# Het Spook van Vöröshegy DOOR IVANS Uit het leven van Geoffrey Gill, Detective ## INHOUD. - [Het Spook van Vöröshegy](#het-spook-van-vöröshegy) - [INHOUD.](#inhoud) - [EEN BRIEF AAN DEN SCHRIJVER DER G.G.-REEKS. Waarde Ivans!](#een-brief-aan-den-schrijver-der-gg-reeks-waarde-ivans) - [INLEIDING DOOR Mr. WILLEM HENDRIKS.](#inleiding-door-mr-willem-hendriks) - [Hoofdstuk 1. IN DEN REGEN.](#hoofdstuk-1-in-den-regen) - [HOOFDSTUK II. IN HET MAANLICHT.](#hoofdstuk-ii-in-het-maanlicht) - [HOOFDSTUK III. MAJOOR CURTIS UIT BENGALEN.](#hoofdstuk-iii-majoor-curtis-uit-bengalen) - [HOOFDSTUK IV. HET SPOOK VAN VÖRÖSHEGY.](#hoofdstuk-iv-het-spook-van-vöröshegy) - [HOOFDSTUK V. G. G.](#hoofdstuk-v-g-g) - [HOOFDSTUK VI. EEN NACHTELIJKE ONTMOETING.](#hoofdstuk-vi-een-nachtelijke-ontmoeting) - [HOOFDSTUK VII. HET FEEST VAN DEN WIJNOOGST.](#hoofdstuk-vii--het-feest-van-den-wijnoogst) - [HOOFDSTUK VIII. SCHAAKMAT.](#hoofdstuk-viii-schaakmat) - [HOOFDSTUK IX. DE TWEEDE NEDERLAAG.](#hoofdstuk-ix-de-tweede-nederlaag) - [HOOFDSTUK X. HET VERLEDEN HERLEEFT.](#hoofdstuk-x-het-verleden-herleeft) - [HOOFDSTUK XI. EEN HELPER IN DEN NOOD.](#hoofdstuk-xi-een-helper-in-den-nood) - [HOOFDSTUK XII. DE HOUDING VAN BÉLA KELLER.](#hoofdstuk-xii-de-houding-van-béla-keller) - [HOOFDSTUK XIII. PUNT 6 VAN DEN CATALOGUS.](#hoofdstuk-xiii-punt-6-van-den-catalogus) - [HOOFDSTUK XIV. DES NACHTS IN KISFALVA.](#hoofdstuk-xiv-des-nachts-in-kisfalva) - [HOOFDSTUK XV.DE HOUDING VAN IMRE DEN CZIGANY.](#hoofdstuk-xvde-houding-van-imre-den-czigany) - [HOOFDSTUK XVI. OFFICIEELE MENSCHEN.](#hoofdstuk-xvi-officieele-menschen) - [HOOFDSTUK XVII. OP PAROOL.](#hoofdstuk-xvii-op-parool) - [HOOFDSTUK XVIII. EEN NIEUW PUNT VOOR DEN CATALOGUS.](#hoofdstuk-xviii-een-nieuw-punt-voor-den-catalogus) - [HOOFDSTUK XIX. GEDAANTE-VERWISSELING.](#hoofdstuk-xix-gedaante-verwisseling) - [HOOFDSTUK XX. HET ANDERE EINDE VAN DEN DRAAD.](#hoofdstuk-xx-het-andere-einde-van-den-draad) - [HOOFDSTUK XXI. MAUD IS NIEUWSGIERIG.](#hoofdstuk-xxi-maud-is-nieuwsgierig) - [HOOFDSTUK XXII. HOFLUCHT.](#hoofdstuk-xxii-hoflucht) - [HOOFDSTUK XXIII. HET HUIS IN DE "MÜLLER"-STRAAT.](#hoofdstuk-xxiii-het-huis-in-de-müller-straat) - [HOOFDSTUK XXIV.](#hoofdstuk-xxiv) - [DE CZIGÁNY EN DE SECRETARIS.](#de-czigány-en-de-secretaris) - [HOOFDSTUK XXV. STORM OP VÖRÖSHEGY.](#hoofdstuk-xxv-storm-op-vöröshegy) - [HOOFDSTUK XXVI. GEESTEN UIT HET VERLEDEN.](#hoofdstuk-xxvi-geesten-uit-het-verleden) - [HOOFDSTUK XXVII. EEN FAMILIE-TREURSPEL.](#hoofdstuk-xxvii-een-familie-treurspel) - [HOOFDSTUK XXVIII. HET AFSCHEID VAN IMRE DEN CZIGANY.](#hoofdstuk-xxviii-het-afscheid-van-imre-den-czigany) - [HOOFDSTUK XXIX. ZWERVERS.](#hoofdstuk-xxix-zwervers) - [HOOFDSTUK XXX. DE WEG NAAR DE HEL.](#hoofdstuk-xxx-de-weg-naar-de-hel) - [HOOFDSTUK XXXI. IN SLAVERNIJ.](#hoofdstuk-xxxi-in-slavernij) - [BESLUIT.](#besluit) ## EEN BRIEF AAN DEN SCHRIJVER DER G.G.-REEKS. Waarde Ivans! Dus kondigt ge uw "Spook van Vöröshegy" als het tweede aan uit uwe G.G.-reeks. Een serie?... ge hebt dus omvangrijke plannen! G.G. leerde ik kennen in uw eersteling "De Man uit Frankrijk"; en behalve uw detective-figuur van G.G., had ik eveneens het voorrecht, kennis te mogen maken met den verhollandschten Dr. Watson, in de persoonlijkheid getransformeerd van den spitsvondigen en allerminst bangelijken Nederlandschen rechtsgeleerde Mr. Hendriks. Het was me een waarachtig genoegen, dit tweetal, na hun eerste crimineele avontuur, afgespeeld in de wereld van Engelsche lords en pseudo-lords, terug te vinden, ditmaal in het hun al evengoed passend milieu van Hongaarsche magnaten en . . . zigeuners. Doch het meeste genoegen deed me, uzelf weer te mogen ontmoeten, Mr. Ivans! Want, rond-uit gezegd, ge hebt me den smaak naar méér bezorgd bij uw stevig op stapel gezette detectiven-reeks der G.G.'s! Ligt niet reeds uw derde, "De Medeplichtigen", ter perse? En immers zit al een vierde, "De man op den achtergrond", in uw pen! En wellicht woelt de intrige van nummer vijf reeds door uw brein? Hoever gaat uwe G.G.-serie van detectivenromans wel reiken? Voor mijn part vullen ze langzamerhand en in de toekomst een afzonderlijke plank in mijn boekenkast. Ik ruim ze met genoegen hun plaats in. Ik denk ze te rangschikken in het hoekje, waar reeds Edgar Poe, A. K. Green, Conan Doyle, O'Henry en nog anderen van dit sensationeele slag buitenlandsche schrijvers prijken. Daar behoort ge rechtens bij. Ge zult tusschen hen uw plaats waardig innemen. Men beweert liefst: "'t Zijn maar detectivenromannetjes!"...\nik weet 't wel. Maar er zijn detectiven-romans en... detectivenromans! De goede soort — ik kom er maar rondweg voor uit! — mag ik deksels graag. Ik ben een avond zoet te houden met Doyle's "Hound of the Baskervilles", met Poe's "The crimes of the Rue Morgue", met Green's "The Leavensworth case", met O'Henry's Mexikaansche "short stories", met "Les aventures de l'inspecteur X", etc. Is dit alles literatuur, of is het geen literatuur? Ik weet het niet precies te onderscheiden; 't kan me eigenlijk ook niet schelen; en 't komt er bovendien niet erg op aan. Ik zoek in de goede soort dezer sensationeele romans en no vellen naar vernuft, spanning, een handig hersenspel en tegenspel, door een pakkenden opbouw, onverwachte wendingen en een verrassende ontknooping. Vind ik die, – welnu, dan heb ik geen schade geleden aan mijn ziel. Al deze eigenschappen van de beste detectivenroman-soort, hebt ge blijkbaar onbeperkt tot uwe beschikking. En hoe weet ge er mee te woekeren! Bovendien zijt ge, evenals de gebroeders Williamson, een bereisd en ontwikkeld man, en het is een uwer vele verdiensten, die ge uwe verhalen laat spelen in omgevingen, waarvan ge telkens het exotische karakter zoo levendig weet te typeeren. Ook laat ge, naar het illuster voorbeeld van den onovertreflijken grootmeester Sherlock Holmes, uw geboefte aanvankelijk alle kans, hun schavuiterijen naar hartelust bot te vieren, tot... de wrekende gerechtigheid, in de persoon van uw G.G.-creatie, hun de baas blijkt te zijn. Zoo behoort het te wezen. Ook in dit opzicht valt er volstrekt geen aanmerking te maken op uwe aldus ondernomen crimineele reeks. Moet ik u, na dit alles, nog mijn oordeel zeggen, vriend Ivans? Gij zijt een te scherpzinnig opmerker, om niet reeds te weten, wat ik van uw werk denk. En de rest komt er weinig op aan, nietwaar? Op één punt evenwel hebt ge een kardinale fout gemaakt. Ge hebt u willen verbergen achter een pseudoniem, dat ons ietwat Russisch in de ooren moest klinken. Ik heb u echter ontdekt! Ik heb óók mijn vernuft gescherpt, mijn slimheid opgeschroefd, mijn speurzin geweld aangedaan... Ik weet wie ge zijt, Ivans! En ik vind het maar wat een vondst mijnerzijds, dat ik deze gewilde geheimzinnigheid u, vruchtbaar en scherpzinnig detectivenromancier — gelijk ge bezig zijt u in onze Nederlandsche schrijverswereld te ontpoppen — heb afgesnoept! Neem u in acht, Mr. Ivans! Bij uw eerste volledige dozijn der G.G.-serie ontmasker ik u op mijn beurt voor het aangezicht uwer aandachtige en trouwe lezers! >>>> Gaarne, JAN FEITH. November 1917. ## INLEIDING DOOR Mr. WILLEM HENDRIKS. De gebeurtenissen, die ik in de volgende bladzijden mededeel, vonden plaats vier jaren na mijn huwelijk met Lady Maud, jongste dochter van Lord Stockton, Peer van Engeland. Hoe een eenvoudige Hollandsche advocaat tot een dergelijk zeker ongewoon huwelijk kwam, heb ik bij een vroegere gelegenheid verteld.*) Hoewel het fortuin van mijn vrouw mij in staat zou hebben gesteld te, rentenieren", zooals men dat in Holland uitdrukt, had ik, na mijn terugkomst uit Engeland, mijn advocaten-practijk weer opgevat en had veel te doen gekregen, omdat ik als specialiteit gold voor zaken, die Hollanders in Engeland te behandelen hadden of Engelschen in Holland. Mijn speciale studie van het Engelsche recht (waarvoor ik eenige jaren in Engeland geweest was) had mij in staat gesteld een dergelijke practijk met succes uit te oefenen. Mijn vrouw en ik waren echter gewoon elk jaar een deel van den "season" in Londen door te brengen; in den jachttijd gingen we dikwijls uit logeeren bij vrienden of verwanten der Stocktons om patrijzen en fazanten te schieten, en in het najaar maakten we meestal een reis naar Spanje of Italië. *) Zie: "De Man uit Frankrijk", No. 1 der G.G., serie. Het was dan ongeveer vier jaren na mijn huwelijk, op den eersten October, dat ik, des avonds met mijn vrouw over de Piazza San Marco te Venetië slenterende, op den schouder getikt werd. Mij omwendende, stond ik tegenover een langen, slanken man met zwarte snor en wat weemoedige oogen. Ik herkende hem onmiddellijk: het was Graaf Csadányi, dien ik te Londen gekend had, toen hij daar attaché was bij het Oostenrijksch-Hongaarsche Gezantschap. Eenige maanden geleden had ik uit de couranten gezien, dat hij naar zijn vaderland was teruggekeerd, dat hij daar zitting genomen had in het Magnaten-huis en een zekere rol in de stormachtige Hongaarsche politiek speelde. Ook herinnerde ik mij dat, even vóór zijn vertrek naar Hongarije, zijn huwelijk nog al sensatie had gemaakt. Hij was namelijk te Londen getrouwd met een Rumeensche Prinses, die daar toen ook woonde en een grooten staat voerde. Prinses Irma Morescu had velen mannen het hoofd op hol gebracht en Graaf Aladár Csadányi werd door menigeen benijd, toen hij de uitverkorene bleek te zijn. Ik had haar nooit gezien (toen ik uit Londen vertrok, woonde zij daar nog niet), maar wist dat zij zeer mooi en zeer rijk was, de weduwe van een ouden Rumeenschen Prins, dien zij als 18-jarig meisje had moeten trouwen, daartoe gedwongen door haar "doorluchtige" familie. Haar man was na enkele jaren gestorven en daarop had zij eenigen tijd door Europa gereisd, tot zij zich te Londen vestigde, waar zij in de aristocratische kringen der hoofdstad een leidende rol speelde. Zooals ik reeds zeide, had ik Graaf Csadányi te Londen gekend en ook voor mijne vrouw was hij geen onbekende. Onze ontmoeting was dan ook zeer hartelijk. Wij namen plaats aan een der tafeltjes op de Piazza en waren spoedig in druk gesprek gewikkeld. Zooals de meeste Hongaren in het buitenland sprak hij het liefst Fransch en ons gesprek werd in die taal gevoerd. Sprekende over zijn land en de eigenaardige gebruiken van zijn landgenooten, vertelde hij ons, dat hij tegen het midden van de maand zijn oud familie-slot Vöröshegy in Noord-Hongarije bezoeken zou. De traditie wilde, dat het hoofd van zijn geslacht — en dat was hij, sinds den dood van zijn vader enkele maanden geleden — tegen het feest van den Wijnoogst eenigen tijd op het familie-slot doorbracht. Vöröshegy (= "roode berg") lag in de Noord-Hongaarsche bergen, niet ver van Zsolna. Levendig en met groot enthousiasme beschreef hij ons het oude, gedeeltelijk in ruïnen liggende slot, waaraan voor hem en zijn geslacht zoovele herinneringen en overleveringen verbonden waren. Ten slotte noodigde hij ons uit, hem en zijne vrouw, die hij te Budapest zou afhalen, tegen het midden van de maand op Vöröshegy te bezoeken, teneinde daar het feest van den Wijnoogst mede te maken. Wij namen afscheid met de vaste belofte, dat wij op den avond van 15 October op het slot zouden arriveeren. En zoo kwam het, dat wij — na een zeer aangenaam verblijf in de Hongaarsche Hoofdstad — in den ochtend van den 15den met de "Westbahn" Budapest verlieten, met bestemming naar Kisfalva, het kleine Hongaarsche plaatsje in de noordelijke bergen, waar men uitstijgen moet om het slot Vöröshegy te bereiken. ## Hoofdstuk 1. IN DEN REGEN. Een luid gekraak... Ons rijtuig helde sterk naar links over en bleef in de modder steken... Woedende Hongaarsche vloeken... het rijtuig bléef onbeweeglijk. Het was buiten schemer donker en de regen kletterde tegen het gesloten portier. Wij bevonden ons op een slechten, vrij steil stijgenden weg, onder de druipende boomen van een beukenbosch, halverwege tusschen Kisfalva en het slot Vöröshegy. De situatie was verre van aangenaam! Aan het station waren wij afgehaald door den slotbewaarder, een man van 'n jaar of vijftig, lang, droog en mager, met een geel gezicht en levendige bruine oogen. Hij heette Béla Keller, en stelde zich in goed Duitsch aan mijne vrouw en mij voor. Met behulp van den koetsier werd onze koffer — wij hadden maar één koffer bij ons: de rest was te Budapest achtergebleven — achter op het rijtuig gesjord, de voor- en achterkap werden opgezet en zoo zaten we met ons beiden in 'n vrij enge en wat benauwde ruimte. Eigenlijk benijdden wij Béla Keller, die naast den koetsier op den bok klom, nadat hij ons eerst had medegedeeld, dat er dien middag een telegram van Graaf Csadányi gekomen was, meldende dat hij en zijn vrouw onverwachts te Pressburg opgehouden waren en eerst den volgenden middag op Vöröshegy zouden aankomen. Keller had intusschen reeds lang zijne instructies met betrekking tot onze komst ontvangen en onze kamer was gereed. Wij hadden meer dan een uur te rijden: eerst door het dal, vervolgens, steeds stijgend, door dichte bosschen. De regen werd hoe langer hoe heviger en zonder twijfel duurde het niet lang, of Béla Keller benijdde ons. Nu was er blijkbaar aan onzen rit een einde gekomen; althans de paarden trokken, dat de voegen van ons rijtuig kraakten, maar wij zaten muurvast! Mijn vrouw en ik hadden werk ons op de naar links hellende bank overeind te houden. Het duurde niet lang, of er verscheen een in een zwaren regenjas gehulde, druipende gedaante: Béla Keller. Hij peuterde wat aan het portier, maar er scheen iets verbogen te zijn en het gelukte hem niet het open te krijgen. Ik liet dus het raampje van binnen neêr en dadelijk werd de regen door den zelfs onder de boomen nog sterken wind naar binnen gedreven. Onze indruk, dat de situatie niet aangenaam was, werd aanmerkelijk versterkt! "Het spijt mij erg, heel erg!" — zeide Keller, die eerst naar zijn hoed gegrepen had, alsof hij de "Herrschaften" blootshoofds had willen toespreken, maar wiens vrees voor den neêrstroomenden regen zijn beleefdheid toch te machtig bleek, zoodat hij de hand alleen maar aan zijn grijze snor bracht en dit óók al druipende versiersel met een snelle handbeweging opstreek — "Het spijt mij erg, heel erg! De twee linkerwielen zijn gebroken. Pista zal onmiddellijk met de paarden naar Vöröshegy rijden en met een anderen wagen terugkeeren." "En dat duurt . . .?" vroeg ik, niet zonder vreezen en beven. "Een uur." Het vooruitzicht was opwekkend! Mijn gezicht scheen de tolk van mijn gedachten te zijn, want Keller vervolgde bemoedigend: "De "Herrschaften' kunnen in het rijtuig blijven zitten: het is daar droog." "Het was hier droog" — zei ik, terwijl ik trachtte mijn vrouw en mijzelven zooveel mogelijk te beschutten tegen de door het geopende raam binnendringende regenvlagen. "Als het raam nu dicht gaat, zullen we het hier niet meer kunnen uithouden. Wij hebben te Budapest reeds voldoende van stoombaden geprofiteerd!" Béla Keller krabde zich achter het oor. Hij dacht eenige oogenblikken na en vroeg toen belangstellend: "De ,Herrschaften' zitten toch wel gemakkelijk?" "Man, zie je dan niet, dat onze bank zóó sterk helt, dat we werk hebben om niet naar buiten in de modder te glijden?" — vroeg ik ongeduldig. "'t Best lijkt me maar, dat we eruit komen. We hebben gelukkig waterdichte, loden regenjassen." Daar mijn vrouw zich met geestdrift vóór dit denkbeeld verklaarde en het portier eindelijk voor onze vereenigde krachtsinspanning zwichtte, stonden we eenige oogenblikken later onder een zwaren beukenboom, waarvan elk blad in 'n druipend gootje herschapen was. De paarden werden uitgespannen; Pista, de koetsier, besteeg het eene en, het andere bij den teugel leidende, verdween hij weldra in de vallende duisternis. Intusschen had Béla Keller de lantarens met veel moeite van het rijtuig genomen en aangestoken. Hij kwam bij ons onder den boom en zette ze, ter weêrszijde van ons, op het natte mos. Het was blijkbaar zijn doel, wat gezelligheid aan te brengen; en dat gelukte hem ook in zóóverre, dat thans onze bemodderde schoenen keurig verlicht waren. Onwillekeurig begonnen we te lachen, hetgeen aan Keller de opmerking ontlokte: "Ja men moet zijn leed met opgewektheid dragen!" Toen werd het stil en weldra was het geheel duister. Na een half uur (en een prettig half-uurtje was het niet!) hield de regen op. De boomen bleven nadruipen, maar hier en daar gluurde reeds een sterretje door het gebladerte. Wij overlegden juist of wij het andere rijtuig maar niet tegemoet zouden loopen, toen er iets verrassends gebeurde. Achter ons, uit het stikdonkere bosch, klonk plotseling de klank van een viool. Was het al zonderling, op die plaats en op dat uur dien klank te hooren, de wilde, sombere melodie, die ons uit de duisternis tegenzweefde, was zóó aangrijpend, dat wij ademloos luisterden. Het was geen gewone Hongaarsche muziek, geen van die zwaarmoedigsentimenteele wijzen, die zoo duidelijk de beteekenis doen uitkomen van de Hongaarsche spreekwijze: "Sirva örül a Magyar".*) Het was veeleer de noodkreet van een menschenziel: schrijnend treurig en hopeloos somber, nu eens opkrijschend als in onbedwingbare smart, dan weer zacht klagend als in stille berusting. - Mijne vrouw had haar hand in de mijne gelegd en ik voelde, dat zij sidderde. Over het algemeen ben ik 'n ietwat nuchter aangelegd mensch, maar ik moet bekennen, dat het mij bij deze muziek koud over den rug liep. Ik geloof niet aan voorgevoelens, maar toch begreep ik nu, wat meer impressionabele menschen daaronder verstaan: aan klanken, als wij hier hoorden, paarden zich onwillekeurig gedachten aan ongeluk en dood. *)Weenend jubelt de Hongaar". Met een dissonant, die bijna als 'n schreeuw klonk, hield de muziek plotseling op. Een oogenblik bleef het doodstil. "Heerlijk, prachtig, onvergelijkelijk!" — klonk de stem van Béla Keller naast ons. "Wat 'n kunstenaar! Wat 'n temperament! Zoo iets kan alleen maar Imre, de Czigány!" *) *) Zigeuner. "Wie is Imre, de Czigány?" — vroeg ik, door Keller's ongekunsteld, maar in zijn uitingen zeer "aardsch" enthousiasme uit den hemel (of was het de hel?) weer in een druipend bosch verplaatst. "Ja, wie is Imre, de Czigány?" - herhaalde Keller op peinzenden toon en . . . zweeg! Deze slotbewaarder was toch een zonderling heer, en hij had in zijn optreden iets, dat mij prikkelde. Op dit oogenblik hoorden wij duidelijk, dat er in het bosch geloopen werd. Rechts van ons trad daarop een gestalte op den weg. Onze lantarens, die tot dusverre door de boomstammen voor hem onzichtbaar gebleven waren, moesten dezen nachtelijken musicus nu wel opvallen. Hij bleef stilstaan en spiedde blijkbaar in onze richting. "Jó estét kivánok!" *1*) - klonk het toen droog en met een licht tintje van ironie. *1*)Ik wensch u goeden avond!" De man trad nader. Keller nam een van de lantarens op en liet het licht daarvan op zijn gezicht en gestalte vallen. Een krachtig, buigzaam lichaam, als van 'n jongen man; maar de trekken waren scherp geteekend en verrieden een leeftijd van ongeveer veertig jaar. Groote, felle, zwarte oogen, flikkerend in den glans van onze lantaren; 'n zware snor, nederhangend over de mondhoeken; kleine, gespierde handen; snelle, sierlijke bewegingen. Zóó was het beeld van den man, die uit den nacht tot ons gekomen was. Hij was gekleed in de gewone dracht der boeren uit die streek, met hooge laarzen en een schapenvacht, die hem, bij wijze van mantel, los om de leden hing. Onder het licht van Keller's lantaren bleef hij een oogenblik onbeweeglijk staan; toen nam hij met een vlugge beweging de tweede lantaren van den grond op en met een wat sarcastisch: "Szabad kérem!" * richtte hij het licht daarvan vol op mijne vrouw en mij. Dadelijk maakte hij een diepe buiging. *) Is het veroorloofd?" "De "gnädige Herrschaften' zullen mij wel willen verontschuldigen" — zeide hij, nu in het Duitsch en op geheel veranderden toon. "Ik vermoedde in het geheel niet, dat ik tegenover hooggeboren *) vreemdelingen stond. Ik ben uw onderdanigste dienaar!" *)In het Duitsch gebruiken de Hongaren dikwijls de wat overdreven woorden en beelden van hun eigen taal. En hij boog opnieuw. Eerlijk gezegd, wist ik niet goed hoe ik mij houden moest. Ook anderen zal het wel eens zoo gegaan zijn, wanneer zij — als buitenlanders — voor het eerst tegenover den Hongaarschen Czigány in zijn eigen omgeving stonden. Men weet, dat men met een zwerver of erger te doen heeft, maar wanneer zoo'n zwerver zich gedraagt met zwier en zich uitdrukt met hoofsche gemakkelijkheid wordt men — vreemd genoeg — met zijn eigen figuur wat verlegen. Om iets te zeggen, vroeg ik, of hij het geweest was, wiens viool wij zooeven gehoord hadden. "Zeker! Om u te dienen! Dat was ik" — was het antwoord. "De Czigány is onafscheidelijk van zijn viool. En als het regent en stormt is zij hem het liefst." Het was zeker mijn ingeboren nuchterheid, die mij vragen deed: "Is u dan niet bang, dat uw viool nat wordt?"... Aan een plotselinge, bruuske beweging zag ik, dat die vraag hem hinderde. Maar dadelijk daarop lachte hij. "Enkele stappen achter u in het bosch staat een vervallen hut" — zeide hij. "Daar ben ik dikwijls alleen — of neen, niet alleen, want mijn viool is bij mij. Voor regen ben ik daar beschut en mijn viool zingt zóó luid, dat men haar door de open vensters hooren kan. Nu rust zij droog, onder mijn schapenpels, en droomt van . . . dingen, die er niet zijn!" Hij lachte opnieuw. "U hebt prachtig gespeeld" — zeide plotseling mijn vrouw. "Maar droevig, innig droevig!" "Ik ben mevrouw dankbaar, dat zij de muziek van een armen Czigány prijst. Wij hebben niets anders dan onze muziek, mevrouw. En droefheid is voor ons het leven." "Het was méér dan droefheid..." — zeide mijn vrouw zacht. "U is muzikaal, mevrouw; nogmaals mijn onderdanigen dank!" — In met een nieuwe buiging deed hij eenige stappen achteruit, draaide zich toen om, en verwijderde zich met groote schreden in de richting van Kisfalva uit den nacht tot ons gekomen, in den nacht verdwenen! Béla Keller deelde ons daarop wat naders mede omtrent den man, wiens verschijning en wiens geheele optreden iets dramatisch hadden, dat mij, tegen alle regelen van het gezond verstand in, getroffen had. Imre de Czigány was sinds eenige jaren wèlbekend in de geheele streek. Nu eens alleen, dan weer in gezelschap van anderen uit het "volk der zwervers", de Zigeuners, trok hij met zijn viool van dorp tot dorp, spelende op boerenfeesten en boerenbruiloften, hetzij alleen, hetzij met een orkestje van strijkers en een cymbalspeler, hij zelf de "primás" en de ziel van het geheel. Dagen, soms maanden achtereen kon hij verdwijnen; nergens zag men hem dan, nergens hoorde men den klank van zijn wonderschoon instrument, totdat hij opeens, op de meest onwaarschijnlijke plaatsen en tijden weder temidden der landbevolking verscheen. Zoo'n typisch weder-verschijnen hadden wij zooeven medegemaakt! Hoewel hij dus iemand was, wiens spel alle mogelijke feestelijkheden in de buurt opluisterde, bleef er toch steeds een waas van sombere geheimzinnigheid over zijn persoon hangen. Met hèm schertste, dronk en lachte men niet als met andere Czigány-muzikanten. Het landvolk, als overal in Hongarije zeer vatbaar voor muzikale indrukken, hoorde instinctmatig het hooge, het geniale in zijn spel. En zijn persoon was weinig aanmoedigend voor hen, die zich op gemeenzamen voet met hem wilden stellen. Béla Keller drukte dit op eigenaardige wijze uit, door te zeggen, dat de boeren, wanneer zij, na genoten spel, op het hun voorgehouden bordje hun penningsken offerden, altijd 'n gezicht trokken, alsof ze hem daarvoor verontschuldiging vroegen. En toch was hij niets meer dan 'n zwervende straatmuzikant, zooals er in Hongarije zoo talloos vele zijn. Men vertelde elkander, dat hij ergens 'n vrouw en zelfs kinderen hebben moest. Men had hem soms, in de bosschen, met een aardig klein meisje — bruin van huid en donker van haar! — zien wandelen en spelen. Maar van dat familieleven wist men nog veel minder dan van hemzelven. En toespelingen daarop beantwoordde hij steeds met een blik uit zijn donkere oogen, die den lust tot ondervragen benam. Dit alles deelde Béla Keller ons mede. Toen hij ophield met vertellen en wij niets meer te vragen hadden, was het weêr veel beter geworden. Door de takken boven ons zagen wij een helderen sterrenhemel en de wind was gaan liggen. Het duurde toen niet lang meer, of wij vernamen in de verte het hortend rollen van een rijtuig en spoedig kwam dit uit de duisternis te voorschijn, met onzen vriend Pista op den bok. Wij namen plaats en ditmaal lieten wij de kappen neêr. Béla Keller mompelde iets van dat die gebroken kast hier maar zoolang moest blijven staan en zette zich weder naast den koetsier. Wij vervolgden onzen rit. ## HOOFDSTUK II. IN HET MAANLICHT. Een goed half uur later trad onze weg uit het bosch op een rotsachtige hoogvlakte. Aan de andere zijde daarvan, op een kilometer afstand ongeveer, rezen de wallen en torens van het oude slot, dat ons einddoel was. De maan stond thans helder aan den hemel, zoodat wij de geheele omgeving en ook de geweldige steenmassa van den voorvaderlijken zetel der graaflijke familie van Csadányi duidelijk zien konden. Vöröshegy (de roode berg) ligt op den hoogsten van een rij van heuvelen, ongeveer 400 meter boven de dalen, welke deze heuvelreeks aan weerszijden begrenzen. Het slot staat op den rand van het plateau, dat den top van den heuvel vormt. Aan de vóórzijde vallen de rotsen ongeveer 30 meter steil omlaag. De muren van het slot vormen daar als het ware de voortzetting van den rotswand. Aan den voet van dien wand beginnen de bosschen, die de helling van den heuvel aan dezen kant tot in het dal bedekken. Aan de achterzijde wordt het slot begrensd door het zachtglooiende top-plateau. Aan dien kant begint het bosch op een afstand van ongeveer een kilometer. Daar treedt de weg, dien wij gevolgd hadden, gelijktijdig uit het bosch en op het plateau. Naar links en rechts valt het plateau in een vrij sterke helling af naar de dóórgangen, die den heuvel van Vöröshegy EN scheiden van de daarnaast liggende heuvels. Deze hellingen, evenals die aan de andere zijde, zijn beplant met druivenstokken: van hier komt de beroemde wijn, die den naam "Vöröshegy" ver buiten de Hongaarsche grenzen bekend heeft gemaakt, een bekendheid, die nauwelijks overtroffen wordt door die van de Noord-Hongaarsche stad, de "wijnstad" bij uitnemendheid: Tókai. Het slot zelf is oer-oud. Men zegt, dat het in de twaalfde eeuw gebouwd werd en sommige geschiedschrijvers zijn van meening, dat het hier geweest is, dat aan Koning Béla II, als jongen, op bevel van zijn oom Kálmán, de oogen werden uitgestoken. Sinds de dertiende eeuw behoorde het aan de graaflijke familie van Csadányi, een der oudste Magnaten-geslachten. Komende van de zijde, vanwaar ons rijtuig naderde, is de rechter helft van het gebouw bewoond of althans bewoonbaar; het overige is een schilderachtige ruïne. Een oude, yervallen gracht, die het slot aan alle zijden omgeeft, behalve waar aan de voorzijde de rotsen loodrecht omlaag vallen, wordt overspannen door een gemetselde brug van nieuwer maaksel en die de oude ophaalbrug van vroeger vervangen heeft. De gracht is door stevig metselwerk afgedamd, links en rechts van het slot, aan den rand der roode rotsen. Zij werd vroeger gevuld door het water van twee wellen, die sedert verdroogd zijn, en is thans met een chaos van planten en — aan de zijde der ruïne — van steen en puin gevuld *) . *) Zie hierbij ook de schets op blz. 85. Ten slotte - om de beschrijving volledig te maken moet ik nog vermelden, dat de steile rotsen, op den top waarvan het slot gelegen is, een eigenaardige roode kleur hebben, herinnerende aan die van de Dolomieten in Zuid-Tirol. In den volksmond heet deze rotsgroep sinds eeuwen "de roode rotsen" en daaraan ontleent het slot zijn naam. Het spreekt vanzelf, dat ik alles wat ik hier mededeel, eerst later zag of vernam. Toen wij op dien avond van den 15den October het slot naderden, werd ik, naarmate wij dichterbij kwamen, steeds meer geïmponeerd door de kolossale afmetingen der ronde torens, de grillige vormen der gekartelde kanteelen en de eentonige vlakheid der geweldige muren, die naar deze zijde slechts enkele smalle vensters vertoonden, — alles beschenen door de stralen van de maan, die thans helder aan den hemel stond. Wij passeerden de slotgracht over de vrij breede brug, reden onder een lage, tunnel-achtige poort door, en bevonden ons toen op het slotplein. Rechts van ons lag de ingang van het bewoonde gedeelte, links zagen we de ruïnen van het ontruimde deel, terwijl vóór ons, dáár waar aan de vóórzijde de roode rotsen omlaag moesten vallen, smalle vensters op het plein uitzagen, waarvan sommige in het zilveren maanlicht blonken. Het rijtuig hield stil en Béla Keller klom van den bok. "Welkom op Vöröshegy! Isten hozta*)!" — zeide hij, terwijl hij het portier opende. "De genadige Heer Graaf heeft mij geschreven, dat er voor de "Herrschaften' gezorgd moest worden als voor hemzelven" — vervolgde hij, terwijl hij ons uit het rijtuig hielp. "Ik hoop, dat U tevreden zult zijn!" Wij traden in een lage, met glas afgedekte voorhal, waarin rechts een zware eikenhouten trap met zeldzaam gesneden leuning naar boven voerde. Twee livrei-bedienden en een jong Hongaarsch meisje bogen als knipmessen — de bedienden wèl te verstaan. Het meisje maakte een "révérence", blijkbaar keurig netjes ingestudeerd, en bloosde en glimlachte, toen zij door Béla Keller als zijn dochter aan ons werd voorgesteld. *) God heeft U gebracht", Hongaarsche welkomstgroet. "Mijn vrouw is lijdend en moest haar kamer houden" — zeide hij. "Anders zou zij zeker aanwezig geweest zijn." Met vele "kérem alásan"*) werden wij van jas en mantel ontdaan en binnen enkele minuten bevonden wij ons in de groote, donker-betimmerde en zeer comfortabel ingerichte kamer op de eerste verdieping, die, met daarnevens gelegen badkamer, voor ons bestemd was. Wij hadden daar het uitzicht op het slotpark en op de wijnbergen, rechts van het slot, en het eenige wat te wenschen overbleef, was een balkon, om naar buiten te treden en zoo den nu zeldzaam zachten Octobernacht beter te kunnen genieten. *) "Ik bid U onderdanig. Toen wij ons verfrischt hadden (ik kon niet nalaten op te merken, dat het ons anders aan "frischheid" niet ontbroken had dien avond, waarin mijn vrouw aanleiding vond mij voor te houden, dat ik nu te oud was om zulke flauwe grappen te verkoopen, waarin ik aanleiding vond ruzie met haar te maken, waarin wij aanleiding vonden deze ernstige zaak met een zoen bij te leggen), begaven wij ons naar beneden, waar wij opnieuw met buigingen verwelkomd werden. Behalve van muziek en wijn is Hongarije ook het land der buigingen. Hoog- of laaggeboren, jong of oud, alles buigt er en buigt er dikwijls. Zelfs het gewone "ja"knikje met het hoofd wordt dikwijls vervangen door den knik met het geheele bovenlijf, die "buiging" heet! In het vervolg zal ik van die buigingen niet meer afzonderlijk melding maken; genoeg zij het, dat men zich overal, waar het pas heeft, een buiging erbij denken kan en dikwijls ook dáár, waar het geen pas heeft. Wij vonden ons avondmaal gespreid niet in de groote eetzaal — een langwerpig, wat somber vertrek, dat wij in de lengte dóórgingen —, maar in een kleine, niet ongezellige kamer daarnaast. Nevens sterk-gekruide visch en met de Hongaarsche paprika toebereide vleeschschotels, werden ons die typische meelspijzen voorgezet, die in den aanvang wat flauw en smakeloos schijnen, maar die men te meer apprecieert, naarmate men . . . er meer van eet. Onze maaltijd werd besproeid met den beroemden, "Võröshegyer", dien wij hier natuurlijk uit de eerste hand hadden! Wij werden aan tafel bediend door de twee livreiknechts, terwijl de knappe dochter van Béla Keller (wij hadden nu ontdekt, dat ze Ilonka heette) bij het buffet stond en een wakend oog hield op die beiden. Het was ongeveer half tien, toen onze maaltijd was afgeloopen. Naar buiten ziende, bemerkten wij, dat de nacht nog altijd even mooi en helder was, zoodat de lust bij ons opkwam nog een luchtje te scheppen. Honka Keller zeide ons, dat wij een wandeling in het park op dit uur ongetwijfeld genieten zouden. Over dat park heb ik nog nauwelijks gesproken. Het ligt (uit de richting gezien, van waar wij gekomen waren) rechts aan de buitenzijde der slotgracht. Deze laatste wordt — behalve door de breede, steenen brug aan de vóórzijde — rechts van het slot overspannen door een smalle, houten brug, welke aan de eene zijde, door een blijkbaar in later dagen in het midden van den rechter zijwand aangebracht poortje, onmiddellijk in het bewoonde deel van het slot voert, terwijl zij aan de andere zijde uitkomt in het slotpark. Dit is een eenigszins wijdsche naam voor een strook grond van misschien 100 M. breedte en 400 M. lengte, die zich langs de glooijng naar omlaag uitstrekt, links (van de zooeven bedoelde houten brug komend) begrensd door de steil neêrvallende rotsen, en rechts door een vrij hoogen muur van de wijngaarden gescheiden. Dit park is met groote smaak aangelegd, maar slecht onderhouden. Machtige boomgroepen wisselen er met kleine grasvelden en leêge bloemperken, alles doorsneden door kronkelende paden, die om dezen tijd van het jaar vol dorre bladeren lagen. Links geniet men een prachtig uitzicht in het dal en op de aan de overzijde liggende heuvelen. Een sterk ijzeren hek loopt vlak langs den rand der rotsen, zoodat men zonder eenig gevaar tot vlak aan dien rand treden kan. Toen wij over de smalle brug in het park traden, was het daar, door het heldere maanlicht, bijna even licht als overdag. Wij wandelden langs de paden, leunden tegen het hek en keken neêr in het dal onder ons, dat stil en rustig in den zilveren schijn lag. Terwijl wij daar zoo stonden, klonk wederom, uit de bosschen naar omhoog, de klank van een viool, ditmaal in een zachte, lieflijke melodie, geheel in overeenstemming met onze omgeving. Het leed geen twijfel, dat Imre, de Czigány, weder in de buurt was. Wij luisterden ingespannen naar het wonder-mooie spel, totdat het in een lang aangehouden toon langzaam wegstierf. Toen hoorden wij opeens voetstappen achter ons en op hetzelfde oogenblik klonk de stem van Béla Keller: "De "gnädige Herrschaften' hebben gelijk, dat ze een luchtje zijn gaan scheppen!" Ons omdraaiende, zagen we, dat de slotbewaarder niet alleen was. Een kleine, magere vrouw met een bleek gezicht en groote, zachte oogen leunde op zijn arm. Hij stelde haar voor als zijn vrouw en wij informeerden natuurlijk naar hare gezondheid. "'t Gaat mij nu iets beter" — zei ze, met een lieve en welluidende stem. "'t Heeft me toch zoo gespeten, dat ik mijn opwachting niet bij de, Herrschaften' heb kunnen maken, maar ik werd geplaagd door mijn gewone hoofdpijn. Mijn man heeft wat met me te stellen!" — Zij zuchtte diep en keek Béla Keller aan met een treurigen blik. "Kom, kom! Dat is zoo erg niet!" — zeide Keller, en de wat ruwe toon, waarop hij sprak, deed mijn sympathie voor hem, die nu niet zoo bijster groot was, niet bepaald toenemen. "Hebt u het vioolspel zooeven gehoord?" — vervolgde hij, zich tot ons wendende. "Natuurlijk weer Imre! Hij zwerft op alle uren in de bosschen rond, maar zóó laat heb ik hem toch nog zelden in de buurt van Vöröshegy gehoord." "In elk geval is het een aardige attentie van hem" — zeide ik lachend. "Wij hebben ook ditmaal zéér van zijn concert genoten. En onze plaatsen waren véél beter dan de vorige maal!" Terwijl ik sprak klonken de tonen van de viool opnieuw, maar nu verder af. Wij luisterden allen, tot ze opeens met een ruk ophielden en de vroegere stilte weer heerschte. "Jammer!" — zeide Béla Keller. "Nu is het ook uit voor vanavond. Als Imre zoo plotseling een melodie afbreekt, komt er een zwarte bui over hem, zooals wij dat noemen. Hij is dan met geen stokken meer tot spelen te krijgen en 't is ook maar beter hem met rust te laten, want er ligt dan iets in z'n oogen, dat...nu, dat me bang zou maken met hem alleen in 't donker te zijn!" "Gelukkig dan maar, dat de maan zoo helder schijnt" — schertste ik, maar het volgende oogenblik verging mij de lust tot schertsen. De vrouw van Keller uitte plotseling een kreet, niet luid maar zoo klagend en wanhopig, dat zij mij door merg en been drong. Ik zag, dat zij wankelde en dat Keller haar met geweld moest ophouden, wilde zij niet vallen. Mijn vrouw en ik traden snel naderbij om te helpen, maar de man wenkte ons, wat driftig, terug.
De man wenkte ons terug.>
"Laat mij maar alleen begaan"— zei hij met een heesche stem. "Ik weet, hoe ik 't moet aanleggen om haar te kalmeeren." "Is zij van iets geschrokken?" — vroeg mijn vrouw. De man wenkte ons terug. "Neen..., ja... ik weet het niet!" — antwoordde Keller zenuwachtig. "Het is beter, dat U ons alleen laat." 'Intusschen was de vrouw zacht begonnen te kermen. Zij klemde zich aan Keller vast en haar oogen staarden strak naar de smalle brug, die in het slot voerde. "Ik zie haar weer, ik zie haar weer! Dáár, op de brug!" — jammerde zij en het viel mij op, dat zij in haar ontsteltenis Duitsch sprak, hetgeen bewees dat zij geen echte Magyaarsche was. "Zie jij haar niet, Béla? . . . Je moet haar toch zien . . !" Béla Keller deed iets hooren, dat verdacht veel geleek op een Hongaarschen vloek. En toen zeide hij iets in het Hongaarsch, waarvan ik alleen het woord "Emilia" begreep, blijkbaar den naam zijner vrouw. Langzamerhand kalmeerde "Laten we nu gaan, Willy!" — zeide mijn vrouw, terwijl zij mij met zacht geweld medetrok. "Je ziet toch wel, dat wij hier niet helpen kunnen en alleen maar hinderen." Met Hongaarsche galanterie trachtte Béla Keller haar het tegendeel te verzekeren, maar die verzekering kwam er zóó lauw uit, dat ik dadelijk aan den drang van mijn vrouw gehoor gaf. Was hijzelf niet begonnen met ons te verzoeken hen alleen te laten? Omkijkende zagen wij man en vrouw langzaam over de brug gaan en in het slot verdwijnen. "Willy" - zei mijn vrouw, "als ik niet 'n nuchtere Engelsche was, zou ik hier bang worden." "Maud" — antwoordde ik, "als ik geen nuchtere Hollander was, zou ik zeggen: die Bela Keller is een schurk, die zijn vrouw op de een of andere manier mishandelt." "Hoe kòm je erbij?" — hernam Maud. "Je nuchterheid mocht je verbeeldingskracht wel wat temperen! Die man z'n vrouw mishandelen? Ik zeg je, hij draagt haar op de handen! Dat ziet men toch met één oogopslag." "De opslag van mijn oog heeft me doen zien, dat ze hem aankeek, alsof ze doodelijk bang voor hem was. En hoorde je hem niet vloeken?" "Zeker! En dat ze bang was, geef ik toe. Maar niet voor hèm; zij zocht bij hem bescherming, omdat ze iets zag….." "Maar wat zag ze dan?" "Ja! Wat zag ze...?" — Wij bleven een oogenblik stil en toen zei Maud: "Kom, Willy, laten we naar binnen gaan!" Er beefde iets in haar stem. Toen we dien avond ons bed opzochten, wisten we van elkander — hoewel we er met geen woord meer over gesproken hadden —, dat we er ons nog steeds het hoofd over braken, wat Emilia Keller dien avond in het park wel gezien kon hebben! ## HOOFDSTUK III. MAJOOR CURTIS UIT BENGALEN. Den volgenden dag was het heerlijk najaarsweêr. Vóór het ontbijt, terwijl mijn vrouw nog bezig was met haar toilet, slenterde ik het park in, om in den warmen zonneschijn van het mooie uitzicht te genieten. De rijke najaarstinten der omliggende bosschen, die het maanlicht den vorigen avond slechts ten halve had doen uitkomen, gloeiden thans in volle pracht. Ik ben altijd zeer vatbaar geweest voor natuurindrukken, en, geleund over het hek op dezelfde plaats, waar wij den vorigen avond gestaan hadden, verdiepte ik mij geheel in den aanblik van het landschap aan mijn voeten. "Jó reggelt kivánok, nagyságos uram!" *) — klonk een frissche meisjesstem achter mij. Het was Ilonka Keller, die met een mand vol druiven naar het slot ging. *)Ik wensch u goeden morgen, hooggeboren Heer!" "Jó reggelt kivánok!" — antwoordde ik. "Al zoo vroeg in de weer?" "Wij zijn bezig om alles voor het feest van den Wijnoogst in gereedheid te brengen" — antwoordde zij. "Dit is al de tiende lading, die ik vanochtend naar binnen breng" vervolgde zij, op haar mand wijzende. "Wilt u eens proeven?" "Heel graag." Ik kreeg een prachtigen tros witte druiven, waarvan de smaak het uiterlijk bleek te evenaren. Ilonka zette haar mand neêr en lachte, toen zij mij met zooveel smaak aan het eten zag. "Dat kent u niet, in uw eigen land, wel?" — vroeg ze. "We kennen alleen druiven uit de broeikas" — zeide ik. "Zoo'n tros is bij ons 'n heele weelde en lang niet goedkoop!" "Hoe gek!" — meende Ilonka. "Bij ons eet de minste werkman in den goeden tijd zooveel druiven als hij wil." En, met Hongaarschen zwier, antwoordde ik: "Gelukkig land, waar de druiven zoo zoet en de meisjes zoo mooi zijn!" Ilonka lachte opnieuw en nam haar mand weer op. "Is uw moeder vandaag wat beter?" — vroeg ik. "Szegény!"*) Zij voelt zich erg ziek" — was het antwoord. "Het is zoo'n heerlijke dag, en toch vrees ik, dat zij te zwak is om haar kamer te verlaten. Gisteravond was zij héél naar!" *) De arme!" "Dat weet ik. Ik was erbij, toen zij hier in het park niet wel werd. Ik geloof, dat zij iets zag, waarvan zij schrok." Ik beken, dat deze opmerking mij door listige nieuwsgierigheid werd ingegeven. Ik hoopte Ilonka aan het praten te krijgen, maar zag mijn hoop dadelijk in rook verdwijnen. "Wat zou zij gezien hebben?" — vroeg zij (en ik meende op te merken, dat zij de onschuldige verbazing er wat te dik oplegde); en met deze vraag, die mijn vrouw en ik tot vervelens toe hadden trachten te beautwoorden, liet zij mij alleen staan en ging met snellen en veerkrachtigen tred in de richting van het slot. Toen ik kort daarop, na het ontbijt, met Maud in de eetkamer was, kwam Béla Keller met de gewone, overdreven Hongaarsche hoffelijkheid ons zijn morgengroet brengen. "Meneer de Graaf en Mevrouw de Gravin zullen vanmiddag om één uur hier zijn" — zeide hij. "Vanochtend zijn zij uit Pressburg vertrokken. Zij treffen het met het weêr beter dan de "gnädige Herrschaften" gisteren!" "Dat zal waar zijn!" - zeide ik; en toen stokte het gesprek. Ik weet niet, hoe het kwam, maar Keller's tegenwoordigheid zette altijd een domper op mijn goeden luim. Dezen morgen scheen hij mij eenigszins zenuwachtig. Ik had natuurlijk moeten bedenken dat de ziekte van zijn vrouw daarvan de oorzaak zijn kon, maar ik dacht daaraan zoo weinig, dat ik zelfs vergat naar haar toestand te vragen, hetgeen toch bepaald onbeleefd was. Gelukkig was mijn vrouw oplettender dan ik. "Uw dochter zei vanmorgen, dat uw vrouw nog niet veel beter is" — zeide zij. "Ik heb oprecht met haar te doen, en ook met u!" "Ik dank de 'gnädige Frau' voor haar belangstelling. Gelukkig is het niet erg: we zijn daaraan gewend!" — Opnieuw trof mij de onnoodige bruuskheid, waarmede hij dit zeide en die mij zoo bizonder antipathiek was. Ik had hem de kamer wel willen uitkijken! Maar Béla Keller was blijkbaar niet van plan aan mijn onuitgesproken wensch gehoor te geven. Hij scheen zijn draai niet te kunnen vinden, zooals wij dat in Holland uitdrukken. "Ik heb een verzoek aan de "Herschaften'" — zeide hij eindelijk. "U zult het misschien vreemd vinden, maar als alle omstandigheden u bekend waren, zoudt u 't begrijpen. Wilt u tegenover den Graaf en de Gravin zwijgen over wat er gisteravond in het park gebeurd is? Ik doe u dit verzoek, hoewel ik zeer goed weet, dat het mij niet past. Maar er zijn redenen, die . . ." Hij stokte en wist blijkbaar niet, hoe hij voortgaan moest. "Ik vind uw verzoek werkelijk nog al vreemd" — merkte ik op. "U begrijpt wel, dat het ons hoogst onaangenaam zijn moet, onzen gastheer en gastvrouw tegemoet te treden met het bewustzijn, dat wij hun niet vertellen mogen, wat op hun eigen slot gebeurd is." "Wat u zegt, is niet meer dan begrijpelijk" — zeide Keller. "En toch, bij alles wat heilig is, bezweer ik u . . ." "Doet u dat verzoek in het belang van uw vrouw?" - viel Maud hem plotseling in de rede. Hij keek haar een oogenblik strak aan. Toen antwoordde hij: "Ja, mevrouw, uitsluitend in haar belang. Ik kan u niet alles vertellen, maar ik zweer u, dat het de waarheid is." "Dan zullen wij over het voorval van gisteravond zwijgen" — zei Maud, tot mijn niet geringe verbazing en ergernis. "Ik dank u hartelijk, mevrouw!" — en Béla Keller liet ons alleen. "Ik begrijp niet, wat je bezielt, Maud!" — zeide ik, wat uit mijn humeur. "Als die man zijn vrouw mishandelt, is het niet meer dan onze plicht den Graaf te waarschuwen." "Beste Willy, wie zegt je toch, dat-i z'n vrouw mishandelt? Ik geloof, dat hij heel veel van haar houdt! De man heeft een groot verdriet — wij moeten hem helpen." "Vrouwenpraatjes!" — zei ik, nu werkelijk boos. "Je hebt de belofte nu eenmaal gegeven, en ik wil je niet désavoueeren. Maar ik moet zeggen, dat je minder gezond verstand hebt dan ik dacht." "Och, Willy, dit is geen kwestie van gezond verstand" — zei ze zacht; en ik schaamde me erover, dat ik zoo heftig geweest was. Men zal mij, hoop ik, niet al te nieuwsgierig vinden, wanneer ik beken, dat ik dienzelfden ochtend, toen mijn vrouw en ik Ilonka Keller wederom met een mand vol druiven in het park ontmoetten en met haar stonden te praten, in den loop van het gesprek eens trachtte te weten te komen, welk soort van vrouw de Gravin Csadányi was. Om de waarheid te zeggen, was ik zeer benieuwd, dat wonder van schoonheid en gratie te leeren kennen. En, hoewel mijn vrouw mij later de les erover las, dat ik aldus met een ondergeschikte over haar meesteres praatte, ik had naar haar gevraagd, voordat ik 't zelf wist. Mijn vragen bracht mij echter niet veel verder, want het bleek, dat dit de eerste maal was, dat de Gravin Vöröshegy bezoeken zou. Voor de Kellers was zij nog een onbekende, en Ilonka was er zeker niet minder nieuwsgierig naar dan ik zelf, hoe de nieuwe slotvrouwe er uit zou zien en hoe zij haar intrede op Vöröshegy doen zoude. Toen om kwart over één het rijtuig, dat haar en haar man van Kisfalva gebracht had, door de poort het slotplein opreed, stonden Keller en zijne dochter buiten gereed om de komenden te ontvangen. Maud en ik wachtten in de deur, die van het plein in de hal van het slot voert. Wij zagen, hoe Graaf Csadányi het eerst uitsteeg en daarop, mèt Keller, de Gravin bij het uitstappen behulpzaam was. Daarop verliet, met een veerkrachtigen sprong, nog een derde persoon het rijtuig. Toen mijn blik op dezen viel, was ik zóó verbaasd, dat ik voorloopig vergat, te zien hoe de gravin eruit zag: ik had uitsluitend oogen voor dien derden. En ik voelde, dat Maud plotseling mijn arm pakte en mij (veel te hard!) kneep met een hand, die flink knijpen kon, omdat zij gewoon was de teugels te voeren. Onze gastheer en gastvrouw traden met uitgestrekte handen op ons toe, en zeiden met eenige minzame woorden, hoezeer het hun gespeten had, dat zij niet tijdig op Vöröshegy geweest waren om ons te verwelkomen. Ik weet niet precies meer, wat wij antwoordden, want al mijn aandacht bleef gevestigd op den niet zeer grooten, ietwat grijzenden man, met de lange, grijze snor en de militaire houding, die zich, voordat hij binnentrad, even met Keller onderhield. "We hebben een groote verrassing voor U" — zeide de Gravin, "een gast, die geen vreemde voor U is. Wij hebben Majoor Curtis uit Bengalen te Pressburg leeren kennen en toen wij hoorden, dat hij een goede vriend is van U en Mevrouw, hebben wij hem verzocht ons de eer te willen aandoen, mede naar Vöröshegy te komen." "Een réunie van Engelsche en Hollandsche vrienden op Hongaarschen bodem!" — klonk de stem van den nieuwen gast. "Hoe gaat het U, m'n beste Mr. Hendriks en U, Mevrouw? Het is wel 'n bizonder groot genoegen, dat ik aan de spreekwoordelijke Magyaarsche gastvrijheid dank!" — en hij schudde ons hartelijk, maar vormelijk, de hand. Majoor Curtis uit Bengalen! Om onze stomme verbazing te verklaren, moet ik mijn verhaal even afbreken, ten einde uit te leggen, wie deze man was. Majoor Curtis uit Bengalen bestond niet! Hij was 'n gefingeerd persoon, 'n vermomming! En achter die vermomming stak niemand anders dan mijn goede, oude vriend Geoffrey Gill, de toen reeds beroemde Londensche detective. In de gebeurtenissen, die geleid hadden tot mijn huwelijk met Lady Maud, had hij een leidende rol gespeeld, die ons voor altijd tot zijn schuldenaren en trouwe vrienden gemaakt had. En in die veelbewogen tijden was hij mij, op den gedenkwaardigsten avond van mijn leven, verschenen, juist in deze vermomming: als Majoor Curtis uit Bengalen*). Al zou ik in Majoor Curtis mijn vriend Geoffrey Gill of "G. G.", zooals wij hem kortweg noemden, niet herkend hebben, Majoor Curtis zelven herkende ik dadelijk en ik wist, dat hij G. G. zijn moest. Maar ik wist nu meer. Ik begreep, dat G. G. voor zijn omgeving niet weten wilde, wie hij was, maar dat hij dit voor ons — mijn vrouw en mij — niet verborgen wilde houden. Ik begreep verder, dat wij hem aantroffen in de uitoefening van zijn beroep, en dat hij niet wenschte, dat wij aan anderen zouden mededeelen, wie en wat hij was. *) Zie: "De man uit Frankrijk", No. 1 der G. G. serie. Doch wat deed hij hier? ... Onmiddellijk viel mij een naam in; en toen mijn vrouw en ik, bij het naar binnen gaan, een oogenblik met ons beiden achter bleven, fluisterde ik haar toe, terwijl ik met de oogen op Majoor Curtis wees: "Voor Béla Keller, ik verwed er mijn hoofd onder. Zag je, dat hij met hèm het eerst gesproken heeft?" Maud haalde de schouders op. "Alweer die vreemde hallucinatie van je" — zei ze. "Ook mij is een naam ingevallen!" "Welke dan?" "Imre, de Czigány!" Toen haalde ik de schouders op. Een half uur later zaten wij aan tafel. Ik had getracht te profiteeren van de gelegenheid, dat de Graaf en de Gravin naar hunne vertrekken gegaan waren ten einde zich na de reis wat op te frisschen, door "Majoor Curtis" alleen te spreken te krijgen. Maar blijkbaar wilde hij dit vermijden; hij hield Béla Keller voortdurend naast zich, door op levendige wijze het woord tot hem te richten, en toen ik beproefde hem met de oogen een teeken te geven, ontving ik tot eenig antwoord, achter Keller's rug, een nijdig fronsen der wenkbrauwen. Ik gaf het dus voorloopig maar op. Aan tafel onderhield Majoor Curtis ons op de meest interessante wijze over zijn leven in Bengalen. Hij sprak uitmuntend Duitsch en deed spannende verhalen over zijn jachtavonturen en over een expeditie naar Afghanistan. Maud en ik, die wisten, dat dit alles pure fantasie was, wisselden nu en dan een blik en hadden moeite ons lachen te houden, wanneer wij de belangstelling der Csadányi's zagen. Maar anderzijds waren we vol bewondering voor de zeldzame verbeeldingskracht van onzen vriend en voor zijn schitterende gave om te vertellen. Eén ding was zeker: niëmand, die de waarheid niet kende, zou er ook maar een oogenblik aan gedacht hebben, dat hij tegenover een "nagemaakten" Engelschen Majoor stond. Gedurende het middagmaal had ik ruimschoots gelegenheid onze gastvrouw op te nemen. Zij was inderdaad een prachtige verschijning, groot en slank gebouwd, met die eigenaardige beweeglijkheid van heup en schouders, die men bij zuidelijke volken zoo dikwijls aantreft. Zij was een vrouw, die op het eerste gezicht imponeerde: er lag in haar geheele gestalte, in de wijze, waarop zij het hoofd droeg, in de breede en nadrukkelijke gebaren iets werkelijk koninklijks. Wat haar gelaat betreft, ik geloof niet ooit een regelmatiger gezien te hebben; in dit opzicht herinnerde het aan de beelden der Grieksche oudheid. De mond was misschien iets te groot, de kin wat te massief en het voorhoofd wat te hoog om geheel aan het ideaal der klassieke schoonheid te beantwoorden, maar daardoor verdween ook het koude, dat van volkomen regelmatige gezichten zoo dikwijls uitgaat. Er sprak een intens leven uit haar trekken, uit den klaren blik van haar groote, bijna zwarte oogen, en niet minder uit haar donkere, maar warme gelaatskleur, die zoo hemelsbreed verschilde van den geelachtigen, matten tint, dien men in Hongarije zoo dikwijls bij de vrouwen aantreft. Zware, bijna zwarte vlechten, waren in een kunstig kapsel om haar hoofd gewonden, en als eenig versiersel droeg zij daarin een grooten, fonkelenden diamant, juist in het midden boven het voorhoofd. Noch de mooi gevormde hals, noch de tot even onder de ellebogen bloote armen droegen eenig sieraad; ook zag ik aan de vingers geen ringen, behalve dan den eenvoudigen, gladden trouwring. De Gravin was spraakzaam zonder druk te zijn. Met haar wat zachte, maar toch duidelijke stem hield zij het gesprek gaande, in de tusschenruimten tusschen Majoor Curtis' wonderverhalen. Hare plichten als gastvrouw vervulde zij met waardigheid en takt. Dat zij een buitengewone vrouw was, stond vast; en tôch ... en tôch ... Ik keek Maud aan, en was dubbel tevreden met de mijne! ## HOOFDSTUK IV. HET SPOOK VAN VÖRÖSHEGY. Na het middagmaal stelde graaf Csadányi voor, onze gids te zijn bij de bezichtiging van het slot. Wij namen dit voorstel met dankbaarheid aan; en de Gravin, die — zooals we reeds van Ilonka Keller gehoord hadden — Vöröshegy voor de eerste maal bezocht, verheugde zich er natuurlijk op, het stamslot van haar echtgenoot thans te leeren kennen. De Graaf had aan Béla Keller uitdrukkelijk verboden, ons door het slot rond te voeren, omdat hij ons persoonlijk alles wilde toonen en ons ook persoonlijk wilde bekend maken met de vele overleveringen en historische herinneringen, die aan den zetel van zijn geslacht verbonden zijn. Dit was — gelijk hij het met zwierige beleefdheid uitdrukte — voor hèm een veel grooter genot dan de bezichtiging ooit voor ons zou kunnen zijn. Het is niet noodig, alles wat wij zagen te beschrijven, noch alle geschiedkundige bizonderheden mede te deelen, die Graaf Csadányi ons op de hem eigen, onderhoudende wijze vertelde. Het slot gelijkt, in het algemeen, op de oude ridderverblijven, zooals men er in Duitschland en elders zoovele vindt. Slechts viel het mij overal op, dat de afmetingen bizonder groot waren. Het in ruïnen liggende gedeelte is schilderachtig, hier en daar bepaald indrukwekkend. En de uitzichten door de afgebrokkelde vensteropeningen in het dal zijn meer dan verrukkelijk. Slechts twee vertrekken verdienen een afzonderlijke beschrijving, ook omdat zij in verband staan met de verrassende gebeurtenissen, waarvan Vöröshegy weldra het tooneel worden zou.*) De werkkamer van den Graaf lag op de eerste verdieping, juist op den hoek, waar de zijgevel van het slot den als 't ware uit de rotsen oprijzenden voorgevel ontmoet. *)Zie hierbij de schets op bladz. 85. Op dezen hoek had vroeger een zware ronde toren gestaan, waarvan intusschen het bovenste deel sinds onheuglijke tijden was ingestort en weggeruimd. Het onderste deel, thans bedekt met een plat, door een steenen balustrade omgeven dak, reikte nog tot aan de tweede verdieping. En het was in dezen toren, dat zich op de eerste verdieping de werkkamer van den Graaf bevond. Toen wij deze binnentraden, uitten wij onwillekeurig een kreet van verrassing. Wij bevonden ons in een ruim, rond vertrek. In plaats van de vroegere nauwe openingen, die niet veel meer dan spleten geweest waren, had men vijf hooge en breede vensters in den dikken binnenmuur gebroken, die - slechts door smalle penanten gescheiden het vertrek in een halven cirkel omgaven. Om te voorkómen, dat, tengevolge van de dikte van den muur, deze vensters in een diepe nis zouden komen te liggen, had men - gelijk de Graaf ons later mededeelde - dien muur van binnen weggebroken, totdat hij tot een normale dikte teruggebracht was. Dat was geen gemakkelijk werk geweest, omdat het metselwerk zóó vast gevoegd was, dat men moest oppassen niet geheele muurbrokken uit te breken, zoodat de penanten, die gespaard moesten worden, mede verdwenen zouden zijn. Daar, behalve het dak, niets meer op deze muren rustte, had het verdunningsproces overigens geen bizondere bezwaren met zich gebracht. Het resultaat was nu, dat men, de kamer binnenkomende, onmiddellijk den halven horizon overzag, waardoor men de illusie kreeg, op een balcon in de buitenlucht te treden. De schrijftafel van den Graaf stond in het midden van den halven boog der vensters. De wanden waren versierd met enkele goede gravures en vele jacht-trofeeën, waaronder een geweldig hertsgewei, dat in het midden van den gebogen wand hing tusschen twee deuren, door de eene waarvan wij binnengekomen waren. Langs een smalle wenteltrap, die in de kamer zelve uitkwam, voerde onze gids ons naar het dak, vroeger de tweede verdieping van den toren. "Wanneer ge hier in den zonneschijn staat" — zeide hij, "zoudt ge niet vermoeden, welke lugubere herinneringen er aan deze plaats verbonden zijn. Hier, op de tweede verdieping van den vroegeren toren, dus juist waar wij nu staan, zegt de overlevering, dat den knaap Béla, den lateren Koning Béla II, bijgenaamd de Blinde, de oogen werden uitgestoken." Toen wij weer in de kamer waren afgedaald, opende de Graaf de tweede deur en nu stonden wij in een aan de vóórzijde van het slot gelegen, zeker dertig meter lange zaal. Rechts zagen we een rij vensters, die op het dal uitzagen en in de penanten daartusschen stonden zware wapenrustingen uit verschillende perioden, met, in den middenpenant, het complete pantser van een strijdros, met den ridder — de helm met een rood-gelen pluim en het vizier gesloten — in den zadel. Links waren slechts enkele smalle vensters, die op het slotplein uitzagen. Aan den wand daartusschen hing een lange rij portretten van de graaflijke voorzaten der Csadányi's, en tusschen, boven en onder die portretten, in groepen en trofeeën gerangschikt, zagen wij speren, maliënkolders, dolken, strijdbijlen, knodsen en andere wapenen uit de middeleeuwen en de eerste tijden der nieuwere geschiedenis. Bij elk der portretten wist Graaf Csadányi ons iets nieuws en interessants te vertellen. Ongeveer in het midden van de rij bleef hij staan voor de beeltenis van een ridder in volle wapenrusting, met opgeslagen vizier, een donkeruitziend man met zwarten knevel en sombere oogen. Daarnaast hing het portret van een jonge vrouw, beeldschoon, maar met een lijdenden trek om de lippen. "Aan deze beide portretten is een geschiedenis verbonden, zoo mogelijk even luguber als die van Koning Béla" — zeide hij. "Die man is Graaf István Csadányi, die in het begin der zestiende eeuw leefde; naast hem ziet ge het portret van zijn vrouw. Het verhaal gaat, dat Graaf István in deze zelfde zaal, in een aanval van jalousie, zijn vrouw met een strijdbijl vermoordde. Sedert waart haar geest rond in het slot of in de onmiddellijke nabijheid daarvan. Men zegt, dat zij alleen dan gezien wordt, wanneer in de familie der Csadányi's een sterfgeval te wachten is. Ik zelf ben niet bijgeloovig, maar de boeren hier in den omtrek gelooven vast en zeker aan haar verschijnen. Ik zou haast zeggen" — voegde hij er lachend aan toe —, "dat het spook van Vöröshegy een van de populairste spoken van Hongarije is." Hier ontmoette Maud's blik den mijnen; en, zonder dat wij een enkel woord wisselden, gevoelden wij tezelfder tijd, dat wij beiden plotseling aan den vorigen avond terugdachten. Wat had Emelia Keller toen in het slotpark gezien? Een oogenblik liep het mij koud over den rug. Toen glimlachte ik en haalde onmerkbaar de schouders op. "We zijn kinderachtig" — zeide ik zacht tot mijn vrouw. "We zijn niet nuchter genoeg" — antwoordde zij en draaide den portretten den rug toe. Uit de Ridderzaal voerde een zware eikenhouten deur, bijna zonder overgang, in de ruïnes van den vervallen slotvleugel. Wij bezichtigden die met groote belangstelling en kwamen eindelijk weer op het slotplein uit. Daar trad ons Béla Keller tegemoet. "De post is juist aangekomen, genadige Heer" — zeide hij tot den Graaf; er is een brief bij aan een onbekend adres!" "Aan een onbekend adres?" — vroeg de Graaf. "Hoe bedoel je dat, Keller?" "Hier is hij!" — antwoordde Keller. "'t Is een naam, dien ik niet eens kan uitspreken." En de Graaf las: "den Heer Geoffrey Gill, slot Vöröshegy bij Kisfalva". Ik was — hoe kon het anders? — méér dan verbaasd en ik had moeite een uitroep van verrassing terug te houden. Majoor Curtis daarentegen, voor wien de verrassing nog veel grooter moest zijn, gaf daarvan geen enkel uiterlijk teeken. "Geoffrey Gill..." — herhaalde hij op peinzenden toon. "Mij dunkt, ik heb dien naam in Engeland meer gehoord. Komt U mij eens te hulp, Mr. Hendriks; ik geloof, dat mijn geheugen wat zwak wordt." Ik zweeg, want ik was nu verstomd van verbazing! "Ik herinner mij dien naam ook, uit mijn Engelschen tijd" — zei Graaf Csadányi. "Maar thuis brengen kan ik hem niet. In elk geval is het onbegrijpelijk, waarom men een brief voor dien meneer Gill naar Vöröshegy adresseert." "Ik weet niet, hoe het komt" — zeide Majoor Curtis, "maar ik hèb het gevoel, dat Mr. Hendriks er meer van weet." Het zal niemand verwonderen, dat de houding van mijn vriend mij geweldig ergerde. Blijkbaar wilde hij zijn identiteit zorgvuldig verbergen; maar waarom bracht hij mij aldus in verlegenheid? Ik voelde, dat ik boos werd. "Ik begrijp U niet" - beet ik hem toe. "Nu, nu, ik zeg toch niets, dat U zoo ergeren kan" — vervolgde Majoor Curtis met de grootste bedaardheid. "Ik wilde alleen maar zeggen, dat . . . Hé! Wat een interessante verschijning!" — viel hij zichzelven plotseling in de reden. "Hongarije is toch maar het land van de romantiek!" De richting van zijn blik volgende, zag ik, vlak in onze nabijheid, achter een lagen, afgebrokkelden muur in de ruïnen, de gestalte van Imre, den Czigány. De man maakte, toen ik hem in het oog kreeg, een zwierige buiging, zette de viool aan de kin en begon te spelen. De Gravin was intusschen naar binnen gegaan, maar de "en met een nieuwe buiging"
„en met een nieuwe buiging">
