. "En een adresboek had ik niet bij de hand."
De detective boog opnieuw en... zweeg!
Steeds meer verwonderde ik mij erover, dat G. G. maar niet overging tot de mededeeling van het doel van ons bezoek. Het ongeduld van den Kanselier trad nu duidelijk aan den dag. Zijn bleekheid was zoo mogelijk nog toegenomen en in zijn oogen verscheen een nieuwe uitdrukking: die van iemand, die in het nauw wordt gebracht en naar een uitweg zoekt. Het was hem onmogelijk, voor ons te verbergen, hoezeer hij in spanning verkeerde.
G. G. observeerde hem daarbij scherp, met de bekende harde uitdrukking in zijn blik. Wachtte hij op een onvoorzichtige uitlating, die een kostbare aanwijzing bevatten kon?... Ik begreep het niet.
Maar het oogenblik scheen nu toch eindelijk gekomen, waarop de detective recht op zijn doel wilde afgaan. Hij stond plotseling op en, op den Graaf toetredende, zeide hij langzaam en met grooten nadruk:
"Onder de gemeente Epe wonen in een eenzaam huis, aan den rand van de heide, een zekere Van Noort en zijn zuster. Die zuster is hedenmorgen in den kelder gevonden: dood... vermoord..."
Graaf Basiloff was nu ook opgerezen. Zijn gezicht was akelig verwrongen. Hij trachtte te spreken, maar kon geen woord uitbrengen; en met de handen tastte hij naar zijn hals, als om den band te verscheuren, die hem de keel toesnoerde. Toen deed hij, met dreigend opgeheven hand, een stap in mijne richting. Maar niet meer dan één. Want plotseling wankelde hij en stortte met een schorren kreet bewusteloos op den grond.
## HOOFDSTUK XIII DE DERDE VERDACHTE.
Onwillekeurig maakte ik een beweging om naar de deur te gaan, teneinde hulp te roepen. G. G. hield mij echter met een driftig gebaar terug.
"Laat niemand binnen komen, Willy!" — zeide hij. "Sluit de deur af en kom mij helpen Graaf Basiloff bij te brengen. Hij heeft zich bij het vallen gelukkig niet bezeerd."
Wij tilden het lichaam op en legden het op een sopha, die in een hoek van het vertrek stond. Heel veel méér konden wij niet doen. Wij hadden geen water bij de hand en nog veel minder brandewijn of eenig ander middel, dat, volgens de traditie, aan iemand, die in onmacht gevallen is, behoort te worden "ingegoten" — liefst bij droppels! G. G. wilde er niets van weten, dat iets van dien aard gehaald zou worden. Wij maakten boord en overhemd van den Graaf los, om het ademhalen te vergemakkelijken. Maar overigens moest de natuur ditmaal zichzelve helpen.
"Je had je niet zooveel moeite behoeven te geven, om mij aan het verstand te brengen, wien wij vóór ons hadden" — zeide G. G., terwijl wij wachtten op de teekenen van terugkeerend bewustzijn. "Ik heb je altijd den lof gegeven, een goed verteller te zijn, en de beschrijving, die je mij van zijn persoon gegeven hebt, klopt volkomen, Voeg daarbij jouw verrassing bij zijn binnenkomen en zijn toenemende spanning. waar er voor iemand, die geheel buiten ons drama staat, niet de minste reden tot spanning bestaan kon, en je zult mij toestemmen, dat de conclusie nog al voor de hand lag!"
"Maar waarom schepte je er behagen in, hem zoo lang in spanning te laten?"
"Dáárom!" — zeide G. G., terwijl hij naar de sopha wees. "In den grond deed ik het, om hem te helpen. Ik was van den aanvang af van plan, hem plotseling en met enkele woorden de tijding van dien moord mede te deelen. Van den indruk, dien dit op hèm maakte, zou *mijn* indruk afhangen omtrent zijn al- of niet betrokken zijn bij het drama, dat zich heeft afgespeeld. Zijn spanning kon twee oorzaken hebben: of angst voor ontdekking van een misdaad, waarbij hij zelf betrokken was, of belangstelling in het lot van de menschen, op wie hij dadelijk begreep dat ons bezoek betrekking had. Hoe grooter de spanning, hoe grooter zou de reactie daarop zijn."
Ik zeide niets, want ik kon zijn gedachtengang nog niet volgen. Een oogenblik keek hij mij aan, alsof hij een schrandere opmerking van mij verwachtte. Toen schudde hij even het hoofd.
"Ik zie, dat je mij nog niet begrijpt, Willy!" — zeide hij., Hoe reageert iemand, die in spanning erover zit, of zijn misdaad aan het licht is gekomen, op de ontdekking, dat dit inderdaad het geval is? Hij zal, zoolang het niet zeker is, dat hij als de dader wordt aangewezen, trachten zich kalm te houden of zelfs den onverschillige spelen, hetgeen hem ook gelukken kan, omdat hij de mededeeling omtrent de ontdekking heeft zien aankomen; de schrik, de ontsteltenis komt eerst, wanneer men hem van de daad beschuldigt."
"Dat begrijp ik!" — zeide ik.
"Maar neem nu iemand, die vreest een slechte tijding te zullen hooren omtrent een persoon, in wien hij belang stelt. Hoe reageert deze op de plotselinge mededeeling, dat die persoon vermoord is? Door heftige ontsteltenis, te heftiger naarmate de spanning grooter en zijn verhouding tot het slachtoffer inniger is. Begrijp je dat ook, Willy?"
"Volkomen!" — antwoordde ik.
"Welnu, dan begrijp je eveneens, wat de toestand, waarin Graaf Basiloff zich thans bevindt, ons bewijst."
"Dat hij van den moord niets wist..." — begon ik.
"...en dat de vermoorde hem zéér, zéér na stond. Juist, Willy!"
De zaak was mij nu volkomen duidelijk en, terugdenkende aan het gesprek, dat wij zooeven met den Kanselier gevoerd hadden, zag ik in, dat de detective het met grooten tact en koelbloedigheid erop had aangelegd, om de "reactie" (zooals hij het genoemd had) zoo groot mogelijk te doen zijn. De daaruit getrokken conclusie was er des te meer betrouwbaar om. En zooals G. G. gezegd had — dit was in het belang van den Graaf zelven, aan wiens onschuld wij thans niet meer twijfelen konden.
Intusschen lag de man nog steeds bewegingloos op de sopha. Ik begon mij wat ongerust te maken, maar G. G. bleef dood-kalm.
Na een kwartier keerde het bewustzijn langzaam terug. Maar het duurde nòg wel een kwartier, voordat hij zich genoegzaam hersteld had om recht overeind te zitten en te spreken.
Ik heb gezegd, dat hij, voordat hij het bewustzijn verloren had, met dreigend opgeheven hand een stap in mijne richting genomen had. De reden daarvan zou mij thans duidelijk worden en wel op de meest onverwachte wijze.
Toen namelijk de detective begon hem op zachten toon aan te spreken, ten einde verdere uitbarstingen te voorkómen, viel hij dezen dadelijk in de rede met een stem, die, aanvankelijk zwak, snel aan kracht en omvang won.
"Daareven heeft deze heer" — aldus begon hij, op mij wijzende, "mij medegedeeld, dat U de beroemde Engelsche detective Geoffrey Gill zoudt zijn. Aangezien ik reden heb om aan de betrouwbaarheid van die mededeeling te twijfelen, zult u zich zeker wel willen legitimeeren."
De beleedigende wijze, waarop hij zich zoo plotseling, zonder eenige reden, over mij uitliet, maakte mijn verontwaardiging in hooge mate gaande. Ik wilde juist jets zeggen, dat niet malsch geklonken zou hebben, toen G. G. mij daarvan terughield.
"Maak je niet boos, Willy!" — zeide hij. "Meneer de Kanselier verkeert in een dwaling, waarvan hijzelf straks spijt zal hebben. Maar zijn verzoek om mij te legitimeeren, is volkomen in orde. Ik zal daaraan dan ook onmiddellijk voldoen."
Dit zeggende haalde hij de mij van ouds bekende leêren portefeuille voor den dag. Ik had G. G. nooit zonder die portefeuille gekend en toch scheen deze nog even nieuw als toen ik haar voor het eerst te aanschouwen kreeg. Mijn vriend nam uit deze wondertasch eenige papieren en stelde die aan den Kanselier ter hand. Deze bepaalde zich er niet toe ze even in te kijken, maar las ze nauwkeurig dóór en hield ze daarop stuk voor stuk tegen 't licht.
"Dat is volkomen in orde" — zeide hij. "Ik kan er niet meer aan twijfelen, dat U werkelijk Mr. Gill is. Daarom verwondert het mij des te meer, dat U niet weet met wien. U eigenlijk te doen hebt."
G. G. glimlachte weer.
"Ik, mijnerzijds, heb er nooit aan getwijfeld, dat ik tegenover den Kanselier van het Russische Gezantschap sta" — zeide hij met 'n lichte buiging.
De ander maakte een ongeduldige beweging.
"U begrijpt mij niet" — zeide hij. "Laat mij mijn bedoeling liever duidelijk maken door een vraag. Is deze heer" (hier wees hij opnieuw op mij) "U goed en sinds lang bekend?"
Zoowel G. G. als ik keken nu zeer verwonderd.
"Of hij mij goed bekend is, m'n waarde heer?" zeide de detective, terwijl zijn glimlach in lachen overging. "Ik kan wel zien, dat U geen Hollandsche boeken leest! Anders zoudt U weten, dat Mr. Hendriks mij sinds onheuglijken tijd de eer heeft aangedaan mijn hof-biograaf te zijn. Sinds lange, lange jaren is hij de beste vriend, dien ik bezit, meneer de Kanselier!"
Dit antwoord scheen Graaf Basiloff te verrassen. Hij keek ons beiden beurtelings aan en zeide toen, met een tintie van geringschatting in zijn stem:
"Ik heb allen eerbied voor Uw doorzicht, Mr. Gill; maar in dit geval schijnt dat doorzicht U in den steek te laten: Mr. Hendriks heeft connecties, die U onbekend zijn!"
"Best mogelijk!" — zeide G. G., nog steeds lachende. "Men heeft mij nooit aangesteld om de voogdij over hem uit te oefenen."
De Graaf, die zich nu geheel hersteld had, stond plotseling op.
"Ik zie, dat U de zaak niet ernstig opneemt" — zeide hij. "Om u ervan te overtuigen, hoe ernstig zij is, wil ik U alleen dit zeggen: als u mij vraagt, waar de schuldige aan den afschuwelijken moord, waarover u mij gesproken hebt, te vinden is, dan antwoord ik: *daar staat hij!*" En tot mijn onuitsprekelijke verbazing wees hij op mij!
Een zoo dwaze en onbekookte beschuldiging deed de verontwaardiging, die ik zooeven gevoeld had, geheel verdwijnen: ik zag plotseling het lachwekkende van het geval.
"M'n beste meneer!" — zeide ik. "Ik heb den heelen nacht in mijn kamer opgesloten gezeten en ben eerst om negen uur 's ochtends ,uitgebroken'. Wij kunnen elkanden intusschen de hand reiken: wij — mijn vriend en ik — kwamen hier, omdat wij u verdachten van dezelfde misdaad, waarvan u mij beschuldigt. U ziet, wij zijn lotgenooten!"
Hij scheen verwonderd over de humoristische kalmte, waarmede ik de zaak opnam.
"U vergeet, dat er aanwijzingen tegen u zijn!" zeide hij.
"Gelijk tegen u" — riposteerde ik.
G. G. begon opnieuw te lachen.
"Het spijt mij, meneer de Kanselier" — zeide hij, "dat ik in een zoo tragisch geval, dat bovendien voor U een bizondere beteekenis schijnt te hebben, den noodigen ernst niet bewaren kan. Maar U zult mij toegeven, dat dit moeielijk is bij het misverstand, dat tusschen U en mijn vriend Mr. Hendriks gerezen is. De situatie is inderdaad eigenaardig, maar U, meneer de Kanselier, verkeert in ongunstiger positie dan Uw tegenpartij, omdat U het gebeurde nog niet in alle onderdeelen bekend is. Zoudt U mij willen toestaan U, vóór alles, daarmede bekend te maken? De wederzijdsche positie zal zich dan duidelijker afteekenen."
De detective gaf vervolgens, op zijn korte, glasheldere manier, een verslag van mijn wedervaren in het huis van Van Noort, mij verzoekende hem te corrigeeren, wanneer hij op het een of andere punt onduidelijk of onjuist mocht zijn. Zulk een correctie was echter geheel onnoodig; alles was even duidelijk en klaar. Op handige wijze wist hij tevens in het licht te stellen, waarop onze verdenking tegen den Kanselier berust had. Maar hij zweeg over de veel zwaardere verdenking, die wij tegen Van Noort zelven koesterden.
Graaf Basiloff hoorde met groote aandacht toe. Hij was zichzelven thans weder geheel meester, maar kampte nu en dan zichbaar met zijne ontroering.
"Vergun mij nog enkele vragen!" — zeide hij, toen de detective zijn verhaal geëindigd had. "Ik zie nu in hoe vreemd het ook schijnen moge! —, dat er verdenking op mij rusten kan. Bestaat die verdenking nog?"
"Neen, meneer de Kanselier!"
"Waarom niet?"
"Om de wijze, waarop U de tijding van den moord ontvangen hebt."
De Graaf knikte en zeide toen, met een stem, waaruit groote ontroering sprak:
"De vermoorde vrouw was mijn eenige zuster!"
De plotselinge mededeeling van Graaf Basiloff omtrent de nauwe betrekking, waarin hij tot de vermoorde vrouw gestaan had, was voor ons een groote verrassing. Onmiddellijk stelde ik mij de vraag: wie is dan Van Noort? Deze maakte een zoo dóór-en-dóór Hollandschen indruk, dat het mij uitgesloten scheen, dat hij een bloedverwant — laat staan een broêr! — zijn kon van den dóór-en-dóór Russischen Kanselier. Maar dàn was hij óók geen broer van de vrouw, die wij als Mevrouw Casimir hadden leeren kennen!
Intusschen, ik vermoedde, dat wij thans dicht voor de oplossing stonden van deze en nog andere vragen: en daarom bleef ik zwijgen en... luisteren.
"Ik zou nog een vraag willen doen" — hernam Graaf Basiloff, nadat hij eenigen tijd gezwegen had. "Hoe is U erin geslaagd, Mr. Gill, den nachtelijken gast van Van Noort zoo spoedig te identificeeren met den Kanselier van het Russische Gezantschap?"
G. G. legde hem uit, waaròm hij zich om inlichtingen tot het Gezantschap had gewend, en tevens dat hij er geen flauw vermoeden van gehad had, in den Kanselier den "langen Rus" uit Elspeet te zullen terugvinden!
"En nu, meneer de Graaf" — vervolgde hij, "is dunkt mij het oogenblik gekomen, waarop ook wij eenig recht mogen doen gelden op mededeelingen Uwerzijds. Evenzeer als ons verhaal U geleerd heeft, dat en welke gronden en bestonden om in U een verdacht persoon te zien, zal het Uwe ons doen inzien, waarom Mr. Hendriks bij U onder verdenking staat. En ik garandeer U, dat U die verdenking even spoedig zult laten varen als wij dat tegenover U gedaan hebben!"
"Ik hoop het!" — zeide de Graaf, nog steeds zeer ingehouden, maar toch minder onvriendelijk. Het was te zien, dat er — sinds hij ons verhaal had aangehoord — in zijne gevoelens tegenover mij een verandering gekomen was. Hij twijfelde thans aan de juistheid van de vermoedens, die hij zoo plotseling en ruw tegenover mij had uitgesproken.
Daarom liet ook ik den spottenden toon, dien ik "Mijnerzijds hoop ik, meneer de Kanselier, dat wij straks als de beste vrienden scheiden zullen. Mijn vrouw interesseert zich bizonder voor den armen, doofstommen jongen, die, naar wat U ons thans hebt medegedeeld, Uw neef moet zijn. Misschien zullen wij, ook in diens belang, vriendschappelijk kunnen samenwerken."
Ik had hiermede den goeden toon aangeslagen. Het gezicht van den Kanselier stond nu vriendelijker dan ik het nog gezien had.
"Voor de welwillendheid, die U en Uwe vrouw aan Albert bewezen hebt, ben ik oprecht dankbaar" — zeide hij. "Ik verwacht met groot vertrouwen, dat het U gelukken zal, de gronden, waarop ik U verdacht" (hij gebruikte hier den verleden tijd, een kostbaar symptoom!) "te ontzenuwen."
"Mr. Hendriks was reeds de derde verdachte" zeide de detective. "U was de tweede, meneer de Kanselier. Over den eersten zullen wij U spreken, zoodra wij Uw verhaal gehoord hebben."
"Ik, voor mij, weet met zekerheid, wie — afgescheiden van de persoon van den dader — voor de daad verantwoordelijk zijn" — zeide de Graaf met groote beslistheid.
"U verdenkt dus meer dan één persoon?"
"Ik verdenk een heele categorie van personen: de Russische revolutionairen!"
Voor mij was dit iets geheel nieuws; maar G. G. knikte, alsof hij iets vernomen had, waarmede hijzelf reeds rekening had gehouden.
"Iets dergelijks vermoedde ik wel" — zeide hij. "Het verklaart de afzondering, waarin Uw zuster leefde, en het wantrouwen, waarmede Mr. Hendriks bejegend werd."
"Maar ik ben toch geen Russische revolutionair!" merkte ik op.
"Integendeel, Willy, je bent een Hollandsch advokaat. En als meneer de Kanselier nu zoo vriendelijk zou willen zijn, met zijn verhaal te beginnen, zullen we wel de verklaring ervan krijgen, hoe een steunpilaar van Recht en Wet voor een revolutie-man kon worden aangezien.
## HOOFDSTUK XIV KLUIZENAARS.
"Hebben de heeren ooit den naam van Prins Kallupin gehoord?" — vroeg de Kanselier, die nu — althans uiterlijk — weêr dezelfde rustige, koel-beleefde man was, die een uur geleden de kamer was binnengetreden.
De naam van Prins Kallupin zeide mij niets. Mijn vriend echter, die mij steeds verbaast door zijn uitgebreide kennis der geschiedenis, vooral van die der allernieuwste tijden (hij beweert, dat een detective daarin geheel tehuis moet zijn, omdat het motief van vele misdaden wortelt in belangrijke gebeurtenissen uit het meest recente verleden) — mijn vriend bleek beter op de hoogte dan ik.
"Prins Kallupin was Gouverneur van Kiëff, zoo ik mij niet bedrieg omstreeks het jaar 1900" — zeide hij op zijn onvervalschten schoolmeesterstoon. "Hij werd in die stad vermoord door het gepeupel."
"U is goed ingelicht, Mr. Gill" — zeide Graaf Basiloff. "Kent U de bizonderheden van dien moord?"
"Als ik in mijn huis te Londen was, zou ik de hand maar hebben uit te strekken naar mijn boekenkast derde plank, rechts in den hoek —, om U uit mijn plakboek verschillende bizonderheden over den moord op Prins Kallupin te kunnen mededeelen. Ik herinner mij, dat de volkshaat zich in niet mindere mate keerde tegen zijne vrouw."
"Die vrouw was mijn zuster Olga, die U van ochtend vermoord gevonden hebt" — zeide de Kanselier. "Zij was Prinses Kallupin, geboren Gravin Basiloff."
Het was opmerkelijk, dat deze man, niettegenstaande de treurige bizonderheden, welke hem thans omtrent het lot van zijn zuster bekend waren, niet nalaten kon haar naam met de klinkende titels op koel-vormelijken toon uit te spreken, ongeveer op de wijze, waarop men iemand aan anderen voorstelt.
"Met groote belangstelling wacht ik Uwe mededeelingen omtrent Prinses Kallupin" — zeide G. G. met een buiging, even vormelijk als de toon van den Graaf geweest was.
"Het is U vermoedelijk bekend" — hernam deze, "dat, na de revolutionaire beweging van het jaar 1905, het in Rusland lang gisten bleef; niet het minst in de zuidelijke provinciën en ook in Kiëff. Progroms waren aan de orde van den dag en daartegenover revolutionaire opstooties, die dikwijls hoogst ernstig waren. Mijn zwager, Prins Kallupin, toonde zich een onverbiddelijke, dikwijls wreede vijand der revolutionairen en ik zal niet ontkennen, dat hij vaak optrad met grootere hartvochtigheid dan noodig en zelfs gewenscht was. Men vertelde elkander, dat zijne vrouw hem in dat optreden steunde en aanmoedigde. Daaruit valt te verklaren, dat zij even gehaat was als hijzelf."
Nu hij, in den loop van zijn verhaal, over zijne zuster sprak, was het weêr duidelijk te bemerken, dat het koele uiterlijk van den Graaf slechts een masker was, om zijn ontroering te verbergen.
"Zij verdiende dien haat in geen enkel opzicht" vervolgde hij. "Integendeel, zij was het, die steeds maar tevergeefs — trachtte den Prins tot een gematigder optreden te bewegen. Het feit echter, dat zij de jonge, pas gehuwde vrouw — haar echtgenoot hartelijk lief had, was algemeen bekend en daaruit zal het sprookje omtrent haar eigen hartvochtigheid wel ontstaan zijn.
"De Prins werd het slachtoffer van een bomaanslag. In een rijtuig, naast zijne vrouw gezeten, werd hij onmiddellijk gedood, terwijl zij, als door een wonder, ongekwetst bleef. Maar ook zij zou aan de volkswoede ten offer gevallen zijn, toen men haar uit het halfverbrijzelde rijtuig gesleurd had, wanneer niet de Secretaris van haar man, die op de achterbank gezeten had, haar met ware doodsverachting tegen de òpdringende moordenaars verdedigd had. Op het oogenblik, waarop alles voor hen verloren scheen, werden zij door militairen bevrijd."
"En die Secretaris...?" — vroeg G. G., wien het aan te zien was, dat hij het verhaal met de grootste spanning volgde.
"Die Secretaris was de man, dien U als Van Noort hebt leeren kennen, maar wiens ware naam Burgers is. Hij was, als jongen, met zijn ouders, van Holland naar Rusland gekomen. Die ouders had hij spoedig verloren en vermoedelijk zou de strijd om het bestaan zeer hard voor hem geweest zijn, wanneer hij niet toevallig in de gelegenheid geweest was den Prins, op een van diens reizen, een kleinen dienst te bewijzen. Deze beloonde hem daarvoor door hem aan zijn persoon te verbinden en de intelligente, ijverige jonge man maakte zich zóó onmisbaar, dat hij, kort na de benoeming van Prins Kallupin tot Gouverneur van Kiëff, diens particuliere Secretaris werd."
"Komt het meer voor, dat hooge Russische Regeeringspersonen aan buitenlanders een zoo groot vertrouwen schenken?" — vroeg G. G.
"Zelden!" — antwoordde de Kanselier. "Ik heb mij er altijd over verwonderd, dat dit niet méér geschiedt. Bij de toestanden, die in mijn vaderland heerschen, moet het zulken personen toch een groote rust schenken, wanneer zij hun vertrouwen geven kunnen aan iemand, die uit den aard der zaak buiten de Russische partijen en intrigues staat."
"Hoe lang was Van Noort — of liever Burgers bij den Gouverneur in dienst, toen deze vermoord werd?" — vroeg de detective.
"Een jaar of vijftien."
"Hoe lang was de Gouverneur toen getrouwd?"
"Nog geen jaar."
"En hoe oud was zijne vrouw?"
"Mijn zuster was toen pas negentien jaar. Onze vrouwen trouwen zeer vroeg."
"Dank U!"
In mijn hart moest ik glimlachen om de wijze, waarop G. G. tegenover Graaf Basiloff in zijn gewonen detective-toon vervallen was. Deze scheen daaraan echter geen aanstoot te nemen en vervolgde zijn verhaal
"Het gevaar voor mijne zuster was echter nog in het geheel niet geweken. Een geheim revolutionair comité had haar, mèt haar man, ter dood veroordeeld en had dat oordeel later ook uitgestrekt tot den Secretaris, die oorzaak ervan geweest was, dat zij haar straf was ontgaan. Herhaaldelijk ontsnapte zij ter nauwernood aan hernieuwde aanslagen en ook het leven van den Secretaris was geen oogenblik veilig. Zij besloten daarom het land te verlaten en dat dit gelukte, zonder dat de revolutionairen hun op het "poor kwamen, was vooral te danken aan de groote koelbloedigheid en onbegrensde toewijding van Burgers. Eerst brachten zij eenige jaren in Duitschland door en daar werd Albert geboren. De doodelijke angst, die de moeder uitgestaan had, wreekte zich op het kind: dit kwam doof-stom ter wereld! En mijn zuster droeg in haar uiterlijk de sporen van alles wat zij had doorgemaakt: zij was een jonge vrouw, doch haar haren waren grijs geworden!"
G. G. scheen hier een vraag te willen doen, maar de Kanselier legde hem met een kort gebaar het zwijgen op.
"Laat U mij eerst uitvertellen" — zeide hij. "Daarna kunt U vragen zooveel U wilt. — De macht van de Russische revolutionaire comité's is veel grooter dan men buiten Rusland gewoonlijk aanneemt. Zij hebben Agenten en handlangers in bijna alle landen der wereld, niet het minst in Duitschland. Hun haat vervolgde mijn zuster, haar kind en haar trouwen dienaar ook in den vreemde. Ook daar werd het voor hen onveilig: zij moesten een nieuwe schuilplaats zoeken. Toen dacht Burgers aan zijn geboorte-land. De reis geschiedde in het diepste geheim en met de grootste voorzichtigheid; met medeweten en medewerking van het Russische Gezantschap veranderden zij hun namen en vestigden zich in de eenzaamste streek van Nederland. Twaalf jaar lang heeft men hen er ongemoeid gelaten, maar thans schijnt de revolutionaire nemesis hen achterhaald te hebben."
"Háár!" — verbeterde G. G. "Hij is verdwenen en dat geeft te denken!"
"Hoe bedoelt u dat?"
"Daarover straks, meneer de Kanselier. Ik voldoe aan uw verzoek en vraag niet verder, voordat uw verhaal ten einde is."
"Het leven, dat mijne zuster in Holland geleid heeft" aldus vervolgde de Kanselier, "was weinig beter dan dat van een gevangene. U moet daarbij in het oog houden, dat het ongeluk haar ook geestelijk gebroken had. Zij was, hoewel uiterlijk nog een imposante, mooie vrouw, zeer zenuwachtig, ja menschenschuw geworden. Het bewustzijn, dat onverbiddelijke en verraderlijke vijanden haar verderf zochten, verliet haar nooit en zij vreesde niet alleen voor zichzelve, maar ook voor haar kind. Het zekerste middel om den jongen Albert zooveel mogelijk tegen de gevaren, die ook hèm dreigden, te beveiligen, scheen haar, hem van elken omgang met vreemden àf te houden en tevens in onwetendheid te laten omtrent zijn eigen herkomst en de geschiedenis zijner ouders. Dat middel heeft zij consequent toegepast. Zij heeft hem geleerd Hollandsch te verstaan en te spreken, geen Russisch! Ook heeft de jongen nooit geweten, dat ik zijn oom was."
"Was dat niet overdreven?" — vroeg ik. "Het doet mij, als Hollander, zoo vreemd aan, te denken, dat in ons kleine, gemoedelijke land iemand zulke onbestemde gevaren zouden kunnen bedreigen."
"Ik zal niet ontkennen, dat er in haar vrees overdrijving schuilde" — antwoordde Graaf Basiloff, "maar ook in uw land worden drama's afgespeeld, die hun oorzaak vinden in buitenlandsche wraakzucht en politieke onverdraagzaamheid. Dikwijls blijven die voor het groote publiek verborgen, maar soms treden zij aan den dag — zooals thans het geval geweest is."
"De oplossing van dit drama is nog niet gevonden" — merkte de detective op.
"Er kan geen twijfel bestaan voor wien de omstandigheden kent" — zeide de Kanselier. "De Russische revolutionairen zijn haatdragend, onverbiddelijk en vooral volhardend. Met onverstoorbaar geduld zoeken zij hun slachtoffer en... vinden het in vele gevallen. ook in den meest verborgen schuilhoek. Mijn zuster wist dat; Burgers wist het eveneens. Hij, de trouwe, belangelooze dienaar, lag als 'n hond op de wacht om elken indringer àf te weren. In beider oogen was een vreemdeling een vijand. Wantrouwen was hun een tweede natuur geworden. Ik heb mij dikwijls afgevraagd, of zij in dit opzicht wel geheel toerekenbaar waren."
"Dat verklaart — althans gedeeltelijk — hun houding tegenover Mr. Hendriks" — zeide G. G.; "maar waarom U in hun wantrouwen dermate gedeeld hebt, dat u zoo juist mijn vriend van een kapitale misdaad hebt beschuldigd, is mij nog steeds niet duidelijk."
"Ik zal trachten u dat duidelijk te maken, Mr. Gill" — antwoordde Graaf Basiloff. "Mijn zuster was vijf jaar jonger dan ik. Wij waren zéér aan elkaâr gehecht, want wij hebben een gelukkige jeugd gehad. Het is nu ruim acht jaar geleden, dat ik als Kanselier van het Gezantschap in Den Haag optrad. Ik ben, finantiëel gesproken, onafhankelijk en heb nimmer moeite gedaan, het verder te brengen in mijn diplomatieke carrière. Ik wenschte, ter wille van mijne zuster, in Holland te blijven, ook al werd mij daardoor het vooruitzicht op een schitterende loopbaan ontnomen."
De Graaf zeide dit zonder eenigen ophef en zeer eenvoudig. Hij rees daardoor zéér in mijn achting en het was te bemerken, dat ook G. G. hem met andere oogen begon te beschouwen.
"Het bewustzijn, dat ik in de nabijheid was, schonk aan mijn zuster een grooten moreelen steun. Ons persoonlijk verkeer echter kon niet dan in het grootste geheim geschieden. Wanneer het algemeen bekend geworden was, dat ik verkeerde in het eenzame huis op de Veluwe, zou dat de speurders en bloedhonden stellig op haar spoor gebracht hebben. Vergeet niet, dat de revolutionairen overal ooren en oogen hebben."
"Was ook die vrees niet wat overdreven?" vroeg ik.
"Die vraag bewijst, dat u geen juist inzicht hebt in de middelen, die zulke politieke fanatici gebruiken. Het feit, dat ik uzelven — een bekend advocaat in Den Haag — voor hun werktuig aanzag, moet u bewijzen, hoever zij het kunnen brengen, met behulp van den almachtigen roebel."
Dit bewees alleen, dat Graaf Basiloff aan zulke machinatiën geloofde, niet dat ze inderdaad mogelijk waren. Ik was dus niet overtuigd, maar vond het onnoodig mij daarover in een debat in te laten.
"Ik bezocht mijn zuster nu en dan, doch alleen bij nacht, en nam dan mijn intrek in het dorpslogement te Elspeet. Toen ik gisterenavond — het zal elf uur geweest zijn — tegen het venster van haar woning klopte, zooals ik dat steeds gewoon was geweest, en Burgers mij, zooals altijd, binnen liet, was deze zeer zenuwachtig en geagiteerd. Hij had echter toen geen gelegenheid mij meer te zeggen dan dat er vreemden in huis waren, die daar zouden overnachten. Ik wachtte in zijn slaapkamer, totdat hij mij, met de mededeeling, dat de gasten naar bed waren, naar de huiskamer bracht, waar ik mijne zuster vond.
"De mededeelingen, die zij mij deden, maakten mij zeer ongerust. Burgers had vlak in de omgeving van het huis een heer en dame aangetroffen, waarvan de laatste zich aan den voet bezeerd had. Hij had niet anders kûnnen doen dan hun een nachtverblijf aan te bieden. Mijn zuster had zich aanvankelijk daartegen verzet: de vrees voor vreemden, die haar nooit verliet, had haar daartoe gebracht. Maar ten slotte had zij die vrees overwonnen en erin toegestemd, dat — voor het eerst sinds zij op de Veluwe woonde! — vreemden in haar woning slapen zouden.
"U moet u er rekenschap van geven, dat dit voor haar en Burgers een groote gebeurtenis was, en dat geen van beiden de gedachte van zich konden àfzetten, dat u, meneer Hendriks, wel eens in dienst van hun vijanden staan kon. Zij verkeerden dientengevolge in een zenuwachtige stemming. En nu gebeurden er verschillende dingen, die hen verschrikten en mij eveneens, toen ik ze van hen vernam. Vooreerst bleek het, dat u uit Den Haag kwam, dat u mij te Elspeet gezien had, en dat u zelfs wist, dat ik nachtelijke wandelingen in de buurt ondernam.
"Kènde u mij misschien uit Den Haag? — Ziedaar een vraag, die mijn zuster trachtte op te lossen; maar uw antwoorden gaven haar niet veel licht. Ik, mijnerzijds, vond het zonderling, dat een toeval u eerst te Elspeet en nu weêr hier in mijn nabijheid zou gevoerd hebben. Als men achterdochtig zijn moet, is wantrouwen gauw opgewekt! Daarom liet ik mij niet zien.
"Het wantrouwen rustte hier toch wel op zeer lossen grond" — merkte ik op.
"Er kwam later méér bij" — antwoordde de Graaf. "U spraakt Russisch, meneer Hendriks!"
"Drie woorden!" — zeide ik, met een licht schouder-ophalen.
