# De Man uit Frankrijk
Bladz, 231,
No. 1 der "G.G."-Serie
Een Avontuur van Geoffrey Gill
Detective
- DOOR -
**IVANS**
GEÏLLUSTREERD
- [De Man uit Frankrijk](#de-man-uit-frankrijk)
- [VOORWOORD VAN MR. WILLEM HENDRIKS.](#voorwoord-van-mr-willem-hendriks)
- [HOOFDSTUK 1. Menton.](#hoofdstuk-1-menton)
- [HOOFDSTUK II. EEN NACHTELIJK AVONTUUR.](#hoofdstuk-ii-een-nachtelijk-avontuur)
- [HOOFDSTUK III. NAAR ENGELAND TERUG.](#hoofdstuk-iii-naar-engeland-terug)
- [HOOFDSTUK IV.DE KAMERDIENAAR.](#hoofdstuk-ivde-kamerdienaar)
- [HOOFDSTUK V. STOCKTON-COURT.](#hoofdstuk-v-stockton-court)
- [HOOFDSTUK VI. GEVAAR.](#hoofdstuk-vi-gevaar)
- [HOOFDSTUK VII. CRISIS.](#hoofdstuk-vii-crisis)
- [HOOFDSTUK VIII. EEN TUSSCHENSPEL.](#hoofdstuk-viii-een-tusschenspel)
- [HOOFDSTUK IX. ONVERWACHTE GEBEURTENISSEN.](#hoofdstuk-ix-onverwachte-gebeurtenissen)
- [HOOFDSTUK X. NIEUWE VERRASSINGEN.](#hoofdstuk-x-nieuwe-verrassingen)
- [HOOFDSTUK XI. EEN HEERENDINER.](#hoofdstuk-xi-een-heerendiner)
- [HOOFDSTUK XII. DE CURIOSITEITEN-VERZAMELING.](#hoofdstuk-xii-de-curiositeiten-verzameling)
- [HOOFDSTUK XIII. EEN BELEEFDHEIDSBEZOEK.](#hoofdstuk-xiii-een-beleefdheidsbezoek)
- [HOOFDSTUK XIV. GEEN VREUGDE ZONDER PIJN.](#hoofdstuk-xiv-geen-vreugde-zonder-pijn)
- [HOOFDSTUK XV. IN DEN WINTERTUIN.](#hoofdstuk-xv-in-den-wintertuin)
- [HOOFDSTUK XVI. MUZIEK EN DANS.](#hoofdstuk-xvi-muziek-en-dans)
- [HOOFDSTUK XVII DE MAN MET HET MASKER](#hoofdstuk-xvii-de-man-met-het-masker)
- [HOOFDSTUK XVIII. TOON MIJ UW RECHTERHAND!](#hoofdstuk-xviii-toon-mij-uw-rechterhand)
- [HOOFDSTUK XIX. HET VERHAAL VAN G. G.](#hoofdstuk-xix-het-verhaal-van-g-g)
- [HOOFDSTUK XX. HET VERHAAL VAN G. G. (VERVOLG) Herlevend wantrouwen.](#hoofdstuk-xx-het-verhaal-van-g-g-vervolg-herlevend-wantrouwen)
- [HOOFDSTUK XXI. HET VERHAAL VAN G. G. (VERVOLG) Verwikkelingen en onzekerheid.](#hoofdstuk-xxi-het-verhaal-van-g-g-vervolg-verwikkelingen-en-onzekerheid)
- [HOOFDSTUK XXII. HET VERHAAL VAN G. G. (vervolg) Een gevangenis en een Rechter.](#hoofdstuk-xxii-het-verhaal-van-g-g-vervolg-een-gevangenis-en-een-rechter)
- [HOOFDSTUK XXIII. HET VERHAAL VAN G. G. (VERVOLG) Op weg naar de waarheid.](#hoofdstuk-xxiii-het-verhaal-van-g-g-vervolg-op-weg-naar-de-waarheid)
- [HOOFDSTUK XXIV. HET VERHAAL VAN G. G. (vervolg)](#hoofdstuk-xxiv-het-verhaal-van-g-g-vervolg)
- [HOOFDSTUK XXV. HET VERHAAL VAN G. G. (Vervolg). De Ontvluchting.](#hoofdstuk-xxv-het-verhaal-van-g-g-vervolg-de-ontvluchting)
- [HOOFDSTUK XXVI G. G. BRENGT ZIJN VERHAAL TEN EINDE.](#hoofdstuk-xxvi-g-g-brengt-zijn-verhaal-ten-einde)
- [HOOFDSTUK XXVII. JAMES STANDERTON.](#hoofdstuk-xxvii-james-standerton)
- [BESLUIT.](#besluit)
## VOORWOORD VAN MR. WILLEM HENDRIKS.
Bij het opruimen van oude papieren en brieven kwamen mij onlangs twee uitknipsels uit de "Times" van Februari 190... in handen. Zij riepen de herinnering in mij wakker aan een reeks van zonderlinge en geheimzinnige gebeurtenissen, waarvan ik in het begin van mijn loopbaan als advocaat getuige was, en die het wel de moeite waard is op papier te brengen — zij 't dan wellicht niet ten genoegen van anderen, dan toch voor mijn eigen genoegen! Want aan de gebeurtenissen, die ik zal vertellen, heb ik — althans indirect — mijn levensgeluk te danken. Om redenen, die den lezer duidelijk zullen worden, zijn alle plaats- en personennamen veranderd.
Ziehier de vertaling der beide uitknipsels:
**I.**
(10 Februari 190...)
"Een gevaarlijk misdadiger, de "beruchte "Manchester Jimmy', is op tot dusverre onver"klaarbare wijze uit de gevangenis te X ontsnapt. Hij
"werd gisteravond op de gewone wijze — na het wandel"uur der gevangenen — in zijn cel opgesloten. Hedenochtend werd die cel behoorlijk gesloten en gegrendeld aangetroffen; maar de gevangene was verdwenen. Daar het onmogelijk is uit de cel te breken, wordt vermoed, dat er een medeplichtige onder het gevangenis-personeel schuilt. Er is echter nog niets ontdekt, dat licht op deze "zaak kan werpen."
**II.**
(28 Februari 190...)
"Men zal zich herinneren, dat wij eenigen tijd geleden melding maakten van de ontvluchting van den beruchten Manchester Jimmy' uit de gevangenis te X. In den namiddag van gisteren heeft deze geschie-denis een tragisch einde gevonden. De gevangenis bevindt zich bijna een uur buiten de stad op een open, hier en daar met struiken bewassen terrein. Twee gewapende bewakers, die de gewone ronde om de muren van het gebouw deden, meenden eenige beweging te ontdekken in een kreupelbosch aan den weg. Toen zij naderkwamen, zagen zij een als heer gekleed man, voorzichtig langs den rand van het genoemde bosch sluipend, juist om den hoek daarvan verdwijnen. Een der bewakers zette het op een loopen en was den onbekende spoedig op de hielen. Toen deze ontdekte, dat hij vervolgd werd, keek hij neven om, en op dat oogenblik hoorde de bewaker, die hem op de hielen zat, zijn kameraad, die iets was achter-gebleven, roepen, dat het , Manchester Jimmy' was. Op hetzelfde oogenblik klonk een schot, de vluchtende man viel als een blok op den grond en de achtergebleven bewaker kwam snel toeloopen. Het bleek, dat deze in zijn misschien wat te grooten dienstijver het schot gelost had en dat wel met zóó zekere hand, dat de getroffene onmiddel-lijk gedood was. De kogel was hem in het achterhoofd gedrongen. Het bleek inderdaad de onlangs gevluchte gevangene Manchester Jimmy' te zijn, wiens ware naam - James Standerton - een zestal jaren geleden een treurige vermaardheid gekregen heeft tengevolge van verschillende door hem gepleegde misdaden. Waar hij zich sedert zijn vlucht opgehouden had en hoe hij gekomen was aan de kleeren, die hij droeg, toen hij werd neergeschoten, heeft men niet kunnen ontdekken. Hij had niets bij zich, dat hieromtrent licht geven kon. Wel werd er een vrij aanzienlijk bedrag aan banknoten in zijn borstzak gevonden. De politie doet onderzoek naar de herkomst daarvan."
Het is hier de plaats om onmiddellijk mede te deelen, dat dit onderzoek door de politie tot niets leidde en de banknoten door niemand werden terugverlangd.
## HOOFDSTUK 1. Menton.
In den aanvang van Maart 190\* kwam ik te Menton aan, teneinde aan de Fransche Riviera eenigen tijd rust te nemen. Ik had die rust wêl verdiend. Sinds twee jaren was ik in de rechten gepromoveerd en had mij eerst als advocaat te Rotterdam gevestigd. Mijn vader had mij, bij zijn dood, die kort daarop plaats vond, eenig vermogen nagelaten. Mijn moeder, die jong gestorven was en die ik mij nauwelijks herinneren kon, was van geboorte een Engelsche, zoodat ik in Engeland, en speciaal in Londen, eenige familieleden had. Dit bracht mij op de gedachte, mij te bekwamen voor rechtszaken, die Hollanders in Engeland, of — omgekeerd — Engelschen in Holland behandeld wenschten te zien. Daartoe echter was een speciale studie van het Engelsche recht noodig en ik wendde mij tot mijn oom, Alfred Bruce van de firma Bruce Oldman & Bruce, met verzoek mij in de gelegenheid te stellen op zijn procureurs-kantoor (een der grootste van Londen) de noodige practische kennis op te doen. Dit verzoek werd op de meest welwillende wijze toegestaan, en toen ik in het station te Menton uit den trein stapte, had ik een jaar van hard werken achter den rug. Niet alleen daarom kon ik met voldoening op den tijd terug zien, doch ook, omdat ik mij vele prettige kennissen in de beste kringen van Londen verworven had. Ik had sterk het gevoel - dat trouwens de meeste jonge lieden te sterk hebben -, dat men mij graag lijden mocht, en voelde mij daarom gelukkig en tevreden. Toch was ik 'n beetje overwerkt (want ik had mij bij het werk, dat mijn oom mij in rijke mate toewees, niet gespaard), zoodat een maand rust in den mooisten tijd aan de Riviera mij het toppunt van zaligheid toescheen.
Mijn verwachtingen in dit opzicht werden niet teleurgesteld. De natuur heeft altijd sterken indruk op mij gemaakt en ik raakte weldra geheel onder de bekoring van de blauwe zee, de olijf-, oranje- en citroenboomen, den rijken bloemenpracht en de lieflijke bergwandelingen, waarop men telkens weer den blik kon laten weiden over den gladden zeespiegel. Ik had Nice en Monte-Carlo bezocht; de speelzalen met hun overladen decoratie en - n'en déplaise de beroepsromanschrijvers - niet óverinteressant publiek, trokken mij weinig aan en het behaaglijkst voelde ik mij in Menton zelf, slenterende langs de "Promenade du Midi" of in den "Jardin Publique", de menschen en de omgeving bestudeerende, of op een der banken gezeten in zee turende en de schepen aan den horizon met de oogen volgende, tot zij uit den gezichtskring verdwenen. Mijn vroeger hard werken deed mij mijn rust genieten als 'n gewichtige, al mijn zinnen in beslag nemende, bezigheid!
Zoo groeiden de dagen tot weken. De laatste Maart naderde, en daarmede de tijd om naar Londen terug te keeren. Op zekeren morgen zat ik — als gewoonlijk — op 'n bank met het uitzicht op zee. Er waren vele wandelaars, want 't was een heerlijke ochtend en het concert in den "Jardin Publique" was nog in vollen gang. In de verte zag ik een jongen man aankomen, klein, goed gekleed, met 'n scherp, glad geschoren gezicht en groote, blauwe oogen, die meestal 'n zachte, ietwat peinzende uitdrukking hadden, maar soms hard en scherp als staal konden worden. Natuurlijk maakte ik die oogenstudie niet op het eerste gezicht: ik wist dat ze zoo waren, omdat ik den jongen man in Londen ontmoet had en veel met hem had omgegaan.
Ik had Geoffrey Gill voor het eerst ontmoet, toen mijn oom mij de behandeling had opgedragen van een vrij ingewikkelde zaak: moeielijkheden, die gerezen waren bij het inklaren van een Hollandsch schip, waarvan de papieren niet geheel in orde waren. Het bleek, dat er een documenten-diefstal had plaats gehad en mijn oom riep daarop de hulp in van Geoffrey Gill, een toen nog betrekkelijk weinig bekend particulier detectieve, van wiens bekwaamheid hij een hoogen dunk had. Zoo werkten Geoffrey en ik samen in deze zaak en brachten haar tot een goed einde.
Sedert waren wij vrienden gebleven. "G. G.," zooals zijn goede bekenden hem noemden, bleek met mij een "passie" gemeen te hebben: wij waren beide groote postzegelverzamelaars. En waar ik met mijn voorliefde voor dezen tak van "sport" — zooals men het postzegel-verzamelen tegenwoordig ten onrechte noemt — nog al eens geplaagd werd, deed het mij aangenaam aan, dat G. G. dien zeer ernstig opvatte en zelfs beweerde, dat hij daaraan veel te danken had met betrekking tot zijn beroep. "Het bestudeeren van mijn postzegels, van kleine afwijkingen, tandingen en watermerken" — placht hij te zeggen "heeft niet alleen mijn oog aan het nauwkeurig waarnemen van kleinigheden gewend, maar ook mij het noodige geduld geleerd om schijnbare nietigheden langen tijd te observeeren." Tusschen postzegel-verzamelaars heerscht altijd een zeker soort van franc-maçonnerie; deze had ons nader tot elkander gebracht. En daar G. G. een dóór-en dóór goede en daarbij scherpzinnige jongen was, had ik mij dagelijks meer tot hem aangetrokken gevoeld.
Het was dan ook met een gevoel van groote hartelijkheid, dat ik hem op dien zonnigen ochtend te Menton de hand schudde.
"Wel G. G., beste kerel, hoe kom jij zoo plotseling uit de lucht vallen?" — klonk mijn niet heel oorspronkelijke welkomstgroet.
"Gisteravond met den laatsten trein uit Parijs gekomen" — zei G. G. op zijn gewone, korte manier. "Dåår 'n zaakje opgeknapt, dat me nogal hoofdbreken gekost heeft. En nu . . . een paar dagen vacantie. — Je ziet er patent uit," — vervolgde hij, "bij jou schijnt de lucht van de Riviera aan te slaan!"
"Bij jou dan niet? Man, je bent er nauwelijks!"
G. G. maakte een afwerend gebaar. "Bij mij slaat elke lucht aan, zelfs de Londensche" — zeide hij. "Ik herinner mij niet, dat ik ooit een dag ziek ben geweest. Maar ik ontmoette in den trein een gemeenschappelijken kennis van ons, en die ziet er dan toch zoo beroerd uit, dat ik nog onder den indruk ben."
"Zóó, wie dan?"
"Lidderdale! Hij vertelde mij, dat-i 'n poos in Nice geweest was, maar dat hij zich aller-onpleizierigst voelde. 'n Week of wat geleden had hij, bij 't passeeren van een steiger, een plank op z'n hoofd gekregen. Er was niets meer van te zien, maar hij voelt zich nog dof en half-versuft in z'n hoofd. 't Was best te merken."
De Lidderdale, over wien G. G. sprak, had ik in Londen leeren kennen als Sir John Whyman. Door den dood van een kinderloozen oom, was hij enkele maanden geleden Markies van Lidderdale geworden. Ik herinnerde mij nu ook wel, dat ik zijn naam in de vreemdelingen-lijst gezien had.
"Arme kerel!" — zei ik. "Als ik dat geweten had, was ik hem eens gaan opzoeken! — Apropos, G.G., waar logeer je?"
"In Villa Rosa op den Boulevard de Garavan. Ik ben daar vroeger ook eens geweest. 'n Paar heel goede kamers met een verrukkelijk uitzicht op de zee. En waar zit jij?"
"Ik ben in 'Santa Maria' op de Promenade de Garavan: de boulevard loopt achter het hotel, 'n dertig meter hooger. Waarschijnlijk kijk je mij op m'n dak."
"Neen, ik woon meer naar den kant van het station van Garavan. Ik reken erop, dat je vanavond bij me dineeren komt. Ik bof er geweldig bij, dat ik je hier gevonden heb."
Graag nam ik zijn uitnoodiging aan. Wij slenterden nog wat heen en weer langs de kade en om de muziektent. Daarop scheidden we, en ik wandelde langzaam over den Quai Bonaparte naar de Promenade de Garavan, om in mijn hotel den lunch te gaan gebruiken.
## HOOFDSTUK II. EEN NACHTELIJK AVONTUUR.
"Ziezoo! Ga nu zitten in dien gemakkelijken stoel, steek 'n sigaar op, en . . . daar komt juist de koffie!" — 'n Gerokte kellner bracht ons de geurige mokka, schonk ons 'n "pousje" in en verdween met 'n gezicht, alsof hij zich verontschuldigde dat-i gekomen was.
Wij zaten in den tuin van "Villa Rosa" aan den rand van het terras, met het uitzicht op de Bocht van Garavan, links eindigende bij de "Rochers Rouges," rechts uitloopende in de pier bij den "Quai Bonaparte". Het was een heerlijke avond. Geoffrey was spraakzaam voor z'n doen. Hij vertelde het een en ander over de zaak, die hem naar Parijs geroepen had, en kon het maar niet òp, dat hij ertoe gekomen was een paar dagen uit te breken om in Menton te komen vegeteeren. "Geen belangrijke zaak onder handen; de primitieve traagheid in den mensch is bij mij tot uitbarsting gekomen" — en hij strekte zijn beenen behaaglijk uit, met de voeten op de leuning van het terras.
Het was volle maan en de zee tintelde van een zilveren licht. De lichtjes langs de Promenade de Garavan en den Quai Bonaparte gloeiden vuriger naarmate de duisternis viel en links, bij de "Rochers Rouges," zag men duidelijk het lichtschijnsel door de vensters van het gebouw der Italiaansche Douane, aan gene zijde van de brug, die de grens tusschen Frankrijk en Italië vormt. De lucht was bladstil en bloemengeuren drongen van alle zijden tot ons, terwijl achter ons, in het heldere maanlicht, de oranje-appelen gloeiden in het donkere groen van den tuin.
Ons gesprek stokte weldra. En toch bleven we zitten, onder den indruk van onze prachtige omgeving. Vele sigaren waren in rook opgegaan, toen ik eindelijk opstond om afscheid te nemen.
"Ik breng je naar je hotel" — zeide G. G. "Voordat ik slapen ga loop ik meestal nog 'n eindje rond" — en, toen ik uit beleefdheid 'n afwijzend gebaar maakte, liet hij er wat kort-af op volgen: "'t Is geen opoffering — anders bleef ik thuis! De trage mensch is egoïstisch."
In de verte sloeg een klok half twaalf, toen we uit "Villa Rosa" op den Boulevard traden. Deze "Boulevard de Garavan" is een breede, gemacadamiseerde chaussée, die op een hoogte van misschien 30 M. de berghellingen volgt. Aan beide zijden staan elegante villa's, soms met mooie tuinen en bijna steeds bedolven onder een waren schat van bloemen. Aan de zeezijde voeren hier en daar smalle voetpaden naar omlaag, die na enkele minuten uitkomen op de "Promenade de Garavan", de zee-kade, waaraan mijn hotel was gelegen en die evenwijdig met den Boulevard loopt.
Een van die paden volgden wij. In 't begin was het zóó steil, dat er een dertigtal ruwe treden in gemaakt waren om gemakkelijker beneden te komen. Daarop voerde het pad ons, langzaam glooiend en met een paar scherpe bochten, naar een nauwen doorgang tusschen twee hooge tuinmuren, die regelrecht op de "Promenade" uitkwam. Verlichting was er niet en nergens was een levend wezen te bekennen.
Toen wij den bovengenoemden doorgang betraden, zag ik plotseling, zwak afgeteekend tegen de lichten der "Promenade", een mannengestalte overeind rijzen, die blijkbaar op den grond geknield had gelegen. Een oogenblik stond zij onbeweeglijk, met het gezicht naar ons toegekeerd. Toen draaide zij zich om, rende als de wind den doorgang af en verdween om den hoek der "Promonade". In een oogwenk zat Geoffrey haar op de hielen en was om denzelfden hoek verdwenen. Ik hoorde zijne voetstappen de kade langs ijlen, terwijl ik zelf, als wezenloos, neerkeek op de gestalte van een anderen man, die bewegingloos aan mijne voeten lag.
Dit alles had zich in enkele seconden afgespeeld. Ik kende mijn vriend genoeg om te weten, dat hij een afschuw had van de onredelijke paniek, die iemand in mijn situatie ertoe gebracht zou hebben om als een bezetene om hulp te roepen. Ik hield mij dus stil en bukte mij over den man, die daar zoo stil lag.
Het was donker tusschen de hooge tuinmuren, maar de maan stond nu hoog genoeg aan den hemel om te kunnen zien, dat hij met het gezicht naar beneden plat op den grond lag. De rechterarm lag zijwaarts uitgestrekt, de linker onder het lichaam verborgen. Hem voorzichtig betastende, ontdekte ik, dat hem het gevest van een zwaar mes uit den rug stak; blijkbaar was hij door een krachtige hand van achteren neergestooten. Er was geen twijfel aan, dat de man dood was.
Het scheen mij het beste te wachten, totdat Geoffrey zou terugkeeren. Ik wist, dat hij tegenover dien éénen man mijn hulp niet noodig zou hebben en het was van het hoogste belang, dat niemand de stille gestalte vóór mij naderde of aanraakte. Gelukkig behoefde ik niet lang te wachten. Weldra hoorde ik voetstappen en mijn vriend verscheen om den hoek. Hij had een kleinen, zwarten kerel in den nek, die een zacht gekerm deed hooren en over zijn geheele lichaam beefde,
"Hier, Willy, neem dien kerel eens over" - zeide
Hij had een kleinen zwarten kerel in den nek, hij. "Hij liep als 'n haas, maar niet hard genoeg. Er was gelukkig niemand op de kade te zien. Anders zou 't een heel schandaal gegeven hebben".
De buitenwijken van Menton zijn reeds om tien uur als uitgestorven. Er rijden dan geen trams meer en 'n mensch is een phenomeen. Geoffrey verheugde zich daar thans in, want hij had een grooten afkeer van alles wat naar lawaai en sensatie zweemt bij de ontdekking van een misdaad.
Nadat ik den kerel "overgenomen" had, haalde G. G. zijn zaklantaren voor den dag, knielde naast het lichaam neer en onderzocht dat nauwkeurig. Na een minuut of vijf richtte hij zich overeind.
"Willy" — zeide hij, "zet dien kerel op z'n beenen en laat hem los. Maar zorg dat i niet wegloopt".
Ik voldeed aan zijn verzoek en de man leunde, bevend en klappertandend, tegen den tuinmuur. Hij begon iets te prevelen: "M'sieur" vergiste zich, hij had niets met de zaak te maken, was even onschuldig als M'sieur zelf, enz.
"Tais-toi" — beet G.G. hem toe, terwijl hij hem met zijn lantaren in het gezicht lichtte: 'n donker, verloopen gezicht met zwarte kringen onder de oogen, een half vergrijsde snor en 'n stoppelbaard. Hij zag eruit als een echte schooier, iemand die tot 'n moord wel in staat was, mits er voor hemzelven geen gevaar aan verbonden was: want dat hij laf was, kon men bij den eersten oogopslag bemerken.
Toen G. G. zijn lantaren weer in den zak gestoken had, ging hij vlak vóór den man staan en begon hem tot mijn verbazing met een vloed van Fransche verwenschingen te overstelpen. Ik had hem nooit zóó woedend gezien. 'n Paar maal hief hij den arm op, alsof hij den schooier slaan wilde, en de man kromp dan inéén en hief van zijn kant den arm op om den dreigenden slag af te weren. Het vreemdste was, dat Geoffrey z'n stem geen enkele maal verhief boven 'n soort van sissenden fluistertoon. Niettegenstaande zijn wel wat onverklaarbare drift, scheen hij het toch te willen vermijden gerucht te maken. Eindelijk maakte hij zich zóó boos, dat hij den man z'n smerige pet van het hoofd rukte en hem die met een vloek voor de voeten wierp! Toen scheen hij langzamerhand te bedaren; hij liep eenige malen heen en weer en streek zich met de hand over het voorhoofd.
"Raap op!" — beval hij, op de pet wijzende. De man, wiens tandengeklapper men duidelijk hooren kon, gehoorzaamde bevend en zette het armzalige hoofddeksel weder op z'n verwarde haren.
"Wat bezielt je toch, G. G.?" — kon ik niet nalaten te vragen, maar G. G. deed alsof hij niets gehoord had. "Ziezoo" — zei hij, nu geheel gekalmeerd. "Het wordt tijd, dat wij de politie in dit zaakje halen. Wil je zoo goed zijn, Willy, even links-om de kade op te gaan? In vijf minuten ben je bij de Fransche douane, en daar vindt je zeker ook politie".
Dit bleek inderdaad het geval te zijn en met behulp van een drietal kleine, maar flink-gespierde politieagenten, werd het lichaam van den vermoorden man, tegelijk met den vermoedelijken moordenaar, naar het douanenkantoor gebracht, waar weldra ook een lange, magere man verscheen, die zich voorstelde als politie-dokter. Men had hem onmiddellijk gewaarschuwd, alsook verschillende andere autoriteiten, die merkwaardig snel ter plaatse waren.
G. G. en ik werden natuurlijk scherp ondervraagd. Toen mijn vriend zich als een Engelsche detective legitimeerde, veroorzaakte dit niet weinig sensatie, Niemand scheen eraan te twijfelen, dat wij den moordenaar op heeterdaad betrapt hadden, temeer toen de dokter, na onderzoek, tot de overtuiging kwam, dat het slachtoffer nog geen half uur dood kon zijn. De verdachte bleek een bij de politie zeer bekend individu te zijn, half bedelaar, half inbreker; hij werd onder sterk geleide naar het station gebracht om met den nachttrein naar Nice vervoerd te worden.
Intusschen was het lichaam van den vermoorde ook door de politie aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, waarbij men den Engelschen detective uit beleefdheid aanwezig liet; die beleefdheid strekte zich ook tot mij uit, zoodat ik alles wat er geschiedde goed zien en hooren kon. De verslagene was een krachtig, zwaar-gebouwd man, gekleed in een dik, grof kostuum, blijkbaar gemaakt gekocht en met den naam van een Parijsch kleedermagazijn aan de binnenzijde van den borstzak. Naar het uiterlijk te oordeelen moest hij tusschen 30 en 40 jaar oud zijn; hij had 'n grof, gladgeschoren gezicht, 'n grooten mond en lichtblauwe oogen. Het wapen, waarmede de doodelijke word was toegebracht, was een van die zware "Zweedsche" messen, waarvan men het losse lemmet door middel van een sterke veer vasizet op het ronde heft, zoodat, ook bij den krachtigsten stoot, dóórzwikken onmogelijk is. Toen het voorzichtig uit de wonde verwijderd was, bleek uit het fabrieksmerk, dat het uit een bekende Fransche fabriek afkomstig was. Het ondergoed was grof en niet gemerkt. In de zakken werd niets gevonden, behalve eenig los geld -Fransch en Engelsch - en een groot, nikkelen horloge. Geen portefeuille . . . geen losse papieren . . .
Toen het onderzoek afgeloopen was en G. G. met mij langs de kade naar "Santa Maria" wandelde, waagde ik de opmerking, dat — niettegenstaande de Fransche kleeren en het Fransche mes — de man mij een Engelschman leek.
"Wij zullen zien" — antwoordde G. G. "Ik voor mij denk, dat wij nog wel meer van de zaak zullen hooren. En" — vervolgde hij, toen wij voor het hek van mijn hotel stil stonden — "je zoudt mij verplichten door over het heele geval te zwijgen, als we naar Engeland teruggaan. Zoo je er niets tegen hebt, doen we de reis samen. Maar mondje-toe tegenover iedereen, wie 't ook zijn moge. Je maakt mij daardoor mijn taak gemakkelijker."
"Je taak?" — vroeg ik, eenigszins verbaasd.
"Zeker! De Fransche politie begint nu met het onderzoek, maar . . . het spoor zal over het Kanaal voeren! Adieu, tot morgen! . . ." en met een snellen handdruk nam hij afscheid.
* * *
-
Den volgenden ochtend, op de Promenade du Midi, verscheen G. G. eerst om 'n uur of twaalf.
"Ze hebben onzen vriend losgelaten" — was 't eerste wat hij zei. "De man had 'n afdoend alibi! Ik ben van ochtend al in Nice geweest."
"'n Alibi?" — vroeg ik. "En gisteren was men het erover eens, dat-i op 't oogenblik van den moord tenminste vlak in de buurt geweest moet zijn."
"Willy," — zei G. G., met 'n afwerend gebaar, "we spreken over deze zaak niet verder. 't Moet je voldoende zijn te weten, dat-i de moordenaar *niet* is. Misschien heeft-i getracht, het lijk te berooven, maar ook daarvoor bestaat geen bewijs Dûs — van nu af is de zaak, voor zoover onzen vriend met de pet betreft, uit!" "Je zult wel verbaasd geweest zijn" — zei ik. Hij keek mij een oogenblik lachend aan. "Beste jongen" — zei hij, ik heb geen oogenblik geloofd, dat hij 't gedaan had."
"Wat?! En je woede dan, gisterenavond? Je dwaze drift? Want dwaas was die, dat zul je me nu wel toestemmen."
"In 't geheel niet. Maar, waarde vriend, waaróm ik driftig was — dat vertel ik je niet, voordat we den schuldige te pakken hebben! En nu dus, althans voorloopig, basta! 't Is een heerlijke dag en niet te warm. Laten we vanmiddag naar St. Agnès wandelen. 'k Heb behoefte aan beweging: klouteren en . . . transpireeren! Vacantie, jongen, vacantie!"
's Middags gingen we naar St. Agnès en zagen héél in de verte op de zee een zwarte streep - Corsica!
## HOOFDSTUK III. NAAR ENGELAND TERUG.
Toen G. G. en ik vijf dagen later 's ochtends vroeg in de "Gare de Lyon" te Parijs uitstapten, werd mijn vriend aangeklampt door een politie-beambte, die blijkbaar op ons had staan wachten.
"M'sieur Gill?" — G. G. legitimeerde zich en nam een brief in ontvangst, waarna de politie-beambte salueerde en den aftocht blies.
Haastig las G. G. de mededeeling, die hij blijkbaar verwacht had. "In orde" — zei hij. "Wij gaan dadelijk door naar Calais."
Onwillekeurig moest ik glimlachen. G. G. behoorde tot die menschen, die, overal en steeds, onbewust de leiding op zich nemen. Maar ik had niet het minste bezwaar dadelijk dóór te reizen en liet mij dus gewillig op sleeptouw nemen.
Toen we in den trein naar Calais zaten, begon mijn vriend uit zichzelven over het onderwerp, dat hij te
Menton niet verder had willen aanroeren.
"Willy" — zei hij, "je hebt toevallig het begin van dat zaakje in Garavan meegemaakt; nu wil ik je ook niet heelemaal in duister laten. Maar nog eens — tegen niemand een woord erover! Je hebt gezien, dat de couranten mijn naam niet in verband ermede genoemd hebben. Dat is op mijn verzoek gebeurd. Niemand, volstrekt niemand, mag weten, dat G. G. in de zaak betrokken is."
Ik herhaalde mijn reeds gegeven belofte.
"Best!" vervolgde hij. "Dit schrijven" - en hij vouwde den brief open - "had ik reeds te Menton verwacht. Dat 't vertraagd is, bewijst mij, dat de Fransche politie weet wat ze doet. Wat erin staat, heeft ze betrekkelijk gemakkelijk kunnen te weten komen. Maar aan mijn identiteit heeft ze getwijfeld en dat bewijst, dat ze voorzichtig is. De politiebeambte, die ons aan de "Gare de Lyon" afwachtte (vind je niet dat z'n baard wat al te ruig was, Willy?), was niemand anders dan Monsieur Thierry, de detectieve, met wien ik twee weken geleden te Parijs samengewerkt heb. 'k Wilde hem z'n plezier niet bederven, door hem te zeggen, dat ik 'm herkende niettegenstaande z'n vermomming. De baard was te mooi, Willy, véél te mooi! Maar gelijk hadden ze, dat ze mij wilden identificeeren. Als ik een bedrieger geweest was, had ik dezen brief niet gekregen - en dat zou goed geweest zijn ook."
Daarop vertelde G. G. mij, hoe de vork eigenlijk in den steel zat.
De Fransche politie had ontdekt, dat de vermoorde een Engelschman was. Hij was, twee avonden voordat wij zijn lichaam vonden, direct uit Engeland over Calais te Parijs aangekomen, had daar in een klein hotel bij de "Gare d'Orléans" gelogeerd en 's avonds nog eenige inkoopen gedaan in een kleeder-magazijn. Zijn kleine koffer, waarin zich onder anderen een compleet livreipak bevond, had hij in het hotel achtergelaten, onder mededeeling, dat hij binnen enkele dagen terug zou komen. Noch aan den koffer, noch aan den inhoud daarvan had men iets kunnen ontdekken, dat op de herkomst zou kunnen wijzen. 's Ochtends had hij voorgegeven voor één of twee dagen naar Orléans te vertrekken. Het bleek nu, dat hij naar de Riviera gereisd was en dat hij dus blijkbaar zijn plan had willen verbergen. De politie was binnen enkele dagen dit alles te weten gekomen, omdat men het lichaam had laten fotografeeren en de fotografie te Parijs èn in het hotel èn in het kleerenmagazijn herkend was.