Graaf keerde zich om naar den kant, van waar de viool klonk"Welzoo! Isten hozta, Imre barátom!"*) Neen, neen, nu nog geen muziek! Van avond, als de maan schijnt, of nog geen muziek! Van avond, als de maan schijnt, of morgen op het feest van den Wijnoogst! Maar nu heb ik te doen. En je weet, ik kan niets doen, als jij speelt, vriend Imre! Dan moet ik luisteren." *)"Wees welkom, mijn vriend Imre!" De Czigány had met spelen opgehouden. "De Heer Graaf heeft maar te bevelen" — zeide hij, uit de ruïne op het slotplein komende. "Mijn viool had hem het welkom willen toezingen. Zij zal nu zwijgen en zich niet meer doen hooren, vóórdat het den Heer Graaf behagen zal. Alla szolga*)!" — en met een nieuwe buiging deed hij (zooals hij dat-ook den vorigen avond in het bosch gedaan had) eenige stappen achteruit, ging toen met groote schreden over het plein en verdween onder de slotpoort. *) Verkort voor: "Allázatos szolgája" = Uw onderdanige dienaar. "t Lijkt wel, of hij boos is!" - lachte de Graaf. "Imre is een van die menschen, wier luimen niet te berekenen zijn" — zeide Keller. "Maar de Heer Graaf heeft zijn muziek geprezen: boos is hij zeker niet!" "Intusschen is het raadsel van dezen brief nog niet opgelost" — hernam de Graaf, het epistel van alle zijden bekijkende. "Uit Budapest! Verzonden tusschen 7 en 8 uur gisterenmorgen. Heeft weer 'n vollen dag in Kisfalva gelegen! Met den Postmeester daar heb ik 'n appeltje te schillen." "Maar daarmede is de geheimzinnige geadresseerde van dezen brief nog niet gevonden!" — merkte Majoor Curtis op. "Dat is waar!" — antwoordde de Graaf. "Bewaar hem voorloopig, Keller: 't Kan zijn, dat we met een bezoek van meneer Geoffrey Gill vereerd worden. Wanneer dat niet het geval is, kun je hem naar Kisfalva terug laten brengen. En nu moet ik Mevrouw verzoeken, mij te excuseeren" — vervolgde hij, zich tot Maud wendende. "Ik heb eenige dringende zaken af te handelen en moet bovendien mijn post beantwoorden. Veel brieven, Keller?" "Een heele stapel, genadige Heer!" "Dan maar spoedig aan het werk! Jij stelt je zoo lang ter dispositie van Mevrouw en van de heeren, Keller!" — en met een handdruk en een "Tot straks!" verliet hij ons. "Mij dunkt, Majoor Curtis, wij behoeven Meneer Keller niet lastig te vallen" — zeide ik, in de hoop, dat wij nu eindelijk eens alleen met den detective zouden blijven. "Zijn vrouw is ongesteld en hij zal zeker liever bij haar blijven." "Volstrekt niet, volstrekt niet!" — verzekerde Béla Keller. "Mijn vrouw ligt rustig te bed. Ik ben geheel ter beschikking van de "Herrschaften"." "Uw vrouw zal spoedig herstellen, meneer Keller, dat hoop ik van harte" — zeide majoor Curtis, terwijl hij mij weer aanzag met een blik, dien ik van ouds kende: half spottend, half bevelend. "Als het dan werkelijk niet te veel gevergd is, zal ik heel graag van uw vriendelijk aanbod gebruik maken. De streek is zoo bizonder interessant, dat ik haar wel wat nader wil leeren kennen. Maar u weet, wij Engelschen zijn op reis nooit gelukkig zonder onzen "Baedeker". Ongelukkig keurt die beroemde vraagbaak Vöröshegy en zijn omgeving nauwelijks enkele woorden waardig. U zult "Baedeker" voor ons moeten vervangen, meneer Keller!" "Szivesen" *) — zeide Keller en boog. Zijn gezicht stond 'n beetje onnoozel; misschien had hij nooit van "Baedeker" gehoord en verdiepte hij zich in gissingen, wie die beroemde man wel zijn mocht. *) Gaarne!" Zoo zetten wij dan onze wandeling voort, buiten het slot, door het park en door de omliggende wijnbergen en bosschen. De omgeving was werkelijk heel mooi; maar ik was uit mijn humeur, omdat ik het optreden van mijn vriend, den detective, onhebbelijk en onbegrijpelijk vond. Op zachten toon mopperde ik daarover 'n beetje tegen Maud. "Willy" — zeide deze, "je hebt mij zelf meermalen gezegd, dat G. G. het meest bewonderenswaardig is, wanneer je hem het minst begrijpt. Bewonder hem, Willy, en krijg je goed humeur terug!" Ik lachte en Maud knikte mij bemoedigend toe. "Goed zoo!" — zei ze. "Onze vriend weet precies, wat hij doet! Daarvan kun je verzekerd zijn." En ze had groot gelijk! Wij hadden een uur of twee gewandeld en naderden Vöröshegy weer. Mijn vrouw noch ik had verdere pogingen aangewend om vertrouwelijk met G. G. te praten; hij had zich trouwens geheel van Béla Keller meester gemaakt en week niet van diens zijde. Maar toen wij, uit het bosch komende, het slot weer in het gezicht kregen, bleef Keller plotseling staan en wachtte totdat mijn vrouw en ik, die een tiental passen achtergebleven waren, hem hadden ingehaald. "De "Herrschaften' moeten mij verontschuldigen" — zeide hij zenuwachtig, terwijl Majoor Curtis op z'n eentje langzaam verder wandelde. "Als zij alles wisten, zouden zij mij beter begrijpen. De genadige Heer Graaf weet toch niets van wat gisteravond gebeurd is?..." "We hebben u immers beloofd te zwijgen" - zeide Maud, wat stiffies. "Ik verzoek u duizendmaal om vergeving, maar Uw Heer echtgenoot scheen het met die belofte niet ééns te zijn." "Wat mijn vrouw belooft, beloof ik" - zeide ik, wel 'n beetje theatraal. "Trouwens" - hier gaf ik toe aan een invallende gedachte, een kwaal waaraan ik méér lijdende ben -"ik begrijp nu volkomen, waarom U dat gevraagd hebt." "Wat...?" Hij keek mij met verschrikte oogen aan en zijn gezicht werd bleek. "De Graaf heeft ons de geschiedenis van István Csadányi verteld" - vervolgde ik, hoewel eenigszins ontsteld over het effect, dat ik teweeg bracht. "Hij zou allicht gedacht hebben, dat Uw vrouw het spook van Vöröshegy gezien had. En dat zou immers een sterfgeval in zijn familie voorspellen?" Béla Keller bleef mij een oogenblik strak aankijken. "Juist!" — zeide hij toen, kortaf. En met groote passen liep hij verder om Majoor Curtis in te halen, Maud en mij opnieuw vele schreden achter zich latende. ## HOOFDSTUK V. G. G. Er is van het overige van dien dag weinig te vertellen. In en om het slot heerschte bedrijvig leven: men maakte de voorbereidselen voor het feest van den Wijnoogst, dat op den volgenden dag gesteld was. Tegen den avond keerde overal de rust weder en na het avondmaal hadden ook wij behoefte spoedig ter ruste te gaan. Toen wij op onze kamer kwamen, vonden we daar een paar nieuwe Duitsch-Hongaarsche couranten, een vriendelijke attentie van onzen gastheer. Het was betrekkelijk nog vroeg — tien uur ongeveer —, zoodat wij ons ieder in een fauteuil zetten en weldra verdiept waren in de lectuur van wat er om ons in de wereld gebeurde. Er heerschte in de kamer diepe stilte. Het raam stond open en de nachtlucht, na den prachtigen dag nog niet te koel in dit seizoen, drong de kamer binnen. Terwijl ik las bekroop mij een gevoel van groot welbehagen; ik was tevreden met mijn omgeving, tevreden met mijn lot. Ik had 'n lieve vrouw, prettig werk, veel geld. Mijn leven was, wat men pleegt te noemen "gevuld"; interessant werk, afgewisseld door aangename perioden van reizen en rust. Zoo peinsde ik, genoeglijk in mijn fauteuil geleund.... Béla Keller, Imre de Czigány, zelfs Majoor Curtis schenen héél ver af. Op eens kwam er iets door het open raam naar binnen vliegen en viel op den vloer, juist tusschen mijn vrouw et mij in. Ik schrikte op en onze oogen ontmoetten elkander. Het volgende oogenblik stond ik aan het venster, maar hoe ik ook in den helderen nacht tuurde, er was niets te zien. Intusschen had Maud het voorwerp opgeraapt, dat tsschen ons in gevallen was. Het was een vrij groote steen met een stuk papier er stevig omheen gebonden. Op het papier stonden letters. Toen we het losgemaakt hadden, bleek ons, dat het een Engelsch briefje was, aan mij gericht. Wij lazen: "Willy! Om één uur in het slotpark bij den "achtermuur. Het poortje tegenover de brug is open. "Dringend! G. G." "Eindelijk!" — zeide ik, uit den grond mijns harten. Maud lachte even om deze ontboezeming. Toen werd ze ernstig. "Ik wilde, dat we hier niet gekomen waren" — zeide ze. "Integendeel, ons bezoek begint nu werkelijk belangwekkend te worden!" — meende ik. "Een kwestie van smaak!" — antwoordde Maud. "Ik, voor mij, ben moe en zou 't liefst naar bed gaan. Als jij liever in het holst van den nacht door slotparken wandelt, moet ik zeggen, dat we hemelsbreed van smaak verschillen . . . Althans op dit punt!" — voegde zij er glimlachend aan toe. "Op zichzelf heeft zoo'n wandeling ook voor mij niets aanlokkelijks" — zei ik. "Maar nu het erom gaat, te weten te komen wat G. G. hier eigenlijk uitvoert . . ." "Juist! Niets anders dan nieuwsgierigheid!" — lachte Maud, en toen parodieerde zij mijn "eindelijk!" zóó komisch, dat we beiden in lachen uitbarstten. Om één uur was ik bij den achtermuur. Ik had het slotpoortje inderdaad open gevonden; de grendel was er van binnen àfgeschoven. Ik behoefde niet lang te wachten. Uit het donker van een reusachtige boomgroep scheidde zich een gestalte af. Het was G. G., maar nu in zijn werkelijke gedaante: gladgeschoren, met 'n vasten mond, staalblauwe oogen en kortgeknipt haar, dat aan de slapen mooi begon te grijzen. "Majoor Curtis heeft zich vermomd, zooals je ziet!" — zeide hij, terwijl hij mij hartelijk de hand drukte. "Die verdienstelijke Engelsche officier zou niet graag midden in den nacht zwervende worden aangetroffen — daarom bedient hij zich van mijn gedaante." "En toch laat hij mij het gevaar loopen, op dit ongebruikelijke uur als Mr. Hendriks herkend te worden" — zei ik. "Geen nood, Willy! Niemand zal ons zien. Maar al was dat wèl het geval, dan zou 't wel eens kunnen gebeuren, dat ze mij voor een geheimzinnigen onbekende en jou voor G. G. aanzagen." "Ik begrijp je niet!" — zei ik, en ik maakte onwillekeurig een gebaar, alsof ik mijn hoofd met beide handen wilde vastgrijpen. Wat de detective gezegd had, scheen mij pure onzin. "Kom, Willy!" — hernam hij. "Laat den moed niet zakken en twijfel vooral niet aan de verstandelijke vermogens van je ouden vriend. Je hebt je vandaag geweldig over mij geërgerd, en ik voel zelf wel, dat ik je een explicatie schuldig ben. Kun je je een beteren tijd en plaats daarvoor denken dan in een najaarsnacht op den top eens heuvels?..." G. G. was nog altijd de oude: spottend, soms wat scherp en ... vol raadselen! "Tijd en plaats laten wel wat te wenschen over" — antwoordde ik. "Maar ik ben bereid je te vergeven, dat je geen betere hebt uitgekozen, wanneer je me nu eindelijk eens meedeelt, hoe je hier in Godsnaam uit de lucht bent komen vallen." "Dat is 'n korte, maar 'n interessante geschiedenis" — zei G. G. "Weet je, wie Aartshertog Karel August is?" "Is dat niet 'n achterneef van den Keizer?" "Juist! Maar in Hongarije moet je over den Koning spreken, Willy! — De Aartshertog is getrouwd met Prinses Ziska van Montenegro. Vijf jaar geleden is hun kindje, toen 'n jongetje van 'n jaar of twee, plotseling verdwenen. Herrinner je je dat niet meer, Willy? De couranten hebben er vol over gestaan. Het bedje werd 's ochtends leêg gevonden en alle nasporingen bleven vergeefsch." "Ja, ik herinner mij wel zoo iets. Maar wat heeft dat met jouw hierzijn te maken?" "Geduld, Willy, geduld! Wat ik je nu vertellen zal, heeft niet in de couranten gestaan. Het is zelfs een diep geheim, maar het is noodig, dat je het weet. Men heeft uit het verdwijnen van dit kind een middel gemaakt om den ouders geld af te persen." "Men? Wien bedoel je?" "Ja, Willy, als ik je die vraag beantwoorden kon, zou je me hier niet ontmoet hebben. De zaak staat zóó: reeds verschillende malen, op ongeregelde tijdstippen, heeft de Aartshertog brieven ontvangen, waarin beweerd wordt, dat het kind in leven is, en waarin men met allerlei ijslijkheden dreigt, wanneer een zekere (meestal niet heel kleine!) geldsom niet op de een of andere voorgeschreven wijze op een telkens nieuw aangewezen plaats wordt gedeponeerd. Die brieven werden op de schrijftafel van den Aartshertog gevonden en niemand kan er een verklaring van geven, hoe zij daar kwamen." 'n Geheimzinnige geschiedenis!" "Des te geheimzinniger, omdat het aan de politie niet gelukt is, eenig licht in de zaak te brengen." "En nu zou jij....?" "Kalm aan, Willy! Niet vooruitloopen op wat ik te vertellen heb. De Aartshertogin Ziska is onlangs in Engeland geweest en men heeft haar daar over mij gesproken. Resultaat: eenige conferenties in Londen en vervolgens een gesprek — streng in het geheim! — met het aartshertogelijk paar te Budapest. Ik heb beloofd te doen wat ik doen kan!" "Jij, G. G.? In een land, waar je de taal niet verstaat...?" "Willy, de logica der feiten spreekt geen bepaalde taal! — Een week geleden is er weer een dergelijke brief gekomen. De som moet ditmaal gedeponeerd worden . . . . Je raadt nooit waar, Willy!" "Hoe zou ik dat kunnen raden?".... "Omdat je de plaats kent, althans je bent er langs gereden: onder den zevenden kilometerpaal van den weg van Kisfalva naar Vöröshegy. Het is dáárom, dat Majoor Curtis naar hier is gekomen." "Ik zie den samenhang nog niet precies." "De zaak is toch tamelijk eenvoudig. Tot dusverre had men, stomweg, aan dergelijke aanwijzingen voldaan, omdat men bang was, dat het kind mishandeld zou worden. En men heeft niet den moed gehad — alweer om dezelfde reden — afdoende politie-maatregelen te nemen. De politie zocht wel en speurde zooveel zij kon, maar juist als die sommen gedeponeerd moesten worden, was zij zoek. Ditmaal zal 't anders gaan! Vooreerst stond het vast, dat ik, in de een of andere vermomming, die geen argwaan wekken mocht, in de buurt moest zijn. Ik dacht toen aan mijn vriend Curtis, en, Willy, dat ik juist aan hèm dacht, is 'n staaltje van echt, blind detective-geluk. Ik wist toen nog niets er van, dat ik jou hier ontmoeten zou. Je begrijpt dus, hoe verrast ik was, toen ik, toevallig — ik moet intusschen bekennen, dat ik het toeval 'n handje geholpen heb — te Pressburg Graaf en Gravin Csadányi ontmoetende, van hen hoorde, dat jij met je vrouw op Vöröshegy komen zoudt. Hun invitatie greep ik met beide handen aan: 't was mij juist daarom te doen geweest." "Meer geluk dan wijsheid" - zeide ik. "Juist, Willy!" — hernam G. G. "Dat was geluk, maar nu moet de wijsheid komen. En, mij dunkt, die was al aardig op weg. Kijk maar eens, wat we bijna bereikt hadden. Overmorgen — of eigenlijk morgen, want het is over éénen en we schrijven dus al den 17en —, precies om twaalf uur's middags, zal de secretaris van den Aartshertog, die bij vorige gelegenheden met diezelfde taak belast werd, vijftigduizend kronen onder den kilometerpaal begraven. Op den onschuldigen uitheemschen Majoor, die op Vöröshegy logeert, zou niemand gelet hebben. Althans, Willy, dat hoopte ik. Maar die hoop is nu wel 'n beetje geschokt, dat begrijp je!" "Hoe zoo? . . ." "Ik maak me ongerust over je, Willy! Waar is je gewone scherpzinnigheid gebleven? Die brief . . ." "Och natuurlijk! De brief!" - riep ik uit. "Men heeft je reeds uitgevonden!" "Dat is nu juist de vraag. Zie eens, Willy! Wanneer ik inderdaad "uitgevonden' was, zou de "men', over wien je het hebt, er wel voor gezorgd hebben, dat ik daarvan onkundig bleef. "Un homme averti en vaut deux' — dat weet die "men' even goed als jij en ik! En toch heeft het den schijn, alsof hij zich gehaast heeft, mij zoo spoedig mogelijk te waarschuwen! Hoe is dat te verklaren?" "Als je dat verklaren kunt, ben je knapper dan ik!" — zei ik. "Ik ken de verklaring, althans ik verbeeld me die te kennen. Maar, Willy" — G. G. keek bescheiden naar den grond en ik had erop durven zweren, dat hij bloosde —, "ik zou het niet wagen, daaruit zulk een onwaarschijnlijke conclusie te trekken." Ik had al lang afgeleerd, me over de spotternijen van mijn vriend boos te maken. Ja zelfs, het gelukte mij ditmaal te glimlachen. "Zeg geen nonsens, en geef mij liever de verklaring" — zei ik. "Het spreekt vanzelf, dat "men' — de hemel weet hoe, maar die zal 't me later wel mededeelen — vermoed heeft, dat er ditmaal 'n detective bij de zaak betrokken is. "Men' zorgt dus ervoor op Vöröshegy te zijn, in de verwachting, daar zoo'n verdienstelijk man in de een of andere vermomming aan te treffen. Zelfs weet "men' dat 't een Engelsche detective zijn zal — mijn naam op het adres bewijst dat voldoende! "Men' kijkt dus uit naar 'n Engelschman, en zie, men vindt er niet één, maar twee! Ik weet wel, dat je eigenlijk Hollander bent, maar met je vrouw spreek je altijd Engelsch en met de menschen hier Duitsch. Geen wonder dus, dat "men' je voor 'n Engelschman houdt! Is het niet volkomen begrijpelijk, dat "men' zich nu de vraag stelt: Wie van die twee is de rechte?" Ik voelde dat ik enthousiast werd. Dat was de oude, scherp-redeneerende, scherp-observeerende G. G.! "Willy" — vervolgde hij, terwijl hij mij bemoedigend op den schouder klopte, "wanneer je weer bij me in de leer wilt gaan, beloof ik je ditmaal 'n uiterst interessant experiment. Toen Graaf Csadányi dien brief van Keller aannam, stond ik naast hem. Hij bekeek den poststempel en zei toen: "Uit Budapest'; ik bekeek den poststempel eveneens en dacht: "Niet uit Budapest'. Want de postzegel had al meer gediend en de stempel was bijgewerkt. Keurig bijgewerkt, dat moet ik erkennen, maar niet met stempel-inkt." "Hoe kon je dat zoo gauw zien?" "Het geoefend oog van den detective, beste jongen! Ik kan je verklaren, dat een vervalschte stempel even goed te herkennen is als een valsche postzegel. Ik ben niet voor niets philatelist, en jij — als broeder in de kunst — zult dat ook wel weten." "Maar dat verklaart nog steeds niet, waarom men dien brief op Vöröshegy bezorgd heeft." "Begrijp je dat nog niet, Willy? Stel je in de plaats van "men'. Was er een beter middel te bedenken, om uit te maken, wie van ons beiden de detective is, dan om ons te observeeren op 't oogenblik, waarop die brief met 'Geoffrey Gill' op het adres aankwam?" "Maar dan moet 'men' daarbij tegenwoordig geweest zijn!" - riep ik uit. "Juist, Willy, daarvan ben ik overtuigd" — zeide G.G. kalm. "Béla Keller — natuurlijk!" "Ik weet het werkelijk nog niet, m'n jongen. Maar 't zal je interesseeren, dat ik vanmiddag, na onze gemeenschappelijke wandeling, nog lust heb gehad eens naar Kisfalva heen en weer te gaan. Ik vond het noodig daar den Postmeester mijn opwachting te maken. Je zult je herinneren, dat het couvert van den brief een eigenaardige, gele kleur had; en ook de vorm was wat ongewoon. Zoo'n brief heeft de postbode niet medegenomen naar Vöröshegy." "Dan heeft Béla Keller hem tusschen de brieven gesmokkeld. Ik ben er zeker van!" - riep ik uit. Ik niet!" - zei G. G. droog. "Hij kan er ook onderweg tusschen gesmokkeld zijn." "De heele zaak is toch bizonder onhandig aangelegd" — zei ik. "Iedereen hier op Vöröshegy weet immers, dat *ik* de detective niet ben." "Iedereen, Willy?" — vroeg G. G. "De Graaf en de Gravin kennen je natuurlijk. Maar niemand anders heeft je vroeger ooit ontmoet. "Men' kan heel best annnemen, dat jij de detective bent. En, eerlijk gezegd, Willy, dáárop heb ik het aangelegd." "Dus dat is de verklaring van je zonderling optreden! Dáárom zei je, dat ik er wel meer van weten zou!" — riep ik, niet zonder eenige verontwaardiging. "Je hebt alwéér gelijk!" — zei G. G. met onverstoorbare kalmte. "Ik verzoek je om verontschuldiging voor de vrijheid, die ik genomen heb. Maar 't is absoluut noodig, dat men mij niet voor den detective houdt. Jou zal dat geen kwaad doen, want wij hebben, naar ik meen te weten, niet met gevaarlijke misdadigers te doen." "Wat je gedaan hebt, is me niettemin hoogst onaangenaam" - zei ik, ernstig boos. "Vroeger, toen ik ongetrouwd was, had zoo iets mij niet kunnen schelen - integendeel, ik vond toen een zeker genoegen in zulke dingen. Maar nu . . ." "Je vrouw zal 't mij niet kwalijk nemen, Willy!" meende hij, steeds tergend kalm. "In elk geval weet je nu, waarom, wanneer ,men' ons vanavond bespieden mocht, men' jou voor G. G. en mij voor een onbekende houden, zal! En 't mooiste is, dat die onbekende morgen weer spoorloos verdwenen zal zijn!" ## HOOFDSTUK VI. EEN NACHTELIJKE ONTMOETING. Het is misschien niet onnoodig hier mede te deelen, dat ik vóór mijn huwelijk, gedurende mijn verblijf in Engeland, herhaaldelijk en in verschillende zaken met G. G. had samengewerkt. Wij hadden meermalen gemeenschappelijke gevaren doorstaan (daardoor misschien was onze vriendschap zoo hecht geworden) en ik had er nooit tegen opgezien een waagstuk te ondernemen, wanneer G. G. mij een "interessant experiment" (zooals hij het steeds noemde) in het vooruitzicht stelde. Integendeel, zulke "experimenten" hadden voor mij alle bekoring van het avontuurlijke en ik wist, dat ik daarbij in G. G. een leidsman had, die niet te evenaren was. Maar, zooals ik zeide, dat was vóór mijn huwelijk geweest. Nu behoorde ik niet alleen aan mijzelven, maar ook aan mijn vrouw te denken; ik was niet meer vrij mij zonder noodzaak aan gevaren bloot te stellen. Maar waren er werkelijk gevaren? G. G. meende, dat wij niet tegenover "gevaarlijke" misdadigers stonden: hij was er ook niet de man naar, mij bloot te stellen aan een gevaar om het van zichzelven af te wenden. Mijn oude zucht naar dergelijke "experimenten" werd weer wakker, niettegenstaande m'n huwelijk. Ik werd er boos om op mijzelven en (van den weeromstuit!) op G. G.; en toch. . . in mijn binnenste was een duiveltje, dat sprong en jubelde, nu zich het vooruitzicht opende op een niet alledaagsch avontuur. G. G. nam van mijn ontstemdheid weinig notitie: ik geloof dat hij precies begreep, wat er bij mij omging. Met de grootste kalmte gaf hij mij verschillende aanwijzingen, die ertoe strekken moesten om elken bespieder te versterken in de gedachte, dat G. G. Majoor Curtis en ik G. G. was. Van zijn vrijheid van beweging hing alles af, naar hij zeide. En of ik nu al protesteerde en mij te weer stelde tegen een dergelijke persoonsverwisseling, de detective lachte fijntjes en ging zelfs zóóver, dat hij zei: "Willy, je vecht niet tegen mij, maar tegen jezelven. Je wilt niets liever dan mij in deze zaak te helpen; maar je denkt aan je vrouw. Geloof me, ze zal er even hartelijk op ingaan als jezelf." Ik wil hier dadelijk aan toevoegen, dat het mij later bleek, dat hij gelijk had. Van het begin tot het tragische einde, waren Maud en ik in deze zaak één. Op verzoek van G. G. deelde ik hem uitvoerig mede alles wat ons op reis naar en op Vöröshegy overkomen was. Hij stelde belang ook in de kleinste bizonderheden. Al pratende — en wij deden dat op gedempten toon — waren wij, ons steeds in de schaduw der boomen houdend, langzaam in de richting van het slot gewandeld. Wij kwamen uit aan de slotgracht, juist onder het venster van mijn slaapkamer. Dit was nu gesloten, maar door de gordijnen schemerde nog licht. "Van deze plaats af, heb ik daareven dien steen met het briefje naar binnen gekeild!" — zeide G. G. lachend. "'t Is 'n heele afstand, maar ik heb niet voor niets jaren lang op het cricket-veld gestaan!" We stonden nog steeds in de schaduw van de boomen, die op deze plaats tot aan den rand van de slotgracht groeiden. Opeens legde G. G. zijn hand op mijn arm en trok mij nog verder in het duister tusschen de stammen. Het volgende oogenblik hoorde ik duidelijk stemmen. Zij kwamen van den weg, die achter ons, door dicht struikgewas, naar de ballustrade aan den rand der roode rotsen voerde. De beide sprekers — ik onderscheidde duidelijk een mannen- en een vrouwenstem — waren voor ons onzichtbaar. Eerst klonken de stemmen verâf, maar zij werden steeds duidelijker, totdat wij eindelijk elk woord onderscheiden konden. De sprekenden waren nu blijkbaar blijven staan: enkele stappen verder en zij zouden, den weg volgende die om de ons verbergende boomgroep heenboog, ons in 't gezicht gekomen zijn. Maar al klonken de stemmen dichtbij, wij begrepen niet, wat er gezegd werd. Want er werd gesproken in een ons onbekende taal. Hongaarsch was het niet; al was ik die taal niet machtig (ik kende slechts enkele woorden en uitdrukkingen), mijn oor was genoegzaam aan haar klanken gewend, dat ik met zekerheid weten kon iets anders dan Hongaarsch te hooren. "Vermoedelijk Rumeensch" - fluisterde G. G. mij toe. "Heel welluidend, maar wat onbegrijpelijk!" Rumeensch! Op eens viel mij in, dat Gravin Csadányi een Rumeensche Prinses was. En ja... de vrouwenstem geleek op die van de Gravin... geen twijfel zij was het... maar toch, men kan zich zoo licht vergissen, als men aan de stem iemand herkennen wil, die men alleen in een andere taal heeft hooren spreken! Ook de mannenstem kwam mij niet onbekend voor, maar om dezelfde reden kon ik haar niet thuis brengen. Zoo stonden wij zeker een half uur in het duister der boomen. Het gesprek, waarvan wij de onzichtbare getuigen waren, werd soms met groote heftigheid gevoerd, vooral van de zijde van den man. "Geoffrey Gill" — deze naam, met eigenaardig vreemd accent uitgesproken, bezorgde mij van den drager een kneep in den schouder! Verder hoorde ik eenige malen het woord "Vöröshegy", maar, hoe ik mij ook inspande, geen anderen naam, geen ander woord kon ik opvangen, totdat er eenige malen met grooten nadruk over "Mariska" en "Mihály" *) gesproken werd. Het bleek mij later, dat G. G. niet gelukkiger geweest was; ja zelfs ik was hem de baas gebleven, omdat hij den naam "Mihály" niet kende en deze daarom in den vloed van onbegrepen woorden voor hem was ondergegaan. *) "Michael". Eindelijk scheen het gesprek geëindigd. Er heerschte eenige oogenblikken stilte en ik verbeeldde mij reeds dat de beide nachtelijke wandelaars zich naar den anderen kant verwijderd hadden, toen zij plotseling om den rand van het bosch in het maanlicht verschenen op geen tien pas afstand van de plaats, waar we ons achter de boomen verborgen hielden. Het was nu buiten allen twijfel; vóór ons stond Gravin Csadányi; en de man, met wien zij zoo lang en heftig gesproken had, was... Imre de Czigány. Zij bleven opnieuw staan en wisselden nog eenige woorden. Daarop zag ik den man een heftige beweging maken, alsof hij zich op de Gravin storten wilde, maar met een enkele afwijzende beweging hield ZI in toom. Toen stak zij schijnbaar onbevreesd - hem de hand toe en de Czigány drukte die herhaaldelijk en hartstochtelijk aan zijn lippen. Met een driftig gebaar en een met een enkele afwijzende beweging korten, onderdrukten uitroep draaide hij zich om en liep rakelings langs ons het park in.
. . met een enkele afwijzende beweging
"Hier blijven!" — Het was de stem van G. G., die mij deze woorden in het oor fluisterde. Dadelijk daarop stond ik alleen onder de boomen. Ik zag, hoe de Gravin de brug overging en in het slot verdween. Daarop was ik alleen met mijn gedachten. Eerst een half uur later stond G. G. plotseling naast mij. "Geen succes gehad, Willy!" — zeide hij. "De man is weg en . . . ik heb zijn spoor niet kunnen volgen. Als 't maar dag geweest was!" "Dan had hij ons gezien" — merkte ik op. "Volkomen juist" — antwoordde hij kortaf en bleef toen eenigen tijd zwijgen. "Wat denk je van dit alles?" — vroeg ik eindelijk. "Beste jongen, ik denk, dat ik er nog den heelen nacht over denken zal, voordat ik weet, wat ik ervan denken moet" — antwoordde hij. "En daarom vraag ik nog maar niet, wat jij ervan denkt, want ik neem aan, dat je niet sneller denkt dan ik." "Vriendelijk ben je niet!" — zei ik, eenigszins geraakt. "Dat komt, omdat ik slaap heb, Willy" — en hij ging mij vóór naar de brug. Maar halverwege bleef hij plotseling staan en sloeg zich voor het voorhoofd. "Hoe zeldzaam dom!" — zei hij. "Hoe is het? Heeft Homerus gedommeld?" - vroeg ik, zonder te weten wat hij eigenlijk dom vond. "Geslapen als 'n os, Willy! De Gravin is natuurlijk over de brug gegaan en heeft de kleine zijpoort gesloten. Toen ik uit het slot ging om je te ontmoeten, vond ik dat poortje reeds ontgrendeld. Ik dacht, dat het onachtzaamheid was; men is hier in de streek wat zorgeloos, zooals men mij verzekerd heeft. Maar ik heb mij vergist, natuurlijk: de Gravin was reeds naar buiten gegaan en had het opengelaten. En nu, Willy, zijn we buitengesloten!" Inderdaad, daar stonden we! Vergeefs zocht ik naar een middel om binnen te komen. Een oogenblik dacht ik eraan, of we — gezien de bekwaamheden van G. G. als "bowler" op het cricketveld — niet wat kleine steentjes tegen Maud's raam konden werpen, maar de afstand was daarvoor te groot: wat met één grooteren steen mogelijk was, was dat daarom nog niet met een handvol grint. Bovendien was het de vraag, of zij begrijpen zou, wat wij wilden (roepen durfden wij niet!), terwijl — als zij ons begreep — wij toch moeielijk van haar vergen konden, in het holst van den nacht langs de donkere trappen en gangen naar beneden te komen om het poortje te openen. Buiten blijven scheen ons gevaarlijk, omdat den volgenden ochtend onze afwezigheid zeker opgemerkt zou worden. Ook durfde ik niet te denken aan de onrust van mijn vrouw, wanneer ik in den loop van den nacht niet terugkeerde. Goede raad was duur! Maar G. G. scheen toch een uitweg gevonden te hebben. Snel haalde hij uit zijn zak 'n pruik en andere dingen, die aan 'n tooneelvoorstelling herinnerden. Hij trad in de schaduw der boomen en een oogenblik later stond Majoor Curtis naast mij. "Ziezoo" — zeide deze. "Er is maar één middel: Keller!" "Ben je gek?" — liet ik mij niet heel vriendelijk ontvallen. "Ik waarschuw je uitdrukkelijk tegen dien man." "We moeten de kwade kans loopen, Willy! Bovendien: ik moet mij al héél erg bedriegen, of we hebben een afdoend middel om aan Béla Keller het zwijgen op te leggen over onzen nachtelijken zwerftocht." "Welk middel dan?" "Het spook van Vöröshegy! — Kom maar meê, m'n jongen!" Terwijl ik hem langs de slotgracht volgde, dacht ik er over na, wat hij bedoelde. Ik had hem alles verteld aangaande de portretten-galerij en de legende van Graaf István en zijn jonge echtgenoote. Ook had ik het vreemde avontuur met Keller en zijn vrouw, den vorigen avond in het slotpark, niet voor hem verzwegen. Ik begon te gelooven, dat ik begreep, waar hij heen wilde. Wij gingen over de breede steenen brug en door de groote slotpoort (die nooit gesloten was) en kwamen zoodoende op het slotplein. Rechts lag de deur, die toegang gaf tot het bewoonde gedeelte van het slot, links de imposante slotruïne, thans door het heldere maanlicht beschenen. Alle vensters van het bewoonde deel waren donker, op één na. Het eerste venster rechts, tegenover de slotpoort, was flauw verlicht. "Dat treffen we!" - zeide G. G. "Waarom?" — vroeg ik. "Hoe hèb ik het nu met je?" — was zijn wedervraag. "Ik ben, als vriend, altijd trotsch geweest op je opmerkingsgave. En dan zou je me nu willen zeggen, dat ik je moet uitleggen, waaròm we het treffen? Loop heen, Willy!" Ik haalde de schouders op. "Je schijnt van de bezichtiging van het slot niet heel veel geprofiteerd te hebben" — hernam hij. "Als we daar door die deur in de voorhal komen, zal je opmerken — wanneer je het althans vroeger niet reeds opgemerkt hèbt —, dat er aan weerszijden van de deur twee vensters in die hal uitkomen. Tel nu maar af: naar links toe, één, twee... het derde venster, juist om den hoek, is verlicht. Dat vertrek behoort tot de woning van Béla Keller. Misschien herinner je je, dat Graaf Csadányi ons de deur gewezen heeft, waarmede de woning in de hal uitkomt." Ik herinnerde mij dat nu inderdaad, en begreep thans wat G. G. bedoelde. "Béla Keller schijnt nog niet te slapen" - vervolgde hij. Laten we hem eens goeden nacht wenschen!" Wij traden op het verlichte venster toe. Op het oogenblik, waarop G. G. de hand ophief om tegen de ruiten te kloppen, gebeurde er iets, dat die hand weer langs het lichaam deed terugzinken. In de doodelijke stilte, die ons omringde, hoorden wij duidelijk, hoewel gedempt, het gekerm van een vrouw, dat zonder twijfel uit de verlichte kamer kwam. Daarop hoorden wij het brommen van een mannenstem. "De schurk!" — zei ik, terwijl ik voelde, dat het bloed mij van verontwaardiging naar het hoofd steeg. "Hij mishandelt zijn vrouw: dat heb ik van het eerste oogenblik af begrepen!" "Kalm, als 't je blieft!" — zeide G. G. zacht. "Het is nu geen tijd voor sentimentaliteit!" "Maar . . ." "Stil! Als hij haar mishandelt, zullen we haar helpen. Maar nu niet: nu moet Keller ons binnen laten, zonder dat iemand het merkt." Het kermen was weer begonnen. Toen G. G. tegen de ruiten klopte, hield het plotseling op. Ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat het geluid onder een doek of deken gesmoord werd. Onmiddellijk daarop werd het gordijn van binnen op zij geschoven en verscheen het gezicht van Béla Keller voor de ruiten. Ik verbeeldde mij, dat hij er bleek en ontsteld uitzag. Toen hij ons ontdekte, maakte hij een gebaar van de grootste verbazing. G. G. slaagde erin, hem door teekens te beduiden, wat wij wenschten. Béla Keller knikte, schoof het gordijn weer toe en een oogenblik later hoorden wij de grendels van de deur schuiven en werd deze geopend. Wij traden de hal binnen en Keller grendelde de deur weer achter ons. Het was donker en de eenige verlichting was een kaars, die de slotbewaarder in de hand gehouden en, bij het grendelen, op den grond neêrgezet had. Zijn gezicht bleef in het halfduister, zoodat ik alleen uit den klank van zijn stem opmaakte, dat hij zenuwachtig was. "Een late wandeling, hooggeboren Heeren!" — zeide hij. "Ik dacht, dat ik de heeren naar boven had zien gaan." "Mag ik U dan verzoeken, te vergeten, dat U ons hebt zien binnenkomen?" — zeide G. G., thans weer geheel Majoor Curtis, op zijn vriendelijksten toon. Keller nam de kaars op en het licht viel nu op zijn mager, geel gezicht, waarop, naar ik mij verbeeldde, een kwaadaardige trek lag. "Ik vergeet snel, genadige Heer" — zeide hij "Maar... voor den heer Graaf mag ik geen geheimen hebben." "Is dat een bedreiging?" — vroeg de Majoor, op denzelfden vriendelijken toon. "Ik den genadigen Heer bedreigen?" — vroeg Keller, schijnbaar ten hoogste verbaasd. "Waaròm en waarméé?"— Hoe nederig die woorden ook klonken, er lag in den toon en in de gelaatsuitdrukking iets, dat den omgekeerden indruk maakte. Plotseling keerde de Majoor zich om en keek den man strak in het gezicht. "Laten we elkaâr goed begrijpen, meneer Keller! Mijn verzoek om over ons binnenkomen te zwijgen, heeft niets uit te staan met de belangen van Uw meester. Die worden er in geen enkel opzicht door geschaad!" "Ik neem het gaarne aan, hooggeboren Heer!" — antwoordde Keller, terwijl hij quasi-nederig boog. "Maar mijn plicht..." "Mr. Hendriks!" — Er lag een bevel in de stem van den detective en ik begreep hem dadelijk. "Best, meneer Keller!" — zeide ik kalm. "Doe wat U niet laten kunt. Maar U begrijpt, dat U niet méér verlangen kunt dan U geeft. Die scène gisteravond in den tuin . . .!" En ik haalde de schouders op. Béla Keller werd bleek en de kaars trilde in zijn hand. ",U zult toch niet...?" "Wel, meneer Keller, waarom niet? Ik zie niet in, waarom ik tegenover U meer welwillendheid toonen moet dan U tegenover mij." De man stond onbeweeglijk. "Dat is dus afgesproken!" — vervolgde ik. "U kunt gerust beneden blijven, meneer Keller; den weg vinden we wel in het donker. Goeden nacht!" Wij traden op de trap toe, maar de slotbewaarder volgde ons. "Het is u toch geen ernst, genadige Heer?" — vroeg hij angstig. "Natuurlijk is het mij ernst!" — zeide ik kortaf. "Ik....ik.... zal doen, wat de genadige Heer wenscht!"— De woorden kwamen er met moeite uit. " 't Kan me niet schelen, wat U doet of laat" — antwoordde ik, mijn voet op de eerste trede van de trap zettende. Ik begreep, dat de rollen nu waren omgekeerd. "Ik smeek U, genadige Heer! Als U alles wist!...." "Dat hebt U mij al meer gezegd! Maar ik begrijp nu, dat het mijn *plicht* is, tegenover den Graaf, mijn gastheer, openhartig te zijn." "In Gods naam, genadige Heer, in Gods naam . . . . !" Er klonk wanhoop in zijn stem, en — niettegenstaande mijn wantrouwen — voelde ik bijna medelijden met hem. "Nu, nu, meneer Keller!" — zeide ik wat vriendelijker. "Maak U niet zoo zenuwachtig. Ten slotte is de heele zaak dat niet waard!" "Voor U misschien niet, maar voor mij . . ." "Laten we elkander dien kleinen dienst dan niet weigeren. Als U zwijgt, zwijg ik ook!" "Ik dank U, genadige Heer!" — De man greep plotseling mijn hand en bracht die aan de lippen. Hij was geheel "getemd"! "Bravo, Willy!" — fluisterde G. G., toen we samen de trap opslopen. "Je hebt dat meesterlijk gedaan. Als die man onze vijand is, durft hij nu niets te zeggen. Maar — ik geloof veeleer, dat we met 'n ongelukkigen stakkert te doen hebben!" "Mijn vrouw zou het waarschijnlijk met je eens zijn" — antwoordde ik. "Maar ik moet bekennen, dat ik zelf niets begrijp van zijn angst." "Ik ook niet, Willy! Als je onze avonturen ooit in een roman beschrijft, noem dien dan: "Het Boek der geheimenissen". Eén onbegrijpelijkheid meer of minder komt er niet op aan! We zwemmen letterlijk in het onbegrepene! We verdrinken erin!" — Het volgende oogenblik drukte hij mij de hand en verdween in zijn slaapvertrek. ## HOOFDSTUK VII. HET FEEST VAN DEN WIJNOOGST. Toen ik den volgenden ochtend ontwaakte, was het reeds laat en scheen de zon vroolijk in ons vertrek. Maud was dan ook reeds opgestaan en zat in een der fauteuils de "Pester Lloyd" te lezen. Ik had haar den vorigen avond, bij mijn terugkomst van mijn nachtelijken tocht, in een toestand van groote spanning aangetroffen. Zij had aan mijn lippen gehangen, toen ik haar onze avonturen vertelde. Hoewel zij begonnen was met opnieuw te verzekeren, dat zij het betreurde ooit naar Vöröshegy gekomen te zijn, en dit zelfs nog enkele malen herhaalde, werden die herhalingen toch telkens minder energiek, totdat zij geheel ophielden en vervangen werden door vragen en uitroepen, die bewezen, dat zij meer en meer geraakte onder de bekoring van het geheimzinnige in onze omgeving, dat — moet ik het nog zeggen? — ook voor mij zulk een groote aantrekkingskracht bezat. Hoe een nuchter mensch als ik die aantrekkingskracht zoo sterk gevoelen kon, is tot op den huidigen dag voor mij een raadsel. Toen ik na het einde van mijn verhaal, met een bezorgdgezicht vroeg, of we maar niet beter deden zoo gauw mogelijk te vertrekken (ik kende Maud en wist wat ik deed!), keek ze allesbehalve enthousiast. "Ik heb er een oogenblik aan gedacht, of ik niet alleen blijven zou" — zei ik met 'n ernstig gezicht. "Ik laat G. G. niet graag in den steek, wanneer hij op mij rekent. Maar als je erop staat, ga ik met je meê naar Budapest of waarheen je wilt." "Ik kan niet alléén gaan" — zei Maud. "Ik mag je toch niet hier laten, in zoo'n griezelige omgeving, en zelf aan den haal gaan." "Ik mag jou toch niet hier aan mogelijke gevaren bloot stellen, omdat ik m'n vriend wil helpen! Neen, Maud, je gaat alleen of we gaan samen." "Laten we dan samen gaan, over 'n week of zoo" — zei Maud met 'n onschuldig gezicht. "Over 'n week pas? . . ." "Ik wil nu nog niet weg, en je mag mij hier toch niet alleen laten, Willy!" — Er lag een wereld van verwijt in haar stem! Ik stond verbaasd over deze logica. 't Had werkelijk den schijn, alsof ik haar voorgesteld had, dat ik vertrekken en zij blijven zou! "Waarom wil je nu niet weg?" - vroeg ik. "t Is een roman, Willy! De laatste bladzijde . . ." "...zullen we samen lezen, Maud! Wij blijven alle twee!" "Dank je, Willy!" En zóó was de zaak beklonken! Maud had nog veel willen vragen, zeggen en gissen. Maar ik was verstandig, omdat ik doodmoede was. "We kunnen veel denken en veel onderstellen" — zei ik. "Maar 'n oplossing vinden we toch niet. Laten we er een nacht over slapen. Misschien hebben we morgen een beter inzicht in den samenhang van de feiten. Nu is 't voor mij een chaos!" — Thans was het "morgen", maar licht in den chaos zagen we nog steeds niet. Onder het aankleeden gisten en onderstelden wij naar hartelust: Imre de Czigány, de Gravin, Béla Keller, het Spook van Vöröshegy — allen passeerden zij de revue. En we werden moe van het raden! Er was geen bepaald ontbijt-uur op Vöröshegy. In de eetzaal was een tafel gedekt, waarop twee groote schalen vol "semmel" *) stonden. Ilonka Keller, frisch en knap als altijd, hanteerde een groote zilveren koffiekan. Onder haar vroolijk uiterlijk meende ik iets zenuwachtigs te ontdekken. Of was het mijn eigen wantrouwen, dat mij parten speelde? Ik besloot het land eens te verkennen. *) Kleine broodjes, een Duitsch-Oostenrijksch woord. "Jó reggelt kivánok, Ilonka kisasszony!" *) — zei ik in mijn beste Hongaarsch (ik kende slechts enkele spreekwijzen, maar sprak die met 'n zekere bravoure uit!). "Wilt U mijn vrouw en mij eens een lekker kop koffie inschenken?" *) "Goeden morgen, juffrouw Ilonka!" "Jó reggelt, die gnädigen Herrschaften!" — Zij maakte een lichte neiging en schonk dadelijk de koffie in. Spraakzaam was ze niet! "Hoe is het vandaag met Uw moeder?" - vroeg Maud belangstellend. "Wel wat beter, dank U!" — Ik meende op te merken, dat zij een snellen blik op mij wierp. Waarschijnlijk wist zij iets van mijn thuiskomen in het holst van den nacht. Dat was trouwens niet meer dan verklaarbaar, want zij sliep natuurlijk in de woning harer ouders en had ons kloppen aan de ruiten gehoord. "Wat 'n prachtig weêr voor het feest van vandaag!" — zei ik. Ik wilde haar zoo gaarne aan het spreken krijgen! "Prachtig!" — Mijn succes bleef beperkt tot dit ééne woord. "Hoe laat zal het beginnen?" — vroeg ik, zonder mij te laten afschrikken. „Half-één." Nu gaf ik het op! "Laten we vanochtend het bosch nog eens inwandelen" — zei ik tot mijn vrouw. En wij gingen over de slotbrug en wandelden.
* * *
Één uur! Wij bevinden ons buiten het slot, op het bergplateau. Vóór de breede slotbrug is een soort van feest terrein aangelegd: een zeer ruime houten dansvloer en daaromheen tafeltjes, waarop kannen met jongen wijn. De Graaf, de Gravin, Majoor Curtis, Keller met zijn dochter Ilonka, mijn vrouw en ik — allen zijn tegenwoordig. Van alle zijden zijn de boeren uit den omtrek met hunne vrouwen, zonen en dochters toegestroomd. Er zijn zeker wel 'n tweehonderd menschen. Op zij van den dansvloer zit 'n klein Zigeuner-orkestje: een vijftal violisten en een cymbal-speler, onder aanvoering van Imre den Czigány. Wild jubelt de muziek in de tonen van den csárdás: de boeren met de hooge kaplaarzen en wuivende schoudermantels, de boerinnen met de korte, veelkleurige, wijd-uitstaande rokken en de lange vlechten, met het nationale rood, wit en groen doorvlochten, trippelen, draaien, stampen steeds wilder. Opeens klinken er kreten: "Ide, ide!" *) Alles stroomt samen naar de slotbrug en schaart zich aan beide zijden, een breed pad openlatend, dat van de brug naar het feestterrein voert. Een oogenblik gespannen stilte. En dan: de muziek valt in, daar komen ze uit de slotpoort over de brug! Voorop twee boeren, letterlijk bedekt met wijnranken en met glazen schuimenden jongen wijn in de hand. Dan een tiental jonge meisjes, met druivenloof bekranst en met zware, witte druiventrossen in de hand, die zij den toeschouwers lachend voorhouden, maar terugtrekken als men ernaar grijpen wil. Daarachter een geduldig ezeltje, wegschuilend in het groen, den triomfkar trekkende, bestaande in een groot vat op wielen, waarop een met ranken bekransde dreumes zit, de jonge Bacchus, bij wiens verschijnen overal een luid gejuich opgaat; en dan een groote stoet jonge boeren en boerinnen, met druiventrossen en -takken beladen, waarbij de dansers van zooeven zich aansluiten. Een groepje kinderen mengt zich in den stoet en zóó gaat het vele keeren, onder opgewekte muziek, het feestterrein rond. Dan wordt het vat op den grond geplaatst, God Bacchus eraf genomen en bij het spongat gezet om af te tappen (hoe diep is hij gezonken sinds de dagen van Grieken en Romeinen!); de Zigeuners hervatten hun dansmuziek en de schuimende glazen gaan rond ter eere van het feest van den Wijnoogst! *)Hierheen, hierheen!" Hoewel onze gedachten niet geheel in overeenstemming waren met het zonnige leven rondom ons, hadden mijn vrouw en ik toch een open oog voor het vroolijke, werkelijk schilderachtige schouwspel. Onze gastheer en gastvrouw hadden met ons en Majoor Curtis plaats genomen aan een tafel, die aan het uiterste einde van den dansvloer geplaatst was. De jonge wijn — "most" noemt men dien gewoonlijk — smaakte ons best en de spijzen, die door Ilonka Keller en de twee livrei-knechts werden opgediend, niet minder. Keller en Pista, de koetsier, hielden het oog op de feestvierende boeren, die, aan de lange tafels gezeten, telkens uitrustten van het dansen en bij die gelegenheid er terdege voor zorgden, dat de kelen niet droog werden. Toen het feest eenigen tijd geduurd had, begon ik wat meer aandacht te wijden aan mijn onmiddellijke omgeving. De Gravin zat achteloos in haar stoel geleund en staarde met oogen, die niet zagen, op het levendige tafreel. Slechts nu en dan kwam er leven in haar blik, wanneer zij in de richting zag, waar Imre de Czigány, met de viool aan de kin, beurtelings het orkestje dirigeerde en dapper medespeelde. Eén keer meende ik op te merken, dat zijn blik den haren trof, en op dat oogenblik klonk er in de muziek een dissonant, die mij onaangenaam aandeed. De Graaf zat, met een glimlach op het gezicht, in de meest opgewekte stemming naar het dansen te kijken en wisselde nu en dan een woord met zijn vrouw of met ons, waaruit bleek, dat hij in de ongekunstelde vroolijkheid van zijn omgeving van harte deelde. Majoor Curtis — het spreekt vanzelf! — interesseerde mij het meest. Hij rookte, als rechtgeaard Engelschman, het eene pijpje na het andere en keek toe met een schijnbaar onbezorgd en vergenoegd gezicht. Maar ik kende hem en zag aan de uitdrukking van zijn oogen, dat, bij alle onbezorgdheid van den Majoor, G. G. waakte en scherp toezag. Zelfs meende ik op te merken, dat hij bizonder waakzaam was, alsof hij verwachtte iets buitengewoons te zullen ontdekken. En inderdaad, hij scheen plotseling iets ontdekt te hebben! Ik zag n.l. dat hij met het achterhoofd een nauw-merkbare, schokkende beweging maakte; en ik wist, dat dit bij G. G. het nooit-falende bewijs was, dat hij iets verrassends had waargenomen. Hijzelf noemde dit zijn grootste gebrek als detective. Ik volgde de richting van zijn oogen. Daardoor viel mijn blik op den kleinen jongen, God Bacchus, die druk werk had aan zijn taak van tapper. Verschillende kinderen waren om hem heen komen staan, maar hielden zich op eerbiedigen afstand: er scheen iets te zijn, dat hen van gemeenzaamheid met dezen jongen God terughield. Het ventje was niet ouder dan zeven of acht jaar. Hij was bruin van kleur en had lange, zwarte lokken. Zijn gezichtje kon ik op dien afstand niet goed onderscheiden, maar zijn bewegingen waren, voor een zoo jong kind, bizonder elegant en afgerond. Terwijl ik mijn oogen inspande om hem beter te kunnen opnemen, klonk plotseling de stem van den Graaf naast mij. Ilonka Keller had hem juist het glas met jongen wijn gevuld en de woorden waren tot haar gericht. "Weet je ook, mijn duifje, *) wie dat allerliefste kereltje is, dat voor Bacchus speelt?" — vroeg hij. *) Een gewone uitdrukking om jonge meisjes uit den burgerstand toe te spreken; in het Hongaarsch: "galambom". "Ik weet het niet, genadige Heer" — antwoordde Ilonka. "Er wordt onder de boeren heel wat over hem gepraat en sommigen van hen zijn boos, omdat hun zoontjes er niet voor zijn uitgekozen." "En toch weten ze niet, wie dat ventje is?" "Dat weet alleen Imre de Czigány, genadige Heer! Die heeft, mèt mijn vader, den heelen feeststoet in elkaar gezet. Hij zou een Bacchusje meebrengen, zóó mooi als er nog nooit op onze feesten geweest is. En hij heeft zijn belofte gehouden." "Maar heeft hij dan in 't geheel niet gezegd, waar hij zijn Bacchusje vandaan heeft gehaald?" "Ze zeggen, dat 't zijn zoontje is, genadige Heer. Maar niemand durft het hem vragen." "Nu, hij heeft er den wind onder, naar 't schijnt!" — zeide de Graaf lachend. "Ik zal dan de stoute schoenen maar eens aantrekken. Ga naar Imre toe, m'n duifje, en vraag hem of hij eens even bij mij komen wil." De Gravin was opgeleefd; blijkbaar stelde zij in de zaak belang. Majoor Curtis echter zat, met den rug half naar ons toegewend, schijnbaar geheel verdiept in den csárdás, *) die op dit oogenblik met meer vuur dan ooit gedanst werd. Maar ik wist, dat zijn aandacht op ons gericht was. Een vermoeden rees bij mij op. Zou dat ventje. ? Maar neen, dan zou men hem toch niet zóó in het publiek vertoonen. Toch had ook Keller meegeholpen aan het samenstellen van den stoet, en Keller vertrouwde ik niet! Voorloopig echter besloot ik, mij niet verder in gissingen te verdiepen. *) Hongaarsche nationale dans. Ik zag, hoe Ilonka enkele woorden tot Imre den Czigány zeide en hoe deze — het orkestje spelend achterlatende — haar dadelijk volgde. Een oogenblik later stond hij bij onze tafel, viool in de eene, strijkstok en hoed in de andere hand, en maakte een van zijn zwierigste buigingen. "De genadige Heer Graaf beveelt?" — vroeg hij. "Wel, Imre barátom" — zeide de Graaf (en het is hier de plaats om op te merken, dat hij steeds gewoon was Duitsch te spreken, wanneer hij in gezelschap van vreemden was, een beleefdheid waaraan, in het algemeen, de Hongaren zich niet te veel bezondigen), "ik moet bekennen, dat je mij nieuwsgierig gemaakt hebt. Dat aardige kereltje, dat je de rol van Bacchus hebt laten vervullen, schijnt hier bij niemand bekend te zijn. Ik ben werkelijk benieuwd om te hooren, wie dat ventje is." Indien de vermoedens, die een oogenblik te voren bij mij opgekomen waren, juist waren geweest, de vraag van den Graaf zou Imre ongetwijfeld onaangenaam getroffen hebben. Maar het tegendeel was waar: hij glimlachte! Tevens zag ik, dat de Gravin en hij snel een blik wisselden, waarvan ik de beteekenis niet begreep. "De nieuwsgierigheid van den genadigen Heer Graaf is iets anders dan die van de gewone boeren" - zeide hij (en een oogenblik meende ik, dat er eenig sarcasme in zijn stem klonk). "Het is de kleine Mihály, mijn eigen zoontje!" "Wel zoo, barátom! Je bent dus inderdaad getrouwd geweest?" Imre de Czigány boog opnieuw. Maar zijn gezicht was ernstig, bijna hard geworden, en hij sprak geen woord. "Een heerlijk bezit, zoo'n kleine jongen!" — vervolgde de Graaf. "Breng hem eens hier, Imre! De kleine baas maakt zich daar bij het spongat zóó verdienstelijk, dat hij heusch wel 'n extra versnapering verdient." Imre voldeed onmiddellijk aan het verzoek van den Graaf en kort daarop stond hij opnieuw voor ons, met God Bacchus aan de hand. Het kind was zeer verlegen en hield de oogen voortdurend neêrgeslagen. De Graaf en de Gravin waren opgestaan. Zij wisselden eenige vriendelijke woorden met Imre en zijn zoontje en stonden daarbij met den rug naar ons toe. Opeens voelde ik, dat mijn arm zacht werd aangeraakt. Ik keerde mij om. Majoor Curtis was wat dichterbij geschoven, en had zich half naar ons toegewend. "Willy" - klonk het zacht, maar duidelijk, "je bent dol op kinderen! Maak dadelijk je hof aan dien kleinen dreumes daar, en ga met hem meê, als-i naar z'n plaats bij het wijnvat teruggaat. Dan kun je daar met de landere kinderen wat ravotten!" Terwijl hij deze woorden fluisterde, had hij zich weer omgedraaid. Hij stond op en slenterde naar den dansvloer, als om de wild trappelende en draaiende paren van dichterbij te bekijken. Hoewel ik volstrekt niet begreep, waar hij heen wilde, was ik er toch van overtuigd, dat ik doen moest, wat hij verlangde. Mijn "dolheid" op kinderen was niet grooter dan die van de meeste mannen en 't zou niet bij mij opgekomen zijn, uit eigen beweging met die Hongaarsche boerenkindertjes te gaan ravotten. Ik wist echter, dat ik voor ditmaal in het schuitje van mijn vriend zat en meêvaren moest; dus mengde ik mij in het gesprek, dat onze gastheer met Imre den Czigány voerde, en het duurde niet lang of ik had het aardige ventje op den arm. Gemakkelijk was het niet, met het kind op vertrouwelijken voet te komen, want het bleek mij, dat het uitsluitend Hongaarsch en geen woord Duitsch verstond. Ik werkte echter met zóóveel succes met "lelkem" en "édes szivem" *), benevens met den knop van mijn wandelstok (een zilveren paardenkop), dat het kereltje weldra niet van mij was af te slaan en mij, toen 't naar zijn plaats terugging, uit zichzelf medetrok. Ik speelde toen nog wat, ook met de andere kinderen, en "az angol bácsi" **) won dien dag het hart van vele Hongaarsche boerenvaders en -moeders, die maar niet wilden begrijpen, dat Holland ook 'n land is! *) Lelkem" = mijn ziel; "édes szivem" = mijn zoet hart: beide Jiefkozende woordjes voor kinderen. **) "Het Eugelsche oompje": liefkozende benaming. Imre de Czigány, die weer aan het musiceeren was, zag dit van verre aan met een vroolijken lach op het gezicht en knikte mij nu en dan eerbiedig, maar goedkeurend toe. Ik voelde mijn booze vermoedens met betrekking tot het kind meer en meer verdwijnen. Maar toch . . . de ontmoeting tusschen de Gravin en Imre in den vorigen nacht stond mij steeds voor oogen. Wat beteekende al dit onverklaarbare toch? . . . ## HOOFDSTUK VIII. SCHAAKMAT. Twee uur later waren G. G. en ik bijeen in zijn kamer op het slot. Buiten duurde het feest voort en mijn vrouw bevond zich daar nog, evenals de Graaf en de Gravin. De vioolen cymbaltonen klonken door het geopende venster naar binnen, want de kamer van Majoor Curtis zag op de groote slotbrug en het feestterrein uit. G. G. was naar binnen gegaan, onder voorwendsel, dat hij vermoeid was en een oogenblikje wilde uitrusten; ik had plotseling ontdekt, dat ik verzuimd had een dringenden brief te schrijven! "Ga zitten, Willy!" — zeide de detective, mij een fauteuil aanwijzende, terwijl hijzelf zoodanig plaats nam, dat hij — zelf ongezien — een waakzaam oog houden kon op wat buiten voorviel. "Opnieuw ben ik je een opheldering schuldig" — vervolgde hij. "Maar vooraf moet ik je mijn compliment maken over de intelligente wijze, waarop je ditmaal mijn intentie gevat hebt." "Ditmaal?" — vroeg ik, 'n beetje geraakt. G. G. glimlachte. "Gevoelig, als steeds, Willy!" — zeide hij. "Ik wilde je werkelijk een compliment maken, maar dat valt bij jou wel eens in het water. Het feest, dat we zooeven hebben meêgemaakt . . . Pardon!" — Hij viel zichzelven plotseling in de rede. "Sta eens even op en kom wat dichter bij het venster." Niet wetend, wat hij nu weer wilde, voldeed ik aan zijn verzoek. "Heel interessant, heel interessant!" — zei hij, terwijl hij tusschen duim en wijsvinger iets van de kraag van mijn jas verwijderde en nauwkeurig bekeek. Het was een haar, 'n vrij lang, donker haar! "We zullen dit op 'n stuk papier en dat stuk papier zoo lang op het tafeltje daar in den hoek leggen. Daar tocht het niet en ligt dit kostbare bewijsstuk veilig." "Ik begrijp je niet" — zei ik. "De zaak is toch heel eenvoudig, Willy! Maar we moeten beginnen bij het begin. Als het jou gegaan is als mij, heb je in de laatste drie uurtjes nog al wat geleerd." "Ze zijn in ieder geval heel interessant geweest" — zei ik, om iets te zeggen. "Juist! Na ons avontuur van dezen nacht, was ik in één spanning, hoe de Gravin en haar nederige vriend, Imre de Czigány, zich tegenover elkander gedragen zouden. Zij hebben mij de eer aangedaan, dezen nacht mijn naam herhaaldelijk te noemen. Als ik iets begrepen had van de taal die ze spraken, zou ons raadsel waarschijnlijk al opgelost zijn, Willy! Nu kan ik naar den inhoud van hun gesprek alleen maar gissen, ook aan de hand van de gebeurtenissen van dezen middag." "De gebeurtenissen van dezen middag?" — vroeg ik verbaasd. "Zeker!" — hernam G. G. "Je hebt waarschijnlijk wel opgemerkt, dat ik mijn aandacht sterk gevestigd had op dat mooie ventje naast het wijnvat." "Natuurlijk heb ik dat gemerkt. En, beste vriend, aan het bekende schokje met je achterhoofd heb ik gezien dat je een bizondere ontdekking gedaan hebt, in verband met datzelfde ventje." "Het is toch ellendig, dat ik die zotte beweging met m'n hoofd niet onderdrukken kan" — zei G. G. gemelijk. "Je begrijpt natuurlijk, welke die ontdekking geweest is?" Ik moest bekennen, dat ik er geen flauw begrip van had. "De dreumes had helderblauwe kijkers, Willy! Heb je ooit 'n Zigeunerkind gezien, bruin van gezicht en met zwarte haren, dat blauwe oogen had?" "'n Speling van de natuur" - meende ik. "Wel héél toevallig dan, Willy! Onder deze omstandigheden!" "Ik moet bekennen, dat ik 'n oogenblik meende, of misschien dat kind . . ." "Héél goed, m'n jongen! Ik ben ervan overtuigd, dat het 't jonge aartshertogje is." "Maar dan begrijp ik niet, waarom . . ." "Waarom ze hem zoo naar voren schoven, nietwaar?" vroeg G. G., m'n gedachten radende. "Ik beken, dat dit ook mij eerst in de war maakte. Maar ik heb toch 'n verklaring gevonden, die met de feiten klopt. Je moet bedenken, Willy, dat wij van deze Gravin eigenlijk niets weten dan wat men in Londen van haar vertelde. Een verklaring geven van haar verhouding tot Imre den Czigány, kan ik dus evenmin als, jij. Maar dat er de een of andere verhouding tusschen hen bestaat, weten we beiden. En luister nu eens naar de theorie, die ik op de feiten heb opgebouwd. Imre en zij zijn - op welke wijze weet de goeie God - betrokken bij den kinderdiefstal, waarvan wij de daders zoeken. Imre weet, dat er een Engelsche detective op Vöröshegy is. Ingevolge mijn comedie-spelen op gisteren, ziet hij jou daarvoor aan. Maar in den afgeloopen nacht hoort hij van de Gravin, wie je bent. Dit neemt hij echter maar niet voetstoots aan: tenslotte heeft de Gravin je gisteren voor het eerst gezien. De Graaf kent je ook slechts oppervlakkig en heeft - het spijt me, zoo dit je ijdelheid kwetsen mocht, Willy! - met z'n vrouw waarschijnlijk nooit over je gesproken dan alleen in de laatste dagen. Zij weet dus, dat je niet meer dan 'n halve kennis bent. En ze moet voorzichtig zijn en is uit den aard der zaak wantrouwend. Over-en-weer geven zij en Imre elkaar de argumenten voor beider uiteenloopende vermoedens. Maar geen van beiden slaagt erin, den ander te overtuigen." G. G. zweeg 'n oogenblik en gaf mij zoo de gelegenheid 'n vraag te stellen: "Waarom — bij het afscheid — dan die vreeslijke heftigheid van Imre?" "Ik kan het je niet zeggen, Willy; evenmin, wie "Mariska" is, over wie ze het zoo druk hadden. Wie "Mihaly" is, heb je intusschen vanmiddag kunnen hooren." Ik knikte en G.G. ging voort, zijn "theorie" uiteen te zetten. "Er bestaat dus nog steeds twijfel. De beide bondgenooten — want dat zijn ze, Willy! — worden het nu eens over een middel om elken twijfel op te heffen. Het jongetje zal aan ons beiden vertoond worden: en men zal nauwkeurig observeeren, wie van ons beiden zich het meest voor hem interesseert. Dat de blauwe oogen onze aandacht op hem vestigen zullen, begrijpen zij best. Maar ze begrijpen óók best, dat geen detective op de gedachte komen zal, Gravin Csadányi in verband met den kinderdiefstal te verdenken. Dáárop speculeeren ze; maar ten onrechte, zooals ze spoedig bemerken zullen! Bedenk vooral, Willy, dat noch zij noch hij er eenig vermoeden van heeft, dat wij hun reeds gedeeltelijk in de kaart zien. Zij acht zich boven elke verdenking verheven, en hij is van plan vandaag nog, met het kind, spoorloos te verdwijnen. Daarop zou ik 'n eed durven doen." "Maar het was vooral de Graaf, die het kind aan ons vertoonde'; hij verzocht Ilonka, Imre te laten komen; en later vroeg hij dezen zijn zoontje te halen." "Je was zóózeer verdiept in het bestudeeren van den kleinen man, Willy, dat je niet hebt opgemerkt, dat de Graaf zijn eerste vraag aan Ilonka Keller stelde op verzoek van zijn vrouw." Ik had dat inderdaad niet gemerkt! "Je weet nu" — aldus vervolgde mijn vriend, "waarom jij van middag zoo dol op kinderen zijn moest, beste jongen! Je hebt de harten van vele moeders doen smelten! En je weet nu ook, waarom Imre met genoegen zag, dat je in het lokaas beet. Hij houdt je nu buiten allen twijfel voor G.G." "En de Gravin?" "Zeker van haar ben ik nog niet. Zij is te voorzichtig om haar man in de zaak te halen, door hem plotseling naar je uit te vragen; maar aan den anderen kant..." Hij hield even op. "Welnu?" "Zij is 'n vrouw met 'n groot verstand; ze denkt na en heeft zelfbeheersching. Ze is gevaarlijk, Willy!" "Maar je neemt bij dit alles nu maar steeds aan, dat onze kleine Bacchus werkelijk het aartshertogje is. Daarop berust feitelijk je geheele theorie. Een bewijs daarvan heb je echter niet: die blauwe oogen zeggen wel iets, maar niet genoeg!" "Er is een sterker bewijs, Willy; en dat heb jij me gebracht." "Ik?" — Mijn verbazing was groot. "Het haar!" — zeide G. G., opstaande en naar het tafeltje in den hoek gaande. Hij nam het daar liggende papier en kwam daarmede naar mij toe. "Bekijk het eens goed" vervolgde hij. "Zie je er niets bizonders aan?" Het speet mij, maar ik zag niets anders dan een heel gewoon, glad haar met aan den punt 'n klein krulletje. "Zie je niets aan de kleur?" "Zwart!" — zei ik met overtuiging. "Geverfd!" — antwoordde hij. Ik zag nu inderdaad, toen hij het licht erop liet vallen, dat er hier en daar door het zwart iets lichters heen schemerde. "Een blond haar, zwart geverfd!" — herhaalde hij. "We zullen het inpakken en zuinig bewaren." Hij vouwde het in een papier en stak die in zijn portefeuille. "En nu je oordeel over mijn theorie?" — vroeg hij. "Aan mijn oordeel zul je wel niet veel hechten" — antwoordde ik. "Maar misschien voel je iets voor 'n huldebetuiging aan je scherpzinnigheid." "Dank je, Willy!" G. G. wilde onmiddellijk handelen. Hij wilde wagen om te winnen! Zijn plannen waren snel gemaakt en wat nu geschiedde was een gevolg van onze besprekingen. Uit het venster hadden wij gezien, dat de Graaf en de Gravin naar binnen waren gegaan. Imre de Czigány was, met zijn orkestje, nog druk aan het spelen. Maar er waren slechts weinig dansende paren meer. Bijna alles zat om de tafels en dronk jongen wijn, dikwijls meer dan verstandig was! Wij zagen, dat Ilonka Keller over het feestterrein naar de slotbrug kwam, blijkbaar met het plan om naar binnen te gaan. Dit bood ons de gelegenheid, waarop wij gewacht hadden! In een oogwenk was ik in de gang en spoedde mij naar beneden, waar ik in de voorhal Ilonka tegen 't lijf liep, juist toen zij de deur binnen kwam. "Kérem szépen" *) — zeide ik, haar staande houdend, "een oogenblikje als 't u belieft! Ik dacht, dat ik u op het terrein vinden zou, maar zóó is het nog beter. Mevrouw de Gravin laat u verzoeken, aan Imre den Czigány te vragen, zijn zoontje even met u meê naar binnen te sturen. Zij heeft een kleine verrassing voor hem, die ze hem zelve geven wil." *) Het Hongaarsche aequivalent voor het Duitsche: "Bitte schön". "Zeker, genadigde Heer! Ik ga al!" — zeide Ilonka, die blijkbaar haar goeden luim teruggekregen had. En met een vriendelijk hoofdknikje keerde zij zich om en ging weer naar buiten. Ik wachtte in de voorhal op de dingen, die komen zouden. Als de vlieger opging, zooals we wenschten, zou het kind met Ilonka medegaan zonder den Czigány. Møcht de laatste meêkomen, dan werd de zaak veel lastiger, omdat wij in dat geval waarschijnlijk geweld zouden moeten gebruiken. Wij achtten het trouwens waarschijnlijk, dat hij medekomen zou, want het was niet aan te nemen, dat hij, onder de bestaande omstandigheden, het kind uit het oog zou willen verliezen. Groot was dus mijn voldoening, toen na 'n minuut of vijf Ilonka Keller, met den kleinen Mihály aan de hand, alleen verscheen; Imre de Czigány was toch niet zoo slim als waarvoor ik hem gehouden had! Het ventje kwam vroolijk op mij toegesprongen. Juist omdat wij iets dergelijks voorzien hadden, was ik naar beneden gegaan. Hij wilde weder spelen met "az angol bacsi" en ik nam hem dadelijk op den arm. "Geef u geen verdere moeite, juffrouw Ilonka" — zeide ik. "U ziet, dat Mihály en ik beste vrienden zijn. Ik zal hem wel naar Mevrouw de Gravin brengen!" "U is heel vriendelijk, genadige Heer! Als u 't niet kwalijk neemt..." "Zeker niet, zeker niet!" En Ilonka Keller verdween in de deur van haars vaders woning, die — zooals men zich herinneren zal — in de hal uitkwam. Afles liep, boven verwachting, goed van stapel. De detective en Maud (die inmiddels door G. G. ingelicht was) zouden ons op de kamer van Majoor Curtis wachten. Ik ging, met het jongetje op den arm, snel de trap op en stond een oogenblik later voor de beide wachtenden. "Alles in orde!" - zei ik, terwijl Maud het kind van mij overnam. "Bravo, Willy!" — prees G. G. "Nu komt het erop aan, zoo spoedig mogelijk van hier weg te komen. Dat wil zeggen: jij, Willy, met je vrouw, blijft rustig op Võröshegy, maar ik moet met den kleinen jongen weg — zelfs zonder afscheid van onzen gastheer te nemen! Dat is een van die treurige noodzakelijkheden, waarvoor wij, detectives, dikwijks staan: 'n onhoffelijkheid, waaraan ik het betreur mij te moeten schuldig maken!" Op dit oogenblik begon de kleine jongen te schreien. "Dat is zéér onaangenaam, Mevrouw!" — zeide G. G. "Kunt u hem niet zoet houden met 'n koekje of 'n appel? Wij moeten ervoor zorgen, dat niemand bemerkt, waar hij gebleven is!" Mijn vrouw deed alles om het kind tot bedaren te brengen, maar vergeefs! Het ventje schreide steeds heftiger. Het was wêl ongelukkig, dat hij ons en wij hêm niet verstaan konden! Ik besloot maar weer eens de proef te nemen met den knop van mijn wandelstok. "Jöj ide, Mihály" *) — zeide ik. *) Kom hier, Mihály! Het kind stampte driftig op den grond. "Mariska vagyok!" *) — zeide het, tusschen de tranen door. *) Ik ben Mariska. "Wat zegt hij?" — vroeg G. G. plotseling nader tredend. "Hij noemt zich Mariska, 'n meisjesnaam" — antwoordde ik en zag mijn vriend weifelend aan. "Zou je misschien...?" "Dwaasheid, het moet het jonge aartshertogje zijn!" Maar Maud scheen er anders over te denken. Zij hield zich 'n oogenblik met het kind bezig, terwijl wij, mannen, elkander trachtten te verzekeren, dat G. G. gelijk moest hebben. "Meneer Gill" - zeide zij toen met kalme stem, "u vergist zich. Dit kind is werkelijk een meisje!" Een oogenblik bleef het doodstil en toen voegde Maud eraan toe: "En de haren van dit meisje zijn in 't geheel niet geverfd, Mr. Gill. Ze zijn zoo zwart als ebbenhout, al zijn haar oogen blauw!" ## HOOFDSTUK IX. DE TWEEDE NEDERLAAG. Nooit, in de lange jaren van mijn vriendschap met G. G., heb ik hem zóó uit het veld geslagen gezien! Hij had zich zoo zeker van zijn zaak gevoeld en waande zich op het punt van slagen. En thans op eens deze teleurstelling! Was het nog maar alleen 'n teleurstelling geweest! Maar het drong onmiddellijk tot mij door, dat de detective, door de gemaakte fout, het welslagen bijna onmogelijk had gemaakt. Hij had het masker afgeworpen... te vroeg! En de tegenpartij — al mocht die nog twijfelen omtrent de vraag, wie van ons beiden nu eigenlijk de detective was — zou nu in elk geval weten, dat hij en ik in deze zaak samenwerkten. Van nu af moesten wij beiden als gelijkelijk gevaarlijk gelden! Indien ik er nog aan getwijfeld had, dat er onherstelbare schade was aangericht, zou ik daarvan het volgende oogenblik het bewijs ontvangen hebben. Er werd namelijk plotseling geklopt, en, terwijl we elkander nog ontsteld aankeken en niemand onzer antwoord durfde geven, werd de deur geopend. Op den drempel stond Imre de Czigány en achter hem — nog half in de gang - Ilonka Keller. Imre zag er opgewekt uit en hij boog met zijn gewonen zwier. "De "Herrschaften" zullen mijn binnenkomen wel willen verontschuldigen" — zeide hij. "Juffrouw Keller deelde mij mede, dat mijn dochtertje zich bij Mevrouw de Gravin bevond en was zoo vriendelijk, mij den weg te wijzen. Ik hoorde het stemmetje van mijn kleine Mariska echter hier in de kamer! Het is zeer vriendelijk van u, dat u zich zoo met het kind wilt bezig houden!" Wij keken elkaar opnieuw aan, en zelfs G. G. scheen niet te weten hoe hij zich houden moest. Met onnavolgbare gemakkelijkheid — het woord onbeschaamdheid zou zeker niet minder op zijn plaats geweest zijn — wendde Imre zich nu tot het kind en zeide eenige woorden in het Hongaarsch, waarvan ik alleen verstond: "Jōj ide, Mariska galambom". *) Het kind kwam dadelijk naar hem toe; hij nam het op den arm en het sloeg de armpjes om zijn hals. *) Ik dank u wel. "En bedank de 'Herrschaften' nu voor al hun vriendelijkheden" — vervolgde hij in 't Duitsch. "Bedanken, Mariska!" — voegde hij er in het Hongaarsch aan toe, en het kind zeide met een lief stemmetje: "Köszönöm szépen!" *) *) Kom hier, Mariska, m'n duifje. De deur ging toe, maar G. G. scheen nu van de eerste verrassing bekomen. Hij opende die weer snel, en, op den drempel staande, zeide hij: "Pardon, Meneer Imre, nog 'n enkel woord! U sprak daar over uw dochtertje, maar dit is toch uw zoontje, Mihály?" "Neen, genadige Heer, het is mijn dochtertje, Mariska" — antwoordde de Czigány. "U moet u niet te veel verwonderen over deze kleine maskerade" — vervolgde hij lachend. "Ik had nu eenmaal beloofd den mooisten Bacchus voor den dag te zullen brengen, dien men hier ooit gezien heeft. Die belofte kon ik niet anders nakomen dan door Mariska voor Bacchus te doen spelen. Och genadige Heer, wij, Zigeuners, zien niet op tegen 'n verkleeding!" — Bij deze laatste woorden zag hij ons aan met het onschuldigste gezicht van de wereld, maar er bliksemde in zijn oogen iets, dat half 'n bespotting, half 'n bedreiging was. "t Is 'n zonderlinge maskerade!" — zeide G. G. "En 't schijnt me nog al ver gedreven, dat u zelfs den Graaf op 'n dwaalspoor hebt gebracht." De man haalde de schouders op., Wat wilt u, genadige Heer?' — zeide hij. "Als ik hem de waarheid gezegd had, zouden de boeren, die om ons heen stonden, die ook gehoord hebben." Daar er, toen hij zijn "zoontje" aan Graaf Csadányi voorstelde, in het geheel geen boeren om ons heen gestaan hadden, was dit niet meer dan 'n uitvlucht. Het was duidelijk, dat hij den Graaf de waarheid onthouden had, teneinde ons, die in de onmiddellijke nabijheid waren, om den tuin te leiden. "Gepast kan ik uw houding niet noemen" - hernam G. G. droogjes. "Het spijt mij, dat de genadige Heer ontevreden over mij is. Intusschen kan ik hem verzekeren, dat ik niet verzuimd heb, Mevrouw de Gravin in te lichten. Zij is volkomen op de hoogte en heeft mij beloofd, den hooggeboren Heer Graaf mijn verontschuldigingen aan te bieden voor de noodzakelijkheid, waarin ik mij bevond, hem de waarheid te verbergen in tegenwoordigheid van anderen!" — De laatste woorden werden met grooten nadruk en lichte ironie uitgesproken. Daarop volgde de gewone zwierige buiging en het gebruikelijke "Alla szolga!" De deur ging toe en Imre de Czigány, met zijn dochtertje, was verdwenen! Men zal gemakkelijk kunnen begrijpen, dat wij, achterblijvenden, niet juist in triomfeerende stemming verkeerden. Het was niet te ontkennen, dat wij tot dusverre op alle punten geslagen waren! Intusschen had G. G., met zijn gewone veerkracht, zijne teleurstelling blijkbaar reeds overwonnen. Op zijn opgewekte manier noodigde hij ons uit, plaats te nemen. "Beste vrienden" — begon hij, "Majoor Curtis is niet gewoon den detective te spelen. Geen wonder dus, dat het hem 'n beetje is tegengeloopen. Maar z'n vriend G. G. heeft hem den raad gegeven, zich door aanvankelijken tegenslag nooit te laten ontmoedigen." Mijn vrouw en ik lachten om de origineele manier, waarop hij zichzelven in twee personen splitste. "G. G. heeft mij ook den raad gegeven, in zoo'n geval met 'n koel hoofd alle onomstootelijk vaststaande feiten te catalogiseeren, vervolgens alle feiten, die ons op het verkeerde spoor geleid hebben, te elimineeren, om dan ons onderzoek en onze redeneeringen opnieuw te beginnen met één of meer van de andere feiten als uitgangspunt. Gelukkig hebben wij een geheele reeks van vaststaande, hoewel nog onverklaarde, feiten te onzer beschikking. Ik heb mij dus voorgenomen, den raad van mijn ervaren vriend te volgen, en verzoek u mij daarbij wel behulpzaam te willen zijn." Wij staken daarop de hoofden bij elkander en het resultaat was het volgende merkwaardige document, door G. G. gedicteerd en door mij geschreven.