"Maar die drie woorden waren wel ongelukkig gekozen! Toen Burgers aan mijne zuster voorstelde, U nachtverblijf te verstrekken (U zat toen, mèt Uwe vrouw, buiten op de bank), had hij, om haar gerust te stellen, herhaaldelijk verzekerd dat U ongevaarlijk was. Zijn laatste woorden, toen hij de kamer verliet, waren geweest: , Gospodin Hendriks neopaszen'. Stel U nu voor, welken indruk het op die beiden maken moest, toen U, op de vraag of U Russisch sprak, met diezelfde woorden antwoordde!"
Hij hield een oogenblik op, als om mij de gelegenheid te schenken, mij van dien indruk goed rekenschap te geven. Inderdaad begreep ik nu, dat, gezien den gemoedstoestand van deze beide menschen, die drie fatale woorden plotseling alle sluimerende vrees bij hen hadden wakker geroepen.
"Ik wil eerlijk bekennen" — vervolgde de Kanselier, "dat mijn ongerustheid in dit opzicht nog niet is weggenomen!" Hij keek mij aan met een blik, waarin ik een herlevend wantrouwen meende te lezen.
"Het is een allerongelukkigst toeval geweest, dat mij ertoe gebracht heeft juist op dat oogenblik die woorden, die inderdaad mijn geheele Russische vocabulair vormen, uit te spreken" — zeide ik. "Om U ervan te overtuigen, dat U zich geheel ten onrechte verontrust hebt, zal mijn vriend, de detective, U wel willen verklaren, hoe ik aan die kennis van Uw moedertaal gekomen ben."
Toen G. G. aan dit verzoek voldaan had 6) en Graaf Basiloff bekomen was van de verbazing, die deze overigens geheel afdoende — explicatie bij hem had opgewekt, zeide de laatste, met iets verlegens in zijn stem:
*6) Zie No. 4 der G.G.-serie: "De man op den achtergrond".*
"Het is niet te ontkennen, dat de schijn mij hierin bedrogen heeft. Maar er is nog een andere omstandigheid, die opgehelderd moet worden: ik bedoel het rondsluipen van U, meneer Hendriks, in het holst van den nacht, door de bovengang."
"Ik ontken ten stelligste, dat ik daar heb rondgeslopen" — zeide ik eenigszins heftig. "Van Noort of Burgers, zooals U hem nu noemt — heeft mij daarvan beschuldigd, omdat hij zich een houding wilde geven, toen hijzelf door mij daarop betrapt werd!"
"Dat is onzin!" — verklaarde Graaf Basiloff kortweg. "Mijn zuster en ik zaten, met Burgers, in de huiskamer, toen wij alle drie die zachte voetstappen boven op de gang hoorden."
"Ik herhaal, dat ik mijn kamer niet verlaten heb. En den ouden Kobus of den armen, doof-stommen jongen zult U toch wel niet voor Russische revolutionairen aanzien."
"Natuurlijk niet! Maar dan moet er, zonder dat wij het wisten, nog iemand in huis geweest zijn."
"Maar wie dan toch?" — vroeg ik ongeloovig.
Basiloff keek een tijd lang peinzend vóór zich.
"Vraag dat aan de Russische revolutionairen" zeide hij eindelijk.
## HOOFDSTUK XV VRIJ VAN ALLE SCHULD!
G. G. was opgestaan en liep gedurende het zwijgen, dat op de laatste woorden van Graaf Basiloff volgde, door de kamer heen-en-weêr. Plotseling bleef hij, vlak vóór den Kanselier, stilstaan en zag dezen recht in de oogen.
"Zooeven heb ik U een vraag willen doen, doch die op Uw verzoek achterwege gelaten, totdat Uw verhaal geëindigd zou zijn. Is U bereid mij thans te antwoorden?"
De Graaf maakte een toestemmend gebaar.
"Ik verzoek U, in het oog te houden" — vervolgde de detective, "dat ik met mijn vraag geen enkele blaam wensch te werpen op de nagedachtenis van Prinses Kallupin. Zij wordt mij uitsluitend ingegeven door mijn groote begeerte, haar dood te wreeken.'
"U kunt vrij-uit spreken" — zeide Graaf Basiloff; maar er lag iets gedwongens in den toon, waarop hij sprak.
"Heeft er tusschen Prinses Kallupin en den Secretaris van haar man nooit een andere verhouding bestaan dan die van meesteres tot dienaar?"
Het bleef langen tijd stil en ik zag de aderen op het voorhoofd van den Graaf zwellen, zoodat ik een uitbarsting verwachtte. Deze bleef achterwege, want de man bleef zich volkomen meester.
"Ik wil niet veinzen, dat ik Uw bedoeling niet begrijp" — zeide hij eindelijk. "De verhouding tusschen die beiden was niet die van meesteres tot dienaar; daartoe was ze te hartelijk, te lang beproefd door gemeenschappelijk leed en gemeenschappelijke gevaren. Maar wat U bedoelt: Neen!... Nooit!...
De laatste woorden hadden kort, bijna dreigend geklonken.
"Ik bedoel niets anders dan ik gezegd heb" — antwoordde G. G. "Uit Uw woorden maak ik op, dat hunne verhouding anders was dan die van meesteres tot ondergeschikte. Er bestond vriendschap tusschen hen."
De Graaf knikte, maar zeide niets.
"En is" — aldus vervolgde de detective, "bij geen van beiden ooit de begeerte ontwaakt naar een verhouding, die nog inniger is dan vriendschap? — Ik zie, dat mijn vraag U onaangenaam is, meneer de Kanselier; maar er hangt van Uw antwoord te veel af, dan dat ik mij door redenen van conventie zou laten terughouden."
G. G. had de laatste woorden met verheffing van stem uitgesproken, als om het opkomende gevaar van een uitbarsting van de zijde van den Graaf te bezweren. Dit gelukte inderdaad, want de driftige woorden, die dezen op de tong zweefden, bleven ongesproken.
"Is het bepaald noodig, dat ik die vraag beantwoord?" - vroeg de Kanselier op zijn stijfsten en koudsten toon. "Wanneer U klaarheid wenscht in wat ons allen nu duister is, zeer zeker!" — luidde het antwoord.
Het kostte den Kanselier nog eenige oogenblikken van innerlijken strijd, voordat hij besluiten kon te spreken; maar toen hij sprak, deed hij dat met volkomen openhartigheid.
"Kort na de geboorte van Albert heeft Burgers aan mijne zuster voorgesteld zijn vrouw te worden" — zeide hij. "Maar bij alle dankbaarheid en hoogachting, die zij voor hem gevoelde, was dat haar onmogelijk."
"Zij heeft hem dus afgewezen?"
"Tot tweemaal toe."
"En niettemin zijn zij samen gebleven?"
"Ja! Burgers is iemand met een hart van goud en van 'n onbaatzuchtigheid, die tegen teleurstelling bestand bleek. Hij bleef de trouwe vriend, waar het hem verboden was méér te zijn."
"Zeldzaam!" — zeide de detective; en ik meende een tintje sarcasme in zijn stem op te merken. "En heeft hij zijn aanzoek nooit herhaald?"
"Ik zeide U reeds, dat zij hem tot tweemaal toe afwees."
"Als ik U goed begrijp, is dat lang geleden" zeide G. G. "Ik bedoel: heeft hij sedert over zijn wenschen in dit opzicht gezwegen? Ook in den laatsten tijd? "...
De Graaf maakte hier een plotseling gebaar, als van wrevel en ongeduld.
"Ik zie niet in, waartoe Uw vragen dienen moeten" — zeide hij strak. "Maar als U het dan absoluut weten wilt, heb ik geen bezwaar U mede te deelen, dat hij juist in den laatsten tijd die oude kwestie, die mijn zuster lang begraven waande, weêr heeft opgehaald." Er klonk een lichte verachting in de stem van den Graaf.
"Met hetzelfde resultaat?"
"Met hetzelfde resultaat!"
Het bleef langen tijd stil. G. G. was weêr gaan zitten en leunde achterover, met gesloten oogen. Graaf Basiloff wendde den blik niet van hem af en ik — zijn gewoonte kennende — eerbiedigde zijn stilzwijgen.
Toen hij de oogen opsloeg, ging hij recht overeind zitten en knikte mij vertrouwelijk toe.
"Een motief, Willy!" — zeide hij. En, opnieuw opstaande, begon hij den Graaf uitéén te zetten, welke redenen ons ertoe gebracht hadden, den man, dien wij als Van Noort hadden leeren kennen, te verdenken. Ik behoef die redenen niet meer uitéén te zetten, daar ze den lezer bekend zijn.
Graaf Basiloff luisterde met groote aandacht, maar schudde gedurende dit verhaal herhaaldelijk het hoofd.
"Uw redeneering is heel logisch" — zeide hij, toen de detective zweeg, "maar Uw conclusie moet verkeerd zijn!"
"Waarom?"
"Omdat Burgers tot een misdaad niet in staat is; en allerminst tot een zoo afschuwelijken moord op een vrouw, die hij zijn leven lang trouw gediend heeft."
"Men heeft zulke gevallen meer gezien" — zeide G. G. "Jaren lang geduldig wachten en een plotselinge daad van ruw geweld, als alle geduld vergeefsch bleek. Wij weten natuurlijk niet, wat er in de laatste uren tusschen hem en Uwe zuster is voorgevallen, maar zijn verdwijnen wijst in de richting, waarin mijne vermoedens gaan."
Er ontwikkelde zich over dit onderwerp een gedachtenwisseling tusschen den Kanselier en G. G., maar het gelukte geen van beiden den ander te overtuigen. Wat mijzelven betreft, ik achtte de aanwijzingen tegen Van Noort-Burgers zóó ernstig, dat ik volkomen begrijpen kon, waarom mijn vriend dezen en geen anderen voor den schuldige hield. Het eenige, wat mij daarmede in tegenspraak scheen, was de persoon van den verdwenen man: zijn jetwat ruwe goedmoedigheid, die zich moeilijk rijmen liet met een wreede, harde natuur. Maar, aan den anderen kant, vormen uiterlijke kenteekenen een slecht kompas om op te zeilen, waar het de beoordeeling van den innerlijken mensch betreft.
Bijna twee uren waren wij in het gebouw van het Gezantschap geweest, toen wij van den Kanselier afscheid namen. Hij beloofde ons, den volgenden morgen om negen uur aan het station te zullen zijn om mèt ons naar de Veluwe te vertrekken. Nu het Noodlot zijne zuster achterhaald had, was elke oorzaak voor geheimzinnigheid bij het ondernemen van deze reis voor hem verdwenen. Bij het afscheid was hij koel-hoffelijk, maar kon niet verhinderen dat zijn oogen verrieden, hoezeer hij onder het verlies zijner zuster leed. Zoowel G. G. als ik waren er volkomen van overtuigd, dat hijzelf in het drama, dat zich had afgespeeld, geen rol vervuld had.
Bij het wandelen naar ons hotel deelden wij elkander wederkeerig onze indrukken mede, die geheel overeen kwamen.
"Wanneer het gelukt den verdwenen man op te sporen, zullen wij in elk geval beter weten, waaraan wij ons te houden hebben" — waren G. G.'s laatste woorden, toen wij "De twee Steden" binnentraden. "Morgen zal zijn signalement in de ochtendbladen staan. Dat van den Kanselier kunnen wij er nog doen uitlichten: ik heb van den heer Officier voldoende volmachten gekregen om dat te bewerkstelligen. Vinden wij Van Noort-Burgers, dan zal zijn schuld of onschuld zeker blijken."
Wij wisten toen nog niet, hoe spoedig de loop der gebeurtenissen die uitspraak bevestigen zou.
Toen wij den volgenden ochtend om acht uur aan het ontbijt zaten, kwam er een dringend telegram voor G.G. Hij opende het en had er nauw een blik in geworpen, toen hem het bekende schokje door hals en achterhoofd voer. Overigens bleef hij volkomen kalm, terwijl hij de oogen even sloot.
"Dat verandert het geheele aspect van de zaak" — zeide hij toen, en overhandigde mij het telegram.
Ik las: *"Van Noort vanochtend zes uur door politie- honden in bosch gevonden. Vermoord door zwaren slag op het achterhoofd. Was minstens vier-en-twin-tig uur dood. Vereman."*
Ik was sprakeloos van verrassing. Ook G. G. zeide niets en wij zaten eenige minuten zwijgend tegenover elkander.
"Hij was dus onschuldig" — zeide de detective eindelijk. "Hij zelf is slachtoffer en geen dader!"
"Zou dan tòch de Kanselier...?"
"Ondenkbaar!" — zeide G. G. met een wegwerpend gebaar.
"Dus de Russische revolutionairen...?"
"Of de persoon, die in huis geweest is, zonder dat iemand het wist en dien Graaf Basiloff op de bovengang heeft hooren rondsluipen! Ik heb aan den heer Officier gezegd, dat wij voor een moeilijk onderzoek stonden, Willy! Zelf wist ik toen nog niet, hoe moeilijk het zou blijken!"
* * *
Dienzelfden middag, tegen twee uur, kwamen Graaf Basiloff, G. G. en ik aan op de plaats, waar zich het dubbele drama had afgespeeld: het eenzame huis aan den rand van het bosch. Wij hadden den weg, van Nunspeet uit, te voet afgelegd.
De spoorreis naar Nunspeet was gekenmerkt geweest door een gedwongen, soms zelfs wat gespannen verhouding tusschen ons drieën. Hoewel ons verstand ons zeide, dat de Kanselier niet schuldig zijn kon, had toch de ontdekking van de onschuld van den thans vermoorden man onze stemming tegenover den anderen verdachte weer meer wantrouwend gemaakt. Van de drie verdachten was hij de eenige, op wien nog verdenking rusten kon. Was alles wat hij ons verteld had de strikte waarheid? Deze vraag voelde ik sterker dan tot dusverre bij mij oprijzen en van zijn kant voelde hij, dat er iets tusschen ons veranderd was, sinds wij den vorigen avond afscheid namen.
Te Nunspeet waren wij, vóór ons vertrek naar het eenzame huis, even bij Timan aangeloopen en had ik aan Maud snel verslag gedaan van wat geschied was. Zij vertelde van haar kant, dat de jonge Albert vrij kalm was geweest, maar dat hij alleen met háár spreken wilde; tegenover ieder ander — ook tegenover Mariska — had hij zich schuw en onvriendelijk getoond. Tot mijn genoegen ging het met den verstuikten voet veel beter: hoewel nog wat hinkende, kon mijn vrouw toch weêr zonder hulp loopen.
Albert was, bij het terugzien van Graaf Basiloff (dien hij alleen onder den naam van "Serge" kende), op zijn ingetogen wijze, zeer verheugd. Het had eenige moeite gekost hem ertoe te bewegen, niet met ons mede naar het huis op de Veluwe te gaan. Slechts de belofte, dat hij den volgenden dag zijn moeder zou mogen zien, deed hem daarin, met althans een schijn van gelatenheid, berusten. Wij wilden hem niet medenemen, omdat G. G. het geheele huis en den omtrek opnieuw wenschte te doorzoeken, waarbij de arme jongen hem zeker in den weg geloopen zou hebben.
Het liep dan tegen twee uur, toen wij het boschpad betraden, dat van de heide naar den zijkant van het huis voerde. Halverwege dat pad ontmoetten wij Kobus. Hij had een oud koffertje in de eene hand en met de andere hield hij een stevigen knuppel vast, dien hij over den schouder droeg en waaraan een toegeknoopte doek hing, die blijkbaar een deel van zijn aardsche bezittingen bevatte. Het was duidelijk, dat de man, op zijn manier, aan het verhuizen was.
"Goeien dag samen!" — zeide hij, terwijl hij zijn handkoffertje neêrzette en zijn pet afnam; zich daarop tot Graaf Basiloff wendende, vervolgde hij: "'t Is hier 'n jammer geworden, meneer Serge! De meesteres dood en de meester óók! Wie had zoo iets ooit kunnen denken!"
De Graaf zeide, in zijn gebroken Hollandsch, eenige vriendelijke woorden.
"Ik kan het hier niet langer uithouden!" — hernam de oude man met bevende stem. "'k Heb het hier zoo goed gehad en ik kan het gezicht van die arme menschen niet verdragen!"
"En waarheen gaat het nu, Kobus?" — vroeg ik. "Maar weêr de wijde wereld in, meneer!" — zei de arme man, "Ik schijn geen rust te mogen vinden! Dat is hard op m'n ouden dag."
Graaf Basiloff zeide hem, dat hij hem werk in Den Haag bezorgen zou, maar Kobus schudde troosteloos het hoofd.
"Och neen, meneer Serge" — zeide hij. "'n Buitenmensch blijft 'n buitenmensch! Ik ben niet voor niks twee-en-zestig geworden op het land en in de bosschen. De stad... hu! Ik zou 't er niet kunnen uithouden! Maar ik ben meneer dankbaar voor z'n vriendelijkheid."
's Mans dankbaarheid werd er niet minder op, toen de Graaf hem ter zijde nam en iets in de hand drukte, dat — hoewel papier — vermoedelijk tegen vele zilverlingen opwoog. Zoowel Basiloff als ik gaven hem ons adres en zeiden hem, dat, als hij hulp noodig had, hij altijd bij ons kon aankloppen. Van zijn kant beloofde hij, dat hij ons ervan in kennis stellen zou, zoodra hij werk gevonden had. En de Graaf gaf hem nog eens goed te verstaan, dat dit in zijn eigen belang was, omdat 't best mogelijk kon zijn, dat hem dan nu en dan nog eens 'n buitenkansje te beurt vallen zou, zooals daareven met dat papiertje!
En zoo scheidden wij van dezen ouden, trouwen dienaar, die tot op zekere hoogte ook het slachtoffer geworden was van de geheimzinnige misdaad, waarvan de dader en het motief nog steeds voor ons verborgen waren.
In het huis vonden wij, behalve de twee veld-· wachters, ook Vereman en nog eenige beambten. Zij waren dien ochtend dadelijk óvergekomen, toen het telegrafische bericht, dat het lijk van Van Noort (zooals men hem hier natuurlijk nog noemde) gevonden was, den Officier van Justitie bereikt had. Deze was zeer verheugd G. G. te zien en luisterde met aandacht naar het verslag, dat de detective hem over ons wedervaren uitbracht. Zijn begroeting van Graaf Basiloff was koel, maar hoffelijk. Toen hij vernomen had, dat deze de broeder van de vermoorde vrouw was, geleidde hij hem persoonlijk naar de kamer, waar het lijk zijner zuster lag.
En wanneer wij ooit aan de onschuld van den Graaf getwijfeld hadden, dan moest die twijfel nu wel ophouden! Want hij was, toen hij neêrknielde aan het bed, waarop het lichaam rustte, een gebroken man: doodsbleek, met trillende lippen en wanhoop in de oogen. Wij lieten hem daar alleen met zijn verdriet.
Vereman bracht ons daarop bij het lijk van Van Noort. Het was neêrgelegd in de kamer, die den levende tot slaapvertrek had gediend en waarin Graaf Basiloff twee avonden van te voren gewacht had, totdat Maud en ik naar boven waren gegaan. Het lichaam
lag op den rug en was toegedekt tot aan den hals, waardoor het minder òpviel, dat men het niet de houding van een rustig slapenden had kunnen geven: het was, toen men het gevonden had, reeds geheel verstijfd, zoodat de ledematen niet meer in die ligging gebracht konden worden. Het hoofd was omwonden met een doek, waardoor de afschuwelijke wond aan het achterhoofd bedekt was. G. G. nam dien doek er voorzichtig af, bekeek de wond nauwkeurig en verbond het hoofd toen weder.
*Wij lieten hem daar alleen ...*
"Een geweldige slag op het achterhoofd met een stomp, hard voorwerp" — zeide hij. "De schedel is gebarsten en de dood moet onmiddellijk zijn ingetreden"
"De dokter, die zooeven hier was, onderschrijft Uw oordeel" — zeide Vereman.
Toen wij kort daarna op een der banken voor het huis zaten om te zamen te overleggen (Graaf Basiloff was nog in de kamer van zijn zuster), begon de Officier van Justitie met de overtuiging van iemand die vast gelooft in de rust en veiligheid, die in den lande heerschen of althans heerschen moeten:
"Ik verwerp absoluut de théorie van Graaf Basiloff omtrent Russische revolutionairen! Zulke hersenschimmen bestaan alleen in de verbeelding van arme, opgejaagde menschen, zooals de beide slachtoffers feitelijk waren, of van iemand als de Graaf, die zich in West-Europa niet los kan maken van Russische denkbeelden. In onze welgeordende Staathuishouding zijn dergelijke énormiteiten ondenkbaar!"
"Het voegt mij niet, U tegen te spreken, Mr. Officer" zeide G. G. "Alleen kan ik constateeren, dat bij ons in Engeland zulke ,énormiteiten' voorgekomen zijn. En ik verbeeld mij, dat Engeland toch óók een welgeordende Staathuishouding bezit."
"U gelooft dus wèl aan de Russische théorie?" vroeg Vereman.
"Dat heb ik niet gezegd" — luidde het antwoord. "Ik verwerp haar niet als absoluut onmogelijk; maar dáártusschen en tusschen het geloof eraan ligt nog een groote afstand."
"Wij zullen er niet over redetwisten" — zeide Vereman. "Het komt nu aan op het opsporen van feiten en niet op het houden van bespiegelingen."
"U hebt volkomen gelijk, Mr. Officer! En daarom verzoek ik U beleefd, ons de feiten mede te deelen, die betrekking hebben op den dood van den man, dien wij Van Noort noemden."
De Officier van Justitie vertelde ons daarop, dat dien morgen om zes uur twee politie-ambtenaren met honden een onderzoek begonnen hadden, om uit te maken, in welke richting en misschien zelfs waarheen Van Noort gegaan was.
Reeds na een half uur hadden deze dieren hun taak met succes volbracht. Zij vonden het lijk dicht aan den rand van de heide, waar het boschpad daarop uitkomt. Het lag verborgen onder dicht struikgewas, zoodat het onzichtbaar was voor iemand, die het pad passeerde. Waarschijnlijk was het van eenigen afstand daarheen gedragen of gesleept, vermoedelijk het eerste, want het lichaam had, zoo het over den grond gesleept ware geworden, een veel duidelijker spoor moeten achterlaten. Voetstappen waren er niet te zien geweest, althans niet zóó duidelijk, dat men hun vorm of grootte had kunnen bepalen: het voetpad was hard, zoodat het de indruksels niet duidelijk opnam, en in het bosch was de bodem bedekt met een dik, veerkrachtig mos, dat misschien een oogenblik was neêrgetreden, maar zich sedert weer geheel had opgericht.
Terwijl Vereman ons dit vertelde, dacht ik terug aan den nacht, dien ik, mèt Maud, in het eenzame huis had doorgebracht, en hoe ik toen van mijn venster uit. om half-vier ongeveer, Van Noort langs het boschpad had zien verdwijnen in gezelschap van den langen Rus!
"In het telegram, dat je aan Mr. Gill gezonden hebt" — zeide ik tot Vereman, "zei je, dat de man minstens vier-en-twintig uur dood was, toen hij gevonden werd. Heeft de dokter zich in dit opzicht misschien nog nauwkeuriger uitgelaten?"
"Hij was van meening, dat de dood den vorigen nacht tusschen drie en zes uur moest zijn ingetreden" — antwoordde de officier.
Dat stemde! Toen ik Van Noort en den Rus gezien had was het half-vier geweest! En opnieuw voelde ik twijfel bij mij opkomen, of Graaf Basiloff wel open kaart met ons speelde. In het holst van den nacht had ik hem. alléén met den nu vermoorden man, in het bosch zien verdwijnen. Kort daarop moest de moord hebben plaats gehad. Kon het zijn...?
Ik voelde mij het bloed naar het hoofd steigen! Kon het zijn, dat de Graaf, die ontkende met den moord op zijne zuster iets uit te staan te hebben, wèl betrokken was bij den dood van Van Noort? Had hij...?
Het duizelde mij! Ik zag de gebeurtenissen zich plotseling voor mijn geestesoog reconstrueeren. De moeder van den doofstommen jongen, vermoord door Van Noort, in een vlaag van woede over zijn teleurstelling of om welke reden dan ook. Die moord ontdekt door Basiloff. Deze lokt daarop Van Noort in de bosschen; en daar...! — Verklaarde deze lezing van het gebeurde niet alles? Werd het daardoor niet duidelijk, waarom Basiloff de onwaarschijnlijke onderstelling had uitgesproken, dat Russische revolutionairen voor den moord op zijne zuster verantwoordelijk waren? Zou dan niet de moord op Van Noort op dezelfde wijze verklaard en daarmede de verdenking van hèm — Basiloff — afgewend worden? En was de wraak, door hem op den moordenaar zijner zuster genomen, niet een natuurlijk gevolg van de liefde voor die zuster, die uit elk zijner woorden en handelingen sprak? ...
"Wat is er, Willy?" — Met deze woorden wekte G.G. mij uit mijn overpeinzingen. "Je ziet eruit, alsof je een verrassende ontdekking gedaan hebt. Zou je ons deelgenoot van je gedachtengang willen maken?"
"Ik weet niet, of ik te haastig oordeel" — zeide ik, "maar ik heb het gevoel, dat ik een plausibele verklaring van ons drama gevonden heb." En daarop legde ik uit. welke gedachten bij mij waren òpgekomen.
Vereman en G. G. luisterden met aandacht. De eerste scheen véél voor mijn redeneering te voelen; de laatste echter schudde het hoofd en zeide:
"Ik zie, dat Mr. Officer het met je eens is, Willy! le redeneering is ook niet onaardig gevonden en... de revolutionairen heb je uitgeschakeld. Dat is 'n groot ding! Maar toch geloof ik niet, dat je het aan het rechte eind hebt!"
"Waarom niet, Mr. Gill?" — Vereman, die immers de théorie omtrent die revolutionairen absoluut verwierp, *moest* wel aan mijne zijde staan!
G. G. keek hem even aan en richtte toen het woord opnieuw tot mij. "Je vergeet, Willy" — zeide hij, "dat Graaf Basiloff flauw viel, toen wij hem den dood van zijn zuster meêdeelden. Iemand valt niet flauw, wanneer hij iets verneemt, dat hem reeds bekend is!"
"Hij kan die flauwte gesimuleerd hebben" — zeide Vereman.
G. G. glimlachte.
"Geloof mij, Mr. Officer, de man moet nog geboren worden, die een flauwte zóódanig simuleert, dat Geoffrey Gill er de dupe van wordt!"
"U houdt dus vast aan de opvatting, dat Graaf Basiloff bij geen der beide moorden betrokken was?"
"Ik houd aan niets vast, Mr. Officer, om de eenvoudige reden, dat ik nog niets heb om mij aan vast te houden! Ik ben voornemens, wanneer u vertrokken zult zijn, hier achter te blijven met mijn vriend Hendriks, natuurlijk onder de hoede van de beide wakkere veldwachters, die tegenover de nieuwsgierigen, die te wachten en reeds aangekomen zijn, de autoriteit der wet vertegenwoordigen."
Bij de laatste woorden was de detective opgestaan en wees vóór zich uit, tusschen de boomen dóór.
Daar stonden eenige menschen met fietsen, slachtoffers van de meest verbreide en meest aanstekelijke ziekte der menschelijke ziel: nieuwsgierigheid! De nieuw aangekomenen gluurden door de boomen heen naar het huis. En langs het boschpad kwamen twee jonge mannen aanwandelen, die, toen zij onze groep in het oog kregen, haastig nader kwamen.
"Journalisten!" — zeide G. G. en... verdween om den hoek van het huis.
## HOOFDSTUK XVI EEN ALIBI.
De detective had juist gezien. En niet minder juist gezien was het, dat hij zich bijtijds in veiligheid had gesteld. Want de beide reporters — twee jongelui van aangenaam uiterlijk en niet minder aangename vormen — bleken hun beroep te verstaan. Zij stelden zich aan den Officier van Justitie en aan mij voor en daarop werden wij aan een scherpe ondervraging onderworpen, die ons aan den eenen kant amuseerde, maar aan den anderen kant eenigszins in verlegenheid bracht, daar de zaak nog niet rijp was voor gedétailleerde mededeelingen aan het publiek en wij elken schijn van onbeleefdheid wilden vermijden. Gelukkig had Vereman dergelijke zaken meer bij de hand gehad en verstond hij meesterlijk de kunst, met vele woorden weinig te zeggen. De beide reporters trokken dan ook na eenigen tijd weder af, niet heel veel wijzer dan ze gekomen waren, maar niettemin met voldoende stof voor een mededeeling in hunne couranten, die het publiek interesseeren kon, zonder in bizonderheden te treden, waarvan de openbaar-making vooralsnog ongewenscht was.
Graaf Basiloff was thans ook weêr naar buiten gekomen. Zijn gelaat droeg nog sporen van groote ontroering, maar — als gewoonlijk — was hij zichzelven wederom volkomen meester en verborg zijn gevoelens achter een masker van koude hoffelijkheid. Vereman had mij verzocht, hem eenigen tijd met den Graaf alleen te laten. Ik voldeed aan dit verzoek en ging eens rondkijken, waar G. G. gebleven was.
Ik vond den detective aan de achterzijde van de woning, bij den put. Hij zat op den gemetselden rand daarvan, met de beenen naar omlaag bengelend en het gezicht naar het huis gekeerd, schijnbaar geheel verdiept in het bestudeeren van den achtergevel. Toen hij mij komen zag, knikte hij mij even toe en hervatte daarop zijn studie.
"Waar kijk je zoo naar, Geoffrey?" — vroeg ik.
Hij maakte een gebaar om mij tot stilte te vermanen en bleef strak naar de bovenvensters van het huis kijken, daarbij nu en dan een beweging met het hoofd makende, alsof hij zijn eigen gedachten bemoedigend toeknikte.
Eindelijk scheen hij met zijn observaties ten einde te zijn. Hij sprong van den rand van den put af en lachte even. Maar in zijn oogen lag de harde uitdrukking, die wees op het ontwaken van zijn speurzin als detective.
"Een eigenaardige bouworde, Willy!" — zeide hij. "De bouwheer schijnt ons te hebben willen demonstreeren, dat onregelmatigheid het kenmerk van het schoone is."
"Ik zie niet veel orde in den bouw!" — zeide ik droog. "De bouwmeester is waarschijnlijk 'n boer geweest, die meer op het doelmatige dan op het schoone lette."
"Zéér waar!" — zeide G. G., terwijl hij zich opnieuw naar den achtergevel keerde en beschouwelijk naar boven keek. "Zie je wel, dat de drie vensters daarboven van ongelijke grootte zijn? En dan die schuur, tegen het huis aan! Eigenaardig en héél practisch!"
Als ik den detective minder goed gekend had, zou ik waarschijnlijk gevonden hebben, da hij onzinnige dingen zeide. Nu wist ik, dat er in zijn woorden de een of andere verborgen beteekenis lag. Maar ik moest bekennen, dat zij goed verborgen was: ik kon ze tenminste niet ontdekken.
"Ben je nu aan het einde van je architectonische studiën?" — vroeg ik. "De Officier van Justitie voelt op dit oogenblik Graaf Basiloff aan den tand. Zou het niet goed zijn, als je dien ook eens onder vier oogen ondervroegt?"
"Ik zou het niet durven!" — antwoordde mijn vriend op spottenden toon. "Zoo'n vreemde diplomaat moet met zijden handschoenen worden aangepakt en de handschoenen van een Nederlandschen Officier van Justitie zijn van beter kwaliteit dan die van 'n Engelsch detective. Bovendien: het is hier achter het huis wèl zoo interessant als aan den vóórkant."
Hij scheen opnieuw aan de studie te willen gaan, maar bedacht zich plotseling.
"Ik heb in het huis nog wat vergeten, Willy!" — zeide hij. "Je moet me even excuseeren. Blijf hier maar bij den put staan: in 'n kwartiertje ben ik weêr bij je." En hij verdween door de achterdeur in het huis.
Als zijn raadselachtig optreden mij niet in groote spanning gebracht had, zou ik mij waarschijnlijk geërgerd hebben over de ongegeneerde manier, waarop hij mij zoo plotseling alleen liet. Maar mijn begeerte om te begrijpen, wat er eigenlijk aan de hand was, hield mij vast aan den achterkant van het huis, waar ik op hem wachten bleef, zooals hij gedecreteerd had.
Ik liep heen-en-weêr op het pad, waarop ik op dien veelbewogen ochtend den ouden Kobus had aangetroffen, zoekende naar de voetstappen van zijn verdwenen meester. En daarbij verzonk ik weldra in gedachten, wikkende en wegende de verschillende gronden van verdenking, die tegen Graaf Basiloff gerezen waren en die mij nog steeds zóó ernstig schenen, dat ik er maar niet toe komen kon dezen voor goed te beschouwen als iemand, die buiten elke verdenking stond.
Terwijl ik mij aldus in mijn gedachten verdiepte, lette ik uit den aard der zaak weinig op mijn omgeving.
"Zou je mij eens even willen helpen?" — klonk plotseling de stem van G. G. en, tot mijn niet geringe verbazing, kwam deze van boven!
Ik keek omhoog en zag nu, dat G. G. bovenop het schuurtje stond. Hij was er blijkbaar door een van de vensters van de boven-verdieping opgeklommen.
"Wat voer je daarboven uit, Geoffrey, en hoe kan ik je helpen?"
"Door mij op te vangen, als ik soms 'n buiteling mocht maken. Ik wou eens probeeren, of ik langs deze regenpijp niet naar beneden komen kan!"