Tengevolge van het "zaakje," dat G. G. pas te Parijs had "opgeknapt," was hij daar een goede bekende bij justitie en politie. Men was overeengekomen, dat hij in Engeland zou trachten iets omtrent den vermoorden Engelschman te weten te komen. Dit scheen voorloopig verkieslijker dan den officieelen weg te bewandelen, omdat het publiek — noch in Engeland noch in Frankrijk — vermoeden kon, dat hij in deze richting werkzaam was.
Nadat G. G. mij opnieuw op het hart had gedrukt, met niemand over de zaak te spreken, verstomde ons gesprek. Mijn reisgenoot keek strak naar buiten met dien eigenaardigen, wazigen blik, die niets ziet, maar naar binnen gericht schijnt, waar het gebouw der indrukken en gedachten wordt opgetrokken. Ik zelf dommelde in den hoek van onze coupé, totdat ik opschrok toen we het station te Calais binnenreden.
* * *
De boot naar Dover was flink bezet. Het was een heerlijke zonnige namiddag en dus bleef alles aan dek. Ik staarde naar de Fransche kust, die wij snel achter ons lieten, toen ik naast mij een uitroep van verbazing hoorde.
"Daar is waarachtig Lord Lidderdale ook!" — riep G. G. uit. "Ken je dien ouden heer, met wien hij zoo druk aan het praten is?".... en, toen, zichzelven in de rede vallend: "Hij schijnt alweer 'n ongeluk gehad te hebben: hij draagt z'n arm in een doek, en..."
Op dit oogenblik kreeg Lidderdale ons in het oog en groette glimlachend. Ik heb vroeger reeds gezegd, dat hij eerst kort geleden Markies van Lidderdale geworden was, waardoor hij tot de hoogste aristokratie van het Vereenigde Koninkrijk was komen te behooren. Reeds als Sir John Whyman was hij zéér populair geweest en hij verdiende dat ten volle. Een hooge gestalte, een open gezicht met een krachtigen en toch vriendelijken mond en helderbruine oogen, kleine maar gespierde handen en het waas van krachtig zelfvertrouwen, dat over zijn geheele wezen lag, maakten hem tot het type van den Angel-Saksischen edelman. Hij droeg het bruine haar, evenals den knevel, kort. Sir John Whyman was 'n trouw vriend en 'n edelmoedig vijand. Hoewel hij verre van vermogend was, hielp hij menigen armen stakker uit den nood en weinige menschen verstonden als hij de kunst, om alleen reeds door vriendelijk optreden aller harten voor zich te winnen. Zijn nieuwe titel had hem slechts een zeer matig vermogen gebracht, zoodat er weinig verschil gekomen was in den voet, waarop hij leefde. Voor politiek gevoelde hij niets; daarentegen had hij zitting in den "Board of Directors" van verschillende ondernemingen. Hij was nog ongehuwd en niet ouder dan 35 jaar.
Hoewel ik hem in de laatste maanden slechts zelden ontmoet had, kon ik hem toch onder mijne goede bekenden tellen. Hij was — zij het ook vêr — geliëerd met de familie mijner moeder en had zich, vooral in het begin van mijn verblijf te Londen, veel moeite gegeven, den jongen vreemdeling op zijn gemak te stellen en in de beste kringen te introduceeren. Zijn intieme heeren-dinertjes behoorden tot het gezelligste wat men zich van dien aard denken kan; en de vroolijke, prettige toon, dien hij in den kring zijner kennissen wist op te wekken, behoorde zeker niet tot het
Zooals het G. G. eenige dagen van te voren gegaan was, viel het thans ook mij op, hoe slecht hij eruit zag. Ik vond hem mager geworden en zijn oogen stonden flets en vermoeid.
De man, met wien hij stond te praten, een lange, door de jaren nog niet gebogen gestalte, was ook mij onbekend.
"Hoe gaat het, Mr. Gill?" — vroeg Lidderdale, terwijl hij G. G. de linkerhand toestak: de rechter droeg hij in een doek.
"Best, Mylord," — antwoordde mijn vriend. "Naar ik hoop, gaat het ook U beter dan de laatste maal toen ik het genoegen had."
"Och, ik heb niet te klagen" — zei Lidderdale, "'t had nog erger kunnen zijn. U weet, dat ik onlangs 'n plank op m'n hoofd gehad heb, zoodat ik nog altijd wat moeilijk hoor, en" — hier glimlachte hij even — "wat langzaam denk! Maar ik had dood kunnen zijn. En dan . . . voor 'n paar dagen, toen ik te Nice mijn revolver wilde schoonmaken, is die plotseling åfgegaan; dwars door de rechterhand! Lastig genoeg, maar . . . alweer beter dan dood! Hoe 't mogelijk was, begrijp ik nog niet. Of iemand er vooruit mee geknoeid had? . . . Iets in uw lijn, Mr. Gill!"
G. G. keek 'n oogenblik heel ernstig; daarop begon hij te lachen. "'t Spijt me, Mylord, ik heb het te druk. U zult naar Scotland Yard moeten gaan!"
Lord Lidderdale had mij tot dusverre nog niet begroet. Toen ik op hem toetrad en hem de hand toestak, keek hij mij een oogenblik onderzoekend aan. Daarop kwam er een vriendelijk licht in zijn oogen. "Wel, wel" — zeide hij, mijn hand met zijn linkerhand vattend en die stevig drukkend, "óók al aan boord? Hebben de heeren elkander op reis getroffen?"
"Den dag nadat hij U in den trein gesproken had, werd ik door G. G. op de Promenade te Menton losloopende aangetroffen" — antwoordde ik. "Sedert sta ik onder streng toezicht."
"Dat kan ik me voorstellen! — Mag ik de heeren even in kennis brengen met Lord Lowden, die, na jaren in Italië gewoond te hebben, het Engelsche klimaat weer eens trotseeren gaat?" — De lange oude heer stak ons de hand toe en wij noemden onze namen.
"Het geluk heeft mij de laatste dagen in Nice gediend, doordat het mij Lord Lowden in de armen voerde" — vervolgde Lidderdale. "Hij was een intieme vriend van mijn oom, den overleden Markies, die zijn smaak voor oud-Italiaansche curiositeiten deelde. Zonder Lord Lowden zou ik waarschijnlijk in wanhoop zijn ondergegaan!"
"Lichtelijk overdreven!" — glimlachte Lord Lowden.
"Oordeelt zelf, mijne heeren" — hervatte Lidderdale. "Om het strenge toezicht, waaronder Mr. Hendriks van de zijde van M. Gill te lijden heeft, te voorkomen, was ik zonder mijn kamerdienaar op reis gegaan. Zoo'n canis domesticus is nog veel gevaarlijker dan 'n detective, Mr. Gill! Voor hem bestaan geen geheimen! Maar toen ik mijn rechterhand zoo leelijk gekwetst had, vond ik het toch maar gemakkelijker hem te laten komen. Ik tegegrafeerde dus naar Londen en wachtte. Als ik te Nice gebleven was, zou ik misschien nog wachten! De man is eerst kort in mijn dienst — hij is eenvoudig niet gekomen!"
"Misschien is hij nog onderweg" — meende G.G. "Nonsens! Hij had al twee dagen in Nice kunnen zijn, toen ik vertrok. Als Lord Lowden zijn kamerdienaar niet te mijner beschikking had gesteld, was ik nooit weggekomen! Hij is voor mij 'n weldoener geweest".
"Alweer lichtelijk overdreven!" - lachte de weldoener.
Terwijl Lord Lidderdale zijn lijdensgeschiedenis vertelde, kwam er een gedachte bij mij op, die mij al mijn aandacht op G. G. deed vestigen. Ik zag, hoe deze een oogenblik stokstijf stil stond en toen langzaam naar de verschansing slenterde en in zee tuurde. Ik voegde mij bij hem.
"Hoe is 't, G. G., 'n vermoeden?" — fluisterde ik. "Stil!" — beet hij mij toe en in het volgende oogenblik stond Lord Lidderdale aan de andere zijde naast hem. Ik zag G. G. snel in den borstzak tasten, en dadelijk daarop hield hij Lidderdale een portret voor. "Kent U dezen man misschien, Mylord?"...
De aangesprokene deed 'n stap achteruit. Hij was bleek geworden.
"M'n God" - zei hij, "dat is mijn kamerdienaar; maar hij ziet eruit, alsof . . ."
"Hij is dood, Mylord. Geen woord meer thans, als ik U bidden mag. Vanavond tegen tien uur zal ik het genoegen hebben U te bezoeken. De zaak is te ernstig om hier, temidden van de menigte, af te handelen."
Hij leunde over de verschansing en tuurde in zee. Lord Lidderdale draaide zich om en een oogenblik later zagen wij hem opnieuw in gesprek met Lord
Lowden.
## HOOFDSTUK IV.DE KAMERDIENAAR.
Dien avond, even na tien uur, zaten Lord Lidderdale, G. G. en ik in druk gesprek bijeen. De Markies was, mèt zijn titel, in het bezit gekomen van een oud en halfvervallen landhuis in Suffolk en van een niet groot, maar comfortabel ingericht huis te Londen, in de buurt van Grosvenor-Square, Het was in de bibliotheek van dit laatste, dat onze conferentie dien avond plaats vond. Er knapte een lekker vuurtje in den haard — het was buiten een koude Aprilavond —; en het groote vertrek zag er warm en behaaglijk uit.
Lord Lidderdale was eenigszins verwonderd geweest, ook mij te zien verschijnen. Maar G. G. legde hem uit, dat wij drieën de eenige menschen in Engeland waren, die — althans op dit oogenblik — van het geval àfwisten. Het was van het hoogste gewicht, het geheim te bewaren, dat hij (G. G.) zich voor de zaak interesseerde. Maar, aan den anderen kant, was het van niet minder belang, dat wij alle drie de feiten zouden kennen, opdat niemand van ons, uit onbekendheid daarmede, de een of andere vergissing begaan zou. "Intusschen" — zei G. G., "ik zou U raden, Mylord, en ook jou, Willy, voorzichtig te zijn bij het trekken van conclusies uit die feiten! Dat is mijn deel van het werk — m'n ambacht, niet waar?"
Toen wij om den knappenden haard gezeten waren, verzocht G. G. onzen gastheer, hem alle bizonderheden mede te deelen, die hemzelven omtrent den vermoorden man bekend waren.
"Toen mijn oom overleden was" - vertelde Lidderdale, "en ik dit huis betrok, vond ik onder het dienstpersoneel diens ouden kamerdienaar. Daar ik met den mijnen sinds lang niet tevreden was, besloot ik, het eens met dien van mijn oom te probeeren, maar ook dat ging niet: de man was te oud, had sommige onaangename hebbelijkheden gekregen, die hem niet meer af te leeren waren, en was, in één woord, misschien geschikt voor een ,ouden heer', maar niet voor iemand, die, zooals ik, nog onder de veertig is. Ik besloot dus hem met een pensioentje naar huis te sturen en deelde hem mede, dat ik naar een wat jongeren man zou uitzien. Kort daarop moest ik voor enkele dagen de stad uit en nam een paar dagen rust te Brighton. Ik voelde me daar echter zóó ellendig en zóó zwak (waarschijnlijk had ik me wat overwerkt; het is geen sinecure, als men zitting heeft in het Bestuur van verschillende ondernemingen!), dat ik begreep behoefte te hebben aan een wat langer rusttijd. Het is niet mijn gewoonte, als ik eenmaal 'n besluit genomen heb, er gras over te lalen groeien. Ik keerde onmiddellijk naar Londen terug, liet door mijn secretaris verschillende vergaderingen en bijeenkomsten, die ik had moeten bijwonen, afschrijven en vertrok den volgenden dag naar Nice. Ik was toen niet langer dan 24 uur in Londen geweest, maar in dien tijd had ik mijn nieuwen kamerdienaar opgedaan!"
Hier zag ik G. G. achterover in zijn stoel leunen en de oogen half sluiten, zooals hij meestal deed als hij ingespannen luisterde.
Toen ik 's avonds vóór mijn vertrek in ditzelfde vertrek brieven zat te schrijven, kwam de butler\*) mij vertellen, dat er beneden iemand was, die gezon-
\*) Aldus heet in Engeland het hoofd der bedienden in de groote huishoudens.
den werd door een plaatsingsbureau voor bedienden. De man was er gedurende mijn afwezigheid al tweemaal geweest. De butler had bij beide gelegenheden met hem gepraat, zijn getuigschriften waren prima en de man maakte een gunstigen indruk; of ik hem ontvangen wilde? Ik had daar niets tegen en de man, die een oogenblik later hier binnentrad, was dezelfde, wiens portret U mij vanmiddag hebt laten zien, Mr. Gill. Hij had een getuigschrift van Lord Stockton, dien hij jaren lang tot diens groote tevredenheid gediend had en van den bekenden schrijver, Mr. Olivier, die - zooals U wel bekend zal zijn - elk jaar drie-honderd-vier-en-zestig van de drie-honderd-vijf-enzestig dagen in Europa of elders op reis is, om stof voor zijn boeken op te doen. Beide getuigschriften waren zoo bizonder warm gesteld en de man, die uit heimwee zijn laatste betrekking eraan gegeven had. maakte zóó'n gunstigen indruk, dat ik hem op staanden voet engageerde. 't Spijt mij nu, dat ik niet beter naar hem geïnformeerd heb; misschien zouden we dan gemakkelijker op het spoor van zijn moordenaar kunnen komen."
"'t Verzuim kan hersteld worden" - bracht G. G. snel in het midden.
"Ik was van den aanvang af van plan geweest alleen op reis te gaan" — vervolgde Lidderdale, "Ik wilde eens echt voor m'n plezier uit zijn en het jasje van den Engelschen aristocraat heelemaal uittrekken. Daarom liet ik den nieuwen kamerdienaar thuis. Hij zou zich, na 'n dag of wat, bij den butler melden en dan gelegenheid hebben zich hier in huis wat in te leven, voordat ik uit het buitenland terugkeerde. Dat is ook juist zoo gebeurd. De man schijnt zich hier in dien korten tijd best gedragen te hebben. U weet, Mr. Gill, dat ik, na het ongeluk met mijn revolver, telegrafeerde, dat hij dadelijk naar Nice komen zou. Onmiddellijk na ontvangst van dat telegram is hij ook vertrokken, en... ik heb hem nooit teruggezien."
Er heerschte een oogenblik stilte.
"U zult mij nu verplichten" — zeide Lord Lidderdale, die blijkbaar meer aangedaan was dan hij wilde laten blijken, "met mij mede te deelen, hoe en waar U aan die fotografie gekomen is, en wat U bekend is omtrent het lot van dien armen kerel."
G. G. dacht een oogenblik na. Daarop zeide hij, oprijzend en met de handen op den rug in het vuur "Mylord, mag ik U eerst verzoeken mij eenige vragen te beantwoorden? Uw verhaal was kort en duidelijk, maar — U weet — wij, detectives, willen altijd méér weten! — Vooreerst dan: Wanneer hebt U dat ongeluk met uw revolver gehad?"
Lord Lidderdale keek 'n oogenblik verbaasd; blijkbaar begreep hij niet, waartoe die vraag diende.
"Wacht eens even" - zei hij. "Op 't laatst van Maart, natuurlijk. Maar de juiste datum?..." Hij dacht een oogenblik na. "O, ja," vervolgde hij, "'t is gebeurd twee dagen nadat ik U in den trein bij Nice ontmoet had. Als U nog weet, wanneer dat geweest is . . .?"
"Den 26en Maart! Dus op den 28 Maart hebt U uw revolver schoon gemaakt met het resultaat, dat wij nu nog vóór ons zien?"
Hij wierp een blik op Lidderdale's verbonden arm. "Juist!" - zeide deze droog. "Nog meer te vragen, Mr. Gill?"
"Hoe heet uw secretaris en is hij lang bij U in dienst?" - vroeg G. G., steeds in het vuur starende. "Zijn naam is Humphrey Warner. Hij is 'n jaar of twee in m'n dienst en volkomen betrouwbaar."
"Dank U! - En uw butler?..."
Lord Lidderdale moest nu lachen. "William Williams heet de man. De wegen van den detective zijn onnaspeurlijk, Mr. Gill. Ik vat uw bedoeling niet met die vragen."
G. G. bleef ernstig. "Reeds lang in uw dienst, Mylord?" — vroeg hij.
"Vele jaren. Al 't U interesseert, kan ik het precies nakijken."
"Dank U! - Hoe heette uw overleden kamerdienaar, wiens portret U herkend hebt?"
"James Robertson".
"Waar zijn de getuigschriften, die hij U voorgelegd heeft?"
"Op zijn verzoek heb ik hem die teruggegeven". "Waarom hebt U niet nader naar hem geïnformeerd?"
Ik kon zien, dat deze korte, droge vragen Lidderdale hinderden, en dat verwonderde mij niet. Hij moest nog wennen aan de eigenaardigheden van G. G. bij de uitoefening van zijn beroep. Snelle vragen, volgende als hamerslagen op elkander, waren voor hem karakteristiek.
"U vergeet, Mr. Gill" — dus luidde het antwoord — "dat ik den volgenden dag op reis zou gaan. Ik was blij, vóór mijn vertrek, met het engageeren van een nieuwen kamerdienaar geslaagd te zijn. De getuigschriften waren in alle opzichten uitmuntend. Maar Lord Stockton woont in het Graafschap Durham — te ver voor serieuze informatiën, als ik die reeds den volgenden ochtend hebben wilde! En Mr. Olivier zit, God weet waar, tusschen hier en Peking. U ziet, dat ik het er wel op wagen moest.
"Durham is telegrafisch te bereiken, Mylord!" Lord Lidderdale scheen nu werkelijk geïrriteerd.
Hij was opgestaan en speelde met een vouwbeen, dat hij van de tafel genomen had. "Lord Stockton woont op Stockton-Court" — zeide hij droog — "'n goed uur rijden van Tanfield — en daar is het naaste telegraafkantoor!"
"Dank U!" — G. G. liep nu heen en weer door het vertrek, daarbij nu en dan de zware eikenhouten tafel passeerende. Enkele malen bleef hij daarvoor staan en zijn blik dwaalde dan over de boeken en papieren, waarmede zij bedekt was — blijkbaar zonder iets te zien. Hij scheen diep in gedachten. Plotseling draaide hij zich om.
"Vergeef mij, Mylord, dat ik misschien wat bruusk ben. Wij zijn gewoon, onze vragen snel te stellen, omdat er zooveel afhangt van een onvoorbereid antwoord. Uit den toon, uit de woordenkeus maken wij dan dikwijls onze gevolgtrekkingen. Die manier van vragen wordt 'n soort van gewoonte, die wij óók volgen, als er geen aanleiding tot wantrouwen bestaat. Hebt U bezwaar, wanneer ik nu even met uw butler en met uw secretaris spreek? Ik beloof U, dat ik m'n best zal doen ze niet door onnoodige bruuskheid te verschrikken".
Lord Lidderdale verzekerde glimlachend, dat ze daar wel tegen konden! Bovendien was hij erbij, om ze desnoods in bescherming te nemen! Het scheen, dat de wrevel, waarvan hij zooeven duidelijk blijk had gegeven, weer verdwenen was.
De butler bleek 'n welgedaan, blozend man te zijn met bakkebaarden en zeer correct in zijn eenvoudige livrei. De man zag er welwillend en vriendelijk uit, maar niet snugger.
"Wel, Mr. Williams", — begon G. G. "Lord Lidderdale veroorlooft mij U 'n paar vragen te stellen, in verband met het verdwijnen van den jongen man, dien hij onlangs als kamerdienaar geëngageerd heeft."
Mr. Williams keek hem aan met verbazing in zijn ronde oogen. "Bedoelt U Robertson, Sir?" — vroeg hij. "Maar die is niet verdwenen. Hij is, op telegrafische order van Mylord, naar Nice vertrokken, en... en... Ja, 't is waar, hij is nog niet teruggekomen... Mylord zei...".
Juist, Mr. Williams, de man is verdwenen. Maar luister nu eens goed: U is het hoofd van de bedienden hier in huis; U behoort voor hun eer op te komen, niet waar?"
"Natuurlijk, Sir!"
"Welnu, zwijg dan voorloopig over het verdwijnen van Robertson. De zaak zal wel een natuurlijke verklaring vinden, en — schandaal is beter vermeden."
"Jawel, Sir! Natuurlijk, Sir!" — Williams drukte zijn lippen opéén, als om te verhinderen, dat hem een woord ontsnappen zou over wat hem werd toevertrouwd. "Welnu dan", — vervolgde G. G. op jovialen toon — "U kunt ons misschien helpen, door ons 't een en ander omtrent Robertson te vertellen. Ik hoor van Mylord, dat hij zich in den tijd, dien hij hier in huis doorbracht, goed gedragen heeft. Hebt U niets bizonders aan hem bemerkt?"
De butler schudde het hoofd. "Nooit, Sir! Hij kende z'n plaats en was 'n behulpzaam mensch. Vriendelijk en spraakzaam, Sir!"
"Spraakzaam?" - herhaalde G. G. "En waarover sprak hij dan?"
"Over alles en nog wat, Sir. Maar, nu ik 't mij goed herinner, de meeste belangstelling toonde hij voor alles wat Mylord betreft. Hij bewees daardoor, dat-i z'n plaats kende, Sir!"
"Ik begrijp niet goed, wat je bedoelt, Williams!" - zei G. G.
"Sir.... U zult me moeten toestemmen, Sir, dat 'n kamerdienaar de eigenaardigheden en gewoonten van z'n meester kennen moet, als-i 'm goed dienen wil. Robertson was nooit uitgevraagd naar alles wat Mylord betrof, naar z'n manier van leven, z'n gewoonten, z'n kennissen. Hij kende z'n plicht, Sir! Zou 'n modèl-kamerdienaar geworden zijn".
"En je hebt hem zeker 'n boekje van me open gedaan!" — merkte Lord Lidderdale op. "Je weet anders, Williams, dat 't geen pas geeft mij bij mijn ondergeschikten over de tong te laten gaan."
"Hij schijnt dus nog al nieuwsgierig geweest te zijn" — meende G. G. "Nog meer bizonders?"
"Niets, Sir!"
"Nooit gemerkt, dat-i vijanden had, menschen, die hem lastig vielen?"
"Nooit, Sir!"
"Kreeg geen brieven of telegrammen?"
"Behalve het telegram van Mylord, neen Sir!"
Toen de butler de kamer verlaten had, schudde G. G. bedenkelijk het hoofd. — "Dat brengt ons niet veel verder" - zei hij. "En nu de secretaris!"
Humphrey Warner was 'n jonge man van misschien 25 jaar. Ik had hem enkele malen ontmoet en eenige vriendelijke woorden met hem gewisseld. Hij had iets meisjesachtigs in zijn voorkomen en iets schuchters in zijn optreden.
G. G. viel ineens met de deur in huis.
Kunt U ons iets vertellen over den nieuwen kamerdienaar van Lord Lidderdale?" - vroeg hij.
"Ik?" - vroeg de secretaris verbaasd. "Ik heb hem nauwelijks gezien!"
"Herinnert U zich eens goed, Mr. Warner. Heeft hij U, toen Mylord op reis was, nooit eens 'n kleinen dienst bewezen? Heeft hij U nooit eens 'n whiskysoda of iets anders hier in de bibliotheek gebracht? Kom, bedenk eens goed!"
"Ik zit nooit in de bibliotheek en ik ben afschaffer", - zeide het jonge mensch stijfjes.
"Nu, nu!" — hernam G. G. "Ik heb U niet willen beleedigen. U verricht dus uw werkzaamheden in een afzonderlijk vertrek?"
"Ik heb een eigen werkkamer, Sir!"
"Dank U, Mr. Warner!"
Toen de secretaris het vertrek verlaten had, ging G. G. weer op zijn gemak in zijn luien stoel voor den haard zitten.
"Het oogenblik is nu gekomen" — zei hij "om uwe Lordschap mede te deelen, wat mij bekend is omtrent uw gewezen kamerdienaar. Neemt U weer plaats, Mylord" (dat was echt G. G.: hij gedroeg zich alsof hij de gastheer was!), "en jij, Willy, tik mij op de vingers, als ik iets verkeerd vertellen of vergeten mocht".
Hij verhaalde daarop kort en zakelijk alles wat ons in Menton overkomen was. Lord Lidderdale hoorde met de grootste aandacht toe; hij was blijkbaar zenuwachtig, 't geen ook werkelijk geen wonder was!
Toen G. G zijn verhaal fen einde had gebracht, bleef Lidderdale eenigen tijd in het vuur staren; toen zeide hij: "Ik begrijp niet, Mr. Gill, in welk verband verschillende van de vragen, die U zooeven gesteld hebt, met die treurige geschiedenis staan."
G. G. stond op. "U hebt daareven zelf gezegd, dat de wegen van den detective onnaspeurlijk zijn. Wij zullen U niet langer lastig vallen. Mylord. Zoodra ik eenig licht zie in het duister, zal ik niet nalaten U daarvan bericht te geven."
* * *
"Willy", — zeide G. G. eenige oogenblikken later, toen wij op straat waren "ik weet niet, of het mij gelukken zal, ooit klaarheid in de zaak te brengen. Er is iets in, dat ik voel, maar niet begrijpen kan, iets waarvoor ik bang ben. En dat gebeurt mij zelden!"
"De zaak moge onbegrijpelijk zijn, jouw vragen daareven schenen mij dat niet minder!" - merkte ik eenigszins schamper op.
"Mogelijk, best mogelijk. Misschien zul je ze eens begrijpen." — Plotseling bleef hij stilstaan en pakte mij bij een knoop van mijn overjas. "Kun je nog een paar dagen vrij nemen, Willy?"
"Vandaag over 'n week is mijn verlof eerst om."
"Prachtig! Er gaat morgen om 8 uur 'n trein naar
t Noorden. We gaan samen 'n uitstapie maken naar het Noorden. We gaan samen 'n uitstapje maken naar 't graafschap Durham. Stockton-Court moet 'n prachtig landgoed zijn. We zullen 't eens gaan opnemen."
"Ja maar . . . .
In 'n oogwenk had hij mijn hand te pakken. "Goeien nacht. Ik kom je morgen vroeg aan je woning oppikken om naar 't station te gaan".
"Maar waarachtig, G. G., ik ..." Hij gaf mijn hand 'n fermen druk.
"Je moet mee, Willy! Ik ben bang om alleen te gaan . . ."
Het volgende oogenblik was hij om den hoek van een straat verdwenen.
## HOOFDSTUK V. STOCKTON-COURT.
Het was laat in den namiddag, toen wij door een breede oprijlaan van reusachtige beuken op Stockton-Court aanreden.
In Tanfield hadden wij ons in het kleine, maar nette hotel kamers doen reserveeren, want 's avonds waren wij van plan van Stockton-Court terug te keeren. Nog van Londen uit had G. G. aan Lord Stockton getelegrafeerd, dat wij hem in den namiddag over een belangrijke zaak spreken kwamen. Geen oogenblik was daarbij de gedachte bij hem opgekomen, dat zijn bezoek onwelkom of ongelegen zijn zou: hij behoorde nu eenmaal tot die gelukkige menschen, die zich gedragen, alsof ieder zich naar hen te richten heeft. En zijn prettig gezicht en onmiskenbare intelligentie maakten, dat hij niet te veel teleurstellingen in dit opzicht ontmoette. Het geheim van te slagen is: te gelooven, dat men slagen zal. Dit geloof was bij G. G. tot een dogma geworden!
Onder weg in den trein hadden wij weinig gepraat. Op ons zonderling afscheid, den avond van te voren, was hij niet teruggekomen, dan alleen toen hij mij (wij waren alleen in de coupé) een revolver ter hand stelde, met een droog: "deze kan te pas komen; er is voor ons gevaar... overal..." Ik beschouwde dit tenminste als een vervolg op zijn woorden van den vorigen avond. Eerlijk gezegd, nam ik de zaak niet al te ernstig. Ik had toch ook alles meegemaakt en niets dreigends of onrustbarends voor ons kunnen ont-dekken. Weinig wist ik toen nog, hoe ziende blind de gewoon-voortlevende en denkende mensch is, vergeleken bij den man, die zijn oog op de scherpste observatie en zijn hoofd op de scherpste deductie getraind heeft.
Wij reden dan nu op Stockton-Court aan. Toen wij de oprijlaan uit waren, lag voor ons een open terrein van glad-geschoren gras-gazon, en daarachter verhief zich het vorstelijk verblijf van Lord Stockton, een enorm gebouw: links een wat lage, ietwat gedrukte vleugel uit den Stuart-tijd, rechts een later aangebouwd, meer modern gedeelte, dat blijkbaar de woonvertrekken bevatte; het geheel schuil gaande onder rijke guirlandes van klimop en andere klimplanten die er een schilderachtig, maar ietwat somber aanzien aan gaven.
Ons wagentje - een eenvoudig huurkarretje uit Tanfield - stak eenigszins zonderling af bij de statige pracht van park en gebouw. Maar daaraan dachten wij zeker geen van beiden. G. G. keek met snelle, doordringende blikken om zich heen, als wilde hij de gesteldheid van het terrein zoo snel mogelijk in zich opnemen; ik was sterk onder den indruk van het imposante der omgeving en van het schilderachtige van het gebouw - men kon wel haast zeggen van het complex van gebouwen -, dat voor ons lag. Het was voor April een buitengewoon zachte namiddag. De dalende zon scheen vôl op den gevel vóór ons en weerkaatste in de vensters in rossigen schijn. Niettegenstaande de onrustbarende preparatieven van G. G. had ik mij zelden zoo opgewekt gevoeld: de omgeving was verrukkelijk.
Het bleek, dat wij verwacht werden en dat men naar ons had uitgezien. Toen ons eenvoudig karretje voorreed, verscheen een imposante butler op den drempel van de breede ingangspoort en traden twee gegalonneerde stalknechts op ons onschuldig bruintje toe, dat hoogstens gewoon was aan 'n staljongen met 'n schootsvel vóór en zwarte nagels! Ik voelde het contrast en geneerde mij een beetje. G. G. was sinds lang over zulke dingen héén, Voor hem was 't volkomen hetzelfde, of we in een bokkenwagen dan wel in een statiekaros onze entrée deden.
De butler boog als een knipmes. "Lord Stockton, die op dit oogenblik in conferentie is met zijn zaak-waarnemer, heeft mij bevolen de heeren naar hun kamers te doen brengen. Om half zeven zal de bel voor het diner luiden; na afloop daarvan hoopt hij met de heeren nader te spreken."
"Maar m'n goede vriend" — zei G. G., "noch ik, noch Mr. Hendriks hier, hebben daarop gerekend. Wij hebben niet eens onze avondkleeding meegenomen. We dachten over 'n uur of twee in het hotel te Tanfield terug te zijn."
"Lord Stockton voorzag dat wel" — zeide de buigende butler, zich vergenoegd in de handen wrijvend. "Hij heeft mij opgedragen U te zeggen, dat Lady Stockton en de jonge Ladies er geen aanstoot aan zullen nemen, wanneer U aan tafel uw reiskleeding draagt. Andere gasten zijn er niet."
"Maar ons karretje!" — bracht G. G. in het midden. "... is al op weg naar Tanfield" — zeide de vriendelijke butler. "Jim, de stalknecht, zal tevens uw logies afbestellen en uw bagage hierheen brengen. Mylord staat erop, dat U voor heden nacht zijn gasten zult zijn."
Nu, G. G. mocht gaarne den baas spelen, hier had hij dan toch zijn meester gevonden! Wij keken elkander eenigszins hulpeloos aan en onderwierpen ons aan ons lot.
De butler gaf ons over aan de zorg van twee livreiknechts, die ons langs een breede, met zacht tapijt belegde trap, naar boven en naar onze nevens elkaar gelegen kamers geleidden.
* * *
Precies om half zeven luidde de etensbel. G. G. en ik maakten de deuren van onze kamers gelijktijdig open en ontmoetten elkander in den corridor: ik met een gevoel van gegeneerdheid wegens mijn weinig ceremonieus costuum; hij met het uiterlijk en de zekerheid van iemand, die z'n heele leven gewoon geweest is in een kort jasje aan te zitten aan den disch van Engelsche aristocraten!
Beneden vonden wij de familie verzameld.
Lord Stockton, een kleine, magere man met 'n fijn besneden gezicht, lange grijze haren en een vollen grijzen baard, verwelkomde ons allerhartelijkst.
"U is mij niet onbekend, Mr. Gill", — zeide hij. "Ik ben aandeelhouder in de "Bridge-Steel-Works" en U, ook voor mijn deel, verplicht voor de scherpzinnige wijze, waarop U eenige maanden geleden de ten koste van die onderneming gepleegde diefstallen ontdekt en bestraft hebt! Het is mij een groot genoegen U en uw vriend onder mijn dak te zien."
Wij werden daarop aan de dames voorgesteld, die onmiddellijk heslag op mij legden, toen zij hoorden dat ik Hollander was. Zij waren den vorigen zomer in Holland geweest en hadden daar veel gezien en genoten. Zij bleken "true friends of dear, little Holland."
Lady Stockton was een rijzige, oude dame met een mooi profiel en vriendelijke oogen. Lady Edith, de oudste dochter, was een donkere, statige, wat koude schoonheid, Lady Maud, haar jongere zuster, 'n allerliefste blondine met diep-blauwe oogen en 'n prachtigen, kersrooden mond. Als ik niet 'n eenvoudig Hollandsch advocaatje geweest was, had ik mij de luxe kunnen permitteeren te doen wat ik 't liefst gedaan had: ik zou dadelijk tot over mijn ooren verliefd op haar geworden zijn. Helaas, het nuchtere verstand — vertrouwd met de kaste-vooroordeelen der Engelsche aristocraten — zat als remmer op den wagen van mijn zich wel wat al te snel voortspoedende wenschen en gedachten!