Catalogus van vaststaande, onverklaarde feiten, achtereenvolgens geconstateerd in October 19 . . . op het Slot Vöröshegy."
Toen ik de pen neêrlegde, nam G. G. het document ter hand, las het over en zeide toen: "Het is duidelijk — je zult dat met mij eens zijn, Willy, en ook U, Mevrouw! —, dat mijn flater van vandaag uitsluitend is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat ik te spoedig aannam, dat het verkleede meisje, Mariska, inderdaad een jongetje was. Dit was 'n groote fout, die des te erger is, omdat eenig nadenken mij ervan had moeten overtuigen, dat Imre de Czigány 'n veel te geslepen heer is om ons het gestolen kind om zoo te zeggen op 'n presenteerblaadje aan te bieden! De man heeft onze poging voorzien om ons van het kind meester te maken; hij heeft die zelfs uitgelokt, om ons uit ons hoekje te lokken. En hij is daarin geslaagd! Voor jou, Willy, is dat 'n onbeteekend incident. Voor mij is het een vernederende gebeurtenis!" Hij hield 'n oogenblik op en streek zich met de hand over het voorhoofd. Toen maakte hij een bruusk gebaar, alsof hij de herinnering aan zijn "fout" van zich af wilde werpen, en vervolgde: "Intusschen — afgezien van deze groote, tengevolge van overhaasting gemaakte fout - geloof ik niet, dat ik tot dusverre in andere opzichten gedwaald heb. Trouwens, als we onzen catalogus nagaan, dan blijkt het, dat we nog maar op heel enkele van de gerezen vraagstukken het antwoord kunnen vermoeden. Maar mijn vermoedens daaromtrent zijn niet gewijzigd. Op 2)d en 5)a bijvoorbeeld, antwoord ik nog steeds: het doel was, uit te maken, wie van ons beiden - jij of ik, Willy - nu eigenlijk de detective is. Dat was en is voor onze tegenstanders van het grootste belang, omdat ze dan weten zullen, wien ze in de eerste plaats in het oog moeten houden en wien ze desnoods beletten moeten hun gangen na te gaan. Gevaar is er niet, dat herhaal ik, maar . . . met de hulp van de Gravin zou het niet moeilijk geweest zijn, een van ons beiden in zijn vrijheid van beweging te belemmeren." "Nu zullen ze ons beiden in het oog willen houden" — zeide ik, wat mismoedig. "Waarschijnlijk, Willy, zeer waarschijnlijk! Ik verwed er mijn hoofd onder, dat wij beiden straks een dringende uitnoodiging zullen ontvangen, die den dag van morgen geheel in beslag zal nemen. En je herinnert je, dat morgen middag om 12 uur de vijftigduizend kronen onder den kilometerpaal gedeponeerd zouden worden!" "Neem je dus de medeplichtigheid van de Gravin als vaststaande aan?" "De feiten spreken en . . . wie is zij eigenlijk?" "De weduwe van Prins Morescu . . ." "Bèst, maar wie is de weduwe van Prins Morescu van zichzelve? Zoodra we daartoe de gelegengeid hebben, moeten wij de 'Almanach de Gotha' eens raadplegen." Wij zwegen, want wij gevoelden, dat G. G. een vraag had uitgesproken, die ons sinds lang had voorgezweefd.
* * *
Toen het donker werd, stak men op het feestterrein flambouwen aan en het dansen werd met nieuwen moed hervat. De Graaf en de Gravin soupeerden met ons, hunne gasten, in de eetkamer van het slot en daarna gingen wij allen opnieuw naar buiten, om het weggaan van de boeren bij te wonen, die — met hun vrouwen en kinderen → in kleine troepen, met eenige fakkels voorop, in verschillende richtingen aftrokken, na, met luide "éljens" op het graaflijk echtpaar, voor ons gedefileerd te hebben. Imre de Czigány en zijn dochtertje namen daarop — van zijne zijde met de noodige buigingen — afscheid, waarbij hij door den Graaf vriendschappelijk beknord werd wegens de verkleedpartij, waarvan deze thans alles scheen te weten. Waarschijnlijk had de Gravin hem inderdaad ingelicht. Toen we naar het slot terugwandelden, zeide de Graaf, dat er voor den volgenden dag een groote jacht in de omliggende bergen op het programma stond. Men zou vroeg opbreken en den geheelen dag uitblijven: natuurlijk moesten wij van de partij zijn! Majoor Curtis nam de uitnoodiging dadelijk aan, waarbij hij mij even aanzag: en in zijn blik las ik voldoening over het feit, dat zijn voorspelling was uitgekomen. Ik volgde zijn voorbeeld en Maud verklaarde, dat ze ook gaarne aan de jacht zou deelnemen. De Gravin zou niet medegaan; en toen zij dit zeide, ontmoette de blik van Majoor Curtis opnieuw den mijne. Wij waren allen moe en besloten het voorbeeld van onzen gastheer en gastvrouw te volgen, die zich in hun vertrekken terugtrokken. Mijn vrouw begaf zich dadelijk naar onze kamer; maar ik ging eerst met Majoor Curtis naar de zijne, teneinde onze plannen voor den nacht te maken. Want, hoe moe wij ook waren, van rusten zou voor ons wel niet veel komen — dat voorzag ik reeds! In de kamer brandde reeds licht. Op de tafel stond wijn met gebak, en daarnevens lag een brief. Het adres luidde aan "Majoor Curtis uit Bengalen, tijdelijk op het slot Vöröshegy". Er was geen postzegel of postmerk op het couvert: de brief was er dus waarschijnlijk door een der slotbewoners neergelegd. G. G. scheurde het couvert open en er kwam een tweede voor den dag van een eigenaardige, 'gele kleur, lang en smal. Ik kon een kreet niet onderdrukken: 't was hetzelfde couvert, dat wij den vorigen middag in handen van den Graaf hadden gezien! En ja, daar stond het duidelijk: "den heer Geoffrey Gill, slot Vöröshegy bij Kisfalva"! Wij zeiden niets; maar keken elkander met groote oogen aan. G. G. opende het tweede couvert en vouwde den brief open, dien hij eruit genomen had. Toen keken wij elkander opnieuw aan: Niets, een vel wit papier! Majoor Curtis stak alles zorgvuldig bij zich. Ik was te verbaasd om iets te zeggen, en ook hij zweeg. Eindelijk haalde hij zijn sigaren-koker voor den dag, presenteerde mij 'n sigaar en nam er zelf een. Zwijgend blies hij de rook-wolkjes in de lucht. "Willy!" — zeide hij eindelijk. "Dat is de tweede nederlaag; maar 't zal de laatste zijn, dáárop kun je rekenen!" ## HOOFDSTUK X. HET VERLEDEN HERLEEFT. Meer dan twee uur bleven wij bij elkander om te overleggen, wat ons te doen stond. G. G. deelde mijn opvatting, dat - door de geheimzinnige bezorging van den aan Geoffrey Gill geadresseerden brief aan het adres van Majoor Curtis - de tegenpartij, uit zucht tot "bravoure" ons te kennen had willen geven, dat zij er thans van op de hoogte was, dat die beiden één en dezelfde persoon waren. Zoo'n "bravoure" komt meer voor bij misdadigers, die meenen alle troeven in handen te hebben; in de geschiedenis der criminaliteit wordt zij vaak geconstateerd. Ditmaal werd ons, in dezen eigenaardigen vorm, eenvoudig te kennen gegeven: Wij hebben uw geheim ontdekt. Maar G. G. wees mij nog op een andere mogelijkheid. Het kon zijn, dat ook de bezorging van dezen brief niets anders geweest was dan een proefbalon. Het kon zijn, dat men Majoor Curtis had willen verleiden om den brief aan Geoffrey Gill te openen en daardoor te toonen, dat hij die Geoffrey Gill was. Hetzelfde had men ook bij mij kunnen probeeren. "Deze mogelijkheid viel mij dadelijk in" — zeide G. G. "Maar niettemin vind ik deze opvatting van de zaak niet waarschijnlijk. Doch zelfs indien zij juist ware, zou ik den brief toch behouden hebben. Vooreerst wist ik niet, aan wien ik hem had moeten teruggeven. Maar bovendien hier is de gewone fout gemaakt, die de misdadiger zoo vaak begaat, wanneer hij in overmoedige stemming een "bravoure"-stukje wil uithalen. Men heeft vergeten, dat de beide converten kostbare bewijsstukken zijn, ook al is de inhoud niet meer dan een stuk wit papier. Dit laatste bevestigt mij in mijn opvatting, dat het oorsponkelijk alleen erom te doen was, ons te observeeren bij ontvangst van den brief en daaruit gevolgtrekkingen te maken omtrent onze identiteit. Nu heeft men er een middel van willen maken om ons te toonen, dat men ons de baas is. En . . . wij hebben een eigenaardige enveloppe met een valschen poststempel in handen, die 't begin van ons succes worden kan! Tegenover dit voordeel, acht ik het van minder beteekenis, dat men nu weet, wie Majoor Curtis is. Wij beiden waren toch reeds verdacht, Willy! En — ook al ben ik dan thans bekend als de detective - wij beiden zullen verdacht blijven !" Na lang overleg kwamen wij tot de slotsom, dat wij moesten doen, alsof er niets gebeurd was. Zelfs scheen het ons gevaarlijk een onderzoek in te stellen naar de wijze, waarop de brief op de tafel van Majoor Curtis gekomen was. Wij wisten, dat hij door den Graaf voorloopig in handen van Béla Keller was achtergelaten; maar Béla Keller was zelf onder verdenking van de een of andere rol te spelen in de geheimzinnige gebeurtenissen, die om ons heen plaats grepen. Met hèm over de zaak te spreken was te gevaarlijk en zijne mededeelingen zouden toch onvertrouwbaar zijn. En tot wien anders konden wij ons wenden? Een oogenblik rees bij ons de gedachte, den Graaf zelven in ons vertrouwen te nemen. Maar hoe konden wij dat, waar wij met zware vermoedens tegen zijn vrouw hadden moeten aankomen? Neen, de eenig denkbare weg was een volkomen negeeren van wat zich, met betrekking tot den brief, dien avond had afgespeeld. Daaraan was ook dit voordeel verbonden, dat wij nu, als we onze oogen goed open hielden, spoedig zouden kunnen ontdekken, of deze of gene der slotbewoners of wellicht ook anderen — ik dacht hier aan Imre den Czigány — pogingen aanwenden zouden om ons aan het spreken te krijgen of achter onze plannen te komen. Ons zwijgen zou daartoe uitlokken, en zulke pogingen zouden ons belangrijke vingerwijzingen kunnen geven. Veel moeielijker viel het ons, tot een bepaald besluit te komen omtrent de jachtpartij op den volgenden dag. Op de een of ander wijze moest G. G. of ik trachten, alsdan den kilometerpaal No 7 op den weg van Kisfalva naar Vöröshegy in het oog te houden. Maar hoe zou dat mogelijk zijn, wanneer wij deel van het jachtgezelschap moesten uitmaken? Dat één van ons beiden zich ziek houden zou, scheen ons niet geraden, want dan zou men dien zoogenaamden zieke eerst recht in het oog houden. Wij wisten, dat de secretaris van den Aartshertog om 12 uur 's middags een portefeuille met Kr. 50.000 aan bankbiljetten onder den Kilometerpaal begraven zou. Er was afgesproken, dat hij dadelijk zou terugkeeren en al het verdere aan den detictive zou overlaten. Deze was van plan geweest, den volgenden ochtend voor dag en dauw het slot te verlaten en zich ongemerkt naar het bosch te begeven, teneinde zich daar te verbergen en onzichtbaar getuige te zijn van al wat er gebeuren zou. Maar - zooals de zaken thans stonden - zag hij wel in, dat dit voor hem onmogelijk zijn zou en dat ook ik zijn plaats hierbij niet vervullen kon, omdat men ook mijn gangen wantrouwde en naging. "Ik zie geen middel om uit deze moeilijkheden te geraken" — zeide hij eindelijk. "Dat spijt mij natuurlijk, maar aan den anderen kant is het geen onoverkomelijk ongeluk. Onze vijanden zijn gewaarschuwd, en zelfs als we ons morgen vrij konden maken, zouden zij ons waarschijnlijk geen kansje geven. Ik vermoed, dat zij in dit geval vêr van kilometerpaal No 7 blijven zouden en eerst later, als we weg zijn (we kunnen toch niet eeuwig op Vöröshegy blijven) den buit zouden komen afhalen." "Als wij dien tenminste niet hadden meegenomen" merkte ik op. "Dat gaat niet, Willy, met het oog op het kind. Ik hecht wel niet aan dreigementen, die dienst moeten doen om geld af te persen, maar wij mogen in dit opzicht ook niet het geringste wagen. Trouwens, nu wij hoogstwaarschijnlijk niet ter plaatse zullen kunnen zijn, hebben onze tegenstanders morgen geheel vrij spel en kunnen zij hun buit rustig in de wacht slepen." G.G. hield een oogenblik op en zijn voorhoofd fronste zich. "Neen, Willy" - vervolgde hij. "Het dient tot niets, ons fiasco hier op Vöröshegy voor onszelven te verbergen. Ik ben met het onderzoek, om 't zoo eens uit te drukken, aan den verkeerden kant begonnen. Mijn volgende nasporingen zullen uitgaan van het paleis van den Aartshertog te Budapest. Als je nog eens een blik op onzen catalogus werpen wilt, vindt je onder 2)a de vraag, die mij het eerst zal bezig houden. Ik vermoed, dat ik — wetende wat ik nu weet — langs dien weg slagen zal." "Ben je niet te optimistisch?" - vroeg ik. "Ik hoop het niet, Willy! Maar de gebeurtenissen van de laatste uren hebben mij nederig gestemd. Ik kan dus niets beloven." Ons gesprek wendde zich daarop naar wat er in den komenden nacht voor ons te doen zou zijn. Wij besloten, dat ik scherp het oog houden zou op de smalle brug, die van het slot in het park voert. Van mijn slaapkamer uit was dat gemakkelijk, zooals de lezer zich herinneren zal. Maar wij achtten het niet zeer waarschijnlijk, dat wij de Gravin opnieuw zouden kunnen bespieden, want zonder twijfel zou zij, na de gebeurtenissen van den afgeloopen dag, bizonder voorzichtig zijn. Men kon echter niet weten, en — bij het minste onraad — zou ik G. G. waarschuwen. Dat was gemakkelijk, want onze kamers lagen niet ver van elkaâr. Toen wij tot dit resultaat gekomen waren, stonden wij op en ik maakte mij gereed naar mijn kamer te gaan. G. G. opende de deur en, op den drempel staande, reikte ik hem de hand. "Ik weet niet, of ik wenschen moet je vannacht weer uit je bed te moeten halen" — zei ik. "Maar zelfs dan wensch ik je tot dat oogenblik een goede nachtrust!" "Dank je, Willy!" Het volgende oogenblik stonden we naast elkander in de gang en luisterden ingespannen. Om duidelijk te maken wat nu volgde, is het noodig hierbij een eenvoudige schets te voegen van dit gedeelte der eerste verdieping van het slot, waardoor de onderlinge ligging van enkele vertrekken duidelijker worden zal. Wij stonden dan in de deur (d) van de kamer van Majoor Curtis. De gang, die wij in de lengte afkeken tot aan de deur (e) der werkkamer van Graaf Csadányi, was zeer slecht, bijna niet verlicht. Uit die deur viel een lichtstraal naar buiten; zij stond blijkbaar op een kier. Daarbinnen werd een luid en heftig gesprek gevoerd. De afstand was te groot om het te kunnen volgen — trouwens mijn kennis van het Hongaarsch zou waarschijnlijk tôch niet groot genoeg daartoe geweest zijn —, maar duidelijk waren de stemmen van onzen gastheer en gastvrouw te herkennen. De eerste sprak op drogen, ingehouden toon, kort-afgebroken en gedecideerd; de tweede veel luider, nu en dan met iets krijschends in haar stem, met nadruk en wild-hartstochtelijk. Dat wij getuigen waren van een verbitterden twist tusschen beiden leed geen twijfel. De twistenden vermoedden niet, dat de deur niet goed gesloten was, en toen deze een oogenblik later geheel geopend werd, vermoedden zij evenmin, dat zij gezien werden. De in de gang heerschende duisternis maakte ons onzichtbaar van uit de hel verlichte kamer, temeer omdat Majoor Curtis de deur van zijn kamer, met het instinct van den detective, dadelijk gesloten had. BEWOONDE VLEUGEL: EERSTE VERDIEPING: A. Werkkamer van den Graaf B. Onze kamer. C. Kamer van Majoor Curtis D. Badkamer. E. Kleine brug a. Schrijftafel. b. Hertsgewei. c. Wenteltrap. — Deur, |||||||||| Venster. De deur aan het andere uiteinde van de gang vloog dan plotseling open. Op den drempel stond de Gravin, met den rug naar ons toegekeerd. In de kamer zagen wij den Graaf met de linkerhand op de schrijftafel geleund, en met de rechter gebiedend naar de deur wijzend. Een oogenblik slechts zagen wij dit alles, als in 'n visioen. Toen hief de Gravin de beide handen, met een woest gebaar, omhoog. Zij ging de kamer weer dieper in en sloot, met een doffen smak, de deur achter zich. Wij bleven eenigen tijd roerloos staan. "Willy" — fluisterde G. G. eindelijk, "het laatste punt, dat nog niet in onzen catalogus is opgenomen, kan wel eens het belangrijkste blijken: Wie is de Weduwe van Prins Morescu? Punt 6, Willy; onthoud dat!" "Ik zal't erbij noteeren" — zeide ik, wat spottend. "Maar intusschen staan we hier in de gang. Die scène tusschen man en vrouw zal wel geen verandering brengen in onze afspraak." De woorden waren mijn mond nog niet uit, toen er een kreet weerklonk, zóó rauw en snijdend tegelijk, dat ik van schrik verstijfde. Onmiddellijk daarop volgde een tweede, inzettend met een akelig gillen en plotseling zakkend en wegstervend. 't Was een vrouwestem, wat gedempt door den afstand, maar duidelijk genoeg om ons ervan te overtuigen, dat er iets verschrikkelijks gebeurd was. G. G. snelde de gang in, en ik, mijn verstijvenden schrik afschuddende, volgde hem. Wij openden de deur van 's Graven werkkamer: deze was leeg; maar de deur, die van hier in de groote wapenzaal voerde, stond wijd open. In een oogwenk waren wij op den drempel. Het gezicht, dat ons daar wachtte, vergeet ik mijn leven niet! Het volle maanlicht viel door de lange rij vensters naar binnen en ook door de geopende deur drong uit de werkkamer helder licht, zoodat alles in de zaal duidelijk te onderscheiden was. Ongeveer in het midden van den langen wand aan onze linker hand *) lag de gravin in haar volle lengte op den grond uitgestrekt. Haar gelaat was misvormd door een bloedige wonde, die van het voorhoofd tot de kin liep, en uit een tweede wond, die in den hals gaapte, vloeidonkerrood bloed op den gladden parketvloer. Een kleine, scherpe bijl, een wapen uit de middeleeuwen. aan den wand gehangen had. lag nevens haar. het staal met bloed bevlekt. In het midden van de zaal, met een doodsbleek gelaat en de oogen strak gericht op de roerlooze gestalte op den vloer. stond Graaf Csadányi, onbeweeglijk, als uit steen gehouwen. De armen hield hij stijf tegen het lijf gedrukt, de vuisten waren gebald en een uitdrukking van de grootste ontsteltenis lag op zijn gezicht. Het was alsof hij zijn oogen niet afwenden kon van het vreeslijke, dat daar vóór hem lag: de vermoorde vrouw, vermoord.... door wien? *) De plaats is op de schets (blz. 85) met × aangegeven.
In een oogenblik waren wij op den drempel.
En opeens voelde ik, dat het mij koud over den rug liep en de haren mij te berge rezen. De gravin lag juist onder de portretten van Graaf István Csadányi en diens ongelukkige vrouw, die op deze zelfde plaats door haar echtgenoot om het leven was gebracht.... met een strijdbijl.... Het zwarte, wreede gelaat van István en het fijne, lijdende gezicht van zijn vrouw zagen nu neder op die andere Gravin Csadányi, die vermoord was ... door wien? Mijn blikken dwaalden onwillekeurig naar de onbeweeglijke gestalte van den Graaf en ik huiverde! Weder zag ik het slotpark, met 't heldere maanlicht overgoten, en Béla Keller, die zijn wankelende vrouw ondersteunde; weder hoorde ik haar jammerende stem: "Zie jij haar niet, Béla? . . . Je moet haar toch zien!" Het spook van Vöröshegy? . . . . Het spook, waarvan de verschijning steeds den dood van een lid der familie Csadányi aankondigde? . . . Ik zag naar het verminkte lijk van de Gravin. Opnieuw huiverde ik en bedekte mij het gelaat met de handen. ## HOOFDSTUK XI. EEN HELPER IN DEN NOOD. Zooals steeds, wanneer plotselinge gebeurtenissen hem in een onverwachte of gevaarlijke positie brachten, toonde G. G. zich dadelijk meester van den toestand. Met scherpen blik en — althans naar het uiterlijk — volkomen koel, nam hij, in de deur staande, het tragische tooneel vóór ons tot in alle bizonderheden op. Dit duurde echter slechts enkele oogenblikken: toen liep hij snel de zaal in de lengte dóór en opende de deur aan het andere uiteinde. Zooals men weet, voerde deze in de ruïnes van den vervallen slotvleugel. Hij bleef op den drempel staan, met den rug naar ons toegekeerd, in het duister naar buiten spiedend en scherp luisterend. Toen sloot hij de deur, liet zijn blikken nog eens door de zaal dwalen en trad op het lichaam van de Gravin toe. Op één knie knielende, onderzocht hij snel de wonden, lichtte de oogleden op en luisterde of het hart nog sloeg. Toen hij opstond, was zijn gezicht zeer ernstig. Hij ging op den Graaf toe, legde hem de hand op den schouder en zeide op een toon, dien ik — gezien alle omstandigheden — veel te vriendelijk vond: "Graaf Csadányi, hier kan geen hulp meer baten: Uw vrouw is dood." Nu kwam er leven in de onbeweeglijke gestalte van den Graaf. Hij trad eenige stappen vooruit tot vlak aan het lijk van de Gravin. Zwijgend zag hij op haar neêr, het voorhoofd gefronst en de lippen vast opéén geperst. "Dood!" — zeide hij eindelijk dof. En schier onhoorbaar liet hij erop volgen: "O mijn God, de eer is gered, maar zóó . . . zóó . . ." Hij wankelde en G. G. trad snel nader om hem te ondersteunen, maar de Graaf had zich door een geweldige inspanning van zijn wilskracht hersteld. "Majoor Curtis" — zeide hij — "en U, Mr. Hendriks, het toeval heeft U getuigen gemaakt van een tragaedie, zoo groot — zoo vreeslijk . . ." Hij zweeg en kampte opnieuw met zijn ontroering. "Ge zijt ons geen explicatie verschuldigd" — viel G. G. hem haastig in de rede. "Ik verzoek U, thans niet te spreken. Wij zijn niet meer alleen!" Inderdaad was de deur aan het andere uiteinde der wapenzaal opnieuw opengegaan. Op den drempel stond Béla Keller met verwarde haren en een doodsbleek gezicht. Terwijl hij langzaam de plaats naderde, waar het lijk van de Gravin lag, schenen zijn oogen uit hun kassen te treden. Hij beefde over zijn geheele lichaam en zijn blikken bleven onafgewend op het lichaam gericht. "Dood?" — vroeg hij eindelijk, en wij begrepen hem meer door de beweging van zijn mond dan door den klank van het woord, dat hij nauwelijks over de lippen brengen kon. G. G. knikte zwijgend; de man sloeg beide handen voor het gezicht en ik zag, dat zijn schouders zenuwachtig schokten. Op hetzelfde oogenblik werd mijn aandacht afgeleid, doordat mijn vrouw in de deur van de werkkamer van den Graaf verscheen. In een oogwenk was ik naast haar. "In Godsnaam, Maud, ga terug" — zeide ik, haar met zachten drang terug dringend. Er is iets vreeslijks gebeurd; het is beter, dat je niet ziet, wat daarbinnen ligt." Maud was bleek geworden. "Ik heb al iets gezien" — zeide zij met gedempte stem. "De Gravin . . .?" "Haar is een ongeluk overkomen" - zeide ik snel. „Ernstig?" Ik knikte en uit de uitdrukking van mijn gezicht scheen zij de waarheid op te maken. "Dood, Willy, dood . . .?" — vroeg zij, mij onsteld aanziende. "Hoe is dat zoo plotseling gekomen? . . . Wat is er gebeurd?" . . . "Ik zal het je zeggen" — antwoordde ik. "Maar beloof mij eerst, dat je niet meer in de wapenzaal komen zult." "Kan ik niet helpen?" — vroeg zij, flink en kordaat als altijd. "Neen, Maud, hier valt niets te helpen" — zei ik; en terwijl ik haar door de gang naar onze kamer teruggeleidde, bracht ik haar met enkele woorden op de hoogte van het gebeurde. Zij was diep ontroerd en het ging mij aan het hart, dat ik haar alleen moest laten. Maar zijzelve drong erop aan, dat ik teruggaan zou, omdat — nu meer dan ooit — G. G. mijn hulp kon noodig hebben. Zij was niet bang om alleen te blijven, als het noodig was. Toen ik in de wapenzaal terugkwam, vond ik den Graaf alleen met majoor Curtis. Graaf Csadányi had het lijk van zijne vrouw naar haar kamer willen doen overbrengen en de bedienden willen alarmeeren. Maar Majoor Curtis had hem daarvan teruggehouden en hem gezegd, dat er niets gedaan worden kon en mocht, voordat hij (Majoor Curtis) het voorgevallene met hem besproken had. Vreemd genoeg was de Graaf daarop onmiddellijk ingegaan. Het was inderdaad opvallend, hoe deze zich, als 't ware onbewust, aan de leiding van den detective onderwierp. Hij zelf was door den moreelen schok, die hem was toegebracht, half verdoofd en voelde instinctmatig, dat de ander den toestand beheerschte, zonder zich — althans tot dusverre — rekenschap ervan te geven, hoe vreemd het eigenlijk was, dat deze gast van enkele dagen op een zoo critiek oogenblik de lakens uitdeelde. G. G. zelf — en dit lag geheel in zijn karakter — scheen dat niet meer dan natuurlijk te vinden. Ik, die hem zoo goed kende, begreep dat hij van nu af — met of zonder handhaving van zijn incognito — op Vöröshegy de leiding der zaken op zich nemen zou en dat het zelfs niet bij hem opkwam, dat iemand — ook de slotheer niet — daarin iets vreemds vinden zou of misschien zou trachten het te verhinderen. De merkwaardige zekerheid, waarmede hij in zulke gevallen optrad, verschafte hem bijna steeds groot overwicht op zijn omgeving. Op zijn aanwijzing had Béla Keller een laken gehaald en daarmede het lijk der Gravin bedekt, nadat G. G. zelf het bloed zooveel mogelijk verwijderd en aan het lichaam de houding eener slapende gegeven had. Overigens had hij zich ertegen verzet, dat er iets in de omgeving der doode zou worden verplaatst of aangeraakt en, nadat hij Keller bevolen had, in de kamer naast die van den Graaf te wachten tot hij geroepen werd, sloot hij de deur aan het andere uiteinde van de wapenzaal. Juist op dat oogenblik verscheen ook ik weer op het terrein en hij verzocht mij, tegenwoordig te zijn bij het onderhoud, dat hij met den Graaf wenschte te hebben. Wij namen plaats in de werkkamer terwijl de deur van de ridderzaal open bleef. De Graaf maakte nog steeds den indruk van iemand, die zich maar half ervan bewust is, wat er in zijn omgeving gebeurt. Hij had voor zijn schrijftafel plaats genomen en leunde daarop met beide ellebogen, het hoofd in de handen verborgen. G. G. scheen vast besloten, hem uit die verdooving op te wekken. Ik vond daarin iets, dat mij tegen de borst stuitte; maar aan de andere zijde begreep ik, dat mijn vriend zeker afdoende redenen had om te handelen, zooals hij deed. Ik, voor mij, was door de houding van Graaf Csadányi wel eenigszins teruggekomen van mijn eersten indruk, alsof hij zelf bij den moord op zijn vrouw de hand in het spel gehad zou hebben. Toch weifelde ik sterk in mijn oordeel omtrent zijn schuld of onschuld. Later heb ik mijzelven moeten bekennen, dat de "schaduw van het verleden", in den vorm van de geschiedenis van István Csadányi en zijn vrouw, niet zonder invloed op mijn oordeel was en dat bijgeloof feitelijk een woordje medesprak in de overwegingen, die mij aan 's Graven schuld deden gelooven. Bijgeloof! . . . Wat was er geworden van mijn vaak bespotte en zelden geprezen nuchterheid!! Het middel, dat mijn vriend koos om Graaf Csadányi tot het richtig besef van zijn omgeving en van zijn toestand terug te brengen, was zeker wêl geschikt daartoe, want het deed zelfs mij opspringen van verbazing. "Graaf Csadányi!" — zeide G. G. met kalme en onbewogen stem. "Ik heb mij in dit huis gedrongen onder een valschen naam. Majoor Curtis bestaat niet: mijn naam is Geoffrey Gill en mijn beroep detective!" De Graaf had het hoofd opgeheven en keek hem aan met een kouden, hoogen blik. "Geoffrey Gill?" — zeide hij. "Nu herinner ik mij dien naam, die in Engeland beroemd is. En U kwaamt hier, omdat . . .?" Het laatste woord klonk kort-af vragend, bijna bevelend. "Omdat mijn beroepsplicht mij hier in de buurt riep" — antwoordde G. G. met groote kalmte. "De reden kan ik u tot mijn leedwezen niet nader omschrijven, omdat daarmede hoogere belangen dan de Uwe, tot op zekere hoogte nationale belangen gemoeid zijn." "Wist u van dit alles af, Mr. Hendriks?" — De Graaf wendde zich plotseling tot mij en ik zag, dat er een gevaarlijk licht in zijn oogen scheen. Ik boog zwijgend. "Dan moet ik U zeggen, dat uw gedrag . . ." "Halt!" — klonk het opeens gebiedend. G. G. was opgestaan. Hij trad naar de schrijftafel, leunde met de rechterhand daarop en legde de linkerhand op den rug van den stoel, waarop de Graaf gezeten was, terwijl hij dezen strak aankeek. "Graaf Csadányi" — zeide hij met grooten nadruk, "spaar ons Uw verwijten. U hebt alle reden het toeval te zegenen, dat U helpers in den nood zendt." "Helpers?" — vroeg de Graaf bitter. "Wat baat mij hulp? Wie kan mij helpen?" — en, met een woest gebaar naar de ridderzaal wijzende. riep hij: "Wie geeft mij mijn vertrouwen, wie geeft haar het leven terug?" Een oogenblik heerschte er stilte. Toen vervolgde hij, met in zijn stem iets, dat mij een koude rilling door de leden joeg: "En als ge mij helpen kondt, als ge haar het leven kondt teruggeven, wie zegt U, dat ik dat zou wenschen?" Hij hield het hoofd hoog opgeheven en er lag iets uitdagends in zijn blik. G. G. schoof zijn stoel tot vlak bij de schrijftafel en nam opnieuw plaats, terwijl hij den Graaf aankeek met oogen, waaruit groote wilskracht sprak, maar tevens innig medelijden. "Niemand kan U helpen in den zin, waarin U dat bedoelt" — zeide hij. "Maar U hebt hulp noodig in een ander opzicht. De politie moet in kennis gesteld worden van wat hier gebeurd is, en . . . . " De Graaf was plotseling opgesprongen. "Natuurlijk! De politie moet gewaarschuwd worden" — zeide hij zenuwachtig. "Béla Keller moet onmiddellijk naar Kisfalva rijden. Waar is hij gebleven? Hij moet dadelijk hier komen." "Neem nog een oogenblik plaats, Heer Graaf" — zeide G. G. met zijn gewone kalmte. "Ik weet nog niet, of het verstandig is, juist aan Béla Keller die opdracht te geven. Maar bovendien is het zaak, ons vooruit goed rekenschap te geven van wat er gebeuren zal, wanneer de politie de zaak ter hand neemt." De Graaf keek hem aan met oogen, die niet begrepen. "Beprijpt U niet" — vervolgde G. G., terwijl hij den Graaf met zacht geweld in zijn stoel terugdrong. "Begrijpt U niet, dat de politie — de officieele politie bedoel ik — de meest voor de hand liggende conclusie, die uit de feiten te trekken valt, als de waarheid zal aannemen?" Graaf Csadányi bleef zwijgen. "Hebt U zich er geen rekenschap van gegeven, hoe anderen, die U vreemd zijn, het gebeurde beschouwen zullen? Denk U eens erin, wat men zeggen zal. De Gravin vermoord, — onmiddellijk nadat de misdaad heeft plaats gehad, wordt de Graaf bij haar lijk aangetroffen, zonder tranen, als versteend op haar lichaam neêrstarende. Niemand anders is te zien . . . hij is alleen . . . met haar . . . . " De Graaf was langzaam opgerezen. Hij was nu doodsbleek. "Bedoelt U, dat men mij . . . . mij . . . .?" — De stem begaf hem en hij zonk op zijn stoel terug. "De politie zal u zeker voor den dader houden, Graaf Csadányi! Begrijpt U nu, dat U hulp noodig hebt?" Het bleef stil, langen tijd. De graaf zat met het hoofd voorovergebogen, als in diep gepeins verzonken. Eindelijk keek hij op; er was een andere uitdrukking in zijn oogen en een andere kank in zijn stem gekomen. "Het spijt mij, dat ik daareven heftig en misschien onrechtvaardig was" — zeide hij. "U zult rekening houden met den vreeslijken toestand, waarin ik mij bevind." "Wij zouden den naam van mensch niet verdienen, als we dat niet deden" — antwoordde G. G. "En nu wil ik U klaren wijn schenken. Wanneer ik wilde afgaan op de uiterlijke teekenen, waarop men gewoonlijk, vertrouwt, zoude ik aan Uw schuld gelooven, zooals velen doen zullen. Maar er zijn omstandigheden (welke doet er thans niet toe), die mij daarvan terughouden. Dit beweegt mij, U mijn hulp aan te bieden. De vraag is alleen, of U die aanneemt." "Ik wil gaarne aan Uw goede bedoelingen gelooven en dus Uw hulp aanvaarden, mits . . . ." De Graaf hield- plotseling op en scheen naar zijn woorden te zoeken. "Welnu, mits? . . . ." — vroeg G. G. "Mits U van mij geen volledige openhartigheid verlangt." De woorden kwamen er eenigszins weifelend uit. Ik wist, dat een van de eerste eischen voor het wèlslagen van den detective deze is, dat hem door dengene, in wiens belang hij werkzaam is, volkomen vertrouwen wordt geschonken: daarom verwachtte ik niets anders dan dat G. G. deze voorwaarde àfwijzen zou. Maar ik vergiste mij. "Ik verlang slechts, dat U openhartig zult zijn, voor zooverre U dat zijn kunt" — zeide hij. "En ik, van mijn kant, beloof U niet meer achter te houden dan strikt noodzakelijk is." "Dan zijn wij het geheel eens, Heer Graaf! U zoudt mij nu verplichten door mij mede te deelen, hoe U den avond hebt doorgebracht, nadat U met de Gravin van het feestterrein in het slot teruggekomen waart." Hier bemerkte ik, dat Graaf Csadányi een vragenden blik in mijn richting wierp. Ik stond dus dadelijk op en zeide: "Als de heeren 't mij veroorlooven, zal ik hen bij hun verder gesprek alleen laten. Mijn vrouw is alleen en natuurlijk zeer ontsteld over wat ik haar heb moeten mededeelen." Maar ik had buiten G. G. gerekend. "Neen, Willy, je vrouw moet nog korten tijd alleen blijven. Als de Heer Graaf het veroorlooft, blijf dan hier: ik zou er grooten prijs op stellen, je zienswijze omtrent sommige punten te vernemen." En — zich tot den Graaf wendende — voegde hij eraan toe: "Mr. Hendriks en ik hebben meermalen samengewerkt. Ik toets mijn inzichten dikwijls aan de zijne." Hoewel ik heel goed begreep, dat dit gezegde meer complimenteus dan waar was, deed het mij toch genoegen, dat mijn vriend zich aldus uitliet tegenover den Graaf. Maar dezen scheen mijn blijven toch niet geheel naar den zin te zijn. "Het zal mij aangenaam zijn, als Mr. Hendriks hier blijft"— zeide hij koel en met een stijve buiging. Blijkbaar had hij mij nog niet vergeven, dat ik mijn verhouding tot G. G. geheim had gehouden. Ik was geen detective en behoorde dus geen masker te dragen! ## HOOFDSTUK XII. DE HOUDING VAN BÉLA KELLER. "Ik heb U eigenlijk slechts weinig te zeggen" — aldus begon Graaf Csadányi. "Het was, zooals U weet, ongeveer half-negen toen de Gravin en ik in het slot terugkwamen. Zij trok zich terug in haar vertrekken om wat rust te nemen. Ik werkte tot half-elf hier in mijn kamer: er waren vele brieven te beantwoorden." "Waart u alleen?" — vroeg G. G. "Bela Keller, die intelligent is en een goede hand schrijft, helpt mij dikwijls. Ook van avond was hij bij mij." "Hebt U niets bijzonders aan hem gemerkt?" "Hij was stil en gedrukt. Het schijnt, dat zijn vrouw weer minder wèl is, en daar tobt hij over. — Om half-tien liet ik mij wat wijn en licht gebak brengen." "Wie bracht U die ververschingen?" "Ilonka Keller. — Wij aten en dronken wat, onder het werk door, want Keller bleef bij mij, totdat om half-elf ongeveer zijn dochter de borden en glazen kwam wegruimen. Hij verliet toen, tegelijk met haar, de kamer." "Hebt U ook toen niets aan hèm of háár gemerkt?" "Nu ik er achteràf over nadenk, valt mij in, dat zij bleek en zenuwachtig was." "Was zij dat reeds, toen zij U de ververschingen brengen kwam?" "Het is mij toen niet opgevallen." "En U hebt niets anders opgemerkt?" "Neen! . . . Ja toch" — viel hij zelven in de rede. "Toen zij de kamer verlaten hadden, meende ik in de gang een onderdrukten kreet te hooren. Ik opende zelfs de deur en vroeg of er iets gebeurd was. Keller antwoordde, dat het niets was: zijn dochter was alleen uitgegleden." "Dat is interessant" — zeide G. G. "En zij had van de glazen en borden, die zij droeg, er geen enkel laten vallen?" "Neen. — Toen zij weg waren, ging ik de Gravin opzoeken om te zien, of zij uitgerust was. Ik was misschien een half uur bij haar." "Waar liggen de apartementen van de Gravin?" "Gelijkvloers." "En er gebeurde niets bizonders tusschen U beiden?" "Niets!" — De stem klonk droog en kort. "U hadt geen meeningsverschillen?" "Er was toen geen wolkje tusschen ons!" "Toen?" — De oogen van den detective rustten met een eigenaardige uitdrukking op den Graaf. Deze was opnieuw zeer bleek geworden. Hij bleef eenigen tijd zwijgen en ik ontdekte, dat er in de staalblauwe oogen van mijn vriend een harde, strakke uitdrukking kwam, die ik zeer goed kende: hij begon aan de onschuld van den man vóór hem te twijfelen. Plotseling maakte deze een energiek gebaar. "Waarom zou ik het verzwijgen?" — zeide hij. "Kort daarop hadden wij een zeer heftige woordenwisseling." "In de vertrekken van de Gravin?" "Neen. Hier, in mijn werkkamer. Ik was dadelijk hierheen teruggekeerd." De harde uitdrukking in G. G.'s oogen verdween, maar zijn vragen volgden nu als hamerslagen op elkander, snel, zoodat zij den ander geen tijd tot overleggen lieten. "Hoe kwam zij hier?" "Zij had altijd de gewoonte 's avonds korten tijd in mijn werkkamer te komen. Dat was niets bizonders." "U deedt haar verwijten?" "Ja." "Waarover?" "Op die vraag kan ik U geen antwoord geven, Mr. Gill." "Maar waarom die verwijten niet vroeger tot haar gericht, toen U op haar kamer waart?" "Ik wist toen niet, dat er reden tot verwijt bestond." "Dat is waar, er was toen geen wolkje tusschen U! Dus U hebt die reden ontdekt, nadat U in Uw kamer teruggekeerd waart. Waren de gordijnen gesloten, zooals nu?" "Zeker; maar ik begrijp niet wat die vraag beduidt." G. G. deed, alsof hij deze opmerking niet hoorde. "U hebt niemand anders gezien of gesproken?" "Neen!" — G. G. was opgestaan. Hij ging naar een der ramen, schoof het gordijn op zij en keek nadenkend naar buiten. Hoewel ik nog steeds niet wist, wat ik denken moest van de rol, die de Graaf speelde in de tragische gebeurtenissen, die op Vöröshegy plaats vonden, kon ik toch niet nalaten de geestkracht te bewonderen, waarmede hij zich aan de scherpe ondervraging van den detective onderwierp en diens vragen kort en bondig beantwoordde. Ik kon zien, dat G. G. er evenzoo over dacht; hij maakte den indruk van een arts, die den patiënt, in diens eigen belang, met krachtige hand moet aanpakken. Opeens draaide de detective zich om. Ik begreep uit de uitdrukking van zijn gezicht, dat hij een troefkaart zou uitspelen. "Graaf Csadányi" — zeide hij (en het scheen of hij mijn gedachten geraden had!), "ik betreur het, dat ik u nog langer lastig moet vallen. Wees ervan overtuigd, dat ik het niet doen zou dan in de uiterste noodzakelijkheid. Van mijn kant heb ik U ook een mededeeling te doen." — Hij zweeg een oogenblik en zeide toen, kort-af en met grooten nadruk: "Hedenavond heb ik een anonieme mededeeling ontvangen." "U ook?" — De woorden waren den Graaf ontvallen, vóórdat hij zich rekenschap geven kon van hun beteekenis. Hij zweeg, in het bewustzijn van de fout, die hij begaan had, en het bleef eenige oogenblikken stil. Met groote bitterheid zeide hij toen: "U hebt mij een strik gespannen, Mr. Gill. Ik erken dat ik niet opgewassen ben tegen Uw detective-slimmigheidjes!" "Dat behoeft U niet bitter te stemmen" — antwoordde G. G. "Het was duidelijk, niet waar, dat U een mededeeling moest ontvangen hebben: U had niemand gezien of gesproken, het is onmogelijk uit deze kamer met de buitenwereld in verbinding te komen, en toch hadt U ontdekt, dat er redenen bestonden om de Gravin heftige verwijten te doen. Die redenen moesten U dus schriftelijk ter kennis gekomen zijn." "Als U dat toch reeds uit mijn woorden hadt opgemaakt, begrijp ik te minder, waarom U slimmigheidjes gebruiken moest." "Omdat ik weten wilde, of het aan •U gerichte schrijven óók een anoniem schrijven was." "Waarom opnieuw die leugen, Mr. Gill?" G. G. keek hem verbaasd aan: toen glimlachte hij even. "U meent, dat ik in het geheel geen schrijven ontvangen heb?" — vroeg hij. "Laat mij U overtuigen!" — en hij overhandigde hem de buitenste enveloppe van den brief, dien wij op zijn kamer gevonden hadden. De Graaf wierp er een onverschilligen blik op en zeide niets. "Ik zie, dat U over dit onderwerp niet verder spreken wilt" — hernam G. G. "Slechts één vraag nog: gelijkt de enveloppe, waarin Uw brief U bereikte, op deze?" "Er was geen enveloppe om den brief" — antwoordde Graaf Csadányi. "Dank U!" De detective ging op De detective ging opnieuw zitten, stak het couvert weer in den zak en verzocht den Graaf zijn verhaal te vervolgen. "Er is weinig meer te zeggen" — zeide deze. "Onze woordenwisseling eindigde ermede, dat de Gravin in groote drift de ridderzaal insnelde." "Sloot zij de deur achter zich?" "Ja!" "En toen?" . . Het was duidelijk, dat de Graaf diep ontroerd was bij het herdenken van die vreeslijke oogenblikken. Zijn stem klonk schor en gebroken. "Toen . . . . Toen kwam bijna onmiddellijk die vreeslijke kreet . . . en dáárop, voordat ik nog de deur bereikt had, die tweede, . . . die nòg afschuwelijker was . . . . U weet, wat ik daarbinnen vond . . . ." Hij zweeg en kampte met zijn ontroering. G. G. stond op en legde hem opnieuw de hand op den schouder. "Het zal U, bij wat U in de eerste dagen te wachten staat, misschien sterk maken, wanneer ik U verzeker, dat ik elk woord, dat U gezegd hebt, onvoorwaardelijk geloof"— zeide mijn vriend met iets plechtigs in zijn stem; en vervolgens, nòg nader tredende, voegde hij eraan toe: "Uw eer is in mijn handen veilig— Uw eer en die van de Gravin!" Met een snelle beweging hief Graaf Csadányi het hoofd op en beider blikken ontmoetten elkander. Opeens barstte de ongelukkige man in heftig snikken uit; en G. G. trad, bijna eerbiedig, achteruit. "Willy" — fluisterde hij mij toe, terwijl de ander aan zijn tranen den vrijen loop liet, "dat is zijn behoud: ik vreesde, dat de spanning hem te veel worden zou." Kort daarop bracht G. G. Bela Keller, wien hij — zooals men zich herinneren zal — verzocht had, in het nevenvertrek te wachten, bij ons binnen. Hij deed hem neêrzitten in een leunstoel, en ik geloof werkelijk dat de man anders op den grond gevallen zou zijn. Hij zag nog steeds doodsbleek, zijn lippen trilden en zijn handen beefden zóó sterk, dat hij ze nauwelijks op de armleuningen van den stoel kon laten rusten. Zijn oogen zwierven nu en dan schuw van den een naar den ander, maar bleven meestal op den grond gericht. Een beeld van den grootsten angst...èn van schuld, die ontdekking vreest. Dezen indruk kon ik niet van mij afzetten, toen ik den man daar zoo gebroken zag neêrzitten. "Meneer Keller" — begon G. G. op sussenden toon, "maak U toch niet zoo zenuwachtig. Wij hebben niet het minste kwaad tegen U in den zin." "Ik zou niet weten, welk kwaad U mij zoudt kunnen doen!" — De woorden waren uitdagend, maar de toon nam dien indruk geheel weg. "Des te beter!" — zeide G. G. "U begrijpt wel, dat na wat hedennacht gebeurd is — er verschillende dingen opgehelderd moeten worden." "Natuurlijk! Maar hoe komt het, dat *U* mij ondervraagt?" — Opnieuw dezelfde tegenstelling tusschen inhoud en toon zijner woorden. "Omdat de Heer Graaf mij dat verzocht heeft." Keller boog het hoofd en zweeg. "Wat weet U van de gebeurtenissen, die hier van nacht zijn voorgevallen?" — vroeg G. G. "Niets" — antwoordde de ander haastig. "Ik begrijp niet, waarom U aanneemt, dat ik er iets van weet." "Wij nemen niets aan, meneer Keller! Wij vragen alleen." Keller bleef zwijgen, maar zijn gezicht nam de uitdrukking aan van een in het nauw gebracht dier; wanhopig, maar gereed van zich af te bijten. "Ik herhaal opnieuw, dat niemand U kwaad wil doen" hernam de detective. "Ik kan niet inzien, welke reden er bestaat U zoo op te winden." Keller zweeg steeds hardnekkig. "U weet dus niets, dat eenig licht op deze treurige zaak werpen kan" — vervolgde G. G. op rustigen toon. "Toen U zooeven in de ridderzaal kwam, was het gezicht, dat U daar wachtte, nieuw voor U?" "Natuurlijk!" — Ditmaal sprak hij dit ééne woord zonder eenig aarzelen uit. "Hoe kwam U op dat ongewone uur in dit gedeelte van het slot?" Het duurde eenigen tijd, voordat op deze vraag antwoord volgde. "Ik hoorde die kreten, zooals U allen die waarschijnlijk gehoord hebt" — zeide hij eindelijk met zwakke stem. Aan het beven zijner handen was te zien, dat hij steeds zenuwachtiger werd. "Waar was U, toen U die kreten vernam?" . Plotseling sprong Béla Keller op en de gedwongen kalmte, die hij tot dusverre, althans in zijn spreken, nog had weten te behouden, was verdwenen. Vóór ons stond een wanhopig, tot het uiterste gedreven man, woest van gebaar, wild van oog en krijschend van stem. "Ik houd het niet uit! U martelt mij! Als u mij voor schuldig houdt, zeg het ronduit! Ontkennen zâl ik het niet!" Ook G. G. was opgestaan. Hij zag den wanhopigen man recht in de oogen en zeide toen: "Bedenk wat U zegt! U zult niet ontkennen, maar bekent U?...." "Neen!" — Het woord was bijna een schreeuw. De Graaf reikte hem dadelijk de hand en zeide op hartelijken toon: "Ik geloof je ten volle, Keller!" G. G. deed geene verdere vragen, maar trachtte hem tot kalmte te brengen. Met den hem aangeboren tact gelukte hem dat inderdaad. Keller nam weer op zijn stoel plaats en bleef strak vóór zich op den grond kijken. "Kom, m'n beste heer!" — zeide de detective eindelijk. "Het wordt tijd voor ons allen, 'n beetje rust te nemen als ons dat tenminste mogelijk is. Is U in staat, alleen naar Uw woning te komen, of zal ik even met U medegaan?" "Dat is onnoodig, geheel onnoodig, genadige Heer!" — zeide Keller, haastig opstaande. "Ik ben toch niet ziek: ik kan best alleen gaan." - Nadat hij ons verlaten had, gingen wij nog eens in de wapenzaal, waar G. G. ten tweeden male alles nauwkeurig opnam. Toen namen wij afscheid van den Graaf. Het zou wreede ironie geweest zijn, tegenover hem van rust-nemen te spreken. Hij wilde den nacht in zijn werkkamer doorbrengen; in zijn toestand zou het dwaasheid geweest zijn te hopen op den slaap, die toch zoo hoog noodig was. — G. G. nam op zich nog dienzelfden nacht naar Kisfalva te rijden, om van dááruit een telegram van den Graaf naar de politie in Zsolna te zenden. Hij verontschuldigde zich nog eens wegens den overlast, dien hij den Graaf zoo dadelijk na de vreeslijke gebeurtenis had moeten veroorzaken, en drukte hem opnieuw op het hart, alles in de wapenzaal — ook het lichaam van de Gravin — onaangeroerd te laten. Elke verandering, die de Graaf zou trachten te maken, zou door politie en justitie in diens nadeel uitgelegd kunnen worden. En — naar G. G. verzekerde — had hij enkele zaken geconstateerd, die — als alles onveranderd bleef — zelfs voor de politie een vingerwijzing zouden kunnen worden, om de schuld elders te zoeken. "Of zij inderdaad scherpzinnig genoeg zal zijn, die vingerwijzing op te volgen, is een tweede zaak" — voegde hij er, met lichte ironie, aan toe. Wij verlieten den Graaf — nadat hij het telegram voor Zsolna opgesteld en aan G. G. overhandigd had — voor zijn schrijftafel gezeten, het hoofd op de hand geleund, in een houding van de diepste neêrslachtigheid. Enkele oogenblikken later, toen ik in mijn slaapkamer trad, wachtte mij daar een nieuwe verrassing. Maud kwam mij, nog geheel gekleed, met een doodsbleek gezicht tegemoet. "Waar is Mr. Gill? Roep hem onmiddellijk!" — zeide zij. "Maar..." "Gauw, Willy!" — Er lag zulk een angst in haar stem, dat ik niet verder vroeg, maar dadelijk weer in de gang trad. Met enkele schreden had ik den detective ingehaald, die zijn eigen kamer nog niet bereikt had. Wij vonden Maud in een leunstoel gezeten, recht overeind, met de beide handen krampachtig om de leuningen geklemd. "Willy" — zeide zij, "en U, Mr. Gill, U zult mij voor waanzinnig houden, en toch ben ik volkomen bij mijn verstand! Zooeven heb ik het spook van Vöröshegy gezien!"
Waar is Mr. Gill?