En, de daad bij het woord voegende, liet hij zich over den rand van het dak héén zakken, en, zich met de handen aan de regenpijp vasthoudende, terwijl hij met de voetpunten telkens steun zocht in de wijde spleten tusschen de slecht gevoegde steenen, klauterde hij handig naar omlaag. In weinige oogenblikken stond hij naast mij.
"Dat was een waar genot, Willy!" — zeide hij. "Zulke geïmproviseerde lichaamsoefeningen houden de spieren lenig en het hart jong."
"Je zult er nog wel iets anders meê op het oog hebben gehad dan alleen lichaamsoefening" — zeide ik lachend. En toen, gehoor gevende aan een plotselingen inval, voegde ik eraan toe: "Waar men langs dien weg naar beneden komen kan, kan men ook naar boven! Ik denk aan den man, die in huis geweest is, zonder dat wij het wisten, Geoffrey!"
"Ik niet, Willy!" — zeide hij droogjes en voor mij, die juist meende een blijk van scherpzinnigheid gegeven te hebben, was dat een koude "douche". Ik zweeg dan ook, 'n beetje ontstemd. Maar G. G. deed, alsof hij mijn ontstemming niet bemerkte.
"Laten we nu den heer Officier weêr gaan opzoeken" — zeide hij op zakelijken toon. "Hij heeft vergeten mij te rapporteeren omtrent den uitslag van zijn onderzoek betreffende de correspondentie, die het eenzame menschenpaar placht te ontvangen."
Ik keek hem een oogenblik aan en zag, dat hij in vollen ernst sprak. Deze Engelsche detective verwachtte een "rapport" van den Officier van Justitie! Hij was zóózeer gewoon bij een crimineel onderzoek de lakens uit te deelen, dat het hem niet inviel, dat hijzelf in dit geval de mindere was, die den meerdere over zijne verrichtingen verslag moest uitbrengen!
Intusschen, ik dåcht er niet aan, hem deze zonderlinge rolverwisseling ditmaal onder het oog te brengen. Trouwens hij zou mij daartoe den tijd niet gelaten hebben, want met snelle schreden ging hij mij vóór naar den anderen kant van het huis, waar wij den Officier van Justitie nog in druk gesprek met Graaf Basiloff aantroffen. Bij onze nadering braken zij dit af en Vereman vond gelegenheid, mij zacht toe te fluisteren:
"Wanneer deze man in eenig onzicht betrokken is bij de misdaden, die hier hebben plaats gehad, is hij de grootste comediant, dien ik ooit ontmoet heb. Ik geloof stellig aan zijn onschuld."
Dus, van de drie verdachten — Van Noort, Graaf Basiloff en... ikzelf — niemand schuldig! Wie dan...?
"Voordat U den terugweg aanvaardt, Mr. Officer" — begon G. G., "moet ik U nog even lastig vallen. U hebt mij een onderzoek toegezegd, waarvan U mij den uitslag nog niet hebt medegedeeld."
Vereman keek den detective verbaasd aan. Toen kwam er echter een licht van begrijpen in zijn oogen. Hij trad met hem terzijde en deed hem op zachten toon een korte mededeeling. G. G. knikte en ik hoorde hem, wat luider dan de ander gesproken had, zeggen: "Juist! Dat stemt!" Daarop wisselden zij nog enkele woorden.
"Wât stemt?" — vroeg ik mijn vriend, toen ik een oogenblik later naast hem stond.
"De mededeeling van den heer Officier met mijn théorie" — zeide hij zacht.
"Je hèbt dus nu een théorie?"
"Ja, Willy! Maar niet alle théorieën zijn juist!"
En met deze woorden wendde hij zich weder tot Vereman met de klaarblijkelijke bedoeling mijn verder vragen te ontgaan.
* * *
Vereman was vertrokken met hetzelfde rijtuig, waarmede hij gekomen was en dat aan den ingang van het boschpad op hem gewacht had. Ook Graaf Basiloff had ons alleen gelaten. Hij keerde te voet naar Nunspeet terug en zou van daaruit de noodige maatregelen treffen voor de begrafenis der beide slachtoffers.
G. G. en ik waren alleen in de huiskamer. De beide veldwachters zaten op de bank voor het huis en de nieuwsgierigen, die in den omtrek hadden rondgezworven, waren verdwenen, toen het etensuur begon te naderen. Zelfs het schouwspel van een huis, waarin een dubbele moord heeft plaats gehad, vult geen leêge magen.
Ik koesterde de geheime hoop, dat, nu wij onder vier oogen waren, mijn vriend wat openhartiger tegenover mij zijn zou, en ik spitste mij er reeds op te zullen vernemen, welke nieuwe théorie hij zich gevormd had tengevolge van de gymnastische oefeningen, waarmede hij zich dien namiddag had bezig gehouden.
Ik kwam echter bedrogen uit, want G. G. bleek niet van zins ook maar één woord daarover los te laten. Zijn opgewekte stemming bewees mij echer, dat hij voor zichzelven het gevoel had, op den goeden weg te zijn.
"Komaan, Willy!" — zeide hij, zich vergenoegd in de handen wrijvende. "Wij hebben nu zoo'n knus tête-à-tête', dat je er wel geen bezwaar tegen hebben, zult, mij nog eens precies en omstandig te vertellen, wat er in den nacht, dien je met je vrouw hier in huis hebt doorgebracht, geschied is."
"Ik heb je dat toch reeds tot in de kleinste onderdeelen verteld" — zeide ik.
"Zeker, Willy!" — stemde hij toe. "Maar niettemin zou ik, aan de hand van je altijd interessante mededeelingen, den loop der gebeurtenissen nog eens graag op den voet volgen. Ik bezie alles thans uit een eenigszins ander oogpunt en wil je avonturen van dien nacht aan mijn gewijzigd inzicht toetsen."
Natuurlijk! Niet hij, maar ik zou weêr vertellen moeten! Maar ik onderwierp mij aan het onvermijdelijke en deelde hem alles nog eens uitvoerig mede, zooals ik dat in eenige der vorige hoofdstukken ook aan den lezer gedaan heb.
Slechts éénmaal onderbrak hij mij, en wel toen ik vertelde van het instinctmatige gevoel, dat ik gehad had, van de aanwezigheid van een menschelijk wezen aan de andere zijde van onze gesloten kamerdeur.
"Laat mij even recapituleeren" — zeide hij. "Je werd op die gedachte eerst gebracht door het vallen van den sleutel uit het sleutelgat?"
"Juist! Vóór dien tijd sliep ik.
"Je had dus vóór dien tijd niets gehoord?"
"Als ik slaap hoor ik niets! Dat heb ik met méér menschen gemeen!" — zeide ik wat ongeduldig.
"Nu, nu, Willy!" — zeide G. G. "Er zijn ook menschen, die slapen met de ooren open. — Daarop kreeg je het gevoel, dat de geheimzinnige persoon aan de andere zijde van de deur zich verwijderd had?"
"Ja!"
"En toen hoorde je de trap kraken. Verliep er véél tijd tusschen het oogenblik, waarop je de afwezigheid van die persoon meende te kunnen constateeren en dat waarop de trap kraakte?"
"In de positie, waarin ik toen verkeerde, geeft men zich te weinig rekenschap van tijd, maar lang kan het niet geweest zijn: misschien een minuut, of zoo!"
"Dank je! Dat klopt!"
Opnieuw vroeg ik mijzelven af, wât er klopte. Maar hèm vroeg ik het niet, want bij de stemming, waarin hij thans verkeerde, begreep ik, dat mijn vragen toch vergeefsch zou zijn.
"Nog één vraag" — zeide de detective, toen ik mijn verhaal ten einde had gebracht. "Je hebt in den bewusten nacht gedurende het gesprek met je gastheer, in een oogenblik van stilte, iemand in een naburige kamer hooren snorken. Kwam dat geluid uit de kamer naast de jouwe?"
"Ja! Het moet de doofstomme jongen geweest zijn. Onze kamer lag op den hoek van het huis en grensde dus maar aan één kant aan een ander vertrek. En later bleek mij, dat de zoon van onze gastvrouw in dat andere vertrek sliep."
"Dank je! Dat stemt óók!"
Op dit oogenblik zag ik iets zonderlings, dat mij ontstellen deed. Ik zat aan de tafel, met het gezicht naar het raam gekeerd. Plotseling had ik, gedurende één ondeelbaar oogenblik, het visioen van een groot, rood gezicht, dat tegen de ruiten werd aangedrukt. In een oogwenk was het verdwenen, maar ik had het te duidelijk gezien om aan een gezichtsbedrog te kunnen gelooven.
Terwijl ik G. G. toeriep, mij te volgen, vloog ik de kamer uit en de gang door naar buiten. Om den hoek van het huis loopende, kwam ik nog juist bij tijds om een korten, breed-geschouderden man langs het boschpad te zien weg-rennen. Zonder mij er goed rekenschap van te geven, waaròm ik het eigenlijk deed, liep ik wat ik loopen kon, om hem in te halen. G. G. was mij daarbij eerst op de hielen, maar — daar hij beter getraind was en sneller liep dan ik — haalde hij mij spoedig in, en nog vóórdat de vluchteling de open heide bereikt had, bracht de detective hem tot staan. Enkele seconden later was ook ik ter plaatse.
Wij stonden tegenover een ruwen kerel, kort en krachtig gebouwd, met een stierenkop en een rood gezicht. Hij was gekleed in een blauw boezeroen en droeg 'n zwarte, wollen das, die hij — niettegenstaande de warmte — dubbel om den nek geslagen had. Uit het roode gezicht keken een paar brutale oogen; er lagen diepe, wreede trekken om de mondhoeken en de lange stoppelbaard had dezelfde kleur als de verwarde haarbos: een vuil, dof grijs. Als ik ooit 'n boeventype gezien heb, was het op dat oogenblik!
De man stond ons zwijgend aan te kijken, met de uitdrukking van een stier, die zich tot den aanval gereed maakt.
"Wat willen jelui van me?" — vroeg hij met 'n zware, dreigende stem.
"Vraag dezen ,gentleman', waarom hij zoo hard weg liep, Willy!" — zeide G. G., terwijl hij den man gemoedelijk toeknikte.
Ik voldeed aan zijn verlangen, en voegde eraan toe: "Zooeven heb ik je daarginds door de ruiten zien kijken, m'n goede vriend. Ik zou ook graag van je willen weten, waarom je dât gedaan hebt.'
"Wat je graag of niet graag wilt, kan me geen bliksem schelen!" — zeide dit beminnelijke exemplaar van het menschelijk geslacht. "Van mij zul je niks hooren, daarop kun je rekenen."
"Ik raad je, in je eigen belang, een anderen toon aan te slaan" — zeide ik boos. "Ik heb je wat gevraagd en wacht op je antwoord."
"Voor mijn part kun je wachten tot je er bij neêrvalt!" — zeide de man en stak z'n arm uit om mij op zij te schuiven. Op dat oogenblik daalde G. G.'s hand op zijn schouder neêr.
*... en keek de wereld in ... *
"Pas op!" — klonk het op den kalmen, snijdenden toon, die mij wèl bekend was.
"Pas zèlf op!" — grauwde de man en trachtte zich uit den greep van den detective te bevrijden. Maar de kleine, goed-gevormde hand hield vast met een greep van ijzer.
Nu haalde de man plotseling met den linker-arm uit, draaide zich met een ruk om en liet den opgeheven vuist neêrdalen... in de lucht! Want G. G. was vlug op zij gesprongen: een snelle beweging van zijn arm en de kerel lag op z'n rug en keek de wereld in door één normaal en één blauw oog! In een oogwenk stond hij weêr overeind, stormde op den detective toe en... lag voor de tweede maal op z'n rug, terwijl hij ons nu door twee blauwe oogen en in eenigszins tragische stemming aanstaarde. Hij krabbelde, minder snel dan zooeven, overeind en bleef ons besluiteloos, met 'n bijna onnoozel gezicht, aanzien.
"Zeg dezen ,gentleman', Willy" — zeide G. G. met onverstoorbare kalmte, "dat ik bereid ben de conversatie, zoo lang hij wil, op dezelfde wijze voort te zetten."
Ook dit bracht ik, als 'n geboren tolk, over; en de man begon er nu bepaald verlegen uit te zien. Hij wierp een schuwen blik in het rond, als om een uitweg te zoeken.
"Zeg hem, Willy, dat, als hij een stap doet in 'n andere richting dan naar het huis, ik hem voor de derde maal tegen den grond sla."
De man nam deze belangrijke mededeeling zwijgend ter kennis en stond stok-stijf zonder 'n beweging te maken.
"En nu, Willy, lever ik hem in jouw handen, ten einde zijn verhoor te ondergaan. Dat is je wèl gedemandeerd."
"Waarom keek je daareven door de ruiten naar binnen?" — vroeg ik.
De man koos nu eieren voor zijn geld en antwoordde!
"Alle menschen spreken over wat er daar in huis gebeurd is" — zeide hij. "'t Is toch zoo'n wonder niet, dat ik nieuwsgierig was."
"En waarom liep je zoo gauw weg?"
"Waarom liep jij me zoo gauw na?"...
Ik moet bekennen, dat deze wedervraag mij eenigszins in verlegenheid bracht. Op G. G.'s gezicht zag ik een spottenden trek verschijnen, die niet van bewondering voor mijn talent als ondervrager getuigde. Maar hij liet mij niet in den steek.
"Vraag hem, Willy" — klonk het, "waar hij den nacht van eergisteren heeft doorgebracht.'
Toen ik deze vraag stelde, begon de kerel schor te lachen.
"Dat zou je wel willen weten, m'n fijne meneer!" — zeide hij met een herleving van zijn vroegere brutaliteit. "Maar ik zeg opnieuw, dat je op mijn antwoord wachten kunt, tot je erbij neêrvalt."
"Dat spijt mij voor je, vriend! Want vóórdat ik antwoord gekregen heb, raak je ons niet kwijt."
De laatste vraag, die G. G. mij in den mond gegeven had, bevestigde mij in mijn opvatting, dat hij en ik eenzelfde verdenking hadden opgevat. Deze man, die zich op zoo zonderlinge wijze gedragen had, die om het huis rondzwierf en op de vlucht ging, als men hem naliep... wie zeide ons, of hij ook niet in dien fatalen nacht in den omtrek geweest was?... Of hij niet misschien...?
Ik dacht aan den onbekende, die op de gang had rondgeloopen. En G. G. scheen mijn gedachten te raden.
"Het is mogelijk, Willy" — zeide hij, "hoewel..."
"Hoewel?"
"Dat doet er niet toe! — Wees zoo goed en haal de beide veldwachters even hier, Willy! Wij zullen beginnen met dezen ,gentleman' in te rekenen!"
Ik liep snel het boschpad af en het huis in. Enkele minuten later was ik, mêt de veldwachters, terug.
"Zoo, ben jij het, Arie?" — vroeg één van die beiden, toen hij zijn aanstaanden arrestant in het oog kreeg. "Hoe gaat het sinds eergisteravond?"
"Waar wàs hij toen?" — vroeg ik haastig.
"In het hok te Epe, meneer!" — antwoordde de veldwachter. "Daar heeft hij dien heelen nacht gezeten. We hadden hem stom-dronken op den straatweg vinden liggen. Hij is 'n beruchte landlooper!"
G. G. en ik keken elkander aan.
"Een alibi!" — zeide de detective en, zich daarop tot den arrestant wendende, maakte hij een beleefde buiging en zeide, in gebroken Hollandsch:
"Het was mij aangenaam, mienherr! U is ,at liberty' om te gaan waarheen U wenscht!"
"Dat stemt alweêr!" — zeide hij, keerde zich om en ging naar het huis terug.
## HOOFDSTUK XVII UIT LOGEEREN.
De begrafenis der beide slachtoffers had plaats gehad. Behalve Graaf Basiloff en Albert waren ook G. G. en ik daarbij tegenwoordig geweest. Den daarop volgenden dag was de Graaf, mèt zijn jongen neef, vertrokken.
Het was niet meer dan natuurlijk, dat zij samen gingen, want Basiloff was van nu af de natuurlijke beschermer van zijn jeugdigen bloedverwant. Toch ging de scheiding Maud zeer aan het hart, want zij had zich gehecht aan den armen jongen, die, van zijn kant, haar zooveel aanhankelijkheid toonde. En ook aan Albert kostte deze scheiding vele tranen, hoewel het bittere ervan verzacht werd door de genegenheid, die hij steeds voor zijn oom gevoeld had, en door het vooruitzicht, dat hij mijn vrouw later in Den Haag terugzien zou.
Ikzelf begeleidde Graaf Basiloff en zijn neef naar Den Haag, waar mijne aanwezigheid dringend noodig was, met het oog op de belangen mijner cliënten; en evenals vóór de aankomst van G. G. en Mariska, zou ik elken Woensdag en elken Vrijdag naar Nunspeet komen.
Het verwonderde mij eenigszins, dat G. G. rustig te Nunspeet bleef. Ik had verwacht, dat hij, nu hij zich met de leiding van het onderzoek in een zoo belangrijke crimineele zaak belast had, daaraan al zijn tijd en denken wijden zou. In plaats daarvan hield hij Maud en Mariska gezelschap, begeleidde deze op haar fietstochten in de omstreken (Maud's voet was na enkele dagen zóó ver hersteld, dat zij weêr fietsen kòn) en genoot van zijn vacantie, alsof er geen wolkje aan de lucht was.
De twee moorden waren gepleegd in den nacht van Zaterdag op Zondag en de begrafenis was op Dinsdag geweest. Woensdag vertrok ik naar Den Haag en Vrijdagavond was ik weêr terug te Nunspeet.
Maud bracht mij toen op de hoogte van het schijnbaar zorgelooze leventje, dat G. G. leidde, maar zeide erbij, dat dit, naar zij vermoedde, meer schijn dan werkelijkheid was, want dat de detective vele telegrammen ontving en verzond. Toen ik G. G. vroeg, of hij met zijn onderzoek òpschoot, werd ik door zijn antwoord niet veel wijzer.
"Ik ben dankbaar voor de betoonde belangstelling, Willy!" — zeide hij. "Het schikt gelukkig vrij wel met dat onderzoek, maar 't kan nog 'n poosje duren. Prettig wel, zoo lang hier te blijven! Het zal voor mij een droevige dag zijn, waarop wij Hotel Timan verlaten moeten!"
Daarbij bleef het en den heelen volgenden Zaterdag en Zondag verkeerde mijn vriend in een onbevangen, vroolijke stemming, alsof er geen eenzaam huis op de Veluwe bestond en in dat huis geen drama was afgespeeld! Hij zinspeelde zelfs niet op wat toch pas één week geleden geschied was, en maakte geheel den indruk van iemand, die zijn vacantie op de meest onbezorgde wijze geniet.
Toen ik den Woensdag daaròp terug kwam, was het weêr precies hetzelfde. Maar het scheen mij, dat G. G.'s vroolijkheid ditmaal meer opgeschroefd was en dat er in zijn oogen iets lag, dat niet sprak van algeheele tevredenheid met den gang van zaken.
"Hoe is het, Geoffrey?" — vroeg ik. "Nog steeds geen nieuws in de zaak?"
Ditmaal antwoordde hij niet met een kwinkslag, zooals zijn gewoonte was, wanneer hij een afdoend antwoord niet geven wilde.
"Nieuws is er wel" — zeide hij zeer ernstig. "Maar het duurt lang vóórdat het van dien aard is, dat ik handelen kan."
"En in dien tusschentijd geniet je je vacantie?" zeide ik, misschien 'n beetje sarcastisch.
"Natuurlijk, Willy! Waarom zou ik dat niet doen? Ik heb in deze zaak een théorie, die de eenige is, welke tot dusverre met de feiten klopt. Mocht het blijken, dat die onjuist is, dan zouden wij moeten terugvallen op de revolutionairen van Graaf Basiloff! En dân komen wij op een terrein, waarop succes zéér onwaarschijnlijk is. Laten we dus het beste hopen!"
"Kun je mij niet reeds iets omtrent je théorie mededeelen?" — vroeg ik.
"Onmogelijk!" — zeide mijn vriend. "Zoo lang ik niet zeker van mijn zaak ben, zal ik tegenover niemand spreken, ook niet tegenover jou! Maar, Willy, ik reken op je oude vriendschap, wanneer ik niettemin een beroep mocht doen op je beproefde medewerking."
Dat beroep bleef niet lang uit. Des Donderdags, in Den Haag, ontving ik een telegram van den volgenden, eenigszins raadselachtigen inhoud:
"Heb je kennissen in of bij X? Zoo ja, reken op "een afwezigheid van eenige dagen. Hoogst belangrijk — G. G."
Het toeval wilde, dat juist den vorigen dag de uitspraak gevallen was in het proces, dat mij zoo lang had bezig gehouden. Die uitspraak was gunstig voor mijn cliënten geweest, zoodat ik tevreden was met mijzelven en de wereld. Een afwezigheid van enkele dagen was, onder die omstandigheden, geen groot bezwaar.
Maar håd ik kennissen te X7)?...
*7) X stelt voor een stad in Noord-Brabant, waarvan ik den naam verzwijg.*
Natuurlijk! De vraag te stellen was haar te beantwoorden!
Daar woonde immers — of althans in de nabijheid, op zijn buitenverblijf "De Eikenberg" — mijn oude
vriend "de brombeer" (zooals wij hem in onzen studententijd noemden), die in werkelijkheid Jhr. Mr. Van Daelen de Berecamp heette. Den omineusen bijnaam voerde hij, niet omdat zijn humeur te wenschen overliet (hij was integendeel een zeldzaam vroolijke kerel) of omdat zijn naam er aanleiding toe gaf, maar omdat hij 'n zware basstem had, die men reeds uit de verte "brommen" hoorde, terwijl hij (de waarheid moet gezegd worden!) een specialiteit was in een andere wijze van "brommen": n.l. na de een of andere luidruchtige studenten-fuif in het "klabakarium"8), tengevolge van oneerbiedig gedrag (om het zacht uit te drukken!) tegenover de politie.
*8) Studenten-uitdrukking voor het politie-bureau.*
De "brombeer" was in zijn provincie een groot man geworden: lid van de Staten, bestuurslid van verschillende groote corporatiën, Wethouder van X; en hij stond op de nominatie om mettertijd in aanmerking te komen voor een benoeming tot Commissaris der Koningin. Hij was zéér rijk en gebruikte dien rijkdom in het belang van zijn minder bevoorrechte natuurgenooten: hij deed ontzaglijk veel goed en werd door de bevolking in stad en omgeving op de handen gedragen.
De vraag, door G. G. in zijn telegram gedaan, kon ik dus bevestigend beantwoorden. Maar wat moest ik nu verder doen? Het telegram bevatte daaromtrent geen enkele aanwijzing. Ik besloot dus, mij ertoe te bepalen, mij voor de eerstkomende dagen vrij te maken; en toen ik des Vrijdags naar Nunspeet toog, was ik — wat mijne beroepsbezigheden betreft — gereed voor een paar vrije dagen.
Bij Timan vond ik niets veranderd. Ook G. G. verkeerde in zijn gewone, opgewekte stemming, die zelfs tot luidruchtigheid oversloeg, nadat ik hem het een en ander verteld had van den "brombeer" en mijn verhouding tot hem. Toch doelde hij met geen enkel woord op de zaak, die ons zoo zeer bezighield, totdat wij des avonds —- de plechtige halle Timan's verlatend — met ons beiden, onder de zware boomen van den weg naar Elburg, heen en weêr wandelden.
"Het is nu een geschikt oogenblik om de zaken af te doen" — zeide hij. "Uit je mededeelingen maak ik op, dat je met dien meneer daar in X op vrij intiemen voet staat en een potje bij hem breken kunt. Ik zou graag zien, dat je hem voor eenige dagen gastvrijheid vroegt voor jezelven en voor mij.
"'t Zou een heel aardig uitstapje zijn" — zeide ik. "Maar, eerlijk gezegd, begrijp ik niet, waartoe het dienen zou."
"Willy" — zeide hij, stilstaande en mij bij een knoop van de jas pakkende, "als ik eerlijk zijn mag, zou ik willen opmerken, dat het er, in dit stadium van de zaak, minder toe doet, of je alles begrijpt. Ikzelf begrijp óók nog maar 'n bitter beetje en zoek nog steeds naar de bevestiging van mijn théorie."
"En je verwacht die in Brabant te vinden?"
"Ik hoop het, Willy!"
"Waarom in Brabant?"
"Als ik je dàt uitlegde, zou ik met die heele théorie voor den dag moeten komen. En dat doe ik niet, tegenover niemand: ik heb dat al gezegd."
"Dus je zoudt willen, dat ik voor jou en voor mijzelven belet vroeg bij mijn ouden vriend, den ,brombeer" — zeide ik, terwijl wij onzen weg vervolgden. "Het liefst zou ik zien, dat mijn vrouw mede van de partij was."
"En de mijne! Natuurlijk! Maar, Willy, ik moet Mariska hier laten en jij zult wel doen hetzelfde met je vrouw te doen: de dames hebben dan gezelschap aan elkander."
"Het zou anders ook voor de dames een aardig uitstapje zijn" — kon ik niet nalaten op te merken.
"Zeker! Als 't een pleizier-reisje was! Maar het geldt zaken, hoogst ernstige zaken. Het beste bewijs daarvan is dit, dat wij niet in onze gewone gedaante zullen komen: je moet je vriend daarop voorbereiden."
"Waartoe moet dât dienen?" — vroeg ik, niet aangenaam verrast.
Hij keek me een oogenblik aan en zeide toen lachend:
"Het vroegere ,feu sacré' is er toch niet uit, Willy? Je spraakt vroeger altijd van 'n duiveltje, dat ergens in je binnenste sprong en danste, wanneer er een avontuur in het vooruitzicht was. Dat duiveltje is toch niet... overleden?"
Nu lachte ik! "Duiveltjes sterven niet!" — zeide ik. "Daarvoor zijn het duiveltjes. Het mijne is nog springlevend. Ik begrijp alleen maar niet, waaròm wij vermond bij mijn vriend te gast moeten komen."
"Omdat de kans groot is, dat wij er een ouden kennis ontmoeten, Willy, en ik het beter vind, dat die òns voor nieuwe kennissen aanziet. Ik zou tegenover dien meneer met den langen naam maar open kaart spelen. Misschien heeft hij wel eens over mij hooren spreken en..."
"Dat heeft-i zeker!" — viel ik hier in de rede. "Ik heb hem mijn boeken gestuurd en hij kênt je dus."
"Je hebt hier in Holland 'n spreekwoord: "onbekend maakt onbemind'. Maar daaruit volgt nog niet, dat ieder, die bekend is, bemind wordt!"
"Maak je maar niet bezorgd, Geoffrey! Voor zooverre ik mijn ouden vriend ken, zal hij het buitengewoon interessant vinden met je in aanraking te komen, temeer, omdat je midden in een van je , experimenten' zit!"
"Ik vertrouw op je groote menschenkennis, Willy; maar speciaal op je kennis van je eigen vrienden!"
En hiermede was ons gesprek over de "zaken" ten einde en betraden wij opnieuw Timan's heilige halle.
* * *
In de verwachting, die ik van den "brombeer" gekoesterd had, kwam ik niet bedrogen uit. Het bleek zelfs, dat ons aangekondigd bezoek tot op zekere hoogte zijn wenschen voorkwâm.
"Met buitengewoon genoegen wacht ik Ubeiden" schreef hij mij. "Uw bezoek heeft werkelijk iets van "wat men ,een beschikking' pleegt te noemen.
"Er zijn in den laatsten tijd op den Eikenberg dingen "gebeurd, die mij de hulp van een bekwaam detective "deden begeeren. En nu wordt er mij een op 'n presen-"teerblaadje aangeboden. En wat voor een!"
Toen ik mijn vriend van deze ontboezeming in kennis stelde, glimlachte hij.
"Clanditie gééft clanditie" — zeide hij. "Het eene zaakje is nog niet uit, of het andere begint. Maar als 't een dood-gewone affaire is, heb ik niet veel lust, mijn Hollandschen collega's concurrentie aan te doen."
"Wanneer De Berecamp ons helpt en speciaal jou ter wille is, docr ons gastvrijheid te verleenen, mag daar toch wel wat tegenover staan" — zeide ik.
"Dat is waar, Willy! Trouwens het zou mij verwonderen, als de zaak niet belangrijk was. X is voor mij op dit oogenblik 'n soort van tooverstad: alles is daar belangrijk."
Ik zweeg, hoewel ik niet begreep!
* * *
Twee dagen na het zooeven medegedeelde gesprek, stegen G. G. en ik aan het station te X uit den trein. Alles was geschied zooals ik verwacht had. De "brombeer" had toegestemd in al onze "condities", die omtrent onze vermomming inbegrepen,en hier waren wij nu in gestalten, waarin men den scherpzinnigen G. G. en den nuchteren Mr. Hendriks zeker niet herkend zou hebben.
De detective had een vermomming aangenomen, die ik reeds vroeger eenige malen beschreven heb: die van Majoor Curtis uit Bengalen.9) Deze was 'n grijze man van middelbare grootte, met 'n kortgeknipte snor, een militaire houding en hoekige bewegingen. Hij droeg 'n lorgnet, had ringen aan de vingers en zijn handen waren niet heel goed verzorgd. In alle opzichten was hij de volmaakte tegenhanger van zijn alter ego: G. G.!
*9) Zie No. 1 en No. 2 der G. G.-serie: "De man uit Frankrijk" en "Het spook van Vöröshegy".*
Ikzelf zag eruit als 'n fatterig gekleed en ietwat aanstellerig kunstenaar. Ik was dichter, droeg mijn haren lang en had er mij aan moeten onderwerpen met 'n blonde snor en puntbaard versierd te worden. Het is misschien heel ondeugend, maar ik had in mijn uiterlijk dat van mijn vriend Janus van Dorp (over wien in de Inleiding van dit boek gehandeld werd) niet onverdienstelijk nagebootst, natuurlijk met hulp van G. G., die de "finishing touch" aanbracht. Mr. Hendriks was onkenbaar geworden en heette dan ook nu Frederik van Berlen!
De "brombeer" was persoonlijk aan het station. Hij stond bij het hekje aan den uitgang en monsterde van nabij ieder, die hem voorbij ging, daaronder ook mij; maar hij herkende mij niet!
Ik ging naast hem staan en gaf mij den schijn, alsof ik iemand wachtte; G. G. hield zich achter mij.
Toen de laatste reiziger het hekje gepasseerd was, draaide onze aanstaande gastheer zich met een ongeduldige beweging om en wilde het stationsplein opgaan.
"Brombeer!" — zeide ik en legde hem de hand op den schouder.
Een oogenblik scheen hij de kluts kwijt. Toen lachte hij, met het mij van ouds bekende, diepe geluid, en schudde mij hartelijk de hand.
"Dandy!" — zeide hij. "Men ziet het je dadelijk aan, dat je je bijnaam in al die jaren geen oneer hebt aangedaan! Alleen die lange haren...
"Alles kunst, geen natuur!" — expliceerde ik. "Mag ik je voorstellen aan Majoor Curtis uit Bengalen...?"
Hij lachte opnieuw, terwijl hij G. G. in onberispelijk Engelsch verwelkomde.
"De "alias' is mij bekend, dandy: uit je boeken!" zeide hij. "Het is mij een groote eer en een nog grooter genoegen met je beroemden vriend kennis te maken."
Het genoegen was blijkbaar wederkeerig. De Berecamp heeft altijd in hooge mate de eigenschap gehad, vreemden voor zich in te nemen (met uitzondering dan van de dienaars der heilige Hermandad, wanneer hij in het klabakarium werd opgeborgen om te "brommen"!). G. G. was al even toegankelijk voor den invloed, die van zijn open gezicht en ongedwongen manieren uitging, als ieder ander.
De "brombeer" was 'n jaar of drie ouder dan ik. Hij droeg, reeds in zijn studententijd, een langen baard, die zoowaar nu nog even blond was al in die lang vervlogen dagen! Het hoofdhaar was wel dunner, maar evenmin grijs geworden. En de goedmoedige uitdrukking van de oogen, verlevendigd door een tinteling van echten, gezonden humor, wekte vertrouwen en... 'n vroolijke stemming! Men vertelde van hem, dat hij bij een van zijn "brompartijen" eens opgesloten werd met 'n dronken aanspreker, die voortdurend jammerde, omdat het zoo slecht ging met z'n zaakje, en dat men dezen 'n uur later had aangetroffen, op 'n rieten stoel door "het hok" rijdende en met het vaste voornemen bezield, zijn beroep te verwisselen tegen dat van jockey!
Hoewel ik niet kon aannemen dat de "brombeer" G. G. ooit zou hebben kunnen bewegen van beroep te veranderen, geloofde ik toch wel, dat hij den detective in moeilijke oogenblikken, zoo die komen mochten, een onwaardeerbaren steun kon geven, alleen reeds door zijn onverwoestelijk, zich in alle omstandigheden gelijk blijvend goed humeur!
Het rijtuig van den "brombeer" wachtte ons voor het station.
Terwijl wij naar den Eikenberg reden, stelden wij onzen gastheer op de hoogte van onze nieuwe namen en kwaliteiten. Onze oude gezichten zou hij dien avond eerst te zien krijgen, wanneer wij in vertrouwelijk gesprek op zijn studeerkamer zouden zitten. Want G. G. achtte het van het hoogste belang, dat ons ware uiterlijk voor iedereen verborgen bleef, uitgezonderd dan voor onzen gastheer!
Er deed zich in dit opzicht nog een zonderlinge omstandigheid voor, waaraan wij thans eerst aandacht begonnen te schenken.