Met grooten tact hadden Lord Stockton en de dames het vermeden, zelven in avond-toilet te verschijnen, wetende dat dit voor hunne gasten onmogelijk was. Mijn gevoel van gegeneerdheid week dan ook weldra, en-toen de butler de breede deuren van de eetzaal, met een gebaar als alleen 'n butler uit goeden huize maken kan, open wierp, was ik geheel op mijn gemak. Ik geleidde Lady Stockton naar tafel. G. G. Lady Edith en Lord Stockton volgde met zijn jongste dochter, die (ik wil niet ontkennen, dat m'n hart deswege wat sneller klopte!) aan mijn rechterhand kwam te zitten. Tegenover mij zat Lady Edith, en - niettegenstaande ik bijna uitsluitend oogen voor haar zuster had - viel 't mij toch telkens op, welk 'n buitengewone schoonheid zij was. "Piepjong" was zij niet meer; ik schatte haar op tusschen vijf-en-twintig en dertig. Zij was zéér bleek, hetgeen haar donkere wenkbrauwen en prachtig zwart haar temeer deed uitkomen. Er lag op haar gezicht iets straks, iets dat den indruk van een masker maakte, en in de oogen iets lijdends. Zij maakte den indruk van iemand, die een groot verdriet gehad heeft. Zonder bepaald levendig te zijn, nam zij deel aan onze gesprekken; maar ook in haar stem lag iets eentonigs, iets alsof haar gedachten elders waren.
Aan tafel spraken wij vooral over de voor- en nadeelen van het landleven, wel te verstaan het landleven, zooals dat door deze Engelsche aristocraten wordt opgevat. Lord Stockton was gedurende eenige maanden wat lijdend geweest en daarom was de familie niet naar Londen getrokken om den "season" mede te maken. Het groote huis in Grosvenor-gardens stond in dit voorjaar, voor 't eerst sinds vele jaren, leeg; maar de eenige, die daar werkelijk spijt van scheen te hebben, was Lady Maud. Zij was trouwens de jongste, zij hield van bals en theaters; en ik was 't natuurlijk volkomen met haar eens. 't Was moeilijk naast Lady Maud te zitten en 't niet met haar eens te zijn!
Tegen half negen stonden de dames van tafel op; G. G. en ik bleven met onzen gastheer alleen, want de bedienden hadden het vertrek verlaten, nadat de butler zich ervan overtuigd had, dat wij geen dorst zouden lijden!
"We zijn nu onder ons, heeren" — begon Lord Stockton. "Als Mr. Gill mij nu zou willen mededeelen, aan welke oorzaak ik het groote genoegen van uw tegenwoordigheid te danken heb, beloof ik U, met aandacht te luisteren. In tegenstelling met wat men gewoonlijk aanneemt, heb ik altijd gevonden, dat het rustige uurtje na het diner het meest geschikt is om ernstige zaken te bespreken, zonder onnoodig zwaartillend of gewichtig te worden."
"De zaak, die ons hierheen voert, is werkelijk zeer ernstig" — zeide G. G. "Het feit, dat wij zoo onceremonieus en plotseling hierheen gekomen zijn, bewijst dat reeds. Toch kan ik U onmogelijk zeggen, welke zaak dat is: wij zijn alleen gekomen om U eenige vragen te stellen. Zie in mijn terughoudendheid vooral geen wantrouwen, Mylord! In deze zaak betrokken te worden, ervan te weten, staat, naar mijn vaste overtuiging, gelijk met het loopen van groote gevaren; en er is volstrekt geen reden, waarom U zich daaraan zoudt bloot stellen. Het spijt mij al genoeg, dat mijn vriend, Mr. Hendriks, er door het toeval in gemengd is geworden. Maar nu dat eenmaal gebeurd is, hecht ik veel aan zijn medewerking."
"Ik begrijp uw positie volkomen" — antwoordde Lord Stockton. "Dus, Mr. Gill, vraag gerust wat U te vragen hebt! Ik zal alles doen om uw taak gemakkelijk te maken!"
"Welnu dan, Mylord" — zeide G. G. "Mijn eerste vraag is al héél eenvoudig: U hebt, als ik mij niet bedrieg, een kamerdienaar gehad, die James Robertson heette?
"Zeer zeker".
"Wanneer heeft hij uw dienst verlaten?"
"Ruim twee jaar geleden."
"En waarom? Was er in zijn optreden of in de wijze, waarop hij z'n taak vervulde, iets dat U ertoe bracht, hem zijn ontslag te geven?"
"In het geheel niet. Integendeel, het speet mij niet weinig, dat ik hem missen moest. De man had zijn plicht altijd op uitnemende wijze vervuld; hij is feitelijk de beste kamerdienaar geweest, dien ik ooit gehad heb."
"Ik kende G. G. lang genoeg om te zien, dat hij dit antwoord verwacht had, hoewel 't mij verraste.
"Hoe lang was hij bij U in dienst?" - vroeg hij.
"Langer dan tien jaar."
"Weet u iets van zijn antecedenten?"
"Alles! Hij was de zoon van een mijner pachters. Ik heb hem, om zoo te zeggen, van klein kind af gekend. Een beste, brave jongen!"
"Hoe oud was hij, toen hij bij U in dienst kwam?"
"Niet heel jong meer, hij liep naar de dertig."
"Wat had hij vóór dien tijd gedaan?"
"Hij hielp z'n vader in 't landbouwbedrijf. Maar daarvoor heeft hij nooit den waren zin gehad. 't Was geen onwil, maar een gevolg van de omstandigheid, dat zijn aanleg en neiging nu eenmaal niet in die richting lagen. Zijn moeder heeft hij betrekkelijk vroeg verloren. Toen zijn vader stierf, heb ik een anderen pachter gezocht en hem tot mijn kamerdienaar gemaakt. Eerst was 't natuurlijk sukkelen; maar later is hij een model-kamerdienaar geworden!"
"Hij was dus ongeveer veertig jaar, toen hij uw dienst verliet?"
"Juist, Mr. Gill!"
"Je ziet, Willy, dat dit alles volkomen klopt met wat wij tot dusver wisten" — zeide G. G. thans tot mij.
"Ik geloof echter, dat Lord Stockton ons nog wel wat nieuws zal vertellen. — Mylord, hebt U ooit ontdekt, dat Robertson vijanden had?"
"Nooit!" — antwoordde Lord Stockton beslist.
"Integendeel, de man was onder mijn personeel en ook elders bizonder populair. Hij had vele en goede kennissen."
"En nu, Mylord," — G. G. leunde naar voren op zijn stoel en steunde met gekruiste armen op de tafel — "een vraag, die voor de hand ligt, maar die ik tot dusverre niet gesteld heb: Waarom heeft deze model-kamerdienaar uw dienst verlaten?"
"De reden was treurig genoeg. Zijn gezondheid liet in den laatsten tijd veel te wenschen over. Het bleek, dat een van de longen nog wel niet aangetast was, maar dat daar toch groot gevaar voor bestond, wanneer hij in Engeland bleef. Toevallig kreeg ik in dien tijd een bezoek van mijn vriend Olivier, dien U wel eens hebt hooren noemen, niet waar? Hij was van plan zijn eerstvolgende reis naar Italië en Egypte te ondernemen en zocht een vertrouwd bediende om hem te vergezellen. Ik heb hem toen Robertson afgestaan – zeer tegen mijn zin, dat verzeker ik U!"
"En hebt U sedert nog wel eens iets van hem gehoord?"
"De reis van Mr. Olivier heeft zich van Egypte uitgestrekt naar Mesopotamië. Een maand of vier geleden ontving ik bericht van hem uit Bagdad. Robertson was toen nog steeds bij hem en hij was zeer tevreden over hem."
"Is het U bekend, dat Robertson naar Engeland teruggekomen is?" — Lord Stockton keek verbaasd op.
"Dat is mij onbekend, en ik kan het ook nauwelijks aannemen, want anders had ik zeker iets van hem gehoord. De man was zeer aan mij gehecht en zou zeker niet verzuimd hebben, zijn terugkomst te berichten. Het is zelfs waarschijnlijk, dat ik hem weer in dienst genomen zou hebben."
"Willy," — zei G. G., terwijl hij zich in de handen wreef. "Nu begint wat Lord Stockton ons vertelt af te wijken van wat wij meenden te weten! Misschien hooren wij nog meer interessants! Hebt U" — aldus vervolgde hij tot onzen gastheer "aan Robertson bij zijn ontslag een getuigschrift gegeven?"
"Zeker!" — antwoordde Lord Stockton. "Voor Mr. Olivier, dien ik zelf over hem gesproken had, was dat niet noodig. Maar het was natuurlijk niet zeker, of Robertson in zijn dienst zou blijven. En een werkelijk goed getuigschrift kan, onder omstandigheden, voor iemand als hij goud waard zijn."
G. G. scheen eenigszins over dit antwoord teleurgesteld. Hij dacht een oogenblik na. Toen haalde hij het portret, dat wij uit Frankrijk hadden meegebracht.
voor den dag.
"Herkent U dit portret, Mylord?" - vroeg hij.
Lord Stockton beschouwde het eenige oogenblikken, zonder iets te zeggen. "Het gezicht komt mij wel bekend voor" — zeide hij eindelijk weifelend, "maar ik kan het niet thuis brengen . . . "
"Kijk eens goed, Mylord! Herkent U het werkelijk niet?"
"Neen! Ik heb een heel goed geheugen voor gezichten en zie gauw gelijkenissen. Misschien is dat de oorzaak, dat ik mij verbeeldde er iets bekends in te zien. Herkennen doe ik het zeker niet."
G. G. stond op. Ik kon zien, dat hij opgewonden was. "Maar dat is toch Robertson, uw vroegere kamerdienaar?"
Lord Stockton schudde het hoofd. "Ik kan U met alle beslistheid verklaren, dat het James Robertson niet is" — zeide hij. "Daaraan bestaat niet de minste twijfel."
## HOOFDSTUK VI. GEVAAR.
Het zal niemand verwonderen, dat ik door deze stellige verklaring van Lord Stockton ten hoogste verbaasd was. Zij beteekende, dat Lord Lidderdale zijn thans vermoorden kamerdienaar op valsche getuigschriften in zijn dienst genomen had. Maar die valsche getuigschriften moesten gemaakt zijn door iemand, die geheel vertrouwd was met de omstandigheden van den werkelijken James Robertson. En wie, in Gods naam, was dan de man, die zich voor dezen had uitgegeven en in Menton zoo tragisch aan zijn einde was gekomen?
G. G. scheen minder verbaasd dan ik.
"Ik ben U hartelijk dankbaar voor uw zakelijke en duidelijke antwoorden, Mylord!" — zeide hij. "Ik had reeds eenig vermoeden, dat het lijk, waarnaar deze fotografie genomen werd, niet dat van uw kamerdienaar was. Nu heb ik nog maar één ding te vragen. Is U de tegenwoordige verblijfplaats van Mr. Olivier bekend?"
"Ik heb daarvoor althans een aanwijzing" — was het antwoord. "In zijn schrijven uit Bagdad meldde hij mij zijn voornemen van Bagdad over Constantinopel naar Moskou te reizen. In die laatste stad moet hij op het oogenblik zijn, wanneer hij ten minste zijn plannen niet veranderd heeft."
"Prachtig!" - riep G. G. uit. "Een laatste gunst,
Mylord! Zoudt U bereid zijn, bij den Engelschen consul in Moscou telegrafisch te informeeren, of Mr. Olivier zich daar op dit oogenblik bevindt en of Robertson nog bij hem is?"
"Met het meeste genoegen" - antwoordde Lord
Stockton. "Is er haast bij de zaak?"
"Groote haast! Ik geloof, dat er veel leed voorkomen kan worden, wanneer wij spoedig handelen. En zoudt U mij dan direct naar Londen het antwoord "Il n melden?"
"Om U te bewijzen, dat het mij ernst is U te helpen, zal ik nog hedenavond een bediende naar Tanfield sturen met het telegram."
Geen kwartier later was de man, goed bereden, onderweg, en onze gastheer ging ons voor naar de "drawing room", waar de dames ons wachtten.
* * *
Dien avond zong Lady Maud — dit is de groote, de bijna eeuwige indruk, die mij van de eerstvolgende uren bijgebleven is. Ik zal mij niet in dithyramben verliezen over haar stem en spel. Haar persoonlijkheid had mij betooverd — haar zingen maakte mij hopeloos ende hopeloos verliefd! De avond vloog om en het was elt uur, toen ik langzamerhand weer tot het besef kwam, dat ik Willem Hendriks was, jong-advocaat, met 'n beetje geld en m'n heele toekomst nog te maken. De nuchtere remmer klom weer op den wagen!
Even na elven meldde zich de butler. Hij kwam zeggen, dat de bode van Tanfield teruggekomen was. Deze had verteld, dat hij op den terugweg in het park, dicht bij het huis, een man had zien rondsluipen, die bij zijn nadering onmiddellijk in het struikgewas was verdwenen. Het was te donker onder het zware geboomte om hem in te halen, temeer omdat de bediende hem te paard toch niet door de struiken had kunnen volgen; en te voet was het eveneens onmogelijk geweest, omdat de voorsprong veel te groot was.
De butler achtte het zijn plicht, Lord Stockton hiervan kennis te geven. Deze nam de zaak echter niet heel ernstig op: "'n Verdwaalde strooper" — meende hij, "die zelf 't meest verlegen is, nu hij zoo dicht in de buurt van het huis gekomen is."
Ik zag, dat G. G., bij het hooren van dit bericht, die eigenaardige beweging met zijn hoofd maakte — 'n soort van korten, haast onmerkbaren schok in hals en achterhoofd —, die ik steeds bij hem had waargenomen, wanneer hij onverwachts iets buitengewoork belangrijks hoorde. Hij beweerde altijd, dat dezeronwillekeurige beweging zijn grootste gebrek als detective was. De dames schenen het geval niet bedenkelijk te vinden. Alleen Lady Edith was zenuwachtig en nog bleeker dan gewoonlijk.
Kort daarop scheidden wij voor den nacht. Ik bemerkte, dat G. G. in de hal voor het trappenhuis nog eenige woorden met Lord Stockton wisselde. Hij
sprak met grooten nadruk en scheen sterk op iets
aan te dringen. Onze gastheer riep daarop den butler,
wien hij een korte aanwijzing gaf. G. G. en ik gingen vervolgens de trap op naar onze kamers.
* * *
Ik heb reeds gezegd, dat onze vertrekken aan elkaar grensden. Zij stonden met elkander in gemeenschap door een deur en G. G. trad met mij mijn kamer binnen.
Er brandde een vuur in den haard en de kamer was verlicht door een groote zilveren lustre met kaarsen, die op de ronde, zware tafel stond. De gordijnen waren gesloten.
De deur, die naar het nevenvertrek voerde, stond half open; ook daar was de haard brandende en troffen wij later dezelfde verlichting aan. — G. G. ging op een leunstoel bij den haard zitten, leunde daarin achterover en bleef een tijd lang zwijgend en met gesloten oogen zitten. Ik wachtte mij wel, hem te storen: hij was aan het denken, reduceeren en combineeren.
"Willy" — zei hij na een minuut of tien, "kom hier eens bij mij zitten. Die andere leunstoel ziet er óók uitlokkend uit en ik heb je wat te zeggen."
Ik voldeed aan zijn uitnoodiging.
"'k Zou graag willen weten" - vervolgde hij, "wat jij van de zaak denkt."
Ik keek hem eenigszins verbaasd aan. "Vooreerst zou ik moeten weten, wat je verstaat onder de zaak" — zei ik. "En in de tweede plaats: aan mijn opinie in aangelegenheden, die je beroep betreffen, hecht je nu niet zoo bizonder veel; je hebt daaraan trouwens groot gelijk, want ik ben dom in het oplossen van puzzles. Waarom vraag je nu naar mijn meening?"
G. G. keek mij lang en ernstig aan. "M'n beste jongen" — zei hij, "maak geen gekheid over de zaak, waarin het toeval ons gemengd heeft; ze is ernstig genoeg! Maar ik begrijp, dat je weten wilt, wat ik onder de zaak versta. Welnu, ik heb verwacht, dat men ons uit Londen hierheen volgen zou. Er is iemand, die er belang bij heeft, mij in mijn onderzoek te dwarsboomen. Heb jij eenig begrip, wie dat zijn kan?"
Ik was nu werkelijk verbaasd. Hoe kwam hij eraan, dat wij vanuit Londen gevolgd waren? En met welk doel zou dat gebeurd zijn? Deze gedachte was gloednieuw voor mij en 't scheen mij niel zeer waarschijnlijk.
"k Begrijp niet, hoe je aan dat denkbeeld komt. In Engeland zijn Lord Lidderdale, jij en ik de eenigen, die iets weten omtrent de treurige zaak, die ons hierheen gebracht heeft. Je zult toch niet aannemen, dat Lord Lidderdale ons is nagereisd!"
"Neen!" - zeide G. G. met nadruk.
"Welnu dan, áls we gevolgd zijn, zou het dus vanuit Frankrijk moeten zijn!"
G. G. knikte toestemmend. "Je spreekt mijn eigen gedachte uit, Willy! Het doet mij genoegen, dat we elkaar zoo goed begrijpen. Maar nu: Waaróm vervolgt men ons? . . . .
Plotseling had ik 'n lumineuzen inval. "Om dat portret natuurlijk!" — riep ik uit. "Dat is immers de sleutel van het geheele geheim?"
"Bravo! Je logica is scherper dan ze geweest is. En nu luister verder. Het is van het allergrootste belang, dat wij weten, wie ons gevolgd is."
"Maar m'n waarde G. G." — zei ik 'n beetje ongeduldig. "Je neemt nu maar steeds als bewezen aan, dat wij gevolgd zijn. Ik zie daarvoor geen schaduw van 'n bewijs!"
"Die zoogenaamde strooper, die in het park ontdekt is . . .
"Zou op ons loeren? — Ik geloof er niets van!"
"Nu, we zullen er niet over twisten. Maar je zult er
wel niets tegen hebben, dat ik handel naar mijn eigen inzicht. Tegen 'n uur of één vannacht zal ik eens poolshoogte gaan nemen in de onmiddellijke
omgeving van het huis. Dat portret, waarvoor je zoo
bezorgd bent, laat ik hier. Bewaak het, als 'n trouwe
wachter!"
Dit zeggende, legde hij het op de tafel.
"Wij kunnen nu gerust zijn" — vervolgde hij. "Ook al word ik aangevallen, de buit ontgaat den aanvaller toch!"
"Maar loop jijzelf geen gevaar?" — vroeg ik, onwillekeurig wat bezorgd, "Laten we samen gaan!"
"Maak je niet ongerust, Willy" — antwoordde G. G. "Ik ben behoorlijk gewapend en voor geen kleintje vervaard. Je tegenwoordigheid zou mijn gevaar eer vermeerderen dan verminderen. Ik ben niet van plan in het midden van de breede parkwegen te gaan paradeeren — mijn weg voert over gras en door struiken. En twee maken dan meer leven dan één. Bovendien, beste vriend, je moet ons kostbaar portret bewaken!"
"Van slapen zal vannacht dus niet veel inkomen!"
"Als je slaap hebt, begin dan met een dutje in je stoel te doen" - zeide G. G. "De butler zal mij precies om één uur door een zijdeur uitlaten. We hebben dus nog den tijd!"
"O, dáárover heb je zeker met Lord Stockton gesproken, voordat we naar boven gingen."
"Je observatie in deze is even juist als je deductie! - Maar, zonder gekheid, probeer wat te slapen. Misschien wacht je een nacht vol interessante avonturen; verzuim niet, de noodige krachten daarvoor op te doen. Ik zal intusschen in de kamer hiernaast de noodige preparatieven voor mijn nachtelijke wandeling gaan maken."
Hij stond op en er heerschte een oogenblik diepe stilte. Toen gebeurde er iets zonderlings,
In het nevenvertrek hoorden wij duidelijk, dat er zacht een deur werd toegedaan.
In minder dan geen tijd waren we in G. G.'s slaapvertrek. Ik keek rond, maar kon niets bizonders ontdekken. G. G. vloog naar de deur en wierp een blik in den corridor. Ook daar was niets te zien. Er brandde nog voldoende licht om de breede gang in zijn volle lengte af te zien en de tijd was te kort geweest dan dat een indringer zich zóó spoedig had kunnen verbergen.
Wij keken elkander onthutst aan. Toen glimlachte G. G. "Je ziet, Willy, dat ook jouw taak van wachter wel eens niet zonder gevaar kon zijn" - zei hij. "We hebben elkander dus niets te verwijten!"
"Maar wie zou ons, in God's naam, hier in huis kunnen bespieden?"
"'k Weet het niet, beste jongen, maar wèl weet ik, dat ons nog verrassingen te wachten staan. Ik herhaal, Willy: er is gevaar voor ons beiden!"
Ik beken gaarne, dat ik onder den indruk was. De toestand was dan ook verre van aangenaam. Buiten werd er rondgeslopen, maar blijkbaar binnen ook! Misschien zal men mij niet al te vreesachtig vinden, wanneer ik eerlijk zeg, dat ik mij niet bizonder op mijn gemak gevoelde.
lk ging terug naar mijn kamer en liet de tusschendeur open staan. Op eens hoorde ik een onderdrukten kreet van G. G.: "Kom eens hier, Willy!"
In een oogenblik stond ik naast hem.
"Help mij deze kast een klein eindje verschuiven" - zei hij, op een zwaar, eikenhouten meubel wijzende, dat tegen den wand stond. Ik voldeed aan zijn verlangen en het bleek nu, dat zich achter die kast een deur bevond, die in een ander vertrek moest uitkomen en gesloten was.
Zonder een oogenblik te verliezen, nam G. G. de lustre op, die op zijn tafel stond, en trad op de deur toe, die op den corridor uitkwam. "Hier blijven, Willy" - beval hij. "Wij zijn dom genoeg geweest, onzen nieuwsgierigen vriend, wie 't ook geweest moge zijn, den tijd te laten zich in veiligheid te stellen. Maar ik moet toch even zien, of de kamer hiernaast werkelijk leêg is."
"Als je erin komen kunt!" — zeide ik. Maar reeds het volgende oogenblik was hij in den corridor en hoorde ik de deur van het nevenvertrek opengaan.
"Dus niet afgesloten" - dacht ik bij mezelven en wachtte in groote spanning, wat er gebeuren zou. "Maar er gebeurde niets! Vijf minuten later stond
G. G. weer voor mij.
"Niets!" zei hij, en zette de lustre weer op de tafel.
Precies om één uur ging G. G. naar beneden. Hij had een dikke pelsmuts opgezet, en, niettegenstaande het onaangename van onzen toestand, moest ik toch even lachen.
"De slaapmuts!" - expliceerde G. G., reikte mij de hand en was verdwenen.
Ik was nu alleen in mijn kamer. De beide deuren, die op den corridor uitkwamen, waren afgesloten en de kast in G. G.'s kamer stond weer op zijn plaats. Het zal niemand verwonderen, dat ik zenuwachtig en ongedurig was. Op een zijtafeltje lagen de nieuwste exemplaren van de "Graphic". Ik trachtte mij daarmede bezig te houden, maar dat lukte niet. Telkens stond ik op en liep door de beide kamers op en neer. Eindelijk schoof ik het gordijn, dat voor mijn venster hing, een eindje op zij en keek naar buiten.
Ik had het uitzicht op een deel van het park, waardoor zich een vrij breede weg slingerde, aan beide zijden door dicht struikgewas omgeven. De maan scheen helder en 't was bijna even licht als over dag. Plotseling zag ik iets, dat mij een oogenblik den adem benam.
Uit het struikgewas was een mannengestalte te voorschijn gekomen. Zij stond een oogenblik stil, keek naar boven en stak toen snel den weg over om aan den anderen kant weer in de struiken te verdwijnen. Het leed geen twijfel, dat dit G. G. niet geweest was: ik had de gestalte duidelijk kunnen zien en zij geleek in geen enkel opzicht op mijn vriend.
Wat er bij mij omging, toen ik snel het gordijn weer voor het venster schoof, kan ik moeielijk beschrijven. Er overviel mij plotseling een gevoel van angst voor mijn vriend en een gevoel van verachting voor mijzelven, die hierboven veilig in mijn kamer zat. Opeens realiseerde ik het geweldige gevaar, waaraan G. G. was blootgesteld. Ik wilde dat gevaar deelen; ik kon niet langer, als 'n laffe vlegel, hierboven blijven hokken. G. G. had gezegd, dat ik de wacht moest houden, maar . . . . was dat portret zooveel waard? De veiligheid van G. G. ging boven alles, ik mocht niet aarzelen.
Snel ging ik naar de deur, trad in den corridor, sloot de kamer af en stak den sleutel in mijn zak. Beide kamers waren nu gesloten. Het portret was veiliger dan wanneer ik het medenam.
Daar stond ik! Wat nu? Hoe uit het huis te komen? Ik had geen flauw begrip, waar ik den butler vinden kon. Op dat oogenblik viel mij echter iets in, dat tenminste een oplossing van het geval mogelijk maken kon. De eetzaal, waarin wij ons diner gebruikt hadden, kwam met groote, openslaande deuren uit op een terras, vanwaar enkele treden in het park voerden. Als er kans was, ergens uit te komen, was het zeker daar.
Ik sloop dus door den thans flauw-verlichten corridor, de breede trap af, doorkruiste de hal en stond voor de deur van de eetzaal. Op het oogenblik, dat ik mijn hand op den deurknop legde, meende ik binnen een gerucht te hooren. Even stond ik verschrikt stil
Toen opende ik snel de deur.
De groote zaal was donker, behalve waar de stralen der maan naar binnen vielen. Ik ontdekte niets bizonders, totdat ik opeens tot mijn verbazing zag, dat een der openslaande deuren open stond. Een achteloosheid van de bedienden zeker; maar een achteloosheid, waarvan ik hoopte te profiteeren.
Dwars door de eetzaal liep ik snel op de
Het was Lady Edith!
deur toe. Ik had die bijna bereikt, toen ik opeens een gerucht achter mij hoorde. In een oogwenk draaide ik mij om. Achter mij stond een hooge vrouwengestalte.
"Is het in Holland gewoonte, 's nachts in de huizen rond te zwerven, Mr. Hendriks?" — klonk een koude, kalme stem.
Het was Lady Edith!
## HOOFDSTUK VII. CRISIS.
Te zeggen, dat ik aan den grond genageld stond, zou een zachte uitdrukking geweest zijn. Ik was letterlijk verlamd. Wat moest deze trotsche, ongenaakbare vrouw van mij denken, van mij, die midden in den nacht als 'n dief rondsloop in het huis, dat mij gastvrijheid verleend had? Maar — wat deed zij zelve hier, op dit uur? Die gedachte flitste plotseling door mijn brein. Het is moeielijk te zeggen, welke invloeden op zoo'n oogenblik onze gedachten vormen en ons de woorden op de lippen drijven. Zeker is het, dat ik mijzelven, als in een droom, met kalme stem de volgende woorden hoorde zeggen:
"Is het in Engeland de gewoonte, dat de dames van het huis om één uur 's nachts in de eetzaal zitten, met open deuren? . . . "
Dit antwoord was, op z'n zachtst genomen, onbeschoft. Ik voelde dat zelf, maar ik kon het niet terughouden. 't Was wat men pleegt te noemen een "straatjongensrepliek" — onwaardig, zoo ge wilt, en waarover ik mij nu schaam. Als Lady Edith mij de deur gewezen had, zou ik haar groot gelijk hebben gegeven.
Maar — wat mij in de eerste verrassing niet opgevallen was — zag ik nu, nu het maanlicht op haar gestalte en gezicht viel. Zij beefde over al hare leden en had de grootste moeite zich overeind te houden.
De kalmte, die in haar stem gelegen had, moest de vrucht geweest zijn van een ijzeren wilskracht, die over haar blijkbaar grooten angst had gezegevierd.
"Vergeef mij" - zeide ik, terwijl ik een stoel aanschoof en haar daarin deed neerzitten. "Ik wist niet, dat ik U zoo verschrikt had".
"U niet, U niet!" — antwoordde zij, nu wat minder onnatuurlijk en strak. "Maar er is hier vannacht iets vreemds in huis. Men heeft getracht in mijn kamer te komen, . . . ik heb voetstappen in de gangen gehoord. Ik was nog niet te bed en" - zij haalde een revolver van onder haar gewaad te voorschijn -"met dit wapen vrees ik niemand! Er moet een vreemde in huis geweest zijn. Hoe verklaart U anders dat open raam" . . .?
lk begon te begrijpen, dat Lady Edith een dergelijk avontuur gehad had als G. G. en ik. Welk een kordate vrouw was zij! Zij had zich reeds van haar schrik hersteld.
"U zaagt mij zeker voor den indringer aan!" - trachtte ik te schertsen. "Ik kan U verzekeren, dat ook mijn vriend en ik iets dergelijks gehoord hebben. Ik ben zelf het slachtoffer".
"En uw vriend?" - vroeg zij zacht. "Waar is uw vriend?"
Deze vraag bracht mij in verlegenheid. Ik deed, alsof ik die niet gehoord had en vervolgde:
"'t Zou beter geweest zijn, als U uw vader gewaarschuwd hadt . . .
"Neen, neen!" - zei zij haastig. "Hij is nog lijdende en elke opwinding is voor hem gevaarlijk". Zij zweeg een oogenblik en vervolgde toen, weer op den kouden, kalmen toon, die haar eigen was: "Misschien is het 't best, Mr. Hendriks, dat wij over deze onze romantische ontmoeting tegenover anderen zwijgen."
Plotseling viel het mij in, hoe vreemd het was, dat zij nog in 't geheel niet gevraagd had, waarom ik op dit nachtelijke uur in de eetzaal gekomen was en tegelijkertijd voelde ik weer al mijn onrust herleven omtrent het gevaar, waaraan G. G. was bloot gesteld.
Ik mocht mij niet langer laten ophouden.
"Lady Edith!" — zeide ik vast en ernstig. "U een explicatie te geven van alle omstandigheden, die mij op dit uur hierheen gebracht hebben, kan en mag ik niet. Alleen dit: mijn vriend, Mr. Gill is op dit oogenblik in het park en ik vrees, dat hem een groot gevaar dreigt. Ik mag hem niet in den steek laten. Vraag mij niets verder, Lady Edith! Ik moet naar buiten om hem te helpen, als dat noodig is".
"Het zal niet noodig zijn!" — zeide zij. "Welk gevaar zou hem dreigen? Blijf hier, Mr. Hendriks!
Ik verzeker U, dat er geen gevaar is".
"Die strooper . . . "
Zij haalde de schouders op met een gebaar van groote verachting.
"... zal zich zeker niet verbeelden, dat hij U beiden zóó in de war heeft gebracht!" Zij lachte even — een harden, onnatuurlijken lach; en toen heerschte er stilte.
Op eenmaal klonken er buiten vier of vijf korte knallen — vèrweg, zoodat wij ze misschien niet gehoord zouden hebben, als 't venster niet had opengestaan. Maar nu... het waren revolverschoten, dat leed geen twijfel! Lady Edith sloeg zich de handen voor het gezicht en kreunde zacht. Ikzelf stormde de deur uit, het terras af en in de richting, vanwaar de seheten gekemen waren.
de schoten gekomen waren.
De eetzaal lag juist in het midden van het linkerzijfront van het gebouw. Van het terras voerde een breede weg in groote bochten op een zwaar-begroeid deel van het park aan: blijkbaar dezelfde weg, dien ik enkele oogenblikken van te voren uit mijn kamer gezien had. Hij voerde in de richting, waaruit de schoten gevallen waren, en, zonder eraan te denken, dat ik op dien breeden weg "paradeerde" (zooals G. G. het genoemd had), liep ik zoo hard mijn beenen mij dragen konden het park in. Onder het loopen echter rezen er gedachten bij mij op, die mij eraan twijfelen deden, of ik wel verstandig handelde. Ik had aan een plotselinge opwelling gehoor gegeven, toen ik het huis uitstormde; maar het was niet gemakkelijk den juisten afstand te schatten, waarop de schoten gevallen waren. Hoever moest ik loopen? Deed ik beter een der zijwegen in te slaan, die door het kreupelhout voerden? Was niet de poging om G. G. te vinden in dit enorme, dichtbegroeide park, het zoeken van een naald in een hooiberg?.. Onder den invloed van deze en dergelijke overwegingen verlangzaamde ik mijn loop. Eindelijk stond ik stil. Ik bevond mij juist op de plaats, waar het kreupelhout aan beide zijden van den weg ophield en deze in een zwaar bosch trad. Onder de boomen was het zeer donker. Ik was nu vrij ver van het huis verwijderd. Als ik niet al te luid riep, zou men mij daar niet kunnen hooren; of, nog beter: G. G. had mij indertijd een signaal leeren fluiten (uit aardigheid, want wie had kunnen denken, dat 't mij ooit te pas zou komen!), dat hem eens bij de nachtelijke jacht op een ontvlucht misdadiger als waarschuwing voor zijn helpers gediend had. Het waren vijf tonen, die een eigenaardige, korte melodie vormden. Ik floot en luisterde; maar alles bleef stil. Daarop sloop ik door de struiken langs den rand van het bosch, en gaf nu en dan het signaal, zonder eenig succes evenwel.
Langzamerhand begon ik mijzelven af te vragen, of deze geheele expeditie geen dwaasheid was. De angst voor G. G., het verlangen om hem te waarschuwen en later de behoefte om hem te helpen, hadden mij hierheen gevoerd. Maar . . . ik gevoelde al de onbeholpenheid van iemand, voor wien dergelijke avonturen nieuw waren. Zonder na te denken, was ik er op uitgeloopen; nu stond ik hier en wist niet wat ik doen moest!