## HOOFDSTUK XIII. PUNT 6 VAN DEN CATALOGUS. "Onze nachtrust zullen wij maar afschrijven" — zeide G. G., toen ook wij beiden hadden plaats genomen. "Laat Mevrouw beginnen met ons te vertellen, wat zij gezien heeft. Daarna zullen we, om ons van alle omstandigheden rekenschap te geven, eens gezamenlijk nagaan, wat het laatste uur ons geleerd heeft. En dan komt de rit naar Kisfalva: maar ik weet nog niet, Willy, of die tot mijn of tot jouw aandeel in de werkzaamheden behooren zal." G. G. had zijn gewonen toon van lichten spot hernomen, die bij hem zoo dikwijls diende om diepere gevoelens te verbergen. Maud vertelde nu, dat zij te zenuwachtig was geweest om naar bed te gaan en dus opgebleven was om mijn terugkomst af te wachten. Zij had een boek genomen en haar best gedaan, zich daarin te verdiepen; maar het was haar niet gelukt, haar aandacht op iets anders te bepalen dan op het drama, dat zich op Vöröshegy had afgespeeld. De groote stilte, die nu heerschte, had haar nòg zenuwachtiger gemaakt. In haar ongedurigheid had zij ten slotte de deur van de kamer geopend. Zij was enkele minuten aan de open deur blijven staan, met den deurknop in de hand, "luisterend" naar de doodelijke stilte. Er was toen 'niemand in de gang te zien. Zij had vervolgens weer naar binnen willen gaan, maar daarbij was de zoom van haar rok tusschen de deur beklemd geraakt, zoodat zij deze plotseling weer half geopend had. Op dat oogenblik flitste er in de donkere gang iets wits voorbij. Het kwam van rechts, en toen Maud de deur geheel open wierp, zag zij links van zich een witte vrouwengestalte voortglijden. Dit laatste woord koos zij opzettelijk, omdat zij geen geluid van voetstappen of geruisch van vrouwenkleêren vernomen had. Het spook — of wat het ook zijn mocht — gleed onhoorbaar voort en scheen geheel gehuld in een wit, los-afhangend laken. Bij de trap bleef het even staan, hief de hand omhoog en verdween. Maud bekende, dat zij niet den moed gehad had, deze geheimzinnige verschijning te volgen. De griezelige geschiedenis van het spook van Vöröshegy was haar plotseling ingevallen: en zij huiverde bij de gedachte, dat juist in dezen nacht, waarin een Gravin Csadányi vermoord was, de geest van de voor eeuwen vermoorde op het slot zijn rondgang deed. De zenuwen waren haar de baas geworden; slechts met moeite had zij zich ingehouden, om het niet uit te schreeuwen. En in de grootste spanning had zij op mijn terugkomst gewacht, wetende dat G. G. waarschijnlijk bij mij zou zijn. Instinctmatig deed zij, in haar angst, een beroep op den helderen blik en het koele hoofd van den detective, hoewel zij, voor zichzelve, de vaste overtuiging had, dat zij een bovennatuurlijke verschijning gezien had. Ik moet bekennen, dat ik tot haar zienswijze overhelde. De gebeurtenissen van dien nacht hadden mij vatbaar gemaakt voor dergelijke indrukken, maar bovendien - de gestalte was van rechts gekomen, dus van de zijde, waar de gang doodliep op de deur van 's Graven werkkamer. En in die kamer hadden de Graaf en wij den geheelen avond gezeten en zat de Graaf nog! Een wezen van vleesch en bloed kon zich toch niet uit de ijle lucht gecondenseerd hebben! G. G. had het verhaal van Maud zwijgend aangehoord en onthield zich van eenig oordeel daarover. Met gesloten oogen leunde hij achterover in zijn stoel - een onfeilbaar teeken, dat hij aan het "nadenken, combineeren en deduceeren" was, zooals hij dat zelf zoo gaarne uitdrukte. Wij stoorden hem niet, en met haar hand in de mijne kwam Maud langzamerhand tot kalmte. Het duurde zeker tien minuten, voordat G. G. de oogen opsloeg. "Beste vrienden" - begon hij. "Laat ons dit laatste en interessantste avontuur voorloopig buiten beschouwing laten. De geestenwereld is een gevaarlijk terrein, zelfs voor een detective! Laat ons liever beginnen met na te gaan, hoe wij ons moeten stellen tegenover de beide personen, die tot dusverre de eenige zijn, op wie verdenking zou kunnen rusten: Graaf Csadányi en Béla Keller." "Ik ben ervan overtuigd, dat Keller de schuldige is" zeide ik. "Na zijn houding van zooeven dunkt mij, dat daaraan nauwelijks meer redelijke twijfel bestaan kan." "Impulsief, als altijd, Willy!" - zeide G. G., terwijl hij mij met een knipoogje toeknikte. "Te haastig gedacht en te haastig gesproken! Je weet, ik houd van systeem bij het werk. Laat ons beginnen bij het begin: Graaf Csadányi." "Je zult toch niet beweren, dat je zijn onschuld nog in twijfel trekt?" "Ik beweer heelemaal niets, m'n beste jongen" — antwoordde G. G. "Het is mij alleen te doen om nuchtere feiten. Waarop grondt jij je meening, dat Graaf Csadányi onschuldig is?" "Op zn heele houding! Op elk woord, dat hij gezegd heeft! Zóó spreekt geen man, die z'n geweten met 'n bloedschuld belast heeft!" "Heel elegant uitgedrukt, Willy! Intusschen — je geeft alleen gevoelsargumenten. De vraag is nu maar, of de feiten die argumenten dekken." "Je hebt toch zelf gezegd, dat je elk woord geloofde van wat hij ons verteld heeft." "Zeker — maar alleen op grond van de nuchtere feiten. Gaan wij uit van de veronderstelling, dat Graaf Csadányi zijn vrouw vermoord heeft, dan is dat gescheid of in drift, of met opzet. Was het in drift geschied, dan zou hij (aangenomen, dat hij niet, vol zelfverwijt, zichzelven beschuldigd had) zorgvuldig gezwegen hebben over zijn twist met haar. In plaats daarvan bekent hij ons dien zonder omwegen, hetgeen des te opvallender is, omdat hij de reden tot den twist verzwijgt. Mijn conclusie is: in drift heeft hij haar niet vermoord." "Toch niet met opzet? Het is te gek om over te spreken!" "Juist, Willy! Tot die conclusie ben ook ik gekomen, maar alweer alleen op grond van de feiten. Ik kan mij voorstellen, dat in zekere ongewone omstandigheden een respectabel man ertoe komt zijn vrouw opzettelijk om te brengen." "Maar Mr. Gill! Hoe kunt U zoo iets zeggen?" - viel hier mijn vrouw in. "Zeker, Mevrouw, het klinkt wat ruw. Toch kennen de criminalisten zulke gevallen, waarin de gemoedstoestand van den man hem, na de allersterkste provocatie, tot bewuste misdaad brengt. In Frankrijk wordt zoo'n misdadiger soms zelfs vrijgesproken. Maar in zoo'n geval komt de man ruiterlijk voor zijn daad uit; enkele malen zelfs beroemt hij zich daarop. Nu heeft de Graaf dat allerminst gedaan, en het had zelfs den schijn, alsof eerst mijn woorden hem de oogen openden voor de omstandigheid, dat men hem voor den schuldige zou kunnen houden. Hieruit concludeer ik, dat hij niet behoort tot die — gelukkig zeer weinig talrijke! — categorie van respectable mannen, wier karakter hen tot zulk een misdaad brengen kan. — Blijft de vraag, of wij ons in het karakter van den Graaf vergist hebben en of wij niet misschien tegenover een gewonen misdadiger staan." "Uitgesloten!" — zei ik, bijna driftig. "De conclusie, waartoe jou je gevoel brengt, is ook de mijne, maar op grond van de feiten natuurlijk! Denken wij ons een laaghartigen moordenaar, dien men nevens zijn slachtoffer vindt, zonder dat er directe bewijzen van zijn schuld zijn. Een oogenblik later komt er iemand op het tooneel, wien het woord schuld om zoo te zeggen op het gezicht gestempeld staat, die zelfs zegt, dat hij zijn schuld niet ontkennen zal, als men hem voor schuldig houdt. Wat doet in zoo'n geval de moordenaar? Met beide handen grijpt hij de gelegenheid aan om de schuld van zich af te schuiven, en, als hij daar kans toe ziet, den ander te belasten. Graaf Csadányi heeft juist het omgekeerde gedaan! Op die gronden - nog afgescheiden van de aanwijzingen, die ik op de plaats van de misdaad heb opgemerkt en waarover wij morgen misschien nader met de politie spreken — besluit ik tot Csadányi's onschuld." G. G., die in de gewone omstandigheden zoo spottend en luchthartig in zijn spreken zijn kon, had soms buien, waarin hij bijna schoolmeesterachtig werd. De woorden volgden dan op elkaâr in onverbiddelijk logische volgorde, en naarmate de logica strenger werd, verdween de humor. Zoo was het ook nu. "Gaan wij thans over tot het vormen van ons oordeel over Béla Keller" — vervolgde hij. "Hier zien we een man, wien — zooals ik daarjuist reeds zei — de schuld op het voorhoofd geschreven staat. Hij is zenuwachtig, bijna wanhopig, nog vóórdat ons gesprek begonnen is; hij verdedigt zich tegen onze verdenking, nog vóórdat die is uitgesproken. En op de pertinente vraag, hoe hij hedenavond in ons gedeelte van het slot kwam, zoodat hij de kreten van de Gravin hooren kon, antwoordt hij met 'n uitvlucht en 'n dramatische uitbarsting. Dit alles wijst hem aan als den dader "Juist!" — zeide ik met nadruk. "En toch, hij is de dader *niet*, Willy!" — hernam de detective. "Ditmaal voert je impulsief voelen je op een dwaalspoor." "Ik ben benieuwd naar de feiten, die je er tegenover te stellen hebt." "Ten eerste heeft ook deze man geen poging aangewend om de schuld op een ander te gooien. Gegeven de omstandigheden, was niets voor hem gemakkelijker geweest dan den Graaf verdacht te maken. Een werkelijke misdadiger zou dat gedaan hebben. Ten tweede echter — en het verwondert mij, Willy, dat je niet op dit voor de hand liggend argument gekomen bent —: wie heeft ooit gehoord, dat een moordenaar, die zich ongezien van de plaats zijner misdaad uit de voeten heeft gemaakt, daarheen onmiddellijk terugkeert in den toestand, waarin wij Béla Keller gezien hebben? Dat is maar in één geval mogelijk, namelijk wanneer hij zich voorgenomen heeft zijn schuld te bekennen en zelfs dan is het nog onwaarschijnlijk! Maar Béla Keller heeft geen schuld bekend." "Hij zei toch . . ." "Ik weet precies, wat hij zei, Willy! "Als U mij voor schuldig houdt, zeg het dan ronduit! Ontkennen zal ik het niet" — dat waren zijn woorden. Maar op mijn vraag of hij bekende, schreeuwde hij zijn "neen" letterlijk uit!" "Dat blijft mij onverklaarbaar" — zeide ik. "Hij ontkende en bekende in één adem." "Toch is het wèl te verklaren, Willy! Onderstel eens, dat Keller weet wie de schuldige is, en dat hij dezen ten koste van alles redden wil. Wanneer men hèm dan ging verdenken, zou hij de schuld op zich nemen, omdat hij vreest, dat een nauwkeurig onderzoek de schuld van dien ander zou uitbrengen. Maar, op den man af gevraagd, of hij de afschuwelijke misdaad beging, komt hij met heel zijn eerlijk hart daartegen in opstand, en barst uit in een hartstochtelijk: Neen!" Dit was een geheel nieuw gezichtspunt; toch viel er voor mij nog geen lichtstraal in het duister, dat ons aan alle zijden omringde. "Wanneer hij werkelijk de schuld van een ander op zicht nemen wil, kan die ander toch alleen de Graaf zijn" — zeide ik. "Is het werkelijk denkbaar, dat zijn trouw sterk genoeg is, om zichzelven voor zijn Meester op te offeren?" "Je vergeet, Willy" — antwoordde mijn vriend, "dat wij reeds op goede gronden hebben uitgemaakt, dat Graaf Csadányi niet schuldig zijn kan." "Maar Keller kan gelooven dat hij schuldig is." "Dat is niet waarschijnlijk. Ik heb den slotbewaarder scherp in het oog gehouden, toen de Graaf hem de hand reikte en zeide, dat hij in zijn onschuld geloofde. Het is niet eens bij Keller opgekomen, dat de Graaf zelf gevaar loopt voor den schuldige te worden aangezien." "Dus je gelooft . . .?" "Dat noch Graaf Csadányi noch Béla Keller de moordenaar is." "Ik kan dat niet zoo voetstoots aannemen, G. G." — zeide ik weifelend. "Wien zouden wij dan moeten verdenken . . . ?" Terwijl ik de vraag uitsprak, viel mij plotseling de geheime samenkomst van de Gravin met Imre, den Czigány, in. Ik voelde, dat ik een kleur van opwinding kreeg. En, alsof zij mijn gedachten gelezen had, zeide Maud op dat oogenblik: "Ik verdenk Imre den Czigány!" "En ik het spook van Vöröshegy" — zeide G. G. bedaard. Het scheen, dat de mededeelzame bui van mijn vriend met deze plotselinge en zonderlinge uitspraak haar einde gevonden had. De vragen om naderen uitleg, waarmede Maud en ik hem natuurlijk bestormden, liet hij onbeantwoord. Daarbij verschanste hij zich achter de moeilijkheden, die de detective te overwinnen heeft, en de vergissingen, die hij begaan kan, wanneer hij zich met de onstoffelijke wereld inlaat; 't was duidelijk te voelen, dat hij zich door spotternij wilde àfmaken van een verklaring. Waarschijnlijk berouwde het hem reeds, dat hij zich had laten verleiden tot de vage aanduiding, die in onze oogen zoo raadselachtig was. Ten slotte verzocht hij ons, op eenigszins scherpen toon, dit onderdeel van het vraagstuk voorloopig te laten rusten. "Het wordt tijd, dat wij den Catalogus onzer vaststaande feiten aanvullen" — zeide hij. "Punt 6 hebben wij nog niet geformuleerd. Wees zoo goed het eronder te schrijven, Willy! Ik herinner mij, dat er nog plaats genoeg is." Ik had het merkwaardige document nog in mijn zak. G. G. dicteerde en ik schreef opnieuw: ___ "Van deze vragen is er maar één, waarop wij met eenige zekerheid een, zij 't ook vrij vaag, antwoord kunnen geven" — zeide G. G., nadat hij had overgelezen wat ik geschreven had. "Ik bedoel vraag b. Het antwoord daarop zal wel luiden: "Omdat die oorzaak zijn eer of de eer van zijn familie aantast. Na wat wij hier op Vöröshegy hebben meêgemaakt, is die onderstelling niet àl te stout. Overigens moeten wij het antwoord op al deze vragen nog zoeken." "Als ik zoo den geheelen catalogus eens naga" — zeide ik, wat mismoedig, "is 't al bitter weinig wat wij weten of half weten. Ons verblijf is hier geen succes geweest!" "Het heeft ons toch eenigen vasten grond onder de voeten gegeven" — antwoordde G. G., terwijl hij mij op den schouder klopte. "Wanneer wij aan het andere einde van den draad beginnen, konden wij wel eens eerder dan wij verwachten uit den doolhof geraken!" Hij zweeg een oogenblik. Daarop stond hij op en stak mij de hand toe. "Willy!" — zeide hij, met groote hartelijkheid. "Ik dank je voor je hulp tot dusverre. Maar 't zou maar half werk zijn, als je me nu in den steek liet. Ik reken ook verder op je — met goedvinden van Mevrouw!" — en hij maakte een lichte buiging in de richting van Maud. "Ik vind het goed" — zeide deze, die nu weder geheel de oude was, "maar ik stel een voorwaarde: U moogt mij niet naar huis sturen." "Afgesproken!" — Hij reikte ook haar de hand. "En nu, Willy, wordt het tijd, dat je opstapt om den rit naar Kisfalva te ondernemen. Van het station uit kun je naar de politie te Zsolna telegrafeeren!" "Dus jij blijft hier, G. G.?" "Ik moet wel" — zeide hij. "Het spook van Vöröshegy heeft mij een streep door de rekening gehaald. Mijn taak is hier nog niet afgeloopen. Laat Mevrouw, tijdens je afwezigheid, trachten eenige rust te nemen." Toen we in de gang stonden, vervolgde hij: "We zullen Bela Keller moeten opkloppen, om 'n paard te krijgen. Ieder ander moet buiten de zaak gehouden worden. En, Willy, je hebt toch je revolver bij je?" Ik knikte toestemmend. "Best! Ik geloof niet, dat je die noodig zult hebben, maar men kan niet weten! Wat het telegram betreft" — vervolgde hij, terwijl hij mij dit overhandigde, "de Graaf heeft het, zooals je weet, zelf opgesteld." Ik las de volgende woorden, die ik begreep, hoewel ze Hongaarsch waren: "Gravin vermoord. Dader onbekend. Zend onmiddellijk ver"trouwbare beambten naar Vöröshegy. Graaf Csadányi." "En nu naar beneden!" — zeide G. G., terwijl hij mij snel vóórging in de gang. "Misschien vinden we Keller nog òp!" ## HOOFDSTUK XIV. DES NACHTS IN KISFALVA. Het geluk diende ons. In de flauwverlichte voorhal vonden wij Béla Keller op een der antiek-gesneden banken gezeten, vlak naast de deur, die in zijn woning voerde. Hij zat met de ellebogen op de knieën en het hoofd op de handen geleund en hoorde ons niet aankomen, zoodat hij opschrok, toen wij plotseling vóór hem stonden. "Wat wilt u van me?" — vroeg hij angstig, terwijl hij ons met verschrikte oogen aanzag. Wij deden, alsof wij niets van zijn angst bemerkten, en ik legde hem uit, dat ik een paard noodig had om naar Kisfalva te rijden. "U wilt de politie waarschuwen?" - vroeg hij, steeds op denzelfden gejaagden toon. "De Graaf verlangt het" — zeide ik. "U begrijpt wel, meneer Keller, dat het zijn plicht is, dat te verlangen." Keller zeide niets meer. Hij stond op, ontsloot de deur, die op het slotplein uitkwam en geleidde ons naar de stallen, die zich in het vervallen deel van het slot bevonden. Wij vonden er slechts vier paarden (hetgeen niet te verwonderen was, want de Graven Csadányi plachten slechts zelden op Vöröshegy te komen): twee koets- en twee rijpaarden. Van de laatste koos ik mij het beste uit en Béla Keller hielp mij bij het zadelen en optuigen. Toen ik op het slotplein stond, gereed om op te stijgen, vroeg hij plotseling: "Waarom zendt de Heer Graaf mij niet naar Kisfalva?" - Er lag een wereld van wantrouwen in zijn stem. "Ge doet het best, dat aan hemzelven te vragen" — zeide ik strak; maar G. G. voegde er op jovialen toon aan toe: "U kunt ervan verzekerd zijn, Meneer Keller, dat het geen gebrek aan vertrouwen is, dat hem daarvan terughoudt." De man maakte een lichte buiging en ging zwijgend in het slot terug, de deur voor G. G. openlatende om hem te volgen. Ik zat nu in den zadel en G. G. reikte mij de hand. "Willy" — zeide hij, "het is voor mij nog de vraag, of de moord op de Gravin direct samenhangt met de zaak, die mij hierheen gebracht heeft. Maar het staat vast, dat er tenminste een indirecte samenhang tusschen beide zaken bestaat, omdat de Gravin stellig en zeker in den kinderroof betrokken was. Ik stel me voor, dat wij ook dáár wel achter zullen komen. Het liefst zou ik de politie er buiten laten, maar dat kan natuurlijk niet. Het is de eerste maal, dat ik in beroepszaken met de *Hongaarsche* politie in aanraking kom: Zij is mij altijd afgeschilderd als doortastend, maar te impulsief — in den geest van je eigen karakter, Willy!" Ik haalde de schouders op; ik was mij te wêl bewust van mijn groote nuchterheid in het beoordeelen van menschen en zaken. "Houdt je deze toespraak alléén om je hart te luchten?" vroeg ik ongeduldig. "Maak dan wat voort, want 't wordt méér dan tijd, dat ik op weg ga." "Kalm en nuchter, als steeds!" — zeide G. G. niet zonder sarcasme. "Neen, Willy, ik heb ditmaal met m'n woorden een ander doel, al is het een genot z'n hart aan den boezem eens vriends uit te storten! Ik weet niet, of ik nog in de gelegenheid zal zijn, je alleen te spreken, vóórdat de politie op Vöröshegy komt, en daarom kies ik dit oogenblik. Denk eraan om, wanneer de "officieele" vermoedens zich meer en meer op de schuld van den Graaf richten mochten (en dat zie ik aankomen!), vooral niets te zeggen of te doen, dat aan die vermoedens een andere richting zou kunnen geven." "Dat is toch niet ,fair' tegenover den Graaf" - bracht ik in het midden. "En toch is het 't beste middel om hem uit den brand te helpen: hoe meer men hem verdenkt, hoe veiliger de werkelijke dader zich voelen zal. En dat kan dezen tot onvoorzichtigheden brengen, die weer tot zijn ontdekking kunnen voeren." "Je hebt gelijk! Maar 't beteekent voor den Graaf 'n verzwaring van al zijn leed en zorgen!" "De gevoelens, die je uitspreekt, doen je hart eer aan, Willy! Ik zal ervoor zorgen, dat de Graaf weet, waarom wij hem schijnbaar aan zijn lot zullen overlaten, wanneer wij zien, dat de officieele' verdenking op hem valt. — En nu, maak wat voort, want 't wordt meer dan tijd, dat je weggaat!" — Aldus eindigde hij met dezelfde woorden, die ik zooeven tegen hem gebruikt had. Ik vond het niet de moeite waard, hem nog van repliek te dienen; dus knikte ik hem — ik moet bekennen: niet héël vriendelijk! — toe, en reed door de slotpoort en over de brug naar buiten. Eenige minuten later bevond ik mij in de bosschen, waardoor de weg naar Kisfalva voert. De maan stond hoog aan den hemel en verlichtte den weg vóór mij, alsof het dag was. Links en rechts heerschte onder de boomen diepe duisternis, te dieper omdat het maanlicht overal, waar een open ruimte was, zoo helder naar binnen viel. De weg, die kort te voren (zooals wij tot onze schade ervaren hadden!) slecht en modderig was geweest, was onder den invloed van het mooie weêr der laatste dagen steenig en zeer stoffig geworden, zoodat de hoefslagen van mijn paard hard en droog klonken. Waar de weg steil omlaag ging, hoorde men scherp-duidelijk het knarsen op den steen, wanneer een der hoeven uitgleed. Overigens was het zóó stil, dat ik de ademhaling van het paard duidelijk hoorde en mij zelfs verbeeldde, dat ik het kloppen van mijn eigen hart hooren kon. Onwillekeurig dacht ik terug aan den vorigen keer, toen ik dezen zelfden weg met Maud in omgekeerde richting had afgelegd, in regen en modder, op weg naar Vöröshegy. Tusschen toen en nu lag een tijdruimte van nog geen twee-en-een-half etmaal, en wat was er sedert alles geschied! Hoe waren wij verward geraakt in de meest onverwachte gebeurtenissen, die zich thans ontwikkeld hadden tot een somber en angstwekkend drama, waarin wij geroepen waren onze bescheiden rollen te spelen en te blijven spelen! En wat zou de toekomst brengen? G. G., met zijn ver vooruitzienden blik, die soms als bij intuïtie het komende wist te voorspellen, hoe tastte hij thans in het duister rond! Wat ons zoo dikwijls intuïtie scheen, was ten slotte niets anders dan het resultaat van zijn logischen gedachtengang, uitgaande van de feiten, die hij met zoo scherpen blik wist te observeeren en in hun onderlingen samenhang te reconstrueeren. Maar in welk een chaos van feiten waren wij thans verzeild geraakt! Waar was hier de onderlinge samenhang? Waar was het belangrijke, waar het bijkomstige? Wanneer men, zich grondende op één dier feiten, logisch voortredeneerde, kwam men tot onderstellingen, die lijnrecht botsten met andere onderstellingen, welke door even logische redeneering uit andere feiten waren afgeleid. Zou G. G. werkelijk in staat blijken ons uit dezen doolhof naar het land van waarheid en werkelijkheid terug te leiden? Terwijl ik mij in dergelijke gedachten verdiepte, was ik genaderd tot kilometer-paal No. 7. Nu en dan had ik op de nummers der palen gelet, hetgeen niet moeielijk was, omdat zij er met groote cijfers opstonden en door het maanlicht helder beschenen werden. Bij paal no. 7, die zulk een groote rol speelde in de zaak, die mijn vriend naar deze streken geroepen had, hield ik mijn paard in en blikte rond. Eerst langzamerhand drong het tot mij door, dat de omgeving mij gemeenzamer was dan mogelijk geweest zou zijn, wanneer ik daar in het donker en bij regenweêr alleen gepasseerd was - en dan nog wel in een rijtuig! Dáár, die boom, die rechts van den weg wat van de overige afgezonderd stond, kwam mij voor als 'n oude bekende. Geen twijfel! Hier was het, dat ons rijtuig op onzen tocht naar Vöröshegy was blijven steken en onder dien boom hadden wij, bij het zonderlinge voetlicht der rijtuiglantarens, bibberend in den regen gestaan. Op eens schoot het mij te binnen, dat vlak hierbij, in het bosch, de vervallen hut moest liggen, waarover Imre de Czigány ons, bij onze eerste ontmoeting op deze zelfde plaats, gesproken had. Imre de Czigány! En hier stond kilometer-paal No. 7! Was het toeval? Was het een nieuw bewijs, dat Imre medeplichtig was aan de duistere geschiedenis, die G. G. hierheen gebracht had? . . . Ik voelde den lust bij mij opkomen, af te stijgen en te trachten die hut op te sporen. Maar het zag er onder de boomen zóó donker en weinig aanlokkend uit, dat ik deze gedachte van mij afschoof. Ik wierp een laatsten blik in het rond en vervolgde mijn weg. Een half uur later naderde ik Kisfalva. De kleine huizengroep lag, helder door de maan verlicht, in het breede dal. Reeds in de verte hoorde ik woeste muziek, geschreeuw en nu en dan een niet àl te heldere stem, die een somber Hongaarsch lied in den nacht uitgalmde. Ik heb vroeger reeds gezegd, dat een Hongaarsch spreekwoord luidt: "Weenend jubelt de Hongaar". Dat "weenen" bestaat bij den Hongaarschen boer, wanneer hij 'n flink glas wijn gedronken heeft, gewoonlijk in het zingen van sombere of sentimenteele liederen, waarvan hij de tonen lang en galmend uithaalt. De tranen vloeien hem dan dikwijls over de wangen en hij zet er 'n gezicht bij, alsof zijn hart tot berstens toe gevuld is. Deze wijze van "jubelen" moge eigenaardig zijn, zij is zeker te verkiezen boven die andere, elders gebruikelijk, waarbij men zijn overkropt gemoed lucht in allerlei zinlooze of gemeene liedjes. Aan de klanken, die mij in den stillen nacht reeds op grooten afstand bereikten, bemerkte ik dus, dat er in het dorp feest gevierd werd. Waarschijnlijk waren het boeren, die dien middag op Vöröshegy onthaald waren, en wien de perzik naar meer had gesmaakt. In mijn studententijd zouden we dat een "nafuif" of "nabroodje" genoemd hebben; bij zoo'n gelegenheid was het "broodje" eveneens ver te zoeken, maar vloeide de wijn des te rijkelijker. Toen ik de breede, stoffige en niet geplaveide dorpsstraat binnen reed, bleek het mij, dat de "feestklanken" uit de dorpsherberg kwamen. Deze was een der eerste huizen rechts van den weg, en muntte uit noch door uiterlijk schoon, noch door overgroote reinheid. Deur en vensters stonden open en uit de rossig-verlichte, met tabaksdamp gevulde benedenverdieping drong gejoel, geschreeuw, gezang en gefiedel. Ik dacht aan de strenge verordeningen in de steden omtrent het sluitingsuur van openbare lokalen en verwonderde mij over de liberale opvattingen op het land, waar midden in den nacht aldus luidruchtig werd feestgevierd. Waarschijnlijk deed men een oogje toe, in verband met den grooten dag op Vöröshegy! Behalve de licht- en geluidenuitstralende herberg lagen alle huizen van het dorpje even rustig in het maanlicht als in andere, minder feestelijke nachten. Het had den schijn, alsof men zich daar van al die luidruchtigheid weinig aantrok: blijkbaar sliepen de meer "soliede" bewoners rustig door het lawaai heen. Er was mij veel aan gelegen, ongemerkt langs de herberg te komen. Een ruiter op dit uur — en dan nog wel een "stadsmensch"! — zou zeker de aandacht trekken en het was in alle opzichten beter, dat er nog niet gesproken werd over mijn nachtelijken rit naar het station van Kisfalva. Dat station lag echter aan den anderen kant van het dorp en — of ik wilde of niet — ik moest dus wel voorbij het feestgebouw. Gelukkig zaten er op dit nachtelijk uur op de banken, die aan de lange houten tafels vóór de herberg stonden, geene gasten; de feestvreugde heerschte alleen binnenshuis. Ik steeg af, nam mijn paard bij den teugel en leidde het voorzichtig langs de overzijde van den weg (waar een smalle schaduw tegen den rand der huizen lag), terwijl ik trachtte zooveel mogelijk die plaatsen uit te zoeken, waar een dikke stof- of zandlaag de hoefslagen onhoorbaar maakte. Het gelukte mij werkelijk voorbij het huis te komen, zonder dat men mij ontdekt had. Op eenigen afstand steeg ik weer op en was in enkele minuten aan het station. Er passeeren des nachts te Kisfalva twee sneltreinen en één boemeltrein, waarvan alleen de laatste er stopt. De dienst aan het station wordt waargenomen deor een jongen beambte; de telegrafist, die overdag dienst deed, was nu naar bed. Het kostte heel wat moeite, den beambte te bewegen mij terwille te zijn en den ouden telegrafist, die bovenin het stationsgebouwtje sliep, uit zijn bed te kloppen. Geen der twee heeren was trouwens bizonder beleefd: het feit, dat ik Duitsch en geen Hongaarsch met hen sprak, scheen hun geweldig aanstoot te geven en ik moest mij wel tienmaal op Graaf Csadânyi beroepen, voordat het eindelijk zóóver kwam, dat ik mijn telegram aan den slaperigen telegrafist overhandigen kon. De slaperigheid verging dezen echter, toen de beteekenis der woorden tot hem dóórdrong. Van dàt oogenblik af had ik mij over geen gebrek aan medewerking of beleefdheid meer te beklagen. Natuurlijk medewerking of beleefdheid meer te beklagen. Natuurlijk mocht de telegrafist zich niet over den inhoud van het telegram uitlaten, maar aan den ontstelden blik, dien hij mij toewierp, en aan den haastigen stap, waarmede hij zich naar zijn toestel begaf, kon ik voldoende zien, dat zijn passieve tegenstand overwonnen was. Ik maakte mij onmiddellijk op om naar Vöröshegy terug te keeren. Maar de terugtocht zou niet zonder avonturen afloopen. Toen ik de herberg tot op een twintig meter afstand genaderd was en ik juist was afgestegen, teneinde op dezelfde wijze als zooeven, maar thans in omgekeerde richting, voorbij te sluipen, hoorde ik, dat zich onder de klanken, die van binnen kwamen, nieuwe geluiden mengden. Er klonken ruwe, dreigende stemmen; er werd gescholden en geschreeuwd: het scheen, dat er een vechtpartij gaande was. Opeens werd er door de geopende deur een man naar buiten geworpen, en dat wel met zulk een kracht, dat hij als 'n blok op den weg neêrviel. Hij trachtte dadelijk weer overeind te komen, maar dat gelukte hem niet spoedig, omdat hij, naar allen schijn, verre van nuchter was. Toen hij eindelijk weer op z'n beenen stond, had men de deur gesloten en verschenen er een paar roode boerenkoppen voor de vensters, die hem een stortvloed van verwenschingen naar het hoofd slingerden. In weinig talen wordt met zooveel gevoel gezongen en gevloekt als in het Hongaarsch! Ik had mijn paard snel om den hoek van een der huizen, rechts van mij, getrokken en, om dien hoek glurend, kon ik de herberg gemakkelijk in het oog houden. De man, die zoo hardhandig uit de feestzaal verwijderd was, schudde beide vuisten tegen zijn voormalige feestgenooten aan de vensters en bleef hun het antwoord in dezelfde gekuischte taal niet schuldig. Zeker vijf minuten lang vlogen de lieflijkheden over en weer. Ik verstond er juist zóóveel van, dat ik begreep, hoe gelukkig ik mij prijzen moest, omdat ik ze niet allen verstond! Men zegt, dat zelfs de ruwste ijzervreters grijze haren krijgen, wanneer ze vijf minuten lang onvervalschte Hongaarsche scheldwoorden moeten aanhooren! Nadat de uitgestootene eenige malen met zijn vuisten op de deur had gerameid (hetgeen door zijn dorpsgenooten binnen met luidruchtige vroolijkheid beantwoord werd), koos hij eindelijk eieren voor zijn geld en verwijderde zich langzaam, zich daarbij nu en dan omkeerend, om een afscheidsschot te richten op de vijandelijke strijdmacht aan de vensters. Hij kwam in mijn richting den weg af, maar ik hoopte, dat hij mij niet ontdekken zou. Ik stond geheel op zijde, in de schaduw van het huis; bovendien kon ik nu duidelijk zien, dat de man smoordronken was en moeite had zich overeind te houden. Intusschen, het onwaarschijnlijke geschiedde en op een gegeven oogenblik kreeg hij mij in het oog. Eerst stond hij stokstijf stil en naderde daarop voetje voor voetje, met allerlei dronkemansgebaren. Er hielp niets aan, ik ontkwam niet aan zijn aangenaam gezelschap! "Isten hozta, nagyságos uram" *) — begon hij met een breeden zwaai van zijn rechterarm en hield vervolgens op huilerigen toon, in het Hongaarsch, een lange toespraak, waarvan ik niets begreep. Ik was op het punt weer op te stijgen, toen hij, temidden van den voor mij onbegrijpelijken woordenvloed, plotseling den naam van "Imre a Czigány" **) noemde en wel op een toon, die verre van vriendelijk was. __ Nu had ik van G. G. altijd gehoord, dat men als detective zelfs de kleinste kleinigheid, die op een te onderzoeken zaak betrekking schijnt te hebben, niet verwaarloozen mag; en daar ik mij nu eenmaal als zijn helper beschouwde, begreep ik, dat ik goed zou doen erachter te komen, wat deze nachtvlinder omtrent onzen vriend Imre te vertellen had: Ik bleef dus rustig staan en zeide: "Nem beszélek magyarul". *) De man antwoordde met een onzeglijk verachtelijk gebaar! "Német kutya" **) — bromde hij en keerde zich om. __ Blijkbaar viel hij terug in den conversatie-toon, waarin hij zich zooeven met zijn "vrienden" geoefend had. Maar ik was niet van plan, hem zoo gemakkelijk te laten "Hollandi ember vagyok" *) - zeide ik met eenige stemverheffing. *) Ik ben een Hollander (letterlijk: een Hollandsch mensch). "Ugy!"*) Dat doet mij genoegen!" — zei de man, zich weer tot mij wendende, en nu in slecht, maar goed verstaanbaar Duitsch. "Ik ben een beschaafd man, genadige Heer, en mijn beroep brengt meê, dat ik Duitsch versta — voor de adressen, begrijpt U?" *) Werkelijk? "Wat is Uw beroep dan?" "Ik ben postbode, 'n ambtenaar met recht op pensioen. En ik verwacht geen beleedigingen van boerenkinkels en smerige zigeuners. U is een man van opvoeding, genadige Heer; dat ziet men op 'n mijl afstand. U zult 't mij ook aanzien. Onder mijn collega's zijn er, die geen Duitsch verstaan. Maar dat zijn menschen van niets. Ik ben een beschaafd man, genadige Heer!" Hij klopte zich op de borst en knikte zwaarwichtig met het hoofd; ik haastte mij, mijn ziel te bezwaren met de leugen, dat ik hem voor 'n wonder van beschaving hield. "'t Is een schande, dat de boeren en Zigeuners U lastig vallen" — vervolgde ik met de meest arglistige bedoelingen. "Hoe is het mogelijk! Wat 'n onbeschaamdheid!... Vooral van vagebonden als die Zigeuners." "Genadige Heer, U is 'n achtenswaardig mensch. U begrijpt de ellende van 'n beschaafd man, 'n ambtenaar met recht op pensioen, die door een dronken zwijn mishandeld wordt. Ik dank U alleronderdanigst!" Slechts met de grootste moeite gelukte het mij, hem te beletten mij de hand te kussen. "De rooie Ferry" *) — vervolgde mijn dronken bewonderaar (en z'n tong scheen dikker te worden, naarmate hij méér sprak), "wou me te lijf, omdat Aranka, die zoete schat, meer van mij houdt dan van hem. Toen wilde ik hem met de viool van Imre, die naast 'm op een stoel lag, de hersens inslaan. Genadige Heer, kunt U gelooven, dat Imre, met z'n knuppelstok, mijn hersens bijna insloeg? De schurftige hond heeft me geranseld en de stomme boeren hebben me d'r uitgegooid. Alles voor Aranka, m'n zoete schat!" — En opeens barstte hij galmend los — schor en wèl — in het bekende lied: *) Gemeenzaam voor: "Ferencz" = Frans. "Jaj de fáj! Fáj a szivem, érted fáj!" *) *) O, wat een pijn! Mijn hart doet pijn, doet pijn voor U! Bij mijzelven maakte ik de opmerking, dat de stok van Imre wel niet op z'n hart terecht gekomen zou zijn en hij dus ook nog wel op 'n andere plaats pijn zou hebben. Maar met den grootsten ernst zeide ik: "Het is méér dan schandelijk! En wie is die Imre eigenlijk?" "De genadige Heer komt van verweg, dat hij Imre den Czigány niet kent" — zei dit slachtoffer van menschelijke boosheid. "Imre is 'n zwijn, 'n hond, 'n zwervende dief, 'n balkende ezel . . ." Zoo ging het een poosje voort, totdat hem plotseling de tranen over de wangen liepen. "En te denken, dat hij mijn vriend was . . ." — jammerde hij met 'n bibberende grogstem. "Was hij uw vriend? . . . 'n Zigeuner!? . . . ." "Genadige Heer, ik had hem vereerd met mijn vertrouwen. Ik had hem zóó lief, dat niets mij voor hem te veel was. Istenem! Istenem! *) Ik heb ter wille van hem m'n plicht vergeten... m'n eer te grabbelen gegooid... en nu... en nu...!" Hij versmolt opnieuw in tranen. *) M'n God, m'n God. Z'n plicht vergeten? . . Wat bedoelde de man? Op eens kreeg ik een ingeving. Had G. G. Imre niet ervan verdacht, de hand te hebben gehad in het bezorgen van dien geheimzinnigen brief op Vöröshegy? Had hij niet gezegd, dat die best tusschen Kisfalva en Vöröshegy onder de overige brieven gesmokkeld kon zijn? En was de dronken vlegel daar vóór mij niet 'n postbode, zooals hij mij zelf gezegd had? — Was het mogelijk, dat . . .? Mijn besluit was snel genomen en des te gemakkelijker, omdat ik er niets bij riskeerde. "Kom, kedves barátom, *) zóó erg was het toch niet! Wat steekt erin, dat je 'n brief op Vöröshegy bezorgt, dien je niet uit Kisfalva hebt meêgebracht? Dat beteekent toch niet zooveel!" *) Lieve vriend. Het bleek, dat mijn vermoeden juist was geweest. De man was zóó beneveld, dat hij er zich volstrekt geen rekenschap van gaf, hoe zonderling het was, dat een vreemdeling van deze geschiedenis afwist. Hij ging er dadelijk op in! "Genadige Heer!" — zeide hij met 'n tragisch gebaar, "U verstaat het, 'n mensch te troosten. Ze waren voor Aranka — die twintig kronen, die hij mij gegeven heeft —, voor Aranka, voor Aranka alleen . . .!' En opnieuw barstte hij uit in zijn: "Jaj de fáj! Jaj de fáj!" Ik kon een gevoel van groote voldoening niet onderdrukken! Ik had het antwoord gevonden op punt 2, c van onzen Catalogus! ## HOOFDSTUK XV.DE HOUDING VAN IMRE DEN CZIGANY. Intusschen was mijn samenzijn met dezen nachtelijken zanger nog geenszins ten einde. Na afloop van zijn tweeden solo-zang begon hij opnieuw een lange oratie, waarbij hij weder in het Hongaarsch verviel, hetgeen mij van het genoegen beroofde, zijn verheven gedachtengang te volgen. Maar toch begreep ik, dat hij zich wederom verschrikkelijk boos maakte, en dat wel op Imre den Czigány, wanneer men althans het herhaaldelijk noemen van diens naam op alle tonen van woede en verachting als een bewijs daarvoor aannemen mocht. Toch was het voor mij geheel onverwachts, dat hij zich met 'n ruk omkeerde en, zoo hard zijn toestand het hem veroorloofde, naar de herberg terugholde. De hoofden aan de ramen waren nu verdwenen, het lawaai was ook wat minder geworden, maar de geweldige bonzen, die mijn verontwaardigde vriend op de deur deed neêrdalen, herstelden onmiddellijk den vroegeren toestand: het lieve leven begon opnieuw! Plotseling werd, als door een tooverslag, de stilte hersteld. De deur vloog open en op den drempel verscheen Imre de Czigány. "Még mindig itt van, édes lelkem?" *) - klonk zijn dreigende stem over de straat. *) Nog steeds hier, mijn zoete ziel?" — sarcastisch bedoeld natuurlijk! De ander antwoordde met een vloed van scheldwoorden, dien Imre kalm over zijn hoofd liet heengaan. Toen begon de dronken postbode een lang verhaal: hij schreeuwde daarbij even hard als bij het schelden en ik was niet zeer aangenaam verrast, toen ik telkens de woorden: "nagyságos ur" opving. Was hij bezig aan Imre zijn ontmoeting met mij mede te deelen? In dat geval was het waarschijnlijk, dat Imre den nachtelijken ruiter zou trachten te ontmoeten. Wat zou ik doen? Snel wegrijden, desnoods in de verkeerde richting, om een ontmoeting te vermijden? Later zou ik dan langs een omweg kunnen terugkomen en de kans bestond, dat Imre mij niet herkennen zou! Maar ik had op mijn tocht reeds te veel bereikt om thans smadelijk aan den haal te gaan. De detective-koorts was óver mij gekomen. Hier was een gelegenheid om Imre den Czigány een verrassing te bereiden, die hem misschien tot onvoorzichtige uitingen brengen zou. Ik besloot te blijven. Het duurde niet lang, of Imre sprak enkele woorden tot de menschen in de herberg en kwam daarop, met zijn dronken tegenstander, lijnrecht naar de plaats, waar ik verdekt stond opgesteld. Ik wachtte ze af, met een zeer bepaald plan in mijn hoofd. Toen de Imre de Czigány mij herkende, maakte hij een gebaar van groote verrassing, maar bedwong zich onmiddellijk. De hoed ging af, met den gebruikelijken sierlijken zwaai. Ik kon mijzelven niet ontveinzen, dat ik voor den gek gehouden werd, maar troostte mij met de gedachte, dat wie het laatst lacht, het best lacht. "Mijn compliment, genadige Heer" — begon hij. "Een verrassing, even onverwacht als aangenaam! Mijn vriend hier, met wien ik 'n klein verschil van meening gehad heb, verzekert mij, dat Uw Hoogwelgeboren met de edelste gevoelens van billijkheid en gerechtigheid vervuld is. Hij zegt, dat u mij een schurftigen hond en een balkenden ezel noemt: ik onderwerp mij aan uw uitspraak, genadige Heer!" Zich daarop tot zijn metgezel wendende, vervolgde hij: "Ik bied u mijn verontschuldigingen aan, mijn waarde vriend! Ik had ongelijk: de genadige Heer zegt het!" "Goeien avond, Imre barátom" — zeide ik op korten, drogen toon. "De verrassing is wederzijdsch en het genoegen óók, waarschijnlijk! Ik heb u iets te zeggen!" Blijkbaar was mijn kalmte voor den Czigány een verrassing. Hij keek mij een oogenblik scherp aan en zeide toen: "Spreek, genadige Heer, ik luister met beide ooren." "Wat ik te zeggen heb, is voor u alleen." "Ik vrees, dat het moeilijk zijn zal, mijn wakkeren vriend hier naar huis te krijgen" — zeide Imre. In een oogwenk zat ik in den zadel. "Spring achter mij op het paard" — zei ik, maar Imre verroerde zich niet. Toen boog ik mij voorover en fluisterde hem toe: "Snel, het geldt de Gravin Csadányi". Het volgende oogenblik droeg het paard ons beiden in galop den weg naar Vöröshegy op, langs de herberg, waaruit een verward geschreeuw ons naklonk. Eerst toen viel het mij in aan welk gevaar ik mij bloot stelde. Deze verdachte kerel had mij op dit oogenblik, om zoo te zeggen, in zijn macht. Hij kon zijn armen om mij heenslaan om mij uit het zadel te gooien; hij kon mij, met het een of andere wapen, in den rug aanvallen. Aangenaam was dit bewustzijn niet, maar ik begreep, dat ik het gevaar uitlokken zou, wanneer ik angst toonde. Ik maakte dus geen beweging, die mijn gedachten verraden kon, en reed tien minuten stevig door, tot aan den rand van het bosch. Toen hield ik halt en de Czigány sprong dadelijk van het paard, welk voorbeeld ik volgde. "De genadige Heer is wel bang voor onbescheiden ooren" — zeide Imre, wat sarcastisch; en toen liet hij erop volgen, met 'n gebaar als van een vorst, die audiëntie verleent: "Ik luister." "Is het mogelijk, Meneer Imre, dat u niet weet wat er op het slot gebeurd is?" — vroeg ik, hem strak aanziende. "Er gebeurt op Vöröshegy veel, wat niet iedereen weet" — antwoordde hij, met een korten lach. "U weet dus niet, dat de Gravin door een onbekende hand vermoord is? . . ." Een oogenblik stond hij als versteend. Toen — voordat ik een beweging maken kon om mij te verdedigen — had hij mij bij de keel en schudde mij heen en weer met een kracht, die ik hem niet had toegeschreven. "Hond, ellendige hond, je liegt!" — siste hij meer dan hij sprak. Met groote inspanning gelukte het mij, mij los te wringen; dadelijk daarop zag hij mijn revolver op zich gericht. "Meneer Imre", — zeide ik bedaard, "dit zijn geen manieren. Kom tot Uzelven, of U zult 'n les krijgen, zooals U er nog nooit een gehad hebt!" De man bleef mij eenigen tijd aanstaren met verwilderden blik. Of hij zich onmiddellijk rekenschap gaf van het gevaar, dat hem door mijn revolver dreigde, betwijfel ik. Zeker is het, dat hij langzamerhand zijn zelfbeheersching herkreeg, maar het duurde lang voordat hij zijn stem terug vond. "Genadige Heer" — zeide hij eindelijk met schorre, kort-afgebroken stem, "die revolver jaagt mij geen schrik aan! Ik hecht niet aan het leven! U ziet, dat ik niet meer denk aan tegenstand." "En ik ben niet gewoon, weerlooze menschen neêr te schieten" — zei ik, terwijl ik het wapen zakken liet. "Maar, Imre barátom, ge zult mij toestemmen, dat er alle reden voor mij bestaat om U 'n flinke les te geven. Wat, in Godsnaam, had ik misdaan, dat gij mij als 'n tijger naar de keel vloogt?" "Ik verzoek U om vergeving daarvoor" — zeide de Czigány, zonder mijn vraag te beantwoorden. "Maar U acht het eenvoudig overbodig, Uw onbehoorlijk optreden te verklaren? . . ."
Kom tot Uzelven.
"Die verklaring is héél eenvoudig: ik ben dronken!" — Hij lachte een kouden, drogen lach. Ik begreep, dat hij niet voornemens was, zich verder bloot te geven. „Slaap Uw roes dan uit!" — zei ik barsch en deed alsof ik mijn paard bestijgen wilde. Ik had verwacht, dat hij mij tegenhouden zou, maar hij dacht daar blijkbaar niet aan. Nu ik eenmaal A gezegd had, moest ik ook B zeggen en ik klom dus in den zadel. Nog even treuzelde ik, maar de Czigány bleef onbeweeglijk, met afgewend gelaat, in de richting van het dorp staren. Juist op het oogenblik, waarop ik den teugel vieren wilde, draaide hij zich om. Op zijn gezicht stond iets als 'n lach, maar de vroolijkheid was daarbij ver te zoeken. "De genadige Heer houdt van verrassingen" — zei hij, nu schijnbaar kalm. "Ik heb óók 'n verrassing! Ik zal U zeggen, wie de moordenaar is!" "'n Dronken mensch is geen betrouwbare getuige!" - zeide ik scherp. "Het staat aan U, mij te gelooven of niet te gelooven, genadige Heer! Maar dit zeg ik U, dat Graaf Csadányi zelf haar vermoord heeft, zoo zeker als morgen de zon zal opgaan! Zeg hem" — en hier vlamden plotseling haat en woede in zijn oogen op —, "dat Imre de Czigány hem groeten laat! Hij is een verloren man, want, dat zweer ik, hij zal mij voorgaan . . . naar de hel!" . . . Het is onmogelijk den toon van woeste kwaadaardigheid te beschrijven, waarop die laatste woorden werden uitgesproken. De Czigány had daarbij beide armen opgeheven en schudde met de vuisten in de lucht; zijn hartstochtelijke natuur was opnieuw tot uitbarsting gekomen. Maar slechts voor één oogenblik. Toen keerde hij zich om en verwijderde zich snel in de richting van Kisfalva. De weg lag helder in het maanlicht en ik bleef hem eenigen tijd met de oogen volgen: hij liep door, zonder stil te staan of om zien. Toen wendde ik mijn paard, om terug te rijden naar Vöröshegy.
* * *
Onderweg dacht ik ernstig na over de houding, die Imre de Czigány had aangenomen. Ongetwijfeld was mijn toeleg, om iets bepaalds te weten te komen, mislukt; maar niettemin kon men uit zijn woorden en daden gedurende het stormachtige onderhoud, dat ik met hem gehad had, enkele — zij het ook vage — gevolgtrekkingen maken. Vooreerst bevestigde het ons vermoeden, dat een zeer bizondere verhouding tusschen hèm en Gravin Csadányi bestaan had; zijn zinlooze woede bij het vernemen van den gepleegden moord wees op een element in die verhouding, dat uit sterk materieel eigenbelang òf (waarschijnlijker) uit een grooten hartstocht te verklaren was. Het was moeielijk aan te nemen, dat hij bij de uitbarstingen van die woede comedie had gespeeld. Waartoe ook? . . . Maar hier viel mij in, dat G. G. het als een bewijs van Keller's onschuld aanmerkte, dat deze geen oogenblik getracht had, een ander — en speciaal den Graaf — de schuld op de schouders te schuiven. Imre de Czigány had het omgekeerde gedaan: zonder zelfs maar te weten, dat de omstandigheden, waaronder de moord had plaats gehad, voor Graaf Csadányi inderdaad belastend konden worden uitgelegd, had hij dezen onmiddellijk als den schuldige genoemd. Waarom? - of omdat hij de verdenking van zichzelven wilde afwenden, of omdat hij inderdaad bekend was met feiten, die de schuld van den Graaf in zijne oogen vast deden staan. In het eerste geval zou zijn woede comediespel geweest zijn — en dat achtte ik uitgesloten! Het tweede scheen mij dus waarschijnlijk, hoewel ik aannam, dat hij zich vergissen moest, omdat ik in de onschuld van Graaf Csadányi zoo vast geloofde. In elk geval zou het van bizonder groot belang zijn, te weten te komen, op welke gronden hij diens schuld aannam; ikzelf was in het vinden van die gronden, helaas, allerminst geslaagd. Mijn gedachten namen mij zéózeer in beslag; dat ik weinig acht gaf op mijn omgeving. Het was voor mij een verrassing, toen de weg uit het bosch op het open plateau vóór Vöröshegy trad. Zelfs kilometerpaal no. 7 was ik voorbij gereden, zonder daaraan bizondere aandacht te schenken! Toen ik het slotplein opreed, ontgrendelde Béla Keller, die blijkbaar naar mij had uitgezien, dadelijk de deur en, binnentredend, vond ik in de voorhal G. G., die op een der banken zat te dutten — althans dat scheen zoo! Mijn nadering deed hem' ontwaken en wij gingen samen naar boven op zijn kamer, waar ik hem een trouw verslag deed van wat mij op mijn tocht overkomen was. Ik voelde wel 'n beetje rechtmatigen trots, dat ik hem berichten brengen kon, die voor ons onderzoek zoo belangrijk waren. "Willy" — zei G. G., nadat ik mijn relaas geëindigd had, " als het niet vier uur in den morgen was, zou ik een lange toespraak tot je houden om je hulde te betuigen voor je uitnemende diensten. Nu zeg ik alleen: flink gedaan en dank je wel! Laten we probeeren nog wat rust te nemen. Voorloopig is er niets te doen — althans zoo lang het donker is!" Wij drukten elkander de hand en ik ging naar mijn kamer, waar Maud mij met een storm van vragen over mijn tocht verwelkomde.
* * *
In den nanacht had ik zonderlinge en verwarde droomen. Imre de Czigány en de Gravin speelden er een groote rol in; ik zag ze samen één paard berijden, zooals ik dat met den Czigány gedaan had, en dan zat ik zelf plotseling in de plaats van de Gravin, worstelend met den Zigeuner, totdat deze van het paard viel en ik ontdekte, dat het niet Imre, maar Maud was, die bloedend op den grond lag. Graaf Csadányi en Béla Keller deden de meest zonderlinge en griezelige zaken in mijn nachtelijke vizioenen en G. G. keek steeds lachend toe, met spottende woorden op de lippen en zonder een hand uit te steken om telkens dreigende ongelukken te verhinderen. Onder die omstandigheden was ik blij, toen ik — uit mijn droomen ontwakende — de pendule op onze kamer zeven uur hoorde slaan. Ik stond stilletjes op, zonder Maud te wekken, kleedde mij aan en ging naar beneden in de eetzaal. Op dit vroege uur vond ik daar echter nog niet de gewone schotels met "semmel", maar ik wist, dat die om acht uur werden klaargezet. Het was nu kwart voor acht, zoodat het niet de moeite waard was nog vóór het ontbijt een luchtje te scheppen; ik besloot dus weder naar boven te gaan en te zien, of ik G. G. nog op zijn kamer vinden zou. Toen ik die kamer leeg en den detective reeds "gevlogen" vond, keerde ik naar de eetzaal terug. Daar trof ik thans Ilonka Keller, bezig met hare huislijke plichten. "Goeien morgen, Ilonka kisasszony" — zeide ik. "Jó reggelt, nagyságos uram!" — Nu wendde zij zich Het spook van Vöröshegy. om en ik schrikte van de uitdrukking, die op haar gezicht te lezen stond. Zij was bleek, er lagen scherpe trekken om den mond en donkere kringen onder de oogen. Ik behoefde er niet aan te twijfelen, dat zij een slaaploozen nacht had doorgebracht. "Uw vader heeft u natuurlijk verteld, wat er gebeurd is" — zeide ik. Zij knikte zwijgend. Was dit hetzelfde frissche, jonge meisje, dat enkele dagen van te voren zoo opgewekt en veerkrachtig geweest was? Zij bewoog zich nu langzaam, zij liep met slependen tred en het kwam mij zelfs voor, dat haar gestalte wat gebogen was. Zou zij eenig vermoeden ervan hebben, dat er redenen waren, om haar vader te verdenken van betrokken te zijn in het drama, dat zich had afgespeeld? De situatie was eenigszins pijnlijk. Ik zelf had mijn wantrouwen tegenover Keller nog in het geheel niet afgelegd: en, hoeveel medelijden ik ook gevoelde met het arme jonge meisje, ik kon het toch niet over mij verkrijgen, over de gebeurtenissen van dien nacht verder met haar te spreken. Geheel te zwijgen zou echter, waar zij zoo blijkbaar behoefte aan troost had, den schijn van onvriendelijkheid gehad hebben. Ik hoop, dat de toestand van uw moeder niet geleden heeft onder wat gebeurd is" - zei ik vriendelijk. "Gaat het wat beter met haar?" Het spreken kostte haar moeite. "Moeder is héél ziek" — zei ze eindelijk; en de woorden kwamen er met moeite uit. "Het doet mij oprecht leed, dat te hooren" - hernam ik. "Alle ongeluk komt wel opééns voor u! De toestand is toch niet bedenkelijk?" "Ik weet het niet" — antwoordde zij kortaf. Zij scheen daaraan nog iets te willen toevoegen, maar bedacht zich op het laatste oogenblik en zweeg. Kort daarop kwam G. G. binnen, nog steeds in de gedaante van Majoor Curtis. De Graaf laat ons verzoeken op zijn kamer te komen" - zei hij. "De politie is er en hij wil alleen spreken in onze tegenwoordigheid." Ik wilde Ilonka de hand reiken, maar zij was op een stoel neergevallen en snikte hartstochtelijk, met de handen voor het gezicht. "Laat het arme kind met rust" - fluisterde G. G. en wij gingen de gang in en de trap op. "Je was vroeg op" — zeide ik. "Heb je goed geslapen?" Hij reageerde alleen op mijn eerste opmerking. "Zoodra het voldoende licht was, heb ik, met toestemming van den Graaf, alles boven nog eens precies opgenomen." "En . . .?" "We zijn op den goeden weg, Willy! Maar voor het oogenblik kan ik je niets meer zeggen." ## HOOFDSTUK XVI. OFFICIEELE MENSCHEN. Wij vonden den Graaf op dezelfde plaats, waar wij hem verlaten hadden: in zijn werkkamer vóór de schrijftafel. Hij was zéér bleek, maar had zijn zelfbeheersching geheel herwonnen. Dat hem dit een zwaren strijd gekost had, bleek uit de scherpe lijnen om mond en neus, en uit de ingevallen oogen, die niettemin helder — men had kunnen zeggen: waakzaam — stonden: het gezicht van een man, die met groote vastberadenheid tegen een overweldigend leed vecht en de kracht heeft te overwinnen. Blijkbaar was hij niet naar bed geweest, maar had den nacht in zijn werkkamer doorgebracht, in de onmiddellijke nabijheid van zijn vermoorde vrouw. De Graaf was niet alleen. Op de plaats waar G. G. dien nacht gezeten had, zat een heer in burgerkleeding, vrij corpulent, met 'n zwarte, blijkbaar geverfde snor, kort-ge-knipte bakkebaarden en glad naar achteren gekamde, grijze haren. Een jonge man met 'n fijn besneden, glad geschoren gezicht, donker krullend haar en levendige bruine oogen, in een eenvoudig uniform gekleed, zat recht tegenover de schrijftafel van den Graaf, met den rug naar het middelste venster gekeerd. De Heeren werden ons voorgesteld als "Polizei-Kommissar" Kovács en "Inspector" Fekete. "Ik heb het aan u overgelaten, Mr. Gill" — aldus begon de Graaf, "tegenover deze heeren uw kwaliteit te noemen. Het is mogelijk, dat zij erop staan zullen, dat u zich behoorlijk legitimeert." "Niets is gemakkelijker dan dat" — zeide G. G., terwijl hij eenige papieren uit zijn portefeuille nam en die aan den Kommissaris overhandigde. Het was mij niet onbekend, dat de naam van Geoffrey Gill, die in verschillende groote crimineele zaken gemengd was geweest, in de laatste jaren in geheel Europa een goeden klank gekregen had. Toch was het een openbaring voor mij, dat zijn roem reeds zóó ver was doorgedrongen, dat deze Hongaarsche politieambtenaren zich niet alleen aangenaam verrast, maar zelfs bizonder vereerd toonden, doordat zij in de gelegenheid gesteld werden, kennis met hem te maken. Het was met een zeker soort van eerbied, dat zij hem de hand schudden! "Ik stel u voor, ons gesprek in het Duitsch te voeren" — zeide de Graaf tot de beide politie-mannen. "U zult begrijpen, dat de medewerking van iemand als Mr. Gill in deze treurige zaak voor mij van het hoogste belang is." Inspecteur Fekete, de jonge man in uniform, beaamde dit volmondig, maar de Kommissaris scheen het er niet zoo geheel mede eens te zijn. Waarschijnlijk was er bij hem eenige "jalousie de métier" in het spel. "Als het uw wensch is ..." — begon hij, wat weifelend; maar de Graaf viel hem onmiddellijk in de rede. "Het is zeer positief mijn wensch, Mijnheer de Kommissaris!" De man zweeg, maar ik zag, dat hij het voorhoofd fronste: hij voelde zich achteruitgezet door het vertrouwen, dat de Graaf aan een buitenlander — zij het ook aan een verdienstelijk buitenlander — schonk. Verwonderlijk was dit niet, want de Hongaar is, veel te dikwijls, eng chauvinistisch in zijne opvattingen en dientengevolge naijverig op wat den buitenlander goeds overkomt. Intusschen nam Kommissaris Kovács thans, zonder overigens van ontstemdheid blijk te geven, de leiding van het onderzoek op zich. "Voordat wij de plaats van de misdaad en het lichaam van het ongelukkige slachtoffer in oogenschouw nemen" — aldus begon hij, "verzoek ik u, Mijnheer de Graaf, ons nauwkeurig mede te deelen, wat u persoonlijk van de feiten bekend is." De Graaf zette in korte, afgebroken woorden, maar volkomen duidelijk, uiteen, wat hij ook ons reeds verteld had, maar zweeg over zijn twist met de Gravin. "U waart dus het eerst op de plaats van de misdaad en deze beide heeren" — op onsbeiden wijzende — "vonden u daar?" "Zoo is het!" "De verhouding tusschen uwe echtgenoote en u liet niets te wenschen over, niet waar?" Het was de vraag, waarvoor ik gevreesd had! En dat als tweede vraag, die gesteld werd! Ik voelde een onredelijke woede opkomen tegen den Kommissaris, die toch niets meer deed dan zijn plicht. De Graaf bleef een oogenblik stil zitten, met opééngeperste lippen. Toen zeide hij zacht, maar duidelijk, terwijl hij zijn ondervrager recht in de oogen keek: "Niets, tot korten tijd voor haar dood!" "Een *ernstig* verschil van meening?" "Ja!" "Waarover?" "Op die vraag kan ik u niet antwoorden: zij doet niets ter zake!" De Kommissaris maakte een kort gebaar, alsof hij haar ter zijde schoof. In zijn oogen kwam een eigenaardige, stekende uitdrukking. Het was, of de pupillen zich samentrokken. "Indiscretie ligt niet in mijn bedoeling, Mijnheer de Graaf" — zeide hij. "Gelieve dat ook bij mijn volgende vragen in het oog te houden. Was de goede verhouding hersteld, toen u de Gravin de laatste maal vóór haar dood spraakt?" "Neen!" De Kommissaris schoof thans onrustig in zijn stoel op en neêr. Het was duidelijk, dat zijn beroepsplicht met zijn wenschen in tegenspraak kwam. Een oogenblik zweeg hij en toen zeide hij met nadruk: "Ik maak u erop opmerkzaam, dat u niet verplicht zijt, mijn vragen te beantwoorden." G. G. en ik wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe. Deze vraag bewees ons, dat de Kommissaris ernstig argwaan tegen den Graaf begon te koesteren: een verdachte is, buiten de rechtszaal, niet verplicht, tot het beantwoorden van vragen, waarop het antwoord hem zou kunnen belasten. Graaf Csadányi scheen dit ook te begrijpen: een vluchtig rood bedekte hem de wangen, om dadelijk plaats te maken voor de vroegere, doodelijke bleekheid. "Wat de feiten betreft, Mijnheer de Kommissaris, kan ik geheel openhartig met u spreken. Alleen wat betreft mijn verhouding tot de Gravin wensch ik verder te zwijgen." Er lag iets kouds en hoogs in zijn stem. Een oprechte bewondering voor den zedelijken moed van dezen man vervulde mij; en mijn onredelijke woede tegen zijn ondervrager werd er niet minder op. Deze dacht eenigen tijd na, voordat hij een nieuwe vraag stelde. "U hebt mij zooeven gezegd, dat de Gravin vanuit deze kamer in de wapenzaal ging, waar zij den dood in de armen liep. Begrijp ik goed, dat dit gebeurde onmiddellijk na een gesprek, waarin uw beider meeningsverschil aan den dag kwam? Onmiddellijk dus na een twist, om duidelijker te spreken?" "Ja!" "Hoeveel tijd lag er tusschen het oogenblik, waarop zij deze kamer verliet, en dat, waarop u haar eersten kreet vernam?" "Het is moeilijk, zoo'n korte tijdsruimte te schatten; ik vermoed niet langer dan één of twee minuten." "Daarop volgde onmiddellijk de tweede kreet en ging u de wapenzaal binnen?" "Zoo is het!" "Dan begrijp ik niet" — zeide de Kommissaris, terwijl de stekende uitdrukking zijner oogen nog toenam, "dat u den moordenaar niet in de wapenzaal vondt." "Ook mij is dat onbegrijpelijk: er was stellig geen tijd voor hem geweest, de deur aan het andere uiteinde der zaal te bereiken." De Graaf sprak deze woorden, die een aanduiding tegen hem inhielden, met de grootste kalmte. Ik behoefde geen G. G. te zijn om deze kalmte in zijn voordeel uit te leggen. De Kommissaris scheen er echter anders over te denken. Hij stond op en zei, op korten, zakelijken toon: "Mag ik de heeren verzoeken, mij naar de plaats van de misdaad te volgen?" Wij gingen in de wapenzaal en Inspecteur Fekete nam het laken weg, waarmede het lijk der Gravin bedekt was. "Wie heeft aan het lichaam deze houding gegeven?" — De vraag van den Kommissaris werd, om zoo te zeggen, "afgevuurd", zoo scherp en kort klonk zij. "Dat heb ik gedaan" — antwoordde G. G. kalm. "Overigens sta ik ervoor in, dat er volstrekt niets aangeraakt of veranderd is." De beide politie-beambten knielden bij het lijk neder en onderzochten de wonden nauwkeurig. Ik bemerkte, dat Kommissaris Kovács daarbij den Graaf scherp in het oog hield; hij geloofde waarschijnlijk, dat hier de moordenaar met zijn slachtoffer geconfronteerd werd. Het gezicht van den Graaf, strak en bleek als het was, stond onbeweeglijk: maar aan het lichte trillen van de handen kon ik zien, dat hij zich slechts met de grootste inspanning bedwong. G. G. moest nauwkeurig beschrijven, waar en in welke houding de Graaf gestaan had, toen wij binnentraden, waar wijzelven hadden gestaan en hoe Béla Keller was binnengekomen. Terwijl de Kommissaris zijne vragen stelde, bleef de aandacht van den Inspecteur gevestigd op het lichaam en de onmiddellijke omgeving daarvan. Hij bezag nauwkeurig de strijdbijl, waarmede de moord was begaan en die nog steeds op den grond lag op de plaats, waar de moordenaar die had laten vallen. Daarop bekeek hij den muur, waaraan het moordtuig bevestigd was geweest, en vervolgens liet hij zijne blikken door de zaal dwalen, als om alles goed in zich op te nemen. Ik zag, dat G. G. de bewegingen van den jongen man met aandacht volgde. "Willy" — fluisterde hij mij toe, "dat jonge mensch daar heeft meer hersens in zijn pink dan de ander onder z'n grijze haren." In de kamer van den Graaf teruggekeerd, vroeg Inspecteur Fekete dezen plotseling: "Wie houdt uw wapenverzameling zoo keurig in orde, Meneer de Graaf?" "Alleen Béla Keller mag de wapenen aanraken" — antwoordde Graaf Csadányi. "Hij stelt er een eer in, dat alles uitstekend onderhouden wordt." "En uzelf?" "Als ik op Vöröshegy ben, overtuig ik er mij persoonlijk van, dat alles er goed uitziet." Hiermede eindigde dit korte gesprek, waarvan ik de beteekenis niet begreep. De Kommissaris liet daarop Béla Keller ontbieden en stelde hem verschillende vragen, die kort en zakelijk beantwoord werden. De slotbewaarder was nu veel kalmer geworden, hoewel de schuwe, verschrikte uitdrukking in zijn oogen niet verdwenen was. Zijn stem klonk kort-af en onvriendelijk. Op de vraag, die niet achterwege blijven kon, wat hij zoo laat in ons deel van het slot gedaan had, antwoordde hij thans, zonder eenige aarzeling, dat hij in de wapenzaal een sleutelbos vergeten had en dien was gaan halen. Het was duidelijk, tdat hij, sedert G. G. hem ondervraagd had, een noodleugen verzonnen had en deze thans — omdat hij op de vraag was voorbereid — met groote zekerheid opdischte. Niettegenstaande het oordeel van den detective, voelde ik meer dan ooit wantrouwen jegens dezen man. Ik zal den lezer niet vermoeien met een omstandig relaas omtrent het ondervragen der verschillende bedienden door den Kommissaris. Ilonka Keller werd eveneens in verhoor genomen, ja zelfs de óverijverige politie-beambte liet zich in de woning van den slotbewaarder voeren, om zich ervan te overtuigen, dat diens vrouw inderdaad ziek was en buiten staat het bed te verlaten, zoodat het duidelijk was, dat zij van het geheele drama, dat zich had afgespeeld, niets had kunnen hooren of bemerken. Ik geloof, dat de Kommissaris anders ook haar — zoo ziek als zij was — in verhoor zou hebben genomen. Na afloop van al deze formaliteiten — want slechts als zoodanig kon ik ze beschouwen! — kwamen de beide beambten, op uitnoodiging van G. G., met hèm en mij op zijn kamer bijeen, om te overleggen wat er gedaan moest worden. Het bleek, zooals ik wel vermoed had, dat Kommissaris Kovács den Graaf voor schuldig hield, maar dat hij er geweldig tegen op zag, de verantwoording voor diens arrestatie op zich te nemen. Men moet den grooten eerbied kennen, waarmede de niet-adelijke Hongaar den hoogen adel — de z.g. "Magnaten" — beschouwt, om goed te kunnen begrijpen, hoe moeilijk het geval voor dezen waarschijnlijk niet zeer scherpzinnigen beambte zijn moest. De zaak werd er voor hem niet gemakkelijker op, doordat Inspecteur Fekete het niet met hem eens bleek te zijn. "Ik heb eenige zaken opgemerkt" — zeide deze, terwijl hij zich in het bizonder tot G. G. richtte, "die het, naar 't mij voorkomt, gewenscht maken, in ons oordeel over den Graaf zéér voorzichtig te zijn." "Wilt u zich nader verklaren, Meneer Fekete?" — De stem van den Kommissaris klonk droog en bevelend, als wilde hij den Inspecteur eraan herinneren, dat niet de vreemde detective, maar hij, Kommissaris Kovács, zijn chef was. "Het is mij opgevallen" — antwoordde de Inspecteur, "dat de wapenen op een heel bizondere manier aan den muur bevestigd zijn. Er zijn dikke latten van stevig hout langs dien muur aangebracht, zoowel horizontale als vertikale; van afstand tot afstand zijn daarin pinnen gedreven, die — inplaats van den gewonen spijkerkop — een sterke veer vertoonen. Ik heb zoo'n pin medegebracht, die vrij los in het hout zat en waaraan geen wapen hing." Hij liet ons het voorwerp zien, waarvan hiernevens een ruwe schets gegeven is. "U ziet" — vervolgde hij, "dat men het deel, dat naar buiten steekt, een oog zou kunnen noemen. Dóór dat oog steekt men den steel van een bijl of de schede van een zwaard. Het wapen blijft dan aan den muur hangen, en, alnaar den stand, dien men aan het oog geeft, krijgt het een horizontalen, vertikalen of schuinen stand. Is het een bizonder lang of gekromd zwaard, dan kan men twee of meer van die pinnen gebruiken." Ik zag, hoe G. G. den jongen man aankeek met oogen, waarin verbazing en bewondering te lezen stonden. "U zult gemakkelijk inzien" — vervolgde Inspecteur Fekete, "hoe practisch dit systeem is. Door het oog in verschillende grootten te nemen, wordt het geschikt voor kleinere of grootere wapenen; en wanneer de steel van een strijdbijl van onderen dikker is dan van boven, zoodat een oog, dat om het boveneind sluiten kan, het ondereind niet dóórlaten zou, dan drukt men met het boveneinde eenvoudig de twee uiteinden van de veer uitéén en de steel schiet vanzelf in het oog! Wanneer . . ." "Dat is alles zeer interessant" — viel hier de Kommissaris hem in de rede, "maar ik zie niet in, in welk verband het staat met de zaak, die ons bezig houdt." "Een oogenblik nog, Meneer de Kommissaris!" — zeide de jonge man bescheiden, maar beslist. "Wanneer iemand dan zoo'n bijl van den muur nemen wil, heeft hij mets anders te doen dan den steel te vatten, onder het oog, en daarmede de uiteinden van den veer uitéén te drukken; de steel schiet dan even gemakkelijk naar buiten als hij vroeger naar binnen is geschoten." "Zéér waar, maar...." "Pardon, Meneer de Kommissaris!" — Inspecteur Fekete wond zich 'n beetje op in het vuur van zijn betoog. "Om zoo'n bijl aldus van den muur te kunnen nemen, moet men het systeem van deze pinnen kennen. Graaf Csadányi kent dat natuurlijk! Als hij het wapen van den muur genomen had, zou het met één kleinen ruk uit de veer gelicht zijn en deze onbeschadigd hebben gelaten. In plaats daarvan is het oog afgebroken en het hout beschadigd: de bijl is met geweld van den muur gerukt! Dat kan de Graaf niet gedaan hebben." De bewondering van G. G. was langzamerhand tot enthousiasme gestegen en deed hem blijkbaar vergeten, dat wij afgesproken hadden, de zaken op haar beloop te laten, wanneer men den Graaf mocht gaan verdenken. Hij stond op en reikte den jongen man de hand. "Bravo, meneer Fekete!" — zeide hij. "U zult het ver brengen!" De Inspecteur kreeg een kleur van genoegen en de Kommissaris een kleur van ergernis. "Toch hebt u één ding vergeten" — vervolgde G. G. "U hebt nauwkeurig gelet op de plaats, waar de bijl aan den muur gehangen heeft, en u weet dus, dat zij daar niet anders hangen kon dan in vertikalen stand. Maar hebt u er wel aan gedacht, dat, toen men haar eraf rukte, dat niet in zuiver vertikale richting geschieden kon? Onwillekeurig trekt men in zoo'n geval naar zich toe, dat wil zeggen — wanneer men in aanmerking neemt, dat het wapen tamelijk hoog hing — men trok schuin naar beneden. Daardoor wordt er toch nog een vrij sterke druk op de uiteinden van den veer uitgeoefend en is het waarschijnlijk, dat deze voldoende uitéénwijken zullen om den steel door te laten. Hoe is het dan te verklaren, dat dit niet geschiedde, maar dat het oog afbrak?" De Inspecteur dacht een oogenblik na. Toen zeide hij, met de schuchterheid van een schooljongen: "Als de man klein was...." "Uitmuntend, m'n jongen, uitmuntend!" — zei G. G., in zijn enthousiasme tot gemoedelijke gemeenzaamheid vervallende. "De persoon, die de bijl van den muur nam, was véel kleiner dan de Graaf; daarom trok hij in bijna verticale richting en brak het oog af! En, m'n jongen, als je de scherpe opmerker bent, waarvoor ik je houd, dan weet je waar dat afgebroken oog te vinden is." "Hier is het" — antwoordde Inspecteur Fekete, terwijl hij een klein voorwerp uit zijn vestzak nam. "Het zat nog om den steel van de bijl: ik heb het er zooeven afgehaald." ## HOOFDSTUK XVII. OP PAROOL. Het drong onmiddellijk tot mij door, dat — wanneer G. G. en de Inspecteur gelijk hadden — ook Béla Keller onschuldig moest zijn: ook hij kende het systeem van de pinnen en hij was ongeveer even lang als Graaf Csadányi. De beteekenis van de korte vragen, dien morgen na het onderzoek in de wapenzaal door Inspecteur Fekete aan den Graaf gesteld, was nu ook duidelijk: hij had er zich van willen overtuigen, dat deze zich persoonlijk voor de verzameling van oude wapenen interesseerde en dus met de wijze, waarop deze van den muur genomen konden worden, bekend was. Inspecteur Fekete straalde van trots en scheen er zich weinig om te bekommeren, dat de Kommissaris zijn uiteenzetting met voorname onverschilligheid had beantwoord en eindelijk opmerkte: "Dat is alles heel vernuftig gevonden; maar zoolang men mij niet bewijst, dat de moordenaar, die om zoo te zeggen op het oogenblik van de misdaad door den Graaf overvallen zou zijn, plotseling in de lucht is opgegaan, moet ik mijn inzicht ten opzichte van deze zaak handhaven." "En toch zal het geraden zijn, dat wij ons met de arrestatie van Graaf Csadányi niet vergaloppeeren" — meende de Inspecteur. "Er is toch grond tot twijfel; ook u zult dat moeten erkennen. En het zou fataal zijn, wanneer wij hem arresteerden en later zouden moeten erkennen, dat wij ons vergist hebben." De Kommissaris knikte en zweeg: niettegenstaande zijn wat bruuske manier van optreden, was hij in de grootste verlegenheid, hoe er gehandeld moest worden. "Mag ik een voorstel doen, mijne heeren?" — aldus verbrak G. G. de stilte. "Hoewel ik in deze zaak de belangen van den Graaf vertegenwoordig, ben ik er toch niet blind voor, dat er belastende momenten voor hem aan den dag gekomen zijn. Ik begrijp dus, dat u voor een moeilijk geval staat. Intusschen, Graaf Csadányi — zelfs al mocht hij zich in drift tot een daad van geweld hebben laten meësleepen — blijft een Hongaarsch Edelman, en daarom gaat de eer hem boven alles. Ik stel u voor, hem voorloopig tot gevangene op parool te maken en zijn eerewoord te verlangen, dat hij Vöröshegy niet verlaten zal." "Ik weet niet, of ik daarmede mijn bevoegdheid niet te buiten ga" — zei de Kommissaris weifelend. "Zoolang er geen bevel tot in-hechtenis-neming is uitgevaardigd en er feitelijk nog slechts vermoedens tegen hem bestaan, komt het mij voor, dat u niets anders doen kunt" — zeide G. G. "In de gegeven omstandigheden schijnt mij dit de eenige oplossing." Na eenig over-en-weer gepraat, vereenigden de beide heeren zich ten slotte met het voorstel van den detective, mits er eenige politie-agenten op Vöröshegy zouden worden ingekwartierd. Nu kwam het er echter op aan, den Graaf van deze beslissing kennis te geven, en het bleek, dat de naar het uiterlijk zoo kloeke Kommissaris daarin niet heel veel lust had. Toch was het zijn taak, zich met die mededeeling te belasten, en hij begreep, dat hij zijn tegenzin overwinnen moest. Groot was echter zijn verlichting, toen G. G. zich aanbood zijn mede-boodschapper te zijn, en hij scheen diens bereidwilligheid daartoe zóózeer op prijs te stellen, dat hij van dat oogenblik af zijn meer dan gereserveerde houding tegenover den Engelschen detective aflegde. Naar G. G. mij later vertelde, nam Graaf Csadányi de zaak met de grootste kalmte op. Het is niet onmogelijk, dat hij zich op erger had voorbereid en in elk geval was hij te verstandig om niet te begrijpen, dat in de eigenaardige positie, waarin hij verkeerde, het moeilijk was, hem een grootere consideratie te toonen dan op deze wijze. Hij gaf dus zijn eerewoord en was, van dat oogenblik af, een gevangene op parool. G. G. vertelde mij verder, dat de Graaf het op prijs zou stellen, wanneer ik hem persoonlijk wilde inlichten omtrent mijn ontmoeting met Imre den Czigány en den zonderlingen "groet", dien deze mij voor hem had medegegeven. Later in den morgen voldeed ik aan zijn verzoek en had gelegenheid te constateeren, dat de houding, door Imre aangenomen, voor den Graaf volkomen onbegrijpelijk was. "Waarom deze halve vagebond zoo vast aan mijn schuld gelooft, waarom hij mij den weg naar de hel zoo gemakkelijk wil maken, waarom hij zich voor de treurige gebeurtenis in mijn huis zoo buitengewoon interesseert het zijn mij even zoovele raadselen. Ik heb dien man nooit anders dan vriendelijk toegesproken; vanwaar dan nu opeens die opvlamming van haat en woede?" Ik moest het antwoord schuldig blijven. Over de geheimzinnige verhouding, die tusschen de Gravin en den Czigány bestaan had, zweeg ik, ook omdat G. G. mij dat op het hart had gedrukt. Toch waarschuwde ik den Graaf uitdrukkelijk tegen Imre's bedoelingen. Ik was van diens bitteren ernst bij het uiten van zijn bedreiging te zeer overtuigd, dan dat ik die als 'n opwelling van voorbijgaande woede beschouwen kon. Maar Graaf Csadányi vatte de zaak niet zoo zwaar op. Hij was trouwens te vol van zijn eigen leed dan dat hij aan andere dingen veel aandacht zou geschonken hebben. Inmiddels was, met toestemming van de politie-beambten, het lichaam der Gravin naar haar kamer overgebracht en op een bed neêrgelegd, in afwachting van de komst van een dokter om het lijk te schouwen. In de wapenzaal waren de sporen van de misdaad zooveel mogelijk verwijderd. Een onnatuurlijke treurigheid en stilte daalden op het slot neder. Alles was als met een waas van somberheid bedekt. Men fluisterde in de kamers en in de gangen, men sloop onhoorbaar de trap op, men vermeed elk gerucht en leefde onder den geestdoodenden druk van het vreeslijke en onbegrijpelijke. Want niet alleen, dat de dood het graaflijke verblijf had betreden, maar in zijn gevolg waren de vrees en het wantrouwen gekomen. Onder hun drukkenden invloed verdween elke opgewekte stemming, elk gezond leven. Als een nachtmerrie lag de verschrikking van een geheimzinnigen angst over het slot: er was inderdaad een spook op Vöröshegy gekomen! De Graaf gebruikte zijn maaltijden op zijn kamer. Zoowel tegenover G. G. als tegenover mij had hij den wensch uitgesproken, dat wij, zoolang wij dat noodig of wenschelijk vonden, op Vöröshegy zouden blijven. Ilonka Keller bediende ons bij onzen maaltijd, die in de kleine zaal naast de eetzaal gebruikt werd. Dien namiddag, toen G. G., Maud en ik na het eten in niet zeer opgewekte stemming bijeen waren, zeide G. G. plotseling: "Heb je er wel aan gedacht, Willy, dat het vandaag een critieke dag is, met betrekking tot de zaak, die mij oorspronkelijk hierheen heeft gebracht?" Een oogenblik begreep ik niet, wat hij bedoelde; maar toen schoot het mij op eens te binnen. "Kilometerpaal No. 7, natuurlijk!" — riep ik uit. "Van daag zou de secretaris van den Aartshertog het geld brengen!... Hoe is het mogelijk, dat wij dat vergeten hebben!" "Gezien wat wij alles hebben meêgemaakt, zou het niet te verwonderen zijn, als we het vergeten hadden, Willy! Maar — ik heb eraan gedacht: zelfs de meest onverwachte gebeurtenissen mogen het geheugen van een detective geen parten spelen." Denken alléén helpt niet veel, waar we hadden moeten handelen" — decreteerde ik. "Nu niemand meer aan die jachtpartij gedacht heeft, hadden wij kunnen handelen: de gelegenheid was er." "En daarom heb ik haar aangegrepen" — zei G. G. kalm. Ik keek hem getroffen aan. Welk 'n merkwaardig man was hij toch! En hoe verstond hij het, de draden van het meest ingewikkelde onderzoek vast te houden, waar een ander die, onder den drang der omstandigheden, zeker zou hebben laten glippen! Ik heb de eigenschap (en last genoeg heeft mij die bezorgd!), dat wat ik denk, veel te spoedig op mijn gezicht te lezen staat. Ook ditmaal was dit het geval. G. G. tenminste begon te lachen en antwoordde op mijn onuitgesproken gedachten. "Nu, nu, Willy! Zóó'n wereldwonder ben ik óók niet! 't Is niet meer dan een kwestie van sterke zenuwen, goed geheugen en van systeem. Een nuchter mensch als jij, moest zich daarover niet verwonderen." Nu glimlachte ook Maud. "In plaats van te lachen" — zei ik, nu afgekoeld, "deed je beter, ons te vertellen, wat je dan eigenlijk gedaan hebt." "Je zult misschien gemerkt hebben, Willy" — begon de detective, "dat ik van ochtend, na afloop van de verhooren, die Kommissaris Kovács op zoo verdienstelijke wijze heeft afgenomen, met dien voortreffelijken beambte een kort apartje heb gehad. Het was toen tien uur, en om klokke twaalf (aldus luidt de zeer nauwkeurige afspraak, die ik te Budapest gemaakt heb) zou de secretaris de bewuste som bij kilometerpaal No. 7 begraven. Wanneer de Kommissaris een van de politie-agenten, die hij meêgebracht had, dadelijk erop uitstuurde, kon de man één uur voor den bepaalden tijd ter plaatse aanwezig zijn. Natuurlijk moest hij zorgen, dat niemand hem zag komen en zich verdekt opstellen, teneinde te zien, of er reeds iemand in den omtrek rondsloop. Je begrijpt, Willy, dat het voor ons beiden uitgesloten was, ditmaal het werk persoonlijk ter hand te nemen: we hadden hier, op Vöröshegy, genoeg te doen!" "Maar hoe heb je den Kommissaris ertoe gebracht, je een mannetje af te staan?" - vroeg ik. "Eerst wilde hij daarvan werkelijk niet veel weten" — antwoordde mijn vriend, "te minder omdat ik hem natuurlijk niet kon mededeelen, in welke zaak ik aldus zijn medewerking inriep. Maar ik heb een brief bij mij, die alle politie-autoriteiten den plicht oplegt, mij actieve hulp te verleenen: de Aartshertog heeft mij dien bezorgd. Toen ik dat document toonde, kreeg ik dadelijk mijn zin en ik geloof, dat die brief ook niet vreemd is aan de verandering van stemming, die je bij den Kommissaris te mijnen opzichte zult hebben waargenomen." "Ik schreef die toe aan je bereidwilligheid, hem bij te staan in die onaangename boodschap aan den Graaf" — zei ik. "Dat zal er nog bijgekomen zijn, Willy! In elk geval lag er om elf uur een bekwaam en handig man op de loer bij kilometerpaal No. 7. Hij had eenvoudig in last waar te nemen, of er om 12 uur inderdaad iemand komen zou om iets onder dien paal te begraven, en dan rustig te blijven wachten en observeeren, totdat hij afgelost werd." "En voor die aflossing gaan we thans zorgen!" — zei ik, opstaande. "Voortvarend als steeds, Willy! Het is echter niet noodig meer, hem af te lossen: hij is al hier!" "Wat zeg je?" — vroeg ik verbaasd. "De man is heel verstandig geweest" — antwoordde G.G. "Hij is tot twee uur op zijn post gebleven, en is toen teruggekomen, omdat er niets gebeurd was." "Dus - de secretaris van den Aartshertog . . . ?" "Is niet verschenen, Willy!" Dat was weer een onverwachte wending, die de gebeurtenissen namen. Waarom had men zich niet gehouden aan de afspraak? Waarom riskeerde men, dat de veiligheid van het jonge Aartshertogje gevaar liep? Of . . . was het moge lijk, dat den vertrouwden afgezant van den Aartshertog iets overkomen was? Had Imre de Czigány, die — zooals wij nu wel zeker wisten — op de een of andere wijze bij den kinderroof betrokken was geweest, hierbij de hand in het spel?..... Ja, als wij al die vragen beantwoorden konden! "Weet je, waarom de secretaris is weggebleven?" - vroeg ik eindelijk. "Neen, Willy, nog niet!" — antwoordde G. G. "En ik wil je wel zeggen, dat zijn niet-verschijnen ons vertrek van hier noodzakelijk maakt. Maar eerst moeten we voor ons zelven met zekerheid uitmaken, dat hij er niet geweest is: die politie-agent kan geslapen hebben! Het is 'n mooie dag, Willy! Laten we eens naar kilometerpaal No. 7 gaan kijken! En U, Mevrouw" — vervolgde hij, zich tot Maud wendende, "zult, naar ik hoop, van de partij zijn: 'n beetje lichaamsbeweging, bij alle zedelijke schokken van de laatste vier-en-twintig uren, zal ook U goed doen." "Maar is het wel verstandig, den Graaf hier alleen achter te laten . . .?" — vroeg ik weifelend. "Ik kan niet aannemen, dat hij zijn woord breken zou, Willy! En wat z'n veiligheid betreft: de drie politie-agenten, die achtergebleven zijn (waaronder onze wachter bij den kilometerpaal!) houden hem ongemerkt in het oog en laten niemand bij hem toe; zij hebben zelfs order, niemand het slot te laten betreden, behalve den dokter uit Zsolna, die elk oogenblik verwacht wordt. Hun instructies zijn zeer streng, Willy! De Kommissaris was nog steeds doodsbenauwd, dat de Graaf ontvluchten of zich met de buitenwereld in verbinding stellen zou. Ons kunnen die maatregelen goed zijn, omdat zij zijn veiligheid waarborgen tegenover Imre den Czigány . . . en anderen, misschien!" Toen wij een half uur later het bosch betraden, kwam ons een ruiter tegemoet, een oud-achtig man met grijzen baard. Hij hield zijn paard bij ons aan en keek eenigszins verwonderd. "Komt U van Vöröshegy?" — vroeg hij in het Hongaarsch. Ik antwoordde bevestigend in het Duitsch en voegde eraan toe, dat wij gasten van Graaf Csadánvi waren. "Ik ben dokter Molnár uit Zsolna" — zeide hij. "De politie heeft mij naar Vöröshegy ontboden, in verband met den moord op de Gravin. Wat 'n vreeslijke gebeurtenis!" Ik knikte bevestigend. "In Zsolna en Kisfalva is men er vol van" — zei de spraakzame dokter. "Ik hoor zelfs, dat in Budapest de couranten er afzonderlijke bulletins over uitgeven. Men houdt algemeen den Graaf voor den dader." "Er zijn voor hem belastende momenten" - zei G. G., "maar zóó stout mag men toch nog niet spreken." "Het publiek oordeelt in zoo'n geval meestal te snel" zei de dokter. "Maar 't is niet te verwonderen, dat er over niets anders gesproken wordt. En dan, in verband daarmeê, de verschijning van het spook van Vöröshegy! Kan het geheimzinniger en prikkelender voor de volksverbeelding?" "Wat zegt u daar van het spook van Vöröshegy?" - G. G. had moeite zijn gewonen, kalmen toon te bewaren. "Hebt u dat nog niet gehoord?" - vroeg de dokter. "Maar, 't is waar: van buitenaf zullen u nog weinig berichten bereikt hebben. Een paar boeren, die gisteravond van het feest van den Wijnoogst terugkwamen en meer gedronken hadden dan goed voor hen was, zijn in het bosch onder de roode rotsen verdwaald en daar in slaap gevallen. Midden in den nacht, toen ze wakker werden, hebben ze, naar ze beweren, op de wallen van het slot het spook van Vöröshegy gezien. Dat moet ongeveer geweest zijn op denzelfden tijd, waarop de Gravin vermoord werd. Nu vraag ik u: kan het griezeliger?" . . . . "Op welk gedeelte van de wallen werd het spook gezien?" vroeg G. G. kort en scherp. "Op het dak van den half-afgebroken hoek-toren. Dat zèggen ze tenminste; maar — onder ons gezegd en gezwegen ik houd het heele verhaal voor 'n dronkemanspraatje!" "Ook, nu ze beiden hetzelfde gezien hebben, dokter?" vroeg G. G. "Er zijn meer dingen tusschen hemel en aarde ...." "U is, naar 't schijnt, van 'n romantische natuur, Meneer!" — zei de dokter met 'n lichten spot in zijn stem. "Als man van de exacte wetenschap, denk ik er het mijne van! Ik heb de eer, den 'Herrschaften' een goeden dag te wenschen!" Met een beleefden groet vervolgde hij zijn weg. "Vergeet u niet, Meneer de dokter, even naar de vrouw van den slotbewaarder te gaan zien: die is leelijk ziek!" — riep G. G. hem na; en toen ik hem verbaasd aankeek, vervolgde hij: "Goed zoo, Willy! Zoo komen we, waar wij wezen moeten! Maar laten we onzen weg vervolgen. We hebben voor onze taak goed licht noodig en het wordt tegenwoordig al vroeg donker!" Na een heerlijke wandeling door het bosch, dat nog in veelkleurigen herfstdos prijkte, kwamen wij aan den kilometerpaal No. 7. Ook Maud herkende dadelijk de plaats, waar ons rijtuig op den tocht naar Vöröshegy "schipbreuk" geleden had. Het bleek ons, dat de grond om den kilometerpaal geen enkel teeken vertoonde, dat hij in de laatste dagen — laat staan in de laatste uren! — omgewoeld of uitgegraven was. Ons onderzoek bevestigde het bericht van den politie-agent, dat hier niemand geweest was, zoodat wij het nu als volkomen vaststaand konden aannemen, dat de secretaris van den Aartshertog zich niet te dezer plaatse had laten zien. Nu wij daar zoo stonden, met den zonnigen weg vóór ons, en, aan weerszijden daarvan, de zware bosschen, die er thans lang zoo schrikwekkend niet uitzagen als in den nacht, toen ik naar Kisfalva reed, viel mij opnieuw de nabijgelegen hut in, waarin Imre de Czigány op dien regen-avond een schuilplaats had gezocht. Ik stelde voor, die nu eens op te zoeken en G. G. ging daarop dadelijk in. Wij verlieten dus den weg, drongen door dik struikgewas heen en kwamen reeds op een afstand van een meter of twintig op een open plaats, die vroeger van struiken en onkruid gereinigd geweest, maar nu weer grootendeels daarmede begroeid was. In het midden stond een kleine, bouwvallige hut, van enkele planken met zoden ertusschen opgetrokken, en met riet bedekt. Het was een schamele schuilplaats, maar toch: de muren waren goed dicht en het dak liet den regen niet door. Een paar vierkante openingen dienden als vensters, maar van ruiten of luiken was geen spoor te bekennen. De deur was gesloten, maar de klink liet zich gemakkelijk lichten, zoodat wij konden binnentreden in het eenige vertrek, waaruit de hut bestond. De vloer was van hard gestampte aarde. Een ruwe tafel stond bij een der vensters, en daarop . . . een klein inktfleschje, met een half afgebroken penhouder ernaast. "Zie je wel, dat de pen nauwelijks verroest is, Willy?" — vroeg G. G. "En er is een korstje inkt op, dat nog tamelijk versch lijkt! — Hier hebben we nog iets, dat ons belang inboezemt" — vervolgde hij, zich bukkend en een afgescheurde papiersnipper van den grond oprapend. "De heer Imre schijnt hier zijn kantoor gevestigd te hebben!" Hij stak de snipper zorgvuldig in zijn portefeuille en vervolgde: "Laten we eens verder rondkijken! Dat leger daar in den hoek is echt landelijk: wat hooi met droge bladeren! En wat hebben we hier?" — Hij schoof een laken op zijde, dat een hoek van de hut afschoot. "Nog een rustbed!