De Berecamp was getrouwd en had twee kinderen: 'n meisje van twaalf en 'n jongen van tien jaar. Hoe zouden wij tegenover zijn gezin staan?
Het was beter, dat de beide kinderen onkundig bleven van de maskerade, die gespeeld werd. Zij zouden daarvan niets begrijpen en er allicht over spreken, hetgeen — naar G. G. ons verzekerde — gevaarlijk kon zijn. Hoewel onze gastvrouw en gastheer ons kenden voor wat wij waren, werd besloten, dat wij voor de kinderen — als voor ieder ander — majoor Curtis en meneer Van Berlen zouden zijn. Toen wij tot deze slotsom gekomen waren, had ik gelegenheid eens rond te kijken. Sinds wij de stad verlaten hadden, volgde ons rijtuig een breeden, met boomen beplanten straatweg, die door laag-liggende weilanden voerde. Links achter ons lag de stad met zijn drie hooge torens. Rechts, in de verte, volgde een lange rij hooge boomen den loop der rivier, waaraan X gelegen is; door die boomen héén zagen wij soms de silhouetten van schuiten of stoombooten, die de rivier bevoeren. Overigens was het landschap vlak en zelfs eenigszins eentonig. Maar de heerlijke warme namiddag-zonneschijn, die op velden en boomen lag, belette, dat het eentonige droefgeestig werd. Er lag een gulden glans van zachte voorjaarsstemming over onze omgeving.
Eindelijk verscheen, rechts vóór ons en nog op vrij grooten afstand, zwaar opgaand hout, waarboven zich hier en daar enkele groepen van bizonder hooge boomen afteekenden. Een lichte golving in den bodem was oorzaak, dat, van hieruit gezien, het hooge groen een verre heuvelreeks scheen, welke aan dien kant het uitzicht `begrensde. Onze gastheer vestigde onze opmerkzaamheid op deze zware boomgroepen.
"De Eikenberg" — zeide hij.
## HOOFDSTUK XVIII EEN VORSTELIJK VERBLIJF.
Een scherpe bocht naar rechts voerde ons regelrecht op den Eikenberg toe. Links-om ging het daarna, de oprij-laan in. Wij passeerden een aantal hooge boomen, waaronder eenige bonte pauwen statig over het groene gazon stapten, en reden daarop onder een laag, antiek poortje dóór, waaraan links 'n oud gebouwtje van één verdieping aansloot.
"Anno 1602" las ik aan de andere zijde van het poortje. En nu opende zich plotseling, rechts, het uitzicht op het huis van den Eikenberg, de vorstelijke woning van mijn ouden vriend, den "brombeer".
Ik heb in ons land vele mooie buitenverblijven gezien; maar een fraaier dan dit zag ik, bij mijn weten, niet.
Het groote huis was van ons gescheiden door een gracht, waarover een korte brug naar het breede, ijzeren hek voerde. De zijgevel lag naar ons toegekeerd en de vóórgevel keek, naar rechts, op een bloementuin, die streng in rechte lijnen was aangelegd, met zeldzamen smaak en een rijkdom van heerlijke bloemen. Ik ben niet genoeg op de hoogte van de bouwkunst om te kunnen zeggen, in welken stijl het huis was opgetrokken. Ik weet alleen, dat het onregelmatig was, met hier en daar spitse topgevels en óverspringende daken: misschien was het heelemaal geen stijl! Maar de groote bekoring ervan schuilde niet in de schoone vormen, maar in de wijze, waarop het begroeid was. Groene en roode wingerden slingerden zich in weelderigen overvloed lang de muren en daken, maar zonder die geheel te bedekken en zonder de lijnen van het gebouw voor het oog te verbergen; zij braken alleen de eentonigheid van dak- en muurvlakten, omrandden de vensters met hunne teêrgekleurde guirlandes, en hingen over balcons en veranda's naar omlaag, in zacht-getinte festoenen.
"Een feest voor het oog!" — zeide ik, toen wij uitgestapt waren en een oogenblik bleven staan, om het huis van buiten op te nemen.
"Een feest ook voor het hart!" — antwoordde De Berecamp, met een lichte trilling in zijn stem. "Hier heeft mijn geslacht van eeuw tot eeuw gehuisd; hier is mijn vader geboren en hier zal mijn zoon sterven en ook zijn zoon weêr. Begrijp je, dandy, dat je van 'n huis kunt gaan houden als van 'n ouden, trouwen vriend, die met je meêleeft in zorg en in vreugde? En dân, kijk eens om je heen! Al die honderden hooge, breed-uitgegroeide eiken, waaraan de Eikenberg z'n naam ontleent, ze stonden er al een eeuw geleden, toen mijn overgrootvader hier woonde. Maar onder die kleinere dennen en beuken en kastanjes (er zijn ook dááronder al heele kerels, dandy!) is er geen enkele of als jongen heb ik hem zien planten of zelfs met m'n eigen handen geplant! Ze zijn met mij opgegroeid, ze zijn mijn speelmakkers geweest. Ik zeg je, er gaat niets boven de plaats, waar je wieg gestaan heeft!"
Hier speelde mijn nuchterheid mij parten, door mij de volgende woorden op de lippen te brengen: "Accoord, brombeer, wanneer die plek er uitziet als de Eikenberg."
De Berecamp's gezicht betrok en ik had spijt van mijn gezegde.
"Neem me die flauwiteit niet kwalijk, oude kerel!" — zeide ik, terwijl ik hem de hand toestak., e enthousiasme begrijp ik volkomen. Het spijt me, dat ik 'n domper daarop gezet heb."
"Verbeeld ie niet te veel, dandy!" — lachte De Berecamp, geheel verzoend. "Ik laat me niet zoo gemakkelijk onder 'n domper zetten, zooals je je wel herinneren zult; en als ik enthousiast ben, lukt dat heelemaal niet!"
*en bleef ons nastaren*
Wij waren, naar rechts, den bloementuin ingewandeld. Bij den hoek van het huis ontmoetten wij den tuinman, een ouden, gebogen man met lange grijze haren, 'n schippersbaardje en 'n grooten gekleurden bril op den neus. Hij nam z'n pet af en bleef ons, op 'n hark geleund, een oogenblik nastaren: een typische figuur in deze zonnige omgeving, met den bloementuin vóór zich en àchter zich de festoenen van den wilden wingerd.
In den tuin, half verscholen achter bloeiende struiken, stond de theetafel, waar onze gastyrouw, met haar kinderen, ons wachtte. Zij was een vrouw van misschien vijf-en-dertig jaar, met 'n fijn-besneden gelaat en donkere haren en oogen. De beide kinderen waren blond, zooals hun vader.
De begroeting van de zijde van Mevrouw de Berecamp was bizonder hartelijk. Haar echtgenoot stelde ons voor onder onze schuilnamen, maar de wijze waarop zij die, het woord tot ons richtende, telkens met een zekeren nadruk uitsprak, bewees ons, dat zij zeer goed wist, dat het niet meer dan schuilnamen waren.
G. G. zat aan de tafel in een riet-houten armstoel, met het gezicht naar het huis gekeerd. Hij was in druk gesprek met onze gastvrouw, hoewel deze wat moeite had met haar Engelsch: later bleek het ons, dat zij een Belgische was. Nu en dan liet hij zijn oogen den tuin in dwalen en dan rustten zij bewonderend op de prachtige bloemperken of, daar overhéén, op den voorgevel van het huis, met het rood en groen der wingerd-ranken.
Juist was Mevrouw de Berecamp bezig met een eenigszins omstandig verhaal omtrent de beste wijze om stok-rozen te kweeken, toen er plotseling een stekende uitdrukking in de oogen van den detective kwam. Tezelfder tijd merkte ik het schokje door hals en achterhoofd bij hem op, dat op een belangrijke ontdekking wees.
Ik volgde de richting van zijn blikken, maar zag niets bizonders. De tuinman was aan het harken gegaan en een korte, stevige man, dien ik juist op den rug zag, verdween met veerkrachtigen stap om den hoek van het huis. Hij was blijkbaar de vóórdeur uitgekomen en G. G. had hem vermoedelijk in het gezicht gezien.
"Wie was dat, die daareven uit het huis kwam?" vroeg G. G., het verhaal van onze gastvrouw, zonder veel complimenten, onderbrekend.
"Dat was een schrijnwerkersknecht, die binnenshuis 'n paar antieke meubelen repareert" — antwoordde zij, niet weinig verbaasd.
"Werkt hij al lang hier?"
"Misschien 'n goede week. Maar waarom interesseert U dat zoo?"
G. G. begon te lachen en het agressieve, dat zoo dikwijls in zijn toon lag, wanneer de detective in hem ontwaakte, verdween uit zijn stem.
"U zult mij niet heel beleefd vinden, Mevrouw!" zeide hij. "Eerst val ik U in de rede en nu moet ik weigeren U antwoord te geven. U weet echter, dat in mijn beroep..."
"In Uw beroep is men beleefd tegenover dames, majoor Curtis!" — zeide zij, met een fijn glimlachje en den nadruk op den militairen titel leggend. "Ik neem gaarne aan, dat Uw plotselinge vragen noodzakelijk waren."
Hiermede was dit kleine incident afgeloopen; maar ik vroeg mijzelven af, wie die korte, stevige man geweest kon zijn. Kênde ik hem...? Zou G. G. mij inlichten...? Het onaangename gevoel, dat mij zoo dikwijls bevangt, wanneer ik mijn vriend in volle actie zie, zonder de beteekenis van zijn handelingen te begrijpen — een gevoel van boosheid half op hem, omdat hij mij niet beter inlicht, en hålf op mijzelven, omdat ik hem niet beter begrijp —, begon mij ook thans te bekruipen.
Gelukkig werd mij den tijd niet gelaten, daaraan toe te geven. De "brombeer" stelde voor, dat wij vóór den eten een borrel op zijn kamer drinken zouden en ik liet mij niet lang bidden. G. G. daarentegen thans geheel in zijn rol van majoor Curtis — weigerde het schoone geslacht te verlaten, waarvoor de gastvrouw hem met een vriendelijk woordje beloonde. Maar ik begreep, dat achter de beleefdheid van den majoor de zucht tot "observeeren" van den detective stak. Misschien hoopte hij op de terugkomst van den korten, stevigen man!
Weldra zaten de "brombeer" en ik tegenover elkander op zijn eenvoudige, maar smaakvolle studeerkamer, in diepe leêren stoelen en met 'n zwart-houten tafeltie tusschen ons. De kleine, kristallen borrelglaasjes, van een eigenaardigen punt-vorm, waren oude bekenden voor mij: wij hadden ze menigmaal op zijn studentenkamer tusschen ons gehad, op hetzelfde tafeltje, óók 'n oude kennis!
De "brombeer" zei mij, dat hij principieel met z'n vrienden, wanneer die hem kwamen opzoeken, alleen uit deze oude, eerwaardige "borrel-bokalen" dronk, en daarop begon hij over den goeden, ouden tijd te praten en over onze gemeenschappelijke herinneringen aan den studie-tijd en de studenten-fuiven. Als ik ongemerkt de oogen sloot, was het, alsof ik terug was op mijn studenten-kamer, waar de "brombeer" even was komen oploopen om over kunst en litteratuur, over politiek en godsdienst te praten en aan het praten te blijven, totdat, in een oogenblik van stilte, het plotseling *invallende* klokkenspel daarbuiten ons tot de verbazingwekkende ontdekking bracht, dat de nacht voorbij was en het buiten licht moest zijn. Dan haalden wij de gordijnen op en openden de ramen om even de frissche morgenlucht in te ademen: en we vonden het "beroerd", dat het weêr zoo laat was geworden. En ik lag uit het raam, om den "brombeer" na te kijken, als die door de eenzame straten eindelijk naar z'n kamer ging; en ik hoorde de ontwakende vogels tjilpen in de boomen vóór het huis, en ik vond de menschen dom, omdat ze niet zoo vroeg òp waren als die vogels. En ik ging — dommer dan de domsten — naar bed in mijn alkoof!
Er kwam — met die beelden uit het verleden — een gevoel van groote hartelijkheid bij mij op tegenover mijn ouden vriend: niets bindt méér dan de gemeenschappelijke herinneringen aan den onbezorgden studententijd! En als ik aan dien tijd terug denk, gaat mijn hart open!
* * *
We hadden — in statie: met een livrei-knecht achter tafel — gedineerd in de mooie, lichte eetkamer. Op het daarvóór gelegen bordes hadden wij de koffie gebruikt, met het uitzicht op een deel van het uitgestrekte park, dat zich aan alle zijden om het huis uitstrekt.
Op uitnoodiging van onzen gastheer, die ons — op verzoek van G. G. — tegen negen uur een conferentie op zijn kamer had toegezegd, maakten wij thans door dit park een groote wandeling. De "brombeer", die persoonlijk het opzicht hield over alles, wat op het onderhoud van huis en park betrekking had en wiens plannen bij den aanleg nauwkeurig gevolgd waren (een jaar of tien geleden was die geheele aanleg gemoderniseerd!), had het verstaan, natuur en kunst tot een harmonisch geheel te vereenigen.
De honderden zware, breed-uitgegroeide eikenboomen (misschien wel de mooiste van ons land) boden telkens dóórblikken op graanvelden of grasland. In diep perspectief, als schilderijen, omlijst door het donkere loof en de zware stammen op den vóórgrond, lagen de sappig-groene weiden, waarop koeien en paarden graasden, in het licht der dalende zon.
Hier-en-daar had, om die vergezichten te verkrijgen, de kunst een handje mêegeholpen. Takken waren gekapt, misschien zelfs enkele malen geheele boomen geveld, om het uitzicht vrij te krijgen. Maar nergens was storend ingegrepen in de natuurlijke schoonheid van het landschap; overal had de kunst de natuur gesteund, om zich daarna bescheiden terug te trekken, zoodat men meende tegenover het werk van de natuur alléén te staan.
Achter in het park was een groote vijver: een watervlakte, glad als een spiegel, geheel omsloten door hooge, indrukwekkende eiken, met een klein eilandje in het midden, waarop zich één enkele zware eikenboom verhief.
Wij bleven eenigen tijd aan den oever staan en keken naar het spel van een paar wilde eenden, die snaterend over het watervlak joegen.
Iets verderòp, aan den rand van een veld met jonge rogge, dat als een tapijt van malsch groen te midden der boomen lag, speelden vier of vijf fazanten. Zij verlieten daarbij den schuilhoek, waar de halmen hen dekten, en kwamen enkele malen zelfs tot op den weg, waarop wij op een afstand van een tiental meters onbeweeglijk stonden. Links van ons kwam een haas uit het bosch, ging aan den rand van den weg overeind zitten en keek nieuwsgierig naar de spelende yogels, zich nu en dan met de vóórpooten over den kop strijkend. Een oogenblik nog — daar knarste een steentje onder mijn voet en in een oogwenk waren de fazanten in het roggeveld en de haas in het bosch verdwenen!
"Er schijnt hier veel wild te zitten" — zeide ik.
"Héél veel" — antwoordde De Berecamp. "Eigenlijk te véél! Men maakt er mij een grief van, dat ik niet meer jagen laat, maar ik behoor tot die menschen, die een afkeer van de jacht hebben. In den jachttijd komen soms 'n paar goede vrienden hazen en fazanten schieten; dat is werkelijk noodig, omdat ze anders te zeer in aantal toenemen en het plantsoen vernielen zouden. Ik zelf echter neem nooit deel aan die jachtpartijen."
"Toch schijnen de dieren nog al schuw" — zeide G. G.
"Wat u daar zegt is volkomen waar, Mr. Gill. En dat stamt uit den laatsten tijd. Het is dáárover, dat ik graag eens met u overleggen wilde."
"Stroopers?"
"Juist! En buitengewoon geslepen stroopers."
"Dat lijkt mij anders meer op het gebied van den jacht-opzichter dan op dat van den detective te liggen" — merkte mijn vriend op. Ik hoorde uit zijn toon de vrees, dat hij in 'n weinig interessante zaak betrokken zou worden.
"Maar als de jacht-opzichter zijn onmacht moet erkennen, breekt de tijd voor den detective aan" — zeide onze gastheer. "Straks, als wij op mijn studeerkamer aan het overleggen gaan, hoop ik u de zaak voor te leggen."
"Ik ben tot uw dienst!"
Wij vervolgden onzen weg en kwamen ten slotte uit bij het poortje, met het "Anno 1602" erop, waaronder wij op weg naar het huis met het rijtuig waren dóórgereden. Ik zeide reeds, dat zich een oud gebouwtje van één verdieping aan dat poortje aansloot. De vóórkant daarvan was ingericht als garage, de achterkant bevatte een tuinmanswoning, die met twee vrij groote vensters in het park uitkwam.
De beide gedeelten — garage en woning — stonden niet met elkander in verbinding; ieder had zijn eigen uitgang.
Toen wij de tuinmanswoning passeerden, stond de oude tuinman, dien wij reeds bij het huis gezien hadden, in de deur. Hij rookte uit 'n kort pijpje en nam beleefd z'n pet af.
"Goeien avond, Bertus!" — zei De Berecamp. "Als meneer Hamel straks komt, zeg hem dan, dat ik hem vanavond om 'n uur of tien op het huis verwacht. Niet vergeten, hoor!" En met een vriendelijk knikje ging hij verder.
"Meneer Hamel is de jacht-opzichter" — vervolgde hij, zich tot ons richtende. "Die komt elken avond 'n praatje met den tuinman maken. Bertus is 'n oude getrouwe: hij is al veertig jaar in den dienst van onze familie!"
Het was reeds vrij donker, toen wij in het huis terugkwamen. Hoewel het uur voor de thee eigenlijk reeds gepasseerd was — onze wandeling had langer geduurd dan de gastheer oorspronkelijk van plan geweest was —, wachtte Mevrouw de Berecamp ons met de theetafel op het bordes vóór de eetkamer, waar wij ook, na het diner, de koffie gebruikt hadden.
De beide kinderen waren nog op.
"Vader" — zeide de jongen, terwijl hij in het toenemende duister een blik naar buiten onder de hooge stammen wierp. "Louize en ik hebben 'n half uur geleden weer 'n kerel in het park zien rondsluipen."
"Waar?" — vroeg zijn vader.
"Bij de garage. Wij waren daar binnen geweest om naar de banden van onze fietsen te zien. Juist toen wij de deur achter ons sloten, kwam de vent uit het bosch en sloop langs den rand daarvan in de richting van het roggeveld."
"Had hij 'n geweer bij zich?"
"Dat hebben we niet kunnen zien: het begon al donker te worden. Ik had hem willen nagaan, maar Louize wilde dat niet hebben."
"Natuurlijk niet!" — zeide Louize, die twee jaar ouder was dan haar broertje en dezen nog al onder apèl scheen te hebben. "Gerard is veel te jong om zich aan zoo'n avontuur te wagen." De toon, waarop zij deze woorden sprak, was zóó moederlijk-beschermend, dat wij allen begonnen te lachen.
"Ik vind, dat Louize groot gelijk had, Gerard!" zei De Berecamp. "Als je groot bent, mag je meêhelpen om stroopers en dieven te verjagen. Nu moet je dat liever aan Louize overlaten. Die is oud en wijs genoeg om 'n heele stroopersbende op de vlucht te jagen."
"Ik ben 'n meisie" — zeide Louize en wierp het hoofdje in den nek.
"Juist, kind! En zelfs nog 'n klein meisje!" — zeide Mevrouw de Berecamp. "Het is al over negenen en het wordt tijd om je bed op te zoeken!"
"Kom, Gerard, je moet naar bed!" — zeide de onverbeterlijke Louize; en daarop wenschten de kinderen ons goeden nacht en gingen naar boven.
"Het is beter die twee maar binnen te houden, als het duister begint te vallen" — zei de Berecamp tot zijn vrouw, zoodra de deur zich achter Louize en Gerard gesloten had. "Ik geloof wel niet aan gevaar — wat zou hun kunnen overkomen? De tijd van romantische kinderroof-geschiedenissen is voorbij — maar ik vind het niettemin een onaangenaam denkbeeld, dat zij in het park zijn, terwijl er schooiers in de bosschen rondsluipen."
Ik zag, dat G. G. onzen gastheer strak aanzag en ik begreep waarom. In den toon, waarop deze gesproken had, lag een bezorgdheid, die hij vergeefs trachtte te verbergen. En de woorden, die bedoeld waren om zijn vrouw voorzichtigheid aan te bevelen, maar tevens gerust te stellen, misten, wat dit laatste betrof, ten eenenmale hun doel. De "brombeer" had nooit comedie kunnen spelen en kon dat ook thàns nog niet.
Hoewel Mevrouw de Berecamp niet verder op het onderwerp inging, was het toch goed te zien, dat zij zich bezorgd maakte. Toen wij kort daarna opstonden, om den "brombeer" naar zijn hol te volgen, hield zij G. G. nog even staande.
,Ik hoop, Mr. Gill, dat U ons 'n middel tegen die stroopers aan de hand zult kunnen doen" — zeide zij zacht. "Ik maak mij ongerust en uw hulp zou mij veel waard zijn."
"Hoe zou ik U die kunnen weigeren, Mevrouw?" antwoordde G. G. galant. "Maar, als U verlangt, dat ik in dit opzicht iets bereik, moet U vooral niet vergeten, dat ik Majoor Curtis heet."
## HOOFDSTUK XIX EEN AVONDZITTING.
Wij zaten in het hol van den "brombeer": G. G., de "brombeer" zelf en ik. Mijn vriend had zijn vermomming afgelegd en ook ik was niet langer de aanstellerige dichter met lange haren, maar had mijn gestalte van nuchter advocaat uit Den Haag hernomen. Nu wij vertrouwelijk met onzen gastheer spreken zouden, konden wij dat moeilijk onder valsche vlag doen.
De verbazing van den "brombeer", toen hij G. G. in zijn ware gestalte — zoo geheel verschillend van die van Majoor Curtis10) — te zien kreeg, was groot geweest. Wat mijzelven betreft, hij vond mij weinig veranderd en niet veel ouder geworden, hetgeen mijn ijdelheid streelde!
*10) Zie No. 2 der G.G.-serie: "Het spook van Vöröshegy".*
Wij zaten in de diepe leêren stoelen, waarvan reeds sprake geweest is, en dronken een goeden rooden wijn uit fijne, verlakt-houten bekers, die — evenals de puntige glaasjes van dien middag — herinneringen uit den studententijd bij mij opwekten. Maar aan die herinneringen mocht ik thans niet toegeven: ik had al mijn aandacht noodig voor wat er verhandeld werd.
"Ik moet beginnen met een bekentenis" — zeide G. G., terwijl hij achterover in zijn stoel leunde en de blauwe rookkringetjes van zijn sigaar met de oogen volgde. "Toen ik hierheen kwam, had ik een zeer bepaalde théorie. Ik heb echter thans dingen geobserveerd, die met die théorie in strijd zijn. Met andere woorden: ik ben de kluts kwijt!"
"U kunt die niet méér kwijt zijn dan ik" — zeide de "brombeer", met zijn diepsten lach. "Ik begrijp namelijk geen woord van wat U zegt!"
"M'n waarde heer, niets is meer verklaarbaar!" antwoordde de detective. "Ik zal u met 'n paar woorden op de hoogte brengen van wat geschied is en van de reden, waarom wij een beroep op uw gastvrijheid hebben gedaan. U moet mij echter toestaan en jij ook, Willy! — over mijn théorie te blijven zwijgen; zij staat, helaas, nu zóózeer op losse schroeven, dat ik mij ervoor wachten moet haar aan anderen mede te deelen."
Mijn vriend vertelde nu in korte woorden, wat er in het huis op de Veluwe geschied was. Onze gastheer interesseerde zich zéér voor het geval, maar, toen de detective zweeg, lag er toch een uitdrukking van onbevredigdheid op zijn gezicht.
"Uw verhaal was heel belangwekkend" — zeide hij. "Maar de samenhang van dat alles met Uw — overigens zeer gewaardeerd — bezoek op den Eikenberg ontsnapt mij ten eenen male."
"Ook dien samenhang zal ik U mededeelen" — hernam G. G. "En, Willy, let op! Ook jij zult daardoor een paar dingen vernemen, die je tot dusverre niet geweten hebt. Waarschijnlijk herinner je je, dat er maar weinig geld in huis gevonden werd."
"'n Kleine honderd gulden, in goud en zilver" zeide ik.
"Juist! En toch had Graaf Basiloff twee dagen van te voren achthonderd gulden in bankbiljetten, per aangeteekenden brief, aan Van Noort gezonden *en deze had dien brief te Epe in ontvangst genomen.*
"Wanneer?" — vroeg ik.
"Een uur vóórdat hij jelui aan den rand van het bosch ontmoette. Hij moet toen regelrecht van het postkantoor gekomen zijn."
"Hoe weet je dat alles?"
"De Officier van Justitie had immers een onderzoek ingesteld naar de correspondentie van Van Noort en zijne zuster? Dit onderzoek leerde, dat alleen de eerste nu en dan aangeteekende brieven uit Den Haag ontving, maar dat er overigens nooit één stuk aan hun adres aankwam. Het was niet moeilijk te raden, van wien die aangeteekenden kwamen. Ik vroeg er Graaf Basiloff naar en deze zeide mij dadelijk, dat hij meermalen geld aan zijne zuster zond, door bemiddeling van Van Noort. De laatste zending had twee dagen van te voren plaats gehad, hetgeen klopte met hetgeen men mij aan het postkantoor te Epe mededeelde."
"Nog steeds zie ik den bedoelden samenhang niet" — merkte onze gastheer op.
"Geduld, geachte heer, geduld!" — zeide de detective. "Graaf Basiloff bezit, naast vele voortreffelijke eigenschappen, een kwaliteit, die ik bizonder hoog stel: hij is een systematisch mensch. De nummers van de verzonden bankbiljetten had hij genoteerd. Die biljetten waren niet gevonden; het kwam er nu op aan ze op te sporen!"
"Ik heb in zulke gevallen meermalen gezien, dat men in de nieuwbladen verzocht, van het òpduiken van zoo'n biljet aan de politie kennis te geven" — zeide ik. "Maar ditmaal heb ik zoo'n verzoek niet gezien."
"Het is — althans in dien vorm — ook niet gedaan, Willy! Mijns inziens vermeerderen dergelijke oproepen de kans op mislukking; de schuldigen worden er immers door gewaarschuwd en zijn dan langen tijd uiterst voorzichtig. Daarom hield ik den Officier van Justitie van een dergelijken stap terug; de recherche werd echter te werk gesteld en deze werkt goed en snel in Uw land, Mr. Berecamp!"
"Zij had dus succes?" — vroeg ik. "Zeker, Willy! En tamelijk snel, hoewel ik, in mijn ongeduld, het nog sneller gewenscht zou hebben. In de eerste dagen, toen ik wachtte (ik stond te Nunspeet in telegrafische gemeenschap met Justitie en Politie, Willy!), was ik onder 'n hoedje te vangen. Ik deed mijn best om opgewekt te schijnen, maar vrees, dat het mij niet heel goed lukte."
"Je was niet natuurlijk in je opgewektheid, Geoffrey!" — zeide ik.
"Eindelijk kwam er goede tijding! Drie van de biljetten waren nagespeurd tot een paar winkels te X. En twee dagen later kwam er een dergelijk bericht, opnieuw uit X. Het waren echter groote magazijnen en men kon niet meer nagaan, van wien men ze ontvangen had. Ik besloot dadelijk, zelf te X op onderzoek uit te gaan. En hier bèn ik!"
"U kunt nu toch nog niets ontdekt hebben" — zeide onze gastheer. "U waart nog niet eens in de stad, behalve dan, toen wij er met het rijtuig doorhéén reden."
"Ik had eerst morgen-ochtend met het onderzoek willen beginnen" — zeide G. G.: ", Trop de zêle' zou misschien opgevallen zijn ter plaatse, waar men niets vermoeden mag! Maar nu reeds is het toeval mij gunstig geweest. Het eenige onbegrijpelijke van het geval is, dat daardoor mijn met zorg opgebouwde théorie onderste-boven wordt gegooid."
"Wij wachten op je ontdekking, Geoffrey!" zeide ik.
"Mr. Berecamp" — zeide hij, zich in het bizonder tot den "brombeer" wendende, "U hebt mij zoo juist hooren vertellen van een korten, krachtigen kerel, dien ik tweemaal tegen den grond sloeg. Dienzelfden kerel heb ik vanmiddag uit Uw huis zien komen."
"Uit *mijn* huis...?" — Onze gastheer zette groote oogen op van verbazing.
"Mevrouw zei mij, dat het 'n schrijnwerkersknecht was, die antieke meubels kwam herstellen."
"Nu begrijp ik... —" begon ik; maar een nijdige blik van mijn vriend smoorde de toespeling op het schokje door hals en achterhoofd in hare geboorte. Het bleef een oogenblik doodstil.
"Wij zijn hier alleen en niemand kan ons hooren" — vervolgde G. G. "Op Uw schrijftafel zie ik 'n telefoon staan, Mr. Berecamp. En hier heb ik de namen van drie magazijnen, waar eenige der verdwenen bankbiljetten in beslag genomen zijn. Misschien wil Willy even aan die drie adressen telefoneeren. Wij behoeven nu niet meer uit te gaan van die biljetten, maar kunnen de persoonsbeschrijving geven van den ,gentleman', dien wij door den veldwachter ,Arie' hebben hooren noemen. Willy is 'n matador in het geven van persoonsbeschrijvingen, Mr. Berecamp!"
Op een wenk van onzen gatsheer nam ik den ontvanger van de telefoon ter hand.
"Wacht even!" — zeide G. G., opstaande en door de kamer loopende. "Geef je rekenschap van het feit, Willy, dat met de antwoorden, die je krijgen zult, de théorie, die ik mij gevormd heb, staat of valt. *En — als zij valt — is zij toch juist!"*
De laatste woorden sprak hij met 'n bijna nijdige stem.
"E pure si muove"11) — lachte de "brombeer".
"Juist, Mr. Berecamp! — Ga je gang, Willy!"
*11) "En tòch beweegt zij zich": de bekende woorden van Gallileï.*
Het telefoneeren duurde lang, want er moesten in de drie magazijnen verschillende verkoopers of verkoopsters geraadpleegd worden. Een kleêren-magazijn, een schoenen-magazijn en een comestibles-winkel! In den laatsten wist men zich niets te herinneren; maar in de eerste beide herinnerde men zich zéér goed, dat er eenige dagen geleden een ruwe klant, die volkomen aan de beschrijving beantwoordde, inkoopen gedaan had.
"Dat is 'n kwaad ding voor m'n eigenliefde!" zeide G. G. "Het eenige goede eraan is, dat die théorie van de Russische revolutionairen — pure fantasie! nu voor goed op haar rug ligt. Maar, helaas, de mijne ligt ernaast!"
"En toch beweegt zij zich" — zeide ik lachend.
"Zeker, Willy! *Dood* is ze niet. En ze zal nog wel eens opstaan."
Het bleef eenige oogenblikken stil.
"Je ziet, hoe goed het is, dat we ons hier in de buurt niet in onze ware gedaante vertoonen" — hernam daarop de detective. "Den zachtmoedigen ,gentleman'. die Arie heet, mogen wij geen schrik op het lijf jagen, door hem aan z'n blauwe oogen te herinneren! — Er zijn nu twee vragen, die ons moeten bezig houden: Ten eerste: hoe kwâm de man hier? Ten tweede: wat *doet* hij hier?"
"Het zou mij zeer verwonderen, als zijn eerzucht niet verder ging dan het herstellen van antieke meubelen" — zeide ik.
"Systematisch blijven, Willy!" — vermaande G. G., op zijn meest schoolmeester-achtige manier. "Ten eerste: hoe kwam hij hier? Vermoedelijk zal onze gastheer of anders onze gastyrouw daarop het antwoord kunnen geven."
"Dat kan ik" — zei De Berecamp. "Omdat ik mij voor die meubelen bizonder interesseer, ben ik er persoonlijk over gaan spreken in het meubelmagazijn van Koller, te X. Ze zeiden mij daar, dat ze juist 'n knecht gekregen hadden, die heel handig was in het herstellen van oud goed; en daarop is de man, dien u van gezien hebt, op den Eikenberg middag verschenen."
"Dank U!" — zeide G. G. "Zij hadden dien knecht dus *juist gekregen*; dat is een punt om te noteeren. Nu de tweede vraag: wat doet hij hier?"
"Voor zoover ik weet, meubels maken. En daaraan zal hij nog wel 'n dag of wat werk hebben."
"Is U tevreden over wat hij tot dusverre gedaan heeft?"
"Zéér tevreden!"
G. G. dacht een oogenblik na en schudde toen langzaam het hoofd.
"Het komt mij meer dan onwaarschijnlijk voor, dat deze , gentleman', dien wij in de buurt van het huis op de Veluwe aantroffen en die met bankpapier betaalt, dat van den vermoorden man afkomstig is, niet iets anders op het oog zou hebben dan alleen het herstellen van 'n paar meubelen. Terecht maakte ook jij daarjuist die opmerking, Willy. Dat is een tweede punt om te noteeren. De man komt toch morgen terug, Mr. Berecamp?
"Dat is tenminste afgesproken."
"Prachtig! Voorloopig zullen we dit onderwerp nu laten rusten. Het zal mij een genoegen zijn, nu te vernemen, in welk opzicht ik U van dienst kan zijn ten opzichte van die strooperijen in Uw park."