Terwijl ik, met mijn rug naar de struiken, het duister onder de boomen met mijn blikken trachtte te doordringen, werd er plotseling een hand op mijn schouder gelegd en een welbekende stem klonk mij in de ooren:
"Arme vriend, wat doe je ook in de kou?"
Het was G. G., die onhoorbaar aangeslopen was en mij op deze sarcastische wijze begroette. Ik voelde — na mijn eerste verrassing —, dat ik boos werd. Ik had mij niet aan al deze onaangename ondervindingen blootgesteld, om tot belooning voor den gek gehouden te worden!
"Zóó, ben jij het?" — zeide ik zoo kalm mogelijk. "Ik dacht, dat je hulp noodig had, toen ik dat schieten hoorde. Maar ik zie, dat ik me onnoodig ongerust maakte. Goeien nacht!" — en ik draaide mij om, om heen te gaan.
"Wees niet dwaas, Willy!" — zei G. G., mij tegenhoudende. "Word niet boos om zoo'n flauwiteit. Je bent juist van pas gekomen, beste jongen. Misschien kun je me een beetje ondersteunen, om gemakkelijker naar het huis terug te komen!"
"Wat?!" — Nu eerst zag ik (we waren weer meer in het maanlicht gekomen), dat er bloed uit zijn linkermouw sijpelde en dat hij langzaam en onzeker liep.
"M'n God, G. G., ben je gewond?" - Alle geraaktheid was opeens verdwenen.
"'n Schot in den bovenarm — niet meer dan 'n schram! En, Willy, je hebt vanavond gelachen om deze pelsmuts met de oorkleppen!... Als ik die niet had opgehad, zou je me waarschijnlijk ergens in de struiken hebben vinden liggen. Ik verwachtte zoo iets: 'n onverwachten slag in het duister met 'n ploertendooder of 'n dergelijk gedistingeerd wapen. De muts is van binnen met 'n dunne stalen plaat bekleed; ik had het ding in mijn valiesje meegenomen, voor 't geval 't noodig mocht zijn!"
Hij stond stil en leunde tegen een boomstam.
"Even rusten, Willy!" — Na een poosje stilte vervolgde hij: "'t Is één ongelukkige nacht geweest! Als 'n kwajongen heb ik me, in die vervloekte struiken naar den weg zoekende, laten overvallen. De ploertendooder dééd 't 'm wel niet, dank zij mijn muts, en ik joeg den man met 'n paar revolverschoten op de vlucht! Maar hij schoot mij, als contra-beleefdheid in den arm, en — dat is het ergste, Willy! — ik heb z'n gezicht niet kunnen onderscheiden! Het is een lange kerel, dat is het eenige wat ik weet!
"Heb je hem gewond?"
"Ik vrees van niet, - het licht was te onzeker."
"Dus hij kan ons opnieuw aanvallen?"
"Ik denk het niet, Willy! Hij had z'n zaakjes in stilte willen afdoen: de revolverschoten stonden niet op zijn programma. Hij zal wel oppassen, opnieuw alarm te maken. Trouwens — anders haalt hij den trein vannacht om 3 uur niet!"
"Wat bedoel je? Je spreekt in raadselen!"
"De man is ons vanuit Londen gevolgd. Hij zal overdag zeker niet hier in de buurt gezien willen worden — en dan is de eenige gelegenheid om weg te komen, de trein naar het Zuiden, die om 3 uur te Tanfield stopt. Neen voor ditmaal heeft hij z'n doel gemist. Maar ik het mijne ook" — voegde hij er wat neerslachtig bij.
"Je gelooft nog steeds, dat het dezelfde man is, die ons uit Frankrijk gevolgd moet zijn?"
"Zonder eenige kwestie! — Kom, Willy, laten we nu naar het huis teruggaan. Eindelijk heb je een standje verdiend, omdat je van je post gedeserteerd bent!"
"Ik zal je later wel vertellen, waarom ik dat gedaan heb. Onze kamers zijn afgesloten."
"Nu ik met dien vriend hier in het park voorloopig eenige beleefdheden gewisseld heb, kan ik moeilijk meer aannemen, dat hij ook in huis geweest is. Hoe zou hij eruit gekomen zijn?" "Dat kan ik je vertellen, m'n beste! Geheel onnut heb ook ik het laatste uur niet doorgebracht!"
Ik vertelde hem daarop de geschiedenis van het open venster in de eetzaal en van de ontmoeting met Lady Edith. Hij luisterde opmerkzaam toe, maar zeide alleen: "Je deductie-vermogen wordt al scherper en scherper. De man is dus binnen geweest! Je hebt hem buiten gezien, direct nadat hij het huis door het venster van de eetzaal verlaten had, en je troft daar Lady Edith aan, die hem in huis gehoord had en hem was nagegaan. Dat klopt als 'n bus, Willy!"
Inmiddels waren wij langzaam teruggewandeld. G. G. leunde vrij sterk op mijn arm. Hoewel hij zich goed hield, was het toch duidelijk merkbaar dat hij pijn leed.
Toen wij vlak bij het huis waren, rees de vraag bij mij, hoe wij weer naar binnen komen konden. Het raam van de eetkamer was gesloten — dat zag ik reeds uit de verte.
"Geen nood!" — antwoordde G. G., toen ik hem vroeg hoe we dat moesten aanleggen. "De butler heeft mij den sleutel van een kleine zijdeur meêgegeven, dezelfde waardoor hij mij uitliet. Vergeet niet, dat behalve Lord Stockton ook hij van mijn nachtelijken tocht afwist!"
Werkelijk waren wij enkele minuten later binnenshuis. Met eenige moeite — want G. G. liep nu vrij moeilijk — bereikten wij onze kamers. Zij waren nog behoorlijk afgesloten en wij troffen alles aan, zooals wij het verlaten hadden.
G. G. had zich juist in een leunstoel laten neervallen (hij verbood mij absoluut, iemand te alarmeeren wegens zijn wond: "hij zou dat varken zelf wel wasschen!"), toen ik plotseling een kreet uitte.
"Het portret is weg!" — Er was geen twijfel aan:
het had op de tafel gelegen en was verdwenen.
G. G., die nu dood-af was, sprong niettemin overeind.
Die ellendeling is dus tôch op de een of andere manier hier binnengedrongen!" - vervolgde ik. "De deuren waren goed afgesloten, de kast staat op haar plaats. Hoe kan hij dat hebben aangelegd?"
"Wees niet gek, Willy!" - zei G. G. droog. "Je hebt den man buiten gezien, toen het portret nog op tafel lag!"
"Maar, m'n God, wie kan dan hier geweest zijn?" "Wie wisten er van onze nachtelijke wandeling, Willy?"
"Lord Stockton en later Lady Edith . . ." . . . en de butler! Juist, Willy!"
"Dus één van die drie?" .Dat zeg ik niet, beste jongen! - Kom mij nu eens helpen; 't wordt tijd, dat we kijken hoe mijn schouder eruit ziet!"
## HOOFDSTUK VIII. EEN TUSSCHENSPEL.
Het bleek, dat de kogel het vleesch van den bovenarm, vlak bij den schouder, had opengereten — een betrekkelijk onbeduidende wond. Op aanwijzing van G. G. zelven legde ik een voorloopig verband: mijn vriend had ingrediënten daarvoor in zijn valies; 't scheen dat hij inderdaad op mogelijke verwondingen gerekend had! Daarop trachtten wij althans nog eenige uren te slapen.
Wat mij betreft, ik deed geen oog dicht. En toen het licht begon te worden, maakte ik mijn toilet en besloot wat in het park te gaan wandelen.
Maar nog vóórdat ik gereed was, werd er op de deur geklopt.
"Een dringend telegram voor Mr. Gill" — klonk een stem buiten. Ik opende de deur en nam het telegram aan. Zou ik G. G. wekken? Hij had zijn rust wèl verdiend. Maar aan den anderen kant, een dringend telegram...
Daar klonk een stem uit het vertrek nevens mij. "Is er een telegram voor mij, Willy? Kom maar hier, ik ben wakker."
Ik vond hem op den rand van zijn bed zittende. Het verband had goed gehouden, maar zijn arm scheen hem pijn te doen. Met de rechterhand alléén opende hij handig het telegram, las het, knikte met het hoofd en legde het, met de adreszijde naar boven.
op het tafeltje, dat naast zijn bed stond.
"Je ziet er moe uit, Willy!" - zei hij. "Slecht geslapen zeker!"
"Ik heb den heelen nacht liggen denken en combineeren" — antwoordde ik. "De diefstal van dat portret, dat voor ons zoo'n groot belang had, heeft mij verschrikt en geërgerd; 't is, tot op zekere hoogte, mijn schuld!"
"Ik zou me daarover maar geen verwijten maken!"
— zei G. G. "Gisteren, toen ik je over het belang van dat portret voor ons sprak, overdreef ik wel eenigszins. Je bent soms wat naïef, Willy, en dan houd ik er wel eens van, je naïeve beschouwingen 'n beetje aan te moedigen."
"Wel verplicht!" - zei ik.
"Zeker, 'i heeft z'n goede zijde voor jou — maar ook voor mij. Want 't is een genot, te zien, hoe tevreden je kijkt, wanneer ik je onderstellingen en gevolgtrekkingen niet tegenspreek."
Ik kan niet ontkennen, dat zijn sarcastische woorden mij ergerden. Daarom zeide ik, op 'n eenigszins verbolgen toon:
"Zoo héél dom vond je anders gisteren mijn redeneeringen niet. En wat je nu van dat portret zegt, begrijp ik niet."
"Toen jij gisteren tot de ontdekking kwam, dat men ons gevolgd was om dat portret in handen te krijgen, was ik te beleefd om je tegen te spreken. In werkelijkheid heeft het voor niemand waarde, omdat het toch duidelijk is, dat ik méér dan één exemplaar bezit en er uit Frankrijk zooveel kan laten komen als ik zelf maar wil. We hebben met 'n geslepen tegenstander te doen; hoe die den "blunder" begaan heeft, dat portret te stelen en daardoor te toonen dat hij er bang voor is, kan ik niet verklaren!"
"Maar waarom worden we dan gevolgd?" "Als die ploertendooder gisteren zijn werk behoorlijk had gedaan, zou je het antwoord op die vraag gehad hebben."
"Je gelooft dus, dat de man ons nagereisd is, ...?"
"Om mij het licht uit te blazen. Hij is bang voor den levenden G. G. . . . de doode kan 'm geen kwaad meer doen!"
"Maar wie is die schurk dan toch?"
"Natuurlijk de man, die ons uit Frankrijk is gevolgd!"
Intusschen had G. G. zich met mijn hulp aangekleed.
"Ik geloof, Willy, dat het beter voor mij is, wanneer ik vandaag op Stockton-Court blijf. In de eerste plaats kan de dokter uit Tanfield dan eens naar mijn wond komen kijken — ik heb er verduiveld veel pijn aan; en in de tweede plaats zijn er andere redenen, die er nu niet opaan komen. Jij echter moet terug naar Londen!"
Ik kon niet zeggen, dat mij dit vooruitzicht zeer aanstond: G. G.'s verwonding was ook voor mij zoo'n mooie reden geweest om nog enkele dagen te blijven.
En Lady Maud . .
't Scheen, dat mijn teleurstelling op mijn gezicht te lezen stond, want mijn vriend begon te lachen.
"Als 't je zóó aan je hart gaat . . . Ik wilde je voorstellen met den middagtrein uit Tanfield te vertrekken en morgen-ochtend met den trein van 8 uur uit Londen terug te komen: Ik ben niet graag lang zonder je!"
"Maar wat moet ik in Londen doen? . . . "
"Snap je dan niet, dat Lord Lidderdale, de derde in ons verbond, op de hoogte gesteld moet worden van wat er gebeurd is? Het kan van groot belang zijn, dat hij weet dat zijn gewezen kamerdienaar iemand anders was dan de man, voor wien hij zich uitgaf, en dat hij met valsche getuigschriften werkte. Vertel hem alles precies zooals 't gebeurd is en zeg hem, dat 't mij geweldig spijt, dat mijn wond mij nu enkele dagen buiten gevecht heeft gesteld. Verder kun je hem geruststellen omtrent den diefstal van het portret. Daaraan hecht ik niets. Zeg hem vooral, dat ik er tôch niet aan gedacht zou hebben, er reproducties van te doen verspreiden: dat zou maar 'n middel zijn om den schuldige, wie het ook zij, tijdig te waarschuwen. En nu, Willy, laten we naar beneden gaan!"
Bij de deur bleef hij nog even staan.
"Daar vallen mij nog twee dingen in" — zei hij.
"Als ik mij goed herinner, heeft Lady Edith je verzocht over die nachtelijke ontmoeting in de eetzaal te zwijgen. Ik vind, dat je dat, als fatsoenlijk man, verplicht bent, wanneer zij het wenscht. Natuurlijk zal ik haar vader op de hoogte moeten stellen van wat er vannacht gebeurd is, maar den naam van Lady Edith zal ik niet noemen. Zwijg jij dan ook over haar, tegenover Lord Lidderdale!"
"Natuurlijk! Zij heeft mij verzocht, er niet over te spreken - dat is mij genoeg!"
"Heel ridderlijk gevoeld, Willy! Nu nog iets. Misschien zul je erom lachen, want 't is een kleine ijdelheid van mij! Je kent het zwak van elken detective om onverwachts met de oplossing van ingewikkelde raadsels in huis te komen vallen — bijwijze van verrassing! Welnu, ik heb zoo'n gevoel, dat het antwoord op ons telegram naar Moscou ons het begin van den draad in handen zal geven. Spreek over dat telegram dus niet met Lord Lidderdale en noem ook den naam van Mr. Olivier niet. 't Is zoo'n satisfactie voor ons, detectives, als onze methodes geheim blijven, totdat het gewenschte resultaat er is, Dat resultaat schijnt dan veel wonderlijker: en de menschen wachten nu eenmaal het wonderlijke van ons!"
Ik had G. G. voor verstandiger gehouden, maar - ik beloofde hem natuurlijk, wat hij verlangde.
Aan het ontbijt ontmoetten wij Lady Stockton en haar jongste dochter. Lord Stockton en Lady Edith waren niet verschenen. Eerstgenoemde liet G. G. om een onderhoud verzoeken, teneinde hem te berichten wat er 's nachts gebeurd was. Aan mij liet hij de taak, de beide dames daarvan op de hoogte te brengen. Zij luisterden ademloos naar mijn verhaal en schenen van oordeel, dat wij met een gevaarlijken strooper te doen gehad hadden. Beiden meenden, dat de politie gewaarschuwd moest worden, maar ik gaf haar den raad, zich in dit opzicht te richten naar wat G. G. besluiten zou. Ik liet haar in den waan, dat mijn vriend zijn nachtelijken tocht ondernomen had, om zich te overtuigen, dat men binnenshuis van den om het huis zwervenden man niets te vreezen had. Natuurlijk sprak ik niet over mijne ontmoeting met Lady Edith, en deze had daarover blijkbaar tegenover haar moeder en zuster ook gezwegen. De dames waren zéér ontdaan over G. G.'s verwonding.
Nadat ik mijn verhaal geëindigd had, zeide ik, dat ik met den middagtrein uit Tanfield naar Londen vertrekken zou, waarheen dringende zaken mij riepen. Het scheen mij - was het verbeelding? - dat Lady Maud's gezichtje bij deze mededeeling betrok, maar weer ophelderde toen ik zeide, dat ik den volgenden dag in den namiddag zou terugkomen om te zien, hoe het met mijn gewonden vriend stond. Dit bracht mij in den zevenden hemel; een wandeling met Lady Maud door het park bracht mij in den achtsten - als die er is! -, maar de hoogste zaligheid werd eerst bereikt, toen zij tot de ontdekking kwam, dat de beste methode om den dokter snel naar Stockton-Court te brengen was, hem met den "dog-cart" te gaan halen; "Ciss", haar lievelingspaard, had wel wat beweging noodig; zij zou zelve rijden en zij kon Mr. Hendriks meteen naar Tanfield brengen!
Zoo kwam het te gebeuren, dat ik 'n half uur later naast haar in den "dog-cart" zat; de zon lachte, de vogels zongen, het was lente ... en het scheen mij, of wij regelrecht den hemel inreden!
Véél te spoedig waren wij te Tanfield en aan het station: en toen ik haar zag wegrijden om den dokter te gaan halen, was mijn hart vol bitterheid, dat ik die dokter niet was!
Vanuit het station telegrafeerde ik naar Lord Lidderdale, met verzoek, mij dien avond voor belangrijke mededeelingen te wachten. En denkende aan wat G. G. 's nachts in het park gezegd had, informeerde ik bij den Stationschef, of er met den nachttrein van 3 uur iemand naar het Zuiden vertrokken was. De man had zelf geen nachtdienst gehad, maar de onderchef wist te vertellen, dat er met dien trein twee passagiers vertrokken waren: een lange, slanke man, met een korten grijzen baard en wat slordig gekleed, die in een hoek van de wachtkamer op den trein had zitten wachten, met den slappen hoed over het gezicht getrokken en de armen over de borst gekruist. blijkbaar dommelende; en een kort, dik jongmensch, als werkman gekleed, die op het perron had heen en weer geloopen. De eerste was waarschijnlijk onze vriend geweest. Zou hij nog terugkomen? . . .
* * *
Lord Lidderdale ontving mij allerhartelijkst, toen ik dien avond bij hem kwam. Hij was juist terug van een vermoeiende vergadering en klaagde over hoofdpijn en duizeligheid. Sinds het ongeval, hem te Nice overkomen, had hij daarvan voortdurend last en hij vertelde mij, dat hij nog altijd dat doffe gevoel in zijn hoofd had. Hij maakte zich daarover wel wat ongerust, temeer omdat daarmede gepaard ging, dat hij soms namen en gezichten niet thuis kon brengen. 't Was hoogst onaangenaam, nu en dan tegenover iemand te staan, dien hij jaren lang kende, en dan plotseling niet op zijn naam te kunnen komen. Hij had eens in medische boeken gegrasduind en was daarvoor gestraft, zooals de meeste leeken gestraft worden, wanneer ze hun neus daarin steken: 'n heelen nacht had hij er niet van kunnen slapen! Hersenverweeking, progressieve paralyse en andere afschuwelijke zaken speelden hem door het hoofd. Maar gelukkig had zijn medicus hem volkomen gerustgesteld: een gewoon, maar voorbijgaand verschijnsel in dergelijke gevallen. Intusschen, mooi onaangenaam! - Zijn hand? O, dat ging wel; hij hoopte den doek spoedig te kunnen afleggen, maar een poos verbonden zou ze nog moeten blijven.
Terwijl Lord Lidderdale aldus, spraakzamer dan gewoonlijk, half ernstig, half schertsend, over zijn gezondheidstoestand sprak, hadden wij voor den haard plaats genomen en onder het genot van een geurige havanna deed ik hem verslag van wat ons op Stockton Court overkomen was, daarbij de aanwijzingen van G. G. nauwkeurig volgende. Mijn toehoorder luisterde in gespannen aandacht, evenwel zonder mij in de rede te vallen. Toen ik mijn verhaal teneinde had, schudde hij het hoofd.
"Mr. Gill had zich niet aan dergelijke gevaren moeten blootstellen" — zeide hij. "Zijn leven is te kostbaar voor het algemeen, dan dat hij het zoo roekeloos wagen mag! Ik beschouw hem in deze zaak, waarin ikzelf betrokken ben, als in mijn dienst en voel mij tot op zekere hoogte verantwoordelijk voor wat hem overkomen mocht! Intusschen heb ik allen eerbied voor zijn moed en volharding!"
In het gesprek, dat nu volgde, ontdekte ik spoedig, dat Lord Lidderdale's aandacht vooral getrokken was door het zonderlinge verdwijnen van het portret.
"Heeft Mr. Gill zich daaromtrent reeds een theorie gevormd?" – vroeg hij. "Met de kamer goed afgesloten en den indringer buitenshuis, is het toch gewoon onmogelijk, dat het verdwenen is! Is er goed naar gezocht? Ligt het niet ergens achter 'n meubel, onder 'n kleed of ergens anders, waar 't niet ontdekt is? De heele geschiedenis is zoo wonderbaarlijk, dat zij nauwelijks te gelooven is."
Ik kon, naar waarheid, verklaren dat wij overal gezocht hadden, maar zonder succes. Trouwens, hoe zou het portret van de tafel in zoo'n schuilhoek gekomen zijn?
Terwijl wij nog over dit onderwerp spraken, werd Lord Lowden aangediend. Daar mijn taak afgeloopen was, nu Lord Lidderdale op de hoogte was gesteld van onze wederwaardigheden, rees ik op om weg te gaan. Maar vóórdat ik afscheid genomen had, trad de aangediende reeds binnen, gevolgd door een ander, veel jonger man. Beide heeren waren in avondtoilet.
De jongste trad dadelijk, met uitgestrekte hand, op den heer des huizes toe.
"Goeien avond, Lidderdale! Excuseer mijn onceremonieus binnenkomen: ik ontmoette, in de voorhal, hier onzen half-Italiaanschen vriend en vond mijzelven niet van genoegzaam gewicht om mij afzonderlijk te laten aandienen! Ik hoor, dat je 'n beetje aan den sukkel bent. Dat moet nu maar uit zijn: we zullen eens iets bedenken om je wat op te vroolijken."
Lidderdale stond een oogenblik als het beeld der hulpeloosheid. Toen scheen hij een kort besluit te nemen, vatte de hem toegestoken hand en zeide:
"Goeien avond, Lowden!"
Beide heeren stonden verstomd.
"Maar, beste vriend, dáár staat Lowden: ik ben Ruthven" — zeide de jonge man, na eenige oogenblikken van pijnlijke stilte.
"Daar heb je het nu!" — zeide Lord Lidderdale, zich tot mij wendende. "Is het niet om dol te worden?" — en daarop vertelde hij den beiden heeren wat hij mij reeds vroeger gezegd had omtient den toestand van zijn hoofd. Ik zag, dat zijn bezoekers een blik wisselden, en Lord Lowden schudde nauwelijks merkbaar het hoofd.
Inmiddels was ik aan Lord Ruthven voorgesteld en Lowden stak mij de hand toe:
"Hoe gaat het sinds onzen gezamelijken overtocht van Calais, Mr. Hendriks?"
"Dank U, Mylord, mij gaat het goed! Ik wenschte wel" — voegde ik er zacht aan toe, "dat ik hetzelfde zeggen kon van onzen gastheer."
Lowden trok mij een eindje ter zijde en, profiteerende van de omstandigheid, dat Ruthven een druk gesprek met Lidderdale begonnen was, zeide hij zacht: "Het is diep-treurig! Wij doen allen, of wij niets merken, maar de arme kerel is heel ziek."
"Hij vertelde mij daar juist, dat zijn dokter er niets bedenkelijks in zien kan."
"Ja, die zal hem vertellen, wat hij heeft!" — spotte Lord Lowden. Op dit oogenblik keerde Lidderdale zich weder tot ons.
"Ga zitten, Lowden!" — zeide hij. "Ruthven vertelt mij daar, dat je met je beiden een aanslag op mijn vrijen tijd gesmeed hebt, beginnende met Donderdag aanstaande."
"Donderdag aanstaande dineer je met Ruthven bij mij en daarvoor laat je alle andere engagementen loopen" — decreteerde Lord Lowden. "Ik heb 'n paar nieuwe acquisities gedaan voor mijn verzameling curiositeiten — die moet je komen zien. En, Mr. Hendriks, 't zou mij groot genoegen doen, als U ook van de partij zoudt willen zijn. Heel familiaar — onder ons vieren!"
"Ik zou graag komen. Maar 't is niet zeker, of ik in de stad zal zijn."
"Doe uw best daarvoor: onze kennismaking was aangenaam, maar kort. En U hebt ook verstand van antiquiteiten!"
Ik beloofde te zullen komen, als ik in Londen was. Daarop nam ik afscheid en Lord Lidderdale zeide zacht, terwijl hij mij de hand drukte: "Denk aan wat ik U gezegd heb omtrent die waaghalzerijen van Mr. Gill; en zoek nog eens naar het portret!"
Toen ik op straat kwam, passeerde ik 'n kort, dik,
als werkman gekleed jongmensch, dat langzaam op
het trottoir slenterde en op wiens gezicht toevallig
het schijnsel van een lantaarn viel.
* * *
In den namiddag van den volgenden dag stapte ik uit den trein op het perron van het station te Tanfield en van het perron in het paradijs. Vóór het station stond namelijk de "dog-cart" met Lady Maud! Ik had het wel kunnen uitschreeuwen van louter verrukking.
Maar toen ik, naast haar zittende, het paradijs was binnengereden, ontdekte ik ook de slang in den vorm van een kort, dik, als werkman gekleed jongmensch, dat wij inhaalden. Hij kwam óók van het station en . . . ik herkende hem. Werd ik gevolgd??
## HOOFDSTUK IX. ONVERWACHTE GEBEURTENISSEN.
"Ik ben toch zoo blij, dat U terug is" — zei Lady Maud, en kreeg dadelijk daarop een kleur om wat ze gezegd had.
"Er gebeuren op Stockton-Court allerlei akelige dingen" — vervolgde zij haastig. "Papa is niet wèl genoeg om zich er flink meè te bemoeien, mama is te zenuwachtig en Edith . . . o, Mr. Hendriks, mijn zuster is zoo vreemd en zoo stil! Ik heb niemand, om eens tegen uit te praten in deze moeilijke dagen. Ik voel mij zoo eenzaam en — ik ben bang!"
Wanneer een mooi, jong meisje aan een jongmensch bekent, dat zij zich eenzaam voelt en bang is, voelt dat jongmensch in den regel zijn moed plotseling stijgen tot een ongekende hoogte. Zoo ging het ook mij.
"Lieve Lady Maud" — zei ik (en ik zag, dat dit wel wat gemeenzame begin haar niet ontstemde), "vertrouw U aan mij toe. Ik weet wel, dat mijn hulp niet veel voor U beteekent, maar ik meen het oprecht! Om U te helpen, zou niets mij te veel zijn!"
Het paard werd hier wat schichtig en het meisje moest een oogenblik haar gedachten tot haar taak als wagenmenster bepalen. Toen keek ze mij vriendelijk aan:
"U is zoo hartelijk, Mr. Hendriks" — zei ze. "Ik voel me zooveel rustiger, nu U er weer is."
Zij zei het, zonder eenigen zweem van coquetterie, volkomen eerlijk en oprecht.
"Er is veel gebeurd sinds U weg waart" — vervolgde zij, "en uw vriend is zoo heelemaal de detective, dat ik het nauwelijks waag hem aan te kijken. Er hangt een atmosfeer van achterdocht over Stockton-Court; het is alsof elk onderling vertrouwen geweken is."
"Maar wat is er dan gebeurd?" - vroeg ik.
"Ik ben U komen afhalen om het U te vertellen" zei ze, met een vriendelijken blik. "Uw vriend gaf zijn hooge toestemming: U moet weten, dat hij op dit oogenblik de opperste leiding op Stockton-Court in handen heeft. We leven in oorlogstoestand...
"Met wien?"
"Met geheimzinnige en onbekende machten!" - Zij lachte even; toen zag ik, dat zij bleek werd. "Ik steek er nu den gek mee" - vervolgde zij, "maar de zaak is ernstig genoeg. Mijn zuster, die zooals U weet gisteren niet in de ontbijtkamer verscheen, bleef ook bij den ,lunch' weg. Eerst 's avonds aan tafel kwam zij voor den dag, met een gezicht zóó strak en doodsbleek, dat wij er allen van schrokken. Maar zij beweerde, dat haar niets mankeerde, 's Avonds op onze kamers, kon ik - 't was misschien niet heel lief van me - niet nalaten weer eens uit mijn humeur te raken, omdat we het hier zoo saai hebben en niet naar Londen gaan. Het strakke gezicht van Edith - stakkert! Later begreep ik, dat ze angsten had uitgestaan! - werkte prikkelend op mijn stemming, zoodat ik overmoedig en eigenlijk heel kinderachtig werd. Ik wilde mij absoluut in bal-toilet kleeden, haalde een laag-uitgesneden costuum te voorschijn, kapte mijn haar en opende mijn juweelen-kistje om een collier en haarkam uit te zoeken. Het grootste gedeelte van mijn juweelen was verdwenen! Ik vloog naar Edith's kamer, en het bleek, dat ook håår juweelen gestolen waren. Een paar kostbare diamanten colliers en andere zaken van waarde ontbraken! Toen eerst kwam de arme Edith met haar verhaal voor den dag. Zij had den vorigen nacht in huis hooren loopen, was - moedig als ze is - de voetstappen gevolgd en had in de eetkamer het raam vinden openstaan. Hoe en wanneer de dief in onze kamers gekomen is, begrijpen we niet; maar de bewijzen zijn er: waar zijn anders onze juweelen?"
Zij keek mij met groote, vragende oogen aan, zoodat ik lust kreeg te antwoorden: dáár, vóór mij, de prachtigste saffieren ... uw oogen ..."; maar ik hield wijslijk mijn mond. Niettegenstaande mijn toestand van gelukzaligheid, begreep ik toch den grooten ernst van het gebeurde.
"Heeft uw zuster U verder geene bizonderheden verteld?" - vroeg ik.
"Er viel niets anders te vertellen. Er is een vreemde in huis geweest - dáárop komt het aan."
Edith had dus over haar ontmoeting met mij in de eetzaal gezwegen!
"En wat deedt U, na die onaangename ontdekking?"
"We vielen — hoewel 't zoo behoord had — geen
van tweeën in zwijm. Als grijze matronen hebben we
ons gedragen: de hoofden samengestoken en overlegd! Het resultaat van dat overleg was, dat wij den
butler lieten komen en hem verzochten aan Mr. Gill
te zeggen, dat wij hem dadelijk in de 'drawingroom' verwachten voor een gewichtige mededeeling.
En zoo geschiedde het!" Lady Maud sloeg met de zweep naar een paar lastige paardenvliegen, en zweeg.
"Ik ben nieuwsgierig naar het oordeel van mijn vriend" — zeide ik. "Het is een groot geluk, dat hij juist op Stockton-Court was."
"Het is eigenlijk niet heel hartelijk, dat U nog in 't geheel niet naar zijn toestand hebt geïnformeerd" - zeide Lady Maud.
lk had kunnen antwoorden, dat haar aanwezigheid, daar náást me, in den "dog-cart", elke belangstelling in anderen uitbluschte, als de zon het licht van de sterren — maar ik was alwéér verstandig.
"U hebt gelijk" - zei ik, met 'n berouwvol gezicht.
"De dokter constateerde een ongevaarlijke vleeschwond. De kogel was dwars door het dikke deel van den bovenarm gegaan. Hij moet zijn arm korten tijd in een doek dragen!"
Zonderling! Van de drie menschen, die in Engeland van onze groote zaak afwisten, liepen er nu twee met hun arm in een verband. Op eenmaal viel mij in, dat Lord Lidderdale, op de boot naar Dover, gezinspeeld had op de mogelijkheid, dat er met het
"Ik dacht over het raadselachtige van den diefstal."
pistool, waarmede hij zich in de hand geschoten had, vooruit geknoeid was. Zou misschien diezelfde hand?... Die man, die ons uit Frankrijk gevolgd was . . .?
"Uw nieuwsgierigheid naar het oordeel van Uw vriend is toch niet héél groot!"
Met deze woorden wekte Lady Maud mij uit mijn amateur-detective gepeinzen. "Ik dacht over het raadselachtige van den diefstal" - zeide ik, wat verward. "Maar misschien heeft Mr. Gill reeds een oplossing gevonden?"
"Hij tast, juist als wij allen, in het duister rond. Aan zijn ijver heeft het anders niet gelegen. Hij heeft alle huisgenooten, zelfs Papa en Mama en ons beiden, scherp ondervraagd. Hij schijnt iedereen en alles te wantrouwen. De eenige, met wie hij nu en dan wat vertrouwelijker spreekt, is Edith. Voor haar moed en kordaatheid schijnt hij veel respect te hebben. Maar, eerlijk gezegd, sympathiek is hij mij niet, althans voorzooverre zijn optreden in deze zaak betreft. Overigens twijfel ik niet aan zijn goede eigenschappen, omdat . . . omdat hij uw vriend is, Mr. Hendriks!"
Dit laatste had zij weer zeer eenvoudig gezegd; en ik vertrok onmiddellijk (met spoed) naar het paradijs. Ik kwam eerst weer op aarde terug, toen de "dog-cart" voor den ingang van Stockton-Court stil hield en de zeer aardsche figuur van den butler ons buigend en handen-wrijvend ontving.
Lady Maud ging naar boven. De butler deelde mij echter mede, dat Mr. Gill mij in de bibliotheek wachtte.
De bibliotheek van Stockton-Court was een zeer groot, langwerpig, met zwaar eikenhout betimmerd vertrek, dat op het breede gazon vóór het gebouw het uitzicht had. De boekenverzameling, die in eindelooze rijen langs de muren gerangschikt was, behoorde tot de meest beroemde in Engeland en de tegenwoordige Lord Stockton had groote sommen aan haar completeering ten koste gelegd. In het midden stond een fraai-gebeeldhouwde, lange tafel, eveneens van zwaar eikenhout, omgeven door ruime, in hetzelfde hout gesneden, leunstoelen, met kussens op de zittingen. Hier en daar prijkten op kostbare voetstukken wit-marmeren beelden, waaronder een prachtige reproductie van den Hermes met het Bacchuskind van Praxyteles.
Aan de tafel, in een der wijde armstoelen achterovergeleund, zat G. G. Hij zag er wat bleek uit en was blijkbaar vermoeid. Toen hij mij zag, knikte hij mij toe en wenkte mij, tegenover hem plaats te nemen.