"Zie je wel, dat de pen nauwelijks verroest is, Willy?"
Dit ziet er wat beter uit: een wollen deken zelfs! 't Zou mij niet verwonderen, als onze kleine bekende, Mariska met de zwarte haren en de blauwe oogen, hier wel eens haar kinderlijke droomen gedroomd heeft, en..." Hij hield plotseling op, bukte zich en bekeek het primitieve rustbed nauwkeurig. "Dat is zonderling" — hernam hij, zich na eenigen tijd oprichtende en aan een der "vensters" tredende. "De kleine Mariska heeft van nature zwart haar, en hier . . . vind ik opnieuw een blond haar, dat zwart geverfd is! Ik heb het al meer gezegd, Willy: wij wandelen hier overal in raadselen!" Ik bekeek het haar nauwkeurig: het zag er precies zoo uit als dat andere, dat G. G. den vorigen dag op mijn jas ontdekt had. En ook dit deponeerde de detective even zorgvuldig als het eerste in de diepte van zijn portefeuille. Overigens kon zelfs het speurend oog van mijn vriend in de hut niets bizonders meer ontdekken. Behalve de tafel waren er drie ongeverfde, ruw getimmerde stoelen en op een plank aan den muur stond een kleine petroleumlamp, met gebarsten kap. Het reservoir was nog half vol met petroleum en de pit vertoonde kenmerken van nog niet lang geleden gebrand te hebben. "De heer Imre is eenvoudig in zijn levenswijze" — zeide G. G. "Heel veel meer valt er in deze zeer rustieke woning niet te bewonderen. Met uw goedvinden, Mevrouw, en de jouwe, Willy, zullen we nu den terugweg maar aanvaarden, tenzij Mevrouw er de voorkeur aan geeft eerst wat op een van deze landelijke fauteuils uit te rusten!" — Met een galant gebaar wees hij op de primitieve stoelen. Maud was in het geheel niet moe. Wij drongen dus weer door de struiken tot op den weg en wandelden langzaam in de richting van Vöröshegy. Ik trachtte G. G. aan het praten te krijgen over zijn zienswijze omtrent wat wij in de hut gevonden hadden, maar op dit punt bleek hij zoo gesloten als een bus. Daarentegen begon hij uit zichzelven over onze eigen plannen voor de naaste toekomst. "Naar ik hoop, zal het je vrouw en jezelven convenieeren, Willy, nog eenige dagen te Budapest door te brengen. Je kent die stad al en je weet, dat zij voor vreemden hoogst aantrekkelijk is. Bovendien zal het u verheugen, Mevrouw, in aanraking te komen, met een zoo interessant vorstelijk paar als Aartshertog Karel August en zijn echtgenoote." "Eerlijk gezegd, heel veel lust daarin heb ik niet" — zeide Maud, 'n beetje verbaasd. "Waartoe zou dat ook dienen?" G. G. werd nu ernstig. "Wanneer wij te Budapest zullen zijn" - zei hij, "zal Majoor Curtis met spoed vertrekken en in zijn plaats zal Geoffrey Gill treden, in zijn werkelijke gedaante! Behalve de Aartshertog en zijn vrouw, weet daar niemand hoe hij er werkelijk uitziet. Wanneer Majoor Curtis daar verscheen, zou onze tegenpartij, die blijkbaar in de omgeving van den Aartshertog vertegenwoordigd is, onmiddellijk op haar hoede zijn, want vergeet niet, dat zij haar oogen en ooren op Vöröshegy had en dus weet, wie Majoor Curtis eigenlijk is! Zij moet in den waan gebracht worden, dat de Engelsche detective vertrokken is en het spel heeft opgegeven. Zoo heel onwaarschijnlijk zal dat niet lijken, want — we hebben er nooit doekjes om gewonden! - Majoor Curtis heeft tot dusverre nog niet het geringste succes te boeken: zoo schijnt het althans!" G. G. hield een oogenblik op en lachte zacht. "Maar als de tegenpartij — wie 't dan ook zijn moge — ons beiden, Maud en mij, te zien krijgt, zal zij juist wantrouwend worden: ons kent zij toch ook!" "Juist, Willy. Maar ze ziet in jou dan niet meer dan een eerzaam buitenlandsch rechtsgeleerde, die, onder leiding van Geoffrey Gill, zoo'n beetje meê-geliefhebberd heeft op detectivegebied! Zij vreest jou, noch Mevrouw, m'n beste! Neem mij niet kwalijk, dat ik je de waarheid zoo onomwonden zeg: van je verborgene, bizonder voortreffelijke eigenschappen heeft zij geen flauw begrip, Willy!" Ik vond, dat G. G. weer eens 'n onaangename bui had, maar hield mijn gedachten vóór mij. "Van die voortreffelijke eigenschappen" — vervolgde hij zul je daarom des te beter gebruik kunnen maken: aan jou de taak om de onbekende handlangers onzer tegenpartij in den waan te versterken, dat Geoffrey Gill vertrokken is. Je kunt dat doen, door nu en dan op de meest discrete wijze iets los te laten over een vriend, met wien je eenige dagen samen geweest bent. Daarbij zou je je desnoods wat vroolijk kunnen maken over het plotselinge vertrek van dezen buitenlander: dat zal je bij vele Hongaren in de gunst brengen. En let er vooral op, Willy, of er ook menschen zijn, die naar tijding omtrent je nederigen vriend ,visschen': dat zou verdacht zijn!" "Ik zal goed oppassen!" — zei ik, nu geheel verzoend; want ik begreep, dat de taak, die mij aldus werd opgedragen, niet zonder gewicht was. "Dank je, Willy! Je helpt er mij werkelijk mee" — zei G. G. hartelijk. "En Mevrouw zal het toch ook niet al te erg vinden, eens met de hofhouding van een Aartshertog kennis te maken." "Als men van mij maar niet verwacht: opzitten en pootjes geven!" — lachte Maud. Maar ik wist, dat zij dit niet enkel als scherts bedoelde: als lid van de hoogmoedigste aristocratie der wereld, vond zij zich zelve niet minder dan een achterneef van den Keizer-Koning! Hiermede was ons gesprek over dit onderwerp ten einde. De weg trad uit het bosch en Vöröshegy lag weder vóór ons. ## HOOFDSTUK XVIII. EEN NIEUW PUNT VOOR DEN CATALOGUS. In de vóórhal van het slot troffen wij Béla Keller, die juist met dokter Molnár naar de deur ging om deze voor hem te openen. Toen de dokter ons in het oog kreeg, groette hij beleefd en zeide: "Mijn treurige taak hier is afgeloopen! De arme Gravin! Het is 'n afschuwelijke en raadselachtige geschiedenis." "Hebt U nog iets bizonders ontdekt, in verband met de gepleegde misdaad?" — vroeg G. G. met 'n onschuldig gezicht. "Indien dat het geval was" — zeide de dokter, met die eigenaardige prikkelbaarheid, die vele doctoren toonen, zoodra zij een aanval op hun beroepsgeheim ook maar in de verste verte vermoeden, "zou het mijn plicht zijn, tegenover elkeen te zwijgen, behalve tegenover de autoriteiten." "U hebt volkomen gelijk!" — zeide G. G. en wilde er nog iets aan toevoegen, toen de dokter, die blijkbaar uit zijn humeur was, hem voorkwam. "U hebt mij, toen ik de eer had U en Uw gezelschap in het bosch te ontmoeten, gezegd, dat ik goed zou doen eens naar de vrouw van den slotbewaarder te gaan zien. Uw zorg schijnt vrij wel overbodig geweest te zijn: Meneer Keller hier verzekert mij, dat haar toestand volstrekt niet zóó ernstig is, dat er medische hulp noodig is." Béla Keller, die het gesprek aanhoorde, was wat bleek geworden. "Het verheugt mij bizonder" — zeide G. G., zich tot hem richtende, "dat er een wending ten goede gekomen is. Vanochtend was uw dochter nog héél bezorgd en ik dacht dus goed te doen, dokter Molnár te verzoeken, eens te zien wat hij doen kon." "Ik zou hem dat zelf gevraagd hebben, als het noodig was" - zeide Keller, met schorre stem. De man had volkomen gelijk! En toch kon ik de gedachte niet van mij afzetten, dat hier iets niet in orde was. Dat zijn vrouw zwaar ziek was, scheen mij buiten twijfel: alle vroegere berichten stemden daarin overeen en ik had er mij reeds lang over verwonderd, dat men er niet aan scheen te denken, een dokter te ontbieden. Nu echter was er een dokter gekomen, ook zonder dat hij — althans door Keller zelven — ontboden was: en de slotbewaarder stuurde hem wèg, zonder dat hij de zieke vrouw gezien had! Mijn vroeger vermoeden, dat Keller zijn vrouw mishandelde, rees opnieuw bij mij op. Ik dacht terug aan wat G. G. en ik, toen wij van onzen nachtelijken tocht in het park terugkwamen, in de woning van dezen man gehoord hadden. Geen twijfel: de dokter werd met opzet vèr gehouden, omdat hij anders teekenen van die mishandeling had kunnen constateeren! Toen ik mijn aandacht, naar aanleiding van deze gedachten, wat meer op den slotbewaarder vestigde, viel het mij op, dat de betrekkelijke kalmte, die hij bij het verhoor door den Kommissaris aan den dag had gelegd, weer geheel verdwenen was. Hij was opnieuw doodsbleek, beet zenuwachtig op zijn snor en zijn oogen dwaalden schuw van den een naar den ander. Ik schreef dit toe aan den angst, dien hij had uitgestaan, toen de dokter zijn vrouw wilde bezoeken. Op dat oogenblik gebeurde er iets, dat mijn argwaan tegen hem vermeerderde. De deur van Keller's woning, die — zooals men weet — in de voorhal uitkwam, werd plotseling geopend en Ilonka verscheen op den drempel. Toen zij zoovele menschen bijeen zag, wilde zij weer in de woning teruggaan, maar in een oogwenk was G. G. naast haar. "Ik hoor, dat het met Uw moeder zooveel beter is, juffrouw Ilonka" — zeide hij. "Dat doet ons allen hartelijk genoegen!" Ilonka Keller keek hem een oogenblik verbaasd aan; toen ging haar verbazing in verontwaardiging over. "Ik begrijp U niet, nagyságos ur!" — zeide zij met bevende stem en trillende lippen. "Waarom spot U met ons verdriet? Moeder is ziek, o zoo ziek!".... Zij sloeg de handen voor het gezicht en snikte even hartstochtelijk als zij dien morgen in de eetzaal gesnikt had. Zij had luid genoeg gesproken, dat de dokter haar had kunnen hooren. Deze wendde zich om een explicatie tot den slotbewaarder. Béla Keller was beurtelings rood en bleek geworden. Hij wierp zijn dochter een blik toe, die niet heel vriendelijk was. Toen zeide hij, op den ruwen toon, dien hij soms plotseling kon aannemen: "Mijn dochter maakt zich wat zenuwachtig. Er is geen reden tot ongerustheid." — Zich daarop tot Ilonka wendende en op den dokter wijzende, voegde hij eraan toe: "Dit is dokter Molnár uit Zsolna!" Deze laatste woorden werden gesproken op een toon, die niets had van dien, welken men gewoonlijk bezigt als men menschen met elkander bekend maakt. Zij klonken als een mededeeling van groote beteekenis, als 'n plechtige waarschuwing, als 'n ernstige bedreiging. En toch — wat kon er in die eenvoudige woorden voor plechtigs, voor dreigends liggen? . . . Ik had nooit van dokter Molnár gehoord, maar de man maakte den indruk van een achtenswaardigen, spraakzamen, hoewel nu en dan wat kort-aangebonden ouden heer. Wat kon dan de reden zijn, die Ilonka, bij het hooren van zijn naam deed wankelen en verbleeken? Speelde ook die man een rol in al het geheimzinnige, dat zich rondom ons afspeelde?... De dokter bleef eenige oogenblikken stil en keek strak naar het schreiende meisje, dat zich met moeite staande hield. Toen scheen hij plotseling zijn besluit te nemen. "Uw dochter is geheel van streek, Meneer Keller"—zeide hij. "Zelfs wanneer U het voor uw vrouw onnoodig vindt, dan zou het toch tegenover uw dochter een weldaad zijn, als U mij toestondt naar binnen te gaan. Zij leeft nu in angst en onzekerheid; waarom zoudt U haar geen zekerheid geven?" Béla Keller mompelde eenige onverstaanbare woorden en maakte een afwerend, hoewel zwak, gebaar. Zijn houding maakte den dokter nu werkelijk boos! "In God's naam, man, wat bezielt je?" — riep hij uit. "Als Uw vrouw *niet* ernstig ziek is, zal het Uw dochter geruststellen, dat te weten; en in het tegenovergestelde geval is het toch noodig, dat zij behandeld wordt!" Béla Keller kon nog maar steeds niet besluiten! Dit was den dokter te veel. Hij liet een krachtigen Hongaarschen vloek hooren — dat Hongaarsche vloeken krachtig zijn, heb ik reeds elders gezegd — en trad snel op de deur van Keller's woning toe. Deze trachtte hem tegen te houden, maar de dokter beet hem toe: "Je houding is beneden kritiek, meneer! Je verdient 'n pak ransel!" — Dit zeggende verdween hij in de woning! Men moet weten, hoe lichtgeraakt de Hongaren zijn, om te kunnen begrijpen, hoe wonderlijk het was, dat Keller niet in woede ontstak op deze onvriendelijke woorden. Met 'n bleek gezicht en wankelende schreden volgde hij den dokter en ook Îlonka, die steeds bleef schreien, ging terug en sloot de deur achter zich. Wij met ons drieën keken elkander aan, verbaasd en geërgerd. Maar voordat wij in de gelegenheid waren elkander onze indrukken mede te deelen, werd onze aandacht afgeleid doordat een der politie-agenten, die in het huis waren achtergebleven, de trap afkwam en op G. G. toetrad. Deze man was dezelfde, die dien ochtend bij den kilometerpaal de wacht had gehouden. Hij was Brigadier en de twee andere, in het huis aanwezige Agenten stonden onder zijn bevel. Hij ook was bij de lijkschouwing door den dokter aanwezig geweest. "De Heer Kommissaris heeft mij de opdracht gegeven, den genadigen Heer ervan in kennis te stellen, wanneer er iets bizonders gebeurde" — zeide hij tot den detective, terwijl hij salueerde en in de houding staan bleef. "Spreek op, m'n jongen!" — zeide G. G. op tamelijk onverschilligen toon, maar ik kon zien, dat die onverschilligheid voorgewend was. "Wij hebben van middag hier een Zigeuner aan de deur gehad: 'Imre den Czigány' noemen zij hem hier in de buurt. Hij wilde den genadigen Heer Graaf spreken en was zeer verbolgen, toen hem dit geweigerd werd. Zelfs nam hij een oogenblik een houding aan, alsof hij met geweld binnendringen wilde, maar ik bracht hem spoedig aan het verstand, dat wij niet met ons lieten spotten. Daarop is hij, met veel dreigementen, weggegaan. Intusschen heeft hij dezen brief achtergelaten, die — naar juffrouw Keller mij zeide — aan U geadresseerd is." Hij reikte den detective een couvert toe, geelachtig van kleur en langwerpig van vorm. Het was geadresseerd aan "Majoor Curtis, slot Vöröshegy"; tot zelfs het handschrift was hetzelfde als op den brief, dien G. G. den vorigen namiddag op zijn kamer had gevonden. Maar ditmaal bevatte de omslag geen blad wit papier. Ik zag, hoe G. G. een vierkant beschreven vel uit het couvert nam en bij den eersten blik, dien hij erop wierp, nam ik dien eigenaardigen schok in hals en achterhoofd bij hem waar, waarover ik zoo dikwijls gesproken heb. Hij reikte mij den brief toe, nadat hij dien gelezen had. Men oordeele over mijn verbazing, toen ik de volgende woorden onder de oogen kreeg: "De Kr. 50,000 in orde ontvangen. Zij zullen ter dispositie "van Mr. Gill zijn op den dag, waarop deze Graaf Csadányi "aan den Rechter overlevert. Op dienzelfden dag zal Aarts-"hertog Karel August zijn zoontje terugkrijgen." Nog waren Maud en ik niet van onze verbazing bekomen, toen G. G., uiterlijk geheel kalm, tot den Brigadier zeide: "Dank je vriend! Dit schrijven is inderdaad voor mij bestemd. Mocht Imre de Czigány zich nog eens zien laten — wat 'ik betwijfel —, dan kunt ge hem zeggen, dat het antwoord hem binnen niet te langen tijd bereiken zal." De Brigadier salueerde en verdween. Het spreekt vanzelf, dat Maud en ik den detective bestormden met vragen omtrent de beteekenis van deze zonderlinge missieve en omtrent de gevolgtrekkingen, die daaruit te maken waren. Maar de detective zeide kortaf, dat hij thans nog niets zeggen kon en tijd moest hebben om de zaak te overdenken. Hij ging zitten op een der banken, die in de voorhal stonden, leunde achterover en sloot de oogen: hij was aan het "deduceeren en combineeren". Intusschen duurde het niet heel lang, of hij werd daarin gestoord. Dokter Molnár, gevolgd door Béla Keller, trad opnieuw in de voorhal. De laatste zag er minder bleek en angstig uit dan toen hij den dokter naar binnen gevolgd was. Ik ver moedde, dat deze den toestand niet ernstig bevonden had. Zoodra G. G. den dokter spreken hoorde, sloeg hij de oogen op, ging op hem toe en trok hem met zich ter zijde. Wij zagen, dat hij met grooten nadruk sprak, maar dat dokter Molnár telkens heel kort antwoordde en herhaaldelijk het hoofd schudde. Toen haalde G. G. een papier uit den zak en hield het den dokter voor: waarschijnlijk legi timeerde hij zich. De ander legde daarop zijn terughoudend heid åf en er ontstond een kort, maar zeer levendig gesprek. Toen de dokter afscheid genomen had en wij hem over het slotplein hadden zien wegrijden, kwam de Brigadier met zijn twee man naar beneden; zij namen plaats op een der banken. Op dit oogenblik naderde Béla Keller ons. "Wanneer zullen die menschen eindelijk eens weggaan" — zeide hij op gemelijken toon. "Mij dunkt het onderzoek zal nu toch wel afgeloopen zijn". G. G. keek hem 'n oogenblik aan met iets in zijn blik, dat een zonderlinge mengeling scheen van spot en medelijden. "Meneer Keller" — zeide hij toen, terwijl hij hem vertrouwelijk de hand op den schouder legde, "als u mij belooft te zwijgen, zal ik 'u iets mededeelen, dat veel verklaren zal van wat u niet begrijpt. De politie-agenten zullen voorloopig hier blijven, omdat zij Graaf Csadányi moeten bewaken." "Graaf Csadányi . . .?" De oogen van den slotbewaarder stonden wijd-open, en er kwam een uitdrukking van groote ontsteltenis in zijn blik. "Begrijpt u dan werkelijk niets van wat hier omgaat?" vroeg G. G. "Is het u geheel ontgaan, dat de verdenking van dezen moord op Graaf Csadányi rust en rusten moet?" Nooit zal ik de ontzetting vergeten, die plotseling op het gezicht van Béla Keller te lezen stond. Hij wankelde achteruit en steunde tegen den muur. Op eens wierp hij beide handen omhoog met een gebaar van de grootste wanhoop: "Mijn God, mijn God!" — klonk het fluisterend. "Wijs mij den weg, dien ik gaan moet! Wat moet ik doen, wat moet ik doen?" Hij zou inééngezakt zijn, als G. G. hem niet ondersteund had. "Ga in uw woning, vriend!" — zeide deze hartelijk, en terwijl hij hem naar de deur geleidde, hoorde ik hem zacht daaraan toevoegen: "Ik geloof, dat ik uw vreeslijken toestand begrijp. Het eenige, wat U doen kunt is: afwachten! Afwachten, met geduld en berusting." Wij zagen hen samen in Keller's woning verdwijnen, en Maud en ik gingen naar boven in het laatste stadium van verbazing! Eerst om negen uur kwamen wij weder met Majoor Curtis te zamen aan het avondeten. Na afloop daarvan verzocht hij ons, op zijn kamer te komen. "Wat er vandaag gebeurd is" — aldus begon hij, "heeft mij bevestigd in mijn meening, dat onze taak op Vöröshegy voorloopig afgedaan is. Morgenochtend zullen wij naar Budapest vertrekken, althans wanneer Mevrouw zich daarmede vereenigen kan!" Maud verklaarde zich bereid. "Je zult dus morgen afscheid moeten nemen van Majoor Curtis, Willy, maar daarvoor in de plaats je goeden vriend Geoffrey tegen het lijf loopen. En ik denk, dat je in diens gezelschap nog eenige interessante experimenten zult medemaken." "Intusschen" — bracht ik in het midden, "zou Majoor Curtis wel vast kunnen beginnen met ons te verklaren wat ons onverklaarbaar schijnt in hetgeen zich vanmiddag in de voorhal heeft afgespeeld." Tot eenig antwoord haalde G. G. pen en inkt voor den dag en plaatste die vóór mij op tafel. "Wat wil je?" — vroeg ik. "Beste jongen" — antwoordde hij, "ook mijn gave om de gebeurtenissen op Vöröshegy te verklaren, is, zooals je weet, zeer beperkt. In plaats van je begrijpelijke nieuwsgierigheid te bevredigen, zie ik me dan ook genoodzaakt — en het kan jou niet meer leed doen dan mij, Willy! — je te verzoeken, nog één punt te voegen bij de onopgeloste raadselen, die wij in onzen catalogus hebben neêrgelegd: Punt 7, geloof ik." Mijn vrouw en ik moesten glimlachen om de vasthoudendheid, waarmede onze vriend telkens tot zijn catalogus terugkeerde. Ik nam de pen op en hij dicteerde mij het volgende: 7) 18 October, 's namiddags 31/2 uur. Imre de Czigány meldt zich op Vöröshegy aan, verlangt den Graaf te spreken — wat hem geweigerd wordt — en geeft een brief af (inhoud bekend) voor Majoor Curtis. Te verklaren: a. Wat had Imre met Graaf Csadányi te verhandelen? b. Hoe is het mogelijk, dat de Kr. 50.000 in ontvangst genomen zijn, terwijl zij niet onder kilometerpaal No. 7 begraven waren? Waarom schroomt Imre niet langer, zich bloot te geven als betrokken in den kinderroof? d. Waarom worden aan Aartshertog Karel August en aan Geoffrey Gill aangename zaken beloofd, wanneer Graaf Csadányi voor den Rechter wordt gebracht? "Waarop wacht je nog?" - vroeg G. G., toen ik met de pen in de hand bleef zitten. "We zijn er toch nog niet!" — antwoordde ik. "Omtrent de wijze, waarop Béla Keller vanmiddag optrad, behooren ook 'n paar vragen in onzen catalogus!" G. G. nam mij het papier uit de handen. "Ben je vergeten, Willy, hoe het opschrift luidt? ,Catalogus van vaststaande, onverklaarde feiten', enz. Onverklaarde feiten, m'n jongen! Alles wat Béla Keller deed en zeide is echter volkomen te verklaren!" "Maar ik begrijp niet . . ." "Het is jammer, Willy, dat je niet begrijpt" — zei G. G. "Maar je zult mij toestemmen, dat deze Catalogus, in de eerste plaats, voor *mijn* gebruik bestemd is. En daarom behooren er niet in thuis de punten, die ik wèl begrijp!" ## HOOFDSTUK XIX. GEDAANTE-VERWISSELING. Den volgenden ochtend, even na 7 uur, toen Maud en ik in de eetkamer kwamen, vonden we op de tafel een briefje liggen van Majoor Curtis. "Hoewel wij afgesproken hebben, met het lokaaltreintje "van 9 uur van Kisfalva naar Zsolna en vandaar met den "sneltrein naar Budapest te vertrekken" — aldus schreef hij, "dwingen de omstandigheden mij, reeds het lokaaltje "van 7 uur te nemen. Als ge dezen ontvangt, ben ik dus "reeds onder weg. Ik zeg u hartelijk vaarwel! Misschien "zullen wij elkander niet weerzien. In dat geval ontvangt "ge bericht omtrent mij door bemiddeling van onzen gemeenschappelijken vriend Geoffrey." Daaronder, met 'n vette streep, de handteekening: "Curtis". Maud en ik begrepen niet, waarom wij de reis niet met hem maken konden, maar wij lachten om zijn briefje, waarin hij zijn geliefkoosde méthode volgde en de persoon van G.G. streng van die van Majoor Curtis gescheiden hield. Reeds den vorigen avond hadden wij afscheid van den Graaf genomen. Deze was zeer vriendelijk en zelfs eenigszins bewogen geweest. Hij verzocht ons, niet naar Holland terug te keeren, vóórdat wij hem op Vöröshegy vaarwel hadden komen zeggen, wanneer tenminste niet . . . ." — en hij zweeg, met een wat moedeloos gebaar. "Vrienden in den nood zijn méér dan vrienden, het zijn broeders . . . en zusters!" — voegde hij er, met een buiging aan Maud's adres, aan toe. In de eetzaal vonden wij (vroeg omdat wij vroeg waren) Ilonka Keller. Zij was stil en bleek, als steeds in de laatste dagen. Haar vader was bij zijn zieke vrouw gebleven en liet zich verontschuldigen. Pista zou ons naar Kisfalva rijden en ons aan het station helpen met onzen koffer. Toen het rijtuig vóórkwam, drukte ik het meisje de hand, en mijn vrouw, die een groote sympathie voor haar had opgevat, gaf haar een paar hartelijke kussen. Dat was meer Engelsch of Hollandsch dan Hongaarsch! Ilonka kon haar tranen niet weerhouden, en toen wij haar het laatst zagen, stond zij aan den ingang van de deur en wischte zich de oogen af. Een oogenblik later reden wij over de slotbrug en waren op weg naar Kisfalva. Het was een heerlijke morgen: een groote tegenstelling met dien somberen regenachtigen namiddag, toen wij naar Vöröshegy gekomen waren. Maar onze harten waren heel wat zwaarder dan toen! En toen wij de plaats passeerden, waar wij onder den boom gewacht hadden op de terugkomst van Pista met de paarden en waar de zevende kilometerpaal stond, kon ik een zucht niet weerhouden, denkende aan de tegenstelling van toen en nu! Wij waren juist op tijd voor den lokaaltrein en bleken de eenige passagiers te zijn, die te Kisfalva instegen. Een korte rit bracht ons naar Zsolna, waar wij moesten overstappen in den uit het Noorden komenden sneltrein. Deze kwam binnenrijden juist op het oogenblik. waarop wij uit ons lokaaltje stegen. Beide treinen stonden naast elkander, zoodat wij om zoo te zeggen van den eenen in den anderen stappen konden. De sneltrein bleef nog eenigen tijd staan; er moest gewacht worden op een trein uit Weenen. Wij zaten alleen in den coupé, tegenover elkander aan het rechter portier, en hadden het vrije uitzicht op het station, dat door drie of vier paar rails gescheiden was van de plaats, waar onze trein stond. "Kijk eens even, Willy, daar ginds, juist voor den ingang van de restauratie!" — zeide Maud opeens. "Is dat niet die jonge inspecteur, dien wij op Vöröshegy gehad hebben? Hoe was zijn naam ook alweer?" "Inspecteur Fekete?" — vroeg ik, terwijl mijn blik dien van Het spook van Vöröshegy mijn vrouw volgde. "Ja werkelijk, hij is het" — vervolgde ik, toen ik den mij aangewezen man in het oog kreeg. "Hij schijnt iemand te zoeken! Kijk, nu komt hij op onzen trein toe!" Ik boog mij uit het portier en zag, dat Înspecteur Fekete langzaam langs den trein liep en in sommige coupé's naar binnen keek. Het duurde niet lang, of hij kreeg mij in het oog. Ik groette, maar tot mijn verbazing gaf hij geen teeken, dat hij mij herkende. Vlak vóór onzen coupé gekomen, bleef hij staan, met den rug naar ons toegekeerd. Ik was op het punt, hem op den schouder te kloppen, toen hij plotseling iets zeide, hoewel er niemand in de nabijheid stond. Dat was zonderling! 'n Politie-beambte, die alleenspraken hield! Wat zeide hij, in 's hemelsnaam? Op dit oogenblik bereikten ons, zacht maar heel duidelijk, de woorden: "Kunt u mij verstaan?... Spreek niet, luister alleen!" — Na een oogenblik stilte sprak hij opnieuw, steeds met den rug naar ons toegekeerd.
"Kunt u mij verstaan?"
"Uw vriend Gill is in den trein. Wisselt geen woord met hem, noch op de reis noch bij aankomst. Doet alsof u hem niet kent. Ik zeg u dit uit zijn naam." Inspecteur Fekete wandelde langzaam verder langs den trein en, uit het portier kijkende, zag ik hem nog twee of drie keer stilstaan, zooals hij dat voor onzen coupé gedaan had. Daarna verloor ik hem uit het oog. Maud en ik waren het erover eens, dat de boodschap, die ons op zoo geheimzinnige wijze was overgebracht, erop wees, dat er zich weer nieuwe verwikkelingen hadden voorgedaan; maar wij konden natuurlijk niet vermoeden, van welken aard die waren. Als gewoonlijk, wanneer G. G. verkoos geheimzinnig te worden, konden wij niet anders doen dan afwachten — zij het ook dat rustig afwachten moeilijk was. Want, hoewel ik van nature nuchter ben — ik meen, dat ik den lezer daaromtrent reeds heb ingelicht — kan ik toch, onder zeer bizondere omstandigheden, wel eens ongeduldig worden. De rit van Zsolna tot Budapest duurt ongeveer 5 uur. Wij bestelden twee couverts voor het middageten in den restauratie-wagen, en precies om 12 uur namen wij plaats aan een klein tafeltje voor twee personen. Het was druk, zoodat alle tafeltjes weldra bezet waren, behalve het uiterste aan onze zijde van het rijtuig. Juist was de soep opgediend, toen G. G. binnen kwam, thans in zijn werkelijke gestalte. Hoewel zijn blik een oogenblik op ons rustte, vertrok geen spier van zijn gezicht en hij nam plaats aan het leêge tafeltje, waaraan toen nog één plaats open bleef. Dadelijk daarop werd ook die ingenomen door een slanken man van middelbare grootte. Het toeval wilde, dat deze laatste zóó kwam te zitten, dat, wanneer ik de oogen opsloeg, ik hem telkens, over Maud's schouder heen, recht in het gezicht keek. Daarom viel het mij dadelijk op, dat dit gezicht iets eigenaardigs vertoonde, maar het duurde eenigen tijd, voordat ik tot de ontdekking kwam, dat dit veroorzaakt werd door de omstandigheid, dat hij licht blonde haren en donkere, bijna zwarte oogen had. Wij zagen, hoe de beide heeren elkander met een lichte buiging groetten, zooals dat gebruikelijk is, wanneer twee vreemden door het toeval samen aan één tafeltje gevoerd worden, en nu en dan enkele woorden met elkander wisselden. Langzamerhand echter scheen het gesprek levendiger te worden en, toen de kaas werd rondgediend, kon men het zelfs geanimeerd noemen. Zij stonden op, vóórdat wij gereed waren, en toen wij ons later door den corridor naar onzen coupé begaven, passeerden wij in den wagon naast den onzen een compartiment 1e klasse, waarin G. G., in voortdurend druk gesprek met zijn nieuwen bekende, gemoedelijk zat te rooken. Bij het passeeren der tourniquets aan het Wester-station te Budapest, liepen beide heeren tezamen voor ons uit; en toen wij in een auto-taxi van het station wegreden, zagen wij nog juist, als in een snel-voorbijgaand visioen, G. G., die met groote hartelijkheid de hand van den blonden man schudde en blijkbaar in de meest vriendschappelijke stemming een omstandig afscheid van hem nam. Wij hadden tot dusver nog niet van gedachten gewisseld over de beteekenis van wat wij op reis hadden waargenomen. Thans verdiepten wij ons in gissingen, maar die brachten ons niet veel verder. In Hotel Hungaria kregen wij een mooie, ruime kamer op de tweede verdieping, met het zoo bekende verrukkelijke uitzicht op de Donau. Nog waren we daar geen vijf minuten, toen de deur plotseling geopend werd. Ik had opnieuw een visioen van G. G., hoorde een stem in de gang duidelijk zeggen: "Kérem, egy kicsit tovább" *), en met een "Pardon!" werd de deur weer gesloten. Maar op den grond lag een stukje papier, dat in drieën gevouwen was en de volgende woorden bevatte: "Blijf mij negeeren. Ge ontvangt morgenochtend nader "bericht." *) Een beetje verder, als 't u belieft!"
* * *
Wij waren dus voor het verdere gedeelte van dien dag "vrij", zooals Maud het schetsend uitdrukte. Na het middagmaal in ons hotel gebruikt te hebben, besloten wij in den namiddag naar het "Stadtswäldchen" te wandelen, teneinde daar in den warmen zonneschijn (want het was een buitengewoon mooie herfstdag) van de heerlijke najaarstinten van boomen en planten te genieten. De wandeling door de breede Andrássystraat met haar druk rijtuigverkeer en de talrijke voetgangers aan beide zijden op de trottoirs, heeft voor mij altijd een eigenaardige bekoring, zoodat ik maar hoogst zelden gebruik maak van de onderaardsche "Elektrische", waarmede men dezen bijna een uur langen verkeersweg in enkele minuten afleggen kan. Wij praatten druk over de gebeurtenissen van dien morgen. Mijn vrouw, die G. G. niet zoo lang kende als ik en hem - althans in de gedaante van Majoor Curtis - jaren geleden slechts ééns gedurende korten tijd gezien had, was in ééne verbazing over de gedaante-verwisseling, die hij ondergaan had. Ikzelf, die zoo dikwijls met hem had samengewerkt, was beter vertrouwd met de eigenaardige gave, die hij bezat, zich door eenvoudige middelen geheel onkenbaar te maken. Majoor Curtis was een man van 'n jaar of zestig, niet groot, met 'n grijze snor, zware wenkbrauwen en kort geknipte, grijze haren. Hij had dien eigenaardigen geelbruinen tint, dien men meestal aantreft bij hen, die langen tijd in de Tropen hebben gewoond. Zijn bewegingen waren wat hoekig, zijn houding was recht, zijn stem - althans wanneer hij in zijn rol was - scherp en kortaf. G.G. daarentegen was niet ouder dan 35 jaar; hij had donkerblonde haren en zwarte wenkbrauwen, de eersten reeds hier en daar met zilveren strepen erdoorhéén. Zijn scherp, intelligent gezicht was gladgeschoren en gebruind door het vele zijn in de open lucht. Zijn bewegingen waren snel, maar niet hoekig en stram, als die van den Majoor. Ook de stem was zachter en kon nu en dan een ietwat gerekten, wat geaffecteerden toon aannemen, vooral wanneer hij de "vaderlijke" beschouwingen hield, die mij altijd ergerden en toch lachen deden. Het merkwaardigste was echter, dat zelfs de oogen niet dezelfde waren als die van Majoor Curtis. Natuurlijk viel aan de helderblauwe kleur niets te veranderen; maar de oogen van Majoor Curtis hadden zware, 'n beetje neêrhangende bovenleden, en zij knipperden nog al eens en keken bij het lezen door 'n lorgnet met groote, ronde glazen, terwijl die van G. G. wijd open stonden, iemand scherp en strak konden aankijken en den indruk maakten, alsof zij, zonder knipperen, in de zon konden zien. Van een lorgnet was bij hem geen sprake. Ook de handen waren anders, vooral doordat de Majoor, voor 'n man, veel ringen droeg en . . . zijn nagels niet héél goed verzorgde, terwijl G. G. elke versiering voor de vingers versmaadde en zijn handen verzorgde als een manicuur! Voeg daarbij het verschil in kleeding, vooral het verschil in hoofddeksel (de Majoor droeg bijna steeds een harden hoed met ronden bol, G. G. daarentegen alle mogelijke slappe of strooien hoeden en stoffen petten), en men zal gemakkelijk begrijpen, dat zelfs iemand, die den eenen kende, in den anderen een onbekende zag! Al pratende over deze merkwaardige gedaante-verwisseling, waren wij aan het einde van de Andrássy-straat gekomen. De ingang tot het "Stadtswäldchen", waar, tusschen twee groote musea, in een reusachtigen boog het schitterende monument prijkt, dat de Hongaarsche hoofdstad aan het duizendjarig bestaan van Hongarije gewijd heeft, is een der imposantste gedeelten van Budapest. Rechts, den breeden zijweg langs den grooten vijver volgende, kwamen wij weldra aan een plantsoen, met 'n monumentale fontein in het midden. Overal stonden banken en op de breede paden liepen kinderen te spelen, onder toezicht van kindermeisjes en bonnes, die in groepjes op de banken zaten en nu niet juist den indruk maakten van met buitengewone inspanning over de veiligheid der kleinen te waken. Maud en ik gingen op een bank in de zon zitten en verheugden ons in het mooie weêr, de vroolijke omgeving en het spel der kinderen. Opeens uitten wij beiden een onderdrukten kreet. In een meisje, dat met een hoepel voorbij onze bank was komen rennen, herkenden wij niemand anders dan.... de kleine Mariska! Welk een merkwaardig toeval, dat ons opnieuw met dit kind samenvoerde! Hoe kwam zij hier . . .? En vooral hoe kwam het kleine, als jongen verkleede Zigeuner-meisje, met de zwarte haren en de blauwe oogen, in deze omgeving, goed gekleed en temidden van kinderen, die blijkbaar tot den besten stand behoorden? Terwijl wij elkander vergeefs dergelijke vragen stelden, kwam het meisje opnieuw voorbij draven. "Mariska!" — riep ik. Het kind bleef dadelijk staan en keek mij verbaasd aan. Toen kwam er opeens een licht van herkennen in haar oogen. "Az angol bácsi!" — zei ze, en kwam naar mij toe. Ik raapte al mijn Hongaarsch bij elkander en zeide: "Jó napot, Mariskám! Hol van az atyád?" *) *) Goeden dag, (mijn) Mariska! Waar is je vader? "Azt hiszem hogy Budapesten van" *) — antwoordde het kind, en begon een heel verhaal, waarvan ik niets begreep. Lang duurde dat echter niet, want een van de bonnes, die op eenigen afstand te praten zat, riep plotseling met schelle stem: "Azzal az urral nem szabad beszélni, Mariska! Jöj ide!"**) *) Ik geloof, dat hij te Budapest is. **)Je moogt niet met dien heer spreken, Mariska! Kom hier! Mariska knikte ons toe en ging terug naar de bonne. Een oogenblik later verliet deze, met Mariska aan de eene en een klein jongetje aan de andere hand, het plantsoen en wandelde den breeden weg op, dieper 't "Stadtswäldchen" in. Het was duidelijk te zien, dat Mariska in ongenade gevallen was, en,toen zij even naar ons omkeek, scheen zij opnieuw "'n standje" te krijgen.
* * *
Toen wij in Hotel Hungaria terugkwamen, informeerde ik bij den portier, of er dien dag misschien nog andere Hollanders of Engelschen waren aangekomen. Ik was namelijk benieuwd te weten, of G. G. zich onder zijn waren naam in de registers van het hotel had laten inschrijven. De portier, die één en al beleefdheid was, antwoordde dat er dien dag geen Hollanders of Engelschen in het hotel hun intrek hadden genomen. Maar wèl was er 'n Amerikaan vlak na ons aangekomen, een kleine man, met een glad gezicht en blauwe oogen. Of ik dien misschien bedoelde? Ik antwoordde, dat ik niemand bedoelde, maar alleen had willen weten, of er misschien kennissen van ons in Budapest waren; we hadden ook vele bekenden in Amerika: misschien wilde de portier ons wel zeggen, hoe die Amerikaan heette. De portier, die er niets bizonders in scheen te vinden, dat 'n Hollander in Budapest informeerde, of er misschien kennissen uit Amerika in zijn hotel logeerden, deelde ons mede, dat de bedoelde Amerikaan zich als Mr. Giles Gerard uit New-York had ingeschreven. "Dus toch G. G. gebleven!" — zei ik zacht tot mijn vrouw. Op hetzelfde oogenblik kwam onze vriend zelf de treden op, die van den ingang van het hotel in de voorhal voerden. Hij kwam vlak naast mij voor de portiersloge staan, zonder eenig teeken van herkenning te geven. De portier reikte hem zijn sleutel en fluisterde mij toe, dat dit de man in kwestie was. Toen hij zich omkeerde, gaf G. G. mij een knipoogje. Hij begreep, naar ik daaruit opmaakte, precies, waarom wij zoolang voor de portiersloge hadden gestaan. ## HOOFDSTUK XX. HET ANDERE EINDE VAN DEN DRAAD. Toen wij den volgenden morgen aan ons toilet bezig waren, werd er op de deur geklopt. Een van de kleine "messenger boys", die te Budapest zoo handig den besteldienst verrichten, stond in de gang en stelde mij een briefje ter hand, dat hem door een heer op straat ter bezorging was gegeven. Ik herkende dadelijk de hand van G. G. "Mr. en Mrs. Hendriks" — aldus las ik, "worden beleefd "uitgenoodigd, hedenmorgen om 11 uur een bezoek te "brengen op Kamer No. 10, Hotel Pannonia. Het zal den "Heer Giles Gerard uit New-York een groot genoegen zijn, "hen aldaar te ontvangen." Niet alleen de hand, maar ook den geest van mijn vriend G. G. herkende ik thans. Onmiddellijk, zelfs tegenover ons, als Giles Gerard te poseeren, waar hij eenmaal dien naam had aangenomen, was karakteristiek voor zijn wijze van werken. Uit geen woord, vooral uit geen regel schrift mocht blijken, dat alleen de beide G's met zijn werkelijken naam overeenkwamen. Om half-elf maakten wij ons op, om, over het Gizellaplein en den Karlsring, de Rákoczi-straat te bereiken, waarin Hotel Pannonia gelegen is. Onder weg passeerden wij een fotograaf, die — zooals in Budapest gebruikelijk is — de portretten van allerlei bekende personen uit de hoofdstad, met hun namen eronder, aan de straat geëtaleerd had. Maud's oog viel toevallig op een fotografie, waarop zij dadelijk mijn aandacht vestigde: Aartshertog Karel August en Aartshertogin Ziska! Een man, in generaalsuniform, van ongeveer 35 jaar, met snor en bakkebaarden à la Franz-Jozef; en een jonge vrouw, met een fijn-besneden, wat scherp gezicht en een opvallend zwaar, golvend kapsel. Het is duidelijk, dat wij met meer dan gewone belangstelling de portretten bezagen van deze twee menschen, in wier leven wij op zoo zonderlinge en onverwachte wijze gemengd waren. Wij hielden ons dientengevolge iets te lang voor de uitstalkast van den fotograaf op, zoodat wij Hotel Pannonia vijf minuten over den vastgestelden tijd bereikten. De lift bracht ons in weinige oogenblikken naar kamer No. 10. Wij klopten en traden binnen. Een luxueus gemeubeld salon. Aan het venster G. G., in druk gesprek met een heer en dame. Maud en ik herkenden die beiden onmiddellijk: de origineelen van de portretten, die wij zooeven gezien hadden! G. G. kwam op ons toe, zoodra wij binnengetreden waren. "Zijne Hoogheid en de Aartshertogin hebben mij toegestaan, U aan hen voor te stellen" — zeide hij, 'n beetje formeel; en zich daarbij tot de beide vorstelijke personen wendende, vervolgde hij: "Mr. en Mrs. Hendriks zijn mijne zeer goede vrienden, over wie ik gesproken heb. Een gelukkig toeval heeft mij ditmaal met hen samengebracht. Met hun hulp, hoop ik mijn moeilijke opdracht tot een gelukkig einde te brengen." "God geve het!" — zeide de Aartshertog, terwijl hij ons de hand reikte. Zijn vrouw begroette ons eveneens met groote vriendelijkheid. "Het doet mij te meer genoegen, U te leeren kennen" — zeide zij in het bizonder tot Maud, "omdat ik met Uwe moeder, de oude Lady Stockton, en Lady Ruthven, Uwe zuster, *) zeer goed bekend ben. Ik heb hen beiden in Engeland meermalen ontmoet, en bij die gelegenheid heb ik dikwijls over U hooren spreken — en ook over Mr. Hendriks! Eigenlijk zijn we dus oude bekenden!" *) Zie "De Man uit Frankrijk", No. 1 der G. G.-serie. Zoowel de Aartshertog als zijn vrouw bedienden zich van de Engelsche taal, die zij vloeiend spraken en waarin ook ons verdere gesprek gevoerd werd. Nu ik het Aartshertogelijke paar in levenden lijve vóór mij zag, viel het mij op, dat de Aartshertog grooter en forscher was dan ik gemeend had, alléén afgaande op zijn portret; Aastshertogin Ziska daarentegen was klein en tenger, een étherisch wezentje met groote, bruine ree-oogon en zwaar, kastanje-bruin haar. Zooals wij later vernamen, waren zij — zonder herkend te wordeu — in een huurrijtuig naar Hotel Pannonia gereden. Toen wij allen gezeten waren, nam G. G. het woord, zich daarbij speciaal tot den Aartshertog richtende. "Ik moet beginnen, met mij bij Uwe Hoogheid te verontschuldigen voor de onceremonieuze wijze, waarop ik dit onderhoud heb moeten arrangeeren!" — zeide hij. "Er was mij alles aan gelegen, dat niemand te Budapest van ons samenzijn kennis zou dragen, en vooral niet van de tegenwoordigheid daarbij van Mr. en Mrs. Hendriks. Daarom werd u gisteren in den namiddag mijn schrijven persoonlijk overhandigd door Inspecteur Fekete uit Zsolna." Eerste verrassing! Inspecteur Fekete was dus, nadat hij ons aan het station te Zsolna op zoo geheimzinnige wijze de boodschap van G. G. had overgebracht, zelf ook in den trein gestegen. "Het toeval heeft gewild" — aldus vervolgde de detective, "dat ik de reis hierheen maakte met den secretaris van Uwe Hoogheid, den heer Géza Horváth. Gelukkig had ik hem, bij mijn vorige bezoek aan Budapest, niet ontmoet. Daar ik wist, dat Inspecteur Fekete voor hem geen onbekende is, hield ik hem aan de praat, totdat ik den Inspecteur goed-en-wel op weg naar het paleis van Uwe Hoogheid wist." Tweede verrassing! De man met de blonde haren en de donkere oogen was de secretaris van den Aartshertog geweest, dezelfde, die het bedrag van Kr. 50.000 onder kilometerpaal No. 7 had moeten begraven. Dit had hij niet gedaan — en toch was hij in de buurt geweest! Mysterie! Het was duidelijk te zien, dat de mededeeling van G. G. den Aartshertog eenigszins verwonderde. "Dat was de voorzichtigheid wel héél ver gedreven, Mr. Gill!" — zeide hij. "Mijn secretaris Horváth is een volkomen vertrouwd persoon." "Ik weet, dat hij het vertrouwen van Uwe Hoogheid bezit" — antwoordde G. G., "maar, als detcetive, behoor ik mij zelfs tegen het onmogelijk te wapenen! Intusschen had ik, in dit bizondere geval, toch wel een bepaalde reden voor mijn voorziëhtigheid. Uw secretaris had den vorigen dag het geld niet onder den kilometerpaal begraven; toch is het aan het goede adres bezorgd en toch was de heer Horváth den volgenden dag te Zsolna en vertrok vandaar naar Budapest. Hoe verklaart Uwe Hoogheid dat?" "Alle hulde aan uw talent als detective" — zeide de Aartshertog, 'n beetje droog en zichtbaar geërgerd. "De feiten, die u bedoelt, waren mij intusschen reeds bekend: ze zijn mij door mijn secretaris medegedeeld en tevens verklaard." "Zou ik Uwe Hoogheid om die verklaring mogen verzoeken?" — zeide G. G., wien men het kon aanzien, dat de woorden van den Aartshertog hem verbaasd hadden. "Zij is zeer eenvoudig" — luidde het antwoord. "De Heer Horváth is eergisteren met den eersten lokaaltrein van Zsolna te Kisfalva aangekomen. Op het station werd hem door een kleinen jongen een briefje in de hand gestopt, dat de aanwijzing inhield, het geld niet 's middags om twaalf uur onder den kilometerpaal No. 7, maar eerst 's avonds om zeven uur ergens daar in de buurt, in een vervallen hut, te deponeeren. Aan die aanwijzing heeft hij voldaan en daarom bleef hij ook den volgenden nacht nog in Zsolna." Derde verrassing! De secretaris was in de hut van Imre den Czigány geweest, kort nadat wij daar ons bezoek gebracht hadden! Imre de Czigány! Ja, het stond nu vaster dan ooit, dat deze betrokken was bij de ontvoering van het jonge Aartshertogje! Dat dit voor mij een verrassing was, kon ik nu juist niet zeggen. G. G. dacht eenigen tijd na; toen knikte hij en zeide: "Dat zou deze zaak verklaren. Heeft uw Secretaris het briefje bewaard?" "Hij heeft het verscheurd. Bij het vervullen van een opdracht als de zijne weet men nooit, wat er gebeuren kan! Het was daarom voorzichtig geen enkel document bij zich te dragen, waaruit men had kunnen afleiden, wie hij was." "Dat is begrijpelijk" — zeide G. G. Maar hij nam zelfs de moeite niet een gezicht te zetten, alsof hij het met z'n eigen woorden eens was! De Aartshertog kon zijn ergernis daarover nauwelijks verbergen. Een oogenblik bleef het stil. Toen zeide Aartshertogin Ziska: "U houdt ons lang in spanning, Mr. Gill! Hebt U iets kunnen ontdekken, of is uw moeite vergeefsch geweest?" "Mijn moeite is zeker niet vergeefsch geweest! Het onderzoek is reeds vrij ver gevorderd, en ik ben er tamelijk zeker van, dat uw zoontje leeft en gezond is." De Aartshertogin werd bleek en sloot de oogen. "Goddank!" — hoorde ik haar zacht zeggen. Om de oplossing te vinden van een zaak als deze" vervolgde de detective "moet men in het oog houden, dat zij een waren doolhof van feiten en gebeurtenissen vormt, en dat wij moeten trachten den draad van Ariadne te vinden, die ons in dien doolhof den weg kan wijzen. Nu verkeeren wij in het gelukkige geval, dat die draad er met de beide einden uitsteekt!" "Ik begrijp u niet" - zeide de Aartshertog, wat geïrriteerd; en ik kon mij best voorstellen, dat de eigenaardige vorm, waarin G. G. zijn gedachten kleedde, hem verwonderen en prikkelen moest. "Het ééne einde stak er bij kilometerpaal No. 7 uit!" vervolgde mijn vriend, "het andere hier, in Budapest! Het eerste ben ik nagegaan, totdat het mij uit de hand is gerukt; het andere zal ik nu opnemen en dat moet mij voeren naar de plaats, waar ik het eerste verloren heb. Dan zullen wij onze zaak gewonnen hebben." "Als ik uw beeldspraak goed begrijp" — zeide de Aartshertogin, "wilt u thans uw onderzoek vanuit Budapest aanvangen, nadat het, van elders uit, mislukt is." "Mislukt is er gelukkig niets, Uwe Hoogheid! Maar het is waar: ik zal nu van Budapest uit beginnen. Daarvoor moet ik echter een bepaalde voorwaarde stellen." "U kunt vrij-uit spreken, Mr. Gill" — zeide de Aartshertog met iets kouds in zijn stem. "U weet, dat geen opoffering voor ons te groot is om ons kind terug te krijgen." "Er is geen sprake van eenige opoffering van de zijde van Uwe Hoogheid" — antwoordde mijn vriend, niet minder koud en hoog. "Van de vergunning om vrij-uit te spreken zal ik intusschen gaarne gebruik maken. Uwe Hoogheid herinnert zich, dat, toen ik de moeilijke en dilicate taak aanvaardde, die mij is toevertrouwd, ik óók reeds een voorwaarde stelde, en wel deze, dat — buiten Uwe Hoogheid en Mevrouw de Aartshertogin — volstrekt niemand weten mocht, dat er in deze zaak een detective gemengd was. Deze voorwaarde was gemakkelijk te vervullen, omdat ons onderhoud toenmaals even geheim was als thans en niemand eraan denken kon, den naam van Geoffrey Gill met den Uwen in verbinding te brengen. Uwe Hoogheid en Mevrouw hadden slechts te zwijgen!" G. G. zweeg hier zelf, en ik zag, dat Aartshertogin Ziska zenuwachtig haar zakdoek inéén frommelde. "Welnu?" — vroeg de Aartshertog. "U hebt niet gezwegen!" — antwoordde G. G. "Mr. Gill!" - De Aartshertog was, met een vuurrood gezicht, opgesprongen. "Op de plaats, waar ik mijn onderzoek begonnen ben, kende men mijn naam en mijn beroep, Uwe Hoogheid! Die kennis moet men ontleend hebben aan mededeelingen ôf van Uwe Hoogheid, ôf van Mevrouw de Aartshertogin." G. G. was nu ook opgestaan: wij allen stonden trouwens overeind. "Alleen dan kan ik mijn onderzoek voortzetten" — vervolgde mijn vriend, op eerbiedigen maar vasten toon, "wanneer mij zonder omwegen wordt gezegd, aan wien die mededeelingen gedaan zijn." "Mr. Gill!" — De Aartshertog werd steeds rooder en beefde van ingehouden drift. "Ik wacht, Uwe Hoogheid!" - zeide G. G. rustig. "Verlaat dit vertrek, Mr. Gill!" — De stem van den Aartshertog was schor van woede. "Zooals Üwe Hoogheid wenscht!" — De detective maakte een buiging en het volgende oogenblik sloot de deur zich achter hem.
"Verlaat dit vertrek . . ."