"Als het gewone strooperijen waren, zou ik er niet aan denken U daarmede lastig te vallen" — antwoordde onze gastheer. "Er is echter een omstandigheid aan verbonden, die aan de geheele zaak iets geheimzinnigs geeft. Zooals U weet, heb ik den jacht-opzichter verzocht om tien uur hier te komen. Het is reeds bij tienen en hij wacht vermoedelijk beneden. Ik zou het aangenaam vinden, wanneer U hem toestondt binnen te komen en U het verhaal van zijn wedervaren te doen."
Wij hadden hiertegen niet het minste bezwaar, maar het duurde nog eenigen tijd, voordat Hamel, de jachtopzichter, binnengelaten werd, omdat G. G. en ik eerst weêr in majoor Curtis en den dichter Frederik van Berlen gemetamorfoseerd moesten worden. Mijn vriend stond beslist daarop, hoewel De Berecemp ons verzekerde, dat de opzichter volkomen betrouwbaar was.
De jacht-opzichter Hamel bleek een, voor zijn stand, zeer ontwikkeld man te zijn. In zijn jeugd had hij jaren lang in Engeland gewoond en dit vergemakkelijkte zéér het gesprek, waaraan ook G. G. thans zonder moeite kon deel nemen.
Het verhaal, dat wij nu hoorden, kwam in het kort hierop neer: Tot voor zeer korten tijd had men op den Eikenberg slechts uiterst zelden last van stroopers gehad. Thans was dat plotseling anders geworden. Er werden strikken gezet en zelfs had men enkele malen een schot gehoord. De jachtopzichter had àl zijn best gedaan om den strooper (want blijkbaar had men slechts met één man te doen) in handen te krijgen. Hij had hem eenige malen in de verte gezien, maar de man was voorzichtig en zóó snel in zijn bewegingen, dat hij hem telkens slechts één oogenblik in het oog had kunnen houden. Tweemaal echter was hij hem vlak op de hielen geweest en toen had zich op dezelfde plaats iets àfgespeeld, dat wel tooverij scheen.
Ik zag, dat G. G. hier de ooren spitste. Hij leunde achterover in zijn stoel en sloot de oogen.
"Beide malen gebeurde precies hetzelfde" — vervolgde Hamel zijn verhaal. "Ik had mij op de loer gelegd in het rogge-veld, toen ik den man op misschien vijftig passen afstand uit het bosch zag komen. Hij had den rug naar mij toegekeerd en ik dacht dus, dat ik hem gemakkelijk zou kunnen volgen. Maar jawel, nauwelijks was ik overeind gekomen en had ik 'n paar passen gedaan, of hij keek om — zóó snel, dat ik zijn gezicht nauwelijks te zien kreeg — en ging ervan dóór. 't Was een kleine, wat gezette man, maar hij liep als 'n haas, zoodat de afstand tusschen ons dezelfde bleef. Wij naderden in gestrekten draf het tuinmanshuis; hij verdween om den hoek en geen minuut later sloeg ik dienzelfden hoek om. De man was weg! Bertus, de tuinman, die in z'n deur stond, zei mij, dat-i hem plotseling om den hoek had zien komen en in 'n boschje kreupelhout had zien verdwijnen. Ook Bertus had hem niet in het gezicht kunnen zien. Wij zochten het heele boschje en den omtrek af: de strooper was en bleef verdwenen!"
"En dat gebeurde tweemaal, precies op dezelfde manier?" — vroeg ik.
"Juist, meneer!"
"Dank u wel, meneer Hamel" — zeide de gastheer, toen G. G. en ik geen verdere vragen stelden. "Deze beide heeren stellen veel belang in alles, wat op de jacht betrekking heeft. Zij hielden het geheele verhaal, toen ik het hun deed, voor een sprookje. Misschien gelooven zij het thans, nu ze het uit uw eigen mond vernomen hebben."
De Berecamp had op eenigszins verongelijkten toon gesproken, zoodat de jacht-opzichter de kamer verliet onder den indruk, dat de beide gasten de verhalen van hun gastheer niet bizonder geloofwaardig vonden, iets dat nu juist niet heel beleefd zou zijn geweest!
"Wat dunkt u van de zaak, Mr. Gill?" — vroeg De Berecamp.
"Ik kân er niets van denken, zoolang ik het terrein, waar dit wonderlijke verdwijnen moet hebben plaats gevonden, niet beter bestudeerd heb" — antwoordde de detective. "Dat staat op het programma voor morgenochtend. Intusschen zou ik u graag omtrent deze zaak nog eenige vragen doen, Mr. Berecamp!"
Toen onze gastheer zich bereid verklaarde hem te antwoorden, volgde er een stortvloed van korte vragen, die even kort beantwoord werden. Wie mijn vroegere boeken gelezen heeft, is met deze wijze van ondervragen, die de detective dikwijls in toepassing bracht, reeds vertrouwd.
"U zei, dat de tuinman meer dan veertig jaar in uw dienst is?"
"In dienst van mijn familie!"
"Was hij in dienst bij uw vader?"
"Ja!"
"Daarop bij u?"
"Ja!"
"Zonder onderbrekingen?"
"Hij is twee jaar in dienst van mijn broêr geweest."
"Sinds wanneer is hij terug?"
"Sinds veertien dagen!"
"Waarom bleef hij die twee jaar bij uw broêr?"
"Zijn gezondheid was slecht: de longen waren niet zuiver. Mijn broêr woonde aan de Riviera. Ik stond Bertus tijdelijk aan hem af."
"Waarom kwam hij terug?"
"Mijn broêr is naar Indië vertrokken en Bertus wilde niet meê."
"Dank u!"
De detective bleef wel vijf minuten lang met gesloten oogen zitten en het was zoo stil, dat men een speld kon hooren vallen.
Toen stond hij op, plaatste zich vóór onzen gastheer en vroeg met grooten nadruk:
"U is er volkomen zeker van, dat Bertus te vertrouwen is?"
De "brombeer" lachte even.
"Ik ben er zóó zeker van, m'n beste meneer" — zeide hij, "dat ik hem m'n heele vermogen zou toevertrouwen. De man is strikt eerlijk en streng godsdienstig. Als u in die richting zoeken mocht, kan ik u bij voorbaat zeggen, dat u op een dwaalspoor is."
"Dank u voor de waarschuwing! En nu, m'n waarde gastheer, stel ik voor de zitting op te heffen. Het is bij elven en morgen is het vroeg dag!"
## HOOFDSTUK XX BIJ DE TUINMANSWONING.
G. G. had gelijk gehad: het was vroeg dag den volgenden ochtend. Hij kwam mij reeds om half-zeven uit mijn bed halen, omdat hij vóór het ontbijt een wandeling wilde maken. Althans, dit was de eenige reden, die hij mij opgaf voor zijn buitengewone behoefte om vroeg op te staan. Ik begreep echter, dat het geen genoeglijk wandeltochtje zou zijn, maar dat zijn voornemen op de een of andere wijze in verband stond met het onderzoek, dat hem — ik mag wel zeggen: ons — bezig hield.
Het voorjaar, dat tot dusverre zoo prachtig geweest was, handhaafde ook dien ochtend zijn reputatie. De vroege morgenzon lag op het park met zijn zwaar geboomte en zijn groote open ruimten, zijn weilanden en graanvelden. Vogels tjilpten in de boomen. Hoog uit de lucht daalde de jubelzang van stijgende leeuwerikken; in de verte, uit de bosschen, klonk het droomerige roepen van een koekoek.
Het werd mij weldra duidelijk, waarheen de wandeling ging. G. G. scheen aan zijn den vorigen avond uitgesproken voornemen gevolg te willen geven en het terrein te willen verkennen, waarop, volgens het verhaal van den jacht-opzichter, de strooper tot tweemaal toe als in den grond verdwenen was.
Van de zijde van het huis komende, naderde men het oude gebouwtje, waarin de tuinman woonde, van den kant, die als garage was ingericht. Wij liepen aan de rechterzijde om het huis heen en soegen daarop, linksom, vermoedelijk om denzelfden hoek, waaromhéén de jacht-opzichter den vluchteling had zien verdwijnen. Wij waren nu dus aan den kant van het huis, waar Bertus, de tuinman, woonde. Er
- A. Deur van de Garage.
- B. Deur van de tuinmanswoning.
- C. Schouw.
- D. Kreupelboschje.
- E.F. Hooge muur.
- G. Poortje.
was in de buurt maar één, vrij groot kreupelbosch. Overigens zag men niets dan hooge, wijd uitéén staande stammen, waartusschen het onmogelijk geweest zou zijn zich te verbergen. De strooper had evenmin om den volgenden hoek van het huis kunnen vluchten, omdat een hooge muur hem daar tegenhield. Teneinde den lezer een duidelijk beeld van de situatie te geven, voeg ik hieraan toe een klein schetsje.
Op den hoek, H, bleef G. G. langen tijd stil staan en liet de oogen in het rond dwalen, teneinde de omgeving goed in zich op te nemen. Daarop trad hij op het kreupelbosch toe, liep er langzaam omheen, met de oogen strak op den grond gevestigd, en drong er vervolgens in dóór. Hij doorkruiste het in alle richtingen, waarbij takken kraakten en bladeren ruischten, en het had er allen schijn van, alsof hij daarbinnen geen plekje ondoorzocht wilde laten. Eindelijk was hij gereed en trad weêr uit de struiken op de plaats vóór het tuinmanshuis.
Op hetzelfde oogenblik hoorden wij een raam open schuiven en een stem, die ons goeden morgen wenschte.
Het was Bertus, de tuinman, die, met zijn kort pijpje tusschen de lippen, naar buiten keek en niet ongeneigd scheen, een praatje te maken.
"Goeien morgen!" — wenschte ik terug, "Je hebt hier 'n heerlijke woning, m'n goede vriend!"
"Dat schikt Goddank nog al vrij wel" — zeide Bertus. "Maar wat doen de heeren eigenlijk? Ze hebben toch geen strikken in dat boschie gezet?"
Ik lachte hartelijk.
"Zie je ons voor stroopers aan, Bertus?" — vroeg ik. "Stel je gerust! Gisterenavond heeft meneer Hamel ons het verhaal verteld van dien strooper, die ginds in het kreupelboschje verdwenen en nooit meer voor den dag gekomen is. Wij vinden dat geval buitengewoon belangwekkend en trachten er een oplossing voor te vinden.'
Bertus was nu naar buiten gekomen.
"Ja, dat is 'n vreemd geval" — zeide hij, terwijl hij op ons toetrad. "Als ik 'm niet met m'n eigen oogen in dat boschje had zien verdwijnen, zou ik zeggen, dat-i in den grond gezakt of door de lucht weggevlogen was! Vreemd is het, héél vreemd!"
Op dit oogenblik werd ons kleine gezelschap met één persoon vermeerderd. Hamel, de jacht-opzichter, was om den hoek van het huis komen wandelen en voegde zich bij ons.
"Morgen heeren, morgen Bertus!" — zeide hij. "Heeft de Noord-Brabantsche lucht de heeren al zoo vroeg uit de veêren gelokt?"
"Dat niet, meneer Hamel!" — antwoordde ik. "Majoor Curtis en ik waren zóó nieuwsgierig om het terrein eens te zien, waarop zich uw jacht op den strooper heeft afgespeeld, dat wij vroeg zijn opgestaan. Komt u dat terrein ook nog eens verkennen?"
"Ik maak 's ochtends vroeg en 's avonds laat altijd 'n praatje met Bertus" — antwoordde de jacht-opzichter. "Dat zijn we al jaren lang zoo gewoon, niet waar Bertus?"
De tuinman had zijn pet afgenomen en stond nu vóór den jacht-opzichter. Deze had hem 'n paar woorden te zeggen over den aanleg van 'n tuintje vóór het huisje, waarin hij woonde, en dat aan de andere zijde van het park lag. Terwijl die beiden met elkander in gesprek waren, wandelden G. G. en ik langzaam heen en weêr onder de boomen.
Wij hadden ons voor den tweeden of derden keer omgedraaid en wandelden terug in de richting van de tuinmanswoning, toen G. G. plotseling stil stond. Op 't zelfde oogenblik zag ik het bekende schokje in zijn hals en achterhoofd!
Ik zeide niets, doch volgde de richting van zijn oogen. Hoe scherp ik ook keek, ik kon niets bizonders ontdekken. Zijn blikken rustten klaarblijkelijk op de beide mannen, die vóór ons met elkander stonden te praten en het was, alsof hij hun uiterlijk lang en zorgzaam bestudeerde.
"Willy!" — zeide hij eindelijk. "Is het je niet opgevallen, dat Bertus gelijkt op iemand, dien wij kennen?"
"Kreeg je dáárom daarjuist dat schokje door je hals?" — vroeg ik.
"Niet flauw zijn, Willy!" — vermaande mijn vriend. "Ik deed daarjuist werkelijk een ontdekking, maar die houd ik voorloopig geheim. — Wat de gelijkenis betreft, deze man ziet er ouder uit en minder goed geconserveerd, maar anders..."
"Ik zie óók wel 'n gelijkenis" — zeide ik, "maar ik kan haar niet thuis brengen."
"Let dan straks goed op wat ik aan Hamel vragen zal" — zeide G. G. "Misschien gaan je dan de oogen open."
Wij stonden nog steeds stil, met de gezichten naar het huis gekeerd. De beide mannen braken hun gesprek af. Bertus groette ons uit de verte en ging weg, met 'n schop en 'n hark over den schouder, nadat hij de deur van zijn woning gesloten had. De jacht-opzichter kwam op ons toe.
"Ik zie, dat u onze oude tuinmanswoning met aandacht staat te bekijken" — zeide hij. "Het is ook inderdaad een eigenaardig gebouwtje. 't Stamt uit het begin van de zeventiende eeuw; alleen heeft meneer De Berecamp de deuren en vensters, zoowel aan dezen kant als aan den kant van de garage sterk laten verbreeden."
"Het jaartal 1602 staat op het poortje" — merkte G. G. op.
"Juist, majoor! Dat hebt u gauw in de gaten gehad voor iemand, die er ééns onderdoor is gereden."
"Ik merk anders de dingen niet zoo héél gauw op" — zeide de detective met 'n onschuldig gezicht.
"U hebt zeker *niet* ongemerkt, omdat het van buitenàf niet te zien is, dat een deel van het gebouwtje nog veel ouder is. De overlevering zegt, dat het in 1602 gebouwd werd op fundamenten, die nog uit den tijd van de Romeinen dateeren."
"Dat is hóógst interessant!" — zeide G. G. "U moet weten, dat ik dol op antiquiteiten ben. En wat voor 'n bouwwerk zou hier dan in den Romeinschen tijd gestaan hebben?"
"Men zegt, dat hier 'n Romeinsche burcht gestaan heeft" — antwoordde de jacht-opzichter. "Een feit is het, dat er overal in de buurt overblijfsels van Romeinsche potten en vazen gevonden zijn. Nog heel onlangs vond de Jonker, toen hij 'n kuil gegraven had en daarin aan het spelen was, 'n antieke gesp. Meneer De Berecamp zegt dat het er een is van de soort, waarmede de Romeinsche vrouwen haar kleed dicht maakten."
"Ik zal aan meneer De Berecamp vragen, mij alles wat hier gevonden is eens te laten zien" — zeide mijn vriend. "Dat zal zéér belangwekkend zijn en misschien kan ik hem omtrent het een en ander nog wel 'n aanwijzing geven. Is hij zelf verzamelaar, meneer Hamel?"
"Hij stelt veel belang in alles wat op de geschiedenis betrekking heeft" — antwoordde de ander. "En wat op z'n eigen plaats gevonden werd, houdt hij dubbel in eere."
Al pratende waren wij langzaam opgewandeld, langs het huis het park in.
"'t Is 'n eigenaardig denkbeeld" — hervatte G. G., "dat 'n eenvoudig man als Bertus, die van de Oudheid en de Romeinen natuurlijk niet de minste notie heeft, op 'n plaats woont, waar 'n geleerde misschien belangrijke ontdekkingen zou doen. Ik zou wel met 'm willen ruilen! Alleen zou 't me wat te eenzaam zijn. Mij dunkt, Bertus moet zich ook wel eens eenzaam yoelen."
"Hij is meestal in het park of in den bloementuin aan het werk en ziet dan genoeg menschen; de tuinknechts en de bedienden houden allen van hem en ikzelf zoek hem dagelijks in z'n woning op, zooals ik u daarjuist vertelde."
"Heeft hij in het geheel geen familie meer?"
Daar was de vraag, waarop ik thans begreep, dat G. G. van den aanvang af had aangestuurd! En ik bewonderde hem in stilte om den takt, waarmede hij den ander in den waan moest hebben gebracht, dat zij toevallig, in den loop van het gesprek, bij hem was opgekomen. Met spanning luisterde ik naar het antwoord.
"Bertus heeft nog één familie-lid" — zeide Hamel. "Maar diens naam wordt nooit onder ons genoemd en Bertus zelf beschouwt hem als dood."
"Waaròm?"
"Omdat die man — zijn eigen broêr! — een berucht misdadiger is. Hij heeft gestolen en — naar velen beweren — nog erger dingen gedaan. Twee jaar geleden is hij uit de gevangenis ontsnapt, en sedert heeft men nooit meer jets van hem vernomen."
"Hoe heette die broêr?"
"Ik weet het waarachtig niet meer, 't Was een echte boerennaam: Hannes, Teunis, Joris of zoo jets."
"Kan het "Kobus' geweest zijn?"
"Juist, "Kobus', dåt was het!... Maar hoe weet u dat, in vredesnaam?"
Ik had het wel kunnen uitschreeuwen! Kobus!... Ja, het was waar! De tuinman Bertus geleek op den boerenknecht, het factotum der Van Noorts! Maar dàn was het drama daar in het eenzame huis aan den rand van het bosch ook verklaard! De broêr van Bertus was 'n dief, sommigen zeiden zelfs 'n moordenaar! Dan...!
Maar bij eenig nadenken viel mij toch weer een omstandigheid in, die het onmogelijk maakte, dat Kobus bij den moord op de Van Noorts betrokken kon zijn. Was hij niet zelf den heelen nacht in zijn kamer opgesloten geweest?... En tòch: de gelijkenis met Bertus, de overeenkomst van naam...! Ik zwom plotseling in een zee van twijfel en onzekerheid.
G. G. deed, alsof hij de laatste vraag van den jachtopzichter niet gehoord had; en toen deze afscheid had genomen, schoof hij zijn arm onder den mijnen dóór en versnelde den pas. Wij gingen het park dieper in.
"Geoffrey" — begon ik, "wat wij daareven ontdekt hebben..."; maar hij wenkte mij, dat ik zwijgen zou.
"Vraag niets en zeg niets!" — zeide hij. "Ik geloof dat wij den sleutel eindelijk in handen hebben. Maar... ik moet op m'n gemak kunnen dóórdenken, zonder gestoord te worden. Ginder, bij den vijver, staat een bank. Laten we daar een oogenblik gaan zitten, maar nog eens: zeg als 't je blieft niets!"
Inderdaad vonden wij de bank, die G. G. bedoelde, op 'n eenzaam plaatsje, half-verscholen in de hooge struiken, maar met een vrij uitzicht — over het water héén — op het eilandje in het midden van den vijver. Wij namen plaats en G. G. leunde dadelijk achterover, stak de handen in den zak en sloot de oogen. Ik wachtte ' geduldig, maar in groote spanning.
Het duurde ditmaal niet minder dan een half uur, vóórdat de detective de oogen weeer opsloeg. Hij knikte mij bemoedigend toe, alsof ik juist de een of andere snuggere opmerking gemaakt had, en zeide:
"Juist, Willy, zóó komen wij er!"
"Daaraan twijfel ik geen oogenblik" — zeide ik. "Alleen begrijp ik niet precies wáár we komen zullen en hoe dat gebeuren zal."
*Het duurde ditmaal niet minder dan een half uur...*
"De zaak is ook nog al ingewikkeld" — zeide G. G. en... zweeg.
Zijn zwijgen prikkelde mij, maar ik wist bij ondervinding, dat vragen niet helpen zou. Ik stond dus op en wandelde terug in de richting van het huis, zonder verder op mijn vriend acht te slaan.
Deze was echter dadelijk naast mij en lachte hartelijk. "Je zult nooit veranderen, Willy!" — zeide hij. "Altijd dezelfde nuchtere, kalme Hollander; alleen soms maar 'n beetje ongeduldig! Kijk eens, m'n jongen, je moet mij in deze zaak nog véél te véél met je hulp ter zijde staan, dan dat je eraan zoudt kunnen denken, ruzie met me te maken. Berust dus in het onvermijdelijke en help me!"
Deze logica was zóó zonderling, dat ik niet nalaten kon te glimlachen.
"Goed zoo, Willy!" — zeide G. G. "De sombere bui trekt over en de zon breekt door. Zorg nu, dat die niet weêr achter de wolken verdwijnt, en ik beloof je een rustigen dag en een avond vol spanning en afwisseling. Maar het wordt tijd, dat ik je zeg, hoe je mij helpen kunt."
"Ik constateer met genoegen, dat je van het ,moeten' nu , kunnen' hebt gemaakt" — zeide ik. "Op die manier verstaan we elkander beter. Vooruit dus maar! Ik zit nu eenmaal in het schuitje en moet meêvaren!"
"Je hebt al dikwijls in m'n schuitje meêgevaren en er nooit berouw over gehad!" — zeide hij, met iets hartelijks in zijn stem. "Ook ditmaal zal het je niet tegenvallen. In de eerste plaats moet ik je verzoeken, aan onzen gastheer meê te deelen, dat ik voor 'n paar uur naar X ben gegaan."
"Ga je werkelijk, Geoffrey?"
"Wis en zeker! Ik heb daar het een en ander te doen. Onder anderen moet ik 'n telegram verzenden."
"Aan wien?"
Hij keek mij een oogenblik aan, alsof hij weifelde, of hij mij wel antwoord zou geven. Daarop haalde hij de schouders op en lachte opnieuw.
"Het is beter, dat je ook dât weet, Willy!" — zeide hij; en ik maakte in alle stilte de opmerking, dat hij het woordje "ook" wel achterwege had kunnen laten, want ik wist niets! "Ik ben van plan, aan Graaf Basiloff te telegrafeeren, dat ik hem, mêt Albert, met den trein van zeven uur te X verwacht. En je zult goed doen, Willy, onzen gastheer maar dadelijk te verzoeken zijn rijtuig naar het station te sturen. Van nacht kunnen ze dan hier blijven!'
Ja, dat was wel echt mijn vriend, de detective! Als steeds, wanneer hij met een zijner "experimenten" bezig was, deelde hij de lakens uit, ook dáár, waar hij dat aan anderen had moeten overlaten. Hij disponeerde over het rijtuig en over het huis van De Berecamp, alsof hij daarover de vrije beschikking had! Maar ik kende hem en had reeds gelegenheid gehad op te merken, dat ook de "brombeer" hem uit mijn boeken voldoende kende om geen aanstoot aan zijn optreden te nemen. Daarom vreesde ik ook niet voor moeilijkheden.
"Er is nòg iets, Willy!" — vervolgde mijn vriend. "Ik heb reden om te wenschen, dat — behalve voor onzen gastheer — de komst van Basiloff en zijn neef voorloopig voor een ieder geheim blijve. Daarom zal ik ze zelf aan het station in ontvangst nemen en we zullen niet door de oprijlaan rijden, maar aan het achterhek uitstappen. Dat ligt bij den vijver achterin het park, en je zult mij een genoegen doen, Willy, ons daar tegen kwart-vóór-acht af te wachten. Als je vriend De Berecamp van de partij zijn wil, zal het mij aangenaam zijn."
Dat mankeerde er nog aan! Hier inviteerde hij zijn eigen gastheer in diens eigen park! Maar... ik was aan dergelijke excentriciteiten gewoon.
"Nog meer instructies?' — vroeg ik.
"Je weet wel, dat ik het land heb aan dat woord" zeide G. G. "Instructies geef ik nooit; ik veroorloof mij alleen nu en dan een beleefd verzoek."
"Heb je nog méér beleefde verzoeken?"
"Voorloopig niet, Willy! Ik heb je gezegd, dat je een rutsigen dag hebben zult, in afwachting van een interessanten avond. Misschien is het belangwekkend voor je, eens een praatje te maken met dien meubelmakers-knecht; maar zorg, dat hij je niet herkent, hoor! Je bent Frederik van Berlen, denk eraan!"
"Natuurlijk zal ik daaraan denken" — zeide ik, wat ongeduldig. "Je hebt mij dus niets méér te zeggen? Ook niet, wat Basiloff en zijn neef hier vanavond moeten uitvoeren?"
"Willy!" — zeide hij, terwijl hij staan bleef en mij bij een knoop van mijn jas pakte. "Laat mij nu eens het pleizier hebben, je onverwachts voor 'n oplossing te plaatsen! Ik hoop tenminste, dat het mij gelukken zal; mocht ik falen, dan zul je mij dat toch niet àl te kwalijk nemen?"
Hij zeide het laatste op 'n half-sarcastischen, halfsmeekenden toon, die zóó komisch klonk, dat ik in lachen uitbarstte.
"Dåt doet me genoegen, Willy!" — zeide hij, zich in de handen wrijvend. "Die stemming belooft veel voor je levensgeluk gedurende de rest van den ochtend en den middag: met de zorg voor den avond belast ik mij. En om je nu te beloonen voor de verdienstelijke wijze, waarop je het onaangename gevoel van onbevredigde nieuwsgierigheid meester bent geworden, wil ik je vooruit mededeelen, waarin ons experiment vanavond waarschijnlijk culmineeren zal: ik hoop je voor te stellen gan den broêr van Bertus!"
## HOOFDSTUK XXI GEHEIMZINNIGE VOORBEREIDINGEN.
Zooals ik wel verwacht had, was de "brombeer" bereid, in alle opzichten G. G.'s "instructies" op te volgen. Hij deed dat zelfs met groot genoegen, want — evenals bij mij — was ook bij hem de detectivekoorts komen opzetten. Wij verdiepten ons met ons beiden in gissingen, waarvan de meest waarschijnlijke nog was, dat de man, dien wij als "Arie" hadden leeren kennen, de broêr van Bertus was. Misschien had de jacht-opzichter zich in den naam vergist: "Arie" is immers óók 'n boerennaam. En wij hadden Arie op het terrein van den moord aangetroffen; hij had zich toen allerzonderlingst gedragen en nu was het gebleken, dat hij bankpapier, afkomstig van den moord, in betaling had gegeven. Die aanwijzingen waren vrij sterk. Maar, aan den anderen kant, Bertus geleek niet op Arie en wêl op Kobus, dien wij op de Veluwe hadden leeren kennen. Hoe meer wij over de zaak nadachten, des te onverklaarbaarder scheen zij ons!
De voorspelling van G. G. ging in vervulling: ik håd een zeer rustigen dag. De "brombeer" liet mij zijn verzameling Romeinsche oudheden zien, die hij op zijn terrein gevonden had. Er waren aardige dingen bij, onder anderen een paar goed-geconserveerde kannetjes, met mozaïek ingelegd, en de zeer fraai bewerkte, zilveren gesp. die het zoontie van De Berecamp bij het spelen in den kuil gevonden had.
Er gebeurden dien dag slechts twee zaken, die vermelding verdienen.
In de eerste plaats mijn gesprek met Arie. Ik vond hem bezig met het repareeren van een antieke kast, die in de bovengang van het huis stond, een prachtig, zwaar meubel, met mooi snijwerk en massieve deuren. Ik passeerde hem op weg naar mijn kamer en bleef een oogenblik staan om hem bij den arbeid gade te slaan.
Het was onmiskenbaar, dat hij een handig en bekwaam werkman was.
"Je doet daar een mooi stuk werk" — zeide ik, nadat ik eenigen tijd toegekeken had. "Men kan best zien, dat je niet de eerste de beste in je vak bent."
De man keek mij aan met een onvriendelijk gezicht en knikte even.
"Dat hebben ze me meer gezegd" — zeide hij en werkte dóór.
"Zeker al lang in 't vak?" — informeerde ik.
"Jaren lang!"
"En ben je al dien tijd te X geweest?"
"'n Paar maanden."
Ik wist, dat dit een leugen was, en het feit, dat hij loog, bewees mij, dat onze argwaan niet ongegrond kon zijn. Hij gaf zijn antwoorden steeds op denzelfden onbeschoften toon, dien ik reeds van de Veluwe uit kende, al was hij in de keus van zijn woorden 'n beetje voorzichtiger. Intusschen bood mij het voortzetten van dit gesprek — in tegenstelling met wat G. G. voorspeld had — weinig kans op iets "interessants".
Daarom wenschte ik hem goeden dag (een groet, dien hij nauwelijks beantwoordde) en ging dóór naar mijn kamer, waar ik een brief aan mijne vrouw wilde schrijven.
Toen ik een half uur later weêr naar beneden wilde gaan, was Arie uit de gang verdwenen. Maar juist op het oogenblik, waarop ik de trap begon af te dalen, zag ik hem uit een kamer, die op de bovengang uitkwam, voor den dag komen en de deur voorzichtig achter zich sluiten. Hij zag mij niet en — meenende alleen te zijn — rekte hij zich een jaar maal uit en maakte niet de minste aanstalten, zijn werk te hervatten.
Ik sloop op de teenen naar beneden en vertelde aan onzen gastheer, wat ik gezien had. Op mijn mededeeling, dat Arie uit de derde deur links gekomen was, zeide de "brombeer", dat dit het boudoir van zijn vrouw was en dat hij in het minst niet begreep, wat de man daar had uitgevoerd. Wij keken elkander een oogenblik zwijgend aan en begrepen, zonder het te zeggen, dat onze gedachten dezelfde richting opgingen.
"Zijn er kostbaarheden?" — vroeg ik.
"Wel iets, maar niet veel" — luidde het antwoord. "Het verstandigste zal zijn, den man beneden op de een of andere manier vast te houden."
"Ik zou je dat niet raden" — zeide ik. "Ik heb den indruk, dat G. G. reeds vrijwel weet, waaraan hij toe is. Grijpen wij om de een of andere reden plotseling in — ook al is die reden nog zoo verklaarbaar dan zou het kunnen zijn, dat wij iets in de war stuurden."
"Maar het is toch àl te mal, zich kalm te laten bestelen, zonder iets daartegen te doen" — meende de "brombeer"; en ditmaal lag er iets in zijn stem, dat zijn bijnaam eer aandeed!
"Ik kan me je gemoedstoestand bèst begrijpen" zeide ik. "Je mist nog het absolute vertrouwen op G. G., dat ik in den loop der jaren verkregen heb. Geloof mij, wanneer onze vriend Arie iets heel ernstigs op z'n kerfstok heeft — en wij hebben immers reden om dat aan te nemen —, dan zijn G. G.'s plannen lang gemaakt en ontspringt de man den dans niet. Mocht hij daarjuist iets hebben weggenomen, dan komt dat vanzelf terecht."
De Berecamp dacht een oogenblik na.
"Ik wil niet wijzer zijn dan 'n scherpzinnig Haagsch rechtsgeleerde!" — zeide hij eindelijk lachend. "Maar" — en hier dreigde hij mij schertsend met den vinger — ..ik stel je verantwoordelijk voor de gevolgen, moreel en financiëel!"
Ik aanvaardde deze verantwoordelijkheid zonder veel tegenstribbelen, zelfs toen een bezoek in het boudoir ons leerde, dat er een gouden armband gestolen was; en daarmede was het incident gesloten.
* * *
De tweede zaak, die vermelding verdient, is de volgende:
Het liep naar vijf uur. Ik had — omdat mijn argwaan nu eenmaal ontwaakt was — den verdachten schrijnwerkersknecht 'n beetje in het oog gehouden en wist, dat hij om half-vijf zijn karrewijtje in den steek had gelaten en door het groote hek het park was ingewandeld, waarschijnlijk op weg naar de oprijlaan en naar huis. Onze gastheer en ik wandelden nu, in de genoeglijkste stemming, door het park. Wij waren het erover eens geworden, dat wij het onderwerp, dat onze gedachten het meest bezig hield, voorloopig niet zouden aanroeren, omdat het ons anders het genot aan onze omgeving en aan ons samenzijn dreigde te bederven. Het was voor mij inderdaad opnieuw een groot genot, den "brombeer" aan te hooren in zijn gezond en verklaarbaar enthousiasme over zijn familie-goed, een enthousiasme, dat — warm en telkens spontaan uitbarstend — zoo hemelsbreed verschilde van het ploertige "geuren", dat sommige menschen, die zich in hun rijkdom nog niet hebben ingeleefd, eigen is, wanneer zij huis en goed aan anderen laten zien. Onze oude vriendschap, die wel had *moeten* insluimeren, omdat wij elkander zoo zelden zagen, was herleefd; wij spraken vertrouwelijk en met volkomen openhartigheid over allerlei zaken en verheugden ons er wederkeerig in, dat het toeval ons weêr samen had gebracht.
Onze weg voerde ons dicht langs de garage. Daar hoorden wij twee mannenstemmen, komende van de andere zijde van het huis, waar de tuinmanswoning lag. Blijkbaar had er een niet zeer vriendschappelijke woordenwisseling plaats.
Wat er gezegd werd konden wij niet verstaan, maar de toon was van dien aard, dat mijn vriend zich geroepen voelde aan dit twisten een einde te maken. Snel gingen wij naar den achterkant van het huis en vonden daar den tuinman en den schrijnwerkersknecht (welken laatsten wij reeds lang te X waanden) in vijandige houding tegenover elkaår staan.