"Welkom terug, Willy! — M'n arm is veel beter, dank je! — Ik verlang naar het verslag van je bezoek bij Lidderdale. Heb je hem behoorlijk ingelicht?
Vertel op, zoo gauw mogelijk!"
Ik deed hem verslag van mijn wedervaren en hij luisterde met groote belangstelling. Toen ik vertelde van de zonderlinge en toch zoo tragische begroeting der twee onverwachte bezoekers, wenkte hij mij, even op te houden, en bleef een oogenblik met gesloten oogen zitten. Toen knikte hij en verzocht mij voort te gaan. Het spreekt vanzelf, dat ik hem mijne ontmoeting met het korte, dikke jongmensch niet verzweeg. Hij deed alsof hij het heel gewoon vond, dat ik dien bij het station te Tanfield opnieuw had gezien; maar aan den plotselingen, korten schok met het achterhoofd — mij zoo wêl bekend — bemerkte ik, dat de zaak hem inderdaad zéér interesseerde.
"Ik kan die ontmoeting moeilijk anders verklaren dan uit het feit, dat mijn gangen worden nagegaan" - zei ik.
"Vermoedelijk vergis je je, Willy."
"Welke verklaring kun jij er dan voor geven?"
G. G. was opgestaan en aan het venster getreden. Een oogenblik staarde hij strak naar buiten; toen draaide hij zich om en zeide:
"Ik mag je nog niet antwoorden, Willy! Ik dank je intusschen voor je mededeeling; ik ben nu gewaarschuwd."
"Gewaarschuwd? . . . Is die man dan . . .?"
"Die man is 'n eerzaam burger van het Vereenigde Koninkrijk. Voorloopig zullen we hem uit ons gesprek uitschakelen."
Dit liet aan duidelijkheid niets te wenschen over en ik zweeg, eenigszins geraakt.
G. G. ging weer bij de tafel zitten. "Ik heb nieuws voor je" — zeide hij.
"Lady Maud, die zoo vriendelijk was mij met den ,dog-cart' van het station te Tanfield te halen, heeft mij verteld, dat zij en haar zuster bestolen zijn. Dezelfde vent natuurlijk, die in onze kamers heeft willen komen ... ' " en die het portret heeft weggenomen, terwijl je hem buiten wandelen zaagt! Hoogstwaarschijnlijk!"
G. G. was weer eens in 'n sarcastische stemming. "Lieve jongen" - vervolgde hij, "je moet je aanwennen, je gedachten niet zoo plotseling uit te spreken. Neem in dat opzicht een voorbeeld aan Lady Edith. Dat is 'n vrouw met verstand en zelfbeheersching!"
Er lag een wereld van bewondering in zijn stem.
"Wat denk jij dan van dien diefstal?"
"Ik denk, dat die verduiveld handig is uitgevoerd." Ik begreep dat hij verder niets wilde loslaten en deed dus geen verdere pogingen hem aan het spreken te krijgen.
"En nu heb ik nog ander nieuws" - zei hij, foen ik zwijgen bleef. "Er is antwoord van den Engelschen consul uit Moscou.'
Hij overhandigde mij een telegram, en ik las:
"Olivier met Robertson logeeren hier, Hotel Metropole." Het telegram was geadresseerd aan Lord Stockton.
"Dat brengt ons niet veel verder" - zei ik. "We wisten al, dat Lord Lidderdale's kamerdienaar Robertson niet was."
"Maar, Willy, hoe kun je zoo iets zeggen! Dit telegram is het begin van ons succes."
"Hoe zoo?"
"Vind dat nu zelf eens uit! Maar haast je 'n beetje, Willy; want over 'n dag of wat zal ik je vertellen, wie het geweest is, die in Menton zoo ongelukkig aan zijn eind gekomen is. - En nu, laten we ons naar onze ,apartementen' begeven; - in deze omgeving leert men hoofsche vormen en taal, Willy! De bel voor het diner zal dadelijk luiden, en mijn koffer met avondtoilet is aangekomen. Tot mijn genoegen heb ik gezien, dat je het jouwe hebt meegebrachi!"
## HOOFDSTUK X. NIEUWE VERRASSINGEN.
Evenals voor twee dagen vonden wij, toen wij voor het diner beneden kwamen - thans behoorlijk in avondtoilet! - Lord Stockton en de drie dames in de "drawing-room". De begroeting was eenigszins gedwongen; men gevoelde, dat de huisgenooten in G. G. niet meer den gewonen gast zagen, maar bovendien den detective, die in de uitoefening van zijn beroep in huis een zeker gezag gekregen had, dat men hem misschien slechts noode inruimde. Alleen Lady Maud was lief en natuurlijk, als altijd, en stak het niet onder stoelen of banken, dat zij van mij verwachtte, dat ik in de duistere stemming, die op Stockton-Court heerschte, 'n beetje helderheid brengen zou. Zij was opnieuw mijn tafel-buurvrouw en wij beiden waren eigenlijk de eenigen, die spraken. Het was alsof in die twee dagen een atmosfeer van groote somberheid op het gezin was nedergedaald.
Ik heb nog niets gezegd van Lady Edith. Toen ik haar, bij het binnenkomen in de "drawing-room", te zien kreeg, schrok ik van de verandering, die op haar gezicht te lezen stond. Zoo mogelijk nog kouder en strakker dan vroeger, had het thans elk spoor van kleur verloren; maar het ergste waren de oogen, die strak en schijnbaar zonder iets te zien voor zich uit staarden. De lippen waren stijf opéén geperst en zij gaf zich zelfs den schijn niet meer, aan het gesprek te willen deelnemen. Onwillekeurig drong zich de gedachte aan mij op, dat het toch onmogelijk was, de reden van deze vreeslijke verandering alleen te zoeken in ergernis over den gepleegden diefstal. Ik voelde opeens, dat hier een treurspel werd afgespeeld, maar ik had geen flauw begrip van wat er eigenlijk gebeurde.
Het zonderlingst scheen mij nog de eigenaardige verhouding, die er tusschen G. G. en Lady Edith ontstaan was. Mijn vriend was tegenover haar van de meest uitgezochte beleeidheid, nu en dan vermengd met een soort van sarcastischen eerbied, — ik weet er geen betere uitdrukking voor te vinden. Maar telkens zag ik in zijn oogen, die zoo hard en koud konden zijn, een uitdrukking van groot medelijden, van teederheid bijna. Ik begon te gelooven, dat G. G. wèl begreep, wat er zich rondom ons afspeelde.
Het oogenblik naderde waarop de dames van tafel zouden opstaan, toen Lady Edith ons plotseling verraste, door op de haar eigen eentonige wijze, maar zeer duidelijk en gedecideerd te zeggen: "Papa, ik heb een groot verzoek aan U. Zouden we niet tôch nog voor enkele weken naar Londen kunnen gaan?"
De eigenaardige schok van G. G.'s hoofd deed mij beseffen, dat deze eenvoudige vraag hem verraste en dat zij van méér belang was dan men oppervlakkig oordeelen zou.
Een oogenblik bleef alles stil. Toen riep Lady Maud:
"Als die akelige inbreker ons dat bezorgen kon, zou hij tenminste iets goed maken van wat hij misdreven heeft. Toe, Papa, zeg "ja'!"
Lady Stockton keek haar jongste dochter bestraffend aan.
"Papa heeft rust noodig en die vindt hij alleen hier" — zei ze streng. "Overigens is dit geen onderwerp om aan tafel te behandelen."
Zij had gelijk. Lady Edith, die van nature stijf en vormelijk scheen, moest wel erg "in de war" zijn om over dergelijke plannen te spreken in tegenwoordigheid van den butler en de bedienden.
Toen kort daarop de dames ons verlaten hadden, bleef er nog eenigen tijd een gedrukte stilte tusschen ons heerschen, die eindelijk verbroken werd door Lord Stockton.
"U hebt natuurlijk vernomen, Mr. Hendriks, welke onaangename en onverklaarbare gebeurtenis zich hier gedurende uw afwezigheid heeft afgespeeld. Op aanraden van Mr. Gill, in wiens bekwaamheid ik alle vertrouwen stel" (een beleefde, maar stijve buiging), "heb ik besloten de politie voorloopig buiten de zaak te laten. Maar ik vertrouw dan ook" (hij zeide dit met grooten nadruk), "dat hij alles in het werk zal stellen om de oplossing van het geheim te vinden. Eerlijk gezegd, Mr. Gill, begrijp ik niet goed, hoe U, hier blijvende, nader tot die oplossing komen zult."
"Ik kan U daarop alleen antwoorden, dat ik reeds nader tot haar gekomen ben" — zeide G. G. rustig.
Lord Stockton keek hem verwonderd aan.
"Ik begrijp zeer goed, Mylord" - vervolgde G. G., dat deze duistere zaak U ergeren en prikkelen moet. Ik begrijp ook, dat U in een grooten tweestrijd verkeert, of U mij zult blijven vertrouwen dan wel de politie erin zult halen. U ziet geen merkbare vorderingen van mijn kant. U begint meer en meer te twijfelen, het ondervragen van uw huisgenooten en uw personeel heeft U doelloos geschenen en ontstemd. En toch, Mylord" - hier stond G. G. op en zijn stem nam een toon aan, dien ik nooit gehoord had, een plechtigen toon bijna -, "ik bezweer U, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik weet precies wat ik doe en wat ik verlang, en ik zeg U, Mylord, zonder eenige bijbedoeling, uitsluitend in uw eigen belang en in dat van uwe familie: niemand anders dan ik kan deze pijnlijke geschiedenis tot een goed einde brengen, goed, in de eerste plaats voor Uzelven. Meng in God's naam niemand méér erin — vooral de politie niet! Als eerlijk man, Mylord, beloof ik U plechtig: ik zal slagen en de wolken, die zich over Uw huis samentrekken, zal ik verdrijven! In Gods naam, Mylord, vertrouw mij!"
Ik was verbaasd over dezen woordenvloed, temeer omdat ik niet begreep, hoe een — zij het ook geheimzinnige — diefstal daartoe aanleiding geven kon. Met steeds groeiende verbazing bemerkte ik, dat Lord Stockton bleek was geworden. Hij probeerde te spreken, maar er kwam geen geluid over zijne lippen.
Plotseling trad G. G. op hem toe.
"Mylord, wilt U mij vertrouwen?" - vroeg hij met grooten nadruk, terwijl hij hem de hand reikte.
Lord Stockton keek hem een oogenblik strak aan. Toen nam hij de hem toegestoken hand, drukte die hartelijk, en . . . het volgende oogenblik zonk hij op zijn stoel terug, leunde achterover en bedekte zich het gezicht met beide handen.
Ik was verstomd, G. G. echter legde hem de hand op den schouder en zeide zacht en hartelijk: "Moed,
Mylord, wij zullen slagen!"
Op dit oogenblik werd er op de deur geklopt. Lord Stockton richtte zich onmiddellijk op en toen de butler binnentrad, had zijn gezicht de gewone plooi aangenomen.
"Er is een persoon in de voorhal, die Mr. Gill wenscht te spreken" - zeide de butler.
Ik viel van de eene verbazing in de andere, maar mijn vriend scheen de zaak heel gewoon te vinden.
"Hoe ziet hij eruit?" - vroeg hij.
"Een dikke, jonge man in 'n werkmanspak - antwoordde de butler.
"U permiteert even, Mylord?" — vroeg G. G. en, op een toestemmend gebaar van Lord Stockton, verliet hij het vertrek, maar niet, voordat hij mij met 'n sarcastisch lachje had toegevoegd: "Waarschijnlijk onze gemeenschappelijke vriend, Willy!"
Lord Stockton en ik waren nu alleen, en ik gevoelde de situatie als zeer pijnlijk. Men denke zich in mijn plaats: wat moest ik zeggen of doen, na de scène, waarvan ik zooeven getuige was geweest? Gelukkig was het mijn gastheer zelf, die na eenigen tijd de stilte verbrak.
"Ik ben U een woord van excuus schuldig, Mr. Hendriks" — zeide hij. "De gebeurtenissen, die in mijn huis hebben plaats gehad, maken, dat ik geen model-gastheer ben."
"Mylord" — antwoordde ik, "het feit alleen, dat ik eigenlijk een ongenoode gast ben, zou het al hoogst onbehoorlijk maken, wanneer ik zelfs maar toegeven zou, dat er reden voor U is om verontschuldiging te vragen."
't Was een mooie zin — keurig afgerond. Maar ik voelde, dat hij meer uit mijn verlegenheid dan uit mijn hart voortsproot. En toch had ik zoo graag hartelijk willen zijn! Maar het bewustzijn van het onbegrepene, het geheimzinnige drukte mij neêr. Lady Maud had gesproken over een atmosfeer van achterdocht, die over Stockton-Court hing: ik was daaraan niet ontsnapt!
Lord Stockton schudde langzaam het hoofd.
"Dat zijn mooie frases, Mr. Hendriks" — zei hij. "Ik weet heel goed, dat U, als mijn gast, iets beters van mij wachten kunt dan zwijgen aan tafel en 'n sombere stemming daarna."
"Ik begrijp, dat U verdriet hebt, Mylord! Inderdaad, verontschuldigingen zijn onnoodig."
Lord Stockton keek mij een oogenblik scherp aan. "U begrijpt, dat ik verdriet heb! Begrijpt u ook welk verdriet?..."
"Ik vrees van niet, tenzij die diefstal . . ."
Mijn gastheer maakte een verachtelijk gebaar.
"Die diefstal beteekent, als zoodanig, niets voor mij. Ik zie, dat U er werkelijk niets van begrijpt."
De laatste woorden klonken niet hard, maar buitengewoon vriendelijk, alsof hij zich door mijn niet-begrijpen opgelucht voelde.
Er heerschte nu opnieuw stilte; het gesprek wilde niet vlotten, wat onder de bestaande omstandigheden niet verwonderlijk was. Het zwijgen begon drukkend te worden, want mijn pogingen om over onverschillige onderwerpen te spreken, stuitten allen af op de verstrooidheid van mijn gastheer, zoodat ik ze eindelijk had opgegeven.
Lord Stockton stond ten slotte op.
"Ik voel, dat ik wéér verontschuldiging vragen moet voor het afdwalen van mijn gedachten" — zei hij met een droevigen glimlach. "Helaas, Mr. Hendriks, ze dwalen niet naar vroolijke onderwerpen! — Laten we de dames in de 'drawing-room' gaan opzoeken!"
* * *
Wij vonden alleen Lady Stockton en Lady Maud. Lady Edith was dadelijk na tafel naar boven gegaan. Zij had over zware hoofdpijn geklaagd — en niemand verwonderde zich daarover!
Dezen avond zong Lady Maud niet. Ik had niet den moed, haar, onder de bestaande omstandigheden, daarom te vragen. Het was duidelijk merkbaar, dat ook zij begon te lijden onder de diepe neerslachtigheid, die overal in huis heerschte. Toch hield zij zich goed; en haar zonnige natuur scheen telkens héén door de wolken van treurigheid, die zoo zwaar op haar omgeving rustten.
Nadat wij eenigen tijd over onverschillige zaken gepraat hadden, waarbij Lady Maud en ik hoofdzakelijk aan het woord waren, verscheen G. G. in de "drawingroom".
"'t Was zoo, Willy!" — zei hij, terwijl hij mij toeknikte, en dadelijk begon hij een geanimeerd gesprek met Lady Maud over de kans, die wij hadden op een mooien, drogen zomer.
Het scheen, dat zijn lofzangen op het Engelsche landschap bij zomer Lady Maud weder herinnerden aan de genoegens van den "season" te Londen. Zij was het tenminste, die het gesprek bracht op het aan tafel plotseling door haar zuster uitgesproken verlangen, nog voor eenigen tijd naar Londen te gaan. "O, Papa!" - zeide zij. "Misschien is het niet mooi van mij, maar ik verlang zoo, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is, van hier weg te komen, al zou 't ook maar voor korten tijd zijn. Anders gaan wij allemaal nog onder in de naargeestige stemming van onze omgeving. Edith voelt dat óók zoo - zij deze omgeving op haar drukt." Lord Stockton scheen niet erg gesticht over Maud's woorden en ik dacht reeds, dat hij kortweg weigeren zou, toen - tot mijn verwondering - G. G. zich in moet het wel voelen: we zien toch allemaal, hoe zwaar de zaak mengde.
"Vergeef mij, Mylord" — zei hij, "wanneer ik het waag U in deze aangelegenheid, waar ik buiten sta, een raad te geven. Als detective heb ik méér gevallen als dat van uw oudste dochter bijgewoond: een grooten en bijna onoverwinnelijken afkeer van de plaats, waar men beroofd of mishandeld is geworden, Het is een voorbijgaand, maar niet onbedenkelijk zenuwverschijnsel. Verandering van omgeving is een radicaal geneesmiddel. Wanneer uw eigen gezondheid het U niet absoluut onmogelijk maakt, zou ik U ernstig in overweging geven, althans voor korten tijd, uw huis in Grosvernor-Gardens te betrekken,"
De wijze, waarop G. G. zich aldus mengde in een zaak, die hem niet aanging, ergerde mij niet weinig, maar Lord Stockton scheen er tot mijn verwondering anders over te denken.
"U acht dat dus in het belang van mijn dochter?"
vroeg hij met nadruk.
"Zeker, zeker, het is beter in elk opzicht." Ook G. G. had met nadruk gesproken. Ik gevoelde, dat in de vraag en het antwoord een bizondere beteekenis lag, die mij ontsnapte.
"Dan moet het kleinere belang voor het grootere wijken; wij gaan zoo spoedig mogelijk naar Londen" - zeide Lord Stockton.
Toen wij kort daarop de dames goeden nacht wenschten, fluisterde Lady Maud mij toe: "Ik erken ongelijk, Mr. Hendriks! Uw vriend is 'n snoes!"
* * *
Gelijk twee avonden van te voren, traden G. G. en ik samen mijn slaapvertrek binnen. Het zag er juist zoo uit als toen, en twee leunstoelen stonden uitlokkend voor het vuur.
Juist wilde ik op één daarvan plaats nemen, toen ik op den schoorsteenmantel iets zag, dat mij den adem benam. Daar lag, naast de zware, ouderwetsche pendule... het verloren portret. G. G. ontdekte het op 't zelfde oogenblik en wij keken elkander aan, zonder iets te zeggen: de hoogste verbazing vindt geen woorden!
Op ons driftig schellen verscheen de buigende butler in persoon. Hij wist niet, hoe het portret daar op den schoorsteenmantel kwam, maar hij zou — op ons verzoek — het meisje zenden, dat de kamer dien avond had opgeruimd.
Een knap, coquet gekleed kamermeisje stond kort daarop vóór ons. O, zij wist er alles van: bij het opruimen van de kamer had zij een berenhuid, die tusschen de tafel en het raam lag, wat op zij geschoven en toen een klein, wit hoekje daaronder uit zien steken. Zoo had zij het portret gevonden en 't op den schoorsteenmantel gelegd. De heeren hadden het zeker verloren en daar viel het het meest in 't oog. — "'t Is anders een akelig portret" — besloot zij, "net 'n dooie!"
G. G. ondervroeg haar scherp en liet haar het portret weer neerleggen, precies zooals zij het onder de berenhuid gevonden had. Toen stak hij het in zijn portefeuille.
De eenige verklaring, die ik vinden kon was deze: dat de tocht van de deur, die ik achter mij had toegemaakt, toen ik G. G. was achterna gegaan, het portret (dat niet opgeplakt was) over het gladde oppervlak van de tafel en onder de berenhuid gedreven had. En toch scheen die verklaring mij niet waarschijnlijk.
Toen wij weer alleen waren, sprak ik dit vermoeden uit en vroeg, wat G. G. ervan dacht.
Hij keek me een oogenblik aan, zonder iets te zeggen.
"Willy" — antwoordde hij eindelijk, "ik denk, dat de man, die ons uit Frankrijk gevolgd is, 'n verduiveld slimme vent is, maar... ditmaal heeft hij al te slim willen zijn!"
## HOOFDSTUK XI. EEN HEERENDINER.
Toen ik den volgenden morgen in de kamer van G. G. kwam om hem te helpen bij het aankleeden (want zijn gekwetste arm maakte, dat hij hulp moodig had), vond ik hem in de meest opgewekte stemming.
"Alles gaat goed, Willy!" - zei hij. "'k Heb vannacht alles nog eens goed bedacht en overlegd; we kómen er wel!"
"Ik wenschte, dat je mij wat meer van de zaak vertellen wilde" — antwoordde ik, 'n beetje uit mijn humeur. "Ik zie allerlei dingen om mij heen gebeuren, waarvan ik niets begrijp. Ik zie menschen, die bedroefd en angstig zijn. God weet waarom; en ik kan ze in niets helpen of van dienst zijn, juist omdat ik niets weet!"
"Je weet genoeg, Willy, maar je begrijpt niet wat je weet."
"Dank je!"
Als ik me niet voorgenomen had, G. G.'s eigenaardigheden te verdragen zonder boos te worden, zou ik hem zeker niet zoo kort geantwoord hebben, want mij brandde een niet heel vriendelijke terechtwijzing over zijn "vaderlijk" sarcasme op de tong. Ik bedwong mij dus, maar dat maakte het niet beter.
"Bravo! Zelfbeheersching is het kenmerk van den waren man. Word niet boos, Willy! In je kalmte ben je bewonderenswaardig."
G. G.'s onnavolgbare manier om iemand te hespotten, had geen vat meer op mij. lk glimlachte zelfs en . . . zweeg.
"Die glimlach was wat droevig" - vervolgde mijn kwelgeest, "maar je zelfbeheersching verdient een belooning. Gisteravond was je zóó verrast over het terugvinden van ons portret, dat je vergeten hebt naar onzen gemeenschappelijken kennis, den dikken jongen man, te vragen. Of was het bescheidenheid, Willy?"
Ik vond het beter te blijven zwijgen.
"Luister" - vervolgde G, G. "en ik zal 'n tipje van den sluier voor je oplichten. Die onschuldige jonge man is 'n detective uit Sunderland. De bode van Lord Stockton, die dien avond naar Tanfield is gereden om ons telegram naar Moscou te verzenden, nam ook 'n telegram meê voor hèm. Dienzelfden nacht was mijn jonge vriend reeds aan het werk."
"Heel interessant!" - zeide ik. "Maar ik zou wel eens willen weten, waarom hij mij met zijn belangstelling vereert, eerst in Londen en later hier? Wat heeft dat te beduiden?"
"Zegt je geweten je niets?" - vroeg G. G. op luguberen toon, en toen ik, half geërgerd, half lachend, het hoofd schudde, voegde hij eraan toe: "Dan kan ik óók niets zeggen."
Ik zei evenmin iets meer en ergerde mij in stilte.
"Het is niet uitgesloten" - vervolgde G. G., "dat je ditzelfde jonge mensch nog enkele malen tegen het lijf loopt."
"Ben je gek geworden, G. G.?" - barstte ik eindelijk uit. "Laat je mij door dien kerel nagaan?"
"Dat niet, beste jongen, maar je kunt hem daarom toch wel tegen het lijf loopen. Neem maar aan, dat hij je gangen nagaat - mij goed! Als je maar niet verbaasd bent en vooral niet verbaasd doet, als je hem onverwachts te zien krijgt."
Ik haalde de schouders op en zweeg; maar G. G. werd nu opeens heel ernstig.
"Kom, Willy, je moet 'n grap kunnen verdragen. Ik heb je zelf dikwijls genoeg gezegd, dat wij in een hoogst ernstige zaak betrokken zijn. Maar het is toch beter, ons goed humeur te bewaren, dan ons door het bewustzijn, dat we in gevaar zijn, te laten neêrdrukken. En geloof me" — hier kwam er een hartelijke toon in zijn stem — "dat ik je niet in alles kan inwijden, heeft dezelfde reden, waarom ik aan Lord Stockton niets zeg: hoe méér je weel, des te groofer is 't gevaar dat je loopt! Beloof me dus, dat je geen teeken van verbazing of herkenning geven zult, wanneer je onzen dikken vriend onverwachts ontmoet, waar 't ook zijn moge."
Mijn geraaktheid was weer verdwenen; ik beloofde het.
* * *
Tegen den middag verlieten wij Stockton-Court. Onze gastheer had telegrafisch de noodige bevelen naar Londen gezonden om het huis in Grosvenor-Gardens voor zich en de zijnen in gereedheid te doen brengen. Binnen enkele dagen zouden zij ons naar de hoofdstad volgen.
Het bewustzijn daarvan maakte mij het afscheid minder zwaar. Lady Maud . . . Maar het lust mij niet, mijn denken en droomen hier neer te schrijven. Ik beschrijf een merkwaardig geval uit de geschiedenis der criminaliteit en schrijf geen liefdesroman. Lady Maud zou spoedig in Londen zijn! — Dat zegt genoeg voor elk, die jong is geweest.
* * *
Den daarop volgenden Donderdag gaf ik gevolg aan de uitnoodiging van Lord Lowden, om bij hem het middagmaal te gebruiken. Het was op Maandag geweest, dat wij uit Tanfield teruggekomen waren, en reeds den volgenden dag had G. G. mij gezegd, dat hij voor enkele dagen op reis moest, in verband met de zaak. Verder wilde hij zich niet uitlaten. 'I Speet hem, dat hij mij niet meenemen kon, maar 't was voor mijn eigen veiligheid beter in Londen te blijven. Mocht, in eenig opzicht, gevaar dreigen, dan zou ik gewaarschuwd worden door den jongen man, die mij reeds vroeger gevolgd was, en die — hoewel ik hem in die dagen niet te zien kreeg — niettemin op de een of andere geheimzinnige manier over mijn veiligheid scheen te waken.
Een paar dagen vroeger zou ik over dit gewichtig gedoe gelachen hebben. Onze avonturen op Stockton-Court hadden mij echter in dit opzicht wat zwaartillender gemaakt. Ik begreep, dat er veel was, dat ik niet begreep, en daaronder het gevaar, waaraan ik bloot stond. Maar sinds G. G. mij gezegd had, dat wij uit Frankrijk gevolgd waren, was de mogelijkheid van zoo'n gevaar mij duidelijk geworden. Ik hield mijn oogen goed open en lette er in 't bizonder op, of ik niet gevolgd werd. Ik kon echter wel bijna met zekerheid zeggen, dat dit niet het geval was, noch door mijn dikken beschermengel, noch door het geheimzinnige personage, dat ik in mijn gedachten "de man uit Frankrijk" noemde.
Des Woensdags had ik mijn kantoorwerkzaamheden hervat. Mijn Oom Bruce had mij hartelijk welkom geheeten en voor den volgenden dag bij zich aan tafel genoodigd. Ik zeide hem, dat ik dien dag met Lord Lidderdale en Lord Ruthven bij den ouden Lord Lowden dineeren zou.
"Flink zoo, Willy" — zeide hij met 'n greintje spot. "Als dat zoo doorgaat, kijk je ons, arme burgermenschen, gauw niet meer aan. Drie Peers van Engeland en jij! Die omgeving zal je goed staan!"
Ik zeide, dat Lord Lowden ons speciaal had uitgenoodigd om zijn verzameling oude juweelen en kostbaarheden te zien.
"Een gevaarlijk bezit, Willy" — zei mijn oom. "Heb je de ochtendbladen al gezien?"
Ik antwoordde ontkennend.
"'n Juweelendiefstal bij Lady Ackland vannacht: 'n gemaskerde man, 'n ontsnapping door 't raam en ander romantisch tuig. Zelfs 'n revolverschot, dat niemand getroffen heeft... Maar kom Willy, je werk wacht je. En die geschiedenis kun je in kleuren en geuren lezen, als je er zin in hebt."
Zoo was ik weer aan het werk gegaan, en den volgenden avond om half acht klom ik de breede trap op van Lord Lowden's huis, dat in de buurt van
Kensington-Gardens gelegen was.
Lord Lowden was, zooals ik vroeger reeds gezegd heb, meer Italiaan dan Engelschman. Ook nu was hij niet van plan langen tijd in Engeland te blijven. Hij was gekomen om eenige belangrijke zittingen van het Hoogerhuis bij te wonen - Lord Lowden was een verwoed radicaal en stond daarom bij vele zijner standgenooten in geen best blaadje, - maar had het niet noodig gevonden voor zich alleen het geheele, groote huis, dat lang gesloten was geweest, in orde te laten brengen. Hij huisde in eenige groote, luxueus gemeubelde vertrekken op de eerste verdieping, met - als eenig mannelijk personeel zijn ouden Italiaanschen kamerdienaar. Het bleek, dat hij voor het zeer geëlaboreerde middagmaal, dat hij voornemens was ons aan te bieden, eenige knechts geëngageerd had om aan tafel te bedienen - iets, waarvan menig Engelsch aristocraat gegruwd zou hebben. Lord Lowden was inderdaad iemand, in wien de liefde voor het eenvoudige en die voor het luxueuse zonderling dooreengemengeld schenen. Een zeldzame tafelweelde, maar gehuurde knechts! Deze combinatie was om zoo te zeggen, een symbool van zijn levenswijze.
Toen ik binnenkwam, vond ik de twee andere gasten reeds aanwezig en met hun gastheer in druk gesprek.
Lord Lowden begroette mij met groote beleefdheid en zei, dat hij bizonder verheugd was, mij te zien,
Zeer spoedig gingen wij aan tafel.
Nauwelijks waren wij gezeten en liet ik mijn oogen door de fraaie, eenvoudige, maar kostbaar gedecoræerde eetkamer dwalen, of er wachtte mij een dier groote verrassingen, waaraan de laatste dagen zoo rijk geweest waren. In een van de twee gerokte bedienden, die bij het buffet stonden te wachten op het binnenbrengen der voorspijzen, herkende ik . . . den dikken, jongen man, mijn beschermengel! wat deed die hier? Waarom had hij zich hier als bediende ingedrongen? . . . Hij. de detective? Mij was hij niet gevolgd - dat stond vast! Wat had hem bewogen, zijn werkmanspak tegen den kellnersrok te verwisselen?
De man gaf geen teeken, dat hij mij herkende; en ook later, toen hij ons bediende, was uit geen enkelen blik, uit geen enkele beweging van zijn strak gezicht op te maken, dat hij mij meer gezien had. Ik dacht aan de vermaning van G. G. en trachtte mijnerzijds evenmin eenige verbazing of verrassing te toonen. Ik kon echter niet beletten dat mijn gedachten zich voortdurend met de reden van zijn aanwezigheid bezig hielden, zoodat ik gedurende het eerste deel van het middagmaal stil en afgetrokken was. Gelukkig liep het gesprek over de beraadslagingen in het Hoogerhuis, waarover de drie heeren zich zeer warm maakten, vooral tengevolge van de radicale denkbeelden, door Lord Lowden ontwikkeld. Mijn stilzwijgen viel daarom minder op.
Ziehier den gang, dien mijn gedachten namen. Ik beschrijf dien wat uitvoerig, omdat het besluit, waartoe ik kwam, zóó buitengewoon en verrassend was, dat ik er nauwelijks zelf aan gelooven kon. En toch was het de eenige verklaring, die met de feiten klopte.
De dikke, jonge man zou mij waarschuwen, als mij gevaar dreigde. Was hij dáárom gekomen en diende deze maskerade dáártoe? Dit scheen mij, op zijn minst genomen, onwaarschijnlijk. Om mij te waarschuwen was die omslag niet noodig: hij had mij desnoods kunnen opzoeken. Was hij dan gekomen om mij tegen een mij hier dreigend gevaar te beschermen, als dat noodig mocht zijn?... Ik begon met ook deze gedachte te verwerpen. Maar het volgende oogenblik viel mij in, dat G. G. mij eens gezegd had, dat het voor den detective een fout is, een denkbeeld te verwerpen, omdat het vreemd is en indruischt tegen wat men, voor zichzelven, natuurlijk vindt. Aangenomen dan, dat mij hier gevaar dreigde, van wien dreigde mij dat? Van één mijner drie mede-aanzittenden?...
Lord Ruthven kende ik, zoolang ik te Londen was. Ik had hem dikwijls bij Lord Lidderdale en elders ontmoet: een wat lichtzinnige jonge man, geestig en amusant, bizonder goedhartig, iemand, dien iedereen in Londen kende en wiens leven, met alle deugden en gebreken, een open boek was. Hij was het zeker niet, van wiens zijde gevaar dreigde!
Nog veel minder kon het Lord Lidderdale zijn. Hem kende ik sinds meer dan een jaar; hij was een hoogstaand man, een leider in zijn kringen, 'n man wien iedereen een onbegrensde hoogachting schonk en wiens leven eveneens een open boek was. Als iemand boven alle verdenking verheven was, dan was Lord Lowden, onze gastheer? — Wat wist ik eigenlijk van Lord Lowden? Zijn naam zag men nu en dan in de nieuwsbladen. Hij woonde in Italië en leefde nu hier, op eenigszins zonderlinge manier voor 'n Peer van Engeland, alleen met 'n ouden Italiaanschen kamerdienaar, in enkele appartementen van zijn eigen huis. Bij zijn standgenooten was hij niet bemind. Hij was pas weer in Engeland... En hier ging er plotseling een licht voor mij op, zóó verblindend, dat ik er zelf van schrikte.