Met een driftig gebaar wendde de Aartshertog zich tot Maud en mij. Hij scheen ook ons iets heftigs te willen toevoegen, toen de Aartshertogin hem voorkwam. Deze was opvallend bleek geworden. "Mr. Hendriks en U, Mevrouw" — zeide zij zenuwachtig, "ik wensch een oogenblik alleen te zijn met den Aartshertog. Weest zoo goed Uw vriend, Mr. Gill, te verzoeken, een kwartier te wachten en dan, mèt U, terug te komen." Wij bogen, en, vóórdat wij in de gang traden, zag ik nog juist, dat op het gezicht van den Aartshertog stomme verbazing te lezen stond. Vóór de hoteltrap hadden wij G. G. reeds ingehaald. "Alles op één kaart, Willy!" — zuchtte deze met een benauwd gezicht. "Over een kwartier moeten we alle drie terugkomen" — zei ik, ademloos van spanning. Het gezicht van den detective helderde op. "Dan hèb ik al gewonnen!" — lachte hij. "Ik heb je gezegd, Willy, dat je vrouw en jij nog interessante experimenten zouden meêmaken!" Nadat wij een kwartier in de vóórhal van het hotel gewacht hadden, gingen wij terug naar Kamer No. 10. Wij vonden daar den Aartshertog alleen, en later herinnerden wij ons ook, dat wij, in de hal zittende, een dame uit de lift hadden zien komen, die vóór het hotel in een auto gestapt was. Evenwel hadden wij toen niet het minste vermoeden ervan gehad, dat dit Aartshertogin Ziska was. Toen wij binnentraden, was de Aartshertog zichtbaar verlegen. Hij verzocht ons, opnieuw plaats te nemen, maar — toen wij aan zijn verzoek voldaan hadden — wist hij blijkbaar niet goed, hoe hij beginnen moest. "Ik heb U een mededeeling te doen" — zeide hij eindelijk, "en dat wel op speciaal verlangen van de Aartshertogin, die intusschen het hotel heeft verlaten." Hij zweeg, en wij bewaarden natuurlijk een eerbiedig stilzwijgen, hetgeen hem nog meer verlegen scheen te maken. "Mr. Gill" — vervolgde hij, "ik bied U mijn verontschul diging aan voor de wijze, waarop ik U zooeven heb toegesproken. Hoewel ik niet geloof, dat de zaak daardoor een ander aanzien krijgt, is het mij gebleken, dat er inderdaad nog één persoon in het geheim is, en wel mijn secretaris." Ik kon duidelijk zien, dat G. G. deze mededeeling verwacht had. Hij knikte en glimlachte even. "Ik vermoedde dat" — zeide hij. "Mevrouw de Aartshertogin heeft hem waarschijnlijk ingelicht. Het was voor mij van het grootste belang, hieromtrent zekerheid te hebben. Ik dank Uwe Hoogheid voor de welwillendheid, waarmede Zij mijn schijnbaar indiscreet aandringen over het hoofd heeft gezien." "Mijn vrouw heeft inderdaad met den Heer Horváth gesproken en hem Uw naam genoemd" - zeide de Aartshertog. "Zij heeft dit niet beschouwd als een breken van de gegeven belofte, omdat het geheim bij hem volkomen veilig is." "U vertrouwt dien man dus, om zoo te zeggen, als Uzelven?" "Hij heeft recht op ons vertrouwen, en wel speciaal in deze zaak" - was het antwoord. "Zou ik mogen weten waarom, Uwe Hoogheid?" "Omdat hij het leven van onzen lieven jongen, dien wij nu reeds zoo lang moeten missen, eens gered heeft. Kort vóórdat onze zoon op zoo onverklaarbare wijze verdwenen is, hadden wij hem bijna verloren. Op een rijtoer, die hij met zijn bonne maakte, waren de paarden, door het passeeren van een auto, verschrikt en op hol gegaan. Dat gebeurde vlak in de buurt van ons paleis. Er waren veel menschen op straat, maar alles stoof op zij. Toevallig was mijn secretaris op weg naar 't paleis; hij was de eenige, die moed toonde en met eigen levensgevaar de verschrikte paarden in de teugels viel. U begrijpt, dat zoo'n daad hem aanspraak geeft op onze blijvende dankbaarheid!" "En op uw vertrouwen! Natuurlijk!" — De toon, waarop G. G. dit zeide, sehonk mij de overtuiging, dat hij het omgekeerde bedoelde. En ook de Aartshertog begreep dit. Hij werd wederom donkerrood en kampte met een opkomende driftbui. Een oogenblik bleef het stil. Toen stond de detective plotseling op en plaatste zich voor den leunstoel, waarin de Aartshertog gezeten was. "Uwe Hoogheid!" - begon hij, met dien eigenaardigen, ietwat plechtigen toon in zijn stem, dien ik daarin altijd opmerk, wanneer hij de beteekenis van zijn woorden tot diep in hart en verstand van zijn toehoorders wil doen doordringen. "Het doet mij oprecht leed, dat ik U opnieuw geërgerd heb, en ik vraag U bij voorbaat om vergiffenis, wanneer dat in nog meerdere mate het geval zal zijn door wat ik U thans zeggen moet. Maar het is noodig, dat ik U volkomen klaren wijn schenk! U vertrouwt uw secretaris zonder eenig voorbehoud. Ik, daarentegen, wantrouw hem in alle opzichten en heb daarvoor gegronde redenen, die ik echter nog niet mededeelen kan. Toch zie ik mijzelven niet voor zóó onfeilbaar aan, dat ik niet erkennen zou te kunnen dwalen!" "U dwaalt inderdaad, Mr. Gill!" — zeide de Aartshertog, thans koel en afgemeten. "Wanneer Uwe Hoogheid mij daarvan kan overtuigen, zal ik het gaarne ronduit bekennen" - antwoordde G. G. "Juist om tot klaarheid te komen, zou ik gaarne omtrent de persoon van den heer Horváth alles willen vernemen, wat aan Uwe Hoogheid zelve bekend is, ook wanneer en op welke wijze hij in Uw dienst gekomen is. Mij dunkt, daartegen kan geen bezwaar bestaan: niets is meer geschikt om niet gerechtvaardigd wantrouwen af te wenden dan klaarheid en openhartigheid." "U hebt volkomen gelijk" — zeide de Aartshertog. "In het verleden van mijn secretaris is niets, dat verborgen behoeft te worden. Het spreekt dus vanzelf, dat ik niet het minste bezwaar heb, al uw vragen daaromtrent te beantwoorden, voor zoover dat in mijn vermogen is." De detective boog en ging weer zitten. Een oogenblik sloot hij de oogen - een teeken dat hij snel en intens nadacht -; toen deed hij zijn eerste vraag. ## HOOFDSTUK XXI. MAUD IS NIEUWSGIERIG. "Hoe lang is de heer Horváth in den dienst van Uwe Hoogheid?" "Meer den zes jaar." Het spook van Vöröshegy. "Was hij gedurende al dien tijd in dezelfde functie werkzaam?" "Hij was steeds mijn secretaris." "Wie was zijn voorganger?" "Zijn voorganger heette László Arpád." "Waarom verliet deze Uw dienst?" "Hij stierf aan typheuze koortsen." "En waarom viel de keuze voor zijn opvolger op den tegenwoordigen functionaris?" Tot dusverre had G. G. de methode gevolgd, die hij dikwijls placht toe te passen: korte vragen (snel volgende op even korte antwoorden), die geen tijd tot overleg geven. De laatste vraag stelde hij op veel rustiger toon: het maakte den indruk, alsof hij een lange explicatie verwachtte. En die kwam dan ook inderdaad. "U zult zich herinneren, dat mijn oom, Aartshertog Stephan Otto, voor ongeveer zes jaren gestorven is. Horváth was toen gedurende eenigen tijd (ik meen, dat het twee jaar was, maar u kunt daarover bij hemzelven uw licht opsteken) diens secretaris. Ik had hem steeds hooren prijzen als een bescheiden en accuraat werker. Daarom engageerde ik hem in de door Arpád opengelaten plaats." "Hoe was de heer Horváth bij Zijne Hoogheid Stephan Otto in dienst gekomen?" "Ik herinner mij, dat mijn oom mij eens gezegd heeft, dat hij hem door een ouden vriend was aanbevolen. Maar toentertijd interesseerde mij de zaak weinig, zoodat ik vrees niet verder gevraagd te hebben. In elk geval is de naam van dien ouden vriend mij op dit oogenblik onbekend." "Zeer verklaarbaar, Uwe Hoogheid!" — zeide G.G. met een knikje "En zoudt u mij thans alles willen mededeelen, wat u van de levensomstandigheden van uw secretaris bekend is?" "Hij is van bescheiden afkomst. Zijn vader is, naar ik meen, reeds voor jaren gestorven. Zijn moeder leeft nog en woont ergens op het land in de buurt van Zsolna. Het pleit zeker vóór hem, Mr. Gill, dat hij een goede zoon is." "Dat zou inderdaad vóór hem pleiten, Uwe Hoogheid!" zeide G. G. "Het is intusschen, in verband met de gebeurtenissen van de laatste dagen, wel eenigszins opvallend, dat die moeder juist in de buurt van Zsolna woont." "Ik kan daarin niets opvallends zien" — zeide de Aartshertog op den koelen toon, dien hij dadelijk aannam, wanneer een gezegde van den detective hem hinderde. "Bij vroegere gelegenheden moest het geld, dat men ons afperste, op verschillende plaatsen bezorgd worden, tot zelfs in Zevenburgen toe! Het is dus ditmaal zuiver toeval, dat de buurt van Zsolna gekozen is." "Dat ziet er tenminste zoo uit" — zeide G. G. "Kent Uwe Hoogheid zijn moeder?" "Persoonlijk kennen de Aartshertogin en ik haar niet. Herhaaldelijk heeft mijn vrouw hem verzocht, haar aan ons voor te stellen, maar hij doet dat blijkbaar liever niet. Waarschijnlijk wenscht zijzelve het evenmin: zij moet een héél eenvoudig vrouwtje zijn." "En waaruit blijkt, dat hij zoo'n goede zoon is?" "Van den aanvang af, ook toen hij nog bij mijn oom in dienst was, heeft hij de voorwaarde gesteld, dat hij dikwijls in de gelegenheid moest gesteld worden, zijn moeder te bezoeken." "Is het niet wat vreemd, dat hij, in zijn positie, zoo'n voorwaarde stelde?" "Ik heb dat nooit gevonden. Trouwens, ik deed niet meer dan den toestand bestendigen, die in den dienst van Aartshertog Stephan Otto langzamerhand ontstaan was." "En duren die bezoeken lang?" "Nu, eerlijk gezegd, wel eens wat te lang; nu en dan zelfs vele weken." "En is dat met zijn bezigheden te vereenigen?"- De Aartshertog glimlachte even. "U moet zich van die bezigheden geen overdreven voorstelling maken, Mr. Gill! Hij voert mijn correspondentie, maar die is niet heel uitgebreid. Ik bemoei mij niet met de politiek en (als U Hongaar was, zoudt u dat weten) ik ben te Weenen geen ,persona grata', omdat mijn sympathieën meer den Hongaarschen dan den Oostenrijkschen kant opgaan. Daarom houdt men mij buiten vele dingen, waarmede men mij anders lastig vallen zou." "Dus de betrekking van Uw secretaris is wel eenigszins 'n sinecure?" "Dat is misschien wat overdreven!" — zeide de Aartshertog. "Druk is die betrekking echter zeker niet! Wanneer mijn secretaris eenigen tijd afwezig is, red ik mij zelven heel gemakkelijk." "Het komt mij voor, dat Uwe Hoogheid bizonder inschikkelijk voor hem is." "U zoudt dat ook zijn, Mr. Gill, wanneer U de verhouding tusschen hèm en zijne moeder kende. Vraagt U er de Aartshertogin naar: uit den aard der zaak spreekt hij met háár meer dan met mij over zijn groote liefde voor die moeder." "Hij spreekt de Aartshertogin dikwijls?" "Na den onschatbaren dienst, dien hij ons bewezen heeft, is zijn verhouding tot ons beiden van meer vriendschappelijke natuur geworden. Bovendien, hij heeft nog een andere functie behalve die van mijn secretaris: hij geeft muziekles aan mijne vrouw!" "Muziekles?".... vroeg G. G., werkelijk verbaasd. "Horváth is een uitstekend violist" — hernam de Aartshertog. "En mijn vrouw is dôl op muziek." "Dat verklaart veel, Uwe Hoogheid!" — zeide G. G. "Het wordt mij nu duidelijk, dat het niet meer dan natuurlijk was, dat de Aartshertogin hem haar vertrouwen schonk." "Wanneer Mevrouw en de heeren mij het genoegen willen doen, heden avond mijne gasten te zijn, zult U de gelegenheid hebben over het spel van mijn secretaris te oordeelen" — zeide de Aartshertog, met een lichte buiging. "Wij geven een kleine, intieme soirée in het paleis." "Tot mijn groot leedwezen, zal ik, door bizondere omstandigheden en in verband met ons onderzoek, niet aanwezig kunnen zijn!" — zeide G. G. "Maar Mevrouw en Mr. Hendriks . . .?" Wij haastten ons, de uitnoodiging aan te nemen. De Aartshertog was opgestaan. "Nu ik Uwe vragen beantwoord heb, Mr. Gill" — zeide hij, "zou ik mijnerzijds ook gaarne eenige inlichtingen willen ontvangen, zij 't ook over een andere zaak. In de Nieuwsbladen heb ik gezien, dat Mr. en Mrs. Hendriks op het slot Vöröshegy waren in den nacht, waarop Gravin Csadányi vermoord werd. Mijn vrouw en ik interesseeren ons bizonder voor dat treurige geval. De Graaf is een oude bekende van ons en ook de Gravin hebben wij, vóór haar tweede huwelijk, herhaaldelijk ontmoet. Met groote ontroering hebben wij gezien, dat door enkele bladen de Graaf zelf van den moord verdacht wordt. Dat is toch ondenkbaar!" "Inderdaad, ik geloof niet aan zijn schuld" — antwoordde G. G. in onze plaats. "Zelfs hoop ik in staat te zijn, spoedig zijn onschuld buiten allen twijfel te stellen; misschien heeft Uwe Hoogheid in de Nieuwsbladen gezien, dat er nog een andere gast op Vöröshegy was, 'n zekere majoor Curtis uit Bengalen. Die majoor heette eigenlijk Geoffrey Gill, Uwe Hoogheid." Het was nu de beurt van den Aartshertog om verbaasd te zijn. "En in verband daarmede" - vervolgde de detective, "moet ik er Uwe Hoogheid nogmaals op wijzen, dat het van het hoogste belang is, dat ik hier te Budapest uitsluitend bekend blijf als Giles Gerard uit New-York. Majoor Curtis is naar Engeland terug! Deze fictie moet volgehouden worden tegenover iedereen, die naar hem vraagt." "Wie zou er naar hem vragen?" — vroeg de Aartshertog. "Bedriegen mij niet alle aanwijzingen" — antwoordde G.G., "dan zal de secretaris van Uwe Hoogheid dat doen." Dit antwoord verwonderde mij niet weinig. Immers met mijn eigen oogen had ik de kennismaking tusschen den secretaris en den detective, in zijn ware gestalte, bijgewoond. Hoe de secretaris ertoe komen zou, naar Majoor Curtis te vragen, die hem onbekend was, begreep ik niet. Ik zag, dat de Aartshertog zich, evenals ik, over het antwoord van mijn vriend verwonderde. "U schijnt het wantrouwen tegenover Géza Horváth nog niet afgelegd te hebben" - zeide hij koud. G. G. glimlachte. "Het zou toch niet meer dan natuurlijk zijn" - zeide hij, "wanneer de Heer Horváth, die in de Nieuwsbladen ook wel gezien zal hebben, dat Majoor Curtis met Mr. en Mrs. Hendriks op Vöröshegy vertoefde, eens naar dien majoor vroeg, wanneer hij mijn vriend en zijn vrouw ontmoet." "Dat is waar" — zeide de Aartshertog. Maar ik kende G. G. genoeg om te zien, dat zijne bedoeling niet zoo eenvoudig geweest was. "Ik heb er zelfs niets op tegen" — vervolgde de detective, dat Mr. Hendriks in dat geval hem mededeelt, dat Majoor Curtis Geoffrey Gill was, mits hij maar niet zegt, wie Giles Gerard is." Dit knoopte ik mij in het oor. Ik begreep, dat op die wijze bij den secretaris, die nu eenmaal (de hemel wist waarom!) door G. G. verdacht werd (de hemel wist waarvan!) de gedachte gewekt moest worden, dat de zending van Geoffrey Gill mislukt en er geen detective meer in de buurt was. Hoewel ik niet begreep, waarom dat van zoo groot belang was, besloot ik ook in dit opzicht mij geheel over te geven aan de leiding van mijn vriend. De Aartshertog toonde nu teekenen van ongeduld. "Uwe mededeelingen over mijn secretaris zijn zeer interessant!" — zeide hij, "en ik beloof, dat ik Uw aanwijzingen zal opvolgen. Maar, eerlijk gezegd, zou het mij meer belang inboezemen, wanneer ik 't een en ander hooren mocht over de gebeurtenissen op Vöröshegy." G. G. haastte zich, zijn verontschuldigingen ervoor aan te bieden, dat hij de mededeelingen daarover zoo lang had uitgesteld. Daarop vertelde hij kort en duidelijk wat er gebeurd was, zich daarbij uitsluitend houdende aan de ons bekende feiten en zonder zich te begeven in eenige beschouwing omtrent schuld of onschuld van den Graaf of van een ander. 1k heb reeds elders medegedeeld, dat G. G. een goed verteller was. De Aartshertog was zeer onder den indruk van zijn verhaal en diep begaan met het treurige lot der Gravin. "Mijn vrouw en ik hebben haar gekend, toen zij als jonge weduwe eenigen tijd te Budapest woonde. Zij voerde een vrij grooten staat en zag veel menschen." "Wanneer woonde zij te Budapest?" "Een jaar of vijf geleden!" "Zij was toen nog Prinses Morescu" — zeide G. G. "Morescu...?" — herhaalde de Aartshertog en zweeg een oogenblik. Plotseling sloeg hij zich voor het hoofd. "Wat is het menschelijk brein toch een wonderlijk instrument" — zeide hij. "Nu valt mij plotseling in, wie mijn tegenwoordigen secretaris indertijd aan Aartshertog Stephan Otto heeft aanbevolen: de oude Prins Morescu, die zeer bevriend was met mijn oom!" Ditmaal verwonderde het mij niet, dat G. G. 's achterhoofd het gebruikelijke schokje uitvoerde. Maar overigens gaf mijn vriend, althans uiterlijk, geen blijk van bizondere belangstelling. "De eerste man van Gravin Csadányi?" — vroeg hij op onverschilligen toon. "Zeker!" — antwoordde de Aartshertog. "Het is wel toevallig, dat wij juist over haar spraken: de naam Morescu heeft het deurtje in mijn brein weer geopend!" "Zij was dus een Rumeensche?" — vroeg G. G. "Alleen door haar huwelijk" — luidde het antwoord. "Wie zij van zichzelve was, wist eigenlijk niemand; maar het Hongaarsch was haar moedertaal. Er waren indertijd allerlei verhalen in omloop over het huwelijk van den ouden Rumeenschen Prins. Hij moet haar in het een of andere Hongaarsche dorp hebben ontdekt en zich door haar mooie gezichtje laten inpalmen. Nu, zij was dan ook een opvallende, vorstelijke verschijning." "Niet van adel?" — vroeg G. G. langs zijn neus weg. "Van héél lage afkomst: althans dat beweerde men. Maar de Prins bewaarde daarover steeds het diepste stilzwijgen." "Een romantische geschiedenis, Uwe Hoogheid!" — zeide G. G., terwijl hij opstond om afscheid te nemen. Beneden zeide mijn vriend ons, dat het beter was, wanneer wij niet samen naar Hotel Hungaria teruggingen. Hij had nog veel te doen en zou ons wel weer doen weten, wanneer we hem ontmoeten konden. "Houdt vanavond, op de soirée bij den Aartshertog, oogen en ooren open, mijn beste vrienden" — zei hij. "Berichten bereiken Giles Gerard het snelst, wanneer ge ze adresseert naar Kamer No. 50 in ,Hungaria'". "Maar ik heb je nog een gewichtige mededeeling te doen" — zeide ik en vertelde hem, hoe wij den vorigen dag de kleine Mariska tegen het lijf geloopen waren. "Dat is werkelijk van groot belang" — zei de detective. "Het kan mij zeer goed te pas komen! Maar nu moeten we elk onzes weegs gaan, Willy! Ik hoop, dat Mevrouw en jij vanavond van de muziek eens recht genieten zult. Dat is een mooie afwisseling, na alle agitatie van de laatste dagen!" Met een hoofdknik verliet hij ons en verdween in het gewoel der Rákoczi-straat. Maud en ik dineerden in "Pannonia" en namen daarop de tram naar het "Stadtswäldchen" om daar alles nog eens rustiger óver te praten dan wij dat in de rumoerige stad doen konden. Onwillekeurig richtten wij onze schreden naar het plantsoen, waar wij den vorigen dag, ongeveer op hetzelfde uur, de kleine Mariska gezien hadden. Opnieuw zetten wij ons op een bank en zagen naar het spelen van de kinderen, waarvan wij er verscheidene van gisteren herkenden. Maar noch Mariska, noch de bonne, die haar begeleid had, kregen wij te zien. Er wachtte ons echter een andere verrassing. Toen wij ongeveer een half uur op onze bank gezeten hadden, zagen wij rechts van ons een wandelaar aankomen, dien wij beiden op hetzelfde oogenblik herkenden. Het was de blonde man met de donkere oogen, dien wij in den restauratie-wagen gezien hadden: Géza Horváth, de secretaris van Aartshertog Karel August. Ik kreeg hem in het oog, voordat hij ons ontdekt had. Toen zijn blik een oogenblik later op ons viel, meende ik een oogenblik daarin een uitdrukking van herkennen te ontdekken. Maar hij passeerde ons, zonder dat die indruk bevestigd werd, want zijn oogen dwaalden dadelijk af en rustten, met blijkbaar genoegen, op de spelende kinderen. "Ik geloof, dat hij ons herkende" — zeide ik. "Dat zou niet zoo verwonderlijk zijn" — antwoordde Maud, met haar gewoon gezond verstand. "Wij herkenden hèm wel; waarom hij ons niet?". "'t Is waar" — zei ik. "'n Mooie vrouw, die men ééns gezien heeft . . ." "Niet flauw worden, Willy!" - bestrafte Maud. "Zul je nooit leeren, een ernstige zaak ernstig te behandelen?" "Maar ik ben ernstig en 't is 'n ernstige zaak, 'n mooie vrouw te zien!" — hield ik vol; doch een plotselinge verandering in de uitdrukking van Maud's gezichtje hield verdere scherts op mijn lippen terug. De richting van haar oogen volgende, zag ik, van denzelfden kant, vanwaar de secretaris gekomen was, G. G. naderen. Hij slenterde langzaam op ons toe, gaf ons uit de verte een knipoogje en . . . passeerde alsof hij ons niet kende. "Zou hij dien meneer Horváth volgen?" — vroeg Maud. "Wie zal het zeggen?" — was mijn wedervraag. "Hij gaat in elk geval denzelfden kant uit. Maar hoe komt hij hier? 't Is nauwelijks twee uur geleden, sedert wij afscheid van hem namen. Zou hij direct naar het paleis van den Aartshertog gegaan zijn, om diens secretaris in het oog te houden?" "Bedenk, Willy, dat de wegen van den detective onnaspeurlijk zijn!" — Maud zeide dit op den eenigszins doceerenden toon, dien G. G. soms kon aannemen, en wij lachten beiden. Kort daarna stonden wij op en wandelden langzaam in de richting van de Andrássy-straat. Bij den vijver ontmoetten wij een wat druk gekleede jonge dame, die ons in het voorbijgaan strak aankeek. "Kérem szépen!" *) — klonk het een oogenblik later achter ons. De jonge dame was omgekeerd en had ons aangesproken. Nu eerst herkenden wij haar: het was de bonne, die wij den vorigen dag in gezelschap van Mariska gezien hadden! *) Het Duitsche: "Ich bitte schön". "De "Herrschaften' moeten mij vergeven, dat ik hen aanspreek" — zeide zij in het Duitsch. "Hebt U gisterenmiddag hier in het "Stadtswäldchen' niet met een klein meisje gesproken?" Wij antwoordden bevestigend. "Ik meende U te herkennen" — hernam de jonge dame. "Gisteren was ik hier met de kleine Mariska: ik ben haar bonne — of liever: ik was haar bonne. De genadige Heer heeft mij weggestuurd, omdat zij met U gesproken had. Daarom wilde ik U vragen, of U niet een goed woordje voor mij doen wilt, dat ik mag blijven." "Ik begrijp U niet goed" — zeide Maud. "Heeft men U Uw betrekking opgezegd, alleen omdat het kind met ons gesproken heeft?" "Ja" — antwoordde het meisje, "alleen daarom! Het gaat mij zoo aan het hart, want ik hield zooveel van Mariska en ook van den kleinen Mihály!" De kleine Mihály! Zou dan eindelijk het "zoontje" van Imre den Czigány ten tooneele verschijnen? Maar hoe was het mogelijk, dat deze bonne, die toch blijkbaar gewoon was aan betrekkingen in de betere kringen, voor de kinderen van een gewonen Zigeuner zorgen moest? Hoe kwamen die kinderen te Budapest? Waar was hun vader? Bij wien woonden zij thans? Mijn vrouw was even verbaasd als ik. "Maar hoe komt men ertoe, U zóó hard te straffen voor iets, dat heelemaal geen fout van U was?" — vroeg zij. "Ach, nagysád *), de genadige Heer is soms zoo vreemd! Ik ben nog geen jaar in zijn dienst en ik zie hem niet dikwijls; daarom begrijp in hem zeker niet. Hij wil nooit hebben, dat de kinderen op straat door vreemden worden aangesproken: dat heeft hij mij dikwijls genoeg gezegd! Maar U was toch geen vreemde: Mariska noemde U "az angol bácsi" en vertelde, dat U zoo lief voor haar geweest waart! En toch heeft de genadige Heer mij uitgemaakt voor allerlei leelijke dingen en mij de deur uit gezet!" *) Mevrouw", letterlijk: "Uwe grootheid." Er kwamen nu waterlanders. "Wilt U een goed woordje voor mij doen? Het was alles toch zoo onschuldig en natuurlijk!" – Zij droogde zich de oogen af en keek ons vol verwachting aan. "Maar wie is Uw "genadige Heer' eigenlijk?" - vroeg ik. "En waar woont hij?" Ik zag opeens een verandering over haar komen. De uitdrukking der oogen werd hard en er legde zich een vastberaden plooi om den mond. Mijn vrouw, die dit niet opgemerkt had en die — wat trouwens verklaarbaar genoeg was! — in groote spanning verkeerde tengevolge van de ontdekkingen, die schijnbaar voor de deur stonden, werd ongeduldig, toen het antwoord wat lang uitbleef. "Wanneer U wilt, dat wij U helpen" — zeide zij, wat zenuwachtig, "moet U ons eerst behoorlijk inlichten. Wij weten letterlijk nog niets! Wie is Uw heer? Hoe ziet hij eruit? Zijn het zijn kinderen, die U verzorgen moest? Is hij goed voor ze? Houden ze van hem? Er zijn nog zoo'n massa vragen, die ik zou willen doen, maar U moet mij eerst deze beantwoorden!" Het stond wel vast, dat Maud niet juist de eigenschappen bezat, welke de vrouwelijke detective behooren te sieren. Haar eerste poging op dit terrein leed dan ook jammerlijk schipbreuk, omdat zij zich te weetgierig had getoond. Het gezicht van de bonne was strakker en strakker geworden. Zij zweeg eenigen tijd en zeide toen, met een geheel veranderde stem: "Hoe komt het, dat U Mariska kent en haar vader niet?" Wij wisten niet dadelijk wat wij zeggen moesten. "De genadige Heer schijnt toch gelijk gehad te hebben!" — vervolgde zij. "Hij heeft mij van den aanvang af gezegd, dat ik mij in acht moest nemen voor lieden, die zich al te nieuwsgierig toonden omtrent hem en de kinderen. Er dreigden hen altijd gevaren! Ik zie nu, dat er werkelijk zulke nieuwsgierige menschen zijn — wat ik tot dusver niet geloofde. De "Herrschaften" kunnen verzekerd zijn, dat ik veel van de kinderen houd en daarom al die vragen niet beantwoorden zal." Met een stijve hoofdbuiging liet ze ons staan. ## HOOFDSTUK XXII. HOFLUCHT. Met de onderaardsche "Elektrische" reden wij naar het Gizellaplein, van waaruit wij in weinige minuten in Hotel Hungaria terug waren. Wij hadden geene pogingen gedaan, de vertoornde bonne terug te houden, want wij wilden het vermijden, de aandacht der voorbijgangers te trekken, wat zeker het geval geweest zou zijn; immers zij had zich zeer haastig verwijderd en wij konden haar toch moeilijk achterna-hollen! Wel schreef ik dadelijk in korte woorden aan G. G. wat er gebeurd was en adresseerde dit briefje aan Giles Gerard, kamer no. 50, zboals hij ons verzocht had. Terwijl ik daarmede bezig was, kwam een hotel-knechtje de zooeven bezorgde uitnoodigingskaart voor de soirée bij den Aartshertog brengen. Deze bleek dus een man van zijn woord; en Maud en ik amuseerden ons over de onmiskenbare toeneming van eerbied en beleefdheid, waarmede wij van dat oogenblik af behandeld werden. Zoo'n enveloppe met een aartshertogelijk wapen, gebracht door een aartshertogelijken livrei-bediende, maakt den gelukkigen ontvanger dadelijk tot een man van aanzien! Wij gebruikten een licht souper en reden daarop in een auto naar het paleis van den Aartshertog. Dit ligt in het nieuwste deel der stad. Het is een vierkant, geel gebouw, met een grooten "Hof", met boomen en bloemen beplant, in het midden. Van de straat af rijdt men door een hoogen, steenen doorgang dezen "Hof" op, waar zich links de ingang bevindt, die in het paleis voert en wel speciaal in het gedeelte, dat voor recepties en feestelijkheden bestemd is. Een soirée ten paleize van een Aartshertog te Budapest is een schitterende en weelderige vertooning. Er waren vele Oostenrijksche en vooral Hongaarsche uniformen en pronkdrachten. Het is bekend, dat in geen land ter wereld de zucht tot het dragen van kostbare gewaden en mantels bij den adel grooter is dan in Hongarije. Het is zoowat het eenige Europeesche land, waar in dit opzicht de mannenkleeding niet voor die der vrouwen behoeft onder te doen. De groote zaal, waar de gasten den Aartshertog en de Aartshertogin wachtten, leverde dan ook een schitterenden aanblik op, en in onze eenvoudige avondkleedij vormden wij met de meesten der aanwezigen een groot contrast. Het spreekt vanzelf, dat wij ons temidden van deze, ons onbekende en een vreemde taal sprekende menschen, wel wat eenzaam voelden. Daaraan kwam echter een einde, toen de hooge gastheer en zijne vrouw in de zaal verschenen. Want de Aartshertogin keek blijkbaar naar ons uit en, toen zij ons ontdekte, ging zij regelrecht op Maud toe, nam haar arm en liet dien, om zoo te zeggen, den heelen avond niet meer los. Zulk een opvallend gunstbewijs van vorstelijke zijde trok natuurlijk algemeen de aandacht. Waarschijnlijk was de Aartshertogin, die Engeland dóór en dóór kende, zoo ongeveer de eenige in de zaal, die wist, dat de dochter van een der voornaamste Peers van Engeland in rang nu niet zoo geweldig ver beneden een achternicht van den Koning van Hongarije stond, al was die achternicht ook een geboren Prinses van Montenegro. Daarbij kwam, dat niemand in de eenvoudige "Mrs. Hendriks" een Engelsche aristocrate zoeken kon. Over het algemeen is de Hongaarsche adel zéér "steil" en huwelijken met niet-adelijken zijn onder de leden dier zeer oude, foedale aristocratie betrekkelijk zeldzaam. Bij gelegenheden als deze, voelde ik mijn eigen positie altijd eenigszins pijnlijk. Ik wist zeer goed, dat Maud, met hare geboorte en haar positie, door mij te trouwen feitelijk een "mésalliance" gedaan had — althans in den zin, zooals de wereld dat gewoonlijk opvat. In werkelijkheid paste geen paar beter bijeen dan wij beiden; een gelukkiger huwelijk was niet denkbaar, maar toch . . , "mésalliance"! Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat - bij gelegenheden als deze — Maud op den voorgrond gebracht en ik naar achteren geschoven werd. Hoewel zij daartegen in den beginne sterk geprotesteerd had, gaf zij later toch gehoor aan mijn verzoek om mij in zoo'n geval maar stilletjes op den achtergrond te laten. Ik voelde vooral in deze omgeving veel te sterk mijn trots als beschaafd en ontwikkeld Hollander om mij te willen bloot stellen aan de meestal sterk "patroniseerende" houding van Hongaarsche Magnaten, die zichzelven beschouwen als gemaakt uit een andere stof dan hunne niet-adelijke medemenschen, en toch — in het algemeen gesproken — in ontwikkeling zeker voor den gemiddelden Hollander van goede familie moeten onderdoen. Ik hoop, dat deze openhartige bekentenis mij niet aan de beschuldiging van hooghartigheid of nationale zèlfoverschatting zal bloot stellen. Zeker is het, dat de wèlopgevoede en ontwikkelde Hollander zich tegenover minderontwikkelde, maar door geld of geboorte hooggeplaatste buitenlanders gewoonlijk in stilte terugtrekt: een gevolg, niet van eenig bewustzijn van minderheid, maar veeleer van een zeker bescheiden gevoel van eigenwaarde, dat zich stoot aan de zèlfbewuste houding dier anderen, maar zelf zich niet uiten kan en wil in het verheerlijken en opdringen van zichzelven. Ik geloof, dat dit soort van zelfbewuste bescheidenheid een kenmerkende eigenschap van ons Hollandsch karakter is. In ieder geval bezit ik die zelf in hooge mate. Het was dus niet te verwonderen, dat ik — hoewel Maud het middenpunt werd van een heelen kring buigende en lachende menschen — mij wat apart hield, hetgeen niet belette, dat ik met groote belangstelling mijn bonte omgeving met haar mooie en rijke costuums bleef opnemen. De Aartshertog had eenige vriendelijke woorden met mij gewisseld, en ik slenterde langzaam de muziekzaal binnen, die zich aan de groote ontvang-zaal aansloot. Plotseling werd ik op den schouder getikt; ik draaide mij om: de heer Géza Horváth, de blonde secretaris met de donkere oogen! "Ik geloof, dat ik de eer heb, den Heer Hendriks te zien" — zeide hij, met een lichte buiging. "Het gebeurt zelden, dat Zijne Hoogheid het genoegen heeft, gasten uit Holland ten zijnent te zien. Ik hoop, dat U mij veroorlooft mij aan U voor te stellen; mijn naam is Horváth: ik ben de secretaris van Zijne Hoogheid." Hij reikte mij de hand en ik boog. "Weet U, dat wij enkele dagen geleden reisgenooten geweest zijn?" — vroeg hij. "Wij reisden samen van Zsolna naar Budapest en zaten (met eenige tafeltjes tusschen ons) tegenover elkander in den restauratie-wagen." "Werkelijk?" — zeide ik (en ik hoorde zelf, dat er iets onverschilligs in mijn stem lag). "Ik maak U mijn compliment over Uw goed geheugen: ik herinner mij niet U toen gezien te hebben." Wanneer men mij vraagt, waarom ik aldus antwoordde, dan kan ik daarvoor geen bepaalde reden geven. 't Was een ingeving van het oogenblik, en — ik heb dat vroeger al eens gezegd — ik gehoorzaam dikwijls (misschien te dikwijls) aan zoo'n plotselinge ingeving. Later nadenken heeft mij intusschen doen inzien, dat ditmaal mijn antwoord heel verstandig was: instinctmatig had ik een middel aangegrepen om de houding van den secretaris tegenover mij meer ongedwongen te maken. "Ik maak er geen aanspraak op, een gezicht te hebben, dat men onthoudt, als men 't eens gezien heeft" — zeide desecretaris glimlachend. "En trouwens, mijn geheugen zal wel zoo sterk gebleken zijn, omdat ik Mevrouw in Uw gezelschap gezien heb." Een buiging van zijn kant (in de richting van Maud, die op eenigen afstand in gesprek gewikkeld was), een buiging van mijn kant — ik begon reeds Hongaarsch te worden in mijn buigingen —; ik dacht aan wat ik aan Maud gezegd had omtrent den ernst, die erin gelegen is 'n mooie vrouw te zien, en ik glimlachte onwillekeurig. De secretaris glimlachte terug, en ik vond, dat wij nog al "bête" tegenover elkander stonden! "U moet weten, dat ik in dien ochtend van onze reis vol was van dat vreeslijke geval op Vöröshegy" — vervolgde hij. "Gravin Csadányi heb ik meermalen ontmoet, toen zij te Budapest woonde. Wie had den Graaf tot zóó iets in staat geacht?" "Wie zegt U, dat de Graaf de schuldige is?" — vroeg ik snel. "Wie? — Niemand! Mijn instinct misschien!" — Zijn stem had een vreemden klank, iets ingehouden-bitters, dat mij verwonderde. "In de nieuwsbladen heb ik gezien" — aldus vervolgde hij op zijn gewonen toon, "dat U en Mevrouw op Vöröshegy waart, toen de misdaad plaats vond. Ook werd de naam van een zekeren Majoor Curtis genoemd. Is die ook naar Budapest gekomen?" De vraag werd langs zijn neus weg gesteld. Maar hulde aan G. G.! Hier werd zijn voorspelling vervuld geen vijf minuten, nadat de secretaris mij had aangesproken: deze had naar Majoor Curtis gevraagd! Ik besloot al mijn — meestal te veel verborgen — diplomatisch talent aan te wenden, om de zaken te behandelen, zooals mijn vriend dat gewenscht had. Ik lachte dus met een half-sarcastisch, half-medelijdend geluid en was over deze prestatie nog al tevreden. "Majoor Curtis?" — zeide ik. "Ja, wat zal ik U van Majoor Curtis zeggen? Kom, laat mij U het geheim maar verklappen, meneer Horváth! Majoor Curtis was geen majoor: hij was niemand anders dan Geoffrey Gill, de bekende Engelsche detective. U moet weten, dat een belangrijke zaak hem naar Vöröshegy voerde. "Zóó! Welke zaak dan?" — vroeg de secretaris. "Ik kan tot mijn leedwezen geen vrijheid vinden U daaromtrent in te lichten. Maar dit wil ik wel zeggen, dat hij ook mij daarin betrokken heeft en dat ik er méér dan genoeg van heb! Trouwens, de heele zaak is op een groot fiasco uitgeloopen. Hij is zijn ergernis in Engeland gaan verbergen... en ik ben weer m'n eigen heer en meester!" Ik zuchtte een zucht van voldaanheid, deels om hem ervan te overtuigen, hoezeer de herwonnen vrijheid mij verheugde, deels omdat ik *inderdaad* voldaan was over mijn diplomatie! Hoewel naar alle waarschijnlijkheid mijne mededeelingen den secretaris in hooge mate belang moesten inboezemen, gaf hij daarvan geen enkel uiterlijk teeken. Alleen zag ik, dat de lippen zich iets vaster opéén persten: maar dit scheen veeleer op een vast besluit dan op een tevreden stemming te wijzen. "Het moet interessant geweest zijn, met zoo'n beroemden detective samen te werken" — zeide de secretaris, terwijl hij mij aanzag met een blik, waaruit een niet geringe belangstelling sprak. "Interessant? Het is maar wat men interessant noemt!" — mopperde ik. "Wanneer het interessant is, steeds met het gevoel rond te loopen, dat men met een blinddoek voor de oogen naar een afgrond toe wandelt, dan hebt U groot gelijk en heb ik 'n buitengewoon belangwekkenden tijd achter mij. Maar als men dan ten slotte met de kous op den kop thuis komt, dan wenscht men toch onwillekeurig, dat het genot wat minder opwindend geweest was!" De secretaris lachte. "Het schijnt, dat de detective-geest van Mr. Gill nog niet over U vaardig geworden is!" — zeide hij. "Kent U den detective al van vroeger?" "Nooit vroeger ontmoet!" — loog ik welgemoed. "En — eerlijk gezegd — ik hoop niet, dat ik hem spoedig wéér ontmoeten zal. Ik ben nu eenmaal niet geschikt voor het opwindend werk van den detective: ik deduceer en combineer van nature niet gemakkelijk. 't Liefst heb ik dus, dat men mij maar buiten zaken laat, waarbij men gemakkelijk deduceeren en combineeren moet, of groote gevaren loopt!" Op dit oogenblik kwamen vele gasten de muziekzaal binnen. "Wij spreken elkander nog wel eens nader"-zeide de secretaris, mij opnieuw de hand reikende. "Het zal mij een groot genoegen zijn, aan Mevrouw Hendriks te worden voorgesteld, maar... thans roept de plicht mij; ik moet de aanwezigen van mijn spel doen genieten, voor zoo verre er van genieten sprake kan zijn!" Ik herinner mij niet precies meer, door welke executanten en met welke instrumenten de ooren der aanwezigen het eerst gestreeld werden: wat later volgde, heeft die eerste indrukken vrij wel uitgewischt. Alleen heb ik nog een flauwe herinnering aan het zingen van een heldentenor, die toen aan de Budapester Opera beroemd was, maar die mij in deze kleine omgeving herhaaldelijk en in uiterlijk en in geluid herinnerde aan . . . een locomotief! Het werkelijke muzikale genot begon eerst met het optreden van den heer Géza Horváth. Maud en ik zaten naast elkander en, rechts van Maud, zat de Aartshertogin: daarop volgde de Aartshertog en, naast dezen, verschillende dignitarissen. Wij zaten op de eerste rij, bijna in het midden vóór het podium. Om wat nu volgde begrijpelijk te maken, moet ik in herinnering brengen, dat Maud in hooge mate muzikaal is. Zij heeft een bizonder mooie stem en was, vóór haar huwelijk, in het muzikale Londen een soort van beroemdheid, tengevolge van haar zingen op de muziek-avonden, door haar vader, Lord Stockton, gegeven. *) Bij al haar flinkheid en haar scherp gezond verstand, heeft zij een zéér sensitief zenuw-gestel en is bizonder toegankelijk voor muzikale indrukken, zóózeer zelfs, dat wat voor anderen een uitspanning is (of althans als zoodanig is bedoeld) voor haar een pijnlijke inspanning wordt, die haar wel verheft, maar tevens afmat. *) Zie "De man uit Frankrijk", No. 1 der G. G. -serie. Wij zaten dan naast elkander, toen de eerste tonen van Horváth's viool door de zaal klonken. Hij speelde het andante uit een viool-sonate van Beethoven en werd begeleid door een ouden heer met een puntigen baard en grijze snorren, die mij later Professor in het klavierspel aan het conservatorium bleek te zijn. Terwijl Horváth speelde, voelde ik, dat Maud haar hand zacht in de mijne schoof. Zij deed dat dikwijls, als zij intens van de muziek genoot, maar ditmaal scheen het mij, dat die hand wat koud was en een weinig beefde. Ik keek haar van terzijde aan, en zag dat haar gezicht bleek was. "Voel je je niet wel?" — fluisterde ik haar zachtjes toe. Maar zij stelde mij gerust met een handdrukje. Toen het andante geëindigd was — en ik moet erkennen, dat het meesterlijk gespeeld werd — brak er een storm van applaus los, waartoe de Aartshertog het voorbeeld gaf. Deze zeide daarop enkele woorden tot een bediende, die ze overbracht aan den violist.
Hij speelde het andante . . . . (blz. 193.)
"Nu zult ge hem hooren fantaseeren" - zeide de Aartshertogin tot Maud. Wat wij nu hoorden was onbeschrijflijk schoon. Ik ben niet muzikaal genoeg om mijn indrukken van dit meesterlijke spel weder te geven; maar ik ging er geheel in op en vergat mijne omgeving. Plotseling voelde ik, dat de hand van Maud de mijne krampachtig omklemde. Elk spoor van kleur was nu uit haar gezicht verdwenen, haar adem scheen te stokken, en zij staarde onafgewend naar den man, die op het podium stond te spelen. Toen zag ik, dat de blik van dezen den haren ontmoette. Op eenmaal klonk een schrille dissonant. De strijkstok ontglipte aan de hand van den violist; hij werd bleek en moest tegen den vleugel steunen om niet te vallen. Er ontstond eenige beweging in de zaal, maar met aanwending van al zijn wilskracht wenkte Géza Horváth om stilte, raapte den strijkstok op en speelde verder, eerst wat onvast, later met vasten, zekeren streek; maar het scheen mij, of de pit uit zijn spel verdwenen was. Niettemin beloonde hem, na afloop, een donderend applaus. Maud echter zat doodsbleek in haar stoel achterover geleund. Toen ik mij tot haar over boog, ving ik deze woorden op, zacht, maar met grooten nadruk: "Zóó kan maar één mensch spelen: Imre de Czigány!" . . . ## HOOFDSTUK XXIII. HET HUIS IN DE "MÜLLER"-STRAAT. Het was twee uur in den nacht, toen wij in Hotel Hungaria terugkwamen. Op weg, in onzen auto, hadden wij slechts weinig gesproken, maar wij wisten, dat onze gedachten zich met dezelfde zaak bezig hielden. "Ik moet vanavond nog aan G. G. schrijven en den brief op de een of andere manier op zijn kamer doen bezorgen" — zeide ik, toen wij het hotel naderden. Maud knikte, maar zeide niets. In de voorhal van "Hungaria" wachtte ons echter een verrassing: aan een der tafeltjes, rechts van de trap, zat, diep in een fauteuil gedoken, . . . G. G.! Het scheen, dat hij het niet meer noodig vond ons te negeeren, want zoodra hij ons zag, stond hij op en noodigde ons uit, een oogenblikje bij hem te komen zitten. Er was niemand meer beneden en de nachtportier was in het achterste gedeelte van zijn loge "bezig". Ik vermoedde echter, dat hij daar meer dommelde dan "bezig" was! "Ik heb op U gewacht" — begon G. G. "Het zou mij niet verwonderen, wanneer die avondpartij bij den Aartshertog een belangrijk experiment voor U geweest is." Voordat ik hierop iets antwoorden kon, nam mijn vrouw het woord. "Mr. Gill" — zeide zij, "ik heb van avond een sensatie gehad, die ik niet licht vergeten zal! Ik heb mijzelve afgevraagd, of ik wel goed bij mijn verstand ben, en ik vrees werkelijk, dat U mij voor niet toerekenbaar zult aanzien. Wij hebben Géza Horváth, den secretaris van den Aartshertog, viool hooren spelen, en . . . Maud hield even op. Zij was weer bleek geworden en haar lippen trilden. G. G. keek haar strak aan en ik zag, dat hij in groote spanning verkeerde; maar hij zei geen woord. "Ik weet niet, hoe het gekomen is" — ging Maud, die steeds zenuwachtiger werd, voort. "Maar toen hij fantaseerde, hoorde ik in zijn spel . . . een ander. Mr. Gill, het is bespottelijk wat ik nu zeggen zal! Het was, of in mijn binnenste plotseling een doek op zijde geschoven werd. Ik weet niet, of u mij begrijpt; ik kan moeilijk zeggen, dat mij een blinddoek van de oogen viel, want met zien had het niets te maken! 't Was iets van binnen, iets dat . ." Zij zocht naar woorden. "Het was muzikale intuïtie, Mevrouw!" — zeide G. G. met grooten ernst in zijn stem. "Wat ik, de detective, met al mijn poover observeeren en deduceeren, ten koste van veel denken en moeizamen hersenarbeid langzamerhand van een vermoeden tot zekerheid heb zien worden, hebt u in een oogenblik ontdekt, omdat u" — hier daalde zijn stem tot een toon van bewondering en eerbied — "omdat u geniaal is, Mevrouw!" Ik kleurde van genoegen, maar Maud werd nog bleeker. "Dus U gelooft . . .?" "Ik weet, Mevrouw, met absolute zekerheid, dat Géza Horváth en Imre de Czigány één en dezelfde persoon is." Het hooge woord was eruit! Wat mijn vrouw en ik elkander nog niet hadden durven zeggen, wat ik, die (de lezer zal het waarschijnlijk wel reeds bemerkt hebben) geen vleugje genialiteit bezit, nog maar niet aannemen kon, werd hier door mijn vriend als een vaststaande waarheid verkondigd! "Maar het uiterlijk van Horváth . . ." - begon ik. "Willy!" — viel G. G. mij in de rede. "Zul je nooit leeren, dat rede en intuïtie vereenigd méér in de schaal leggen dan uiterlijkheden? Of, als deze waarheid je te filosofisch is, denk er eens over na, of het verschil in uiterlijk tusschen Horváth en Imre den Czigány grooter is dan dat tusschen Majoor Curtis en Geoffrey Gill!" Ik dacht na en zweeg. "Op Vöröshegy heb ik je gezegd" — vervolgde mijn vriend, "dat, wanneer wij aan het andere einde van den draad begonnen, we wel eens eerder dan wij verwachtten uit den doolhof konden geraken. Nu kan ik je verklaren, dat de vele raadselen, die ons omringen, voor mij geen raadselen meer zijn. Maar er ontbreekt nog één schakel: dien zullen we op Vöröshegy vinden." "Moeten we daarheen terug?" "Waarschijnlijk!" — antwoordde G. G. "Maar eerst hebben we nog iets te Budapest te doen. Intusschen" — hier stond hij op — "voor vanavond is het genoeg. Mevrouw ziet er dood-vermoeid uit en, Willy, jij kijkt ook minder snugger uit je oogen dan ik het in je heldere oogenblikken van je gewoon ben. Denk eraan, dat ik erop reken, u beiden morgenochtend om half acht kant en-klaar te vinden, om een bezoek te brengen in een niet onaanzienlijke burgerwoning in de "Müller'-straat." "Mijn vrouw heeft méér rust noodig, G. G. — zei ik bezorgd. "Dat is waar, Willy! En zonder noodzakelijkheid zou ik haar niet lastig vallen. Maar wij mogen niet langer wachten." "Ik weet wel niet, wat u voornemens is te doen"— zeide Maud. "Maar als het met Géza Horváth in verband staat, ben ik 't geheel met u eens. Want ik ben er zeker van, dat deze weet, dat ik weet wie hij is!" — En zij verhaalde, wat er gebeurd was op het oogenblik, waarop hun blikken elkander ontmoet hadden. G. G. dacht een oogenblik na. "Eigenlijk moesten wij dan nu reeds handelen" — zeide hij eindelijk. "Maar ik geloof niet, dat in een uitstel van enkele uren veel gevaar schuilt, en bovendien.... U en Willy moeten in goede conditie zijn, want ik vermoed, dat wij voor verrassende gebeurtenissen staan. Dus: nu naar bed!" "Wil je ons dan vanavond niets meer zeggen van wat je denkt en vermoedt?" "Van wat ik weet, Willy!" — verbeterde hij. "Maar 't spijt mij: je zult vanavond geen woord meer van mij hooren: wij hebben alle drie slaap noodig!" Hij ging ons vóór naar boven. Of hij geslapen heeft, betwijfel ik. Maar ik weet, dat Maud, die inderdaad dood-op was, wèl sliep. Wat mij betreft — ik deed geen oog toe. Den volgenden ochtend om half-acht reden we met ons drieën in een "Fiaker" *) door Budapest's straten. *) Rijtuig met twee paarden. De "Muller"-straat komt op den Ring uit, vlak bij de Frans-Josefsbrug. Toen ons rijtuig de straat insloeg, kwam daaruit juist een auto stuiven, die bijna tegen ons aanbotste. Als onze koetsier de paarden niet snel op zij gerukt had, zou er zeker een ongeluk gebeurd zijn. Het spreekt vanzelf, dat de waardige paardenmenner niet naliet zijn overkropt gemoed tegen den bestuurder van den auto in de meest uitgezochte termen te luchten; maar de onvoorzichtige chauffeur hoorde hem niet, want de auto was reeds 'n heel eind den Ring op. Enkele minuten later hielden wij stil voor een groot huis met een breede ingangspoort. Wij stegen de trap op tot de tweede verdieping en bleven staan voor een deur, die het nummer 20 droeg; het huis was een van die groote gebouwen — het gewone type in de buitenlandsche steden —, waarin verscheidene familiën gehuisvest zijn, wier "voordeuren" uitkomen in het trappenhuis of op een der galerijen, die op de verschillende verdiepingen om den "Hof" loopen. G. G. schelde, maar er kwam niemand. Het spreekt vanzelf, dat onze spanning nu tot het hoogste punt gestegen was, temeer omdat G. G. dien ochtend een bijna volkomen stilzwijgen bewaard had en wij dus evenveel (of liever even weinig) wisten als den vorigen avond. Toen wij vijf minuten gewacht hadden, belde G. G. opnieuw. Ditmaal hoorden wij binnen voetstappen en de deur werd op een kier geopend. "Kan ik den genadigen Heer 'n oogenblikje spreken?" — vroeg G. G. "De genadige Heer is niet thuis" — antwoordde een stem, die mij bekend voorkwam. Het volgende oogenblik werd er een poging gedaan, de deur te sluiten, maar het bleef bij niet meer dan een poging: G. G. had zijn voet ertusschen gezet. "Kom, kom, juffrouw, daarvan geloof ik niets" — zeide mijn vriend. "Wil u den genadigen Heer zeggen, dat de heer en mevrouw Hendriks hem noodzakelijk spreken moeten?" Er volgde een uitroep van verwondering. "Maar u is toch niet meneer Hendriks?" — klonk het van binnen. "Meneer Hendriks en zijn vrouw staan hier naast mij" — zeide G. G. "Als u zoo vriendelijk zoudt willen zijn, de deur een weinig meer te openen, zult u zich gemakkelijk daarvan kunnen overtuigen." De deur ging nu inderdaad wat wijder open, en in de opening verscheen het gezicht van ... de bonne uit het "Stadtswäldchen"! Toen zij ons zag, uitte zij opnieuw een uitroep van verbazing. "Neen maar! Zóó'n toeval!" — zei ze, terwijl ze ons nu, zonder eenige verdere moeilijkheid, binnen liet. "De "Herrschaften" zullen wel verwonderd zijn, mij weer hier te zien." "Maar wij zijn er nog meer over verwonderd, dat u onze namen schijnt te kennen" — zeide ik. "Wel, dat is toch heel natuurlijk" — antwoordde zij. "De genadige Heer heeft een brief voor U achtergelaten!" "Voor mij . . .?" — Mijn verbazing is moeilijk te beschrijven! "Ja, ik had hem persoonlijk aan U moeten brengen, Kamer No. 61, Hotel Hungaria. De genadige Heer zei, dat U dezelfde heer was, die Mariska in het park had aangesproken. U zoudt dan de kinderen wel komen halen. En nu komt U, nog vóórdat U den brief ontvangen hebt, zèlf aan de deur! Dat is toch 'n toeval, zooals er geen tweede bestaat!" Dat mijn verbazing steeds toenam, behoef ik niet te zeggen. "Ik moet U nog om verontschuldiging vragen voor de oneerbiedige manier, waarop ik tot Mevrouw en U gesproken heb. Ik dacht werkelijk, dat U den kinderen kwaad wilde doen. Daarom kwam ik ook terug, om den genadigen Heer te waarschuwen. Toen hij vanochtend hier kwam, zei hij, dat er geen kwaad meer bij was, en gaf mij dien brief voor U." "Is de genadige Heer vanochtend hier geweest?" - vroeg G. G. snel. "Hij kwam om zeven uur. Hij moest plotseling op reis en hij huilde, toen hij de kinderen goeiendag zei. Toen U kwam, was hij juist weg." "In 'n auto?" — Deze vraag vuurde de detective letterlijk op haar af. "Ja, genadige Heer!" G. G. vloekte in het Engelsch! "Gauw dien brief!" — zei hij. De bonne had ons intusschen in een net-gemeubeld vertrek gelaten. Op een klein tafeltje in een der hoeken lag de bewuste brief, dien zij daarvan afnam en mij toereikte. Wij kenden het langwerpige, geelachtige couvert maar àl te goed! Op het adres stond niets anders dan de korte aanduiding: "Mr. Hendriks". Ik opende het couvert en nam den brief er uit. Ons ongeduld was zóó groot, dat wij hem gezamenlijk lazen: Maud en ik hielden ieder een punt van het papier vast en de detective keek over mijn schouder. De inhoud luidde aldus: "Wanneer Uw vriend, de detective, niet vertrokken was, "zou ik dit schrijven tot hèm richten. Nu moet ik op Uwe "medewerking een beroep doen. "Dit schrijven zal U ter hand gesteld worden door de kin"derjuffrouw, die U in het 'Stadtswäldchen' heeft aangesproken. "Zij zal U brengen naar een woning in de 'Müller'-straat, waar "U twee kinderen zult aantreffen. Het eene is mijn dochtertje "Mariska, het andere is het zoontje van Aartshertog Karel August. De kinderjuffrouw weet daarvan niets: zij is nog "geen jaar in mijn dienst. "U kunt het kleine Aartshertogje naar zijn ouders terug"brengen. De reden, waarom het kind verborgen gehouden "werd, is vervallen. Wat Mariska betreft, bij de Kommer"zial-Bank is een bedrag van Kr. 100.000 op mijn naam "gedeponeerd, dat te haren behoeve kan worden aangewend. "Het is eerlijk verdiend geld. De Directie van de Bank heeft "instructiën het aan U uit te betalen. In mijn schrijfbureau "(rechter-bovenlade) zult U een bedrag van Kr. 50.000 in "bankpapier aantreffen. Deze kunt U aan Uw vriend, den "detective, doen toekomen. Hij kan daarmede handelen naar "goedvinden. Ik verzoek U, U het lot van Mariska aan te "trekken en den Aartshertog voor haar te interesseeren. Nu "ik, vrijwillig, veel heb goed gemaakt, hoop ik, dat hij het "verleden niet aan háár wreken zal. "Wat mijzelven betreft: het eenige wat mij nog aan het "leven bindt, is mijn plicht, een daad van vergelding en "gerechtigheid te volbrengen. Deze brief zal U eerst heden"avond gebracht worden. Ik heb mijn plicht dan vervuld en "het zal voor U te laat zijn, mij dat te verhinderen. Daarna "ga ik de lange reis ondernemen . . ." De brief was geteekend: "Géza Horváth". Ik had geen tijd, den inhoud te overdenken en mij rekenschap te geven van de taak, die zoo plotseling in deze nuchtere en koele woorden op mijn schouders werd gelegd. Want G. G. was dadelijk één en al actie. "'k Wist wel, dat wij U noodig zouden hebben" — zeide hij tot Maud, "al ken ik niet vermoeden, dat de kinderen ons zóó gemakkelijk in handen zouden vallen! Willy, je begrijpt toch de beteekenis van het slot van dezen brief? "Eerlijk gezegd, neen!" — zeide ik, nog geheel verward door de snelle opeenvolging der gebeurtenissen. "Weet je dan niet meer, dat Imre de Czigány gezworen heeft, dat Graaf Csadányi hem zou vóórgaan naar de hel...?" "Maar waarom dan toch?" — stamelde ik. "Dat doet op 't oogenblik niets ter zake. Het eenige, wat er nu voor ons op aankomt is de vraag, hoe wij den Graaf kunnen redden. En daarop is maar één antwoord mogelijk: door vóór Géza Horváth op Vöröshegy te zijn. Hij zat natuurlijk in dien auto, die ons rijtuig bijna omver gereden heeft. Als het ons thans gelukt een auto te krijgen, is het mogelijk, dat wij den trein van tien minuten vóór half negen nog halen. Mevrouw, U gaat met de bonne en de kinderen direct naar het paleis van den Aartshertog: ons rijtuig staat nog beneden, dat kunt U gebruiken. Willy en ik zouden daarmede te laat aan het station komen. Alles hangt dus ervan af, of wij dadelijk een auto kunnen vinden!" Terwijl hij sprak had de bonne de kinderen binnen gebracht: de ons zoo goed bekende, zwart-harige Mariska en een allerliefst jongetje met lange, blonde lokken, die hem tot op de schouders hingen. Maar ik had nauwelijks den tijd hen aan te zien, want G. G. was de deur al uit en de trap af. Enkele afscheidswoorden tot Maud... en ik volgde hem zoo snel mijn beenen mij dragen konden. Op het Kálvin-plein is een standplaats voor auto's. Wij renden door de "Müller"-straat en over den Ring en kwamen juist op tijd om den laatsten auto . . . te zien wegrijden. G. G. bewees — hoewel binnensmonds —, dat ook de Engelsche taal in dergelijke omstandigheden een rijk vocabulair bezit; ik keek wat hulpeloos rond en het zweet brak mij uit bij de gedachte, wat wij misschien verzuimden door dit ongelukkige oponthoud. Er zat niets anders op dan te wachten en op ons geluk te vertrouwen. Eén minuut, twee minuten . . . vijf minuten: daar kwam een auto door de Baross-straat aanstuiven! "Szabad?" *) — brulde G. G. en de auto draaide bij! *) Vrij? Een minuut later vlogen wij langs den Ring. De menschen keken geërgerd, enkele politie-agenten schreeuwden, kleine kinderen stoven op zij. Het Westerstation! — Gehol naar de loketjes en door de wachtkamer naar het perron —; toen zagen wij den laatsten wagon van den sneltrein van onder de overkapping wêgrijden en in de verte kleiner worden! Te laat! . . .
Te laat! . . .
## HOOFDSTUK XXIV. ## DE CZIGÁNY EN DE SECRETARIS. Ten derden male op dien morgen plaatste G. G. eenige krachtige uitdrukkingen. Daarop haalde hij diep adem, maakte een gebaar alsof hij z'n kwaden luim van zich àfwierp en lachte even. "Niet vloeken, Willy!" — zeide hij vermanend. "Dat brengt ons niet verder. Het eerste wapen, dat wij nu noodig hebben, is: een spoorwegplan. Ik heb daareven, toen wij door de vóórhal stoven, er een zien hangen. Ik stel je voor, daarheen terug te keeren, ditmaal zonder ons te overhaasten." Wij deden, zooals hij had voorgesteld. Nadat mijn vriend het plan nauwkeurig bekeken had (hij stond er vierkant vóór, zoodat ik hem niet assisteeren kon!), schudde hij het hoofd. "Ik dacht het wel, Willy" — zeide hij. "Om half twee 'n boemel en eerst om zes uur weer 'n sneltrein. Dat helpt ons niet verder. Het is maar 'n geluk, dat we voor een Aartshertog werken en 'carte blanche' hebben, wat het geld betreft. Ik ga naar den Stationchef." "Wat wil je doen?" - vroeg ik. "Lieve jongen, heden is het een dag, dien je met gulden letters in je levensannalen moet aanteekenen: je zult in 'n extra-trein rijden, die alleen voor ons beiden bestemd is." Binnen een kwartier was G. G. het met den Stationchef eens. Daarop sleepte hij mij mede naar het telegraafkantoor. "Inspecteur Fekete is weer te Zsolna" — zeide hij. "De Hongaarsche politie is tot dusverre zóó welwillend voor me geweest, dat ik maar weer eens een beroep op hem zal doen. En dan zullen we aan dien brigadier op Vöröshegy — je weet wel, Willy, den wachter bij kilometerpaal No. 7 — telegrafeeren en, voor alle voorzichtigheid, ook aan Graaf Csadányi zelven. Een dringend telegram is natuurlijk 'n phenomeen op het telegraafkantoor te Kisfalva. Heel veel fidutie in 'n wezenlijk snelle bezorging heb ik wel niet (ik denk aan je vriend, Willy: den ambtenaar met recht op pensioen!), maar, me dunkt, zoo'n telegram zal er toch zijn vóór Géza Horváth, wiens trein we zoo juist hebben zien vertrekken." De telegrammen werden verzonden. Inspecteur Fekete werd verzocht, den secretaris, bij het overstappen te Zsolna, aan te houden, totdat ook wij beiden per extra-trein arriveeren zouden. Voor de voorzichtigheid — de man kon eens ongezien doorslippen! — moest ook aan het station te Kisfalva een wacht worden opgesteld. Een nauwkeurige persoonsbeschrijving besloot dit telegram. De beide andere telegrammen waren veel korter. Brigadier Kemény (ik heb, geloof ik, den naam van dezen braven politie-beambte nog niet genoemd) kreeg opnieuw opdracht, ertegen te waken, dat iemand, wie ook, tot den Graaf doordrong. Den Graaf zelven werd op het hart gedrukt, niemand te ontvangen, totdat wij op Vöröshegy zouden zijn aangekomen. "Ziezoo!" — zei G. G., zich in de handen wrijvende, "ik geloof, dat onze verdedigingslinie nu goed is aangelegd. Onze vriend met de dubbele identiteit is 'n slimme vos; àls er 'n gaatje open bleef, zou hij er zeker doorsluipen! Maar ik geloof, dat alle gaatjes dicht zijn. En jij Willy?" "Als naar deze telegrammen gehandeld wordt, zie ik geen mogelijkheid, dat hij de blokkade breekt!" — antwoordde ik. "Bravo m'n jongen!" — zeide de detective. "'n Mooi beeld! Maar 't mijne was juister! Over de zaak zelve zijn we het intusschen eens!" Het was wèl merkwaardig, dat we geen van beiden het gaatje zagen, dat voor den vos nog opengelaten was!
* * *
Het duurde anderhalf uur, voordat we in onzen extra-trein het station verlieten. Vermoedelijk zouden wij iets winnen op den sneltrein, dien wij hadden zien wegrijden, en wij vertrouwden wel, dat onze maatregelen nu zóó genomen waren, dat het geringe verschil in tijd geen gewicht in de schaal zou werpen. Toen wij, tegenover elkaar gezeten, wat op adem gekomen waren van de vele emoties van dien ochtend, begon het duiveltje der nieuwsgierigheid zich in mijn binnenste te roeren. "Geoffrey!" — zeide ik. "Kunnen we den tijd, dien we anders door onze reis verliezen zouden, niet nuttig besteden, wanneer je mij eens duidelijk maakt, hoe je er toch in vredesnaam achter gekomen bent, dat Imre de Czigány en Géza Horváth twee namen zijn voor één persoon. Die geschiedenis, gisteravond, met mijn vrouw, bevestigde eigenlijk alleen wat je reeds wist. Hoe wist je dat, G. G.?" De detective lachte even. "Ik heb er niets tegen je dat te vertellen" — zeide hij. "Of dat zoo nuttig zijn zal, zullen we nu maar in het midden laten. Maar ik vermoed, dat het wèl aangenaam zijn zal — voor jou m'n beste!" Ik maakte een ongeduldig gebaar. "Nu, nu, ik ben met de beste voornemens bezield!" — vervolgde G. G. "Luister maar en ik hoop, dat ik je verwachtingen niet zal teleurstellen." Hij leunde achterover in de kussens en sloot even de oogen. "Je weet, Willy, dat het buitengewoon moeielijk is na te gaan, wanneer men van een bestaand, soliede wantrouwen in deze of gene persoon het eerste sprankje gevoeld heeft. Van den aanvang af, toen de Aartshertog en de Aartshertogin mij, vóór mijn komst op Vöröshegy, de bizonderheden van hun tragischen toestand mededeelden, waren er twee zaken, die mij troffen. In de eerste plaats: hoe was het mogelijk, dat die afdreig-brieven telkens op de schrijftafel van den Aartshertog kwamen? In de tweede plaats: hoe was het te verklaren, dat de Hongaarsche politie, die toch (ik heb het nu ondervonden!) heusch geen kinderwerk verricht, er nooit in geslaagd was den afperser te betrappen, wanneer die op de aangewezen plaats het geld kwam halen? Gevaar voor den kleinen Aartshertog had men kunnen vermijden, door den man niet dadelijk te overvallen, maar alleen zijn gangen na te gaan, totdat men kans zag z'n slag te slaan, zonder dat gevaar. Ik geloof wel, dat ik toen reeds, bijna onbewust, op de gedachte gekomen ben: Als de secretaris het geld, dat hij telkens op een andere plaats heet te moeten deponeeren, eenvoudig zelf in den zak steekt, zijn beide vragen voldoende beantwoord'. Die gedachte lag eigenlijk voor de hand, maar, zooals ik zeg, ik formuleerde haar niet. De positie van den secretaris en het vertrouwen, dat men hem sinds jaren schonk, waren oorzaak, dat ik deze nalatigheid beging. Je weet, Willy, dat detectives, die geen fouten of nalatigheden begaan, alleen in boeken voorkomen!" Ik wist dat en beaamde het van harte, misschien (omdat G.G.'s spotternij mij zooeven weer geprikkeld had!) te hartelijk. "Ik kan zien, Willy, dat je het meermalen ook aan mij bewaarheid hebt gezien" — zeide hij. "Ik erken mijn feilbaarheid, dat weet je!" — Er was even een heel ernstige toon in zijn stem, en ik begreep dat hij terugdacht aan een avond in Engeland, toen ongeveer vier jaren geleden, waarop een edele vrouw in groot gevaar verkeerd had, tengevolge van wat hij zijn nalatigheid geliefde te noemen. *) Op zijn gewonen toon vervolgde hij: "Toen ik op Vöröshegy bemerkte, dat mijn naam en beroep althans aan één persoon buiten het paleis van den Aartshertog bekend waren, begreep ik, dat *in* dat paleis een verrader schuilen moest. Ik dacht toen, in het voorbijgaan, aan den secretaris — terloops nog, maar toch reeds wat meer bewust dan den eersten keer. *) Zie "De Man uit Frankrijk", No. 1 der G. G.-serie. "Kort daarop gebeurde er iets, dat mij aanvankelijk op een dwaalspoor bracht, maar later in de goede richting leidde: het vinden van dat zwart geverfde, blonde haar op je jas, Willy! Je weet, dat ik daaraan eerst een argument ontleende om de valsche theorie, dat Mariska het Aartshertogje was, die ik in een ongelukkig oogenblik van oppervlakkig denken gevormd had, waarschijnlijk te maken. Toen het bleek, dat Mariska geen geverfde haren had, begon de vraag omtrent dat onschuldige haar eerst recht beteekenis voor mij te krijgen - punt 5, c van den catalogus, Willy! Jij verft je haren niet, je vrouw evenmin en je bent niet gewoon het hoofd van anderen tegen je borst te drukken. Maar je had Mariska op je arm gehad, zij had met haar hoofdje op je schouders gerust — van háár moest je dat souvenir hebben medegebracht. Wie was er dan in haar omgeving, die geverfde haren hebben kon? . . . Zoover wij wisten, werd zij ver van andere kinderen gehouden en was het eigenlijk alleen haar vader, die met haar omging. Ik had gezien, hoe hij het kind herhaaldelijk had opgetild en gekust. Want, Willy, wat wij ook later van Imre den Czigány zeggen zullen, hij hield van z'n dochtertje, dat staat vast. "Imre de Czigány dus . . .? Maar waaròm zou 'n Zigeuner z'n haren zwart verven? Ze zijn immers van nature zwart! Toch liet de gedachte mij niet los. Imre was 'n bizondere man: ànders dan de meeste Zigeuner-muzikanten. Zou het mogelijk zijn, dat hij . . .? Heel veel verder dacht ik nog niet, maar mijn argwaan had een nieuwe richting genomen. En in die richting ging hij verder, toen wij te weten kwamen, dat op den fatalen dag, om 12 uur, de secretaris van den Aartshertog niet verschenen was. Dat klopte met de theorie, die ik — onbewust — reeds van den aanvang af bij mij had omgedragen: dat n.l. die secretaris zelf de gelden behield. En nu viel mij nog iets anders in! Het was toch eigenlijk heel gek, dat men het tijdstip voor een dergelijke handeling op 12 uur 's middags stelde; 12 uur 's nachts zou rationeeler geweest zijn! "Herinner je je ons bezoek aan de hut van Imre den Czigány? Daarbij deed ik alweer een stap verder op den weg, die mij tot de waarheid gevoerd heeft. De snipper papier, die wij daar vonden, was van dezelfde kleur en met hetzelfde watermerk (overdwarsche strepen) als de couverten, die wij van den anoniemen briefschrijver ontvingen: waarschijnlijk had men die snipper uit onachtzaamheid op den grond laten vallen. Maar van veel meer belang was de ontdekking van een tweede geverfd haar op het rustbed in den hoek van de hut. Dat rustbed was voor Mariska bestemd: ik zei het toen en geloof het nog. Maar als zij er niet was (en waarschijnlijk was zij dien nacht niet in de hut), waarom zou Imre het dan niet gebruiken? Het was beter en zindelijker dan het andere, dat alleen uit hooi en dorre blâren bestond. In elk geval stond het nu wel vast, dat Mariska samen kwam met iemand, die zijn blonde haren zwart verfde. En, als dat werkelijk Imre de Czigány was, dan bezat deze twee gedaanten: Welke was de andere? "Zoover was ik gekomen, toen er opnieuw iets gebeurde, dat mij de goede richting opdreef; Imre de Czigány trachtte den Graaf te spreken te krijgen. Wij begrijpen nu, dat hij een aanslag tegen dezen in den zin had. Voor 't geval het hem niet gelukken mocht tot Graaf Csadányi door te dringen (en hij begreep wel, dat dit niet gemakkelijk zou zijn!), had hij den brief voor mij gereed gemaakt, dien mij door den Brigadier werd ter hand gesteld. Terloops merk ik op, Willy, dat hij dit schrijven aan Majoor Curtis adresseerde: het was blijkbaar nu niet meer noodig, Geoffrey Gill uit zijn huisje te lokken. Het merkwaardigste van de zaak echter was, dat Imre de Czigány daardoor bewees, ook de schrijver van dien vorigen brief aan Geoffrey Gill geweest te zijn (het handschrift kwam immers overeen) en tevens, dat hij bij den kinderroof betrokken was. Waarom kon het hem plotseling niet meer schelen, dat dit ontdekt werd? - Vraag 7, c van den catalogus, Willy! Ik kon daarop maar één antwoord vinden: hij was van plan, zich niet meer te laten zien. Maar door te vertrekken, gaf hij het spel op! En als hij weten wilde, of Graaf Csadányi inderdaad aan den Rechter werd overgeleverd, moest hij toch niet ver weggaan. Bovendien: hij moest toch weten, dat men nu verdenking had opgevat en hem dus in het oog houden zou. Hij kon zoo gemakkelijk maar niet verdwijnen, tenzij . . . ja, tenzij hij van gedaante verwisselde, tenzij zijn haar van zwart blond werd! Je ziet, Willy, datik ditmaal langs een anderen weg tot de vraag kwam: Welke is die andere gedaante? "De mogelijkheid, dat het die van den secretaris van den Aartshertog zijn kon, begon zich als een wat meer omlijnd vermoeden in mijn gedachten af te teekenen. Dat zou tevens verklaren, hoe de Kr. 50,000 aan het juiste adres gekomen waren! "Op dien namiddag, nadat wij in de hut van Imre geweest waren en mij diens schrijven was ter hand gesteld, ging je met je vrouw naar boven om wat te rusten, Willy! We zagen elkaâr eerst terug aan het avondeten. In dien tusschentijd had ik 'n flinke wandeling gedaan: héén en weer naar Kisfalva. Ik kwam daar toevallig juist op het oogenblik, waarop het lokaaltje van 7 uur wegreed. De Stationchef vertelde mij, dat Imre de Czigány daarmede naar Zsolna vertrokken was! Wanneer ik jou en je vrouw niet nog zekere aanwijzingen had moeten geven, in verband met ons vertrek naar Budapest, zou ik met den trein van elf uur 's avonds hem gevolgd zijn. Nu bepaalde ik er mij toe aan Inspecteur Fekete te telegrafeeren, onzen vriend bij zijn aankomst in Zsolna te doen nagaan en mijzelven den volgenden ochtend om kwart vóór acht aan het station aldaar te verwachten. Je ziet dus, Willy, dat ik snood verraad pleegde, toen ik, op Vöröshegy teruggekeerd, met je afsprak het lokaaltje van 9 uur naar Zsolna te nemen; ik was van plan reeds om 7 uur te vertrekken en deed dat ook. "Te Zsolna vond ik Inspecteur Fekete (die - sinds ons technische gesprek over die pinnen - voor mij door het vuur gaat) aan het station. Van hem vernam ik, dat Imre de Czigány den vorigen avond was aangekomen en naar een kleine herberg was getrokken om te overnachten. De politie had die herberg sedert onafgebroken in het oog gehouden en hij was en niet uitgekomen. Wij wandelden er met ons tweeën heen, ik met het vaste voornemen, hem het vuur na aan de schenen te leggen. Hij bleek er niet meer te zijn; den vorigen avond had hij zijn kamer vooruit betaald en was nu weg. Maar de twee politie-agenten, die de wacht gehouden hadden, zwoeren bij hoog en bij laag, dat hij de herberg niet verlaten had. Het lag voor de hand, Willy, te onderstellen, dat hij dit in een andere gedaante wèl had gedaan. Na alles wat ik gedacht had en vermoedde, had die onderstelling veel waarschijnlijks! "Ik vroeg, of andere personen de herberg dien ochtend verlaten hadden, en hoorde, dat het er verscheidene geweest waren. Maar op hen had men niet gelet. Teleurgesteld want het scheen mij moeilijk het verloren spoor te hervinden — keerden wij naar het station terug. "Toen, Willy, overkwam mij een buitenkansje. Een half uur, voordat het lokaaltje uit Kisfalva, dat jou en je vrouw brengen zou, aankomen moest, kwam er een blonde man het perron opdrentelen. Je moet bedenken, dat ik niet meer Majoor Curtis, maar Geoffrey Gill in hoogst eigen persoon was! De blonde man was Géza Horváth, maar dat wist ik toen nog niet. Toevallig — en gelukkig! — stond ik op dat oogenblik alleen. Enkele minuten later kwam Inspecteur Fekete weer op mij toe en ik zag, dat hij den blonden man groette. "Wien groette u daar?" — vroeg ik, zonder bepaalde bedoeling. "Dat is 'n hooge meneer" - antwoordde hij; "de secretaris van Aartshertog Karel August!" "Zelden heb ik zóóveel moeite gehad mij goed te houden! Die plotselinge verschijning op het oogenblik, waarop Imre de Czigány verdwenen was, scheen alles te bevestigen, wat mij nog slechts als vermoedens had voorgezweefd! Een snelle blik leerde mij, dat de secretaris niet gezien had, dat de Inspecteur met mij praatte (hoewel hij mij niet herkennen kon, mocht hij later zelfs niet vermoeden, dat ik bekenden bij de Hongaarsche politie had!). Toen verbaasde ik den goeden Fekete, door hem plotseling toe te bijten: "Keer je om, loop door! Ik wacht je aan den anderen kant van het station!" "De man dacht waarschijnlijk, dat ik gek geworden was, maar hij deed wat ik hem gevraagd had. Het resultaat daarvan was, dat niet Geoffrey Gill, maar Giles Gerard in den trein naar Budapest stapte; dat Fekete je op handige wijze te weten gaf, dat je me negeeren moest; en dat die bruikbare en intelligente jongeling telefonisch aan zijn deftigen Chef, den Kommissaris Kovács, verlof vroeg om mij in deze gewichtige zaak verder te assisteeren en meê naar Budapest te gaan. Je weet, Willy, dat hem dit verlof verleend werd en dat hij in de gelegenheid was een grooten dienst te bewijzen, door mijn schrijven om een rendez-vous aan den Aartshertog te bezorgen. Van dat oogenblik af holden we dermate de goede richting op, dat hij naar Zsolna teruggekeerd is. Gelukkig maar! Want nu hebben we hem dáár noodig! "Je weet, dat ik in den restauratie-wagen met Géza Horváth kennis maakte! Interessant, niet waar, dat wij beiden vroeger met elkaâr in aanraking geweest waren — ieder in een andere gestalte! Ik trachtte Imre den Czigány in den secretaris terug te vinden. Dat was moeilijk en soms twijfelde ik werkelijk! Je zult me uitlachen, Willy, maar het onmogelijkst scheen mij nog, dat de lange, zwarte haren, die zoo wild om het hoofd van den Czigány fladderden, nu glad en blond en naar achteren gekamd op het hoofd van den Secretaris lagen! Als deze interessante zaak ten einde is, moet hij mij het geheim daarvan verklappen: voor een detective is het goud waard! "Ons gesprek liep over Hongarije, de Hongaarsche samenleving en de rol, die de Magnaten daarin spelen. Langs dien weg bracht ik het op het drama, dat zich op Vöröshegy had afgespeeld en waarvan de couranten vol stonden. Hij ging op mijn opmerkingen daaromtrent echter niet in en zeide alleen, dat hij Graaf Csadányi vroeger gekend had en weinig sympathie voor hem voelde. Aan zijn geheele wijze van optreden meende ik te merken, dat hij geen oogenblik eraan twijfelde, of hij had te doen met Giles Gerard uit Amerika. Want ik had mij natuurlijk onder dien naam voorgesteld. "Je weet, dat ik hem aan het station aan de praat hield, totdat Inspecteur Fekete een goed eind op weg was naar het paleis van den Aartshertog. Toen namen wij afscheid, en het scheelde weinig, of ik twijfelde nog aan zijn identiteit met Imre den Czigány! In elk geval wist ik, dat ik hem in het paleis van den Aartshertog terugvinden kon, als dat noodig was. Maar ik besloot, mij voorloopig in dat paleis niet te vertoonen en bovendien ertegen te waken, dat jij en ik samen werden gezien. Want - voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast, Willy! - als ik mij vergist en hij eenig wantrouwen opgevat had, moest ik erop rekenen, dat mijn gangen zouden worden nagegaan, en ervoor zorgen, dat hij niet, door mijn omgang met jou, er achter komen zou, wie ik eigenlijk was. Maar ik nam mij in elk geval voor, mij absolute zekerheid te verschaffen omtrent de persoon van Géza Horváth, door zelf na te gaan, of hij op de een of andere wijze in aanraking komen zou met de kleine Mariska. "Toen jij mij, na onze samenkomst met den Aartshertog (waarbij al mijn vermoedens ten volle bevestigd werden), vertelde, dat je Mariska in het "Stadtswäldchen" gezien had, besloot ik dien draad op te nemen en te trachten te ontdekken, waar het kind woonde, temeer omdat je ook van een "jongetje" gesproken had. Ik ging dus naar de plaats, waar je haar den vorigen dag gezien had, en op weg daarheen, ontdekte ik Géza Horváth, die in dezelfde richting wandelde. Na wat je mij later geschreven hebt omtrent je ontmoeting met die kinderjuffrouw, begrijp ik nu, dat hij zich ervan wilde overtuigen, of het inderdaad "az angol bàcsi" geweest was, die met zijn dochtertje gesproken had. Vergeet niet, dat hij in de hoogste mate achterdochtig was en zijn moest. Hij vermoedde, dat jelui beiden opnieuw in het "Stadtswäldchen" komen zoudt, en . . . hij zag zich in zijn verwachting niet bedrogen. En ook mijn verwachtingen werden vervuld: ik ging hem na tot het huis in de "Müller'straat en ontdekte daar, dat hij er onder een valschen naam woonde met een zoontje en een dochtertje! Dit schonk mij, in verband met jouw verhaal omtrent de bonne, de volkomen zekerheid, die ik noodig had. "Om nog even terug te komen op ons gesprek met den Aartshertog: de secretaris had natuurlijk begrepen, dat wij zouden vertellen, dat hij niet bij kilometerpaal No. 7 geweest was. Daarom verzon hij dat, overigens wel plausibele, verhaal omtrent een kleinen jongen, die hem het bericht bracht van een verandering in de plaats, waar het geld bezorgd moest worden. Dat hij als die nieuwe plaats de ons bekende, vervallen hut aanwees, zou het verhaal voor ons waarschijnlijker maken en bovendien onze verdenking doen vallen op Imre den Czigány, die verdwenen was. Hij kon natuurlijk niet vermoeden, dat wij wisten, waar deze te vinden was! "Gisteravond ontdekte je vrouw in één oogenblik hetzelfde, dat ik ten koste van zooveel werk te weten was gekomen. Ik begreep toen, dat er dadelijk gehandeld moest worden, Willy! En toch stelde ik dat enkele uren uit! Trouwens, dat was vergeeflijk, omdat we allen dood-op waren en ik niet vermoedde, dat zoo'n kort uitstel gevaarlijk kon zijn. Maar, beste jongen, de expeditie, die we nu ondernemen moeten, is alleen een gevolg van dat uitstel! Niet uitstellen en niet toegeven aan vermoeidheid —: als men van die regels afwijkt, heeft men 't aan zichzelven te wijten, wanneer men te laat komt!" "Je stelde toch voornamelijk uit, omdat wij vermoeid waren" — zeide ik, meenende dat hij zichzelven verwijten maakte. "Juist, Willy!" — antwoordde mijn vriend. "En dat is ook de reden, waarom ik mij deze fout niet zwaar aanreken." ## HOOFDSTUK XXV. STORM OP VÖRÖSHEGY. Het was twee uur, toen wij met onzen extra-trein voor het station te Zsolna halt hielden. De eerste, dien wij zagen, was Inspecteur Fekete. Hij kwam in onzen wagon en aan zijn gezicht was duidelijk te zien, dat er iets niet in den haak was. "De persoon in kwestie is niet te Zsolna overgestapt en ik heb hem vergeefs in den trein gezocht" — berichtte hij. G. G. maakte een ongeduldig gebaar. "Hij moet er gewoest zijn" — zeide hij kort-af. "Dan zal men hem aan het station te Kisfalva hebben aangehouden." "Uit Kisfalva hebben wij reeds per telefoon gehoord, dat hij ook daar niet is aangekomen!" Wij waren nu uitgestegen en G. G. stampte driftig op den grond. "Ik kan toch niet aannemen, dat hij in de lucht verdwenen is" — zeide hij boos. "Onachtzaamheid van Uw mannetjes, Inspecteur Fekete! Een andere verklaring is niet te vinden." "Ik zou niet weten, waarom niet" — antwoordde de Inspecteur, wat geraakt. "De man kan aan een vroeger station uitgestegen zijn." "Maar het is hem te doen zoo spoedig mogelijk, in elk geval vóór ons, op Vöröshegy te zijn" — zeide G. G. "De vraag is, dunkt mij, alleen, of hij wist, dat hij vervolgd werd" - meende de Inspecteur. "Aangenomen, dat hij het wist (onmogelijk is het althans niet, Willy, dat hij ons herkend heeft bij die gemankeerde botsing van ons rijtuig met zijn auto!), dan kon hij toch niet weten, dat wij zoo spoedig per extra-trein komen zouden: hij kon ons hoogstens met den volgenden trein wachten." "Reden te meer, om vóór Zsolna, b.v. te Puncho, uit te stijgen! Hij had dan nog tijd genoeg om met een auto Vöröshegy te bereiken vóór U." "En ontliep alle kwade kansen hier en te Kisfalva!" – zeide G. G., zich voor het hoofd slaande. De slimme vos heeft vermoed, dat wij telegrafeeren zouden!" Een oogenblik bleef het stil. Toen vervolgde de detective: "Er is geen tijd, om mij zelven verwijten te doen! — Gelukkig maar, want die zouden niet malsch zijn! — Is er van Puncho uit een andere weg naar Vöröshegy dan over Zsolna en Kisfalva?" "Neen! Als hij per auto gaat, moet hij den grooten weg volgen. Maar... als hij dadelijk van Puncho vertrokken is, kan hij nu reeds bijna te Kisfalva zijn!" "Wel verduiveld! En wij staan hier te praten!" — In een oogwenk zaten G. G. en ik weer in onzen trein. Enkele snelle afscheidswoorden tot Inspecteur Fekete en wij vervolgden onze reis. Mijn vriend was bleek en stil geworden. Hij schudde herhaaldelijk het hoofd en het was duidelijk te zien, hoe zeer het hem hinderde, dat hij zich aldus om den tuin had laten leiden. Maar zijn gedachten namen weldra een anderen loop, zooals mij bleek uit de enkele woorden, die hij zich nu en dan ontvallen liet. "Een wedloop op leven en dood!" — "Als wij verliezen, is Graaf Csadányi 'n verloren man!" — "Mijn schuld zou het zijn!" — "Ik word oud en suf!" . . . Deze en dergelijke uitroepen toonden voldoende, wat er bij hem omging. Nog zelden had ik mijn, in de grootste gevaren zoo kalmen, vriend, zóó geagiteerd gezien. Trouwens, deze wedloop had iets opwindends en ik moet bekennen, dat ik nauwelijks durfde denken aan de mogelijkheid, dat wij te laat op Vöröshegy zouden komen. Maar werd die mogelijkheid niet grooter en grooter . . .? Was zij niet reeds een waarschijnlijkheid geworden . . .? "Als Brigadier Kemény en de Graaf de telegrammen maar ontvangen hebben!" — zeide ik. "Dan kan alles nog terecht komen!" "Natuurlijk!" — zeide de detectieve, en verzonk opnieuw in gedachten. Kisfalva! — Wij vlogen het perron op en naar het telegraafkantoor. Daar vonden we den ouden telegrafist, dien ik enkele nachten van te voren uit zijn bed had laten opkloppen. "Zijn onze dringende telegrammen naar Vöröshegy bezorgd?" - vroeg G. G. driftig. De man hief de beide handen omhoog en bracht ze aan het hoofd, alsof hij vreesde, dat dit op den vloer vallen zou. "Wat 'n dag, wat 'n dag!" — zeide hij. Nagyságos uraim, *) wat 'n dag! Drie dringende telegrammen op één morgen voor Vöröshegy — zoo iets is nog nooit vertoond! Er gaat hier zoo weinig om, nagyságos uraim, en nu op eens deze overweldigende drukte!" *) Hooggeboren heeren. "Drie telegrammen?" - vroeg G. G. "Het waren er toch maar twee?" "Neen, genadige Heer, het waren er drie. Het eerste, dat aan Graaf Csadányi geadresseerd was, kwam vanochtend om 'n uur of acht. Om negen uur had ik den bode al opgescharreld. Die toog ermeê op weg naar Vöröshegy. Maar hij was nauwelijks weg, toen er twee andere telegrammen kwamen, één voor den Graaf, het andere voor Brigadier Kemény, die ook nog op Vöröshegy schijnt te zijn. De bode was niet meer in te halen. U begrijpt mijn verlegenheid: meer personeel hebben we niet in dit kleine gat. En, als onze bode eenmaal op het pad is, duurt het wel eens 'n heelen tijd, voordat hij terugkomt!" — Ik begreep dat, omdat ik den bode kende! G. G. danste nu van opgewondenheid, en ik geloof, dat ik meêdanste! "Die twee telegrammen zijn dus nog hier . . .?" — Zijn stem klonk schel, zoodat de oude telegrafist ervan schrikte. "Kalm, genadige Heer, kalm!" — suste deze. "Ze zouden nog hier zijn — want wie in vredesnaam, had ze moeten wegbrengen? —, wanneer ons niet een gelukkig toeval te hulp was gekomen. Ja, ja, heeren, ik zeg maar altijd: wie z'n ziel in lijdzaamheid bezit, wordt altijd op z'n tijd geholpen." "'t Is maar, wat je op z'n tijd noemt!" — Mijn vriend ging vlak vóór den telegrafist staan. "Hoor eens, oude heer, nu als 't u blieft geen verderen omhaal van woorden! Voor den dag met de waarheid, één, twee, drie!" — en hij gaf een vuistslag op de tafel, waarop de telegraaftoestellen stonden. De oude man dacht waarschijnlijk, dat hij met 'n halven gek te doen had; maar hij kwam op voor zijn gekwetste waardigheid. "Genadige Heer" — begon hij, zelfs in zijn onmiskenbare kwaadheid nog hoffelijk, "ik verzoek u in het oog te houden, dat u staat tegenover een Staatsambtenaar. De Hongaarsche Staat heeft wetten, om zijn ambtenaren te beschermen tegen ruw geweld! Wanneer een vreemdeling . . . ." Ik zag, dat G. G. op 't punt stond een onvoorzichtigheid te begaan, uit louter ongeduld en ergernis. Daarom viel ik den man snel in de rede. "Niemand denkt eraan, u geweld aan te doen, kedves uram! *)Wij verzoeken u met de meeste beleefdheid ons spoedig te willen zeggen, wat er met die telegrammen gebeurd is. Het is een zaak van leven en dood!" *) Aequivalent voor het Duitsche: "Mein lieber Herr". "Op een beleefde vraag heb ik een beleefd antwoord" zeide de telegrafist. "Geen kwartier geleden is hier een auto geweest en de heer, die erin zat, informeerde evenals u, of er telegrammen voor Vöröshegy waren. Hij ging regelrecht daarheen en bood aan ze meê te nemen." "Hééft hij ze meêgekregen . . . .?" — Ik dacht, dat G. G. stikken zou. "Wat kon ik beters doen?" - vroeg de oude man. "De heeren kunnen, dunkt mij, tevreden zijn: een extra-bestelling per auto hadden zij zeker niet verwacht!" "Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen!" — schreeuwde de detective, terwijl hij op de deur toe stortte. "Wat wil je doen, Geoffrey?" — vroeg ik. "Luister eerst naar wat deze waardige man te vertellen heeft." "De genadige Heer behoeft zich niet zoo boos te maken" - hernam de telegrafist. "De zaak is bij dien anderen heer in goede handen. U begrijpt toch wel, dat ik de telegrammen niet afgaf, zonder dat hij zich eerst gelegimiteerd had. Het was de Heer Géza Horváth, de secretaris van Zijne Keizerlijke Hoogheid, Aartshertog Karel August." G. G. zou zeker 'n ongeluk begaan hebben, wanneer hij op dat oogenblik buiten niet den hoorn van een auto gehoord had. Dadelijk vloog hij de straat op, en: "Gauw, Willy, gauw! Kom hier, als de bliksem!" Een minuut later zaten we naast Inspecteur Fekete in een politie-auto en vlogen den weg naar Vöröshegy op. "Na uw vertrek viel mij in, dat u te Kisfalva geen snel vervoermiddel vinden zoudt" — zeide de Inspecteur. "Kommissaris Kovács stond mij toe, u ook verder van dienst te zijn. Ik heb hard gereden, en de afstand van Zsolna naar Kisfalva is gelukkig klein!" G. G. streek zich met de hand over het voorhoofd. "Willy" — zeide hij. "Inspecteur Fekete geeft mij een verdiende les. Hij ziet vooruit als 'n verstandig man. Ik heb me aangesteld als 'n schooljongen." — Hij stak Fekete de hand toe. "Ik ben u oprecht dankbaar, Inspecteur! Als wij tijdig zijn, hebben wij dat aan u te danken. En jou, Willy, vraag ik excuus voor mijn heftigheid." "Ik zou later maar liever dien ouden telegrafist om excuus vragen" — zeide ik, half lachend, half geërgerd. Maar toch, juist omdat hij zich een enkel maal 'n feilbaar mensch toonde, met menschelijke fouten en gebreken, was hij mij liever dan wanneer hij steeds de onfeilbare, zich nimmer vergetende denkmachine geweest ware, zooals wij die uit zoovele romans kennen. Nooit zal ik dien auto-rit van Kisfalva naar Vöröshegy vergeten! Onze auto was een groote, sterke machine en Inspecteur Fekete, wien G. G. had medegedeeld, waarom het eigenlijk ging, en die een uitstekend chauffeur was, haalde eruit wat eruit te halen was. Wij vlogen langs den weg en toen deze begon te stijgen en tevens slechter werd, gelukte het den Inspecteur er niettemin een vaart in te houden, waarover ik verbaasd was. Ik had dezen weg nu in den loop van weinige dagen reeds te paard, in een rijtuig en gedeeltelijk ook te voet afgelegd. en juist de bekendheid met wat komen zou en met de onderlinge afstanden tusschen de verschillende punten, waar groote krommingen of bizondere kenteekenen voorkwamen, maakte onze wilde jacht zoo angstig-opwindend. Zouden wij dien anderen auto, die meer dan een kwartier voorsprong had, inhalen? Het scheen niet mogelijk, maar . . . . waarschijnlijk was de machine kleiner en minder krachtig dan de onze. Géza Horváth wist nu uit de telegrammen, die hij zoo handig onderschept had, dat wij hem volgden, maar het kon hem nog niet bekend zijn, hoe dichtbij wij waren. Misschien reed hij niet met volle kracht! Misschien zou er met zijn machine iets gebeuren . . . . een "panne" . . . .? Wij keken scherp uit naar mogelijke hinderpalen, die de man vóór ons op den weg kon hebben achtergelaten: een groote bos afgerukte struiken, bij voorbeeld, midden op den weg gelegd, had ons eenig oponthoud kunnen veroorzaken (voor het versperren met een boomstam zou hij zeker geen tijd en evenmin het noodige gereedschap gehad hebben!). Nergens echter troffen wij iets van dien aard aan. Ik voelde mij het hart in de keel kloppen, toen wij de laatste kromming van den weg, vóórdat deze uit het bosch treedt, achter den rug hadden. Straks zouden wij een kilometer ver in de richting van Vöröshegy kunnen zien. Zou het ons gelukken, dien anderen auto. ? Daar schoten wij letterlijk het bosch uit! Het top-plateau en aan het einde daarvan het slot lagen vóór ons. En op hetzelfde oogenblik zagen wij een auto, die over de slotbrug reed en in de tunnelachtige poort verdween! Wij zeiden niets. Inspecteur Fekete boog zich vóórover over het stuurwiel héén, en het was mij alsof onze auto, als 'n levend wezen, met groote sprongen voorwaarts stoof. Enkele minuten... de slotbrug .. het slotplein. Een visioen van bleeke gezichten: Béla Keller en z'n dochter!... van roode, verbaasde gezichten: Brigadier Kemény en z'n twee mannen!... G. G.'s stem — schor en rauw —: "Waar is de Graaf?"... Keller's antwoord: "In zijn werkkamer met een bezoeker! Maar, genadige Heer..." De rest gaat verloren, want wij stuiven de trap op, den corridor door! Nu zijn we aan de deur van 's Graven kamer! Daarbinnen, juist als de deur openvliegt, een revolverschot! De Graaf staat achter zijn schrijftafel; de rechterarm hangt slap langs het lijf en er druppelt bloed uit zijn mouw op den grond. Op zijn gezicht niets anders dan de uitdrukking van de hoogste verbazing... Opnieuw een schot! Ditmaal komt de kogel in het plafond terecht: G. G. heeft juist den tijd gehad den arm van Géza Horváth, die met den rug naar de deur staat, omhoog te slaan! Inspecteur Fekete en ik slaan hem de armen om het lijf, rukken hem achteruit en G. G. ontwringt de revolver aan zijn hand. Een korte, hevige worsteling! Géza Horváth ligt op den grond, gebonden en met handboeien aan! Op dit oogenblik verschijnt Béla Keller in de deur. Zijn gezicht is aschgrauw, de oogen liggen diep in hun kassen, de wangen zijn ingezonken. G. G. spreekt zacht enkele woorden tot hem, waarschijnlijk om zich bekend te maken — want Béla Keller kent hem nog niet in zijn eigenlijke gestalte. De slotbewaarder antwoordt even zacht en eindigt met een gebaar van smart, van berusting... wat is het?