Toen wij om den hoek van het huis kwamen, konden wij eindelijk verstaan wat gezegd werd.
"Ik verdraai het, naar je pijpen te dansen" — hoorden wij Arie zeggen. "Ik zal doen en laten, wat ik wil! Verbeeld je niet, dat je mij commandeeren kunt."
"En ik zeg je..." — begon Bertus, maar hield plotseling op, toen hij ons in het gezicht kreeg. De ander, die met den rug naar ons toestond, draaide zich nu om en er heerschte een oogenblik stilte.
"Hoe is het, Bertus?" — vroeg De Berecamp eindelijk. "Heb je je over dezen man te beklagen?"
Bertus scheen te weifelen. Vermoedelijk kwam zijn goed hart in opstand, nu het erop aankwam zijn tegenstander van zooeven aan te klagen.
"Het is zoo erg niet, meneer!" — zei hij ten slotte. "Hij wil de paden niet houden en loopt telkens dwars door de jonge aanplantingen en zelfs door de bloemperken. Daarop heb ik aanmerking gemaakt, maar hij wil niet luisteren."
"Je zult wel *moeten* luisteren, m'n beste man!" zeide De Berecamp, zich tot Arie wendende. "Als je niet doet, wat Bertus je zegt, kom je niet meer over mijn drempel en laat ik je door mijn bedienden het park uit gooien. En je baas zal weten, waaròm! 't Zou wat moois zijn, als de knechts van m'n leveranciers hier aan m'n eigen bedienden de wet konden stellen!"
Ik zag, dat het roode gezicht van den man nog rooder werd en dat de aderen op zijn voorhoofd zwollen. Hij vocht letterlijk met zichzelven om zich meester te blijven; en dat gelukte hem. Den slappen hoed, dien hij op het hoofd gehouden had, nam hij nu af en groette kort, maar niet onbeleefd. Hij opende den mond om iets te zeggen, maar bedacht zich en ging weg, zonder een enkel woord.
"'n Wonderlijke kerel!" — zeide de "brombeer", toen de man om den hoek van het huis verdwenen was. "Heb je méér last van 'm gehad, Bertus?"
"Méér dan mij lief is, meneer!" — zeide de tuinman. "Ik geloof, dat hij nu en dan drinkt. Maar hij moet in z'n vak een bekwaam werkman zijn."
"Dat is waar!" — zeide De Berecamp. "Maar voortaan zullen we toch een oogje op hem houden: dat woeste optreden bevalt mij alles behalve!"
De tuinman haalde de schouders op.
"Blaffende honden bijten niet, meneer!" — zeide hij. "Ik zou mij er maar niet ongerust over maken, als-i nu en dan 'n grooten bek opzet."
* * *
Om kwart-vóór-acht bevonden De Berecamp en ik ons, ingevolge mijn afspraak met G. G., aan het achterhek van het park. Er liep daar een breede, wat zandige weg, die, op 'n kwartier afstands naar links, op den breeden straatweg, uitkwam. Het duurde niet lang, of er verscheen op dien weg in de verte een rijtuig. Weldra herkende ik denzelfden koetsier, die onzen gastheer, G. G. en mij den vorigen dag van het station naar den Eikenberg gereden had; en toen het rijtuig stil hield, was de detective de eerste, die uitstapte. Hij werd gevolgd door Graaf Basiloff en deze hielp zijn neef Albert bij het uitstappen. Wij begroetten elkander half fluisterend, hoewel ik niet had kunnen zeggen waarom! Het viel mij op, dat de beide nieuwaangekomenen zenuwachtig waren en er ernstig uitzagen, alsof ze een zeer belangrijke gebeurtenis tegemoet gingen. G. G. stelde hen aan onzen gastheer voor en deze schudde hun met een vriendelijk woord de hand.
"Willy" — zeide G. G. zacht, terwijl hij mij op den koetsier wees, "er is nu nog iemand in het geheim, namelijk de man op den bok! Het zal noodig zijn er tegen te waken, dat die tegenover zijn medebedienden niet babbelt over de aankomst van nieuwe gasten. Hoe leggen we dat aan?"
Ik raadpleegde den "brombeer" over het geval en deze was dadelijk met een oplossing gereed.
"Johan" — zeide hij tot den koetsier, "nu je toch eenmaal ingespannen hebt, kun je nog net even voor mij naar de stad rijden. In den boekhandel van Van Sanden heb ik 'n paar boekwerken besteld en ze hebben daar ook 'n paar tijdschriften van mij om in te binden. Misschien kun je een en ander in 't rijtuig hierheen brengen. En mocht je zin hebben, nog even bij je moeder aan te rijden, doe het dan gerust. Als je om elf uur binnen bent, is het tijd genoeg."
De "man op den bok" keek verheugd en nam zijn hoed af. Daarop liet hij het rijtuig keeren en reed weg in de richting van den grooten straatweg.
"Dat hebt u handig gedaan, Mr. Berecamp!" prees G. G. "Het is een genoegen met u samen te werken. Tot belooning beloof ik u hedenavond een belangrijk experiment."
Hij haalde zijn horloge voor den dag en keek daarop.
"Bij achten!" — zeide hij. "Over anderhalf uur is het donker. Tot zóó lang moet u, Mr. Berecamp, geduld hebben."
G. G. had tot dusverre in het Engelsch gesproken. Graaf Basiloff verstond die taal, maar drukte zich toch gemakkelijker in het Fransch uit. Het was in die laatste taal, dat de detective vervolgde.
"Het is wassende maan" — zeide hij, "en het weêr is droog en helder. Dat belooft duisternis, maar toch niet zóó, of men zal op eenigen afstand kunnen zien. Juist zooals wij het hebben moeten!"
Hij zweeg een oogenblik en wenkte ons toen, nader bij te treden, terwijl hij zijn stem tot den fluistertoon dalen liet.
"Wij zullen ons nu in twee partijen splitsen" zeide hij. "De eene zal bestaan uit Mr. Hendriks en mijzelven; de andere uit Graaf Basiloff, Mr. Berecamp en Albert. Ik verzoek Mr. Berecamp zijn twee metgezellen, zoodra het duister begint te worden, naar de tuinmanswoning te brengen en in het donker onder de boomen, vlak vóór den ingang op te stellen. Het is van belang, dat zij van hun standplaats uit in de kamer kunnen zien."
"Er zijn gordijnen" — zeide "de brombeer".
"Er zullen straks geen gordijnen zijn" — antwoordde G. G., met de grootste kalmte. "Het beste zal zijn, wanneer de heeren ieder achter een boom gaan staan. Het zal donker genoeg zijn, zoodat er zoodoende niet het minste gevaar bestaat om van binnen uit gezien te worden."
"En dàn?" — vroeg onze gastheer.
"Dan wacht u rustig op de dingen, die komen zullen, Mr. Berecamp! Graaf Basiloff heeft mijn instructies, die hij aan Albert heeft medegedeeld en ook aan u zal mededeelen. U hebt die nauwkeurig op te volgen. Overigens is het parool: toekijken en wachten!"
"En ik?" — vroeg ik thans; want ik was hoogst benieuwd, welke rol mij bij dit alles te beurt zou vallen.
"Jij, Willy, stelt je onder mijn directe bevelen! Wij beiden breken nu dadelijk op; en het is goed begrepen — nietwaar, heeren? — dat de anderen eerst volgen, als het donker begint te worden. Eenmaal achter de boomen, komt niemand te voorschijn, tenzij hij daartoe instructie heeft. Alles goed begrepen?"
Wij antwoordden toestemmend; en innerlijk moest ik erom lachen, hoe mijn adelijke vriend, thans geheel onder den invloed van de detective-koorts, zich door G. G. de wet liet voorschrijven, zonder het minste tegenstribbelen.
"Dan zijn we tot handelen gereed" — vervolgde de detective, "en de twee afdeelingen kunnen hun operaties beginnen. Kom, Willy!"
En met een knikje aan het adres van de achterblijvenden, ging hij mij vóór langs een smal pad, dat van hieruit het park invoerde en vlak bij den vijver uitkwam. Toen wij met ons beiden alleen waren, bleef hij stil staan en keek op zijn horloge.
"Tien minuten over acht" — zeide hij. "Mooi zoo! Dan heb ik nog minstens een uur den tijd!"
"Waarvoor-moet je den tijd hebben?" — vroeg ik. "Om dronken te worden, Willy!" — antwoordde G. G. en hervatte zijne wandeling met zóó snellen pas, dat ik moeite had hem bij te houden.
"En waar zal het bacchanaal worden aangericht?" —vroeg ik, in den spottenden toon vervallende, dien hij zelf gebruikt had.
"Wij zijn op weg naar een gezellig avondje bij den ouden tuinman" — zeide hij, "en ik kan je nu al voorspellen, dat je je best bij hem amuseeren zult. Het is daarbij van het hoogste belang, dat ik wat onvast op m'n beenen kom te staan, en ik meen goed te doen, je vooruit te zeggen, dat je je niet te veel verwonderen moet over de gevolgen, die slappe beenen bij iemand van mijn leeftijd hebben kunnen.
"Je woorden zijn véél-belovend, maar niet zeer duidelijk" — merkte ik op.
"Stel je dan tevreden met de schoone belofte, Willy! En verheug je op de vervulling daarvan. Ik wil je wel zeggen, m'n jongen, dat ik zelden 'n zoo interessant experiment heb voorbereid als dat van heden avond. Er zijn zekere elementen bij in het spel, die..." — Hij scheen naar woorden te zoeken.
"Zekere elementen, die...?" — herhaalde ik, vragend en aanmoedigend.
"...die in de geschiedenis van het crimineele onderzoek min of meer nieuw zijn" — besloot hij. "Méér kan ik je niet zeggen, wil de verrassing niet verloren gaan."
Wij wandelden eenige minuten zwijgend naast elkander. In vroeger dagen zou ik getracht hebben, hem verder aan het spreken te krijgen; de ondervinding had mij echter lang geleerd, dat zulke pogingen vergeefsch zouden zijn. Ik koos daarom de wijsste partij en deed hem, mijnerzijds, verslag van wat er dien dag was voorgevallen, zoowel van den diefstal van den gouden armband als van den twist tusschen Bertus en Arie. G. G. hoorde zwijgend toe.
Na eenigen tijd hervatte hij het gesprek, thans met het doel, mij de noodige aanwijzingen te geven voor ons ..gezellig avondje".
"Het is duidelijk, Willy" — zeide hij, "dat jij de leiding op je moet nemen, wanneer wij ons straks onder het gastvrije dak van Bertus bevinden, al was het alleen maar om je grootere bedrevenheid in het spreken van je moedertaal. Gelief daarbij te bedenken, dat het ons eenig doel is den braven man een vriendelijkheid te bewijzen. Dat zal ons niet moeielijk vallen, want — als het jou gegaan is evenals mij — voel je inderdaad eenige sympathie voor den ouden Bertus."
"Dat zal ik niet ontkennen" — antwoordde ik. "Maar ik zou er uit mijzelven toch niet aan gedacht hebben, den avond bij hem te gaan passeeren! Weet je wel zeker, dat wij hem thuis treffen, Geoffrey?"
Hij maakte een geruststellend gebaar.
"Daarvoor is gezorgd" — zeide hij. "Het is mij bekend, dat hij later op den avond bezoek verwacht en niet zal uitgaan."
Het scheen mij niet gewaagd, uit wat G. G. tot dusverre had losgelaten, tot een besluit te komen omtrent wat ons dien avond te wachten stond. Bertus wachtte bezoek en het "experiment" zou culmineeren in de kennismaking met den broêr van Bertus. Lag de onderstelling niet voor de hand, dat die broêr de verwachte bezoeker zou zijn? En in dat geval zouden wij ook antwoord krijgen op de vraag, of Arie inderdaad de man was, voor wien De Berecamp en ik hem aanzagen, namelijk de ontsnapte misdadiger, de bedrijver van de schanddaad op de Veluwe, de broêr van den goeden Bertus, de broêr, wiens naam nooit meer genoemd mocht worden. Slechts één ding scheen — gelijk ik ook vroeger reeds opmerkte — met deze onderstelling in strijd, en wel het niet te loochenen feit, dat Bertus niet op Arie, maar wêl op den boerenknecht Kobus geleek.
Ik kon niet nalaten, als vrucht van al deze overwegingen, nog één vraag aan den detective te stellen.
"De jacht-opzichter heeft ons gezegd, dat de broêr van Bertus Kobus heet" — zeide ik. "Is het mogelijk, dat hij zich in den naam vergist heeft?"
G. G. bleef stilstaan en vatte mij — zooals hij dikwijls doet, wanneer hij grooten nadruk wil leggen op wat hij te zeggen heeft — bij den knoop van mijn jas.
"Willy" — zeide hij. "ik geloof, dat ik je gedachtengang begrijp: je houdt Arie voor den broêr, maar dan zit je met de gelijkenis tusschen Bertus en Kobus!"
Ik knikte toestemmend.
"Welnu" — zeide hij, "ik zal je een aanwijzing geven: de broêr van onzen goeden vriend, den tuinman, gelijkt inderdaad op hem; maar Kobus heet hij niet!"
Hij liet mijn knoop los en keek mij triomfantelijk aan. "Tracht dien ,puzzle' nu eens op te lossen" — zeide hij, zijn weg vervolgende. "Maar je zult je wat moeten haasten, wanneer je dat zonder hulp doen wilt, want" — hier keek hij opnieuw op zijn horloge — "over een uur hoop ik je de oplossing te kunnen verschaffen."
## HOOFDSTUK XXII HET BOOZE GEWETEN.
Toen wij bij de tuinmanswoning kwamen, ontdekten wij Bertus, die, aan het raam naast de deur gezeten, zijn kort pijpje rookte en met 'n tevreden gezicht naar buiten keek. Wij traden op het huis toe en groetten hem. Daarop leunde ik met gekruiste armen op het vensterkozijn en knikte den ouden man vriendelijk toe.
"Ik hoop, dat je ons toestaat eens 'n praatje te komen maken, Bertus!" — zeide ik. "Meneer De Berecamp heeft ons zóóveel verteld over de kranige manier, waarop je het park in orde houdt, dat ik wel eens met je spreken wil over den aanleg van mijn tuin in Den Haag."
"Heeft meneer 'n grooten lap grond?" — vroeg Bertus.
"Voor de stad schikt het nog al" — antwoordde ik. Op dit oogenblik hoorde ik G. G. zacht in het Engelsch zeggen: "We moeten naar binnen, Willy! Denk daaraan."
Deze wenk kwam juist op het geschikte oogenblik. "Als je ons binnen laten wilt, kan ik den platten grond van mijn tuin gemakkelijk even voor je teekenen" — vervolgde ik. "En laten we dan samen eens overleggen, hoe we van de ruimte het meeste profijt kunnen trekken. Het spreekt vanzelf, Bertus, dat ik je voor je advies betalen zal: het is niet mijn bedoeling zonder vergoeding van je kennis te profiteeren!"
Ik hoorde G. G. naast mij 'n zucht slaken, die 'n zucht van voldoening bleek te zijn. "Heel goed!" fluisterde hij en ik voelde, dat zijn lof mij goed deed.
"Wacht even, heeren!" — zei Bertus, terwijl hij opstond. "Ik zal u dadelijk binnen laten." Hij verdween van het venster en een oogenblik later ging de deur open.
Wij betraden aldus, voor het eerst, de tuinmanswoning en wel het vertrek naast de deur, dat men de zitkamer van Bertus zou kunnen noemen. Voor zooverre wij zien konden — de schemering was buiten ingetreden — was het een groote, vierkante kamer, die eenvoudig en ouderwetsch gemeubeld was. In het midden stond een ronde, massieve tafel van eikenhout, waarboven een groote petroleum-lamp aan den zolder hing. Aan den achterwand van het vertrek bevond zich, juist in het midden, een ouderwetsche, diepe schouw, van dezelfde soort als wij kort te voren in de keuken van het huis op de Veluwe gezien hadden.
"Het begint al donker te worden" — zeide Bertus, terwijl hij een lucifer afstreek. "Ik zal maar vast licht opsteken dan kunt u beter zien voor uw teekening."
Een oogenblik later brandde de lamp. Zij verspreidde een helder licht door de geheele kamer. Bertus sloot het venster en de gordijnen (zij hadden een donkere kleur en liepen op ringen over een houten stok), en kwam bij ons aan tafel zitten.
Het schoot mij nu te binnen, dat G. G. zooeven gezegd had, dat er in die kamer "straks geen gordijnen zouden zijn", en een groote nieuwsgierigheid bekroop mij naar de wijze, waarop hij Bertus ertoe brengen zou, die gordijnen àf te nemen. Ik scheurde een blaadje uit mijn notitie-boekje en begon daarop een schetsje te maken van onzen tuin aan den Scheveningschen weg. Men ziet, dat ik, zelfs in deze bizondere omstandigheden, nuchter bleef en niet aan het fantaseeren sloeg!
"Zeg aan onzen vriend Bertus" — zeide G. G., terwijl hij opstond, "dat-i warm water opzet. Ik heb ervoor gezorgd, dat jelui niet op 'n droogje zullen zitten."
Dit zeggende, tastte hij in zijn achterzak en haalde daaruit te voorschijn... een groote flesch cognac! Toen ik zijn verzoek om warm water had overgebracht, was het duidelijk te zien, dat dit — in verband met de vooruitzichten, die de bedoelde flesch opende — in goede aarde viel. Het duurde niet lang, of er stonden drie dampende glazen grog op tafel en na korten tijd bleek het, dat de man, die ons deze versnapering bezorgd had, voornemens was, zèlf het leeuwenaandeel van zijn goede gave naar binnen te werken. Als ik niet geweten had, dat dit alles een vooraf beraamd comediespel was, zou ik gezworen hebben, dat mijn vriend G. G. — of liever Majoor Curtis! — langzaam maar zeker in een staat van dronkenschap geraakte.
Intusschen was ik met den platten grond van den tuin gereed gekomen en Bertus en ik staken de koppen bij elkander, om een nieuw plan voor den aanleg te ontwerpen. Dit gaf aan den majoor gelegenheid, zijn glas nu en dan ongemerkt te vullen — dat wil zeggen: hij dééd, alsof hij aan het onbemerkt-blijven geloofde. maar zorgde er terdege voor, dat Bertus het wel in de gaten kreeg! Deze maakte er zelfs fluisterend een opmerking over.
"Let er maar niet op!" — antwoordde ik, hard genoeg voor G. G. om te hooren. "De majoor is indertijd uit den dienst ontslagen, omdat hij telkens dronken was."
Hier verslikte majoor Curtis zich in zijn grog en kreeg een geweldige hoestbui. Ik verdacht hem ervan, dat hij op die wijze een lachbui smoorde.
Na ongeveer een uur begon de toestand van den majoor van dien aard te worden, dat het onmogelijk werd zijn luidruchtigheid langer te negeeren. Hij hield, voor een onzichtbaar publiek, redevoeringen over de geneeskracht van cognac-grog en schreeuwde en gesticuleerde daarbij zóó hevig, dat Bertus en ik ons gesprek niet langer konden voortzetten. Midden tusschen den onzin, dien hij uitkraamde, ving ik plotseling deze woorden op:
"Breng mij naar huis, Willy! Ik verkeer nu in verregaanden staat van dronkenschap!" Voor Bertus, die geen Engelsch verstond, bleef de beteekenis van deze woorden natuurlijk verborgen.
*...trok hij met geweld aan het koord. *
Hoewel ik moeite had mijn lachen te houden, bleef ik uiterlijk zeer ernstig.
"Bertus!" — zeide ik. "Zou het niet beter zijn, als ik den majoor maar naar buiten bracht? Wij zullen eerst nog wat in het park rondloopen, want zóó durf ik niet met 'm thuis komen."
"Hij heeft 'm leelijk òm!" — meende Bertus.
Mijn voorstel aan den dronken majoor, om naar huis te gaan, werd goedgunstig aangenomen. Maar met echte dronkenmans-koppigheid stond hij erop, niet door de deur, maar door het raam naar buiten te gaan. Hij liet zich echter met zacht geweld naar de deur geleiden, doch juist toen ik die openen wilde, rukte hij zich los en liep met wankele schreden door de kamer op het venster toe. Voordat ik hem had ingehaald, trok hij met geweld aan het koord; en dat geweld was zóó groot, dat hij het evenwicht verloor. In zijn val hield hij zich aan de gordijnen vast, ik hoorde 'n drogen knap en de stok, waaraan deze hingen, bezweek. Gordijnen, stok en ringen kwamen in 'n hoop op den vloer terecht, den armen majoor Curtis, die met 'n verschrikt gezicht op zijn rug lag, in hun val bedekkend.
Ik had het kunnen uitschateren en toen de ongelukkige krijgsman, met 'n ontsteld gezicht, van onder de puinhoopen te voorschijn kroop, beet ik mij op de lippen om mij goed te houden.
"'t Is wat moois" — bromde Bertus. "De heele boel kapot! 'n Mooie Majoor!"
"Ja, zoo zijn ze in Engeland allemaal, Bertus!" zeide ik; en nu zag ik, dat de detective zich op de lippen beet.
Toen deze overeind stond, pakte ik hem onder den arm, maar hij hing zóó zwaar op mij, dat ik hem bijna niet van de plaats kon krijgen.
"Bertus aan den anderen kant!" — beet hij mij in het oor; en ik haastte mij den ouden man te verzoeken, mij te helpen hem naar buiten te expedieeren. Tusschen ons beiden loodsten wij hem daarna eerst de kamerdeur en vervolgens, door de gang, de voordeur uit.
Buiten begon hij een liefdesverklaring aan Bertus, hetgeen, in zijn gebroken Hollandsch, onweerstaanbaar komisch werkte.
"Brave Bertus!" — zeide hij. "Goede friend! Je zijt een genereus creatuur. Laat mij steunen op your machtvollen arm!" En hij trok den tegenstribbelenden man meê om den hoek van de woning, in de richting van het Huis. "Ik kan niet verder meê: de deur staat nog open!" — protesteerde Bertus. Maar de majoor gaf geen kamp en trok hem nog een heel eind meê, terwijl ik, nu hartelijk lachende, op korten afstand volgde.
De buitenlucht scheen den dronken man echter weldra wat te kalmeeren. Na enkele minuten begon hij beter te loopen en weêr meer op zijn eigen beenen te vertrouwen. Ik had het zonderlinge paar nu ingehaald en vatte, ook mijnerzijds, den patiënt onder den arm.
"Nu is het wèlletjes" — zei Bertus, terwijl hij hem los liet. "U moet nu zelf maar verder voor hem zorgen. Ik ben 'n oude man en heb wel wat beters te doen."
Op dit oogenblik zeide de majoor, met 'n dikke tong, in het Engelsch:
"Ik zal dadelijk wegloopen, Willy! Volg mij en verlies mij niet uit het oog!"
De woorden hadden zijn lippen nog niet verlaten, of hij rukte zich los en rende terug in de richting, waaruit wij gekomen waren. Daar ik gewaarschuwd was, zat ik hem dadelijk dicht op de hielen; maar de oude Bertus stond in den maneschijn, als 'n beeld der verbazing, en maakte geen aanstalten om ons te volgen, hetgeen op zijn leeftijd best te begrijpen was!
G. G. rende de garage voorbij en het bosch in. Zoodra wij onder het duister der boomen waren, boog hij om naar links en geen vijf minuten, nadat hij zich had losgerukt, stonden wij ieder achter een boom, met het gezicht op de tuinmanswoning, Door het venster, waaraan de gordijnen nu — naar de voorspelling van G. G. — inderdaad ontbraken, konden wij in de hêlverlichte kamer zien. De voordeur daarnaast stond open.
Toen mijn oogen zich aan het duister onder de boomen gewend hadden, zag ik een paar donkere gestalten, die zich op korten afstand, evenals wij, achter de boomen schuil hielden. Ik begreep, dat dit de andere afdeeling van ons leger zijn moest, die onder geleide van den "brombeer" hierheen gekomen was en haar posten betrokken had.
Het was doodstil om ons heen. Nu en dan ruischten de boomen, als een zacht windje door de toppen voer. Ik hoorde het kloppen van mijn eigen hart en ik kan niet zeggen, dat het rustig klopte; want ik begreep, dat de crisis nu naderde.
Wij hadden nog slechts enkele minuten zoo gestaan, zwijgend en onbeweeglijk, toen mij de stem van G. G. bereikte.
"Let op!" — klonk het, zóó zacht, dat ik de beteekenis meer raadde dan verstond.
Om den hoek van het huis kwam de oude Bertus. Hij bleef een oogenblik staan en keek scherp om zich heen. Vermoedelijk wilde hij zien, of hij ergens een spoor van G. G. of mij ontdekken kon. Toen haalde hij de schouders op en ging met een stap, zóó vlug, als ik nog niet bij hem had opgemerkt, naar binnen door de voordeur. Hij sloot die achter zich en een oogenblik later zagen wij hem in de verlichte kamer verschijnen. Elk zijner bewegingen was duidelijk te zien, en, zoodra hij in de buurt van de lamp kwam, ook zijn gezicht.
Wij zagen dan, hoe hij eerst op het venster toetrad, het daar liggende gordijn van den grond opraapte en het vóór de ruiten hield, als om te onderzoeken, of hij het daar niet op de een of andere wijze kon bevestigen. Dit bleek vermoedelijk onmogelijk, want met een hernieuwd schouder-ophalen, wierp hij het ter zijde en keek daarop eenige oogenblikken naar buiten, evenwel zonder het raam op te schuiven. Vervolgens draaide hij zich om en trad aan de tafel.
Op dit oogenblik zagen wij hem een gebaar van verbazing maken. Hij nam iets op, dat op die tafel scheen te hebben gelegen, en hield het dicht bij de lamp, daarbij het gezicht naar ons toekeerende, zoodat wij de wisselingen van uitdrukking daarop zeer goed volgen konden. Tevens zagen wij, dat wat hij in de hand hield, een gesloten enveloppe was.
Op zijn gezicht was niets anders te lezen dan groote verwondering. Daarop legde zich een diepe plooi tusschen de oogen en, met een snelle beweging, scheurde hij de enveloppe open. Hij nam er iets uit, dat — van uit de verte gezien — een ruw-afgescheurde snipper bruin papier geleek. Maar nauw had hij daarop een blik geworpen, of de uitdrukking van zijn gezicht veranderde geheel. In plaats van onbestemde verbazing las ik daaop thans doodelijke ontsteltenis! Hij werd bleek en staarde onafgewend op het kleine stuk papier, dat hij in de hand hield. De enveloppe had hij, zonder acht te geven, op den grond laten daarop vallen.
Korten tijd stond hij zoo, als verlamd van schrik. Toen sloeg hij de oogen op en staarde naar het venster met een blik, zóó vreemd en schuw, als ik nog nimmer in de oogen van een mensch gezien had... En toen gebeurde het!
Plotseling spoedde zich een gestalte, van terzijde komende, uit het bosch, waarin wij ons bevonden naar de woning. Zij was in een langen, donkeren mantel gehuld en haar hoofd was omwonden met een witten doek. Aan het venster gekomen, dook zij, om zoo te zeggen, plotseling voor de oogen van den man, die zich in de kamer bevond, op en drukte het gezicht van buiten tegen de ruiten.
Ik zag, dat den ouden man, die bij de tafel stond, een schok door de leden voer. Hij hief de armen op, als om de verschijning, die hij vóór zich zag, àf te weren en de bloedlooze lippen bewogen zich langzaam. Toen stiet hij een kreet uit, zóó luid, dat wij dien buiten hooren konden, en, met de handen vergeefs naar een steunpunt tastende, zakte hij inéén.
De kreet, binnen uitgestooten, werd buiten beantwoord! De gestalte, die vóór het raam stond, stiet een schreeuw uit, rauw, bijna onmenschelijk, een schreeuw, die mij een huivering door de leden joeg. Mantel en doek werden àfgeworpen, en nu herkende ik Albert, den doofstommen jongen, die, zonder te letten op de schrammen en sneden, die hij opliep, met een paar vuistslagen de ruiten insloeg, aan de stijlen van het venster rukte en zich als een razende gedroeg, in zijn begeerte om naar binnen te komen.
"Snel naar het huis!" — klonk plotseling de stem van G. G. "Houd den jongen tegen!"
In een oogwenk stonden wij voor de deur. Basiloff had de armen om Albert hééngeslagen en trok hem met geweld van het venster af, terwijl de deur onder de vereenigde krachten van De Berecamp, G. G. en mij bezweek.
Wij stonden in de kamer, waar zich zooeven het voor mij onbegrijpelijke drama had afgespeeld.
De oude Bertus lag, naast de tafel, op den grond. Hij was buiten kennis. Het voorhoofd was met een der tafelpooten in aanraking gekomen en vertoonde een vrij diepe snede, waaruit langzaam het bloed sijpelde.
Zoodra Albert den ouden man in het oog kreeg, begon hij opnieuw die luide kreten te slaken, die bij hem spraken van de heftigste gemoedsbeweging. Het vermogen om te spreken — zoo moeizaam aangeleerd — verliet hem dan en hij uitte zijn leed of vreugde door het uitstooten van onsamenhangende geluiden, die rauwer en rauwer werden, naarmate hij zich driftiger maakte of zich meer opwond. Ditmaal verkeerde hij, naar allen schijn, in de hoogste drift, zoodat zijn oom de grootste moeite had, hem terug te houden, toen G. G. en ik het lichaam naar de slaapkamer droegen, die grensde aan de kamer, waarin wij Bertus gevonden hadden.
De lamp werd aangestoken en de oude man op het bed gelegd. Hij was nog steeds buiten kennis; maar er waren teekenen, die wezen op een terugkeeren van het bewustzijn.
G. G., De Berecamp en ik stonden zwijgend voor het bed. Onze gastheer toonde zich bezorgd over den toestand, waarin de oude, trouwe dienaar van zijn familie zich bevond, en scheen het den detective kwalijk te nemen, dat deze de gebeurtenissen in die richting geleid had.
"U zult mij straks van een en ander een afdoende explicatie dienen te geven, Mr. Gill" — zeide hij op den kouden, afgemeten toon, dien hij altijd aannam, wanneer hij boos was. "Mijn eerste zorg geldt dezen armen man! Daarna..."
"... U zult een explicatie hebben, nog vóórdat deze man tot zichzelven is gekomen" — viel G. G. kem in de rede, terwijl hij snel op het bed toetrad en de hand uitstrekte. Maar op dit oogenblik ging de deur open en verscheen Graaf Basiloff op den drempel.
"Komt u dadelijk even hier, Mr. Gill!" — zeide deze. "Albert schijnt iets gewichtigs te willen zeggen, maar kan geen woord uitbrengen. Hij vraagt om schrijfgerij."
Wij gingen terug in de andere kamer, waar ik den doofstommen jongen een blad papier uit mijn notitieboekje en een potlood reikte. De hulpelooze uitdrukking, die in zijne oogen lag, nu hij zijn pogingen om zich verstaanbaar te maken had opgegeven, maakte dadelijk plaats voor een uitdrukking van moed en voortvarendheid. Met van opwinding sidderende hand, schreef hij eenige regels op het papier en reikte dat vervolgens aan G. G. toe.
Deze las, en aanstonds verspreidde zich een glans van genoegen over zijn gelaat.
"Willy" — zeide hij. "Heb je begrepen, waartoe daar juist de vertooning diende, waarbij onze goede Albert in zwarte almaviva en met 'n doek om zijn hoofd optrad?"
Ik schudde ontkennend het hoofd.
"Heb je nooit opgemerkt, dat er een groote gelijkenis bestond tusschen Albert en zijn overleden moeder?" — vervolgde hij. "Vraag hem, zich nog eens op dezelfde wijze uit te dossen.
Ik bracht dit verzoek over en Albert voldeed daaraan onmiddellijk. Ja, nu zåg ik het! In het half donker moest de witte doek, zooals die om het hoofd geslagen was, den indruk maken van een zwaar, wit kapsel en daaronder... het gezicht van zijn moeder... Ik ontstelde bijna van de gelijkenis, die mij nooit zóó was opgevallen.
"Lees nu dit, Willy!" — hernam G. G., terwijl hij mij het papier toereikte. "Ik had zoo iets gehoopt, er bijna op gerekend! Maar het was een experiment, waarvan de uitslag onzeker was. Het is volkomen gelukt: Albert heeft de woorden, die de oude man uitsprak, vóórdat hij het bewustzijn verloor, van zijn lippen afgelezen. Wat wij niet hooren konden, heeft hij gezien."
Ik wierp thans mijn blik op het notitie-blaadje en las het volgende: "Vóórdat hij neêrviel heeft die oude man, die duivel, "de armen naar mij uitgestrekt en gezegd: "Ga heen! "Ga heen! Ik hèb het gedaan! Maar ga heen!"
Het werd mij groen en geel voor de oogen en een oogenblik was het mij, alsof de kamer om mij heen draaide.
"Kom meê, Willy!" — De stem van G. G. riep mij tot de werkelijkheid terug. Hij ging mij vóór naar het nevenvertrek, bukte zich, met den rug naar ons toegekeerd, over den bewusteloozen man heen en scheen iets aan het hoofdeinde te verschikken. Toen trad hij terug en wees op het bed.
*... en wees op het bed.*
"De explicatie!" — zeide hij.
De man, die vóór ons lag, was... Kobus, de boerenknecht van de Veluwe!