Lord Lowden was met Lord Lidderdale in Nice, toen wij in Menton waren, dat wil zeggen op nog geen twee uur sporens afstand. Hij was 'n bejaard, maar 'n krachtig man met 'n sterke constitutie . . . iemand, die voor geen kleintje vervaard scheen. En - hij was mét ons naar Engeland overgestoken! Hoe kon ik zóó blind geweest zijn!? Wie anders dan hij was ons uit Frankrijk gevolgd? Die geheimzinnige vervolger, was hij, volgens G. G., niet betrokken in wat er op Stockton-Court gebeurd was? Had G. G. den dikken, jongen detective niet te hulp geroepen? En vond ik dien detective niet hier, in Lowden's huis? En nog eens: was hij niet de eenige, van wien ook G. G. weten kon, dat hij ons gevolgd was van de Riviera uit? . . . Had hij niet de gelegenheid gehad, met dat pistool van Lord Lidderdale te "knoeien"?... Ik peinsde en peinsde. Alles klopte, en - hoe onzinnig het op het eerste gezicht ook schijnen mocht - meer en meer raakte ik ervan overtuigd, dat Lord Lowden niemand anders was dan . . . , de man uit Frankrijk". En G. G. had dat lang geweten; geen wonder, dat hij mij had uitgelachen, omdat ik zoo stompzinnig was geweest! De heele kwestie was alleen maar, dat ik nooit eraan gedacht had, Lord Lowden in dit licht te beschouwen. Nu ik eenmaal achterdochtig was geworden, was het of mij een sluier van de oogen viel.
Maar welk een ontdekking! Ik nam mijn overbuurman, met mijn nieuw-geboren vermoedens, nauwkeurig op. Hij had een scherp, intelligent gezicht, kortgeknipte, grijze haren, een hoog voorhoofd en een korten grijzen baard. De oogen waren bruin, scherp en doordringend, maar rustten nooit lang op hetzelfde voorwerp en keken iemand ook zelden recht aan. Ik verbeeldde mij, dat zij nu en dan een schuwe uitdrukking hadden. De kleeding was zeer nonchalant. Op de revers van den rok ontdekte ik hier en daar aschvlekken, de das zat wat scheef, de handen waren niet heel goed verzorgd. Het was wel waar, dat de man uit een land kwam, waar reinheid nu juist niet het karakteristieke kenmerk der bevolking is. Maar een Engelsch edelman bewaart gewoonlijk zijn voorliefde voor reinheid en een behoorlijk verzorgd uiterlijk ook in het buitenland. Deze man zag er wat verwaarloosd uit en de geheele indruk, dien hij maakte, was niet gunstig. Zelfs kwam een oogenblik de gedachte bij mij op, of hij wel inderdaad Lord Lowden was: noch Lidderdale noch Ruthven had hem vroeger gekend. Maar anderzijds had hij reeds eenige zittingen van het Hoogerhuis bijgewoond en daar natuurlijk bekenden ontmoet. Neen — deze romantische inval was al te dol; ik moest mijn fantasie in toom houden.
Wanneer ik echter, wat de hoofdzaak betrof, juist oordeelde, dan was Lord Lowden een misdadiger van de ergste soort - een dief en moordenaar! Ik moet bekennen, dat het mij toch koud over den rug liep, toen ik dit bedacht. Maar hoe meer ik alles wat gebeurd was, en ook de weinige aanwijzingen, mij door G. G. gegeven, naging, des te meer kwam ik tot de overtuiging, dat ik mij niet vergissen kon. Mijn vriend had mij zelfs voorbereid op een plotselinge en onverwachte ontmoeting met den jongen detective . . . . Natuurlijk had hij geweten, waar die ontmoeting zou plaats vinden 't Was juist iets voor hèm, het geheimzinnige van de zaak te bewaren, maar mij tôch op de verrassing voor te bereiden - al was 't alleen maar om mij nieuwsgierig te maken! Het leed geen twijfel: Lord Lowden was onze vijand of althans zijn handlanger! . . .
Tot dit besluit was ik gekomen, toen de stem van onzen gastheer mij tot de werkelijkheid terugriep.
"Kent U Lady Ackland, Mr. Hendriks?"
## HOOFDSTUK XII. DE CURIOSITEITEN-VERZAMELING.
lk kende Lady Ackland niet. Mijn drie tafelgenooten echter zagen haar dikwijls en hadden den vorigen avond een paar uur doorgebracht op een van de schitterende soirées, die zij gewoon was gedurende den "season" in Londen te geven. Ook Lord Lowden was daar geweest, hoewel hij zoo goed als nooit uitging. Zij was weduwe sinds vele jaren en had alle aanslagen op haar hart en hand vastberaden afgeslagen. Er was wel eens verteld, dat zij een bizonder zwak had voor Lord Lidderdale, maar zijnerzijds was nooit van een dergelijk zwak voor háár gebleken. Trouwens, zij was ouder dan Lidderdale en liep reeds aardig naar de veertig. Haar collectie diamanten, paarlen en juweelen was beroemd in heel Engeland en zij was gewoon een groot deel daarvan op haar persoon te etaleeren, zoodat zij op haar scirées door haar gesten met verbazing, zij het ook niet altijd met bewondering, beschouwd werd, wegens den overvloed van diamanten en andere kostbare versierselen, waarmede haar hoofd, haar schouders, ja meestal ook haar japonnen, tot zelfs haar schoenen, bedekt waren. In dit opzicht was zij bepaald een unicum: zij kende daarin geen maat.
Den vorigen avond nu had zij opnieuw, in vele kleuren stralend en schitterend, te midden van hare gasten hare plichten als gastvrouw waargenomen. Toen zij, na afloop der soirée, dood-moe in haar slaapvertrekken gekomen was, had zij hare versierselen eigenhandig op de groote kaptafel gelegd en zich zoo snel mogelijk door haar kamenier laten helpen; daarop was zij te bed gegaan. Des nachts was zij wakker geworden door gerucht in haar kamer. Een van de ramen, die in den fraai-aangelegden tuin uitkwamen, was open geschoven en bij het licht van de kristallen nachtlamp zag zij - hoewel onduidelijk een langen, gemaskerden man bij haar kaptafel. Natuurlijk had zij geschreeuwd, de man was met één sprong bij het raam geweest en in minder dan geen tijd zag zij hem dwars door den tuin vluchten en in het hooge kreupelhout, dat achterin tegen den tuinmuur groeide, verdwijnen, Dadelijk daarop had zij een revolverschot gehoord; later bleek, dat een politieagent den man over den tuinmuur had zien klimmen en geschoten had, maar zonder succes! De dief had zich uit de voeten kunnen maken en de juweelen van Lady Ackland waren met hem verdwenen. Zooals vanzelf sprak, was de politie den dader op het spoor - altijd volgens de couranten. In werkelijkheid had deze niet het minste spoor achtergelaten, dat tot zijn ontdekking voeren kon.
Na de duistere vermoedens, die bij mij gerezen waren omtrent onzen gastheer, was het voor mij een welkome afleiding naar het verhaal, van wat er ten huize van Lady Ackland voorgevallen was, te luisteren. Ik keerde daarmede weer tot de werkelijkheid terug en vond gelegenheid mijn gedachten weer op mijn omgeving te concentreeren; mijn verstrooidheid zou anders zeker opgevallen zijn. Wij tafelden tamelijk lang en eerst om tien uur betraden wij Lord Lowden's werkkamer, die eveneens luxueus ingericht en bizonder gezellig was. Een hoogvlammend vuur brandde in den haard en het electrische licht werd aangenaam gedempt door lichtgekleurde, kristallen omhulsels.
Wij kwamen thans tot het eigenlijke doel van dezen avond: het bezien van de nieuwe collectie kostbare curiositeiten, die Lord Lowden onlangs gekocht had. "Mijn groote collectie is in Italië" — zeide hij, "op dit oogenblik veilig geborgen bij een groote Bank in Florence. Wat ik er nu bij gekocht heb, had ik hier reeds bij mijn bankier in bewaring gegeven; maar — ter eere van de heeren — heb ik alles hierheen laten brengen. Morgen-ochtend wordt het weer afgehaald. We zullen dus maar hopen, dat de vriend, die Lady Ackland in den gepasseerden nacht met zijn bezoek vereerd heeft, niet op den inval komt, vannacht ook mij de eer van zijn gezelschap te schenken."
"'t Zou een merkwaardig geval zijn!" — lachte Lidderdale. "Als de man komt, heb je hem bepaald 'n invitatie gestuurd, Lowden!"
Intusschen had Lord Lowden een zware, eikenhouten kast opengemaakt en daaruit een kostbaar ingelegd kistje genomen, dat hij opende met een aan zijn horlogeketting bevestigd sleuteltje. Van binnen was het in drie afdeelingen verdeeld en daarin lagen op blauw fluweel verschillende kostbare steenen, op eigenaardig ouderwetsche wijze gevat, benevens verschillende groote caméeën, waarvan enkele een aanzienlijke waarde moesten vertegenwoordigen.
Lord Lowden had het kistje op de tafel gezet. Hij en Lord Lidderdale stonden aan den eenen kant daarvan. Lord Ruthven en ik aan den anderen. Terwijl Lord Lowden de steenen en caméeën er één voor één uitnam en ons — met het "feu sacré" van den verzamelaar — de fraaiheden en zelfs de geschiedenis ervan uiteenzette, ontdekte ik plotseling, dat een deur van het vertrek, waarop ik juist het gezicht had, onhoorbaar tot op een smallen kier geopend werd, Lord Ruthven, die naast mij stond, was te zeer verdiept in de beschouwing der kostbaarheden om iets daarvan te bemerken. De beide andere heeren stonden met hun rug erheen gekeerd. Ik dacht dadelijk aan den detective en deed dus, of ik niets merkte.
Mijn beide mede-gasten luisterden met groote aandacht naar wat Lord Lowden hun vertelde. Mijn gedachten werden natuurlijk afgeleid door het bewustzijn, dat onze gastheer in het geheim door den detective in het oog gehouden werd. Onwillekeurig lette ik op elk van zijn bewegingen, maar luisterde niet minder scherp naar wat hij zeide.
"Deze steen" - sprak hij, een ongeslepen smaragd, in goud gevat, uit het kistje nemend, "is eens het eigendom geweest van de familie der Borgia's; men zegt zelfs, dat de beruchte Lucrecia hem gedragen heeft. Zooals bij meer sierstukken uit dienzelfden tijd, zit er in den gouden rand een kleine veer verborgen. Als men daarop drukt, springt er een bijna onzichtbaar stiftje naar buiten, dat met één prik dooden kan - althans in dien ouden tijd. Toch is het ook nu nog zaak, er voorzichtig mee te zijn. Er wordt beweerd, dat zoo'n stift haar noodlottige kracht eeuwen lang bewaren kan."
Lord Ruthven strekte de hand uit, om den steen nauwkeuriger te bezien.
"Voorzichtig, Ruthven!" - zeide onze gastheer. "Hier, rechts, zit het bewuste veertje; zorg ervoor dat je het niet aanraakt."
Ruthven nam den steen, bekeek hem met aandacht en gaf hem vervolgens aan Lord Lidderdale, Terwijl deze hem eveneens bekeek, geraakten Ruthven en Lowden in druk gesprek over een camée; de eerste liep daarbij naar de andere zijde van de tafel, zoodat Lidderdale alleen bleef aan de zijde, waar het kistje stond. Toen hij den smaragd voldoende bewonderd had, legde hij hem in het kistje terug en bukte zich om een blik te werpen op de steenen, die er nog in lagen.
"Wat 'n buitengewoon mooie steen is dit! - zeide hij plotseling, een fraai geslepen saffier uit het kistje nemende. "Men heeft er een soort van doekspeld van gemaakt, iets met 'n modern uiterlijk, zou men bijna zeggen."
Lord Lowden brak zijn gesprek met Ruthven af. Toen zijn oog op den saffier viel, dien Lord Lidderdale nog steeds in de hand hield, schrikte hij merkbaar. "Hoe kom je in God's naam aan dien steen?" — vroeg hij, schijnbaar zeer verbaasd.
"Natuurlijk uit je kistje!" - klonk het wat nuchtere antwoord.
"Maar, man, die steen is er nooit in geweest, ik heb 'm van mijn leven niet gezien!"
"Nu, ik kan je verzekeren, dat 't geen cadeau van mij is," — lachte Lidderdale. "Het pronkstuk zat geklemd tusschen 't fluweelen kussentje, waarop de
"Wat 'n buitengewoon mooie steen is dit!"
andere steenen liggen, en den wand van het kistje. Toevallig zag ik het puntje van den speld eruit steken: als je de heele partij opeens gekocht hebt, dan heb je dien fraaien saffier op den koop toe!"
"Ik dacht stellig, dat ik alle steenen in handen gehad had" — zei Lord Lowden, "maar aan de getuigenis van m'n eigen oogen kan ik niet twijfelen. Laat eens gauw zien! Ik heb de geheele partij werkelijk inééns gekocht en ben dus rijker dan ik dacht!" Hij nam den steen op en bekeek dien nauwkeurig, daarbij aan Ruthven en mij uitleggende, waarom deze saffier werkelijk iets bizonder moois in zijn soort was.
Wij werden in onze kunstbeschouwing (waarbij ik mijn aandacht verdeelde tusschen den saffier en de deur, die thans weer gesloten was) gestoord door Lidderdale
"Half-twaalf!" — zeide deze, op zijn horloge kijkende. "Je zult mij excuseeren, Lowden. Voor vanavond staat de soirée van Lord en Lady Stratmore nog op mijn programma. Ruthven gaat daar ook heen, als ik mij niet vergis!"
"Mijn chauffeur zou om elf uur hier voor de deur wachten" — zeide Lord Ruthven. "We kunnen samen gaan, als je tenminste met mij meerijden wilt, Lidderdale!"
"Natuurlijk, heel graag zelfs."
Lord Lowden bromde iets van het naloopen van partijen en mooie vrouwen. Hij kwam nergens; dat was algemeen bekend! En daarom lieten de beide anderen hem stil brommen en namen afscheid.
Ik was voornemens hun voorbeeld te volgen, maar Lord Lowden wilde niets daarvan weten. Het kistje met de juweelen werd gesloten en weggeborgen; de Italiaansche kamerdienaar kwam aandragen met whisky en soda, benevens een keur van buitengewoon geurige havanna's, en het was reeds half twee, toen de deur van deze patricische woning achter mij gesloten werd; van den detective had ik niets meer gezien.
Gedurende de twee uren, die ik alleen met mijn gastheer doorbracht, had ik hem met alle zorg bestudeerd. Onwillekeurig dacht ik aan de bekende detectiveverhalen, waarin het slachtoffer door het een of andere in sigaren of whisky verborgen vergif bedwelmd wordt, om later te ontwaken op de een of andere onmogelijke, meestal griezelige plaats. Als Lowden inderdaad de man was, voor wien ik hem hield, dan . . . Maar er gebeurde volstrekt niets!
Hoewel zijn uiterlijk mij steeds minder beviel, naarmate ik hem zag in zijn gewone doen en laten, kon ik niet zeggen, dat hij iets zeide of deed om mijn achterdocht te vermeerderen. Maar ik begreep, dat de detective hem niet voor niets in het oog hield en nam mij voor, mij voortaan voor dezen man bizonder in acht te nemen.
* * *
Den volgenden morgen, toen ik op 't kantoor van mijn oom in mijn werk verdiept zat en juist bezig was dóór te dringen in de geheimenissen van een ingewikkeld echtscheidingsproces, drong plotseling een luid geroep van krantenjongens tot mij door.
"Sensationeele inbraak!" — hoorde ik, en daarop een lange litanie, waarvan ik alleen de woorden "juweelen" en "Lowden" verstond. Ik liet onmiddellijk een krant halen en een oogenblik later zat ik, als versuft, te kijken op het volgende bericht:
"Hedenmorgen werd de politie gealarmeerd door "de tijding, dat ten huize van Lord Lowden bij Ken-"sington-Gardens een belangrijke juweelendiefstal had "plaats gehad. Een kast was opengebroken en juwee-"len ter waarde van vele duizenden ponden uit een "daarin bewaard kistje bleken ontvreemd. De politie "deed echter nog een andere ontdekking. In het half "vernielde kistje werden, onder fluweel verborgen, "enkele kostbare sieraden gevonden, afkomstig van "den grooten diefstal, die eergisternacht bij Lady "Ackland plaats vond. Lord Lowden wist geene ver-"klaring van hun aanwezigheid aldaar te geven. De "justitie, die onmiddellijk gewaarschuwd was, gaf "bevel tot zijn inhechtenis-neming. Men zegt, "er zeer bezwarende getuigenissen tegen hem zullen "worden ingebracht. Het geval laat zich zóó ernstig "aanzien, dat zijn verzoek, om tegen borgstelling te "worden vrijgelaten, werd afgewezen."
Toen ik van de eerste verbazing bekomen was, kwam ik tot de ontdekking, dat ik eigenlijk in 't geheel niet verbaasd had behoeven te zijn. Dat Lord Lowden niet te vertrouwen en in elk geval een verdacht persoon was, had ik zelf reeds ontdekt, deels door eigen observatie, deels door de — zij het ook bedekte — aanwijzingen van G. G. De saffieren speld, die Lord Lidderdale den vorigen avond zoo onverwachts gevonden had, had met de punt tusschen het fuweelen kussen en den wand van het kistje uitgestoken: natuurlijk behoorde die ook tot de van Lady Ackland ontvreemde kostbaarheden. Geen wonder, dat Lord Lowden geschrokken was, toen hij die in handen van Lidderdale zag! Maar waarom had Lord Lowden, die zelf dan toch zooveel van de justitie te vreezen had, den diefstal aangegeven? Dit scheen mij het eenige nog duistere punt in deze zaak. Doch de middag editie der nieuwsbladen gaf reeds de verklaring:
"Omtrent de in-hechtenis-neming van Lord Lowden "bericht men ons het volgende: De politie gelooft "niet aan een inbraak. Zij vermoedt, dat Lord L., "die een verwoed verzamelaar van kostbare steenen "is, zich de juweelen van Lady Ackland - die waar-"schijnlijk zijn koopkracht te boven gingen - heeft "toegeëigend of althan's voor zich heeft doen stelen. "Daar hij voor ontdekking vreesde (men beweert, "dat hij reeds door detectives werd nagegaan) heeft "hij zijn buit, met de hem toebehoorende steenen, in "veiligheid gebracht en, om alle verdenking af te "wenden, zelf de kast en het bewuste kistje open-"gebroken, teneinde een diefstal te fingeeren. Onge-"lukkig - althans voor hèm - blijkt hij twee of drie "van de sieraden van Lady Ackland in het kistje te "hebben achtergelaten; waarschijnlijk waren zij zóó "diep onder het kussen geraakt, dat hij ze over het hoofd zag. De politie is thans ijverig in de weer, om "te ontdekken, waar hij de gestolen juweelen ver-"borgen heeft."
Geen twijfel meer! Het laatste duistere punt was opgehelderd.
## HOOFDSTUK XIII. EEN BELEEFDHEIDSBEZOEK.
De arrestatie van Lord Lowden maakte te Londen een geweldige sensatie. Op straat, in de clubs, op soirée's en bals hoorde men over niets anders spreken en ieder had omtrent het gebeurde zijn eigen opinie. Er waren er, zooals ik, die geen oogenblik aan zijn schuld twijfelden; anderen verdedigden hem door dik en dun.
Onder de laatsten behoorden, behalve Lady Ackland (die elkeen, zoo hij 't niet met haar eens was, kortweg voor "gek" uitmaakte en beweerde, dat men een stomme vergissing begaan had), vooral Lord Lidderdale. Dit verwonderde mij wel eenigszins, omdat hijzelf den saffier (die inderdaad van den diefstal bij Lady Ackland afkomstig bleek) onder Lowden's kostbaarheden ontdekt had; maar — hoewel Lidderdale heel goed begreep, dat zijn getuigenis voor den verdachte bezwarend zijn zou —, hij weigerde beslist, aan diens schuld te gelooven.
"Mijn overleden oom zou Lowden nooit zijn vriendschap geschonken hebben, als deze niet op ende op een "gentleman" was" — zeide hij. "En ook ik verbeeld mij, wel eenigen kijk op de menschen te hebben. Als Lowden een schurk blijkt te zijn, zal ik nooit meer in iemand vertrouwen stellen."
Gevraagd, hoe hij dan de aanwezigheid van den saffier in het kistje van Lord Lowden verklaarde, haalde hij de schouders op.
"De politic zal dat hebben uit te maken" — zei hij. "Ik, voor mij, ben ervan overtuigd, dat Lady Ackland en Lowden beiden bestolen zijn, en 't zou mij niet verwonderen, als de dief één en dezelfde persoon bleek te zijn."
Den dag na de arrestatie kwam hij mij opzoeken in mijn club.
"Is het niet zonderling" — zeide hij, "dat deze beide juweelen-diefstallen zoo dadelijk volgen op den diefstal op Stockton-Court, waarvan U mij verteld hebt, Mr. Hendriks? Onwillekeurig zoek ik er verband tusschen, hoewel mijn verstand mij zegt, dat dit niet bestaan kan."
"En als nu eens bewezen kon worden, dat Lord Lowden op de terreinen van Stockton-Court gezien was?" — kon ik niet nalaten te zeggen. Lord Lidderdale keek mij verbaasd aan.
"Ja, als . . . " zeide hij. "Maar hoe komt U op die vreemde gedachte?"
"Ik weet het zelf niet" — zei ik, "Ik heb nog vreemder gedachten, in verband met de moordzaak te Menton, die ook U zoo levendig interesseert. Vindt U het niet wat vreemd, dat Lord Lowden juist met ons uit Frankrijk terug is gekomen?"
"Hoe zoo?" - vroeg hij, opnieuw verbaasd, en blijkbaar niet begrijpend, wat ik bedoelde.
"Ik durf mijn gedachten niet uitspreken, Mylord, voordat ik met mijn vriend Geoffrey gesproken heb. Maar dit wil ik U wel zeggen, dat, voorzooverre ik erover oordeelen kan, het mij verwonderen zou, als mijn gedachten ook niet de zijne waren!"
"U begint ook reeds 'n halve detective te worden, Mr. Hendriks" — zei Lord Lidderdale, opstaande en mij de hand ten afscheid reikend. "De Hollanders zijn altijd scherpzinnig geweest: ge doet uw landgenooten eer aan."
Ik miste in deze dagen mijn vriend G. G. en voelde dat gemis dagelijks sterker. Al meende ik den sleutel tot veel onverklaarbaars gevonden te hebben, er bleef nog genoeg te verklaren over. En, met al zijn geheimzinnigheid en gewichtig-doen was G. G. toch altijd 'n kompas, waarop men veilig zeilen kon. Hij had mij met geen enkel woord doen weten, waar hij zat en wat hij uitvoerde, zoodat ik me een beetje beleedigd gevoelde. We waren, wat ons avontuur te Menton betrof, toch eenigszins medewerkers geworden en ik voelde mij achteruitgezet, doordat ik nu zoo geheel buiten de zaak gehouden werd.
Den Zaterdag, volgende op dien gedenkwaardigen Donderdag, toen wij de curiositeiten-verzameling van Lord Lowden bewonderd hadden, las ik in de nieuwsbladen, dat Lord Stockton en zijn familie van Stockton Court naar Londen waren teruggekeerd en het groote huis — men kan wel haast zeggen: het paleis — in
Grosvenor-Gardens hadden betrokken.
Ik besloot hun den volgenden dag mijn opwachting te gaan maken. Na de angstige dagen, die wij samen hadden doorgebracht, scheen mij dit niet meer dan natuurlijk: het was eenvoudig een staaltje van mijn schuldigen plicht, mij op de hoogte te gaan stellen van den gezondheidstoestand der verschillende familieleden, waarvan ik er enkelen in zoo sombere en zenuwachtige stemming verlaten had. Bovendien - ik herinner eraan, dat de nuchtere remmer niet altijd meer op den wagen zat - het vooruitzicht, Lady Maud terug te zien, was niet vreemd aan den wel wat ongewonen spoed, waarmede ik de nauw in Londen teruggekeerde familie wilde overvallen. Eerlijk gezegd - Lady Maud was eigenlijk de eenige, hoewel onschuldige, oorzaak van mijn gebrek aan vormen! Ik was, te haren opzichte, langzamerhand in een stemming gekomen, die nu en dan aan het roekelooze grensde: 't kon mij niets meer schelen: ik,
Willem Hendriks, eenvoudig advocaat uit Rotterdam, hield onuitsprekelijk veel van de dochter van een van Engeland's voornaamste en rijkste *Peers*. Ik kwam er tegenover mijzelven nu rond voor uit, en — sinds een week — was mijn lijfspreuk: "Faint heart never won fair Lady."
Toch was mijn hart wel 'n beetje bedrukt, toen ik voor den imposanten ingang van het verblijf der Stocktons stond; een oogenblik voelde ik weer den afstand, die mij van Lady Maud's wereld scheidde. Maar, gelukkig, als rechtgeaard Hollander gevoelde ik wel eerbied, maar geen onderdanigheid. En toen een bediende, in de eenvoudige livrei der Stocktons, mij in de voorhal liet, kon ik de mij omringende weelderige, maar door-en-door gedistingeerde omgeving op mij laten inwerken, zonder dat zij mij neërdrukte of ontmoedigde.
Ik werd in een rijk-gemeubeld vertrek gelaten, dat aan de eene zijde door een zware, tot op den grond neerhangende portière geheel afgesloten was. Toen de bediende de deur bijna onhoorbaar achter zich had toegemaakt (in zulke pratricische woningen schijnen de menschen op kousen te loopen en de scharnieren van de deuren altijd versch geolied te zijn!) en ik mij verbeeldde alleen te zijn, kwam ik plotseling tot de ontdekking, dat aan de andere zijde der portière menschen waren, die blijkbaar niet vermoedden, dat hun woorden door iemand anders gehoord werden. Wat moest ik doen? Ik maakte 'n beetje leven door het verschuiven van een stoel, maar dat scheen niet te worden opgemerkt. Toen . . . op eens herkende ik de stemmen en wat ik hoorde was van dien aard, dat ik vergat, verdere stoelen te verschuiven.
In de ruimte naast mij bevonden zich Lady Edith en Lord Lidderdale.
"In God's naam, Mylord" — hoorde ik Lady-Edith zeggen (en ditmaal niet op de gewone eentonige manier, maar met hartstocht, ja wilden hartstocht in haar stem), "beloof mij, dat U mij van dien ellendeling bevrijden zult. Anders" — hier heerschte er een oogenblik doodsche stilte, en toen, op scherpen en toch zachten, 'n echten wanhoops-toon: "Anders wordt het een vraag van: hij of ik!"
Daarop klonk de stem van Lord Lidderdale, die blijkbaar zeer bewogen was: "Wat U mij verteld hebt, heeft mij zóó geschokt, dat ik nog nauwelijks kalm denken kan. Ook voor mij is de toestand droevig en verschrikkelijk. U moet mij tijd geven tot nadenken, tot overleggen!"
"Zooveel U wilt, Mylord! Mits U mij thans reeds belooft, mij van waanzin of erger te redden. Als die man, dat monster mij blijft vervolgen... ik sta voor niets in, Mylord! Ik kan een schandaal niet méér vreezen dan U het vreest, maar . . . . "
"Ik beloof U te helpen en te beschermen, zooveel in mijn vermogen ligt! En U, Lady Edith, moet mij beloven, het hoofd niet te verliezen. Wees kalm en vastberaden. Komt ... hij" (dit woord werd op eigenaardigen, dreigenden toon uitgesproken) "terug, waarschuw mij dan onmiddellijk. Kom, geef mij de hand en wees verzekerd, dat U niet alleen meer staat."
Een oogenblik heerschte er stilte.
"Ik dank U. Mylord!"
"Kracht en sterkte, Lady Edith! Ik kom spoedig terug." Ik hoorde een deur zacht open en toe gaan — en alles was stil.
Men kan zich voorstellen, dat ik niet wist of ik waakte of droomde. Wat ik gehoord had, was zóó vreemd, zóó onbegrijpelijk, dat ik er geen verklaring voor vinden kon. Vreemd genoeg was mijn verbazing zóó groot, dat ik geen oogenblik schaamte gevoelde over de rol van luistervink, die ik — trouwens buiten mijn schuld — gespeeld had. Maar opnieuw rees de wensch bij mij op, dat G. G. toch spoedig mocht terugkeeren: ik gevoelde mij plotseling zonder stuur, hulpeloos . . . .
Toen ik, steeds wachtende op de verschijning van een der huisgenooten, enkele oogenblikken later een blik door een der breede ramen naar buiten wierp, zag ik, vlak tegenover het huis tegen een lantarenpaal geleund, ... een kort, dik, als werkman gekleed jongmensch, dat met den rug naar mij toestond. — Maar ook dien rug herkende ik!
* * *
"Mr. Hendriks schijnt zich meer te interesseeren voor wat buiten gebeurt dan voor de zaken binnenshuis!"
Ik schrok op en draaide mij om. Achter mij stond Lady Maud, die, tengevolge van de reeds vroeger vermelde ergerlijk geoliede scharnieren, onbemerkt binnen was gekomen, zonder dat ik — ik mijn gepeinzen over den dikken, jongen man verdiept — haar gehoord had. Zij keek mij 'n beetje spottend aan, maar stak mij niettemin hartelijk de hand toe. Terwijl ik die drukte, maakte ik mijn excuus voor mijn onoplettendheid in méér woorden dan noodig was — om, na afloop daarvan, te ontdekken, dat ik de mij gereikte hand nog steeds drukte. Eenigszins ontsteld, liet ik haar los; Lady Maud had 'n kleur gekregen, maar was niet boos waren, "dat ik U alleen ontvangen moet. Mijn ouders zijn niet thuis en mijn zuster is den heelen dag op haar kamer gebleven."
Dat zij mij alleen ontving, was voor mij nu juist geen reden tot spijt. En de mededeeling omtrent haar zuster bewees mij, dat zij niets wist van de ontmoeting, waarvan het toeval mij het einde had doen bijwonen. Ik informeerde naar de gezondheid der familieleden en vond mijzelven banaal.
"Mama is gezond, zooals steeds" - zei zij. "Papa is er niet minder op geworden, maar ziet er toch nog slecht uit. En mijn zuster... o, Mr. Hendriks, ik maak mij zoo ongerust over haar; zij wordt steeds strakker en bleeker! Ik ben zoo bang, dat zij iets heeft, dat zij ons niet vertellen wil. En papa doet soms zoo vreemd tegen haar. Maar gelukkig, dat wij nu in Londen zijn!"
"Hebt U dan hoop, dat het hier beter met haar gaan zal?"
"Zij heeft er zelve immers zoo op aangedrongen, hierheen te komen? En afleiding zal haar zeker goed doen. Mijn ouders moeten, nu zij in Londen zijn, natuurlijk menschen ontvangen!"
Onder "menschen" vereicht Lady Maud de uitgaande wereld, en onder "wereld" de uitgezochte kringen, waarin zij verkeerde. Helaas, als eenvoudig buitenlander, was ik in die kringen maar weinig geïntroduceerd!
"Deze week geven wij onze eerste soirée" — vervolgde Lady Maud. "Wat goede muziek en misschien wat dansen ook. Ik verlang er zoo naar, weer eens prettig te dansen, Mr. Hendriks."
Zij keek mij vragend aan, en ik zei zoo iets van dat ik óôk wel van dansen hield. Plotseling begon zij hartelijk te lachen.
"U is niet heel galant" - zei ze. "Bespreekt men in Holland nooit dansen vooruit?"
Ik zei zoo iets van "o ja", maar men moest daar vor toch weten, of men een bal zou bijwonen. D voelde ik, dat ik 'n kleur kreeg, en toen wist ik heek maal niet meer wat ik zeggen moest.
"Dat is kinderachtig, Mr. Hendriks!" — lachte zij. "U weet héel goed, dat Papa U 'n invitatie-kaart sturen zal."
"Hoe zou ik dat weten?" — vroeg ik, 'n beetje mismoedig; maar in het volgende oogenblik keerde al mijn moed terug en tevens voelde ik, dat ik aan mijzelven verplicht was, mij niet in een valsche positie te brengen. "Lieve Lady Maud" — vervolgde ik (en ik geloof — al is 't gek zoo iets van zichzelven te zeggen —, dat er 'n zekere toon van waardigheid in mijn stem lag), "wij moeten elkander goed begrijpen! Ik wil mijzelven noch mijn beroep naar beneden halen: dat ligt niet in mijn aard, want de Hollander van goede familie voelt zich, als-i geen nul is, en weet, dat hij niemands mindere is. Maar dat neemt niet weg, dat ik heel goed begrijp, dat er in Engelsche oogen een groote afstand bestaat tusschen een Peer van Engeland en 'n eenvoudig advocaat. Is het daarom zóó onnatuurlijk, dat ik volstrekt niet op een invitatie reken?"
"En als U er een krijgt?"
"Dan zal ik die dankbaar aannemen, omdat .... omdat ik weet, dat ik die aan U te danken heb. Maar ik zal mij niet vereerd voelen, zooals 'n mindere bij het gunstbewijs van zijn meerdere!"
Ik begrijp nog niet, wat er mij toe bracht aldus te spreken. Misschien de geest van onafhankelijkheid, die elken Hollander is ingeboren; misschien ook de onwillekeurige reactie, na het onmiskenbare gevoel van geïmponeerd-zijn door de indrukwekkende omgeving en de voorname distinctie, waarvan alles daarin sprak. Men zegt wel eens, dat elke Hollander van nature in de contramine is — niet alleen wat het verstand, maar ook wat het gemoed betreft.
In elk geval, de woorden waren eruit. En ik had 'n gevoel van angst, dat me bijna ziek maakte, toen het tot mij dóórdrong, dat Lady Maud, de Engelsche aristocrate, mij die woorden wel eens heel kwalijk nemen kon.
Zij keek mij een oogenblik aan met haar mooie, blauwe oogen. Toen zag ik daarin een uitdrukking van groote teederheid komen. Zij reikte mij opnieuw de hand en zei met een lieven blik, die elke gedachte aan onvrouwelijke vrijmoedigheid uitsloot:
"Mr. Hendriks, wilt U op ons bal den eersten dans voor mij ophouden?"