Een korte, hevige worsteling
Daarop de stem van den detective — kalm als altijd in de ure des gevaars —: "Géza Horváth, Uw daad van vergelding en gerechtigheid zou een monsterlijke misdaad geweest zijn. Graaf Csadányi is geen moordenaar! Ik zal U zeggen, wie de Gravin gedood heeft!" ## HOOFDSTUK XXVI. GEESTEN UIT HET VERLEDEN. Wij zaten met ons zessen bijéén: de Graaf met een voorloopig verband om den arm; wij drieën, met verwaaide haren en kleêren, tengevolge van onzen wilden auto-rit en de daarop gevolgde worsteling; Béla Keller, als 'n levend lijk, achterover in een fauteuil geleund; Géza Horváth, dien men van de touwen, maar niet van de handboeien bevrijd had, zeer bleek, maar — althans schijnbaar — zeer kalm, rechtop op zijn stoel. De Graaf, aan wien G. G. zich thans had bekend gemaakt. had ons medegedeeld, dat hem dien ochtend een telegram bezorgd was, een bezoek aankondigende van den secretaris van Aartshertog Karel August, teneinde hem over een belangrijke en zeer confidentieele zaak te spreken. Dit was het eerste telegram geweest, waarvan de oude telegrafist ons verteld had; en 't sprak vanzelf, dat Géza Horváth het verzonden had, teneinde zich den weg tot Graaf Csadányi te effenen. De secretaris was dan ook onmiddellijk toegelaten: tegenover de autoriteit van den Aartshertog was alle tegenstand van Brigadier Kemény onmiddellijk gezwicht! De Graaf vertelde ons, dat hij een hem volkomen onbekend man had zien binnenkomen. Deze had hem - vóórdat hij gelegenheid gevonden had een woord te spreken - in heftige taal van den moord op de Gravin beschuldigd, en, zonder eenig antwoord af te wachten, zijn revolver op hem afgeschoten. De Graaf begreep in de verste verte niet, waarop die beschuldiging berustte, en nog minder, waaarom deze hem vreemde persoon zich als wreker van de Gravin had opgeworpen. "De verklaring daarvan zal ons de Heer Géza Horváth wellicht later geven" — zeide G. G. "Thans echter moet ik mijn woord houden en U mededeelen, wie de schuldige is. Mocht Meneer Keller er de voorkeur aan geven, daarbij niet tegenwoordig te zijn, dan staat het hem vrij te vertrekken." — Maar Béla Keller schudde het hoofd en bleef zitten. "Toen, na het plegen van den moord, Mr. Hendriks en ik op den drempel van de wapenzaal verschenen, waren er maar enkele seconden verloopen sinds wij die vreeslijke kreten gehoord hadden. Ik ging dadelijk de zaal in de lengte dóór en opende de deur aan de andere zijde. Die voert, bijna zonder overgang, direct in de ruïne, en wel in een lange bouwvallige gang. Toen wij het slot bezichtigden was het mij opgevallen, dat men in die gang bijna geen stap kon doen, zonder dat er kleine steentjes en stukjes kalk naar omlaag kwamen. Ik luisterde nu scherp, maar vernam geen geluid; dat bewees mij, dat, aan dien kant, niemand de zaal verlaten had: anders had ik onvermijdelijk steenties of kalk moeten hooren vallen, vooral wanneer zich iemand in het donker snel had verwijderd! Maar in de zaal was, behalve de Graaf en Mr. Hendriks, niemand te zien. Ik beken, dat mijn eerste verdenking dus op den Graaf viel, maar ik deed spoedig een ontdekking, die in een andere richting wees. Inspecteur Fekete voor wiens scherpzinnigheid ik niets dan lof heb, ontdekte den volgenden morgen hetzelfde." G. G. verhaalde nu de geschiedenis van de afgebroken pin, waarmede ik reeds bekend was. "Ik vermoedde dus, dat de moordenaar iemand zijn moest, die klein van stuk was" - vervolgde hij. "De Graaf is dat zeker niet en Béla Keller evenmin! Het gesprek, dat Mr. Hendriks en ik daarop met beiden voerden, bevestigde mij in de overtuiging van hun onschuld. Maar waar was de schuldige zoo plotseling gebleven? Wij gingen terug naar de wapenzaal, doch dit raadsel bleef onopgelost. Toen ik echter kort daarop van Mevrouw Hendriks vernam, dat zij een witte vrouwengestalte gezien had, die uit de richting van 's Graven kamer kwam, bestond er voor mij geen twijfel, of zij had de persoon gezien, die den moord op zijn geweten had. Ik besloot den volgenden morgen, zoodra het licht was, wapenzaal en werkkamer nog eens nauwkeurig te onderzoeken. U weet, Meneer de Graaf, dat ik mij daartoe reeds om zeven uur aanmeldde: U hadt den nacht in uw werkkamer doorgebracht!" De Graaf knikte, maar zeide niets. "Het onderzoek, dat ik nu instelde en waarvoor ik behoorlijk den tijd had, zonder te worden afgeleid, leverde inderdaad een gewichtig resultaat op. U, mijnheer de Graaf, gaaft geen acht op wat er om U heen gebeurde; trouwens de deur, die van uw kamer in de wapenzaal voert, had ik opzettelijk half gesloten. Ik plaatste mij op verschillende punten van de zaal en onderzocht met de oogen, wáár zich de moordenaar verborgen had kunnen houden voor de blikken van hen, die zoo onmiddellijk na de misdaad ter plaatse verschenen waren. Ik ging staan op de plaatsen waar de Graaf, waar Mr. Hendriks en waar ikzelf gestaan had: geen hoekje van de zaal ontsnapte aan mijn aandacht. De harnassen aan de vensters stonden te ver van elkander dan dat zich achter één daarvan iemand gedurende eenigen tijd verborgen had kunnen houden. Toen . . . toen had ik opeens een ingeving! "Rechts, in het midden-penant, staat het volledige pantser van een strijdros, met den ridder in den zadel. Dat pantser rust op een kleed, dat tot op den grond afhangt. (Wij allen kennen afbeeldingen van geharnaste paarden uit den riddertijd, met van die afhangende dekken, waaruit de hoeven nauwelijks te voorschijn komen.) Het geheel wordt van binnen staande gehouden door een paar schragen, die natuurlijk geheel door het afhangende kleed bedekt zijn. "Achter dat kleed kon ruimte zijn voor iemand om zich te verbergen! Ik tilde het aan de achterzijde op en liet het volle licht naar binnen vallen. Er was op het gedeelte van den vloer, binnen het afhangende dek, een laagje stof blijven liggen; duidelijk zag ik daarop de sporen van de persoon, die zich er verborgen gehouden had. Maar nu stond ik voor een nieuw raadsel. Het stond vast, dat gedurende ons gesprek met den Graaf niemand uit de ridderzaal in de werkkamer gekomen was. En toch was die geheimzinnige witte gestalte door Mevrouw Hendriks gezien, vóórdat wij in de gang gekomen waren om naar onze kamers terug te gaan. Daarvoor was maar één verklaring te vinden: zij moest reeds in de kamer van den Graaf verborgen geweest zijn, toen wijzelven die, uit de wapenzaal komende, opnieuw betraden. Hieruit volgde weer, dat zij, terwijl wij nog in de wapenzaal waren, van daaruit in de kamer geglipt moest zijn. Op de trap, die uit dat vertrek naar het platte dak erboven voert en die, zooals U bekend is, door een houten koker omgeven en dus van beneden af onzichtbaar is, vond ik later in een stoffigen hoek den indruk van een kleinen, blooten vrouwenvoet! Je herinnert je, Willy, hoe mijn vermoeden later bevestigd werd: wij vernamen, dat een paar dronken boeren dien nacht het spook van Vöröshegy op het platte dak van den half afgebroken toren hadden gezien! "Ik was er nu dus van overtuigd, dat de misdaad gepleegd was door een kleine vrouw, die op bloote voeten liep (dit verklaarde ook het geruischlooze van haar gang!) en in een wijd, wit gewaad gekleed was. Hierbij kwam nog een andere, zeer gewichtige aanwijzing: Béla Keller trachtte haar te beschermen, zelfs ten koste van zichzelven. Zij moest hem dus zéér na staan. Zijn dochter, Ilonka?... Die is groot en forsch en zij heeft lang geen kleine voeten! De eenige andere vrouw, die — voorzooverre ik althans wist — zich in het slot bevond, was: Keller's vrouw, Emilia!" Hier sloeg Keller zich de handen voor het gezicht en kreunde zacht. Ik voelde, dat ik bleek werd. De Graaf stond op en legde de hand, als beschermend, op Keller's schouder. "Keller's vrouw is klein van gestalte" — vervolgde de detective. "Zij was sinds dagen bedlegerig en dit verklaarde, dat zij een wit nachtgewaad droeg en op bloote voeten liep. Wanneer U even nadenkt, zult U inzien, dat de door mij gevonden verklaring met alle feiten klopt." G. G. hield even op, als om ons den tijd tot nadenken te geven. Toen vervolgde hij: "De voorstelling, die ik mij van de zaak maakte — en nog maak — was deze: Emilia Keller, op de een of andere wijze uit haar woning ontsnapt, was terecht gekomen in de kamer van den Graaf op het oogenblik, waarop deze — zooals hij ons verteld heeft — de Gravin op haar kamer bezocht. Vandaar was zij in de wapenzaal gekomen. Toen de Gravin, na haar woordenwisseling met den Graaf, ook in die zaal verscheen, stonden daar de beide vrouwen tegenover elkander. Met een kracht, die ik bij die zwakke vrouw alleen verklaren kan door een geweldige gemoedsbeweging, rukt Emilia Keller het eerste het beste wapen van den muur en brengt daarmede de Gravin twee krachtige houwen toe, met het ongelukkige resultaat, dat wij kennen. Zelve verschrikt door de kreten der Gravin en wetende, dat de Graaf onmiddellijk ter plaatse zijn kan, kijkt zij rond naar een schuilplaats. Met het instinct van een gejaagd dier ziet zij haar éénige kans. Slechts de betrekkelijk kleine breedte van de zaal, scheidt haar van het gepantserde strijdros. In een oogwenk slipt zij onder het afhangende dek. Als later wij allen al onze aandacht op het lichaam van de vermoorde vrouw gevestigd hebben, sluipt zij, onhoorbaar op haar bloote voeten, langs de ramen, zich telkens verbergende achter een der riddergestalten, die daar in een lange rij staan, en slipt de kamer van den Graaf binnen. Daar sluipt zij de wenteltrap op, gaat zelfs even op het dak, maar houdt zich verder doodstil op de trap verborgen! Toen de Graaf, Mr. Hendriks en ik, na het vertrek van Béla Keller. nog even in de wapenzaal gingen, moet zij haar schuilplaats verlaten hebben en snel door de kamer naar de gang geloopen zijn. Daar heeft Mevrouw Hendriks haar gezien!" Het bleef weder een oogenblik stil en ik hoorde Béla Keller opnieuw zacht kreunen. "U allen, mijneheeren" — vervolgde de detective, "zult U rekenschap geven van den vreeslijken toestand, waarin Béla Keller, een man, dien ik hoogacht en vereer, zich bevond. Hij moet dadelijk vermoed hebben, wie de misdaad begaan had: zijn vrouw heeft het hem ongetwijfeld later zelve medegedeeld. Hij had die vrouw lief, meer dan wij één van allen begrijpen kunnen, mijneheeren. Toen verdenking op den Graaf viel, stond hij voor de keuze: zijn vrouw aan te klagen of zijn vereerden meester aan den Rechter te zien overleveren. Je hebt gezien, Willy, hoe hij ontstelde, toen het eindelijk tot hem dóórdrong, dat Graaf Csadányi zelf van den moord verdacht werd. Je hebt eveneens gezien, hoe hij verhinderen wilde, dat dokter Molnár zijn zwaar zieke vrouw, die hij toch aanbad, bezoeken zoude. Hij vreesde, dat zij, in ijlende koorts liggende, spreken zou, en voelde zich verlicht, toen de dokter wègging zonder dat dit gebeurd was. Bedenk verder, dat zijn dochter de toedracht der zaak kende en ziek werd van spanning en ellende. Vreeslijker toestand is nauwelijks denkbaar." En dezen ongelukkigen man had ik voor een misdadiger aangezien! De Graaf, die Béla Keller's hand in de zijne genomen had, sprak thans voor het eerst. "Maar hoe is die misdaad te verklaren?" — vroeg hij. "Er kan toch geen motief daarvoor geweest zijn! En zonder motief handelt alleen . . . ." Hij weifelde even. Béla Keller was opgestaan en voleindigde op vasten toon wat de Graaf begonnen was te zeggen. Maar wij konden zien, dat hij zich met moeite overeind hield. "Zonder motief handelt alleen een waanzinnige, genadige Heer! Mijn lieve vrouw was misschien waanzinnig, en toch was er een motief: het was een werk van vergelding en gerechtigheid!" Dezelfde woorden, die Géza Horváth gebruikt had, toen hij den Graaf had willen dooden! Graaf Csadányi was doodsbleek geworden. "Gerechtigheid moge voor Uw vrouw niet tot vergelding worden!" — zeide hij bijna onhoorbaar. "Voor mijne vrouw bestaat alleen nog God's gerechtigheid" — antwoordde Béla Keller ernstig. "Zij is een uur geleden gestorven!"
* * *
Wij waren diep ontroerd. Ik herinnerde mij, dat G.G. met dokter Molnár, na diens bezoek in Keller's woning, een vertrouwelijk gesprek had gevoerd. Nu begreep ik, dat hij toen Emilia Keller's hopeloozen toestand vernomen had en dat hij niet eerder had willen ingrijpen, om Keller en zijn dochter, en niet het minst de doodzieke vrouw zelve, te sparen. Uitstel kon hier geen gevaar medebrengen en menschlievendheid gebood het. Keller had weder plaats genomen en was de eerste, die de stilte verbrak. "Wanneer ik hier gebleven ben, terwijl men de schuld van mijn vrouw verkondigde" — begon hij, eerst wat onzeker, maar langzamerhand in kracht en vastheid winnende, "heb ik dat alleen gedaan, omdat ik haar nagedachtenis tegenover U allen rein wil houden. Zij héeft Gravin Csadányi gedood: wat de Engelsche heer detective ons zooeven heeft medegedeeld als zijn vermoedens en onderstellingen, is de absolute waarheid. En toch, mijn lieve vrouw was geen misdadigster! Ik ben hier gebleven om U haar en mijn geschiedenis te vertellen." "Eén vraag vooraf!" — zeide G. G. "Is er in die geschiedenis iets, dat anderen in hun eer kwetsen kan?" "Ik begrijp u, nagyságos ur! Ik begrijp ook, dat u doelt op mijn meester, Graaf Csadányi, dien ik hoogschat en liefheb. Hoe zou het zijn eer kunnen kwetsen, dat een onwaardige hem bedrogen heeft? Daarvoor is die eer te hoog en te rein!" De Graaf werd plotseling vuurrood. "Ik verbied u verder te spreken!" — zeide hij heftig en wilde nog meer zeggen. Toen gebeurde er iets, dat ons allen verraste. Béla Keller legde, met een kort en nadrukkelijk gebaar, zijn meester het zwijgen op! "Genadige Heer Graaf" — zeide hij. "U verbiedt mij het spreken: dan moet ik U ongehoorzaam zijn. Ik moet spreken ter wille van mijn arme vrouw! Alle hier aanwezigen hebben de acte van beschuldiging gehoord: zij allen behooren ook de verdediging te hooren. Ik eisch dat, genadige Heer, in naam der rechtvaardigheid." "Ik ben bereid u aan te hooren, als wij beiden alleen zijn" – zeide de Graaf strak. Maar Béla Keller schudde het hoofd, \nen herhaalde: "Ik verlang slechts wat rechtvaardig is!" — Toen heerschte er korten tijd een diepe stilte. "Graaf Csadányi!" — zeide eindelijk G. G. "Ik verstout mij U een raad te geven. Het recht daartoe ontleen ik aan wat hier zoo even is geschied. Inspecteur Fekete en ik hebben daaraan beiden aandeel gehad en ik laat mijzelven daarop niets voorstaan. Maar ik vraag U alleen, mij te beschouwen als vriend. Als vriend dan raad ik u: vertrouw uw vrienden meer! Bedenk, dat zij U helpen willen, niet alleen door daden, maar ook door zwijgen, als dat noodig is. Ik heb U voor enkele dagen gezegd, dat Uw eer in mijne handen veilig is, Uw eer en die van de Gravin! Enkelen van ons vermoeden dingen, die anderen — waaronder ik zelf — reeds gedeeltelijk weten. Tracht niet, ons het licht te onthouden, dat niet alleen helderheid brengen, maar ook een zuivere atmosfeer scheppen zal! Laat Béla Keller spreken: hij heeft recht daarop en wij ook! Wanneer daardoor geesten uit het verleden worden opgeroepen — geesten, waarvan sommigen onzer nooit gedroomd hebben — vrees dan niet! Ik sta ervoor in, dat zij niet buiten deze kamer zullen komen: de buitenwereld zal ze nooit te zien krijgen!" Mijn vriend had met groote kalmte, maar ook met vuur en overtuiging gesproken. Ik zag, dat zijn woorden op den Graaf een diepen indruk maakten, maar nog weifelde deze. "Ik wil U en Uw vrienden vertrouwen schenken, Mr. Gill" — zeide hij tenslotte. "Maar ik kan dat vertrouwen toch moeilijk uitstrekken tot den mij onbekenden man, die mij zooeven naar het leven heeft gestaan!" "Dien man, Meneer de Graaf, hebt U in een andere gedaante wêl gekend" — zeide G. G. "Hij is inderdaad secretaris van Aartshertog Karel August en heet als zoodanig Géza Horváth. Hier in de buurt echter is hij beter bekend in zijn andere gestalte: die van Imre den Czigány!" De Graaf was opgesprongen. "Onmogelijk!... Imre de Czigány..?" — Hij staarde den geboeiden man met groote, ontstelde oogen aan. Deze beantwoordde zijn blik, althans naar het uiterlijk, met groote kalmte. "Ik verlang van U geen vertrouwen, Heer Graaf" — zeide hij langzaam. "Maar U kunt zelf alles zeggen en anderen alles laten zeggen, zonder van mijn zijde eenige indiseretie te vreezen. Na wat deze heer" — hij knikte den detective bijna vriendschappelijk toe —, "dien ik als Giles Gerard gekend heb, dien ik nu Mr. Gill hoor noemen en die, naar ik begrijp, ook antwoord geeft op den naam van Majoor Curtis, ons medegedeeld en wat Béla Keller ons bevestigd heeft, is mijn taak afgeloopen, Graaf Csadányi! Alleen is het nog mijn plicht. U om vergiffenis te vragen. Ik doe dat van harte en" - hier werd zijn stem zeer ernstig - "ik kan nu zeggen: het is volbracht!" Het Kruiswoord in den mond van dezen man, die toch een misdadiger was! En het klonk zóó innig, zóó diep bewogen, dat zelfs de gedachte aan een godslastering niet bij mij oprees. Het was duidelijk te zien, dat ook de anderen het diep weemoedige in die woorden gevoeld hadden. De Graaf was weer gaan zitten en zeide niets. Opnieuw was het de stem van Géza Horváth, die de stilte brak. "Mr. Geoffrey Gill heeft zooeven gesproken van geesten uit het verleden" — zeide hij. "Beschouw mij als zoo'n geest, Meneer de Graaf! In het verleden heb ik geleefd en gezondigd en" — hier zakte zijn stem tot een zachten fluistertoon — "en . . . . lief gehad! Nu ben ik gestorven, Graaf Csadányi! Voor dooden is er geen toekomst. Hoe zou ik U dan in de toekomst kunnen schaden?" Het is onmogelijk de wanhoop te beschrijven, die uit zijn woorden sprak. De Graaf was zeer bewogen. "Béla Keller!" — zeide hij na eenige oogenblikken. "Vertel ons de geschiedenis van Uw vrouw!" ## HOOFDSTUK XXVII. EEN FAMILIE-TREURSPEL. "U weet, genadige Heer Graaf" — aldus begon Béla Keller zijn verhaal, "dat mijn vader houtvester was op de bezittingen van uw grootvader. Van mijn vroegste jeugd af was het uitgemaakt, dat ik hem opvolgen zou: Uw grootvader en later Uw vader waren het daarmede geheel eens. Het was daarom, dat ik als jonge man naar Duitschland gezonden werd om daar voor mijn beroep te worden opgeleid. Mijn vader koesterde een groote bewondering voor de wetenschappelijke en grondige wijze; waarop het houtvestersbedrijf in Duitschland beoefend werd. "Ik kwam in de leer bij een houtvester in het Schwarzwald. Daar heb ik de schoonste jaren van mijn leven doorgebracht. Emilia, mijn latere vrouw, was de dochter van mijn meester. Zij was toen een jong, mooi en vroolijk meisje. Wij kregen elkander lief en, toen ik na twee jaren naar Hongarije terugkeerde, waren wij verloofd. Mijn vader stierf kort daarop en Emilia werd mijn vrouw. "Ik geloof niet, dat het mogelijk is gelukkiger te zijn dan wij beiden in de eerste jaren van ons huwelijk! En toen ons een zoon geboren werd, bleef ons om zoo te zeggen, niets meer te wenschen over. Onze jongen, onze Károly, groeide op tot 'n jongen man van wien wij niets dan vreugde beleefden. Hij leerde vlug, hij was 'n flinke, vroolijke jongen, hij zong van den ochtend tot den avond — 'n lieve jongen, met 'n mooi, prettig gezicht en 'n engel voor z'n ouders! Twee jaren na hem kregen we een dochter: onze goede Ilonka, die U allen kent. "Toen de kinderen ouder werden begon mijn vrouw te sukkelen. Zij was nooit sterk geweest, maar het gezonde leven had haar steeds voor ernstige ziekte behoed. Lichamelijk ziek werd zij ook nu niet, maar zij werd nerveus en had buien van zwaarmoedigheid. Eerst veel later heb ik gehoord, dat haar grootvader krankzinnig gestorven is. "Toen Károly achttien jaar was, besloten wij ook hem naar Duitschland te zenden. Onze jongen had groote gaven: hij stond in dat opzicht ver boven zijn vader en zijn grootvader. Daarom wilden wij zijn opleiding ook ruimer opvatten dan dat vroeger bij mijzelven het geval was geweest. Wij begonnen met hem naar Berlijn, op de Landbouw-Hoogeschool, te zenden. Helaas, waren we maar bescheidener geweest in onze verwachtingen, waar het onzen goeden jongen betrof! Wanneer ik voor hem tevreden geweest was met wat mijn eigen vader voor mij voldoende vond, hoe geheel anders ware ons leven geworden! "In den aanvang van zijn verblijf te Berlijn, kregen wij van onzen zoon vele en opgewekte berichten, maar langzamerhand werd dat anders: zijn brieven werden zeldzaam, de opgewekte toon verdween en zij hielden bijna steeds het verzoek in om geld, boven zijn gewone toelage. Wij verdiepten ons in gissingen omtrent de oorzaak daarvan; wij vroegen in onze brieven waarom hij zoo weinig en zoo zelden schreef, doch zijn antwoord was alleen, dat hij het druk had en we ons niet ongerust behoefden te maken. "Juist toen onze onrust haar hoogte-punt bereikt had en wij besloten hadden, dat ik naar Berlijn zou gaan om eens te zien hoe de zaken eigenlijk stonden, stierf mijn schoonvader plotseling. Wij reisden daarom beiden naar het Schwarzwald. Mijn vrouw hield zielsveel van haar vader en de sombere dagen, die na elk sterfgeval volgen, pakten haar zenuwgestel zeer sterk aan. Dientengevolge vermeerderde haar onrust over onzen jongen, zoodat zij er sterk op aandrong mede naar Berlijn te gaan. Nu wij toch eenmaal tezamen zoo ver van huis waren, wilde ik haar niet teleurstellen en wij vertrokken samen naar de Duitsche hoofdstad. "Ik zal U niet vermoeien met een uitvoerige beschrijving van de dagen, die nu volgden en de ontdekkingen, die wij deden, maar U liever ineens zeggen, hoe wij den toestand vonden. Het bleek, dat onze goede Károly verstrikt geraakt was in de netten van een gevaarlijke intrigante. Sinds enkele jaren woonde er te Berlijn een jonge vrouw, die zich uitgaf voor een Hongaarsche weduwe en zich Gravin Hojos noemde. Zij bewoonde een schitterend huis, waar zij veel gezelschap ontving, maar dat in werkelijkheid niets anders was dan een speelhol van de ergste soort. Door een toeval was Károly in haar gezelschap geraakt. Ook het weinige, dat hij te verliezen had, versmaadde zij niet: zij verlokte hem tot spelen en kleedde hem uit tot den laatsten cent. Dat was treurig, maar 't zou niet zoo héél erg geweest zijn, als er niet iets anders was bijgekomen. Gravin Hojos was een buitengewoon mooie vrouw; zij bezat een eigenaardige, indrukwekkende schoonheid, die vooral op jonge mannen een geweldige aantrekkingskracht uitoefende. Onze zoon was, zooals ik al gezegd heb, opgegroeid tot een mooien, flinken jongen man. Er ontstond tusschen die twee een intieme verhouding, waarbij hij zijn heele hart, zijn heele denken, zijn heele wezen inzette, maar háár inzet bestond in 'n snel-bekoelden luim, 'n oppervlakkig spelen met zijn heiligste gevoelens, dat haar niet eens ervan terughield hem finantieel te ruïneeren. Károly begreep dat ook wel, in zijn heldere oogenblikken. Maar één woord, één blik was voldoende om hem weer geheel tot haar slaaf te maken! En niettemin wist hij, dat zij met hem speelde, althans bijwijlen zag hij dat in. Maar daartegenover stonden tijden van groote opwinding, waarin hij overtuigd was van haar oprechtheid en zich wijs maakte, dat zij hem evenzeer lief had als hij haar. "Zoo was onze zoon in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid geraakt. Zijn geheele gestel had trouwens geleden: hij zag er ellendig uit, had een schuwe, onrustige uitdrukking in de oogen gekregen en verschilde wel zéér van den gezonden, krachtigen jongen man, die ons een jaar te voren verlaten had! Later heb ik mij — in het licht van de vreeselijke gebeurtenis, die volgde — wel eens afgevraagd, of ook hij niet den vloek van een erfelijke belasting mèt zich heeft rondgedragen. "Weldra bleek het, dat er met den armen jongen niets te beginnen was. Hij verkeerde, toen wij voor 't eerst met hem over de Gravin spraken, in een van zijn opgewonden, optimistische buien. Een klein kind was hij niet meer: ik zag geen kans hem tegen zijn wil uit Berlijn weg te krijgen. Daarom besloot ik, de vrouw, die hem aldus betooverd had, zelf op te zoeken en haar goedschiks of kwaadschiks ertoe te brengen, hem weg te zenden. Ongelukkig liet ik mij, toen ik dit voornemen aan mijn vrouw mededeelde, verleiden tot eenige ruwe dreigementen tegen Gravin Hojos, en mijn vrouw, die mijn heftigheid vreesde, besloot mij te voorkomen, en zelve met de Gravin te gaan spreken. Zij wist toen nog niet, met welk een duivelin zij in aanraking komen zou. "Het noodlot voerde haar tot de Gravin, op het oogenblik waarop deze een explicatie met onzen zoon gehad had, die — zooals gewoonlijk — ermede was geëindigd, dat deze het juk opnieuw op de schouders had genomen. Mijn vrouw trof hen beiden nog te zamen aan. Van wat toen volgde kan ik natuurlijk niet door eigen aanschouwen spreken, maar mijn arme vrouw heeft mij alles later zóó dikwijls beschreven, dat ik mij zou kunnen verbeelden, erbij geweest te zijn. De Gravin scheen het bezoek van mijne vrouw voor een doorgestoken kaart met Károly te houden. Zij was woedend en overlaadde haar met de heftigste en ruwste verwijten, zoodat het zelfs Károly te veel werd. Maar toen hij daartegen opkwam, richtte haar toorn zich tegen hem. "Er volgde een vreeslijke scène, waarin Gravin Hojos het masker afwierp. Haar zoogenaamde liefde voor Károly was lang dood; zij had hem alleen uit verregaande behaagzucht en uit pure boosaardigheid aan zich verbonden gehouden, niet het minst ook, omdat het haar ijdelheid streelde, den mooien Hongaar - zooals men hem dikwijls noemde aan haar voeten te zien! Toen hij het nu waagde, in tegenwoordigheid van zijn moeder, haar, in naam van hun liefde, te bezweren die moeder en hemzelven te sparen, beet zij hem in de scherpste en meest kwetsende woorden toe, dat zij genoeg had van zijn sentimenteele aanbidding, dat hij 'n domme burgerjongen was, voor wien zij niets meer voelde, en die, wat haar betrof, hoe eer hoe beter uit haar leven verdwijnen kon! Onze jongen vergat toen zijn waardigheid als man - hij was toch eigenlijk ook nog maar 'n kind, 'n arm, verdwaald kind! -: hij viel voor haar op de knieën en smeekte, dat zij hem zou laten blijven. Zij lachte en stootte hem met den voet van zich. Toen moet er 'n vlaag van krankzinnige wanhoop over onzen armen jongen gekomen zijn: hij haalde een revolver uit den zak, en, nadat hij daarmede eerst de Gravin bedreigd had, richtte hij die plotseling tegen zichzelven en schoot zich, in tegenwoordigheid van zijn moeder, voor het hoofd! En zij . . . de vrouw, die hem in den dood gedreven had . . . zij vond geen woord van medelijden . . . haar bijtende spot vervolgde den jongen nog tot na zijn dood! . . .
en schoot zich . . . . .
"Mijn zoon was dood, mijn vrouw verkeerde in een toestand, die haar den dood nabij bracht. Ik geloof, dat als ik Gravin Hojos ontmoet had, ik zelf haar als 'n hond zou hebben neêrgeschoten! . . Maar ik zag haar niet. Dadelijk na het drama, dat zich te haren huize had afgespeeld, had zij hare woning verlaten. Zij keerde daarin nooit terug. Want de politie had eindelijk termen gevonden, aan haar bedrijf een eind te maken. Waarschijnlijk stond zij op het punt van te vluchten, toen mijne vrouw haar bezocht. Zeker is het, dat zij spoorloos verdween. "Mijn vrouw herstelde langzaam, maar haar zenuwgestel toch reeds zwak van nature, en nog meer verzwakt tengevolge van den plotselingen dood van haar vader — kwam den schok nooit te boven. Ik weet niet, mijneheeren, of u haar krankzinnig zoudt hebben genoemd. Ik noemde haar ziek, erg ziek; maar zij was daarbij zóó aanhankelijk, zóó innig gehecht aan haar dochter en aan mij, zóó bezorgd. dat zij ons door haar toestand het leven verzwaren zou, dat ik toen eerst ten volle besefte, welk een groote ziel in haar zwak lichaam huisde. Ik zwoer bij mijzelven een duren eed, dat geen verder leed haar treffen zou! "En toen, mijneheeren, gebeurde er iets, dat u misschien al weer alleen zult kunnen verklaren, door aan te nemen, dat ook mijn verstand verzwakt was. Er overviel mij een doodelijke angst, dat men ons zou kunnen scheiden! De gedachte, dat anderen haar koel-weg voor gek verklaren zouden, dat haar toestand bekend zou worden, dat men daarover spreken zou en misschien trachten haar in een van die afschuwelijke inrichtingen onder dak te brengen, waar de menschen levend dood zijn, liet mij rust noch duur. Die angst heeft mij nooit meer verlaten, en heeft aan mijn geheele latere leven richting gegeven. Ik kan zeggen, dat ik van dien tijd af geen rustig oogenblik meer gekend heb. "Juist in dien tijd stierf de oude slotbewaarder op Vöröshegy. Ik wendde voor, dat mijn eigen gezondheidstoestand achteruitging, en verzocht Uw vader, genadige Heer Graaf, mij als houtvester te ontslaan en naar Vöröshegy te zenden. Hij had vele bezwaren, maar gaf ten slotte toe. "Hier op Vöröshegy, leefden wij betrekkelijk afgezonderd van de wereld. Uw vader kwam hoogstens tweemaal per jaar hierheen en overigens zagen we alleen eenvoudige menschen uit den omtrek. Het was niet moeilijk, onder die omstandigheden den toestand van mijn vrouw geheim te houden, en mijn goede Ilonka hielp en steunde mij daarbij zooveel zij kon. "Ik heb U nog niet gezegd, in welken vorm zich haar ziekte openbaarde. Zij had hallucinatiën, maar die namen ten slotte altijd een en denzelfden vorm aan: zij verbeeldde zich dan, de vrouw te zien, die onzen zoon in het ongeluk had gestort. Die hallucinatiën waren zóó duidelijk, dat zij maar niet gelooven wilde, dat die vrouw zich niet ergens in het slot bevond. Zij leefde daarom in gestadigen angst. U zelf, Mr. Hendriks, hebt op den eersten avond, dien U op Vöröshegy doorbracht, kunnen zien, hoe zij plotseling door zoo'n visioen overvallen kon worden. Toen was de aanval héél erg en na dien tijd is zij eigenlijk nooit meer tot haar kalmeren toestand teruggekeerd. Mijn doodelijke angst, dat er iets zou uitlekken omtrent haar toestand, deed mij U smeeken over dien plotselingen aanval tegenover Graaf Csadányi te zwijgen. Misschien deed ik U onrecht genadige Heer Graaf! Maar bedenk, dat ik sinds jaren in gestadige vrees leefde, dat men ons scheiden zou. Noch zij, noch ik zou dat overleefd hebben. Ik alleen kon voor haar zorgen en ik alleen kon haar de liefde geven, die zij noodig had om niet door haar lijden te gronde te gaan. Als U haar toestand gekend hadt, genadige Heer Graaf, zoudt U zeker verlangd hebben, dat zij verpleegd werd vèr van mij, . . . U zoudt er mij toe hebben kunnen dwingen, U zoudt . . . "Ik zie, dat U het hoofd schudt, genadige Heer! Ik wil aannemen, dat ik mij vergist heb. Schrijf het dan op rekening van een fout in mijn voelen of denken! Ik kan alleen maar zeggen, dat mijn angst héél reëel was. Ik heb er onder geleden, méér dan ik zeggen kan. "Ik kom nu tot de vreeslijke dagen, die onmiddellijk achter ons liggen. De Engelsche detective heeft U inderdaad naar waarheid verteld wat er gebeurd is: mijn arme vrouw heeft het mij juist zoo beschreven. Maar de verklaring van dat alles is U nog onbekend. "Op den middag, toen de genadige Heer Graaf en de Gravin op Vöröshegy kwamen, lag mijn vrouw te bed, doodzwak, zooals steeds na een aanval van hallucinatie. Toen ik, nadat de "genädige Herrschaften" het slot bezichtigd hadden en ik met hen een wandeling door de omliggende bosschen gemaakt had, in mijn woning terugkwam, vond ik daar mijn dochter in grooten angst wegens den toestand van mijn vrouw. Zij had deze bewusteloos op den grond van onze slaapkamer vinden liggen. Toen zij begon bij te komen, had zij haar met groote moeite opnieuw te bed gebracht; en daar lag zij nu, met groote oogen recht voor zich uit starend, zonder een woord te spreken. Of ik haar al smeekte, mij te vertellen, waarom zij uit het bed gekomen was en wat er gebeurd was om haar in dien toestand te brengen, zij bleef zwijgen en wenkte alleen nu en dan met de hand, dat ook ik zwijgen moest. In dezen toestand had ik haar nog nooit gezien. "In den loop van den avond werd zij steeds onrustiger. Zij begon zacht voor zich héén te spreken, en alles wat zij zeide deed mij onderstellen, dat zij opnieuw gemeend had die vreeslijke vrouw te zien. Dit scheen mij een slecht teeken, want zóó spoedig hadden die visioenen elkander nooit opgevolgd. Tegen middernacht lag zij in ijlende koorts. Wij hadden de grootste moeite haar te bed te houden, zoodat wij uren lang met haar bezig waren. De Engelsche detective en Mr. Hendriks hadden dien avond nog een wandeling gemaakt en kwamen aan mijn ruiten kloppen, juist toen Ilonka en ik beproefden haar tot kalmte te brengen. Ik zeide hun natuurlijk niets, toen ik hen binnenliet. "Den volgenden morgen was de koorts af en de toestand, naar ik mij verbeeldde, wel wat beter. Zij zeide, dat zij zich niets herinnerde van wat er den vorigen avond was geschied, zij at weer een weinig en sprak nu en dan, alsof er niets bizonders gebeurd was. Ik had toen alle hoop, dat wij de zaak te zwaar hadden ingezien. "Het was, zooals U weet, de dag, waarop het feest van den Wijnoogst gevierd werd. Toen ik van het feestterrein terugkwam - 't zal ongeveer acht uur in den avond geweest zijn - vond ik mijn vrouw te bed. Zij verzocht mij, even bij haar te komen zitten. Daarop zeide zij mij, dat zij nu eerst begrepen had, hoe die vroegere verschijningen van Gravin Hojos inderdaad niets anders dan hallucinatiën geweest waren; immers zij wist nu, dat die vrouw toen niet op Vöröshegy had kunnen zijn. Want — toen zij den vorigen dag, door nieuwsgierigheid gedreven, even het bed verlaten had en aan het venster was getreden om te trachten de nieuwe slotvrouw te zien te krijgen, had zij ontdekt dat deze en Gravin Hojos dezelfde persoon was! De vrouw, die Graaf Csadanyi als Prinses Morescu had leeren kennen en tot zijn vrouw gemaakt had, was niemand anders dan de bezitster van het elegante speelhuis te Berlijn! "Het spreekt vanzelf, dat ik in den aanvang meende, hier weer te doen te hebben met een gevolg van den treurigen zielstoestand van mijn vrouw. Zij was echter zóó kalm en rustig in hare verklaringen, dat die indruk op mij maakten. Toen zij mij daarop een geïllustreerd blaadje voorlegde zij had dit, sinds het gebeurde te Berlijn, als een schat. bewaard! —, waarin een portret voorkwam van Gravin Hojos en tevens een korte beschrijving van haar oplichterspractijken en van het drama, dat tot den zelfmoord van een jongen, veel-belovenden man geleid had — een naam werd niet genoemd —, kon ik niet ontkennen, dat het portret het volkomen evenbeeld was van haar, die wij den vorigen dag als de nieuwe slotvrouw hadden verwelkomd. "U zult begrijpen, mijneheeren, hoe mij dit alles deed ontstellen en in de war bracht. Toen ik dien avond met den genadigen Heer Graaf op zijn kamer werkte, moet ik zeer zenuwachtig en verstrooid geweest zijn. Ik verliet den genadigen Heer tegelijk met mijn dochter Ilonka, die — zooals U zich misschien herinnert — de gebruikte glazen kwam wegruimen. In de gang vertelde zij mij, dat mijn vrouw weer plotseling hevig de koorts gekregen had: ik ontstelde daarvan en de zachte kreet, dien ik uitte, bracht den Heer Graaf aan de deur. In onze woning gekomen, vonden wij onze patiënte verdwenen! "Eerst dachten wij, dat zij ergens in de woning te vinden zou zijn; maar hoe wij ook zochten, wij vonden haar niet. Er bleef dus niets anders over dan te onderstellen dat zij, onder den invloed van de koorts, die haar weêr zoo plotseling overvallen had, de woning had verlaten en nu ergens in het slot rondzwierf. Ilonka maakte zich bittere verwijten, omdat zij haar alleen gelaten had, maar na den rustigen dag, dien de zieke had doorgebracht, kon ik haar dat niet zoo zwaar aanrekenen. Wat moesten wij doen? Alarm slaan?... Ik durfde het niet, met het oog op den toestand van mijn vrouw. Boven alles vreesde ik een ontmoeting tusschen haar en de Gravin: die zou onvermijdelijk geleid hebben tot de ontdekking van dien toestand en tot onze scheiding. Vergeet niet, mijneheeren, dat ik op dit punt zelf bijna ontoerekenbaar was. "Ilonka en ik zochten overal: wij vonden haar niet. Alleen de kamers van den Graaf en de Gravin en van de gasten gingen wij niet binnen; evenmin betraden wij de wapenzaal, die alleen door de kamer van den Graaf te bereiken is: het scheen mij onmogelijk, dat zij in een van deze vertrekken gekomen kon zijn zonder ontdekt te worden. De kelders van het slot, alle corridors, trappen en vertrekken gingen wij door. maar nergens was een spoor van haar te ontdekken. Wij meenden toen, dat er maar één verklaring mogelijk was: waarschijnlijk was het haar gelukt, op de een of andere manier naar buiten te komen. Zij kon een raam hebben geopend, daardoorhéén op het slotplein gekomen zijn en het vervolgens van buiten af weer hebben toegemaakt. De gedachte, dat zij in nachtgewaad en op bloote voeten rondzwierf, was onverdraaglijk. Wanneer zij wellicht over het slotplein in het vervallen deel van het slot was gekomen, zou het echter mogelijk geweest zijn, haar dáár althans nog spoedig terug te vinden. "Ik ging dus over het slotplein in de ruïne. Ilonka liet ik in onze woning, voor het geval dat mijn vrouw zich toch nog ergens in het bewoonde deel ophouden en terugkomen mocht. "U kent allen de vervallen trappen en gangen in het gedeelte van het slot, waar ik thans aan het zoeken ging. Het was een heldere maannacht, zoodat ik tot op verren afstand in de bouwvallen om mij heen kon zien. Deuren zijn daar nergens meer, behalve op één plaats, waar een lange, zeer bouwvallige gang op de eerste verdieping is afgesloten, omdat die voert naar de deur, die aan het andere einde van de wapenzaal uitkomt. Toen ik deze afsluiting passeerde, bleef ik een oogenblik staan, omdat mij inviel, dat ik op die wijze de wapenzaal bereiken kon, zonder de kamer van den Graaf te passeeren en dezen te alarmeeren. Terwijl ik daar stond, hoorde ik, schijnbaar heel in de verte (het geluid moest immers door twee deuren hééndringen), die twee kreten, die ook de anderen hebben opgeschrikt. Hoe gedempt ook, zij hadden een klank, die mij het bloed in de aderen verstijven deed. Den sleutel van de deur had ik aan mijn sleutelbos, maar het kostte mij eenigen tijd, haar te openen; aan de binnenzijde was een vrij zwaar stuk van den muur er juist tegen aan gevallen en bovendien klemde zij: Ik had haar op den dag, toen U het slot bezichtigd hadt, met geweld moeten toedrukken om haar te sluiten. Eindelijk gelukte het mij, haar een eind open te duwen; ik wrong mij door de opening, stormde de gang door en opende de deur van de wapenzaal. "Wat toen volgde, weet u. Maar nooit kunt u weten of begrijpen, wat ik in die oogenblikken heb uitgestaan! Van den aanvang af vermoedde ik, dat ik tegenover het werk van mijn arme, ongelukkige vrouw stond, en dadelijk drong het tot mij door, dat ik haar redden moest, ten koste van alles. Zij had de daad verricht in een aanval van ijlende koorts en onder den invloed van haar zielsziekte — daarvan was ik zeker! Maar de wereld is wreed, en — als men haar niet strafte — zou onze scheiding een uitgemaakte zaak zijn. Wanneer ik mijn geheim bewaarde, zou dit niemand kunnen schaden Helaas, eerst toen de Engelsche detective mij den volgenden dag zeide, dat de verdenking op den Graaf zelven viel, begreep ik, dat ik wellicht zou moeten spreken. "Mijn vrouw was, toen ik weder in onze woning kwam, daar reeds teruggekeerd en weder te bed. Zij sliep met het bloed der Gravin op haar nachtgewaad! Is er een beter bewijs mogelijk, dat zij inderdaad gehandeld heeft, zonder te weten wat zij deed? Den volgenden ochtend was de koorts nog niet af; tegen den middag begon zij te ijlen en verraadde, door wat zij zeide, haar droevig geheim! Dáárom vreesde ik de komst van Dokter Molnár, daarom ontstelde mijn goede Honka zoo hevig, toen zij ontdekte, dat haar woorden dezen ertoe brachten, mijn vrouw te gaan bezoeken. Maar deze zweeg, toen de dokter bij haar was! Trouwens, ik begrijp nu, dat, ook al had zij gesproken, de dokter het geheim had moeten bewaren. Hij vernam echter niets. Maar de Engelsche detective wist toen reeds alles. Hij heeft haar en mij gespaard, omdat hij wist dat mijn vrouw stervende was. God zegene hem daarvoor! "Den dag, toen Mr. Hendriks en zijn vrouw Vöröshegy verlieten, was onze patiënte, tegen den middag, koortsvrij. Zij verzocht mij opnieuw, bij haar bed te komen zitten, en zei mij toen, dat zij zoo vreemd en zoo duidelijk gedroomd had. Daarop vertelde zij precies, wat U zooeven van Mr. Gill omtrent het voorgevallene gehoord hebt. Maar zij verkeerde in de meening, dat dit alles droombeelden waren; zelfs maakte zij een bittere opmerking over de zwakte van haar arm, alsof die 'n krijgsbijl hanteeren kon! Inderdaad moeten koorts en waanzin haar reuzenkrachten gegeven hebben. "Zij sprak verder zeer kalm over de Gravin, wier dood zij zelfs niet vermoedde. Dat deze inderdaad dezelfde vrouw was, die onzen zoon in den dood gedreven had, stond bij haar vast. Ook in haar 'droom' had die vrouw haar herkend, toen zij plotseling tegenover elkander stonden; en dit nam voor mij allen twijfel weg. Immers die droom was werkelijkheid geweest en Gravin Csadányi had op Vöröshegy mijn vrouw nog niet gezien. De naam Keller kon haar niets gezegd hebben, want deze is in Duitschland, Oostenrijk en Hongarije zéér algemeen. Hoe wist zij dan, toen zij tegenover Emilia stond, onmiddellijk, dat deze 'de moeder van Keller' was? Zoo had zij haar genoemd! "Na ons gesprek viel mijn vrouw in een rustigen slaap. Maar sedert zijn haar krachten onafgebroken achteruitgegaan. Dokter Molnár, die haar eenige malen bezocht, vermocht niets meer. Zij is vanochtend gestorven, kalm en tevreden, emdat zij nu onzen jongen zou terugzien. Tot het laatste toe behield zij haar volle bewustzijn. "Genadige Heer Graaf, ik heb dit alles moeten vertellen, omdat ik het verplicht was tegenover haar. Maar ik herhaal de belofte, ook namens mij door den Engelschen detective gegeven, dat buiten deze kamer mij nooit een woord over de lippen komen zal omtrent het verleden van de Gravin!" ## HOOFDSTUK XXVIII. HET AFSCHEID VAN IMRE DEN CZIGANY. Ik heb het verhaal van Béla Keller weergegeven, zonder telkens te gewagen van den indruk, dien het op de aanwezigen maakte. Wat mijzelven betreft, ik verwonderde mij er meer en meer over, hoe ik dezen braven, ongelukkigen man ooit had kunnen wantrouwen. Duidelijk herinnerde ik mij thans, hoe Maud mij reeds van den aanvang af gezegd had, dat hij zijn vrouw op de handen droeg. Zij had dat, als 't ware bij instinct, dadelijk gevoeld; ik had mij door den schijn en door oppervlakkig redeneeren tot een tegenovergestelde meening laten brengen! Ik erken, dat ik mij over mijzelven hartgrondig schaamde. Graaf Csadányi had alleen bij het eerste deel van het verhaal, toen over den dood van Károly Keller gesproken werd, teekenen van groote ontroering gegeven. Later had hij stil in zijn stoel gezeten, met bleek gezicht, gesloten oogen en krampachtig gevouwen handen, als iemand, die een groote pijn doorstaat, maar daaraan moedig het hoofd biedt. Het bleef langen tijd stil, toen Béla Keller geëindigd had. Niemand scheen moed te hebben, die stilte te verbreken. De Graaf stond eindelijk op en, in plaats van iets te zeggen, reikte hij den slotbewaarder zwijgend de hand, die deze onder tranen kuste. "Mijneheeren" — zeide Graaf Csadányi toen met een stem, waaraan hij tevergeefs vastheid trachtte te geven, "U zult mij niet voor onbeleefd houden, wanneer ik U verzoek mij thans alleen te laten. Slechts aan Mr. Gill en Mr. Hendriks heb ik nog 'n korte mededeeling te doen." Béla Keller en Inspecteur Fekete verlieten, mèt Géza Horváth, de kamer. Ik heb nog niet gezegd, dat de laatste ademloos naar het verhaal van Keller had zitten luisteren, en dat zijn gezicht daarbij een uitdrukking van wreede hardheid had aangenomen, zooals ik het dien ochtend nog niet bij hem gezien had. Ook bemerkte ik, dat hij door Inspecteur Fekete scherp in het oog werd gehouden: blijkbaar beschouwde deze hem als zijn gevangene. Toen mijn vriend en ik met den Graaf alleen waren, verzocht deze ons opnieuw plaats te nemen. "Er is nog het een en ander te verklaren en op te helderen" — zeide hij. "Ik begrijp bijvoorbeeld niet, wat dezen Géza Horváth bewogen kan hebben, mij naar het leven te staan. Maar . ik ben op dit oogenblik niet gestemd om raadsels op te lossen!" Hij zweeg eenigen tijd en keek peinzend vóór zich. "Ik, mijnerzijds, ben U beiden een explicatie schuldig" vervolgde hij; "in de *eerste* plaats echter, een woord van dank voor Uw geloof in mijn onschuld, trots den schijn van het tegendeel. U, Mr. Gill, dank ik in het bizonder voor het vertrouwen, dat U mij — tegen alle regelen van Uw beroep in — geschonken hebt, terwijl ik U ronduit verklaard had, dat ik U mijn vertrouwen niet ten volle geven kon. Nu de oorzaak, die mij tegenover U zoo gereserveerd maakte, vervallen is, wil ik ook niets meer geheim houden. Er is nog één punt voor U niet opgehelderd!" "De anonieme mededeeling!" — zeide G. G. levendig. Het instinct van den detective werd opnieuw bij hem wakker. "Juist!" — stemde de Graaf toe. "Ik begrijp nu, dat deze door Emilia Keller op mijn schrijftafel werd neergelegd, toen zij door mijn werkkamer naar de wapenzaal ging. Ik was toen, zooals U zich herinnert, op de kamer van" — hij aarzelde een oogenblik — "van de Gravin. Toen ik daarna in mijn werkkamer terugkwam, lag op de schrijftafel het geïllustreerde blaadje, waarover Keller ons zooeven gesproken heeft, met het portret van die vrouw, dat zonder twijfel het portret van de Gravin was!" — Hij vermeed het (dit had ik reeds meermalen opgemerkt), over de Gravin als over zijn vrouw te spreken! "Ik las het artikeltje, dat erbij behoorde, en was als verpletterd. Met dat portret voor oogen, moest ik wel waarde hechten aan de woorden, die in drukletters op den rand van het blaadje gekrabbeld waren." Hij sloot een lâ van zijn schrijftafel open en overhandigde ons het blaadje. Inderdaad, daar was het portret, een sprekende gelijkenis! En op den rand lazen wij het volgende: "Vraag aan Gravin Csadányi, waar Gravin Hojos gebleven is, sinds zij uit Berlijn verdween." Dat was alles! "Ik heb naar die aanwijzing gehandeld" — vervolgde de Graaf. "De Gravin was doodelijk ontsteld, en toen zij zag, dat ik alles wist, kon zij niet ontkennen. Wat ik toen deed, mijneheeren, was misschien hard; maar ik heb nooit een smet op mijn eer geduld! Ik kon niet verdragen, dat die door mijn huwelijk bezoedeld was! Ik beval haar, den volgenden dag het slot te verlaten en mij nooit weder onder de oogen te komen. Zij bad, smeekte, dreigde, maar ik was onverbiddelijk. Zij had de deur reeds geopend om naar haar kamer terug te gaan, toen zij plotseling in heftigen toorn ontstak. Zij verweet mij, dat ik, de eenige man, dien zij ooit had liefgehad, haar van zich dreef. En zij zwoer, dat zij geen oogenblik langer onder mijn dak wilde blijven. Daarop ging zij in groote drift de wapenzaal in, waar de dood haar wachtte!"..... Toen wij eenige oogenblikken later naar beneden gingen, zeide G. G.: "Begrijp je, waarom de Gravin de wapenzaal inging, Willy?" "Neen" — bekende ik. "Met zekerheid kan ik 't ook niet zeggen! Maar ik vermoed, dat zij den Graaf werkelijk heeft liefgehad en dat haar woede en haar voornemen, dadelijk het slot te verlaten, niet gehuicheld waren. Vermoedelijk zou zij er later spijt van gehad hebben, maar op dat oogenblik was zij oprecht! Zij wilde door de ruïne naar buiten." "En dan?" "Zij wist Imre den Czigány in de buurt. Waarschijnlijk zou zij hèm hebben opgezocht. Arme Graaf! Hij verbeeldt zich, dat hij nu vrijwel alles weet! Als hij vermoedde.... Maar hij zal niets vermoeden; ik ben er óók nog!" Het was intusschen laat in den namiddag geworden. Ik zou het avondlokaaltreintje te Kisfalva nog juist hebben kunnen halen om dan te Zsolna den sneltrein naar Budapest te nemen. Maar ik voelde mij daartoe niet in staat, omdat ik dóór en dóór moe was. Ik besloot dus, dien nacht op Vöröshegy te blijven. Het was echter noodig, mijn vrouw niet zonder eenig bericht te laten, want ik kon mij voorstellen, hoezeer zij — na ons haastig afscheid dien morgen — met spanning naar tijding moest uitzien. Pista, de koetsier, die mijn vrouw en mij bij onze eerste aankomst te Kisfalva met het rijtuig had afgehaald — men zal zich hem nog wel herinneren —, was dadelijk bereid, een geruststellend telegram aan mijn vrouw naar het telegraafkantoor te Kisfalva te brengen. Toen hij wèg was, kwam Ilonka mij zeggen, dat er in de eetkamer voor het avondmaal gedekt was. De Graaf, G. G., Inspecteur Fekete en ik vormden een niet juist opgewekt gezelschap. Voeg daarbij, dat Ilonka Keller ons, bleek en met roodbeschreide oogen, bediende (het meisje had die taak niet aan anderen willen overlaten, hoewel de Graaf haar dit met aandrang verzocht had), en men zal zich kunnen voorstellen, dat onze maaltijd niet van de vroolijkste was. Béla Keller was, zooals ik hoorde, in zijne woning gebleven. Brigadier Kemény en de twee politieagenten (die nu van hun taak, den Graaf te bewaken, door Inspecteur Fekete ontslagen waren) bevonden zich in een der vertrekken, die in de vóórhal uitkwamen, waar zij hun avondmaal gebruikten, tegelijk met den gevangene, Géza Horváth, Imre den Czigány, of hoe men hem noemen wilde. Deze was thans aan hun zorg toevertrouwd en Inspecteur Fekete, als eenig vertegenwoordiger, onder ons vieren, van de Hongaarsche politie, had ons reeds te verstaan gegeven. dat het Recht zijn beloop moest hebben en de man te Zsolna aan de autoriteiten zou worden uitgeleverd. Ons maal was bijna ten einde, toen een van de politieagenten binnenkwam en zacht iets tot Inspecteur Fekete zeide. Deze zag G. G. aan en zeide toen: "Ze hebben den gevangene de handboeien afgenomen, om hem het eten mogelijk te maken. Maar nu heeft hij gevraagd of zijn handen niet vrij mogen blijven en tevens of men hem zijn viool zou willen geven. Ze hebben die gevonden in den auto, waarmeê hij naar Vöröshegy gereden is." "Dat is toch sterk! - zeide ik. "Ja Willy" — antwoordde G. G., "in Holland en in Engeland, waar ze de muziek meer als 'n luxe-artikel beschouwen dan hier, moet het 'n vreemde gedachte zijn, dat de musicus voor z'n instrument voelt als voor 'n deel van zichzelven! Herinner je je nog, dat op den eersten avond toen je Imre den Czigány in het bosch ontmoette, hij dadelijk zei, dat de Czigány onafscheidelijk is van z'n viool? Je hebt mij dat zelf verteld." "Maar is hij werkelijk 'n Czigány?" — vroeg hier Graaf Csadányi. "Onmogelijk dat te zeggen!" — antwoordde G. G. haastig. "In elk geval is hij 'n kunstenaar, daaraan bestaat geen twijfel. Mij dunkt, Inspecteur Fekete, heel veel bezwaar kan er niet tegen bestaan, zijn verzoek in te willigen." De Inspecteur was het hiermede eens en gaf den Agent de noodige aanwijzingen. Deze salueerde en verdween. Een half uur later, toen wij uit de eetzaal kwamen, hoorden wij in de verte vioolspel; en onwillekeurig richtten wij onze schreden naar de vóórhal. Het bleek, dat de Brigadier en zijn twee man daar plaats genomen hadden. Op een der banken zat Géza Horváth en speelde. Toen hij ons komen zag, klonk er een dissonant en het spel verstomde. "Er zijn twee dooden hier in huis" — klonk daarop, streng, de stem van den Graaf. "Binnenkamers zou het wat anders geweest zijn, maar hier in de vóórhal is muziek ongepast" Géza Horváth was opgerezen. "U schijnt de muziek als 'n minderwaardig genotmiddel te beschouwen, genadige Heer Graaf" - zeide hij (en aan den klank van zijn stem, nu hij over zijn muziek sprak, herkende ik duidelijk Imre den Czigány). "Voor mij is zij de heilige stem van wat er leeft in de menschenziel, van haar vreugde en smart en ook van haar rouw. Zij spreekt van onze herinneringen, van onze toekomstwenschen, van wat wij hopen te winnen en van wat wij verloren hebben . . . verloren voor altijd! En zij spreekt van onze dooden, Heer Graaf! Zij fluistert van wat zij goeds en liefs hadden en van het booze, dat wij vergeten moeten! En zij leert ons vergeten, Heer Graaf! Zij leert ons vergeten alles, waaraan de herinnering pijn doet. Zij loutert de gedachten aan onze dooden, en zij sterkt ons, die nog leven, leven totdat . . . totdat het leven te zwaar wordt en geen kracht ons meer helpen kan. Als de muziek ons niet meer sterken kan, zijn wijzelven dood en zal men ons onzen lijkzang nazingen prijzend wat goed en vergetend wat slecht was. En ééns sterven wij allen . . ." Opnieuw klonk zijn spel, en niemand dacht er meer aan, hem het spelen te verbieden! Deze man, tegen wien ons nuchter verstand ons waarschuwde als tegen 'n intrigant en n misdadiger, wekte, door zijn kunst, het edelste, dat in ons was! Wie verklaart deze tegenstrijdigheid?.... Wie verklaart de macht van Kunst over Rede?... Imre de Czigány speelde! En in mijn verbeelding rees voor mij op een donker, van den regen druipend bosch, in de sombere duisternis van den laten namiddag. En wij stonden weder onder den zwaren beukenboom, waarvan elk blaadje in 'n druipend gootje herschapen was, twee rijtuig-lantarens aan onze voeten. als het licht aan den rand van een tooneel. En achter ons uit het donkere bosch klonk muziek, de stem van een viool, soms krijschend in wilde smart, dan klagend in sombere berusting: de noodkreet van een menschenziel! Die muziek... hoorde ik ze niet opnieuw?... Had ik ooit opgehouden ze te hooren?.. Klanken, die ongeluk en dood spelden?... Waren we niet omringd door ongeluk en dood? . . Berusting? . . . Was er niet een smart, die géén berusting kent? . . De smart van hèm... van hèm, die uit den nacht tot ons gekomen was en in den nacht verdwenen!... Verdwijnen!... O, verdwijnen voor altijd ... in den nacht ... Een vlijmende dissonant ... toen een doffe smak, die luid weerklonk door de vóórhal! Wij stonden allen als versteend: Imre de Czigány had zijn viool met één woeste armbeweging tegen den muur in stukken geslagen. Een oogenblik staarde hij, met iets als ontzetting in zijn blik, op de overblijfsels van het gebarsten instrument. "Het einde!" — klonk het toen van zijn lippen en ik geloof, dat er niemand onder ons was, die niet huiverde. Maar de onbeweeglijke gestalte ontwaakte plotseling tot intens leven. Met de snelheid en lenigheid van een kat vloog zij de trap op, naar boven. En onmiddellijk nam de Rede in mijn brein weer de overhand en fluisterde mij toe: hij vlucht, laat hem niet ontkomen! Van al degenen, die in de vóórhal bijeen waren, bevond ik mij het dichtst bij de trap. Ik was dan ook de eerste, die den vluchteling op de hielen zat, de detective vlak achter mij. Maar Imre de Czigány had een vrij grooten voorsprong. Hij liep door den corridor op de eerste verdieping, sloeg den hoek bij de vroegere kamer van "Majoor Juist toen wij het dak bereikten, zag ik hoe hij een wilde beweging met de armen maakte, een gebaar van wanhoop en Curtis" om, rende daaron rechtuit en verdween in de werkkamer van den Graaf! Wat wilde hij dáár? Ik volgde hem, met een tusschenruimte eenige seconden, doch... hij was verdwenen. De deur van de wapenzaal was gesloten. Zou hij ...? Opeens hoorde ik gerucht op de wenteltrap, die uit de werkkamer naar het platte dak daarboven voerde. In een oogwenk was ik op de eerste trede en G. G. volgde mij. Wij klommen naar boven. zoo snel ons dat in het duister mogelijk was. Eén oogenblik nog, en wij stonden in de open lucht. Dáár, bij de ballustrade, vlak aan den rand, waar de roode rotsen dertig meter naar omlaag vielen, zagen wij de donkere gestalte van den man, dien wij vervolgden, scherp afgeteekend tegen den zilvergrijzen sluier van een ijlen, door het smarte! Toen was de plaats leêg, waar hij zooeven gestaan had . . . Imre de Czigány was verdwenen, verdwenen in den nacht!
Verdwenen in den nacht! (blz. 249,) maanlicht doorlichten nevel!