## HOOFDSTUK XXIII OP HET GOEDE SPOOR.
Jk zal niet trachten, de gedachten weêr te geven, die mij bestormden. Als het den lezer gaat zooals mij op dat oogenblik, zal hij zich nog nauwelijks rekenschap kunnen geven van de draagwijdte der verrassende ontdekking, dat het Kobus geweest was, die op den Eikenberg de rol gespeeld had van zijn broêr Bertus. Duidelijk was het mij nu echter, hoe de "puzzle", die G. G. mij had opgegeven, opgelost moest worden.
"De broer van onzen goeden vriend, den tuinman, gelijk inderdaad op hem; maar Kobus heet hij niet." Aldus had de detective zijn "puzzle" ingekleed. En inderdaad de "goede vriend" zèlf heette Kobus en zijn broer, die zóóveel op hem geleek, dat hij hem eenigen tijd had kunnen personifieeren (zij het ook met aanwending van vele kunstmiddelen, o.a. de lange pruik en het schippersbaardje), heette Bertus. Maar waar was die Bertus?... Het was één vraag uit vele, die zich in mijn brein verdrongen.
De uitwerking van de plotselinge ontdekking der identiteit van "Bertus" was bij onzen gastheer nog veel grooter dan bij mij. Wat zich hier voor zijne oogen had afgespeeld, scheen hem een droom, en zijn eerste woorden, toen hij tot zijn gewone kalmte begon terug te keeren, waren:
"Ik heb niet het flauwste vermoeden gehad van deze maskerade. En toch kende ik Bertus zoo goed! Hoe is het in Godsnaam mogelijk, Mr. Gill, dat U deze ongelooflijke geschiedenis zoo spoedig doorgrond hebt?"
G. G. glimlachte.
"Deduceeren en combineeren!" zeide hij. "Ik zal U dat later wel uitleggen. Was het U nooit opgevallen, dat er eenig verschil bestond tusschen den Bertus, die twee jaren geleden vertrok, en den Bertus, die onlangs teruggekomen is?"
"Ik vond hem krachtiger geworden en de uitdrukking van het gezicht had iets hards gekregen, dat ik er vroeger in miste. Maar ik zag dat aan voor het gevolg van zijn verbeterde gezondheid. Toen hij wegging, was hij 'n zwakke man; hij kwam terug als een herstelde, die de kenmerken van zijn herstel in zijn uiterlijk droeg. Alleen zijn oogen hadden door den zuidelijken zonnegloed wat geleden. Dat scheen niets bizonders."
"Het was er hem om te doen, een gekleurde bril te dragen" — zeide G. G. "De oogen van Kobus — rond en verbaasd — waren gevaarlijke herkenningsteekens."
"De vraag is nu, wat er van den werkelijken Bertus geworden is" — merkte ik op.
"Dááromtrent en omtrent nog andere dingen moet de man, die daar op het bed ligt, ons nader inlichten" zeide G. G.
"Zoo hij maar spreken wil! Als hij bijgekomen en weer meester van zijn woorden en gedachten zal zijn, is het zelfs de vraag, of hij de bekentenis, die Albert van zijn lippen heeft gelezen, niet herroepen zal. De man moet van een ongelooflijke sluwheid zijn; het zal hem niet moeilijk vallen aan die woorden een andere beteekenis te geven."
"De sluwheid van dezen aarts-misdadiger is inderdaad buitengewoon" — antwoordde G. G. "Wat intusschen de vraag betreft, of hij bij zijn bekentenis zal blijven, daarvoor behoef je je niet bezorgd te maken, Willy! Ook daarvoor is gezorgd."
Op dit oogenblik begon de man, die op het bed lag, zwaar te ademen. Het duurde niet lang, of hij maakte eenige zwakke bewegingen en op eens sloeg hij de oogen op. Eenige seconden lag hij, stil voor zich uit kijkend, met die vage uitdrukking in den blik, die getuigt van nog slechts half teruggekeerd bewustzijn; maar toen zat hij op eens, met 'n ruk, overeind.
Hij wendde zijn oogen van den een naar den ander, blijkbaar nog buiten staat zich rekenschap te geven van den toestand, waarin hij zich bevond. Zijn hand dwaalde daarbij, met dat onzekere gebaar, dat men bij langzame herleving van het denkvermogen zoo dikwijls waarneemt, naar mond en kin. Op eens kwam er leven in zijn blik: hij had de afwezigheid van pruik en schippersbaardje ontdekt en de beteekenis daarvan drong plotseling tot hem door.
G. G. trad snel op hem toe en, nog vóórdat de man een afwerende beweging had kunnen maken, zaten hem de handboeien om de polsen. In het gesprek, dat nu volgde, bracht ik de woorden van den detective aan Kobus over. Ik maak daarvan niet telkens weer melding om den gang van het verhaal niet te storen.
"Ja, Kobus" — begon G. G., met zijn natuurlijke stem sprekend (als majoor Curtis klonk zijn stem scherper en kort-af), "aan alle lofzangen komt een einde. Bij jou is 't alleen wat gauw gekomen: dat het làng zoo duren kon, zul je zelf wel niet verwacht hebben."
Kobus staarde hem aan met een blik, waarin het volle bewustzijn was teruggekeerd, maar hij sprak geen woord.
"Je begrijpt wel" — vervolgde G. G., "dat wij alles weten, niet waar? Ik zou je raden de moorden, die je gepleegd hebt, ronduit te bekennen: dat is het eenige, dat misschien de Rechtbank nog 'n klein weinig in je voordeel zou kunnen stemmen."
"Ik beken niets" — zeide Kobus met een heesche, onzekere stem.
"Dan moet je het laten" — antwoordde de detective. "Je hebt trouwens al gesproken, toen je den geest van de vermoorde vrouw zag."
Kobus werd zeer bleek en begon te beven: hij had blijkbaar nog niet begrepen, dat hij het slachtoffer van een list geworden was, en verbeeldde zich, dat hij inderdaad een bovennatuurlijke verschijning gezien had.
"Ik zie, dat je zit te beven!" — zeide G. G. met 'n wereld van verachting in zijn stem. "Al ben je tegenover weerloozen 'n bruut, in je hart ben je 'n lafaard, daaraan heb ik nooit getwijfeld. Die ,geest' was Albert, de zoon van je slachtoffer. Hij heeft de bekentenis van je lippen gelezen. Daar staat hij! De zoon heeft zijn moeder gewroken."
Kobus was nu opgerezen. De bolle, verbaasde oogen hadden hun onschuldige uitdrukking verloren. Zij gloeiden boosaardig en het masker van goedaardigheid, dat hij zoo lang gedragen had, was thans vervangen door de harde, wreede uitdrukking van den verharden booswicht.
"'n Doofstomme, 'n halve gek!" — zeide hij ruw. "Niemand zal aan zijn praatjes geloof slaan."
"Je vergist je, Kobus!" — antwoordde de detective kalm. "Die "praatjes' worden bevestigd door de bekentenis van je vriend, Arie, dien wij vanmiddag geknipt hebben, toen hij naar X terug wandelde."
"Heeft Arie...?" — De man stikte nu bijna.
"Arie heeft gesproken! Ik had ervoor gezorgd, dat-i wist, dat ik je doorzien had. Toen is-i door de mand gevallen om voor zichzelven nog te redden, wat er te redden was."
"De stommerik! De verrader! Als ik hem...!"
"Tut, tut!" — viel de detective den woedenden man in de rede. "Laat aan òns de zorg maar, dat-i z'n verdiende loon krijgt. En je zult goed doen, ook van jouw kant openhartig te zijn: je ziet, dat ik je beweringen controleeren kan. Elke leugen maakt de zaak nog bedenkelijker voor je."
Kobus had zich op het bed laten terugvallen en G. G. wendde zich nu tot mij.
"Je ziet, dat 't heel verstandig is geweest, Willy, dat je Mr. Berecamp hebt aangeraden dien schrijnwerkersknecht kalm te laten wèggaan. Ik lag met 'n paar politie-menschen op de loer aan den ingang van de oprijlaan. Arie moest mij behoorlijk inlichten en dat kon alleen op die manier gelukken!"
"Het is niet te gelooven!" — klonk het bewonderend van de lippen van den "brombeer".
"Ook voor U heb ik 'n verrassing" — zeide G. G. glimlachend. "Ik ben zoo vrij geweest het op mijn verantwoording te nemen, de zakken van den ,gentleman' Arie eens te inspecteeren en vond daarin dit: van Willy heb ik gehoord, dat het bij U tehuis behoort". — En hij stelde aan De Berecamp een gouden armband ter hand. "Eigenlijk bega ik hiermede een kleine onregelmatigheid" — vervolgde de detective. "Misschien zal de Justitie mij op de vingers tikken, maar ,il y a des accommodements avec le ciel'!"
De Berecamp stond, met den armband in zijn hand, mijn vriend aan te staren en kon geen woorden vinden.
"Komaan, brombeer!" — zeide ik. "Je kent G. G. uit mijn boeken en daarom moest je dit alles heel natuurlijk vinden. Intusschen verzoek ik je, er nota van te nemen, dat de moreele en financiëele verantwoordelijkheid, die je mij in verband met dien armband hebt opgelegd, nu van mijn schouders is genomen."
* * *
Toen, dienzelfden avond nog — het zal elf uur geweest zijn —, G. G. ons voorstelde, ons mede te deelen, op welke wijze hij het "experiment", dat thans ten einde gebracht was, had "afgewikkeld", werd dit voorstel met groot enthousiasme aangenomen.
De Berecamp en zijn vrouw, Basiloff en ik — Albert hadden wij, omdat hij dood-op was, naar bed gestuurd — vormden een dankbaar gehoor. Wij zaten op het bordes vóór de eetkamer, onder het genot van een glas moezel-wijn.
"Ik moet beginnen met de bekentenis" — aldus ving de detective zijn verhaal aan, zich daarbij (zooals hij in zulke gevallen steeds deed) speciaal tot mij richtende —, "dat Kobus er in den aanvang in geslaagd is, mij geheel om den tuin te leiden. Herinner je je, Willy, dat je mij, achter het huis op de Veluwe, op den rand van den put vond zitten, toen ik mij uit de voeten gemaakt had voor dien aanval van de beide journalisten?"
"Zeker, Geoffrey!" — zeide ik. "Het was, toen je die architectonische studiën maakte omtrent de onregelmatige bouworde van het huis."
G. G. knikte.
"Ik zal je nu uitleggen, wat die studiën te beduiden hadden. We geloofden toen, dat er in den nacht, waarin het drama was afgespeeld, een onbekende in huis geweest moest zijn. Mijn studie daar op den rand van den put had oorspronkelijk alleen ten doel, uit te maken, hoe die onbekende in en uit het huis en op de eerste verdieping gekomen kon zijn, zonder de trap op te gaan. Jij, Willy, had die trap in dien nacht eerst hooren kraken, nadat er iemand in de bovengang had rondgeslopen. Hoe was die ,iemand' boven gekomen?"
G. G. hield een oogenblik op, om de beteekenis van deze vraag goed tot ons te doen dóórdringen. Toen vervolgde hij:
"Op de bovenverdieping waren drie vensters. Twee daarvan, vlak naast elkander, waren zeer smal en voorzien van ijzeren staven. Onze tocht door het huis had mij geleerd, dat zij uitkwamen in de kamer van Albert; ik herinnerde mij, dat men vroeger wel eens voor diens verstand gevreesd had: vandaar waarschijnlijk die staven. Het was onmogelijk, dat door deze vensters een mensch naar buiten of naar binnen komen kon. Het derde venster was daarvoor breed genoeg; en dit venster was dat van de kamer van Kobus. En nu viel mij nog iets anders op, dat aan mijn gedachten plotseling een andere richting gaf.
"Achter het huis was een schuurtje áángebouwd. Wij kènnen dat schuurtje, Willy! Het lag zóódanig, dat men van het dak gemakkelijk door het raam van Kobus' kamer naar binnen kon komen. En ook naar buiten! Opeens schoot het mij in de gedachten, hoe vreemd het was, dat Kobus, die in zijn kamer opgesloten was geweest en 's ochtends 'n uur lang op de deur had staan bonzen om eruit te komen, niet langs dien weg naar buiten gegaan was. Hij was wel niet jong, maar toch flink en krachtig: die kleine klimpartij zou voor hem in 't geheel geen beletsel geweest zijn. Was het mogelijk, dat hij dien ochtend zich opzettelijk gehouden had, alsof hij niet uit zijn kamer komen kon?
"Toen die vraag eenmaal bij mij was opgekomen, opende zich een wijd perspectief. In het verslag, dat je mij gedaan had over de gebeurtenissen van den critieken nacht, had mij reeds vroeger één ding getroffen. Je had mij namelijk gezegd, dat je met Kobus geen woord gewisseld had over den geheimzinnigen bezoeker van den vorige avond. Maar toen wij hem ondervroegen, had Kobus ons medegedeeld, dat de persoon, die in den afgeloopen nacht in huis geweest was, daar meermalen op bezoek kwam. Hij zeide dit op de eenvoudige vraag, of zijn meester en meesteres nooit bezoeken ontvingen. Kon dit een ,lapsus linguae' geweest zijn?... Hoe wist hij, dat zich dien nacht een bezoeker had aangemeld en wie dat geweest was? Was hij dan gedurende den nacht uit zijn kamer geweest?... En had hij toen misschien den weg over het schuurtje En waarom dan in den ochtend gevolgd?... niet?..."
Het was een lust den logischen gedachtengang van G. G. te volgen. De "brombeer" zat met open mond te luisteren en vergat zelfs te trekken aan zijn sigaar, die reeds lang was uitgegaan.
"Ik ging naar de kamer van Kobus en klouterde door het raam op het platte dak van het schuurtje. Jij, Willy, liep toen heen-en-weêr op het pad achter het huis en was zóó in gedachten verdiept, dat je mij niet opmerkte. Het dak was bedekt met heel fijn grint en in dat grint vond ik sporen van voetstappen. Maar ik ontdekte nog iets anders. Van het dak van het huis liep een regenpijp naar dat van het schuurtje, vandaar eerst een eindje zacht-glooiend langs den hoek, dien het dak van het schuurtje met den muur van het huis maakte, en vervolgens langs den muur van het schuurtje loodrecht naar den grond. Op de plaats, waar zij om den bovenrand van het dak naar beneden boog, zat een klein stuk papier geklemd tusschen de pijp en dien rand. Ik ontdekte het geheel toevallig (noem het detective-geluk, als je dat wilt, Willy!), toen ik elken vierkanten centimeter van het dak nauwkeurig àfzocht. Het zat vastgespiest op een uitspringenden nagel en was door de pijp vrijwel bedekt voor iemand, die op het dak stond. Maar ik lag op m'n buik!"
Hij hield even op en lachte bij de herinnering aan de niet zeer elegante houding, waarin hij zijn ontdekking gedaan had.
"Het papier was niet veel meer dan een afgescheurde snipper van een enveloppe, maar toevallig zat er het bekende langwerpig-vierkante strookje op, dat op het postkantoor op aangeteekende brieven wordt geplakt; en daarnaast stond de poststempel ,Epe', van vier dagen geleden. Toen ik den Officier van Justitie vroeg naar het resultaat van zijn onderzoek naar de correspondentie van Van Noort en zijne ,zuster', zeide deze, dat Van Noort nu en dan aangeteekende brieven uit Den Haag ontving; en Graaf Basiloff zeide mij later, dat hij zelf den laatsten brief twee dagen vóór den moord verzonden had. Dat was de brief met de bankbiljetten, waarover ik u reeds vroeger gesproken heb. Aan het postkantoor te Epe bevestigde men dit. Het was dus duidelijk, dat ik een stukje van de enveloppe van dien brief gevonden had!
"En nu viel mij weêr een ander deel van het verhaal in, dat jij, Willy, ons gedaan had. Op den ochtend na den moord had je den ouden Kobus op het pad achter het huis aangetroffen, zoekende naar de voetstappen van zijn meester. Jij althans gaf er dien eenigszins sentimenteelen uitleg aan. Kòn het zijn, dat hij het stuk van die enveloppe zocht...? Hij moest elke aanwijzing vreezen, wanneer hij inderdaad gedaan had wat ik begon te vermoeden... En tot dusver had niemand aan het motief van diefstal gedacht. Die gedachte kon, door het vinden van dat stukje papier, gewekt worden!"
"Wat 'n doortrapte schurk moet die man zijn!" merkte De Berecamp op.
"Geen geweten en goede hersens, 'n gevaarlijke combinatie!" — antwoordde G. G. "Toen wijbeiden alleen bleven, Willy, verzocht ik je het verhaal van je avonturen in den critieken nacht nog eens te doen. Ik wilde het toetsen aan de théorie, die ik mij thans gevormd had. En het bevestigde die!"
"In hoeverre?"
"Je hebt verteld, dat je, voor de deur van je kamer staande, eerst het gevoel had, dat er aan den anderen kant iemand stond, en daarop, dat die iemand zich verwijderde. Toen hoorde je de trappen kraken en je dacht, dat die geheimzinnige bespieder naar beneden ging. We weten echter, dat Van Noort, voetstappen op de bovengang hoorende, naar boven ging. Ie hebt de trap daarop nog maar ééns hooren kraken en ze was zóó debiel, dat ze onder het gewicht van een kind gekraakt zou hebben! Ergo: het kraken, dat je hoorde, werd veroorzaakt door Van Noort, die eerst de trap òpsteeg en daarop weer naar beneden ging; en de man, die op de gang rondsloop, was nog boven, toen Van Noort boven was."
"Er is geen speld tusschen te krijgen!" — zeide de "brombeer", vol bewondering.
"Waar kon die rondsluipende man gebleven zijn?" vervolgde de detective, terwijl hij deed, alsof hij De Berecamp's bewondering niet opmerkte, doch niet beletten kon, dat het genoegen daarover op zijn gezicht te lezen was. "De bovenverdieping is, zooals in de meeste boerenhuizen, gering van oppervlakte. Ik heb er 'n kleine teekening van gemaakt."
Hij legde ons het schetsje voor, dat hiernevens gereproduceerd is.
*Bovenverdieping van het huis op de Veluwe.*
- A. Kamer van Kobus.
- B. Kamer van Albert.
- C. Onze kamer
- D. Trap.
- E. Dak van het schuurtje.
- F. Put.
"Er komen maar drie kamers op de gang uit" — hernam G.G.: "die van Kobus, die van Albert en die, waarin jij, mêt je vrouw, overnachtte, Willy. Vermoedelijk is de heele bovenverdieping vroeger één zolder geweest en heeft een vroegere bezitter. die meer kamers noodig had, dien door schotten in verschillende vertrekken verdeeld. Als er iemand in de gang geweest was, had Van Noort of jijzelf dat moeten bemerken: het was buiten zoo licht alsof het dag was en in de gang zijn twee vrij groote ramen.
"De man moest dus in een van de kamers verborgen geweest zijn. In welke? Niet in die van jou, dat stond vast! In die van Albert dan?... Je had in de stilte dien armen jongen hooren snurken, zooals doof-stommen méér doen. Er was geen enkele reden waarom iemand, voor wien kamer A open stond, kamer B zou betreden. Kobus ging kalm naar zijn kamer, toen hij Van Noort de trap hoorde opkomen; en vermoedelijk hoorde hij, door een kier van de deur, het gesprek tusschen dezen en jou aan, Willy!"
"Ik vermoed, dat hij, om zeker te zijn, dat niemand hem bij het uitvoeren van zijn misdadige plannen storen zou, de kamerdeuren van buiten sluiten wilde. Door later ook zichzelven op te sluiten, dacht hij dan elke verdenking van zich af te wenden. En het was voor hem een gunstige omstandigheid, dat er vreemden in huis waren: dat zou de aandacht nog meer afleiden van hèm."
"Maar de sleutels — althans de onze! — zaten toch aan den binnenkant van de deuren."
G. G. hief de hand op.
"Willy! Ook ik ben niet alwetend!" — zeide hij. "Détails omtrent die sleutel-historie kan ik je eerst geven, als we Kobus en Arie in het verhoor genomen hebben. Laat het je voorloopig genoeg zijn, dat ik het met mijn redeneering, alles bij elkaâr genomen, aan het rechte einde heb gehad."
## HOOFDSTUK XXIV HET SPOOR WORDT DOORKRUIST.
"Mijn théorie stond nu dus vrij wel vàst" — aldus vervolgde G. G. "Ik geloofde aan een gewonen roofmoord, door Kobus gepleegd. Wel waren er vele punten, die mij nog niet duidelijk waren — en ook op dit oogenblik is nog niet alles opgehelderd —, maar in hoofdzaak zag ik toch den weg, dien ik volgen moest.
"Den man, dien ik verdacht, hadden wij vroeger op den namiddag, waarvan ik nu spreek, op het boschpad ontmoet, toen hij ,de wijde wereld introk', zooals hij het zelf uitdrukte. Wij hadden hem stil laten gaan, omdat ik toen nog niets vermoedde van wat ik sedert ontdekken zou en de oude Kobus ook mij toen nog een volkomen onschadelijk en zelfs ietwat onnoozel individu scheen. Het kwam er nu op aan, uit te vinden, waarheen hij gegaan was. Telegrafisch stelde ik mij vanuit Nunspeet met den Officier van Justitie in verbinding. De politie werd — in alle stilte — met de noodige nasporingen belast. Alles vergeefs! Kobus wàs en bleef verdwenen: vermoedelijk had hij dadelijk de een of andere vermomming aangenomen. In dit opzicht had ik dus geen succes. Maar, zooals u al weet, zag ik van een anderen maatregel wèl gunstige resultaten, namelijk van het nasporen der bankbiljetten, waarvan Graaf Basiloff mij de nummers had kunnen opgeven. Ik kreeg de U bekende aanwijzingen en die brachten mij naar den Eikenberg, onder het gastvrije dak van Mr. Berecamp."
Een buiging in de richting van onzen gastheer!
"Intusschen werd het spoor, dat ik volgde, thans plotseling door een ander spoor gekruist en dat bracht mij korten tijd in verlegenheid. Ik had stellig verwacht, hier in de buurt den ouden Kobus te zullen aantreffen en de van den moord afkomstige bankbiljetten tot hèm te kunnen nasporen. Tot mijn verbazing vond ik Kobus niet, maar liep ik, om zoo te zeggen, dadelijk, Arie tegen het lijf! Dit gooide mijn théorie omvèr: maar toch had ik van den aanvang af sterk het gevoel, dat zij niet zonder méér aan kant gezet mocht worden. Arie had, voor den nacht van den moord, een alibi. Maar stond hij misschien met Kobus in verbinding? Het feit, dat hij de bewuste bankbiljetten had uitgegeven, wees daarop."
"Het is eigenlijk verwonderlijk, dat jij, met je zeldzame opmerkingsgave, den tuinman Bertus niet eerder herkende voor wien hij was!" — merkte ik op.
"Onfeilbare detectives bestaan alleen in boeken, Willy!" — zeide G. G. "Je opmerking vat ik op als 'n compliment. In de eerste uren van ons hierzijn was er niet de minste reden om den ouden tuinman scherp te observeeren, te minder waar onze gastheer ons verzekerde, dat deze veertig jaar in dienst van zijn familie geweest was. Mr. Berecamp, die Bertus zoo goed kende, ontdekte de persoonsverwisseling niet. Is het dan wel zóó verwonderlijk, dat ik haar niet dadelijk doorzag? Heb ik absolutie, Willy?"
Ik knikte lachend.
"De eerste aanduiding, dat met Bertus niet alles in den haak was, kreeg ik door het verhaal van Mr. Berecamp omtrent dien strooper en door het bezoek, dat wij den daaropvolgenden ochtend — dat was dezen ochtend, Willy: wat schijnt het al lang geleden! — aan de tuinmanswoning brachten."
"Ik begrijp niet, welke aanwijzingen je daar gekregen hebt" — zeide ik.
"'n Paar zéér kostbare!" — antwoordde de detective. "Het is misschien niet in overeenstemming met de opvattingen, die tegenwoordig heerschen omtrent de ongeziene wereld, maar ik geloof niet aan de mogelijkheid, dat een strooper in het niet verdwijnen zou. Zoo iets zou kunnen samenhangen met het vraagstuk van de vierde demensie; maar ook aan die vierde demensie — hoe interessant overigens in théorie — geloof ik *niet* in de practijk!"
"Ik begrijp je niet heelemaal, Geoffrey!" zeide ik.
"Hoogere wiskunde!" — zeide hij, met 'n gewichtig gebaar. "Ik zal er je verder niet mee lastig vallen! Maar als je je nog eens goed voor oogen stelt, hoe het er vóór de tuinmanswoning precies uitziet, dan zul je, ook zonder hoogere wiskunde, tot de slotsom komen, dat 't eenvoudig onmogelijk is, dat iemand daar in het bewuste kreupelboschje vlucht en in 'n paar seconden... verdwijnt! Wie iets dergelijks beweert vergist zich of... liegt. En de waarschijnlijkheid, dat hij liegt wordt héél groot, wanneer dezelfde persoon, die het verhaal opdischt, de eenige is, die den vluchteling had kunnen verbergen."
"Natuurlijk, dât is het!" — riep ik uit. "Als het zóó natuurlijk was, zou je er eerder aan gedacht hebben, Willy!" — zeide G. G. op zijn droogsten toon. ,Bertus' stond in de open deur, toen de jachtopzichter, bijna onmiddellijk achter den strooper, om den hoek kwam rennen. Die open deur bood den vluchteling de eenige gelegenheid om te , verdwijnen', en... hij verdween!"
"De jacht-opzichter is dadelijk daarop in de woning van den tuinman geweest, en nog wel in beide vertrekken" — merkte hier De Berecamp op. "De strooper was er niet, en de tuinman zelf had meneer Hamel uitgenoodigd binnen te komen."
"De eenige oplossing van het geval is dan, dat er in die woning een U onbekende schuilhoek is. Ik heb goeden moed, dat wij dien wel zullen vinden."
"Maar dat is toch nog al onwaarschijnlijk" — zeide de "brombeer".
"Integendeel, Mr. Berecamp, het is zeker! Omdat ik niet aan de vierde demensie geloof!"
Hij zweeg een oogenblik, als om zijn gedachten te ordenen. Toen vervolgde hij:
"Uit mijn redeneering volgde dus, dat er een geheime betrekking bestond tusschen den tuinman en den strooper. Ik besloot den ouden Bertus van nu af scherp in het oog te houden. Voor dat besluit werd ik bijna onmiddellijk beloond. Je herinnert je, Willy, dat de jacht-opzichter wat met den tuinman te bespreken had omtrent den aanleg van een tuintje. Zij stonden met elkander te praten en Bertus had zijn pet afgenomen. Toen zag ik opeens iets, dat mij... nu ja, dat voor de zóóveelste maal mijn grootste gebrek als detective aan het licht bracht..."
"Het schokje?"
"Het schokje!" — G. G. trok een tragisch gezicht en vervolgde daarop, zonder zich op dit teêre punt verder gevoelig te toonen: "Bertus draaide zijn pet in de handen rond en keek, al luisterend, den jacht-opzichter strak aan. Die houding en dat manuaal vooral het laatste! — had ik méér gezien. Waar?... In gedachten was ik plotseling op de Veluwe en ik zag Kobus, zooals je hem zelf zoo dikwijls gezien hebt, Willy, precies in dezelfde houding en met precies dezelfde handbewegingen om den rand van de pet! Die bewegingen zijn karakteristiek, Willy, en des te fataler voor het slachtoffer, omdat zij onwillekeurig zijn. De gelijkenis viel mij toen voor het eerst op en je weet, dat wij kort daarop van den jacht-opzichter hoorden, dat-i 'n broer had, die Kobus heette en die twee jaren geleden uit de gevangenis ontsnapt was. Als je nu vannacht in je bed ligt, Willy, beschouw al die feiten dan eens rustig in hun onderling verband. En denk er dan óók aan, dat Arie, dien wij bij het huis op de Veluwe op zoo'n vreemde manier tegen het lijf geloopen waren, hier in de buurt was opgedoken en de bewuste bankbiljetten had uitgegeven! Zelfs als je, wat later volgde, uit je herinnering schrapt, zul je dan vanzèlf tot de vraag gebracht worden: *Is Bertus misschien Kobus?*"
"Ik zal je instructie voor vannacht opvolgen, Geoffrey!" — zeide ik met 'n ernstig gezicht. "Reeds nu erken ik, dat er reden voor die vraag was."
"Je bent altijd vlug van begrip geweest. Willy!" – Hij knikte mij op zijn gewone, patroniseerende manier toe en hervatte daarop zijn verhaal.
"Het kwam er nu op aan, zekerheid te verkrijgen. Want voor geen geld van de wereld had ik mij aan het échec willen bloot stellen, aan den werkelijken Bertus de verrassende mededeeling te doen, dat hij z'n eigen broêr was! Daarom dacht ik de comedie uit, die wij vanavond hebben àfgespeeld. En in den loop van den dag deden zich twee omstandigheden voor, die mij allen moed gaven op een gunstigen afloop van het experiment.
"In de eerste plaats: mijn ondervindingen in het meubel-magazijn van Koller te X. Ik was naar de stad gegaan om persoonlijk poolshoogte te nemen in de verschillende winkels, waarin Arie zijn biljetten had uitgegeven. Nieuws vernam ik daar niet, maar des te meer bij Koller, waar ik eens precies wilde informeeren, hoe en wanneer ze Arie als knecht in dienst hadden genomen. En nu geef ik U allen te raden, wat ik daar te hooren kreeg!"
Hij keek ons, ieder om de beurt, aan, en vermaakte zich merkbaar met de spanning, die uit onze gezichten sprak.
"Het bleek" — aldus vervolgde hij met nadruk, "dat er geen knecht van Koller op den Eikenberg werkte! Den knecht, dien hij juist gekregen had, en over wien Mr. Berecamp ons sprak, had hij inderdaad willen sturen. Maar hij had van den Eikenberg een boodschap gekregen, dat het niet meer noodig was! Die boodschap had hij gekregen door... den tuinman, die daarvoor expresselijk naar zijn magazijn gekomen was. De introductie aan Arie hebt U dus uitsluitend te danken aan Uw gewezen tuinman, Mr. Berecamp!"
"Maar wat wilden die twee in God's naam?" bromde de "brombeer".
"Dat zullen zijzelven ons moeten vertellen, Mr. Berecamp!"
Hij zweeg eenige oogenblikken en lachte stil voor zich heen.
"Je spraakt over een tweede omstandigheid, die je moed gaf op den afloop" — zeide ik.
"Zeker, Willy! Die vernam ik uit het verslag, dat je me over den dag hier op den Eikenberg gegeven hebt. Arie en Bertus hebben samen twist gehad: omdat Arie over bloemperken liep, zooals Bertus beweerde. Wetende wat ik wist, geloofde ik daarvan natuurlijk niets. Ik verdraai het naar je pijpen te dansen' — had Arie gezegd. Bertus had hem dus het een of ander bevolen of verboden. Wat?... Kon het zijn, dat Arie — die zeker op de Veluwe gewoon was zijn haasje te strikken — die gewoonte hier getrouw bleef? Kon hij de strooper geweest zijn?... Aldus werd de verklaring, die ik voor zijn in de lucht verdwijnen' gevonden had, nog véél waarschijnlijker. En de diefstal van dien armband?... Was dat misschien niet óók 'n vrijheid, die Arie zich buiten het programma veroorloofd had? En had hem dit wellicht óók 'n schrobbeering van den tuinman — zijn compagnon — bezorgd? U zult mij toestemmen, dat deze overwegingen in de richting wezen, waarin mijn vermoedens nu eenmaal gingen."
Opnieuw brak G. G. den draad van zijn betoog af. thans om ons in de gelegenheid te stellen onze instemming met zijn conclusie te betuigen, hetgeen wij zonder voorbehoud deden.
"Het stond nu vast" — aldus vervolgde hij, "dat Arie de bewuste biljetten had uitgegeven en dat hij in verbinding stond met den tuinman van den Eikenberg. Speciaal deze laatste omstandigheid gaf mij aanleiding, onmiddellijk maatregelen te nemen om hem te doen arresteeren. De weg naar de verborgen schuld van den misdadiger loopt dikwijls over den angst van zijn medeplichtigen. Ik besloot eens te beproeven, of ik dien weg vinden kon. De politie was mij ter wille, zoodra ik mijn volmachten zien liet. Zij stelde twee man te mijner beschikking en, afgaande op wat ik gisteren had opgemerkt, vermoedde ik, dat vriend Arie tegen 'n uur of vijf van zijn werk zou komen. Op den weg, even om den hoek van de oprij-laan, stond om half-vijf al 'n rijtuig klaar. En even na vijf uur werd de vogel zonder eenige moeite geknipt. Hij moet, na zijn twist met den tuinman, regelrecht van diens woning gekomen zijn.
"Het gelukte mij niet zoo gemakkelijk als ik gedacht had, den man aan het spreken te krijgen. Hij is 'n ruwe, brutale kerel en van nature in het geheel niet bang. Aanvankelijk leden al mijn pogingen dan ook schipbreuk. Maar toen ik besloot, mijn troefkaart te spelen, toen ik hem alles wat ik meende te weten als vaststaande feiten onder de oogen bracht en liet bemerken, dat, waar hij de bankbiljetten had uitgegeven, hij ook wel eens van den moord verdacht kon worden. werd hij eindelijk bang en deed een verhaal, waaruit in elk geval bleek dat Bertus Kobus was! Natuurlijk trachtte hij alle schuld op dezen te schuiven: hijzelf was 'n ongelukkig slachtoffer. De geheele waarheid zullen wij intusschen eerst te weten komen, wanneer wij die beiden tegenover elkander zetten! Arie vertelde mij, dat hij vanavond laat met zijn medeplichtige in diens woning zou samenkomen. Vandaar, dat ik wist, dat de tuinman tehuis zou zijn. Maar met de confrontatie zullen wij tot morgen wachten."