Ik voelde, dat het bloed mij naar het hoofd steeg. Ik deed een dwaasheid, door haar hand aan mijn lippen te brengen — maar zij scheen het niet dwaas te vinden.
"Dank U!" — zeide ik en niets meer. Toen informeerde zij naar G. G. en kwam het gesprek op andere onderwerpen.
Toen ik kort daarop weer op straat kwam, had ik een gevoel, alsof ik op wolken liep. En de dikke jonge man, die mij uit den hemel weer op aarde verplaatst zou hebben, was gelukkig verdwenen.
## HOOFDSTUK XIV. GEEN VREUGDE ZONDER PIJN.
Den dag na mijn bezoek aan Lady Maud was ik in den namiddag vroeg met mijn werk klaar en lokte mij het heerlijke lenteweêr naar Hyde-Park. Om tegenover den lezer eerlijk te zijn, wil ik wel bekennen, dat mij nog iets anders lokte. Op zoo'n prachtigen middag was er veel kans, in het Park het rijtuig der Stocktons te ontmoeten. En in dat rijtuig — als de fortuin mij gunstig was — zou zij zitten . . . .
Het was, zooals ik wel verwachtte, vol in het Park. Tusschen Hyde-Park-Corner en Kensington-Gate bewoog zich 'n onafgebroken rij van rijtuigen en het toeval zou mij inderdaad moeten dienen, wanneer ik het door mij gezochte wilde ontdekken. "En wat dan nog?" — vroeg ik mijzelven, weer 'n beetje moedeloos, af. "'n Groet uit de verte, 'n knikje met het hoofd van haar zijde, 'n lichten van den hoed van de mijne - en 't zal voorbij zijn!"
Het toeval was mij inderdaad gunstig. Ongeveer halverwege den breeden rijweg, 'n weinig op zij van de file, stond een rijtuig stil en ik herkende reeds uit de verte de livrei der Stocktons. Een ruiter op een gitzwart, zelfs in deze omgeving opvallend mooi paard, had naast het portier stilgehouden en was in druk gesprek met de beide dames, die in het rijtuig gezeten waren. Ook hem herkende ik. Het was Lord Lidderdale. Hij was gekleed in een elegant rijcostuum; de rechterhand was nog verbonden, maar hij droeg den arm niet meer in een band. Hij bestuurde het paard met de linkerhand en had eenige moeite het in toom te houden.
De beide dames in het rijtuig waren Lady Edith en Lady Maud. De laatste keek niet bizonder vriendelijk en Lady Edith droeg het gewone masker van koude onverschilligheid.
Toen ik het rijtuig passeerde, groette ik en zag dat Lady Maud's gezicht, terwijl zij vriendelijk teruggroette, plotseling ophelderde. Blijkbaar zag Lord Lidderdale, die mij den rug toekeerde, dat ook. Hij keerde het hoofd om, om te zien wien haar groet gold, en ik zag hem een beweging van verbazing maken, toen hij mij herkende. Het volgende oogenblik groetten wij elkander en tegelijkertijd wenkte Lady Maud mij om nader te komen. Zij reikte mij de hand en Lady Edith knikte mij toe.
"Wat 'n heerlijke middag!" — zei Lady Maud, het woord uitsluitend tot mij richtende, en daarop begon zij een lang gesprek over onverschillige zaken, terwijl zij aan haar zuster de taak overliet, het gesprek met Lord Lidderdale voort te zetten. Ik zag, hoe deze zijn aandacht verdeelde tusschen het gesprek en Lady Maud, op wie hij nu en dan een blik wierp, waarin meer lag dan gewone belangstelling. Misschien was het een gevolg van mijn gemoedstoestand, dat het mij plotseling koud om het hart werd. Wanneer Lord Lidderdale . . .; ik wilde niet verder doordenken! Helaas, wie was ik, wanneer hij de macht van zijn geboorte en populariteit in de schaal mocht werpen!
Mijn gedachten dwaalden een oogenblik af en ik zag, dat Lady Maud mijn verstrooidheid opmerkte. Maar tevens zag ik, dat zij de oorzaak daarvan, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk begreep. Zij wendde zich tot haar zuster en zei haar een paar woorden, die ik niet verstaan kon.
Lady Edith knikte en richtte zich nu eveneens tot mij.
"Mr. Hendriks" — zei ze, "wilt U ons het genoegen doen een eindje met ons mede te rijden? Ik hoor, dat U veel aan muziek doet, en wij wilden U graag eens raadplegen over het muzikale gedeelte van onze aanstaande soirée."
Ik herinnerde mij, dat ik op dien onvergetelijken avond, toen Lady Maud had gezongen, druk met haar gepraat had over muziek en componisten; het was duidelijk dat ik deze uitnoodiging aan haar tusschenkomst dankte. Even duidelijk was het, dat Lord Lidderdale dit begreep en er maar matig mede ingenomen was. Ik kon den indruk niet van mij afzetten, dat hij voor Lady Maud's mooie gezichtje méér voelde dan hij blijken liet. Hoewel mij nooit eenig gerucht ter oore gekomen was, dat hij haar het hof maakte, was ik er vast van overtuigd, dat hij tot haar bewonderaars behoorde.
Het spreekt vanzelf, dat ik mij geen tweemaal bidden liet. Weldra zat ik op de achterbank van het rijtuig tegenover Lady Maud. De paarden trokken aan en ik had de satisfactie Lord Lidderdale, na een beleefden groet, in galop langs Rotten-Row te zien verdwijnen.
Wij spraken eerst over muziek, speciaal over wat Lady Maud op de aanstaande soirée zingen zou — want dat zij zingen zou stond vast. Als musicienne genoot zij een zekere vermaardheid en haar zang was een groote aantrekkingskracht van de avonden in het groote huis van Grosvenor-Gardens. Nadat wij het eens geworden waren over eenige liederen van Brahms en van Massenet, bracht zij het gesprek op Lord Lidderdale.
"Ik vind hem veranderd sinds verleden jaar" — zeide zij. "Hij scheen mij eerst ternauwernood te herkennen, maar werd later bijna al te beleefd!" — Dit zeggende wierp zij mij een wat spottenden blik toe.
Ik haastte mij, haar mede te deelen wat ik wist omtrent het ongeval, dat hem overkomen was, en hoe zijn vrienden zich daarover ernstig ongerust maakten. Daarbij deed ik àl mijn best, hem tegen elk verwijt te verdedigen, maar 't ging niet van harte, omdat ik mij nu eenmaal in 't hoofd had gezet, dat hij mijn mededinger in haar gunst was. Eigenlijk was ik boos op mijzelven, dat het mij zoo slecht gelukte, want ik had van zijn kant nooit iets anders dan vriendschap en beleefdheden genoten.
Ook ditmaal was onze rit weer veel te spoedig ten einde. Ik verliet het rijtuig bij Hyde-Park-Corner en toen ik het om den hoek van Parklane zag verdwijnen, zonk mij het hart in de schoenen: ik begon te bemerken, dat de weg van "true love" zelden over rozen gaat.
Diep in gedachten wandelde ik Hyde-Park weer in en zocht de meer stille wegen op, om met mijn gedachten alleen te zijn. Terwijl ik zoo peinzend voortliep, kwam ik iemand tegen, die beleefd groette. Ik keek op en had nog juist tijd, te zien dat het een korte, dikke, nog jonge man was, onberispelijk gekleed en met den "fashionablen" cylinder-hoed op het hoofd. Wij keken tegelijkertijd om en ik zag hem glimlachen. Toen herkende ik hem: den eeuwigen vervolger, dien ik reeds als werkman en als kellner ontmoet had en die mij nu tegentrad als mijns gelijke!
Ik wist, dat deze man in het vertrouwen van G. G. was, en toch voelde ik, dat ik boos werd, omdat hij zich zoo volhardend aan mijne schreden hechtte.
Reeds zeide ik, dat wij op 't zelfde oogenblik omkeken. Ik nam een plotseling besluit en trad snel op hem toe.
"Is het nu werkelijk noodig, Mr. . . . "
"Is het nu werkelijk noodig, Mr. Jenkins, op deze manier voortdurend mijn gangen na te gaan? Het is, of ik geen voet meer verzetten kan, zonder U tegen het lijf te loopen."
"Dat is wel wat overdreven, Mr. Hendriks" — antwoordde hij. "Gewoonlijk zoek ik een ontmoeting met U niet. Maar ditmaal moet ik bekennen, dat ik U met opzet tegemoet geloopen ben. Ik heb nieuws voor U."
"En dat is?"
"Lord Lowden is heden uit de gevangenschap ontslagen."
Dat was inderdaad wat nieuws! Ik keek mijn dikken vriend met groote oogen aan.
"Is hij dan toch onschuldig?" - vroeg ik.
Mr. Jenkins glimlachte opnieuw. "Het eenige dat ik weet is, dat er een telegram van Mr. Gill is gekomen," zeide hij. "Als gevolg daarvan heeft men hem vrijgelaten. Of hij onschuldig is, zie, dat is 'n tweede kwestie.
"Maar als dat niet vaststaat" - hernam ik, "waarom hem dan vrijgelaten?"
Opnieuw dezelfde glimlach! "Ook ik heb instructies van Mr. Gill gekregen. Die komen hierop neer, dat ik U verzoeken zou, het nieuws van zijn in-vrijheid-stelling persoonlijk aan Lord Lidderdale mede te deelen. Vanavond staat het natuurlijk in alle couranten. Maar Mr. Gill zou gaarne zien, dat Lord Lidderdale het vooruit door U vernam."
"Ik begrijp volstrekt niet, waarom dat van zooveel belang is" — zei ik, 'n beetje uit mijn humeur, omdat ik vond, dat G. G. best aan mijzelven had kunnen schrijven, in plaats van mij deze boodschap door een ander te laten overbrengen. Maar als Mr. Gill het verlangt zal ik het doen. Intusschen weet ik nu nog steeds niet, waarom Lord Lowden vrijgelaten is."
"Ik weet dat ook niet" — antwoordde Mr. Jenkins. "Maar zou het zoo wonderlijk zijn, dat men hem vrijgelaten heeft om hem in 't geheim te doen volgen en zoo erachter te komen, waar de gestolen steenen verborgen zijn? Men heeft zoo iets meer gezien!" Dit was een volkomen begrijpelijke reden. Ik voelde een zeker soort van genoegdoening, dat ik mij dan waarschijnlijk in mijn oordeel over Lord Lowden's schuld niet zoo grof vergist had: hij was en bleef "de man uit Frankrijk".
Het pad had ons, al voortwandelende, naar Rotten-Row teruggevoerd en juist toen wij daar aankwamen, zag ik Lord Lidderdale, die — thans stapvoets — op zijn prachtig paard passeerde. Hij zag ook mij en hield zijn paard aan.
"Het toeval dient U" — zei mijn geleider, groette beleefd en keerde om. Maar ik bemerkte, dat hij op eenigen afstand staan bleef en naar ons terugzag.
"Nog steeds aan het wandelen?" — vroeg Lord Lidderdale, terwijl hij mij gemeenzaam toeknikte. "Ik dacht, dat het aangename gezelschap, waarin ik U verliet, U langer geboeid zou hebben."
Er lag een zweem van spot in zijn toon, maar ik deed alsof ik dien niet bemerkte.
"Mylord" — zeide ik, "zooeven heb ik iets vernomen, dat ook U interesseeren zal. Lord Lowden is vandaag vrijgelaten."
Zijn gezicht betrok. "Ezels!" - zeide hij tusschen de tanden.
"U bedoelt?"
"De politie natuurlijk! Is het niet bespottelijk, dat ze iemand gevangen nemen op zóó losse gronden, dat ze hem 'n paar dagen later weer los moeten laten?"
"Ik weet niet, Mylord, of die gronden zóó los waren als U aanneemt. Wij beiden althans hebben dien avond bij hem aan huis genoeg gezien, om twijfel aan zijn onschuld op te wekken!"
"Zeker, zeker!" - zeide hij kortaf. "Maar waarom hem dan vrijgelaten?"
Ik noemde hem het motief, dat Mr. Jenkins mij
"Natuurlijk!" - zeide hij, met 'n hoofdknik. "Zoo wordt de zaak althans verklaarbaar. Van wien hebt U het nieuws gehoord, Mr. Hendriks?"
"Geoffrey Gill heeft het mij laten weten, met verzoek het onmiddellijk aan U mede te deelen."
Opnieuw betrok zijn gezicht. "Aan mij?" — vroeg hij. "Waarom juist aan mij?"
Ik verwonderde mij wel eenigszins over zijn kortzichtigheid.
"Heeft U vergeten, wat ik U gezegd heb, Mylord?" — kon ik niet nalaten te zeggen. "Ik heb vreemde gedachten met betrekking tot de moordzaak te Menton, Meer zeg ik niet. Wat ik bedoel, moet U voor Uzelven maar uitmaken."
"U spreekt in raadsels!" — zeide hij, wat geirriteerd, en daarop, op zijn gewonen toon: "In elk geval, Lowden is vrij en dat doet mij genoegen. Goeien middag, Mr. Hendriks!"
Ik groette, maar Lord Lidderdale hield zijn paard nog even aan.
"Is Mr. Gill in de stad?" — vroeg hij.
"Nog altijd niet" — antwoordde ik.
"Dus geen nieuws?"
"Niets!"
"Dank U!" — Het volgende oogenblik reed hij in galop langs Rotten-Row de richting naar Hyde-Park-Corner op.
Toen ik hem langzaam volgde, was Mr. Jenkins plotseling weer naast mij. Ik had niet op hem gelet, zoodat dit een verrassing voor mij was.
"Ik ben in de buurt gebleven" — zei hij. "Ik kon niet elk woord van uw gesprek opvangen, maar Lord
Lidderdale scheen niet heel vriendelijk,'
"Een kwestie tusschen hèm en mij" — antwoordde ik, denkend aan Lady Maud's vriendelijkheid voor mij, die hèm geërgerd scheen te hebben. "Overigens blijft U wel 'n beetje àl te veel aan uw beroepsgewoonten vasthouden, Mr. Jenkins. Ik ben niet gewoon, dat mijn gesprekken worden afgeluisterd".
"Niet?" — zeide mijn dikke vriend, met zijn gewonen glimlach, dien ik imbeciel begon te vinden; en toen Lord Lidderdale naziende, voegde hij eraan toe: "Wat is uw aristocratische vriend toch 'n uitstekend ruiter! Zoo'n vurig paard te berijden, en dan nog wel alleen met de linkerhand te zijner beschikking! Wat moet hij 'n krachtige linkerhand hebben!"
Ik haalde de schouders op en verbaasde mij erover, hoe G. G. dezen bazelenden dikzak met zijn vertrouwen vereeren kon.
## HOOFDSTUK XV. IN DEN WINTERTUIN.
Twee dagen later, 's avonds tegen tien uur, trad ik de met planten versierde vóórhal van Lord Stockton's vorstelijk verblijf in Grosvenor-Gardens binnen.
Het was de avond van de soirée en de bezoekers en bezoeksters stroomden toe. Een lange rij auto's stond buiten te wachten, om elk op zijn beurt zijn kostbaren last ("kostbaar" in letterlijken zin, want meer juweelen dan op dien avond heb ik zelden bijeen gezien) voor den breeden ingang neêr te zetten. Een viertal, in elkaar loopende zalen was voor het feest ingericht. De laatste daarvan was de balzaal en deze grensde weer aan een ruimen wintertuin, die half verlicht was, en waarin zich kronkelende paden in hooge palmgroepen verloren.
Lord en Lady Stockton recipieerden in de eerste der vier zalen. Nadat ik hun mijn compliment gemaakt had (waarbij het mij opviel, dat Lord Stockton buitengewoon kort-af was), liep ik langzaam de zalen door, om kennissen te zoeken en vooral om haar te ontdekken! De eerste, dien ik tegen het lijf liep, was
Lord Ruthven.
"Goeien avond, Mr. Hendriks!" — zei hij. "U hebt zeker in de courant gezien, dat Lowden vrijgelaten is. Het was ook al te dol! Hebt U ooit aan zijn schuld geloofd?"
"Het was moeilijk daar niet aan te gelooven" - zeide ik, wat droog.
"Ik vond het juist moeilijk er wel aan te gelooven!" — zeide Lord Ruthven. "En ik ben blij, dat de feiten mij gelijk gegeven hebben."
"We zullen zien!" — zeide ik, onwillekeurig wat geprikkeld door de naïveteit van dezen jongen aristocraat, wiens vermogen om te redeneeren en te deduceeren (om G. G.'s geliefkoosde termen te gebruiken) niet heel groot scheen.
"Weet U, dat hij hier is, Mr. Hendriks?"
"Lord Lowden?" - vroeg ik verbaasd, "Dat is toch wel wat sterk, na wat er gebeurd is!"
Ruthven keek mij verwonderd aan, "Vindt U dat werkelijk?" — vroeg hij. "'t Komt mij voor, dat iemand, op wien een valsche verdenking heeft gerust, niet beter doen kan dan zijn vrienden te bezoeken."
"Ik vind er toch iets niet zeer kiesch in" - hield ik vol.
Op dit oogenblik ontdekte ik het voorwerp van ons gesprek. Hij stond te praten met een zware, gezette vrouw, wier gewaad zóó overladen was met diamanten en paarlen, dat zij niemand anders zijn kon dan Lady Ackland. Ik trad wat naderbij en hoorde haar, met 'n grove mannenstem, zeggen:
"Idioten zijn het! Als U ze alleen maar stommerikken noemt, maakt U hun nog 'n compliment."
Ik begreep, dat deze vriendelijkheden op onze politie-ambtenaren sloegen, en ergerde mij daarover! Daar kreeg Lord Lowden mij in het oog en wenkte mij, naderbij te komen. Natuurlijk moest ik wel gevolg geven aan dien wensch.
"Mr. Hendriks" — zei hij, "vergun mij het genoegen, U voor te stellen aan het slachtoffer van mijn euveldaden, Lady Ackland — Mr. Hendriks, mijn jonge Hollandsche vriend."
Ik boog en Lady Ackland reikte mij de hand. "Ik hoor, Mr. Hendriks, dat U den avond vóór dien brutalen inbraak bij Lord Lowden, zijn gast geweest is. U hebt toen ook den saffier gezien, dien men mij ontstolen had. Herkent U hem? . . . "
En nu zag ik, dat de prachtige steen, dien Lord Lidderdale op dien avond zoo onverwachts in het juweelen-kistje gevonden had, op Lady Ackland's breede borst prijkte.
"Ja" - vervolgde zij, "als die steen 'n tong had, zouden we een mooie geschiedenis hooren!"
"Ik weet vrij wel, wat hij dan vertellen zou!" - lachte Lord Lowden. "Maar voorloopig is dat nog 'n geheim!"
Ik moest bekennen, dat de man voortreffelijk comedie speelde. De ongunstige indruk, dien ik bij ons laatste samenzijn van hem gekregen had, werd nog bij mij versterkt. Onwillekeurig moest ik glimlachen bij de gedachte, dat deze man, die zonder twijfel een misdadiger was, op zoo onbeschaamde manier den draak stak met zijn eigen wandaad, terwijl hem de politie toch reeds op de hielen zat. Want, als de politie niet inderdaad zoo idioot was als Lady Ackland meende, zou men hem zeker gevolgd hebben.
Als om mijn vermoeden te bevestigen, kwam op dit oogenblik Mr. Jenkins, in onberispelijk avondtoilet, langzaam de zaal in slenteren, in gezelschap van een mij onbekend man, iemand van middelbare grootte, met 'n lange, grijze snor en staalblauwe oogen. Zij kwamen regelrecht op mij af.
"Mag ik U in kennis brengen met Majoor Curtis uit Bengalen?" — zeide Mr. Jenkins, met zijn stereotiepen glimlach.
ik zag, dat Lord Lowden zich omkeerde en meende een blik van verstandhouding op te merken tusschen hèm en den majoor. Ik moest op mijn hoede zijn.
Majoor Curtis en ik schudden elkander de hand. "Ik zou U graag even 'n paar woorden zeggen, Mr. Hendriks" — zeide hij. "Laten we in den wintertuin gaan: daar is op dit uur nog niemand."
Berlijk gezegd, gevoelde ik niet veel lust, met dezen mij onbekenden man, wiens blik van verstandhouding met Lowden ik had opgevangen, een vertrouwelijk gesprek te hebben. Maar het was natuurlijk niet mogelijk dit te weigeren, en dat des te minder, omdat Mr. Jenkins met zijn eeuwigen glimlach verzekerde, dat de majoor mij een gewichtige mededeeling had te doen.
Enkele oogenblikken later stonden wij tegenover elkander in den wintertuin.
Ik wachtte, totdat Majoor Curtis spreken zou, maar hij zeide niets en keek mij strak aan. Plotseling begon hij zacht, maar hartelijk te lachen, stak zijn hand in zijn broekzak en . . . haalde er een revolver uit.
De situatie werd nu werkelijk onaangenaam. Was de man wel goed bij zijn hoofd? Hij bleef steeds lachen en . . . reikte mij den revolver toe. Ik keek hem met groote oogen aan, en toen:
"Willy" — zeide een stem, die ik dadelijk herkende, "steek dat ding bij je: het kan te pas komen vanavond!"
Het was G. G.
Men kan zich mijn verbazing voorstellen, maar tevens ook mijne verlichting. Het was mij in de laatste week te moede geweest als in een doolhof, waarin ik den weg niet vinden kon. Hier vond ik mijn gids terug! Maar ik moest bekennen, dat zijn eerste woorden niet geruststellend waren.
Ik wilde dan ook om een explicatie vragen, maar nauwelijks had ik den mond open gedaan, of G. G.
legde mij met een kort gebaar het zwijgen op.
"Nu niet! Later zal ik je alles vertellen. Steek die revolver bij je, ga terug in de zalen, maar zorg dat je om half-één aan den ingang van den wintertuin bent. Wij naderen de oplossing."
"De oplossing waarvan?" - vroeg ik.
"Van ons avontuur in Menton en van verschillende andere raadseltjes. Vraag nu als 't je belieft niets meer, maar doe zooals ik je gezegd heb." En, zonder verder een woord te verliezen, draaide hij mij den rug toe en verdween in de richting van de balzaal.
Als er ooit 'n mensch door tegenstrijdige gevoelens bestormd werd, dan was ik dat na deze onverwachte ontmoeting. Ik was gekomen vol illusies over een avond, waarvan voor mij Lady Maud het middelpunt zou zijn. En geen half uur later stond ik met een revolver in den zak en blijkbaar aan den rand van een gevaarlijk avontuur!
Terwijl ik daar nog stond, in gedachten verloren, klonken vanuit de verte de tonen van een piano. Ik schrikte op: misschien was het Lady Maud, die zichzelve altijd begeleidde. En ik had haar nog niet eens kunnen begroeten!
Haastig wilde ik naar de balzaal terugkeeren, maar ik had nog geen tien schreden gedaan, toen ik achter mij het ruischen van een vrouwengewaad hoorde. Snel draaide ik mij om:... Lady Maud!
"Een oogenblikje, Mr. Hendriks" - zei ze, "tenzij de muziek van Signora Luca U méér aantrekt".
Signora Luca was een ster van de Italiaansche Opera. Zij zong in die dagen meermalen op de particuliere soirées der Engelsche groote wereld.
Ik stamelde iets van dat ik geheel tot haar dienst was. Haar plotseling verschijnen had mij eenigszins van mijn stuk gebracht. Waarom was zij hier en wat wilde zij van mij? Zij had een hoogroode kleur (hetgeen haar prachtig stond!), haar oogen straalden met een ongewonen glans en haar hand, die den ivoren waaier vasthield, beefde een klein weinig.
"Laten we even plaats nemen" — zeide zij, op een bank wijzende, die half verscholen achter het breede gebladerte van een palmboom stond. "Van het oogenblik af, waarop U gekomen is, heb ik getracht U alleen te spreken te krijgen. Ik zag U, met dien Indischen majoor, hier in den wintertuin verdwijnen en hêm alleen eruit gaan. Toen ben ik U komen opzoeken."
Wij zaten nu op de bank en ik zeide — nog steeds tamelijk verlegen —, dat het mij speet haar niet vroeger gezien te hebben en dat ik nu een-en-al oor was.
"Mr. Hendriks, geen frazes, wat ik U bidden mag!" — zeide zij, de kleine hand opheffend en met een moe gebaar aan het voorhoofd brengend. "Ik weet, ik voel, dat U onze vriend is; ik kom U een raad vragen en een waarschuwing brengen.
"Als ik U werkelijk raad geven kan, zal niets mij liever zijn. Kon ik U maar bewijzen, dat U mij vertrouwen kunt, dat ik alles voor U zou willen doen..."
"U behoeft mij niets te bewijzen. Ik vertrouw U volkomen, ik ben verbaasd over mijzelve, dat ik U zoo vertrouw . . ."
Een oogenblik zeeg zij. Toen haalde zij een klein samengevouwen papier te voorschijn en vervolgde:
"Een uur geleden heeft mijn zuster dezen brief ontvangen. Ik wist toen niet, wat erin stond. Zij ontving hem, terwijl zij bezig was haar toilet te maken. Ik was reeds klaar en wachtte bij haar op de kamer, tot ook zij gereed zou zijn. Mijn zuster werd doodsbleek en ik was bang, dat zij in zwijm vallen zou. Al mijn vragen was vergeefsch. Zij zeide alleen, dat ik haar niet helpen kon!"
Lady Maud wendde zich af en ik zag, dat zij moeite had haar tranen te bedwingen. Toen deed ik iets, dat zonder twijfel onbeschaamd was, maar mij zóó natuurlijk afging, dat ook zij het natuurlijk scheen te vinden. Ik sloeg mijn arm om haar heen en trok haar naar mij toe. Een oogenblik rustte zij met het hoofd op mijn schouder. Toen maakte zij zich zachtjes los, schudde met het hoofd en keek mij, glimlachend door haar tranen, aan.
"Neen, Mr. Hendriks, dat niet! Nu niet! . . ." Een oogenblik zweeg zij; toen vervolgde zij haar verhaal.
"Edith werd daarop onnatuurlijk opgewonden. Zij lachtte en praatte met haar kamenier, luidruchtig als 'n overspannen kind. Ik had haar nooit zoo gezien. Blijkbaar had zij vergeten, dat ik bij haar was; zij scheen in een droom te leven. Zonder mij te groeten ging zij de kamer uit om naar beneden te gaan. Toen zij weg was, ontdekte ik, dat zij het briefje op haar kaptafel had laten liggen, — in haar verwarring en opgewondenheid had zij het vergeten! Het is niet mooi, wat ik gedaan heb, Mr. Hendriks; maar ik had alleen het belang van mijn zuster op het oog en ik schaam mij er niet voor. Hier is het briefje, Mr. Hendriks; ik begrijp het niet. Wilt U mij helpen en raad geven?"
Ik sloeg mijn arm om haar heen en trok haar naar mij toe.
Het was een klein, vierkant stuk papier, dat in tweeën was gevouwen. In een krachtige, hoekige mannenhand stond er het volgende op geschreven:
"Doe wat ik U gezegd heb. Ik verwacht een ruime oogst. Anders . . . . . Verder niets en geen onderteekening.
Hoe kon ik Lady Maud raden in deze zaak, waarvan ikzelf niets begreep? En toch viel mij iets in, dat misschien van belang kon zijn. Ik herinnerde mij, hoe ik - ongezien - Lady Edith een beroep had hooren doen op Lord Lidderdale, teneinde haar te bevrijden van iemand, dien zij verafschuwde en vreesde. Was het briefje van dien man afkomstig? Het leed geen twijfel, en in dat geval zou Lord Lidderdale misschien raad kunnen geven. Maar . . . . ik zou dan èn tegenover Lady Maud èn tegenover Lidderdale moeten bekennen, dat ik - zij 't ook tegen mijn wil - luistervink gespeeld had. Daartegen zou ik niet hebben opgezien (want mijn eerlijke bedoeling maakte mij sterk), wanneer ik niet in zoo hooge mate het gevoel had gehad, dat ik temidden van allerlei mij onbekende omstandigheden en gebeurtenissen stond, waarbij een misstap niet alleen mijzelven, maar ook anderen noodlottig kon zijn. En nu viel mij in, dat G. G. terug was en dat het 't beste was, de zaak aan zijn oordeel te onderwerpen.
"Ik begrijp van deze woorden evenmin iets als Uzelve" — zeide ik. "Maar er is hier vanavond iemand, die in zulke dingen meer ervaren is dan wij. Weet U, dat mijn vriend Geoffrey Gill hier is?"
Neen, dat wist zij niet! Maar zij was zeer verheugd het te hooren en, met mij, van oordeel, dat hij naar zijn meening gevraagd moest worden.
Toen wij hieromtrent tot overeenstemming gekomen waren, voelde ik, dat voor mij het oogenblik aangebroken was, naar de zalen terug te keeren, om te trachten onder de talrijke gasten G. G. een oogenblik te spreken te krijgen. Hoewel 't mij aan mijn hart ging, aan mijn vertrouwelijk gesprek met Lady Maud een einde te maken, stond ik op met heldenmoed.
"Wilt U mij dit briefje toevertrouwen?" — vroeg ik. "Ik zal mijn vriend Geoffrey onmiddellijk opzoeken en het hem laten zien."
"Het briefje laat ik U gaarne" — zei Lady Maud. "Maar U moet nog een oogenblikje wachten; U vergeet, dat ik niet alleen uw raad kwam vragen, maar
U ook een waarschuwing te geven heb."
Een oogenblikje wachten?! Ik had den heelen avond hier bij haar willen blijven; maar ik was zoo verstandig, weerstand te bieden aan den lust, die bij mij oprees, haar dat te zeggen! Wij stonden nu tegenover elkander en zij keek mij recht in de oogen, met de vastberaden en toch zoo echt vrouwelijke uitdrukking, die mij reeds zoo dikwijls getroffen had.
"Mr. Hendriks!" — zei ze. "Ik weet, dat U sinds lang bekend is met Lord Lidderdale en dat U hem voor uw vriend aanziet. Ik houd van open spel, en daarom hebt U recht te weten, dat hij aan mijn vader veel leelijks van U verteld heeft."
"Van mij?" — vroeg ik verbaasd. "En waarom, in Gods naam?"
Er kwam een zachte uitdrukking in haar blik. "Als U dat niet begrijpt, kan ik het U niet zeggen!" Een oogenblik zweeg zij en vervolgde toen, bijna onhoorbaar: "Lord Lidderdale heeft zich plotseling doen kennen als een warm vereerder van . . . . iemand, die hij vroeger nooit heeft aangekeken, en ziet nu overal mededingers. Hij schijnt zich daartegen te wapenen!"
Ik moet bleek geworden zijn, want zij stak mij opeens beide handen toe. "Trek het U niet aan" — zei ze. "Waarom zoudt U zich aan zijn praatjes storen?"
Ik keek haar nu recht in de oogen. "Ik weet niet, wat hij van mij gezegd heeft" — zei ik (en was zelf verwonderd over mijn kalmte). "Zoudt U mij daaromtrent willen inlichten, zoodat ik mij verdedigen kan?"
"Hecht U er zóóveel aan, U te verdedigen?"
"Tegenover U, ja!" — antwoordde ik, de handen drukkend, die nog steeds in de mijne lagen.
Opnieuw keek zij mij aan, nu met een blik, dien ik mijn leven niet vergeten zal.
"En juist tegenover mij is het onnoodig" — zei ze zacht. Plotseling voelde ik haar lippen op de mijne en het volgende oogenblik was ik alleen.
## HOOFDSTUK XVI. MUZIEK EN DANS.
Het duurde eenigen tijd, voordat ik genoegzaam tot kalmte gekomen was om door de balzaal, waarin slechts hier en daar een keuvelend paartje zat (op dit vroege uur was men nog niet met dansen begonnen), naar het daarnevens gelegen vertrek te gaan waar muziek gemaakt werd.
Signora Luca had haar zingen reeds lang gestaakt en ik kwam binnen juist op het oogenblik, waarop Lady Maud zich aan den vleugel zette. Ik meende, na wat geschied was, bijna zeker ervan te mogen zijn, dat zij op mij gewacht had; onze blikken ontmoetten elkander dadelijk, en de hemel, waarin ik sinds eenige oogenblikken verkeerde, werd nog lichter en verrukkelijker. Toch bemerkte ik met een gevoel van wrevel, dat er veel te veel menschen om mij heen waren, om geheel in dien hemel op te gaan. Van beide zijden kwamen de gasten naar binnen gestroomd. Lady Ackland troonde in diamanten-pracht links van den vleugel. Naast haar zat Lady Edith, thans weer met de gewone, strakke uitdrukking op het gezicht en doodsbleek. Tegen den vleugel aangeleund stond Lord Lidderdale en naast hem majoor Curtis uit Bengalen. Ruthven en Lord Lowden stonden aan den ingang, vlak tegenover mij, en Mr. Jenkins zag ik, bescheiden in een hoekje gedrukt, achter Lady Ackland en Lady Edith.
Lord en Lady Stockton stonden vlak bij me en, toen de eerste mij toevallig in het oog kreeg, zag ik, dat hij de wenkbrauwen fronste en den anderen kant op keek. Dat had ik aan Lord Lidderdale te danken! Hoe kon iemand als hij, de ridder zonder vrees of blaam, zich zoover vergeten? Helaas, wie onzer is van zich zelven zeker, wanneer een ander de roos plukt, die hij voor zichzelven begeert? In mijn groot geluk kon ik Lord Lidderdale bijna vergiffenis schenken; de gelukkige uitverkorene is meestal edelmoedig gestemd tegenover hen, die niet uitverkoren zijn!