* * *
Wij vonden hem aan den voet der roode rotsen. Hij was buiten kennis, maar leefde. De ledematen waren gebroken, de ruggegraat ernstig gekneusd. Met moeite werd hij naar het slot gebracht en daar neêrgelegd in een der kamers, die op de vóórhal uitkwamen. Toen herkreeg hij langzaam het bewustzijn. Met zwakke stem verzocht hij ons, heen te gaan en slechts den detective bij hem te laten. Het was wèl merkwaardig, dat hij voor dezen, die toch zijn onverbiddelijke vervolger geweest was, een zeker soort van sympathie had opgevat! Wij voldeden aan zijn verzoek en gingen, G. G. bij hem achterlatende. Anderhalf uur later werd er aan de deur van mijn kamer geklopt. Op mijn "binnen" verscheen de detective. Hij was bleek en zeer ontroerd. "Imre de Czigány is gestorven" — zeide hij. "Vóór zijn dood heeft hij mij zijn geschiedenis verteld. Zeg niets tegen me, Willy! Laat me eerst bijkomen!" Hij ging in een fauteuil zitten en sloot de oogen. Men heeft mij wel eens gezegd, dat ik nieuwsgierig ben. Dien avond heb ik bewezen, dat dit laster is. Want het duurde meer dan een uur, voordat G. G. den mond weder open deed en . . . ook ik had gedurende al dien tijd gezwegen! "Willy!" — zeide hij, met iets van het oude sarcasme in zijn stem. "Ik ben je dankbaar voor het geduld, dat je geoefend hebt. Dat moet je inspanning gekost hebben! Nu komt daarvoor de belooning. Wat ik je zeggen zal is alleen voor jou bestemd en voor je vrouw, natuurlijk! Want wat jij weet, behoort zij te weten en al behoorde dat niet, je zoudt het haar toch vertellen. Maar buiten ons drieën mag niemand het vernemen. Graaf Csadányi allerminst. Je belooft mij strenge geheimhouding, niet waar?" Ik beloofde hem die. Toen vertelde hij de geschiedenis van Imre den Czigány. ## HOOFDSTUK XXIX. ZWERVERS. De man, dien wij gekend hadden als Imre den Czigány en Géza Horváth, was geboren in een Zigeunerkamp in Rumenië. Hoe hij eigenlijk heette, heeft hij aan niemand gezegd. Zijn moeder was een mooi Zigeunermeisje, zijn vader een Oostenrijker, die korten tijd hartstochtelijk van dat meisje gehouden en haar toen in den steek gelaten had. Imre kende zelfs den naam van zijn vader niet, want zijn moeder was van verdriet gestorven, toen hij nog 'n kind was, en niemand had hem dien naam ooit kunnen of willen zeggen. Hij ontleende zijn hartstochtelijk karakter, met de schrille tegenstrijdigheden, die daarin telkens aan den dag traden, ongetwijfeld aan de zeer uiteenloopende karakters zijner ouders. Als vaderlijk erfdeel had hij een groote mate van weekhartigheid en sentimentaliteit medegekregen, groote vatbaarheid voor indrukken en een vaag idealisme, dat zich hoog verheffen kon, om daarna des te diener te vallen. Van zijn moeder stamden zijn niet te onderdrukken instinct om te zwerven, zijn volkomen onverschilligheid voor wat maatschappelijk goed en slecht genoemd wordt, zijn hartstochtelijke en niettemin vasthoudende natuur en zijn buitengewone muzikaliteit. Hij was een van die menschen, in wien Engel en Daemon een voortdurenden strijd voeren, en die veroordeeld zijn, in dien strijd onder te gaan. In de omgeving, waarin hij geboren was en waarin hij bleef totdat hij den jongelingsleeftijd bereikt had, was hij een verschoppeling. Er zijn Zigeuner-stammen, die van hunne vrouwen een absolute eerbaarheid eischen, en de straf voor het niet nakomen van dien eisch uitstrekken van de vrouw, die gezondigd heeft, op haar kind. Imre, die in zijn blonde haren het teeken van de schande zijner moeder met zich droeg, was van den aanvang af een paria in zijne omgeving, en hij deelde dit lot, sinds hij een jongen van vijftien jaar was, met een ander kind. Er heerschte toen een vijandige stemming tusschen de Zigeuners in Rumenië en die in Hongarije. Men maakte elkander het leven zuur en op de grenzen waren woestevechtpartijen aan de orde van den dag. Ook werden er soms, over en weêr, kinderen gestolen. Zoo gebeurde het, dat een Zigeunermeisje van ongeveer vijf jaar, in den stam terecht kwam, waarvan Imre deel uitmaakte. Zij was in Hongarijegeboren; maar wie hare ouders waren wist men niet en zij vond deze ook nimmer terug. In gewone omstandigheden zou een dergelijk meisje, zonder meer, in den stam zijn opgenomen. Maar de kleine Irma was een eigenaardig kind: trotsch, driftig en wraakzuchtig. Bij haar kornuitjes maaktezij zich gehaat en niemand hield van haar. Zij was steeds — in de letterlijke beteekenis van het woord! — in het hoekje, waar de slagen vielen. Het kind voelde zich alleen\nen ongelukkig: dat maakte haar nog méér in zichzelve gekeerd en ontevreden. Imre was de eenige, die zich haar lot aantrok. Hij zag in haar een verschoppeling, zooals hijzelf was; en het weekhartige in zijn natuur maakte, dat hij de behoefte gevoelde, haar leed te verzachten. Het kind nam de sympathie en het medelijden, dat hij haar toonde, aan als iets, dat haar toekwam. Het scheen daarvoor zelfs nauwelijks dankbaar en beloonde hem maar al te dikwijls met booze woorden! Maar Imre liet zich niet afschrikken: hij hoorde tot die naturen, die alles kunnen verdragen van wie zij liefhebben. Toen Imre twintig jaar geworden was, werd hem het leven, dat hij leidde, ondragelijk. Hij besloot, zijn stam te verlaten en naar Hongarije te gaan. De kleine Irma, die nu tien jaar oud was, begreep, dat zij, met hem, haar eenigen vriend verliezen zou. Niet omdat zij een groote genegenheid voor hem koesterde, maar uit zuiver egoïsme verzocht zij, dat hij haar zou meênemen. Dit was natuurlijk alleen mogelijk, wanneer zij heimelijk vertrokken. En hoewel Imre zeer goed begreep, dat de tegenwoordigheid vân en de verantwoordelijkheid vóór zoo'n jong kind hem het leven niet gemakkelijker maken zouden, stemde hij toe. Zij ontvluchtten te zamen naar Hongarije. Het is niet noodig, de zwerftochten van dit op zoo zonderlinge wijze samengebrachte paar uitvoerig te beschrijven. In kwade en in goede tijden, bij regen en bij zonneschijn bleef zij het wispelturige, trotsche, egoïstische kind, hij de toegevende, hartelijke, goedige beschermer. Ten slotte kwamen zij terecht in Noord-Hongarije. Imre had daar een orkestje samengebracht, een zwervende Zigeuner-kapel, zooals er in Hongarije zoovele zijn. In de streek van Zsolna, naar het Noorden tot de Oostenrijksche grens, naar het Zuiden tot Neuhäusl, naar het Oosten zelfs tot Beszter-Czebánya, zwierven zij rond en, voorzooverre de Czigány zich aan een bepaald land hechten kan, hechtte Imre zich aan de bergen en dalen, aan de kleine dorpen en schilderachtige stadjes van dit lieflijke deel van Hongarije. Irma bespeelde in zijn orkestje dat eigenaardige, voor de Zigeuner-muziek zoo onmisbare instrument: den cymbal Zij bracht het daarin tot een groote vaardigheid, maar werkelijk muzikaal, begiftigd met een vonk van het goddelijke vuur — zooals Imre - was zij niet. Zoo was Imre zes-en-twintig en Irma zestien jaar geworden. Toen gebeurde er iets, dat geheel buiten hun sfeer scheen te liggen en dat niettemin blijken zou voor hun beider leven noodlottig te zijn. Aartshertog Stephan Otto ontving een bezoek van Prins Morescu uit Rumenië. De beide oude heeren waren sinds jaren vrienden en de Prins was den Aartshertog sinds langen tijd dit bezoek schuldig. Bij die gelegenheid brachten zij eenige dagen door op Vöröshegy, als gasten van den ouden Graaf Csadányi, die toen nog leefde. De Graaf kwam zelden op zijn stamslot, maar voor ditmaal had hij geld noch moeite gespaard om den beiden hoogen gasten een aangenamen tijd te verschaffen. De heeren waren alle drie weduwnaar, zij waren op hun gemak gesteld en hielden van lekker eten en goeden wijn. Vooral de laatste vloeide op Vöröshegy rijkelijk, temeer omdat zij daar juist waren, toen het feest van den Wijnoogst gevierd werd. Dit feest had geheel hetzelfde karakter, als toen wij — G. G., mijn vrouw en ikzelf — dat twaalf jaren later op dezelfde plaats medemaakten. En het spreekt vanzelf, dat de Zigeuner-kapel niet ontbrak! Het was de kapel van Imre, die zich dien dag op Vöröshegy hooren liet. Maar het was een jonge Imre met blonde haren en donkere oogen, de werkelijke Imre en niet de vermomde Géza Horváth, dien wij daar later als "Imre den Czigány" zouden leeren kennen, en die — althans schijnbaar — met den Imre van twaalf jaren geleden niets anders gemeen had dan den naam. Niemand vermoedde ooit, dat de "blonde Imre", zooals men hem toen noemde, dezelfde persoon was, die later als "Imre de Czigány" in de omgeving opdook. Irma was op haar post, zittend achter haar cymbal. Zij was opgegroeid tot een opvallend mooi, slank meisje, met zwart-fluweelen oogen en een warme, donkere gelaatskleur. Dien dag zag zij er op haar voordeeligst uit. De jonge Graaf Csadányi woonde, mèt zijn vader en diens gasten, het feest bij en Irma had - op het eerste gezicht - een "bevlieging" gekregen voor dezen knappen, jongen man, die toen drie-en-twintig jaar oud was. Intusschen gelukte het haar niet zijn aandacht in het bizonder op haar te vestigen; maar des te gelukkiger was zij in dit opzicht met een der andere aanwezigen, n.l. den ouden Prins Morescu. Deze wendde geen oog van haar af. Het was bij hem - zooals dat ook bij oude heeren nog wel eens voorkomt - liefde op het eerste gezicht, maar de liefde van een bejaarden man, die de wereld kende en genoten had, en er geen oogenblik aan twijfelde, of de wederliefde van dit Zigeunermeisje was voor geld en goede woorden te koop. Hij zocht dan ook, haar te benaderen; en toen hem dit gelukt was. deed hij haar de schitterendste voorstellen, als zij met hem naar Rumenië wilde gaan. Maar Irma, hoe jong ze ook zijn mocht, was wereldwijs en berekenend. Zij zag bij den eersten oogopslag, dat deze man een werkelijken hartstocht voor haar had opgevat. En zij begreep, dat, als zij zich voor goud en mooie kleêren verkocht, die hartstocht weldra dooven en zijzelve verlaten worden zou. Haar karakter bracht mede, alles of niets te verlangen. Maar zij was te diplomatisch, haar begeerte naar dat alles dadelijk te toonen. Tegenover het stormachtig aandringen van den ouden Prins, stelde zij dus een koele, berekenende terughouding. Maar zij droeg er, anderzijds, zorg voor, dat zij haar bejaarden bewonderaar niet geheel ontmoedigde en hem integendeel een sprankje hoop liet. Herhaaldelijk ontmoette zij hem in het geheim en het einde was, dat zij den ouden man zóózeer het hoofd op hol wist te brengen, dat hij over een huwelijk begon te spreken. Toen speelde zij het nederige, onontwikkelde meisje. Zij was niet in staat, zulk een positie in de maatschappij in te nemen, zij, 'n arm Zigeunerkind! En de Prins bewonderde haar nederigheid, zooals hij alles in haar bewonderde. Maar niettemin zag hij zeer goed in. dat zij in den grond gelijk had. Zijzelve was verstandig genoeg om inderdaad in te zien, dat - milde zij Prinses Morescu worden - het noodig zou zijn allerlei dingen te leeren en af te leeren. Dat vooruitzicht trok haar wel niet aan, maar zij was niet van plan een "parvenu"-prinses te worden. Een gewone vrouw zou, in haar positie, gedacht hebben: "beter één vogel in de hand dan tien in de lucht" en op een spoedig huwelijk hebben aangestuurd. Zij zag verder vooruit en begreep, dat geduld haar later ten goede komen zou. Zij ging naar Rumenië en werd daar geplaatst in een opvoedings-instituut voor jonge dames, waar zij zich voorbeeldig gedroeg. Dat kostte haar waarschijnlijk veel moeite, maar zij wist, wat op het spel stond, en legde zich met ijzeren wilskracht toe op het aanleeren van alles, waarvan de kennis voor haar nuttig en noodig was. Zij betrad de inrichting als een onbeschaafd en onontwikkeld, hoewel verstandelijk hoog begaafd, kind; zij verliet haar drie jaren later als een wêl-opgevoede jonge dame, wier verstand zeker niet onder die opvoeding had geleden! Een jaar later was zij Prinses Morescu! Imre had intusschen een treurigen tijd doorleefd. Hij had zelfs nooit gedacht aan de mogelijkheid, dat Irma hem verlaten zou. Zóó gewoon geraakt was hij aan de gedachte, dat hij de natuurlijke beschermer van het meisje was, dat hij zich nauwelijks kon voorstellen, dat een ander nu die taak van hem had overgenomen. Zijn eerste gewaarwording. toen Irma hem mededeelde, dat Prins Morescu haar gevraagd had zijn vrouw te worden, was er een van woede en teleurstelling. Irma zette daartegenover een koel sarcasme en het ironische verwijt, dat, als hijzelf geen kans zag in de wereld vooruit te komen, dit geen reden zijn mocht, het háár te misgunnen! Hij raasde en vloekte, maar deed dat eigenlijk meer om zijn eigen leed te verbergen - ook voor zichzelven! - dan uit werkelijke verontwaardiging. Ware Irma hem onverschilliger geweest, hij zou in haar huwelijk een verstandige daad gezien hebben, de vrucht van koele berekening, een bewijs van haar handigheid en een uitvloeisel van haar aangeboren eerzucht; op al die eigenschappen in dit Zigeunerkind, zou hij, als Zigeuner, zeker trotsch geweest zijn. Maar - al verborg hij het nog voor zichzelven - hij had Irma lief! En zij begreep dat, al begreep hij het zelf niet! Zij was zelfs eenigszins trotsch erop, dat zij dezen krachtigen, mooien jongen man om haar vinger winden kon! Bij haar vormden behaagzucht en heerschzucht een gevaarlijk geheel, dat menigeen ongelukkig maken zou. Want zij schepte er genoegen in, mannen slaaf van haar schoonheid te zien, al voelde zijzelve niet het minste sprankje liefde of genegenheid voor hen. Zij had Imre zeker niet lief; maar — en hierin verschilde haar verhouding tot hêm van die, welke later tusschen haar en andere mannen ontstond — zij was, tot de jaren des onderscheids gekomen, niet geheel ondankbaar voor wat hij in het verleden voor haar gedaan had. Als het haar geen last bezorgde, zou zij hem gaarne eenig geluk in de wereld gunnen. En dat was voor háar doen reeds heel wat, want zij was zeer afgunstig op het geluk van anderen. Toen zij van Imre afscheid nam, zeide zij hem met grooter hartelijkheid dan zij gewoonlijk toonde, dat zij de beste wenschen koesterde voor zijn toekomstig geluk en dat, wanneer zij hem daarbij mettertijd helpen kon, zij dat niet zou nalaten. En zij voegde er aan toe, dat hij goed zou doen te zorgen, dat hij een beschaafd en ontwikkeld man werd: dan kon zij eer met hem inleggen! Dergelijke woorden in den mond van een kind, dat naar een instituut vertrekt om haar opvoeding te ontvangen, zijn zeker ongewoon; maar zij waren karakteristiek voor het denken en voelen van dit heerschzuchtige meisje, dat voor zichzelve de toekomst van een Prinses droomde. Voor Imre voegden zij nog een droppel gal in den lijdensbeker dien hij drinken moest. Toen Irma vertrokken was, bleef Imre rondzwerven in de buurt, waar hij met haar samengeweest was. Hij werd somber en in zichzelven gekeerd. Meer en meer zocht hij zijn toevlucht bij zijn viool, die zijn leed en zijn verlatenheid in tonen uitzong, beter dan hijzelf het uitspreken kon of wilde. Maar daarnevens - en hier kwamen zeker aard en aanleg van zijn vader in het spel - ontwikkelde hij zich door lectuur en studie. De eenzame zwerver had een vervallen hut in de bergen van Vöröshegy ontdekt. Daar bracht hij uren door, gebogen over boeken. Hij had een scherp, doordringend verstand, ver-vooruitziend en vervooruitredeneerend, en bovendien een philosophischen aanleg, die hem belang deed stellen in vele abstracte vraagstukken, waarvan zijn stamgenooten meestal niet het minste begrip hebben. Materieele zorgen had hij in dien tijd niet. Zijn vioolspel leverde hem een goed en zelfs ruim bestaan, vooral nu hij alleen rondzwierf en zijn orkestje ontbonden had. Zoo iets zou een gewaagde proef geweest zijn voor een gewoon Zigeuner; maar zijn genie imponeerde iedereen, ook de eenvoudige menschen, met wie hij in aanraking kwam. Bovendien nam hij de studie van zijn instrument meer systematisch ter hand en trad zelfs nu en dan, in grootere steden, waar men hem niet kende, op concerten op. Dat waren wel geen concerten, die in de schaduw konden staan van de "philharmonische" avonden in de Hoofdstad, maar zij werden toch druk bezocht, en Imre verdiende er eenig geld mede. Behoeften had hij zoo goed als geene. Hij legde dus wat geld over, maar, had men hem gevraagd met welk doel, hij zou daarop geen antwoord hebben kunnen geven. Behoudens zijn eenzelvigheid en zijn somberheid - gevolgen van zijn vreugdelooze jeugd en de thans ondervonden teleurstelling - had Imre's leven in die dagen volstrekt niets onnatuurlijks. Het was de lange, volhardende strijd van een eenzame menschenziel om zich omhoog te werken uit de diepten van onwetendheid en verdriet naar de zonnige hoogten van kennis en licht, die zijn geniale aanleg hem in de verte toonde en ook toegankelijk maken kon. En onder dien strijd genas - langzaam maar zeker de door Irma geslagen wonde, ja begonnen ook zijn somberheid en eenzelvigheid geleidelijk minder te worden. Deze eenzame man had 'n aanhankelijken aard en, op den bodem van zijn hart, een groote dosis romantiek, die hem zeer vatbaar maakte voor zachte indrukken. Zoo gebeurde het, dat hij, twee jaren nadat Irma vertrokken en uit zijn leven verdwenen was, aan een romantische opwelling toegaf en een mooi, volgzaam en zachtaardig Zigeunermeisje tot vrouw nam. Een jaar later schonk deze hem een dochter, de kleine Mariska, en stierf bij de geboorte. Ware zij gespaard gebleven, Imre's leven zou een geheel andere richting zijn uitgegaan. Hoewel zijn huwelijk hem niet gelukkig had gemaakt — naturen als de zijne worden zelden gelukkig door een huwelijk, omdat zij daarin geen bevrediging vinden voor wat hun romantische aanleg hun voorgespiegeld heeft — was de dood van zijn vrouw een zware slag voor hem. Hij hechtte zich met groote innigheid aan zijn dochtertje en zou in zijn liefde voor dat kind waarschijnlijk zijn geluk gevonden hebben, wanneer niet het verleden, in den gevaarlijksten en verleidelijksten vorm, voor hem herleefd was. Irma, thans Prinses Morescu, had inmiddels het toppunt van haar wenschen bereikt. Zij was rijk en een gevierde schoonheid. Haar rang beschermde haar tegen elke bedenking, die men (niet dan schuchter en in het geheim — want de waarheid wist niemand in hare omgeving —) tegen haar afkomst fluisteren mocht. Elk romantisch gevoel was haar vreemd: daarom maakte het huwelijk met den ouden Prins haar volstrekt niet ongelukkig. Zij was tevreden, nu het geld van haar echtgenoot haar de gelegenheid schonk te schitteren en haar spel te drijven met al die jonge mannen, die haar begeerlijk schene alleen omdat zij begrijpen kon, dat andere vrouwen hen inderdaad begeerlijk vonden. Zij brak vele harten, maar het hare bleef zoo koud als steen! Aan haar eersten bewonderaar, den blonden Imre, dacht zij zelden meer. Hij behoorde tot een periode van haar leven, waarmede zij voor altijd afgerekend meende te hebben; voor haar bestond hij niet meer! Het noodlot voerde hen echter opnieuw te zamen. Kort na den dood van zijn vrouw speelde Imre op een concert in een der "Luftkurorte" van het Tatra-gebergte. Prins Morescu vertoefde daar te zelfder tijd, mèt zijne vrouw, tot herstel van gezondheid. Na afloop van het concert werd de kunstenaar, wiens Zigeuner-afkomst hem des te interessanter maakte, aan het prinselijk echtpaar voorgesteld. Imre en Irma stonden tegenover elkander, voor het eerst sedert haar vertrek naar Rumenië! In plaats van het wat magere, mooie Zigeunerkind, zag Imre voor zich een jonge vrouw van verblindende schoonheid, volmaakt in haar zelfbewust optreden en toch met dat waas van natuurlijkheid over zich, dat het gevaarlijkste wapen is in de hand van een gewetenlooze en behaagzieke vrouw. En die vrouw was zijn gezellin geweest in de dagen hunner kindsheid, zijn eigendom bijna! Voor háár had hij gewerkt en geleden, op haar had al zijn denken en zorgen zich geconcentreerd, háár had hij liefgehad! Nu bekende hij het zichzelven! En, mèt die bekentenis, herleefde de oude liefde, maar met een heftigheid en een fatale kracht, waarvan hij zich toen nog nauwelijks bewust was. Die vroegere liefde had iets heiligs gehad, iets dat zijn beste eigenschappen - onbaatzuchtigheid, geduld, arbeidzaamheid, goedhartigheid - op den voorgrond bracht; deze liefde had al heel weinig heiligs! Het was een wilde, verterende hartstocht, die blind maakte voor al wat goed en edel was en die alleen in duurzaamheid die andere zou blijken te overtreffen. Missehien was het juist de herinnering aan dat vroegere, reine gevoel, dat haar zoo duurzaam maakte. En hoe zag zij hèm? Ook hij was veranderd. Er was een waas van grootere distinctie over hem gekomen: zijn stem, zijn gebaren, zijn woordenkeus, alles was meer beschaafd, meer afgerond geworden. Ook uit zijn gesprekken bleek, dat hij geen onontwikkeld man meer was. Onwillekeurig dacht zij terug aan wat zij hem bij het afscheidnemen gezegd had: hier was inderdaad een man, met wien eer viel in te leggen. Maar...zij voelde zich gekwetst in haar ijdelheid, toen zij vernam, dat hij getrouwd geweest was. Het was teekenend voor haar karakter, dat zij, zonder voor Imre eenige liefde te gevoelen, het toch niet verdragen kon, dat hij zich over zijn genegenheid voor háár had kunnen héénzetten. Zij besloot hem thans vaster aan zich te verbinden. Dat zij een geweldigen indruk op hem maakte, zag zij in weinige oogenblikken en dit stemde haar weder meer vergevensgezind! Imre was zijnerzijds méér dan opgetogen over de hartelijke, ongekunstelde wijze, waarop zij hem tegemoet kwam en aan den ouden Prins in enkele woorden hun vroegere verhouding uitlegde, daarbij wel wijslijk zorgdragende, dat niets blijken zou van Imre's gevoelens tegenover haar. De Prins slikte het verhaal dan ook gracieuslijk en behandelde Imre met patroniseerende vriendelijkheid. Toen zij later een oogenblik met Imre alleen sprak, wist zij eenige veelbeteekenende opmerkingen te plaatsen over nieuw schijngeluk en oude, schoone herinneringen . . . . Van dat oogenblik af beschouwde Imre het als mogelijk, dat zij hem zou leeren liefhebben. Dat Irma een getrouwde vrouw was, liet hem volkomen onverschillig: maatschappelijke conventies waren vreemd aan zijn in menig opzicht nog onvervalschte Zigeuner-natuur. Zij stelde hem voor, ter wille van de oude tijden, hem maatschappelijk vooruit te helpen. Hoewel hij, als kunstenaar en geboren zwerver, daarvoor weinig gevoelde, verborg hij dit zorgvuldig voor haar, omdat hij zag (zij zorgde er terdege voor, dat hij het zag), dat het haar kwetsen zou, wanneer hij haar hulp afwees; en tot geen prijs wilde hij haar warme vriendschap in de waagschaal stellen. Waarheid was alleen, dat zij hem ook door dankbaarheid aan zich verbinden wilde. Enkele weken later werd Imre, die zich nu Géza Horváth noemde, op aanbeveling van Prins Morescu, secretaris van Aartshertog Stephan Otto. Het had Irma, die den ouden Prins geheel beheerschte, weinig moeite gekost, die aanbeveling te verkrijgen. Zij had haar echtgenoot in den waan gebracht, dat de jonge man inderdaad Géza Horváth heette en dat hij de zoon was van een Oostenrijkschen officier, die de onvoorzichtigheid gehad had, een Zigeunerin te trouwen en deze later met haar zoontje in den steek had gelaten. "Horváth" is een zeer algemeene naam in Oostenrijk en Hongarije, en de blonde haren van Imre bewezen de waarheid van het verhaal, dat bovendien een bevestiging vond in de blauwe oogen van zijn dochtertje! Trouwens, het verhaal was in hoofdzaak waar; slechts Imre's nieuwe naam en het huwelijk tusschen zijne ouders waren verzonnen. Prins Morescu was nooit snugger geweest en hij geloofde zijn vrouw blindelings. ## HOOFDSTUK XXX. DE WEG NAAR DE HEL. Het had Imre — of liever: Géza Horváth, zooals wij hem thans noemen moeten — een overwinning op zichzelven gekost om zijn functies bij den Aartshertog te aanvaarden. Vooreerst zou hij te Weenen moeten verblijf houden en Irma woonde te Bucharest. Maar zij had hem, schijnbaar zoo trouwhartig, gezegd, dat het beter was — ook voor haarzelve —, dat ze elkander niet dagelijks zien konden (waartoe zou dat op den duur moeten leiden?!), dat hij haar gelijk gegeven had. Weenen was dan even goed als elke andere stad. Het meest echter vreesde hij den sleur van dagelijks terugkeerende werkzaamheden! Zijn geheele leven had hij doorgebracht, van de eene plaats naar de andere trekkende; het zwerven was een deel van zijn natuur geworden. Hij gevoelde, dat hij niet leven kon, zonder nu en dan door velden en bosschen te dwalen, met de viool in de hand, levende zooals hij al die jaren geleefd had. Eerst nu voelde hij, hoe — bij al zijn ongeluk — dat vrije, ongebonden zwerversleven in gezelschap van zijn trouwe gezellin, de viool, die hem zijn vreugden en smarten vóórzong, hem een behoefte geworden was, die niet onvervuld kon blijven dan ten koste van zijn gezondheid en van zijn verstand! De Zige oors zijn de Nomaden onzer samenleving; keten hen aan den bodem, en zij kwijnen weg: hun levensmoed verdwijnt, hun muziek verstomt, zij verliezen elke belangstelling in hunne omgeving, die hun dan zoo innig treurig schijnt, alleen omdat zij altijd dezelfde is! Imre kende zichzelven; hij wist, dat hij zich niet kon laten ketenen! Maar toch was hij niet blind voor de lichtzijden van de positie, die hem werd aangeboden. Hij wist, dat hij een goed salaris verdienen en veel vrijen tijd hebben zou, de gelegenheid dus om zich in zijn muziek te verdiepen en om te lezen en te studeeren... ook dat was hem een levensbehoefte geworden. Bovendien: was niet dat aanbod het eerste bewijs van werkelijke belangstelling en vriendschap van Irma? Mocht en kon hij dat van de hand wijzen? Lang zocht hij naar een middel, dat hem het aannemen mogelijk maken kon, zonder dat het leven hem tot last worden zou. Toen verzon hij het sprookje van een oude moeder, die ergens in de buurt van Zsolna woonde, aan wie hij zeer gehecht was en die hij geregeld moest bezoeken. Aartshertog Stephan Otto was een goedige, oude heer, die niet gaarne veel moeite deed en blij was. zonder veel zoeken, een secretaris gevonden te hebben, die hem zoo warm door een zijner beste vrienden werd aanbevolen. Hij was dus zeer inschikkelijk en stelde Imre in het vooruitzicht, dat hij nu en dan voor korten tijd zijn moeder zou kunnen bezoeken. Imre nam dus de betrekking aan en deed zijn plicht, tot tevredenheid van den Aartshertog. Maar van diens inschikkelijkheid maakte hij feitelijk misbruik, zoodat ieder ander het hem kwalijk genomen zou hebben. Zijn meester was daarvoor echter te goedig en te gemakzuchtig; en zoo kwam het, dat de bezoeken aan zijn moeder dikwijls voorkwamen en lang duurden! In werkelijkheid zwierf hij dan rond in Noord-Hongarije, in de streken, die hem lief geworden waren, hoofdzakelijk omdat zij verbonden waren met de herinnering aan Irma. Het was misschien niet verstandig, dat hij juist die streken uitkoos voor zijn zwerftochten, maar het gevoel overheerschte bij hem steeds het verstand. Toch kon hij niet riskeeren, dat de zwervende Czigány herkend zou worden als de secretaris van Aartshertog Stephan Otto. En de kans daarop zou groot geweest zijn, want in zijn nieuwe functie ontmoette hij vele menschen, waaronder niet weinige, die hij te Zsolna, te Beszter-Czebánya of in een der andere Noord-Hongaarsche plaatsen tegen het lijf loopen kon. Ook kende men hem in het Noorden algemeen als den blonden Imre en men verbond daar zijn naam met dien van Irma; 't was beter, dat de blonde Imre even spoorloos verdween als zijn jonge vriendin reeds sinds jaren verdwenen was. Zoo verscheen dan in de buurt van Zsolna een nieuwe gestalte: Imre de Czigány, de man met de donkere lokken, de lange, zwarte snor en de donkere oogen, die de boeren op een afstand wist te houden, van wiens verleden niemand iets wist en die onverwachts verscheen om later even onverwachts weer voor weken te verdwijnen. Muziek als de zijne had men niet meer gehoord, sinds de blonde Imre verdwenen was. Herhaaldelijk werd hem dat verzekerd. maar het viel niemand in, dat hijzelf die blonde Imre zijn kon. Later nam hij de kleine Mariska mede op zijn zwerftochten. Ook zij was een Zigeunerkind, het zwerven zat haar in het bloed en de gedaante-verwisseling van haar vader vermaakte haar kostelijk. Zij was een schrander kind. dat zwijgen kon, vooral omdat zij wist dat, had zij over die gedaante-verwisseling gesproken, het met die prettige zwerftochten uit geweest zou zijn! Haar vader hield haar meestal ver van andere menschen: ook zij kon immers herkend worden! Maar zij genoot, met kinderlijke verrukking, van het leven in velden en bosschen. De bouwvallige hut, bij den weg van Kisfalva naar Vöröshegy, waarin eens de blonde Imre gehuisd had, diende vader en dochter bij zulke gelegenheden tot hoofdkwartier. Imre de Czigány was weldra bekend in de geheele streek. Ook de jonge Graaf Csadányi, wiens vader toen nog leefde, kende hem als een karakteristieke figuur uit de omgeving van het slot Vöröshegy. Hij liet zich menigmaal door den Czigány vóórspelen en ook hij verzekerde, dat hij zulk spel nooit meer gehoord had sinds de blonde Imre de streek verlaten had. Zoo stonden de zaken, toen Aartshertog Stephan Otto stierf en Imre in dienst trad van Aartshertog Karel August te Budapest. Hij deed dit niet, zonder daarover met Irme gecorrespondeerd te hebben, en deze had, sinds eenigen tijd, een zeer bizondere reden om zichzelve geluk te wenschen met de omstandigheid, dat zij Imre, iemand op wien zij rekenen kon, in de hoogste kringen geïntroduceerd had. Het was haar namelijk niet verborgen gebleven, dat het sinds eenigen tijd met de finantiën van den ouden Prins Morescu niet ging, zooals het gaan moest. Zij voorzag finantiëele tegenslagen en haar vindingrijk brein hield zich dikwijls bezig met de gedachte, dat Imre's invloed en positie mettertijd op hun beurt wel eens voor háár nuttig konden worden. Vooral dáárom was zij met hem in correspondentie gebleven: anders zou zij hem waarschijnlijk opnieuw vergeten hebben; maar Imre zag in het feit, dat zij hem schreef, natuurlijk een bewijs van vriendschap, misschien zelfs van méér dan vriendschap! Van zijn kant schreef hij hartelijk, soms onstuimig en weekhartig: zij was in haar brieven koel, maar toch niet koel genoeg om hem elke illusie te ontnemen! Enkele weken na den dood van Aartshertog Stephan Otto, stierf ook Prins Morescu, vrij plotseling, aan de gevolgen van een acute longontsteking. Irma was nu weduwe, en - zooals men algemeen geloofde - zéér rijk. In werkelijkheid was het gebleken, dat haar echtgenoot in de latere jaren van zijn leven door speculatiën aanzienlijke sommen verloren had. Zij had wel zoo iets verwacht, maar toch niet in de mate, waarin dit het geval bleek te zijn. Men kon haar zeker niet rijk, zelfs nauwelijks welgesteld noemen! Maar niettemin dacht zij er geen oogenblik aan, de tering naar de nering te zetten. Zij was een weelderig leven gewoon en niet voornemens zich in eenig opzicht te bekrimpen. Haar finantiën veroorloofden haar zulk een levenswijze niet en zij was dus bedacht op middelen om aan geld te komen. Dat die middelen het daglicht zouden kunnen verdragen, was, bij haar aanleg en karakter, nauwelijks te onderstellen! Zeer duidelijk gevoelde zij echter, dat zij, wilde zij haar slag slaan, daartoe hulp noodig had. En waar kon zij beter hulp vinden dan bij den vriend harer jeugd, van wien zij wist, dat hij voor haar door het vuur zou gaan, en — daarvoor was hij Czigány! — ter wille van zijn hartstocht alle overwegingen van wat geoorloofd of niet geoorloofd was op zijde zou zetten? Met kalme berekening besloot zij, Imre tot het werktuig te maken, dat haar in haar pogingen om aan geld te komen zou moeten bijstaan. Zij was zóózeer overtuigd van haar macht over hem, dat het haar geen oogenblik inviel, dat hij die rol wel eens niet op zich zou willen nemen! En later bleek, dat zij niet ten onrechte op hem gerekend had. Prinses Morescu, de rijke Rumeensche, vestigde zich te Budapest. Hare verhouding tot Géza \*Horváth, den secretaris van Aartshertog Karel August, was aan niemand bekend en zij zorgde ervoor, dat dit zoo bleef. Toen reeds kwam het plan bij haar op, door middel van de speeltafel aan geld te komen: Imre zou haar dan de slachtoffers moeten toevoeren, hetgeen hem in de omgeving, waarin hij leefde, niet moeilijk vallen zou. Maar het toeval bood haar een gunstiger gelegenheid. Géza Horváth redde het leven van het zoontje van den Aartshertog. Van dat oogenblik af was zijne verhouding tot dezen en de Aartshertogin eene andere en intiemere geworden. En de kleine jongen, die vroeger nauwelijks op hem gelet had, zocht dagelijks zijn gezelschap om met hem te spelen, en was niet tevreden, wanneer de secretaris hem 's avonds op zijn bedje niet goeden nacht kwam wenschen. Dit alles bracht Irma op een denkbeeld, dat zij aanvankelijk verwierp, maar dat haar niet losliet. En naarmate zij het meer overdacht, scheen het haar eenvoudiger en gemakkelijker uit te voeren. Om te begrijpen, hoe dit denkbeeld — het oplichten van den kleinen Aartshertog — bij haar rijpen kon, hoe zij zich daarmede meer en meer vertrouwd kon maken en hoe zij daarvoor ten slotte ook Imre winnen kon, moet men in het oog houden, dat beiden — hoezeer ook in aanleg verschillende — toch in enkele opzichten overeenkwamen, en wel vooral in sommige karaktertrekken, die aan bijna alle Zigeuners gemeen zijn. Minachting voor Wet en conventie, een zeker soort van genoegen in het om den tuin leiden van "eerzame" menschen, en een groote handigheid in spel en tegenspel, waar het betreft zich met anderen te meten in slimheid van denken en snelheid van handelen — dit alles was hun beiden aangeboren. Bij háar werden deze eigenschappen in dienst gesteld van haar heerschzucht en egoïsme, ja zelfs tegen den "vriend" zelven gebruikt; bij hèm ontwaakten zij eerst ten volle, toen het erop áankwam de "vriendin" te dienen! Kinderroof was in hun vroegste jeugd, voor hen een alledaagsche gebeurtenis geweest. Was niet Irma zelve een geroofd, of althans een verdwaald kind? De van geslacht op geslacht overgeleverde traditie ontnam daaraan voor hen het buitengewone en afschuwelijke, dat anderen juist in deze misdaad zien. Imre had in den aanvang groote bezwaren: het vertrouwen, dat de Aartshertog en de Aartshertogin hem schonken, de genegenheid, die de kleine jongen zelf hem bewees, hadden indruk op hem gemaakt en hem tot dankbaarheid gestemd. Maar de dankbaarheid van Zigeuners is meestal niet diep geworteld: zij hechten zich meer aan hen, wien zij diensten bewijzen, dan aan hen, van wie zij diensten ontvangen. En bovendien: bij Imre was de hartstocht voor Irma in het spel! Dat wist deze en daarop speculeerde zij, hem steeds op een afstand houdende, maar toch niet genoegzaam, om hem de hoop te ontnemen, dat, als hij haar hielp door dik en dun, die afstand kleiner en kleiner worden zou, totdat .. Het duizelde hem als hij verder dacht. Want zijn hartstocht was die van den Zigeuner: bescheiden, bijna schuchter in den aanvang, woest en ontstuimig, als hij groeit, maar van het eerste oogenblik waarop hij tot het bewustzijn doordringt, alle gedachten en handelingen beheerschend. Daartegenover is dankbaarheid jegens anderen niet dan een zwakke rem, eerbied voor hunne gevoelens niet dan een zotte conventie! En eerbied voor geschreven wetten ... deze kent de Czigany niet, wanneer zij botsen met zijn hartstochtelijken wil! De uitvoering van het plan bleek verrassend eenvoudig, omdat de misdaad zoo volkomen onverwachts gepleegd werd, en omdat niemand kon vermoeden, dat Prinses Morescu en Géza Horváth elkander anders kenden dan van een oppervlakkige ontmoeting op enkele soirées; maar vooral omdat men hèm volkomen vertrouwde en háár als een "grande dame" beschouwde, die rijk was en in geen enkel verband tot het gebeurde scheen te staan. Op een donkeren herfstavond kwam Géza Horváth op de kamer van zijn kleine vriendje, om hem goeden nacht te zeggen. De bonne werd onder een handig voorwendsel verwijderd. Daarop werd het ventje met een lichte dosis chloroform bedwelmd en uit het raam (dat op den grooten, op dat oogenblik stik-donkeren "Hof" uitkwam) aan Irma toegereikt, die, in de kleeding van een werkvrouw, door den uitsluitend voor bedienden bestemden achter-ingang naar binnen was gekomen. Het kind werd in een ruwen doek gewikkeld en de voorbijgangers zagen een oogenblik later een werkvrouw, met een groot pak onder den arm, uit den dienstuitgang van het paleis komen: een heel alledaagsch gezicht! Toen de bonne kort daarop terugkwam, trad Géza Horváth haar in de gang tegemoet met de mededeeling, dat het kind reeds sliep en zij beter deed niet meer binnen te gaan. Zij bleef daarop in een klein nevenvertrek, haar vaste plaats, wanneer 's avonds de kleine Aartshertog was ingeslapen. Eerst uren later werd ontdekt, dat deze verdwenen was Niemand dacht er ook maar aan, Géza Horváth, die immers het kind van den dood gered had, met dit verdwijnen in verband te brengen. Bovendien was hij, hoewel hij zeer ontsteld scheen, de eerste, die zich genoegzaam meester werd om de politie te waarschuwen. Hij nam ijverig deel aan de nasporingen, waarmede hij den dank inoogste van den Aartshertog en diens vrouw. In werkelijkheid was het zijn doel, de politie op een dwaalspoor te brengen, en dat gelukte hem volkomen. Enkele dagen later, terwijl de politie te Budapest en in geheel Hongarije druk in de weer was, voer Imre de Czigány, met zijn dochtertje, op een van de snelvarende stoombooten de Donau af naar Weenen. Zigeuner-muziek daar aan boord was iets heel gewoons en noch hij, noch het kleine meisje, dat hij bij zich had, trok bizonder de aandacht. Dat dit meisje, zoo stil in een hoekje gezeten, niemand anders was dan het jonge Aartshertogje, dat men de haren zwartgeverfd en in meisjeskleeren gestoken had, vermoedde niemand. Te Weenen ontmoette hij Irma en den volgenden dag passeerde een Hongaarsche Gravin Hojos, mèt haar kleine dochtertje, te Tetschen de Oostenrijksch-Duitsche grens.
Een heel alledaagsch gezicht!
Voorloopig zou Imre, in de gedaante van Géza Horváth, in zijn betrekking van secretaris werkzaam blijven. Immers, nu moesten de vruchten geplukt worden van het stoute stuk, dat men bedreven had. Hoe de afdreigbrieven telkens op de schrijftafel van den Aartshertog kwamen, zal thans ieder duidelijk zijn. Dat de secretaris, wien het verdwenen jongetje zoo'n goed hart had toegedragen en die de vriendschap van den Aartshertog genoot, telkens met het bezorgen der afgeperste sommen belast werd, was niet meer dan natuurlijk. Hij liet zich dan steeds één of meer dagen zien òp of nabij de plaats, waar - naar het heette - het geld bezorgd moest worden, en expedieerde het vervolgens naar Irma te Berlijn. Het is een zeldzaam bewijs van de tegenstrijdigheden in Imre's karakter, dat hij, zonder veel gewetensbezwaren te voelen, zijn meester beloog en bestal. maar dat hijzelf van het gestolen geld geen cent behield: hij werkte voor Irma, niet voor zichzelven. Of eigenlijk ook alweer wel voor zichzelven; want in de verte wenkte steeds het droombeeld, dat hij zichzelven gevormd had: Irma. eindelijk gewonnen, Irma, eindelijk de zijne! En hoe beloonde zij deze toewijding, die zelfs voor de misdaad niet terugdeinsde? Met de rest van haar vermogen en de gelden, die Imre haar toezond wist zij, zonder op te vallen en zonder argwaan te wekken, haar oorspronkelijk plan uit te voeren: haar weelderige woning werd een geheim speelhol. Zijzelve was daarvan het aantrekkingspunt, vooral voor jonge, rijke mannen. Slechts zelden gaf zij zich, zooals aan Karoly Keller; later had zij daarvan meestal berouw en verbrak ruw den band, dien zij nooit als blijvend bedoeld had. In haar leven was het geheele treurspel van den jongen Keller niet meer dan een incident geweest; het was een zuiver toeval, dat juist dit de Nemesis te voorschijn riep, die haar ten slotte treffen zou! Gravin Hojos verdiende veel geld, maar zij had ook veel geld noodig. Aan de toekomst dacht zij nooit of zelden. Als er tijdelijke geldnood dreigde, werd Imre aan den arbeid gezet en verscheen er weer een brief op de schrijftafel van Aartshertog Karel August, weldra gevolgd door een remise naar Berlijn. Ware Imre haar niet op deze wijze nuttig geweest, zij zou geheel uit zijn leven verdwenen zijn. Nu was het een der moeielijkste vraagstukken, die zij op te lossen had, hem ver van zich te houden en toch tot haar dienst te dwingen. Men denke niet, dat Imre deze slavernij, waarin hij vele jaren leefde, zonder protest aanvaardde. Hij vocht ertegen tot zijn gezondheid en zijn verstand eronder leden: de vroegere eenzelvigheid en somberheid keerden meer meer terug, en, hoewel hij zijn taak als secretaris bleef vervullen, leefde hij alleen, wanneer hij als Imre de Czigány door bergen en dalen zwierf. Herhaaldelijk drong hij er onstuimig op aan, dat dit alles een einde nemen zou. Eéns zelfs stond hij te Berlijn onverwachts voor Gravin Hojos; maar haar tact, haar volkomen gebrek aan geweten en haar bijna daemonische schoonheid brachten hem telkens weder onder het juk. Van haar sporadische avonturen met andere mannen had hij geen flauw vermoeden; in dit opzicht geloofde hij haar eerbaar, zooals vele Zigeunervrouwen. Zelfs toen zij hem - als uiterste middel om hem in het gareel te houden! - in bedekte termen te kennen gaf, dat zij hem geheel in haar macht had (één anoniem briefje aan den Aartshertog en de gevolgen zouden niet aangenaam voor hem zijn!) bleef hij zich krampachtig vastklemmen aan zijn toekomstillusiën. Want hij gevoelde, dat hij, mèt deze, zichzelven verliezen zou. Zoo liep bij Imre de weg naar de hel niet over goede voornemens, maar over telkens opgewekte en dan weer teleurgestelde verwachtingen. Toen Gravin Hojos uit Berlijn verdween en Prinses Morescu zich te Londen vestigde, hoorde hij eenigen tijd niets van haar. Toen kwam er weder een vraag om geld en moest het oude spel opnieuw gespeeld worden. Ditmaal deed hij dat bijna met opgewektheid, want Irma had hem geschreven, dat zij spoedig naar Hongarije zou terugkeeren! Te Londen had Prinses Morescu den jongen Graaf Csadányi ontmoet. Toen gebeurde er iets, dat haarzelve verraste: deze vrouw, die in koelen bloede en met onbeschaamde harteloosheid met de liefde van zoovele mannen gespeeld had, viel eindelijk zelve ten offer aan de pijlen van den gevleugelden God! Reeds als jong meisje had zij voor den jongen Graaf, dien zij enkele malen gezien had, een "bevlieging" gehad; toen zij hem opnieuw (en thans op voet van gelijkheid) ontmoette, bleek die bevlieging plotseling tot hartstocht te rijpen. Zonder ook maar een oogenblik te denken aan de gevolgen, die in haar omstandigheden niet konden uitblijven, gaf zij zich geheel over aan dit voor haar nieuwe gevoel. Het kostte haar, met haar stralende schoonheid en klinkenden titel, weinig moeite, den Graaf aan hare voeten te brengen. Hij maakte haar tot zijn vrouw. ## HOOFDSTUK XXXI. IN SLAVERNIJ. In gewone omstandigheden zou Irma niet geschroomd hebben, thans voor goed een einde te maken aan haar verhouding tot Imre, die haar meer en meer hinderde in hare bewegingen. Graaf Csadányi was een vermogend man; voortaan zou zij niet haar toevlucht hebben te nemen tot toch altijd meer of min gevaarlijke manoeuvres om het geld machtig te worden, dat zij noodig had. En toch kon zij, in dit opzicht, nog niet buiten Imre's hulp. Immers de leugen omtrent haar rijkdom begon zich thans te wreken. Tegenover haar man had zij in zóóverre open kaart gespeeld, dat zij hem vóór het huwelijk bekend had, niet die rijkdommen te bezitten, die men haar toeschreef. Maar zij kon niet bekennen, dat zij eigenlijk geheel zonder middelen was, omdat zij anders vragen zou hebben uitgelokt naar de herkomst van het geld, waarvan zij vroeger een grooten staat gevoerd had. Zij behield zich dus quasi "het beheer harer eigen goederen" voor. Maar dan was het ook noodig, dat die goederen nu en dan inkomsten gaven. Daarvoor was de hulp van Imre haar nog steeds onontbeerlijk. Zij sloeg den eenigen weg in, die (zij voelde dit instinctmatig) tot haar doel voeren kon. Nog vóór haar huwelijk schreef zij openhartig aan Imre. Het was misschien de eenige keer, dat zij tegenover hem openhartig geweest was. Wel sprak zij in haar brief veel over haar eeuwige dankbaarheid en vriendschap (en dat was niet openhartig, want het was louter berekening), maar zonder eenige terughouding schreef zij aan hem — haar besten vriend! —, hoe zij plotseling, als tegen haar wil, Graaf Csadányi hartstochtelijk had leeren liefhebben. Imre mocht haar dat verwijten, maar zij kon niet anders! Hij zou moeten bekennen, dat zij hem altijd had beschouwd als haar besten vriend, maar nooit een alles overheerschenden hartstocht voor hem getoond had. Hij was edelmoedig geweest en haar vriend gebleven, ook al was zij hem nooit méér geweest dan een vriendin. Maar zij had hulp van hem aangenomen en zij begreep, dat hij een zeker recht op haar verkregen had. Daarom stelde zij haar lot in zijne handen: als hij dat wenschte, zou zij haar engagement verbreken! Zoo ongeveer schreef zij hem. Het was een gewaagde proefneming, maar zij begreep Imre's karakter beter dan hij dat zelf begreep. Haar schrijven bracht hem tot wanhoop, maar het was de wanhoop van een gebroken en niet van een verbitterd hart. Was niet haar plotseling ontwaakte liefde, zooals zij die beschreef, van dezelfde fatale en medesleepende kracht, die zijn liefde voor háár kenmerkte? Verkeerden zij niet beiden in hetzelfde geval: het plotseling krachtig herleven van een onderdrukte neiging uit de dagen der jeugd? Al wat aan romantiek en sentimentaliteit in Imre's hart schuilde, ontwaakte! Dezelfde man, die zijn meester, die hem vertrouwde, bestolen en ongelukkig gemaakt had, offerde zich op voor de misdadige vrouw, die hij liefhad en rein geloofde. Hij onderwierp zich en was van toen af een gebroken man. Enkele maanden later ontving hij bericht van haar, dat zij met haar man op Vöröshegy komen zou. Zij legde hem hare moeielijkheden op finantieel gebied uit en verzocht nog eens zijne tusschenkomst (!) om haar Kr. 50.000 te bezorgen. Hij stemde toe, maar drong tevens aan op een ontmoeting, die zij hem ook toezegde. Er bestond voor zijn verlangen een bepaalde reden. Toen Gravin Hojos uit Berlijn vertrok, had zij den kleinen Aartshertog, die onder den naam van Mihály voor haa zoontje doorging, niet willen medenemen. Zij had hem doo een vertrouwden bediende naar Hongarije doen terugbrengen. Het kind was bij de ontvoering veel te jong geweest dan dat het zich thans nog iets van zijn afkomst heriuneren kon. Imre nam het bij zich aan huis. Het liefst had hij het aardige jongetje aan de ouders teruggegeven; maar hij durfde dit niet voor eigen veiligheid. Herkenning was na al dien tijd niet meer te vreezen. En vreemd, deze man, die het kind een onherstelbare schade berokkend had, hechtte zich met een bijna fanatieke liefde aan zijn slacht-offer! En Mihály hing wederkeerig met heel zijn kinderhartje aan hèm! Het was over dit kind, dat hij met Irma spreken wilde. Juist te dezer tijd deed Aartshertogin Ziska, tot wie hij, als haar muziek-onderwijzer, in eenigszins vertrouwelijke verhouding was komen te staan, hem de mededeeling, dat men Geoffrey Gill, een bekenden Engelschen detective, had opgedragen, de zaak van het verdwenen kind opnieuw ter hand te nemen, naar aanleiding van den dreigbrief, die thans weder aan den Aartshertog bezorgd was. Wanneer hij — Géza Horváth — naar de aangeduide plaats op den weg naar Vöröshegy ging om het geld te deponeeren, moest hij echter niet laten blijken, iets van dien detective te weten: dezen toch was geheimhouding beloofd. Gevaar!.. Gevaar ook voor Irma! Opeens ontwaakten al Imre's instinctmatige gaven van spel en wederspel op het schaakbord van list en vernuft! Hij zette zich met meer geestdrift dan hij in langen tijd voor iets gevoeld had, aan dat schaakbord tegenover den hem onbekenden Geoffrey Gill! Het was hem, in de opwinding van dit spel, alsof zijn jeugd terugkeerde! Toen hij mijne vrouw en mij op weg naar Vöröshegy ontmoette, hield hij mij inderdaad voor den detective, maar toen hij den volgenden dag, in de ruïne verborgen, de aankomst van den Graaf en de Gravin, in gezelschap van Majoor Curtis, had bespied, verkeerde hij in twijfel of deze laatste niet de man was, tegen wien hij het spel had opgenomen. Hij ging onmiddellijk terug naar de vervallen hut in het bosch, schreef daar het adres van Geoffrey Gill op een enveloppe en sloot daarin een vel wit papier. Op den omslag plakte hij een gebruikten postzegel en werkte den stempel zorgvuldig bij. Daarop wachtte hij den postbode af op zijn dagelijkschen weg naar Vöröshegy en wist dezen voor geld en goede woorden te bewegen, den brief, met de post voor Vöröshegy, af te geven. De geheele manoeuvre was slim bedacht, maar toch onhandig, omdat een meer geoefende falsaris zich geen oogenblik zon hebben overgegeven aan de illusie, dat een detective deze primitieve vervalsching niet ontdekken zou. Zooals G. G. begrepen had, was Imre, toen Keller de post aan den Graaf overhandigde, op het slotplein tegenwoordig, teneinde den indruk waar te nemen, dien de verrassing op G. G. en op mij maken zou. Het gevolg was, dat hij mij voor den detective hield. Dien avond had hij in het slotpark een samenkomst met de Gravin, waarvan G. G. en ik het einde bijwoonden. Zijn heftigheid, zijn hartstocht en de dreigende houding. die hij een oogenblik aannam, behoeven geen verklaring meer! De onderstellingen, die de detective omtrent dit onderhoud reeds vroeger tegenover ons had uitgesproken, waren volkomen juist geweest. Om Imre te overtuigen, dat Majoor Curtis - en niet ik - de detective was, zoodat deze in het oog moest gehouden worden, opperde de Gravin het plan, Mariska (die, als steeds, medegekomen was), als jongen verkleed, onder de aandacht van ons beiden te brengen. Verder werd afgesproken, dat Imre - in de gedaante van Géza Horváth - het geld op den aangewezen tijd en plaats inderdaad verbergen zou, om mogelijke spionnen om den tuin te leiden (de latere gebeurtenissen deden hem van dit voornemen afzien). Maar voornamelijk liep hun gesprek over den kleinen Mihály, het geroofde Aartshertogje. Imre drong er met onstuimigheid op aan, dit kind nu eindelijk aan de ouders terug te geven, maar de Gravin, die in de toekomst nog menigmaal geld zou noodig hebben, verzette zich daartegen met even groote onstuimigheid. Toen Imre evenwel op zijn stuk bleef staan, gebruikte zij een argument, waarvan zij de kracht wel vermoeden kon: haar doodelijke vrees voor Graaf Csadányi, wanneer deze zou ontdekken, dat zij geheel zonder middelen was en zij hem daaromtrent geene verklaring zou kunnen geven. Zij schilderde haar echtgenoot als een wantrouwend en driftig man en ging zóóver, te verklaren, dat, zoo hij ontdekte dat zij hem bedrogen had, dit haar ongetwijfeld het leven kosten zou. Zij wist haar vrees daarvoor zóó natuurlijk te spelen, dat Imre inderdaad ervan overtuigd geraakte, dat haar leven aan een draad hing, wanneer er kans op ontdekking mocht ontstaan. Irma, die hem zoo dóór en dóór kende, deed een pathetisch beroep op zijn edelmoedigheid: door het bedrog omtrent den kleinen Mihály nog eenigen tijd vol te houden, zou hij haar het leven redden! Anders zou zij, zonder twijfel, het offer worden van de woede van haar man! En Imre, die weder geheel onder de bekoring van haar schoonheid geraakt was, nam dit voetstoots aan. Hij verliet haar onder den indruk, dat zij niet gelukkig was in haar huwelijk en in grooten angst voor haar man leefde! En, in zijn romantische edelmoedigheid, zwoer hij, haar te zullen beschermen, wanneer die man zich ooit tegen haar keeren mocht. Toen hij, kort daarop, haar dood vernam — een tijding, die hem (zooals ik tot mijn schade ondervond) een oogenblik half krankzinnig maakte —, schoot de gedachte als een bliksemflits door zijn brein, dat dit het werk van den Graaf was, die (hoe wist hij niet!) haar bedrog ontdekt had! Hij twijfelde geen oogenblik aan de juistheid van dit vermoeden. Nu hij haar beschermer niet meer kon zijn, zwoer hij, dat hij haar wreker worden zou! Maar op den dag van het feest van den Wijnoogst leefde de Gravin nog. Niemand herkende in de statige, beeldschoone Gravin het magere, mooie Zigeunermeisje van vroeger. Toen werd de comedie met den kleinen God Bacchus afgespeeld. Het doel daarvan had G. G. zeer juist ingezien. Maar hij had zijn tegenstander onderschat. Deze mocht, als hij handelde, falen, door gebrek aan oefening (men denke aan de onhandige manoeuvre met den valschen poststempel!), zijn denken was buitengewoon scherp en logisch. De detective deed mij als kindervriend poseeren en verwachtte, dat Imre daaruit besluiten zou, dat ik mij bizonder voor het jongetje, dat wij voor het Aartshertogie hielden, interesseerde en ik dus de detective was. Het resultaat was juist andersom: Imre redeneerde, dat een detective, die zijn identiteit verbergen wilde, zich zeker niet blootgeven zou; en daarom kwam hij tot het besluit dat niet ik, maar Majoor Curtis de detective was! Toen wij het kind later in het slot gelokt hadden (hij had alles, wat daarmede in verband stond, gezien of vermoed), en hij ons zoo plotseling kwam verrassen, werd hij in deze zienswijze bevestigd, doordat Majoor Curtis de leiding op zich nam en — dit was immers karakteristiek voor dezen — den toestand beheerschte, voorzooverre die te beheerschen was. In dit opzicht — het verbergen zijner identiteit — had G. G. dus gefaald. Maar hij had de beteekenis van het daarop gevolgde geheimzinnige verschijnen op de kamer van Majoor Curtis van den aan Geoffrey Gill geadresseerden brief wederom geheel juist verklaard. Imre had ons die verrassing bereid uit louter bravoure, om te toonen, dat hij ons doorgrond had! Waarschijnlijk had de Gravin aan Béla Keller opdracht gegeven, den "onbestelbaren" brief aan Imre den Czigány mede te geven. Het heette dan, dat deze hem naar het postkantoor te Kisfalva zou terugbrengen: in werkelijkheid bezorgde hij hem op de kamer van Majoor Curtis, als teeken van triomf! Imre de Czigány bracht dienzelfden avond zijn dochtertje naar de hut in het bosch. Hij zelf kon geen rust vinden en was blij, dat hij zich te Kisfalva onder de feestvierende boeren begeven kon: alles was beter dan alleen zijn! Daarop volgde zijn nachtelijke ontmoeting met mij, die eindigde met de voor hem verpletterende tijding van den dood der Gravin. Zooals reeds gezegd is, besloot hij de vermoorde vrouw te wreken op hem, dien hij voor haar moordenaar hield. Den volgenden ochtend haalde hij Mariska en bracht haar naar het station te Kisfalva. Hij zette haar op den trein het kleine meisje, nu weer gekleed als een kind uit den beteren stand, was in het minst niet bang om alleen te reizen en had dat reeds dikwijls gedaan -, ging daarop naar de hut terug, schreef den brief aan Majoor Curtis, dien deze later van Brigadier Kemény in ontvangst nam, en ging naar Vöröshegy om te trachten, tot den Graaf door te dringen. Dit gelukte hem niet, en hij begreep, dat hij, zoolang de politie op Vörðshegy was, daarop ook geen kans hebben zou, althans niet in zijn gedaante van Imre den Cziginy. Hij besloot dus naar Budapest terug te gaan en zijn kwaliteit van secretaris van den Aartshertog te baat te nemen, om later op Vöröshegy zijn doel te bereiken. Hoewel hij aan "Majoor Curtis" geschreven had, dat hij de K. 50.000 voor dezen bestemde, wanneer de Graaf aan den Rechter zou worden overgeleverd, was hij er vast van overtuigd, dat dit niet geschieden zou. Met het instinct, dat zoo dikwijls uit den haat geboren wordt, gevoelde hij, dat niemand op Vöröshegy, ook de detective niet, aan de schuld van Graaf Csadányi geloofde. Des te vaster was hij besloten, zelf recht te oefenen! Géza Horváth had in het paleis van Aartshertog Karel August zijn appartementen; maar daarnevens had hij, sinds eenigen tijd, onder een valschen naam een woning gehuurd in de "Müller"-straat. Hij had dit gedaan, toen de kleine Mihály tot hem gekomen was. Dezen toch kon hij niet in het paleis onder dak brengen. De beide kinderen woonden, onder toezicht van een bonne, in die nieuw-gehuurde woning en de kleine Mihály gold voor zijn zoontje. Géza Horváth bracht, wanneer hij te Budapest was, het grootste deel van zijn vrijen tijd in deze woning door. De bonne had strenge instructies, ertegen te waken, dat geene vreemden met de kinderen in aanraking zouden komen. Wanneer Géza Horváth als Imre de Czigány buiten Budapest was, liet hij den kleinen Mihály altijd thuis. Deze was daaraan zóó gewoon geraakt, dat hij er niets bizonders of onaangenaams meer in zag. Imre's gedaante-verwisseling bleef dientengevolge voor den kleinen jongen steeds verborgen, hetgeen ook wenschelijk was. Immers anders zouden de kinderen daarover allicht samen gesproken hebben, in tegenwoordigheid van derden: vooral het jongetje was een spraakzaam, impulsief kind, dat moeilijk zwijgen kon. Mariska daarentegen was meer ernstig en, waar zij reeds zoo lang het geheim bewaard had, zou zij zeker blijven zwijgen, ook tegenover den kleinen Mihály. Aan de hand van wat thans is medegedeeld, zullen de gebeurtenissen, die te Budapest plaats vonden en die mijne vrouw en mij toen menigmaal onbegrijpelijk schenen, haar natuurlijke verklaring vinden. Het is niet noodig, die nog in bizonderheden na te gaan. Op dien laatsten avond, toen Maud Imre aan zijn vioolspel herkend had, was het (zooals zij terecht vermoedde) op het oogenblik, waarop hare oogen de zijne ontmoetten, plotseling tot hem doorgedrongen, dat zij hem herkende. Vandaar zijn ontsteltenis, die hij niet verbergen kon, maar spoedig wist te bedwingen. Het was hem toen tevens duidelijk, dat, wilde hij niet afstand doen van zijn wraak, hij onmiddellijk handelen moest; want hij kon niet anders verwachten dan dat zijn ontmaskering nu voor de deur stond. Hoe hij daarop te werk ging en hoe G. G. één oogenblik te laat kwam om zijn reis naar Vöröshegy te beletten, is 'den lezer bekend. Wat de latere gebeurtenissen op weg naar Vöröshegy en op het slot zelf betreft, ook hieromtrent zijn nauwelijks ophelderingen noodig. Gezien in het licht, dat door de bekendheid met Imre's geschiedenis daarop gevallen was, bevatten zij voor ons niets onbegrijpelijks meer. Maar toch is er nog één omstandigheid, waarop gewezen moet worden. Géza Horváth had, blijkens het schrijven, dat hij in zijn woning in de "Muller"-straat had achtergelaten, het vaste voornemen opgevat, den Graaf te dooden en vervolgens zichzelven van het leven te berooven. Het was voor hem een vreeslijke gewaarwording, toen hij bemerkte, dat hij op het punt gestaan had een onschuldige te treffen! Maar véél vreeslijker, werkelijk ontzettend, na alles wat hij had doorgemaakt, was het geweest, toen hij — door het verhaal van Bela Keller — tot de ervaring kwam, dat Irma, die hij, niettegenstaande alles, steeds gehouden had voor een reine vrouw, en die hij daarom zelf, ook in de wildste oogenblikken van zijn hartstocht, gerespecteerd had, zich aan anderen had gegeven! Een gevoel van namelooze bitterheid vervulde hem: de weerspiegeling daarvan had ik op zijn gelaat gezien. En later, toen hij troost zocht bij zijn muziek, had die hem, voor de eerste maal, geen troost meer kunnen schenken! Dat was voor hem de genadeslag: zijn weerstandskracht was gebroken. Hij vernielde zijn instrument en de man, dien wij aan den voet van de roode rotsen opnamen, had den strijd gestreden.. tot het bittere einde!
* * *
Dit was de geschiedenis van Imre den Czigány, zooals G. G. die deels van zijn eigen lippen vernomen had, deels had kunnen afleiden uit waarneming en informatie. Wie oordeelen wil naar de strenge voorschriften van zedelijkheid en recht, zal in hem een misdadiger zien. Maar wie meent, dat veel lijden groote schuld zoenen kan, zal hem beschouwen als een beklagenswaardig mensch, die, bij al zijn minachting voor de wetten der samenleving, edele en groote eigenschappen bezat. En — hoewel ik jurist ben — moet ik bekennen, dat ik mij in deze liever schaar bij hen, die zacht oordeelen, dan bij de onverbiddelijke handhavers van Wet en Recht. ## BESLUIT. Er valt nog slechts weinig te verhalen. Te Budapest teruggekeerd, troffen wij daar mijne vrouw in den besten welstand aan. Zij had zich van haar plicht gekweten en het was voor haar een onvergetelijk oogenblik geweest, toen zij den lieven, kleinen jongen aan zijne ouders had kunnen teruggeven. Over den lof die aan G. G. kwistig en uit dankbare harten te beurt viel, behoef ik niet uit te wijden. Ook mijne vrouw en ik deelden daarin voor een groot — eigenlijk een veel te groot — deel! Die lof werd, naar de wijze der grooten, mede uitgedrukt in een hooge decoratie, die mijn vriend en ik ontvingen. Maar het licht van nieuw geluk en nieuwen levensmoed, dat wij in de oogen der ouders zagen, was ons een grootere belooning. De geschiedenis van Imre den Czigány werd aan den Aartshertog slechts medegedeeld, voor zooverre dat strikt noodzakelijk was. Wij spraken over "eene medeplichtige", maar wie die medeplichtige geweest was, zeiden wij niet: wij gaven voor, dat wij dit niet hadden kunnen ontdekken. Ook Graaf Csadányi heeft de geschiedenis van zijne vrouw nooit geheel vernomen en de verklaring van den aanslag, door Imre op hem gepleegd, hebben wij hem nooit gegeven. Hij nam - ook in verband met Imre's zelfmoord - aan, dat hij met een half-krankzinnigen te doen had gehad. De tijding, dat de Gravin door de slotbewaarster van Vöröshegy vermoord was, maakte in Hongarije veel sensatie. Die moord werd beschouwd als in waanzin gepleegd - een verklaring, die voor de hand lag en door niemand werd tegengesproken. Zoo bleef de eer der Csadányi's ongerept: niemand heeft ooit geweten, wie en wat de Gravin geweest was. Graaf Csadányi zelf is, enkele jaren geleden, bij een spoorwegongeluk om het leven gekomen. Ware dit niet geschied, waarschijnlijk zou het verhaal van onze avonturen op Vöröshegy ongeschreven gebleven zijn. Wetende, dat ik er een eer in stel, de ondervindingen, van mijn vriend Geoffrey Gill te beschrijven, had de Graaf mij gemachtigd, het gebeurde op Vöröshegy — mits met gebruikmaking van gefingeerde namen — mede te deelen, voor het geval hij kinderloos mocht overlijden. En hij stierf, als de laatste van zijn geslacht. Van zijn machtiging heb ik gebruik gemaakt en de daarbij gestelde voorwaarde vervuld. De herinnering aan hem leeft bij ons voort: hij was een nobele, hoogstaande figuur, de type van den Hongaarschen edelman, zooals wij ons dien in het buitenland gewoonlijk voorstellen. In zijn geval was die voorstelling zeker niet geflatteerd. De Graaf heeft aan Béla Keller een aanzienlijke som vermaakt. Deze heeft zijn vroegere betrekking van houtvester teruggekregen: het wonen op Vöröshegy zou voor hem een zedelijke marteling geworden zijn Na den dood van Graaf Csadányi werd hij door diens erfgenamen in zijn betrekking gehandhaafd. Ilonka is sinds eenige jaren getrouwd met een welgestelden grondbezitter uit het Banaat; maar zij en haar man komen Béla Keller dikwijls opzoeken in zijne eenzaamheid. Die eenzaamheid drukt den ouden man niet zwaar: hij leeft voor de plichten van zijn beroep en in de herinnering aan vroegere, gelukkige tijden. Met groote energie heeft hij zich héëngezet over de moreele depressie, die het gevolg was van de vreeslijke slagen, hem door het noodlot toegebracht. En de kleine Mariska? - Met groot leedwezen ontdekten mijne vrouw en ik onmiddellijk, dat het Aartshertogelijk paar, hoewel het zich alle moeite gaf om vriendelijk tegen het kind te zijn, toch een gevoel van weerzin niet onderdrukken kon bij de gedachte, dat dit Zigeunerkind de dochter was van den man, die hun zoo ontzaglijk veel leed berokkend had Mijn vrouw is - zoos als de lezer weet - verstandig en energiek; zij kwam met. het voorstel voor den dag, dat wij ons het lot van Mariska zouden aantrekken. De lezer zal zich wel herinneren, dat ik eenigszins nuchter aangelegd ben; ware dit niet het geval geweest, misschien had ik mij laten afschrikken door romantische denkbeelden omtrent de zonden der ouders, die in de kinderen herleven, en dergelijke hersenschimmen meer. Daar ik echter Imre — ik heb dit reeds bekend — met den besten wil maar niet als een gemeenen misdadiger beschouwen kan en Mariska's moeder een volgzame, vriendelijke vrouw schijnt geweest te zijn, bewaarde mijn nuchterheid mij voor dwaze overijling. Wij hebben Mariska medegenomen naar Holland, en, daar ons huwelijk kinderloos gebleven is, beschouwen wij haar als ons dochtertje. Tot dusverre hebben wij daarvan nog geen oogenblik berouw gehad. Wij hebben eenigszins in twijfel verkeerd over de vraag, wat er gebeuren moest met de K. 100.000, die Imre voor zijn dochtertje bij de Kommerzialbank gedeponeerd had. Was dit inderdaad eerlijk verdiend geld, zooals Imre beweerd had?... Wij twijfelden!... Toen hebben wij den knoop maar dóórgehakt en het zekere voor het onzekere genomen. Het geld werd geschonken aan een Vereeniging voor verwaarloosde kinderen te Budapest en ikzelf stortte een bedrag van f 50.000 op naam van Mariska (die nu den naam van "Horváth" draagt, maar door al onze kennissen Marie Hendriks genoemd wordt, hetgeen meer nuchter, maar ook meer solide klinkt) bij een Nederlandsche Bankinstelling. Zoo komt niemand te kort en is elkeen tevreden! Over G. G. kan ik kort zijn. Het bedrag van Kr. 50.000, dat inderdaad, op aanwijzing van Géza Horváth, in diens schrijftafel gevonden werd, stelde mijn vriend natuurlijk aan den Aartshertog ter hand. Deze echter wilde daarvan niets weten en zond hem den volgenden dag het dubbele van die som terug. Ook G. G. kon dus tevreden zijn! Maar dat hij deze vorstelijke belooning verdiend had, was buiten twijfel. Als kostbare herinnering bewaart hij nog steeds den "Catalogus", waarvan thans alle vragen beantwoord zijn. Dat Geoffrey Gill zijn gevaarlijk en eervol beroep met succes blijft uitoefenen, weet een ieder, die geen vreemdeling is in de crimineele geschiedenis van onzen tijd. Van harte hoop ik, dat het niet de laatste maal zal zijn, dat ik iets uit zijn veelbewogen leven heb medegedeeld! Ten slotte een reisavontuur. Enkele maanden geleden moest ik voor zaken te Budapest zijn. Aan het Westerstation heerschte een geweldige drukte, zoodat ik geen rijtuig of taxi kon machtig worden. Ik nam dus een "hordár" (kruier) om mijn handkoffer te dragen en wandelde met hem naar Hotel Hungaria. Onderweg ontdekte ik, dat mijn "hordár" stomdronken was, zoodat ik den hemel dankte, toen wij aan het hotel kwamen. Dáár, in het licht der electrische lantarens, zette hij het handkoffertje met een sierlijken zwaai op den grond en nam, met een breed gebaar, de genummerde pet van het hoofd. "Nagyságos ur!" — zeide hij met 'n schorre stem en op een huilerigen toon, die vage herinneringen bij mij wekte. "Waaraan heb ik het te danken, dat een beschaafd en hooggeboren Heer mij niet meer kennen wil? Het uiterlijk is maar schijn, genadige Heer, alleen op het innerlijk komt het aan, en ook het kleed van den 'hordár' kan een man van beschaving dekken! Ik bèn 'n beschaafd man, die Duitsch verstaat en spreekt, zooals Uw Hoogwelgeboren op dit oogenblik bemerken kan. Wil de genadige Heer zich niet verwaardigen terug te denken aan dien onvergetelijken nacht in Kisfalva, toen ik dat zwijn, dien hond, dien dief, Imre den Czigány, zoo danig heb afgestraft? Herinnert U zich niet meer, hoe U en ik, twee beschaafde mannen, elkander dadelijk begrepen en liefhadden? Ter wille van oude tijden, hooggeboren Heer, moge het loon, dat U mij toedenkt, wat hoog uitvallen!" Het was de vroegere postbode uit Kisfalva, de ambtenaar met recht op pensioen! Ik gaf hem een vijf-kronen-stuk; en hij schudde mij de hand en weende van aandoening! Sic transit gloria mundi! EINDE.