"Het kwam er nu op aan, ook aan Bertus — of liever aan Kobus — zijn bekentenis te ontlokken. Toen ik Graaf Basiloff en zijn neef van het station had gehaald, gaf ik hun in het rijtuig de noodige aanwijzingen en je weet, Willy, dat ik — ook door jouw als altijd intelligente hulp — mijn doel bereikte."
Hij hield op en wij allen bewaarden eenige oogenblikken het stilzwijgen.
"Zou het nu niet tijd worden, onze bedden te gaan opzoeken?" — zeide G. G., oprijzende. "Wij hebben allen onze nachtrust heusch wel verdiend!"
"Wacht nog even" — zeide ik, hem tegenhoudende. "Eén ding heb je nog niet verklaard. Wât zat er in de enveloppe, die Bertus — ik kan er nog maar niet aan wennen hem , Kobus' te noemen! — vanavond op zijn tafel vond en hoe kwam die enveloppe daar ?"
Ik dacht, dat je het wel begrepen zoudt hebben, Willy!" — antwoordde de detective. "Toen majoor Curtis in kennelijken staat verkeerde, troonde hij immers den ouden Bertus mede, terwijl de deur van het huis bleef open staan. Daarop had de beschonkene het juist aangelegd: het gaf aan Albert de gelegenheid, naar binnen te slippen en de enveloppe op tafel te leggen. Op den omslag stond niets anders dan: ,Aan Bertus'."
"Maar de inhoud?"
"De inhoud bestond uit het stuk papier met den poststempel erop, dat ik op het schuurtje gevonden had. Ik had er met potlood op geschreven: , Waar is het gestolen geld?' — in onberispelijk Hollandsch: het woordenboek is erbij te pas gekomen. De man, die achter het huis op de Veluwe naar dit stuk papier gezocht heeft, moet de beteekenis van het plotseling verschijnen daarvan op zijn tafel onmiddellijk begrepen hebben. En wat toen volgde, weet U allen."
Opnieuw bleef het eenigen tijd stil.
"Mr. Gill" — zeide De Berecamp eindelijk. "Ik moet U zeggen, dat ik 'n innige bewondering koester..."
"Waarachtig, Mr. Berecamp, het is tijd om naar bed te gaan!" — viel G. G. hem in de rede. "Ik wensch U allen een aangename nachtrust!" — En vóórdat wij hem konden tegenhouden, was hij door de eetkamer in de gang verdwenen en hoorden wij hem de trap opgaan.
* * *
Den volgenden ochtend was ik getuige van twee "interessante experimenten".
Het eerste vond plaats in de tuinmanswoning en G. G. fungeerde daarbij eenigszins als toovenaar. Toen wij binnengetreden waren — Kobus was nog den vorigen avond naar X getransporteerd —, bracht hij ons in herinnering, dat de strooper, in wien wij thans niemand anders dan Arie vermoedden, hier ergens verborgen moest geweest zijn. En daarop verbaasde hij ons allen door de volgende woorden:
"Het schijnt u ontgaan te zijn, dat dit huis staat op fundamenten, die nog uit den tijd der Romeinen dateeren. Er moet een Romeinsche burcht gestaan hebben. Romeinsche burchten waren rijk aan geheime kelders en gangen, die dikwijls vèr onder den grond dóór naar naburige plaatsen voerden."
"Ik heb wel eens hooren beweren, dat er op den Eikenberg ergens zoo'n ondergrondsche gang moet zijn" — zeide De Berecamp, "maar bij mijn weten heeft niemand die ooit gevonden."
"Ik denk, dat U zich daarin vergist" — zeide G. G. "Is je niets opgevallen aan de schouw in dit vertrek, Willy?"
Ik schudde het hoofd; maar de detective gaf geen kamp.
"Żie eens naar het brandhout, dat — in afwachting van meer wintersche dagen — in de schouw is opgestapeld. Denk eraan, dat Kobus hier gehuisd heeft. Denk aan..."
"... de keuken in het huis op de Veluwe!" — riep ik uit, terwijl ik van den stoel, waarop ik plaats genomen had, overeind sprong. "Dáár lag het hout evenzoo opgestapeld: laag, maar wijd uitgespreid! En daar diende het..."
"... om een luik te bedekken; juist, Willy! Laten wij eens zien, of ook hier iets te bedekken viel!"
In een oogwenk was de stapel hout opgeruimd. De vloer in de schouw bestond uit groote, platte steenen
*"Weet je dan alles?"* en vier daarvan lagen los; zonder veel moeite konden wij ze eruit lichten en het bleek, dat daaronder een vrij groote open ruimte lag, waarin een mensch zich bèst kon schuil houden. G. G. daalde erin af en zeide, naar boven toe sprekend:
"Blijkbaar het begin van een ondergrondsche gang! Maar zij is geheel afgesloten door puin, zand en aarde. lets aardigs voor U, om eens te onderzoeken, Mr. Berecamp! In elk geval is de strooper hier in dit gat verborgen geweest. Terwijl Mr. Hamel, de jacht-opzichter, bezig was den omtrek te doorzoeken, konden de platte steenen weer op hun plaats gelegd en het hout er snel bovenop gestapeld worden. Daarvoor heeft Kobus natuurlijk gezorgd en eerst daarna zal hij Mr. Hamel verzocht hebben binnen te komen. Wanneer..."
De detective hield plotseling op en bukte zich.
Hij reikte ons een gewoon sigarenkistje toe, dat in een hoek van het gat gestaan had. Het bevatte... een dikken bundel bankbiljetten van vijf-en-twintig gulden.
"Van den roofmoord op de Veluwe, natuurlijk!" zeide hij lakoniek.
"Mensch!" — barstte de "brombeer" plotseling los. "Weet je dan àlles? Hoe, in Godsnaam, ben je hier nu weer achtergekomen?"
G. G. klouterde uit het gat naar boven en sloeg zich lachend het stof van de kleêren.
"Die vondst is voor mij een verrassing, evenals voor u" — zeide hij. "Maar dât de heeren hun buit aldus verborgen, is héél verklaarbaar."
* * *
Het tweede "experiment" vond plaats in het politiebureau te X. Het was de confrontatie van Kobus met Arie. Bij die gelegenheid verschenen G. G. en ik in onze ware gedaanten, tot verwondering en schrik van de beide betrapte booswichten.
Zij overstelpten elkander met bittere verwijten: Kobus, omdat de ander hem tot den moord verleid en thans, op den Eikenberg, verraden zou hebben; Arie, omdat hij zijn medeplichtige voor onhandig en dom en daardoor voor de oorzaak van hun beider ongeluk aanzag.
Als twee schurken twisten, kan 'n eerlijk man veel leeren.
Uit wat wij hier vernamen en op onze vragen tehooren kregen, konden wij ons weldra een duidelijkevoorstelling maken van alles, wat zich had afgespeeld.
## HOOFDSTUK XXV DE WAARHEID.
Kobus en Bertus waren de zoons van een eerzamen tuinier te X. Kobus was twee jaar ouder dan Bertus. Toen hun vader stierf, nam Kobus — als jonge man — diens zaken over; zijn jongere broêr trad in dienst op den Eikenberg, waar toen de vader van den "brombeer" woonde.
Kobus was iemand, die van nature een royale hand had. Hij wilde "hooger op", geraakte na eenigen tijd in schulden en de bloeiende zaak, die hij geërfd had, ging te-niet door faillissement. Sinds dat oogenblik ging het langzaam maar zeker berg-àf. En naarmate het hem materiëel slechter ging, traden zijn minder goede moreele eigenschappen meer en meer op den voorgrond. Het is niet noodig, zijn zedelijk verval van jaar tot jaar te volgen. Het begon met kleine diefstallen, het eindigde met inbraak en geweldpleging. Kobus was een sluw man, die er door zijn goedmoedig uiterlijk in slaagde zelfs wantrouwende menschen om den tuin te leiden. Toch redde die sluwheid hem niet altijd voor de gevolgen van zijn misdaden. Hij werd herhaaldelijk veroordeeld tot kortere of langere gevangenisstraffen; bij politie en justitie stond hij bekend als een verstokt recidivist. Sinds lang had elke relatie tusschen hem en zijn broeder opgehouden.
Kobus was reeds ouder dan vijftig jaar, toen hij voor de zóóveelste maal voor den Rechter verschijnen moest, om zich te verantwoorden voor een brutalen inbraak, waarbij een bediende, die den inbreker overviel, gevaarlijk gewond was geworden. Ditmaal werd de straf hem zwaar toegemeten: hij kreeg vijftien jaren! Maar vóórdat zijn straftijd afgeloopen was, gelukte het hem, bij gelegenheid van een opstootje in de gevangenis, dat hij zelf had aangestookt, te ontvluchten.
Hij zwierf eenigen tijd rond, steeds vreezende door de politie opgespoord te worden. Sluw en geslepen als hij was, gelukte het hem echter op vrije voeten te blijven en X. te bereiken, waar hij een beroep wilde doen op zijn broêr om hem met 'n beetie geld te ondersteunen en over de grens te helpen. Maar Bertus had toen juist den dienst op den Eikenberg verlaten en was naar den broêr van den "brombeer" aan de Riviera getrokken.
Kobus had ook een jongere zuster, die eerst door Bertus onderhouden werd. Later echter had zij op een advertentie geschreven, waarbij een bekwame huishoudster, liefst niet te jong, bij een heer en dame gevraagd werd. Deze advertentie was geplaatst door het Russische Gezantschap ten behoeve van Prinses Kallupin, hetgeen natuurlijk naar buiten toe geheim gehouden werd. Op deze wijze kwam zij in dienst bij "Van Noort" en zijn "zuster".
Op haar besloot Kobus een beroep te doen. Te X. kostte het hem weinig moeite haar adres te weten, te komen. Hij schreef haar een brief en ontmoette haar te Epe. Zij was toen zéér lijdende, zóó zelfs, dat zij erover dacht haar betrekking eraan te geven; en, zwichtende voor den aandrang en de — toen inderdaad ernstig bedoelde — beloften van beterschap van de zijde van Kobus, beloofde zij te zullen trachten, hem de betrekking bij Van Noort te bezorgen. Dit was onvoorzichtig. maar men dient rekening te houden met de zwakheid van een zuster voor haar broêr.
Kobus was een zeer handig man. Zijn avontuurlijk en dikwijls zwervend leven had hem van alle markten thuis gemaakt; zelfs was hij een niet onbedreven kok, want hij was eenigen tijd in dienst geweest in de keuken van een groot hotel. De betrekking in het eenzame huis op de Veluwe trok hem aan: hij zou daar gelegenheid hebben, de politie uit den weg te blijven, en nam zich ernstig voor, zijn leven te beteren. Zijn jarenlang verblijf in de gevangenis had niet naar meer gesmaakt! Toen zijn zuster plotseling véél zieker werd en na korten tijd stierf, waren Van Noort en zijn zuster blij, Kobus in hun dienst te kunnen nemen. In hun ziekelijke vrees voor vervolging, zagen zij in de verwantschap met de vrouw, die hen zoovele jaren trouw gediend had, een waarborg voor hun veiligheid.
Het spreekt vanzelf, dat de zuster van Kobus tegenover Van Noort over haar broêr niet geheel had kunnen zwijgen. Zij had hem echter meer als slachtoffer dan als misdadiger voorgesteld, zoodat Van Noort den indruk kreeg, dat hij te doen had met iemand, die, tot op zekere hoogte, een lotgenoot was: iemand, die zich schuil moest houden om te ontkomen aan de lagen, die menschelijke wraakzucht hem legde.
Twee jaren had Kobus in het eenzame huis op de Veluwe doorgebracht. Hoewel het hem moeite kostte, was hij gedurende dien tijd niet van den rechten weg afgeweken. Toen ontmoette hij, bij een boodschap, die hij te Epe deed, Arie.
Arie was een bekend landlooper. Hij was vroeger een bekwaam meubelmaker geweest, maar door den drank aan lager wal geraakt. Wegens kleine diefstallen was hij herhaaldelijk veroordeeld. Ruwheid, wreedheid en koppigheid kenmerkten zijn karakter. In Kobus herkende hij den ontvluchten gevangene: hij had eenige jären geleden enkele maanden in dezelfde gevangenis doorgebracht, waar Kobus zijn straftijd uitzat, en dezen toen herhaaldelijk gezien. Door deze herkenning had hij Kobus in zijn macht!
Het was Arie, die het plan opperde, Van Noort te bestelen; toen Kobus daarvoor in den aanvang niet veel gevoelde, werd hij gedreigd met het verraden van zijn schuilplaats, wanneer hij zijn medewerking aan het plan onthield. Of liever: de uitvoering zou geheel aan Kobus worden overgelaten, maar de opbrengst zou gelijkelijk verdeeld worden, omdat... Arie de gelukkige gedachte had gehad!
Het was Kobus bekend, dat Van Noort nu en dan te Epe aangeteekende brieven in ontvangst nam. Arie dwong hem door zijn bedreigingen, den eersten den besten keer, wanneer dat weer zou voorkomen, zijn slag te slaan!
Op den namiddag, toen wij Van Noort voor het eerst aan den rand van het bosch ontmoetten, had deze te Epe zijn aangeteekenden brief in ontvangst genomen. Onze komst was voor Kobus natuurlijk een verrassing. Eerst beschouwde hij die als onaangenaam; maar later bedacht hij zich, dat — als hij alleen met zijn meester en meesteres was — de verdenking van een diefstal licht op hèm vallen zou, doch dat — wanneer ook wij in huis waren — wij kostbare getuigen van zijn onschuld zouden zijn, zoo wijzelven maar van die onschuld overtuigd waren. Voor dat laatste zou hij wel zorgen!
Hij begon dien nacht zijn werk met het afsluiten van Albert's kamer. Het was zijn plan ook onze kamer te sluiten en, na het plegen van den diefstal, zichzelven eveneens op te sluiten. Om dit alles te bewerkstelligen, nam hij zijn vakkennis te baat op het gebied van... inbreken! Een gesloten deur met een eenvoudig slot was voor dezen man niets! Bovendien: Albert, de doofstomme jongen, kon hem niet hooren! Hij peuterde aan het slot, totdat de sleutel er van binnen uitviel, opende het met een looper, raapte den sleutel op en sloot de deur daarop van buiten.
Wat onze kamer betreft, hier ging het minder gemakkelijk! Hij moest riskeeren, dat wij het vallen van den sleutel, als hij dien van buiten-af eruit werkte, hooren zouden; maar hij rekende erop, dat wij vermoeid van onze zwerftochten op dien dag — spoedig en vast slapen zouden. Het bleek hem echter, dat dit niet het geval was. Hij hoorde mij naar de deur komen en bleef onbeweeglijk wachten, totdat het in de kamer weer rustig worden zou. Maar op dit oogenblik hoorde hij een deur in de benedengang openen en sluiten, en daarop zachte voetstappen. Het was Van Noort, die boven gerucht gehoord had en op ontdekking uitging. Kobus slipte als de wind zijn eigen kamer binnen, Van Noort kwam de trap op en Kobus hoorde door de reet van zijn deur het gesprek aan tusschen onzen gastheer en mij, hetwelk ermede eindigde, dat mijne vrouw en ik door Van Noort opgesloten werden — hetgeen Kobus de moeite daarvan bespaarde!
Toen Graaf Basiloff met Van Noort het huis verlaten had (Kobus had daarop gerekend bij het beramen van zijn plannen, want Van Noort was steeds gewoon den geheimzinnigen gast een eind weegs te vergezellen), wachtte Kobus nog korten tijd en begon toen de "operatie". Op dat oogenblik had hij niet het minste vermoeden ervan, dat de daad, die hij voorhad, hem tot moord voeren zou.
Het was hem bekend, dat Van Noort gewoon was het geld, dat hij te Epe afhaalde, aan zijn zuster ter hand te stellen en dat deze het placht weg te sluiten in de lade van een tafeltje, dat op haar slaapkamer stond. Ook wist hij, dat zijn meesteres gewoonlijk zeer vast sliep. Hij ging — om het kraken van de trap te vermijden — door het raam en over het schuurtie naar buiten, schoof van buiten het keukenraam op (hij had het opzettelijk niet "op de pen gedaan") en wist zich ongemerkt toegang tot haar slaapkamer te verschaffen. Het maanlicht drong door de lichte gordijnen naar binnen en het gelukte hem de lade te openen. Maar op het oogenblik, waarop hij zich gereed maakte den inhoud daarvan te onderzoeken, hoorde hij gerucht achter zich. Zich omwendende zag hij, dat de vrouw, die hij in slaap waande, opgerezen was. Zij had het dek snel afgeworpen en staarde strak in zijne richting, terwijl zij achteruit naar de deur week. Hij moest haar verhinderen te schreeuwen, tot elken prijs. Met een sprong vloog hij haar naar de keel, drukte die met krachtige hand samen en wierp haar achterover op het bed. Er is geen reden om aan te nemen, dat hij haar wilde dooden. Maar zijn hand was krachtig en de vrouw, die hij bij de keel had, zwak. Toen haar tegen-spartelen ophield en zij stil op het bed lag, kwam hij tot de ontstellende ontdekking, dat zij dood was.
Met de koelbloedigheid van een geboren misdadiger herstelde hij zich spoedig en overzag onmiddellijk den toestand. Het geld vond hij niet in de lade: blijkbaar had Van Noort het — tegen zijn gewoonte — in den zak gehouden. Van Noort! — Deze was thans buiten en... mocht niet meer binnen komen: dit was de eerste eisch voor Kobus' veiligheid. Deze ging naar buiten, en, door de struiken sluipende (als hij het boschpad gevolgd had, zou hij Van Noort hebben kunnen tegenkomen!), legde hij zich in hinderlaag aan den ingang van het boschpad, op de heide. Hij had zijn zwaren knuppel meêgenomen (denzelfden, dien hij — toen wij hem des middags op het boschpad ontmoetten — met zijn bundeltje over den schouder droeg) en, toen Van Noort kort daarop naar het huis terugging, sloop hij hem achterop en sloeg hem neêr! "La bête humaine" was in dezen man wakker geworden!
Hij doorzocht de zakken van zijn slachtoffer en vond daarin, behalve het pakje bankbiljetten, dat hij zocht, ook den sleutel van onze kamer! Nadat hij het lichaam in het bosch gedragen en in het kreupelhout verborgen had, keerde hij naar huis terug, wierp het lijk der vermoorde vrouw in den kelder onder de keuken, en liet alle drie de sleutels (van de kamers op de bovengang) bij het lichaam achter. Zijn eigen kamer had hij reeds van binnen-af gesloten en wilde die weer bereiken over het schuurtje en door het raam. Bij het sluiten van het kelderluik viel dit hem uit de handen en smakte dicht met een doffen slag, dien ik boven gehoord had. Daarna haalde hij hout uit het schuurtje om het kelderluik geheel te kunnen bedekken. Onder weg wierp hij den looper, dien hij gebruikt had, in den put en liet daarbij de houtblokjes vallen: G. G. was dit laatste, al deduceerende en combineerende, te weten gekomen, alsof hij het had bijgewoond!
Nadat hij aldus — vooral door de manoeuvre met de sleutels, welke G. G. weinig minder dan geniaal noemde — de zaken zóódanig had voorbereid, dat wij allen op een dwaalspoor zouden gebracht worden, besloot hij naar zijn kamer terug te gaan. Vóórdat hij langs de regenpijp naar boven klauterde, telde hij beneden in den tuin het geld na en — op zijn kamer aangekomen — deed hij dat nog eens, bij het venster, om beter te kunnen zien. Des ochtends kwam hij tot de ontdekking, dat er een klein stuk van de enveloppe, waarin de biljetten gesloten waren, was afgescheurd. Hij herinnerde zich, dat het er los bijgehangen had, toen hij het in den zak stak.
Wij weten nu, dat hij dit stukje — zonder het te bemerken — op zijn kamer er åfgescheurd moet hebben en dat het uit het geopende venster op het schuurtje viel, waar het (vermoedelijk door den wind) tusschen de regenpijp en den dakrand van het schuurtje beklemd raakte. Maar Kobus dacht, dat hij het beneden in den tuin verloren had, toen hij dáár het geld natelde. Vandaar zijn zoeken, den volgenden ochtend, op het pad achter het huis!
G. G.'s spoedige ontdekking van het lijk der vermoorde vrouw was een streep door de rekening van Kobus. Als een bewijs van zijn zeldzame geslepenheid moge dienen, dat hij, in plaats van dadelijk zijn heil in de vlucht te zoeken (zooals een onnadenkend man zou gedaan hebben), rustig bleef waar hij was, en eerst den volgenden dag "de wijde wereld introk", zooals hij het toen — als trouw en bedroefd dienaar poseerende — tegenover ons uitdrukte.
Kort na zijn vertrek kwam Arie, met de voor hem karakteristieke onvoorzichtigheid, poolshoogte nemen. Hij was den vorigen dag dronken geweest en had eerst pas van den moord gehoord. Wat er bij zijn bezoek aan het huis op de Veluwe gebeurde, is den lezer bekend.
Wanneer Kobus gedurfd had, zou hij zich met het geld uit de voeten hebben gemaakt; hij had daartoe den moed niet, omdat hij vreesde, dat Arie hem verraden en de politie op zijn spoor zetten zou. Daarom zocht hij hem op en die beiden ontwierpen weldra een nieuw plan om 'n goeden slag te slaan. Kobus, met bloedschuld belast, had alle vroegere goede voornemens aan kant gezet.
Kobus, die sinds hij de laatste maal te X geweest was, niets van zijn broêr Bertus gehoord had, onderstelde dat deze lang op den Eikenberg teruggekeerd zou zijn. In gezelschap van Arie, die zich onafscheidelijk aan zijn schreden hechtte, reisde hij nog dienzelfden dag naar X, zonder door de politie (die inmiddels door G. G. gewaarschuwd was) opgemerkt te worden: men zocht hem nog in Gelderland en zijn snel vertrek schonk hem een betrekkelijke veiligheid. Te X hield hij zich schuil. Arie echter ging erop uit en het kostte dezen weinig moeite te weten te komen, dat Bertus, als bediende van den broêr van De Berecamp, enkele dagen van te voren van de Riviera naar Indië vertrokken was. Bertus was te X altijd een populaire figuur geweest en de tijding, dat de oude man een zoo verre reis ondernomen had, had daar onder de "kleine luiden" eenige sensatie veroorzaakt.
Het was opnieuw Arie, die in verband daarmede het plan ontwierp, dat Kobus en hemzelven naar den Eikenberg bracht. De gelijkenis tusschen de beide broêrs was altijd groot geweest, hoewel niet van dien aard, dat men den een voor den ander zou gehouden hebben. Maar de kunst kon hier een handje medehelpen. Den eersten den besten nacht verschaften Kobus en Arie zich toegang tot de tuinmanswoning. Daar vonden zij, zooals zij gehoopt hadden, een, uit den laatsten tijd vóór zijn vertrek stammend, portret van Bertus, waarnaar later Kobus zich, bij zijne vermomming, richten kon. En zij deden nôg een ontdekking.
De woning had lang leêg gestaan en was slecht onderhouden. De steenen platen, waaruit de vloer van de schouw bestond, waren — zooals dat in verwaarloosde woningen meer gebeurt — in hare voegen los geraakt. Eén ervan was wat verzakt en dit trok de aandacht der beide indringers. Op die wijze ontdekten zij de holte daaronder, die hun een geschikte gelegenheid bood om het gestolen bankpapier veilig op te bergen. Dit gaf aanleiding tot den eersten hoog-loopenden twist tusschen hen beiden, omdat Arie — met domme koppigheid — er eenige biljetten voor zichzelven afnam. De sluwe Kobus, die daarin een gevaar zag, verzette zich daartegen. Maar Arie — ruw en minder bevreesd — lachte hem uit om zijn overdreven voorzichtigheid en werd zoodoende oorzaak, dat G. G. de eerste aanwijzing kreeg, die dezen naar X. bracht.
Arie's plan was zeer eenvoudig: Kobus zou de rol van Bertus spelen, diens oude plaats op den Eikenberg innemen en dan — op de een of andere wijze Arie in de gelegenheid stellen, de inrichting van het huis grondig te leeren kennen. Als Arie dan nauwkeurig wist, waar het zilveren tafelgerij en andere kostbaarheden (misschien ook geld) geborgen waren, zou deze zich op een nacht laten insluiten om zijn slag te slaan. Hij kon daarbij alles door het venster aan Kobus dóórreiken en geen haan zou ernaar kraaien! Maar er moest spoed gemaakt worden, want men mocht niet riskeeren, dat er bericht van Bertus of van den broêr van De Berecamp kwam, waaruit blijken zou, dat de oude tuinman inderdaad naar Indië was vertrokken. Het geheele plan berustte immers op de mogelijkheid, dat De Berecamp het tegendeel zou aannemen.
Dit laatste nu gelukte boven verwachting. Kobus, als Bertus vermomd, deed een aandoenlijk verhaal, hoe het besluit om te vertrekken hem op het allerlaatste oogenblik te machtig was geworden en hij zijn tijdelijken meester alleen had laten gaan. Hij hing te veel aan den Eikenberg en de familie van De Berecamp: daar in Indië zou hij zeker heimwee gekregen hebben! En nu was hij teruggekomen, om zijn oude plaats weêr in te nemen. De Berecamp, die altijd goedhartig en nooit 'n scherp opmerker geweest was, liep zonder eenig kwaad vermoeden in de val. Hoe Kobus, profiteerende van de omstandigheid, dat er oude meubels hersteld moesten worden. Arie in huis smokkelde, weet de lezer reeds.
Deze "gentleman" — zooals G. G. hem steeds noemde — gebruikte zijn tijd op den Eikenberg goed. Binnen enkele dagen wist hij wat hij weten wilde, en de groote slag zou geslagen worden in den nacht, volgende op dien, waarin het onverwachte ingrijpen van G. G. aan alle heerlijkheid een einde maakte.
Arie behoorde tot die naturen, welke de detective met den naam van "irrepressable"12) bestempelt. Hij nam het goede, waar hij het vond, zonder te bedenken, wat hij daarmede in de waagschaal stelde. De verleiding om te stroopen in het wildrijke park weêrstond hij niet: op de Veluwe was hij een brutaal en stoutmoedig strooper geweest. En ook versmaadde hij een kleine diefstal geenszins, in afwachting van "den grooten slag": men denke aan de geschiedenis met den armband.
*12) Niet te onderdrukken.*
Deze onvoorzichtigheden gaven herhaaldelijk aanleiding tot botsingen met Kobus, die van nature veel behoedzamer en daarom, in den grond, veel gevaarlijker was. Van één van die botsingen waren De Berecamp en ik getuigen geweest. De verhouding tusschen hen beiden was er trouwens slechter en slechter op geworden. Kobus gevoelde Arie's tegenwoordigheid als een voortdurende bedreiging zijner eigen veiligheid. Arie zag in Kobus een medeplichtige, wiens medewerking hij alleen uit noodzakelijkheid aanvaarden moest, maar die voor hem de treurige beteekenis had van een deelhebber aan den buit, die anders niet verdeeld had behoeven te worden.
Zoo viel het zaad van de tweedracht, dat G. G. op listige wijze, na hunne arrestatie, in het gemoed der beide misdadigers strooide, op een vruchtbaren bodem en brachten zij, ieder met vele scheldwoorden aan het adres van den ander, óver-en-weêr hunne zonden aan het licht.
* * *
Dat wij, niettegenstaande zijne gewoonte om weg te loopen, zoodra men hem grooten lof toezwaait, gelegenheid vonden om den detective aan zijn verstand te brengen, wat wij van zijn buitengewone prestatie in deze zaak dachten, behoef ik zeker niet te zeggen.
Toen wij, na de confrontatie der beide misdadigers, even alleen waren, onderbrak G. G. mijn hernieuwden lofzang met een ongeduldig gebaar.
"Willy!" — zeide hij. "Begrijp je nog zóó weinig van mijn beroep, dat je niet inziet, welk een onvergeeflijke fout ik gemaakt heb?"
Ik keek hem zóó verbaasd aan, dat hij begon te lachen.
"Toen wij Kobus op het boschpad tegenkwamen op zijn tocht , de wijde wereld in', had ik hem niet moeten laten vertrekken."
"Waarôm niet? Je kon toen nog niet het minste vermoeden van de waarheid hebben!"
"Zou je dat denken?" — vroeg G. G., met iets hoonends in zijn stem — een hoon, dien hij ditmaal zeker meer voor zichzelven dan voor mij bestemde! —,De man ging weg, zonder om zijn loon gevraagd te hebben. Basiloff en jij gaven hem aardig wat meê, maar daarop had hij niet kunnen rekenen. Heb je ooit gehoord, dat iemand van zijn stand de wijde wereld in trekt, zonder geld op zak?"
"Hij had iets kunnen óverleggen" — zeide ik.
"En liet verdiend geld in den steek? Onzin, Willy! Je vergoelijkt mijn fout, maar tegenover mijzelven moet ik eerlijk zijn."
"De Meester is nooit tevreden, ook al prijzen anderen zijn meesterstuk" — zeide ik, hem de hand toestekend. En ik meende oprecht wat ik zeide!
## BESLUIT.
Het ligt den lezer ongetwijfeld nog versch in het geheugen, welk een groote sensatie het proces tegen de door G. G.'s voortvarendheid zoo spoedig opgespoorde misdadigers maakte. Beiden werden tot jaren lange gevangenisstraf veroordeeld, die op hun leeftijd vrijwel gelijk stond met levenslange opsluiting.
Bij het proces kwam aan het licht, welke rol Graaf Basiloff gespeeld had bij het verheimelijken van de identiteit zijner zuster en van den pseudo-Van Noort. Hoewel, in den grond genomen, de vervalsching van hunne papieren door het Russische Gezantschap zonder eenige kwade bedoeling geschied was en de toenmalige Gezant reeds lang naar elders was overgeplaatst, was hier toch jets geschied, dat men als een schending der diplomatieke goede trouw moest beschouwen. De positie van Graaf Basiloff in Den Haag was daardoor onmogelijk geworden. Na korten tijd vertrok hij, met zijn neef, naar Zuid-Amerika, waar hij tot de diplomatieke vertegenwoordiging van zijn land bij een der Spaansch-Amerikaansche Republieken geroepen werd.
De gedachte, dat de Russische revolutionairen, die de moeder zoo wreed vervolgd hadden, ook op den ongelukkigen zoon hun wraak zouden koelen, liet den Graaf ook in Zuid-Amerika niet los. Hoewel G. G. dit overdreven achtte, voldeed hij aan het verzoek van Basiloff om er zoo min mogelijk ruchtbaarheid aan te geven, dat Albert met dezen mede was gegaan. Vandaar dat de detective mij tot dusverre niet heeft toegestaan, het hier thans verhaalde in mijn boeken mede te deelen. Dat dit verbod thans opgeheven is, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid, dat de arme, doof-stomme knaap onlangs ten gevolge van een acute longontsteking overleden is. De reden voor zoo strikte geheimhouding is daardoor vervallen.
Met Basiloff zelven correspondeeren wij nog nu en dan op de meest vriendschappelijke wijze.
De vriendschappelijke verhouding tot De Berecamp en zijne familie hebben wij niet ten tweeden male laten bekoelen. Onze gemeenschappelijke avonturen hebben ons nader bijeen gebracht en gehouden.
De "brombeer" heeft — geheel in overeenstemming met zijn antiquaire neigingen — een onderzoek doen instellen naar de ondergrondsche gang, waarvan de monding in de tuinmanswoning ontdekt was. Het is gebleken, dat deze op een half-uur afstands aan den rand van een klein boerendorp uitkomt. Zij is thans geheel vrijgemaakt van aarde en puin en hier-en-daar, op wrakke plaatsen, van nieuw metselwerk voorzien. De Eikenberg is daardoor een nieuwe curiositeit rijker geworden.
Bij het vrij maken van deze gang zijn, in een nis, enkele zeer goed geconserveerde Romeinsche sierkannen gevonden. Twee daarvan, volkomen gaaf en met fraai gekleurd mozaïek ingelegd, prijken op den schoorsteenmantel van ons salon. De Berecamp heeft ze ons vereerd, als een herinnering aan ons kort, maar veel-bewogen eerste verblijf op den Eikenberg. Sedert is dat eerste verblijf door een tweede en derde gevolgd, van langer duur en heel wat rustiger dan het eerste! Mijne vrouw en Mariska waren daarbij mede van de partij. Een vierde logeer-partij staat voor den aanstaanden zomer op het programma en dan zal ook G. G. in ons gezelschap zijn.
"Er zullen dan wel weer nieuwe avonturen los komen" — beweerde Maud, toen G. G., bij zijn laatste bezoek in Holland, zijn komst toezegde.
Mijn vriend keek haar met een ontsteld gezicht aan.
"Gunt U mij dan nooit vacantie?" — vroeg hij op bijna wanhopigen toon. "Ik zou al een heel slecht detective zijn, als ik mijn spoor niet wist te verbergen."
"Dat bedoel ik niet!" — antwoordde Maud. "Ik vrees alleen maar, dat er weer het een of ander gebeuren zal, dat U op het spoor brengt van anderen, ten koste van Uw wel verdiende vacantie-rust."
"Aan zijn noodlot ontkomt niemand!" — zeide G. G.
## EINDE.