Ik posteerde mij bij de deur, waardoor ik binnen gekomen was, zoodat ik Lady Maud recht in haar mooie gezichtje zien kon; en onder het zingen van de liederen, die wij samen uitgekozen hadden, ontmoetten onze blikken elkaar telkens. De eenige, die dit scheen te merken, was Lord Lidderdale. Ik zag hem in mijn richting kijken, en toen met een ongeduldig gebaar, dat hij niet kon onderdrukken, onmerkbaar de schouders ophalen. Op 't zelfde oogenblik zag ik G. G., die naast hem stond, die eigenaardig schokkende beweging met zijn achterhoofd maken, die bij hem een verrassende ontdekking aanduidde. Ik keek rond, of ik iets bizonders ontdekken kon, maar zag slechts onbeweeglijk staande of zittende menschen met aandachtige gezichten.
Het spreekt vanzelf, dat, onder deze omstandigheden, ik niet zóó intens van Maud's zingen genieten kon als ik gewild had. In het luide applaus, dat telkens weerklonk, wanneer zij een lied geëindigd had, deed ik voor den vorm meê: mijn oogen dankten haar! Het zinneloos handgeklap ergerde mij.
Toen Lady Maud haar laatste lied gezongen had en van den vleugel was opgestaan, drong ik tusschen de zich nu weer in druk gesprek door het vertrek bewegende gasten door en tikte G. G. op den schouder.
"Een woordje, als 't U belieft, majoor Curtis" - zeide ik, terwijl ik Lidderdale's meer dan stijven groet zoo vriendelijk mogelijk beantwoordde. "Ik geloof, dat wij in Holland gemeenschappelijke kennissen hebben" — vervolgde ik luid, wetende dat Lord Lidderdale op ons lette, en bazelde in dezen geest nog wat voort, totdat wij in de balzaal gekomen waren, waar wij om zoo te zeggen alleen waren.
"Bravo, Willy!" — zei G. G. toen. "Je vorderingen als detective zijn opvallend. Wat heb je me te zeggen?"
Haastig vertelde ik hem, wat Lady Maud mij omtrent haar zuster had medegedeeld. Ik liet hem het geheimzinnige briefje zien en sprak hem, in verband daarmede, over het toeval, dat mij het niet minder geheimzinnige gesprek tusschen Lady Edith en Lord Lidderdale had doen afluisteren.
Ik zag dadelijk, dat mijn mededeelingen G. G. van groot gewicht schenen. Hij stak het briefje bij zich, dacht een oogenblik na en zei toen:
"Willy, ik herhaal nu in vollen ernst, dat je groote vorderingen als detective gemaakt hebt. Je mededeelingen zijn van het grootste belang en helderen het eenige duistere punt op, dat ten opzichte van onze gemeenschappelijke avonturen nog voor mij bestond. Ik kan je nog niets vertellen, maar vergeet ons rendez-vous om half-één niet. Je hebt het begin meègemaakt — je moet ook het eind bijwonen". Hij wendde zich om, deed eenige stappen, maar kwam toen terug.
"Willy!" — zei hij "We hebben een mooi werk voor ons: een edele en ongelukkige vrouw te helpen; ik reken op je!" Toen ging hij snel terug in het andere vertrek.
* * *
Men was met dansen begonnen en ik had met Lady Maud gewalst! Wij hadden niet veel gesproken; groot geluk vindt zelden woorden. Maar ons geluk was vermengd met een gevoel van angst en onzekerheid, dat ons tot spreken dwong. Met enkele woorden trachtte ik haar gerust te stellen omtrent Lady Edith: ik zei, dat G. G. de zaak blijkbaar begreep en zeker helpen zou. Ook sprak ik over de waardeerende wijze, waarop hij zich over haar zuster uitgelaten had, toen hij mijn medewerking had ingeroepen. Maar over onze afspraak, elkander om half-één te treffen, moest ik zelfs tegenover Maud zwijgen: G. G. had mij herhaaldelijk op het hart gedrukt, dat, buiten ons, niemand, volstrekt niemand, daarvan weten mocht. En ik voelde te zeer den ernst van den toestand, om zijn aanwijzingen niet blindelings te volgen.
Dat Lady Maud mij aldus met den eersten dans bevoorrechte boven alle anderen, wekte bij sommigen eenige bevreemding. Ik was bij de gasten van Lord Stockton betrekkelijk onbekend en 't was te zien, dat men hier en daar de hoofden bij elkaar stak. Lord Stockton zelf kwam een oogenblik met een niet zeer vriendelijk gezicht, in de balzaal kijken; en Lord Lidderdale stond tegen den wand geleund en volgde ons met booze blikken. Hij was jaloersch en begreep niet, hoe dwaas zijn houding was: trouwens, in zijn plaats had ik misschien precies hetzelfde gedaan. Intusschen was ik blij, dat ik hem niet over Lady Edith gesproken had.
Lady Maud maakte mij, ook van haar kant, opmerkzaam op Lidderdale's houding, waaraan zij zich geweldig ergerde. "Vroeger mocht ik hem wel lijden" — zei ze, "maar ik kan hem nu niet meer uitstaan. Het is alsof hij iets van den vroegeren "gentleman" heeft afgelegd."
Toen de wals ten einde was en Maud, aan den arm van een anderen "partner", in het gewoel der gasten verdween, had Lady Ackland beslag op mij gelegd. Zij wenkte mij tot zich en trok mij, zonder veel complimenten, op een stoel naast zich neer.
"Voor dansen ben ik niet te oud, maar wel te-dik" — zeide deze openhartige dame. "Intusschen houd ik ervan een dans uit te zitten. U hebt daarjuist met het mooiste meisje in de zaal gedanst, Mr. Hendriks! Licht, dat U zich nu eens over de dikste vrouw ontfermt."
't Was moeilijk, hierop iets te antwoorden, en ik glimlachte dus, zonder iets te zeggen. Lady Ackland begon daarop, op de haar eigen joviale en ietwat ruwe wijze, een gesprek over de aanwezigen, waarbij zij natuurlijk haar critiek niet spaarde.
"Hebt U op Lidderdale gelet?" — vroeg zij. "U kent hem immers? Een merkwaardig man! Hij schijnt vanavond wat uit z'n humeur te zijn. U moet weten, Mr. Hendriks, dat ik 'n zacht plekje voor hem in mijn hart heb. Een van die gezichten, waarvoor 'n vrouw 'n dwaasheid doen zou. Maar helaas, ik ben daarvoor te oud!"
Ik protesteerde natuurlijk.
"Nu goed, Mr. Hendriks, dan te dike 't komt op hetzelfde neer. Trouwens" — vervolgde zij, "hij is er in den laatsten tijd niet knapper op geworden, hij is bepaald vermagerd!"
"U weet toch, dat hij ziek geweest en feitelijk nog niet geheel hersteld is?"
"Hij draagt z'n hand nog altijd in 'n licht verband, de stakkert, en z'n hoofd is ook nog niet heelemaal wat 't geweest is. Ik weet er alles van, Mr. Hendriks! Hij heeft mij persoonlijk verteld, wat hem overkomen is. Maar 't schijnt gelukkig niet zoo erg te zijn als sommige van zijn vrienden dachten."
't Gesprek kwam daarop op anderen en begon mij, eerlijk gezegd, knapjes te vervelen. Het gelukte mij te ontsnappen, toen Lord Lowden in de buurt kwam en, op zijn beurt, door Lady Ackland aangeklampt werd. Ik dwaalde nog wat door de zalen, stond bij de speeltafeltjes te kijken en zag, in de baalzaal, Lady Maud mij eenige malen voorbij zweven. Naarmate het uur van half-een naderde, werd ik ongeduriger en ik was blij, toen de zware, antieke klok op den schoorsteenmantel eindelijk dat uur aanwees.
Toen ik in den wintertuin kwam, was die vol met wandelende paartjes en de banken, die hier en daar in het groen stonden, waren bezet. Bijna dadelijk trad majoor Curtis uit Bengalen op mij toe en begon luid een gesprek over de jacht op groot wild in Indië.
Hij geleidde mij daarbij naar het achtergedeelte van den wintertuin, waar slechts zeer enkele paren rondwandelden, en op een oogenblik, waarop niemand op ons lette, opende hij een kleine deur en trok mij snel met zich mede, de deur achter ons weer sluitende.
"Ziezoo, Willy" - zei hij, "nu begint het werk voor ons!"
Wij stonden in een lange, niet zeer breede gang, die links vóór ons, in de verte, blijkbaar in de voorhal uitkwam. Rechts was een trap, die naar de eerste verdieping voerde. G. G. begon deze te beklimmen en ik volgde hem, zonder iets te zeggen. Halverwege, waar de trap een kromming maakte, bleef hij staan. Wij waren hier onzichtbaar, zoowel voor wie zich beneden als voor wie zich op de eerste verdieping bevonden. Trouwens de trap lag achter in het huis en werd blijkbaar weinig begaan.
"Hier kunnen wij even rustig praten" — zei G. G. "Wij hebben maar een oogenblik den tijd, maar het is noodig, dat je weet, wat wij doen gaan."
Hij zeide mij daarop, dat wij op weg waren naar de zitkamer van Lady Edith. "Je zult verwonderd zijn, dit te hooren" — vervolgde hij. "Voor explicaties is het oogenblik nog niet gekomen. Maar dit wil ik je wel zeggen, dat wij Lady Edith zelve daar waarschijnlijk zullen aantreffen, en dat wel in gezelschap van den man, dien wij zoo lang gezocht hebben."
"Van den man uit Frankrijk?" - vroeg ik ademloos.
"Ja, Willy, van den man uit Menton!" "Wil je zeggen, dat . . .?" "Stil! Ik wil niets méér zeggen dan ik zeg! Je zult kennis maken met een van de meest geslepen en gevaarlijke misdadigers, die ik ooit ontmoet heb. Prepareer je op die kennismaking, door je revolver nog eens goed na te kijken."
Ik deed wat hij mij gezegd had.
"Ben je zeker van de zaak?" - vroeg ik.
"Menschelijkerwijs gesproken, ja!" — zei hij. "Maar de man heeft blijk gegeven van een zoo duivelsche slimheid, dat ik het zelf nauwelijks gelooven kan. Ik zou je vanavond niet lastig gevallen hebben, Willy, wanneer er mij niet alles aan gelegen was, dat het geheim blijft, dat Lady Edith in eenige betrekking staat tot den man, dien wij bij haar zullen aantreffen. Niemand weet dat en niemand mag het vermoeden. En tôch heb ik hulp noodig, want alleen zou ik kunnen falen en dat mag niet. Jij bent de eenige, die mij helpen kan, vooral ook omdat je nu en dan al achter de schermen gezien hebt, al begrijp je nog niet veel van de samenhang van het stuk."
"Dat weet God!" - zuchtte ik. "Maar ik ben blij, dat ik je helpen kan."
"Boven vinden we nog iemand" — vervolgde hij. "De man is echter, om zoo te zeggen, een mechanische hulpkracht — een glimlachend, maar zwijgend werktuig: stil en betrouwbaar! Kom, Willy, het is tijd!"
## HOOFDSTUK XVII DE MAN MET HET MASKER
De trap kwam uit op een breeden, zeer langen corridor op de eerste verdieping. Rechts waren vensters, die uitzagen op een begroeide binnenplaats (een "Hof", zooals de Duitschers zeggen), links waren verschillende deuren, blijkbaar toegang gevende tot kamers. Wij bevonden ons in het uiterste gedeelte van den corridor, aan den achterkant van het huis. Aan het andere einde lag - zooals G. G. mij fluisterend mededeelde - de breede hoofdtrap, die van de eerste verdieping naar beneden voerde in de voorhal. Een dik tapijt lag over de geheele lengte van den corridor. Door de vensters, rechts, drong het maanlicht naar binnen en bovendien hing hier en daar een met rood glas bekleede hanglamp, zoodat er een gedempt licht heerschte. In de gang was niemand te zien, maar toen wij een twintigtal passen gedaan hadden, kwam uit de nis bij een der vensters een dikke, korte gestalte te voorschijn. Het was mijn goede vriend, Mr. Jenkins!
"Zij zijn er beiden" — fluisterde deze G. G. toe.
"De deur is van binnen afgesloten."
"Dat is geen bezwaar, Mr. Jenkins" — fluisterde G. G. terug. "U hebt toch het noodige bij U?"
Mr. Jenkins knikte.
"Wie kwam het eerst?"
"Zij!"
"En nu, stil even!" - gebood G. G.
Wij hoorden niets dan het verwijderde gedruisch van het feest beneden: nu en dan het onbestemd geruisch van vele stemmen, een enkele maal een vêr, gedempt lachen en muziekgolven, die uit de balzaal tot ons doordrongen — alles dof en verzacht door den afstand. Overigens geen enkel geluid in de nabijheid.
Opeens klonk, vanachter de deur, voor welke wij hadden stilgehouden, een gesmoorde vrouwenkreet en daarop een geluid als van een stoel, die omviel.
"Nu, Mr. Jenkins! Snel!" - klonk het van G. G.'s lippen. "Willy, houd je revolver klaar!"
Wat nu volgde duurde slechts enkele seconden, maar het is onmogelijk het zoo spoedig te vertellen, want de gebeurtenissen volgden met groote snelheid op elkander.
Mr. Jenkins trad op de gesloten deur toe. Ik zag iets in zijn hand schitteren, terwijl hij zich bukte. Het volgende oogenblik hoorde ik een korten, drogen klik, een geknars, en de deur vloog met een ruk open.
Het vertrek was alleen verlicht door een groote electrische lamp, die boven een elegant cylinderbureau hing, een van die prachtig bewerkte damesmeubels, waaraan de huizen der Londensche aristocraten zoo rijk zijn. Halverwege de lamp en de deur lag een vrouwelijke gestalte op den grond uitgestrekt en een man, die blijkbaar, over haar hééngebogen had gestaan, had zich bij het plotseling open springen van de deur opgericht en stond met het gezicht naar ons toegekeerd. Het gedempte licht uit den corridor viel op zijn gestalte. Hij was lang, droeg een zwarten overjas en had een slappen hoed op het hoofd. Het bovendeel van het gezicht was bedekt met een zwart masker; daaronder een grijze snor en korte baard.
"Handen omhoog!" — klonk de stem van G. G., kort en gebiedend. Wij stonden nu in de deur en hielden de revolvers op den indringer gericht. Deze scheen een oogenblik te weifelen, maar de uitdrukking, die op ons gelaat lag, moest hem wel doen inzien, dat het ernst was. Langzaam gingen de handen omhoog, en hij week terug naar de schrijftafel. Wij traden enkele stappen naar binnen, terwijl Jenkins de deur achter ons sloot, en de man week nog verder terug.
"Handen omhoog!" - klonk de stem van G. G.
Toen gebeurde er iets onverwachts. De indringer had, beide handen steeds omhoog houdende, de linkerhand onmerkbaar wat naar achteren gebracht. Te laat ontdekte G. G. wat hij in den zin had. Een bliksemsnelle beweging met de opgeheven hand — en het licht doofde uit! Onze tegenstander had, om zoo te zeggen voor onze oogen, den knop van de electrische lamp omgedraaid, en was snel terzijde gesprongen. Een seconde te laat klonken onze schoten: we konden in de donkere kamer zoo goed als niet zien. Tot overmaat van ramp beging Jenkins op dit oogenblik, door de plotselinge duisternis verbijsterd, een groote domheid: hij opende de deur om weer licht te krijgen, en vergat, dat daardoor, vanuit de donkere kamer gezien, onze gestalten scherp tegen het licht in den corridor zouden afsteken.
Van wat nu volgde heb ik nog slechts een verwarde voorstelling. Met een luiden vloek sprong G.G. op zijde en trok mij met krachtige hand mede. Tegelijkertijd klonken twee schoten en voelde ik een stekende pijn in schouder en hals. Uit het donker van de kamer sprong een gestalte te voorschijn. Jenkins rolde, door een vuistslag getroffen, op den grond en de man, dien wij hadden willen verrassen, vloog den corridor af in de richting, waaruit wij gekomen waren. Ik zag nog juist, hoe Jenkins, die snel was opgestaan, hem nasnelde en hoe G. G. het electrische licht weer ontstak; toen had ik nog kracht, mij naar een stoel te sleepen, waarop ik neerviel en het bewustzijn verloor.
* * *
Toen ik bijkwam (men zeide mij later, dat ik niet langer dan een kwartier bewusteloos geweest was), was de eerste, dien ik zag, G. G. — nu in zijn gewone gedaante —, die bezig was, Lady Edith bij te brengen. Zij lag op een "chaise longue", doodsbleek en onbeweeglijk. G. G. zelf was niet minder bleek, maar had zijn lichaam en geest geheel in bedwang. Jenkins stond, 'n beetje hulpeloos, toe te kijken. Later hoorde ik, dat deze den man met het zwarte masker gevolgd was tot aan de achtertrap, die G. G. en ik even van te voren waren opgekomen. Die afstormende, was hij gevallen over iets, dat op den grond lag: het bleek een overjas en een zwarte, slappe hoed te zijn, Hij had zich leelijk bezeerd en toen hij weer op de been was, had hij vergeefs naar den vluchteling uitgekeken; deze was en bleef verdwenen. Hij was toen, met den hoed en de jas, teruggekomen, had die op een stoel gedeponeerd en daarop G. G. geholpen Lady Edith bij te brengen.
Toen G. G. bemerkte, dat ik tot mijzelven gekomen was, knikte hij mij even toe.
"Je bent er goed afgekomen, Willy" — zei hij. "Ik zal je dadelijk helpen, maar hier is een geval, dat voorgaat. Wanneer . . . '
Op eenmaal hield hij op en bukte zich snel. Hij raapte iets van den grond op, bekeek het even en stak het toen bij zich. Er lag een uitdrukking van den grootsten schrik op zijn gelaat. Hij bracht de hand aan het hoofd en boog zich toen over Lady Edith heen, zoodat ik zijn gezicht niet meer zien kon.
"Mr. Jenkins!" — zei hij (en zijn stem klonk kort en droog.) "Ga onmiddellijk naar beneden. Onder de gasten is Dokter Burney. Breng hem zoo spoedig mogelijk hier; en . . . (een oogenblik weifelde hij) verzoek Lord Stockton meê te komen."
"Willy!" — zei hij, toen wij alleen waren. "Ik had gehoopt, deze zaak geheel onder ons te kunnen houden, maar ik zou niet verantwoord zijn, als ik dat deed. Kijk eens!" — en hij liet mij het voorwerp zien, dat hij zooeven van den grond had opgeraapt. Het was de ongeslepen smaragd, eens het eigendom der Borgia's, dien ik het laatst op dien avond bij Lord Lowden gezien had.
"Toen ik dat ding opraapte, stak het venijnige, waarschijnlijk vergiftige stiftje naar buiten" — zei G. G. "Ik heb het, door op een ander veertje te drukken, weer doen verdwijnen: ik ken de constructie van zulke gevaarlijke dingen. Maar . . . als waar is, wat ik vermoed . . ." Hij eindigde met een woest gebaar, kort en hartstochtelijk, zooals ik nooit van hem gezien had. Daarop boog hij zich opnieuw over Lady Edith. Ik zag, dat zijn schouders schokten, maar hoorde geen geluid.
De wildste gedachten bestormden mij. Als waar was, wat ik tot op dien avond vermoed had, was de inbraak bij Lord Lowden een comedie geweest en was deze nog steeds de bezitter van den smaragd, dien G. G. gevonden had. Hoe kwam die steen dan hier? En nu viel mij opeens in, dat de man met het zwarte masker zoowat even groot als Lowden was. Snor en baard — kort en grijs — waren die van Lord Lowden. En tevens viel mij in, dat deze door zijn kennissen meermalen geplaagd werd, omdat hij standvastig weigerde den cylinder-hoed te dragen en ook naar avondpartijen met zijn slappen flambard ging! Ook de zwarte, lange jas was een lijfstuk van hem! Maar wat beteekende dan de aanwezigheid van dat subtiele moordtuig, den ongeslepen smaragd?
Ik durfde daarover nauwelijks door te denken; maar mijn overtuiging, dat Lord Lowden "de man uit Frankrijk" was, stond nu vaster dan ooit. De Engelsche edelman was blijkbaar een Italiaansche bandiet geworden: een treurig geval van degeneratie!
Wij hoorden stemmen in den corridor. G. G. had nog juist tijd, mij toe te fluisteren, alles aan hêm over te laten (ik gevoelde mij trouwens veel te ellendig om mede te spreken: hoewel mijn gedachten helder waren, had de doodelijke matheid in al mijn ledematen mij nog niet verlaten), toen de deur openging. Dokter Burney en daarachter Lord Stockton met Lord Lidderdale! De laatste maakte een gebaar van groote verbazing, toen hij G. G. ontdekte. Mr. Jenkins volgde op eenigen afstand.
Lord Stockton was zeer bleek. Toen hij zijn dochter zag liggen, wankelde hij een oogenblik en steunde met de hand op de tafel.
"Wat is hier gebeurd?" — vroeg hij met sidderende stem.
"Een brutale inbreker heeft zich toegang tot dit vertrek verschaft en Lady Edith is in zwijm gevallen" — zeide G. G. op gewonen toon. "Het is ons gelukt hem te verjagen, maar nog niet te vatten. Zonder kleerscheuren is het echter niet afgeloopen; Mr. Hendriks is gewond."
Intusschen was Dokter Burney op Lady Edith toegetreden. Ik zag, dat G. G. zacht eenige woorden met hem wisselde; daarop onderzocht de dokter het meisje nauwkeurig, onder een ademlooze stilte. Lord Stockton werd steeds bleeker en G. G. had de grootste moeite zich in toom te houden.
"Een diepe, maar ongevaarlijke flauwte" — zeide de dokter eindelijk. "Binnen een uur zal zij geheel in orde zijn."
De groote verlichting, die Lord Stockton en G. G. gevoelden, teekende zich op hun gelaat af. De laatste was dadelijk weer de kalme, scherpzinnige opmerker die den toestand beheerschte.
"Mijn gelukwensch, Mylord!" — zeide hij tot Lord Stockton. "En nu, waarde dokter, wijd uw aandacht eens aan Mr. Hendriks, die tenslotte het eenige slachtoffer van deze geschiedenis is geworden."
Terwijl de dokter mijn wonden onderzocht (het waren er twee: één in den linkerschouder en één aan linkerzijde van den hals), hoorde ik G. G., op zijn gewonen jovialen toon, tot Lord Lidderdale zeggen:
"Mylord, U is hier eigenlijk een ongenoode gast. Maar we zullen maar denken, dat Lord Stockton's vertrouwden ook de onze zijn."
"Ik beschouw Lord Lidderdale als een lid van mijn familie" — zei Lord Stockton, met nadruk. Lidderdale wierp mij daarbij een blik toe, die mij de beteekenis van die woorden heel duidelijk maakte. Ik voelde mijn hart als een hamer bonzen!
"Wat ik U bidden mag, mijne heeren" — zeide G. G., "geen woord over wat hier is voorgevallen! Beneden kan men de revolverschoten, die hier gevallen zijn, onmogelijk gehoord hebben. De afstand is te groot, de muren zijn te dik en, zonder dat, zou de muziek en het feestgedruisch ze toch overstemd hebben. Over een uur zal Lady Edith weer onder uwe gasten zijn, Lord Stockton. Niemand zal iets bizonders bemerken — en het is gebiedend noodzakelijk, dat dit zoo blijft."
Lord Stockton knikte. Hij was weer bleek geworden en zag er doodelijk vermoeid uit.
"En thans, mijne heeren" — vervolgde G. G., moet ik U verzoeken den dokter met zijne beide patiënten alleen te laten. Ik zal hier blijven en belast mij ermede, Mr. Hendriks, als het eerste verband gelegd is, onbemerkt naar zijn woning te transporteeren."
"Hebt U eenig vermoeden omtrent de identiteit van den man, dien U hier verrast hebt?" — vroeg Lord Lidderdale. "Onwillekeurig denkt men aan de juweelen-diefstallen van den laatsten tijd!"
"Een woord in uw oor!" — zeide G. G., en ik zag, hoe hij Lord Lidderdale iets toefluisterde en daarbij op den stoel wees, waarop jas en hoed van den inbreker lagen.
"Onmogelijk!" - zeide Lord Lidderdale.
"En toch is het zoo Mylord!"
Een oogenblik heerschte er stilte, waarop G. G. zijn verzoek herhaalde, ons met den dokter en Lady Edith alleen te laten.
"Is dat werkelijk noodig?" - vroeg Lord Lidderdale weifelend.
"Anders zou ik het niet verlangen, Mylord. Elke emotie moet Lady Edith bespaard worden, wanneer zij de oogen opslaat. Hoe minder personen om haar heen zijn, hoe beter." Zich daarop tot Lord Stockton wendende, voegde hij er met nadruk aan toe: "Ik spreek in het belang van uw dochter!"
"Kom, Lidderdale!" — zeide Lord-Stockton, met een blik op zijn dochter; en 't volgende oogenblik hadden de beide heeren, gevolgd door Mr. Jenkins, ons verlaten. Nauwelijks had zich de deur achter hen gesloten, of G. G. wendde zich tot den geneesheer.
"Dr. Burney!" — zeide hij. "Wanneer Lady Edith straks bijkomt, zullen zij en ik misschien dingen zeggen, die — al begrijpt U ze niet — U verwonderen zullen. Ik leg U daaromtrent geheimhouding op — op uw ambtseed!"
Dr. Burney, die een vrij lakoniek man scheen, knikte en hield zich verder met mij bezig.
Na een kwartier maakte Lady Edith eenige nauw merkbare bewegingen. Toen sloeg zij de oogen op en keek rond. Plotseling zat zij overeind:
"Waar is hij?" — vroeg zij, met een wilden blik in het rond. "Wat hebt U ontdekt? — Wie is U?"
- De vragen kwamen er kort en stootend uit.
G. G. trad op haar toe.
"Herkent U mij niet, Lady Edith?" — vroeg hij. "Ik ben Geoffrey Gill. De man, die hier zooeven bij U was, is gevlucht, maar ik weet wie hij is."
"O mijn God!" - riep Lady Edith en sloeg zich de handen voor het gelaat.
"U behoeft hem niet meer te vreezen" — zeide G. G. "Ik weet alles, Lady Edith, verstaat u mij goed? Alles! En van U, en van hem. Maar uw geheim is bij mij veilig. Mr. Hendriks, die gewond is door den man, dien wij kennen, is de eenige, wien ik het mededeelen moet. Maar hij is een "gentleman" en ik sta in voor zijn stilzwijgen. Lady Edith, dank God, dat ik alles weet, want dat is uw redding. Nog eens: U behoeft hem niet meer te vreezen. Zijn rol is uitgespeeld en niemand — behalve Mr. Hendriks en ik — zal ooit weten, wat er tusschen U en hem geweest is!"
Lady Edith keek hem een oogenblik strak aan en barstte toen in tranen uit.
"Dat zal U goed doen!" — zeide G. G. en legde haar een oogenblik, als liefkozend, de hand op het hoofd. "U hebt onnoemelijk veel geleden, maar dat is nu voorbij."
## HOOFDSTUK XVIII. TOON MIJ UW RECHTERHAND!
Toen ik den volgenden ochtend ontwaakte, was het eerste wat tot mijn bewustzijn dóórdrong een stekende pijn in den linkerschouder. Daarop doemden de gebeurtenissen van den vorigen dag weer in mijn herinnering op. Intusschen moest ik, na het gesprek tusschen Lady Edith en G. G., waarmede het voorgaande hoofdstuk besluit, weder in een staat van althans halve bewusteloosheid, vervallen zijn; want ik had niet meer dan eenige verwarde indrukken, dat ik met G. G. in een auto gezeten had, dat men mij thuis een nieuw verband had aangelegd en dat ik daarop in bed gestopt was.
Afgescheiden van de pijn in mijn schouder en van een stijven hals (hier bleek de revolverkogel alleen de huid te hebben opengereten), voelde ik mij tamelijk goed en ik begon ernstig over opstaan te denken, toen G. G. met Dr. Burney mijn slaapkamer binnenkwam.
"Goeien morgen, Willy!" — zei G. G. "Ik ben blij, dat je er zoo goed uitziet. De dokter hier komt eens poolshoogte nemen omtrent je toestand. Als 't eenigszins gaat, moeten jij en ik vandaag nog mooi werk doen!'
Ik zei, dat ik mij volstrekt niet ziek voelde, en de dokter constateerde dan ook, dat er geen spoor van koorts was. Het verband zat goed en er was geen bezwaar tegen, dat ik opstond. Maar toen G. G. sprak van uitgaan, keek de dokter bedenkelijk.
't Was alleen maar te doen om een korte conferentie — beweerde mijn vriend. Wij zouden een rijtuig kunnen nemen en ik zou mijn arm rustig in een doek kunnen dragen. Hijzelf — G. G. — had zich er ook niet aan gestoord, toen hij onlangs in gelijke omstandigheden verkeerde. — De beide heeren stonden in de gang nog wat te praten, blijkbaar over mijn al of niet uitgaan; er werd inderdaad verhandeld "chez moi, sur moi et sans moi"!
Ten slotte verscheen G. G. weer met de tijding, dat — wanneer ik mij tegen den middag goed gevoelde — er geen bezwaar was, dat ik naar de bedoelde conferentie ging.
"Maar naar welke conferentie dan toch?" - vroeg ik. "Je disponeert maar over me, zonder me behoorlijk in te lichten."
"Straks!" — antwoordde hij. "Eerst opstaan!" — en evenals ik het korten tijd te voren op Stockton-Court voor hèm gedaan had, hielp hij thans mij bij het opstaan en aankleeden.
Toen ik eindelijk in een gemakkelijken stoel gezeten was, nam G. G. tegenover mij aan de tafel plaats en zei:
"Ziezoo, Willy, je ziet eruit als 'n boerenmeid op Zondagochtend. En daarom wil ik je nu niet langer in spanning laten. Je moet dan weten, dat ik gisteren een grooten 'blunder' heb begaan."
"Doordat je onzen geheimzinnigen vriend hebt laten ontsnappen?"
"Ook dáárom! Maar vooral omdat ..." (hier zag ik, dat G. G. plotseling heel ernstig werd) "omdat ik nog niet voldoende begrepen had, hoe gevaarlijk hij was, en daarom een hoogstaande vrouw in groot gevaar heb gebracht!" Hij hield even op en streek zich met de hand over het voorhoofd. Toen vervolgde hij: "Ik heb dat ding, dien vervloekten smaragd, laten onderzoeken door een chemicus. De stift was vergiftigd, en dat vergif stamde niet uit den tijd der Borgia's!"
Hij was opgestaan en liep eenige malen het vertrek heen-en-weer. Toen ging hij plotseling weer zitten.
"Je begrijpt dus, Willy, wat er gisteravond bijna gebeurd was. Ik wil daarover niet meer spreken; àls er 'n ongeluk had plaats gehad, zou ik het mijzelven nooit hebben kunnen vergeven."
"Je hebt gedaan, wat je kon, G. G.!" - zei ik, met volle overtuiging.
"Maar jij ook, waarde vriend!" — antwoordde hij, nu weer op zijn gewonen luchtigen toon. "Je hebt in deze heele zaak een rol gespeeld, die boven mijn lof verheven is. Misschien heb je het zelf niet eens gemerkt, maar het is meesterlijk geweest!"
Ik moest verklaren, dat ik hem niet begreep.
"Dat kun je nu ook nog niet, m'n beste! Maar laat mij nu niet langer uitstellen je te zeggen, dat ik gisteren een lang gesprek met Lady Edith gehad heb, en dat mij daarbij de laatste ontbrekende schakels in handen gekomen zijn, die ik noodig had om de keten van mijn bewijs hecht en stevig te maken; er zijn nog wel enkele détails, die ik alleen te weten zal komen, wanneer onze gemeenschappelijke vriend geknipt is, maar — wat de hoofdzaken betreft — ontbreekt voor mij geen stukje meer uit deze wonderlijke keten van gebeurtenissen!"
"Hoor eens, G. G." — antwoordde ik, "'k weet zéér goed, wie de schuldige is. Ik heb dat al eenigen tijd geweten, ook al twijfelde ik soms. Laten we hem voorloopig "L." noemen, desnoods met "Lord" ervoor! Maar zeg me dan eens, waarom je dien "L." nu nog vrij laat rondloopen, wanneer je alle bewijzen voor zijn schuld in handen hebt?"
"Vandaag is het *uit* met zijn vrij-rondloopen, Willy! Trouwens, hij vermoedt niets — anders was hij al lang verdwenen."
"Ik kan mij niet voorstellen, dat-i niets vermoeden zou, na die historie met z'n jas en z'n hoed."
G. G. begon te lachen. "Stel je gerust! Hij vermoedt niets, en daarvoor heb jij voor 'n groot deel gezorgd.
".lk . . . ?"
"Ja, Wflly, ook dat kun je nog niet begrijpen."
Een poos lang heerschte er stilte. Toen hervatte ik: "Je mededeelingen zijn zeer interessant, G. G. Maar zou ik nu eindelijk mogen weten, of de conferentie, waartoe je mij tegen m'n wil hebt uitgenoodigd, óók op de zaak betrekking heeft?"
"Conferentie" is een veel te gewichtig woord, Willy. De zaak is deze: Wij gaan vanmiddag naar Lord Lidderdale. Heb je vergeten, dat hij de derde is in ons verbond? Mijn plan is, aan hêm en jou de geheele zaak te vertellen en je beider raad te vragen. Eerst daarna wil ik den man, die ons zoo lang vervolgd heeft doen arresteeren. Voor ontvluchting behoef je werkelijk niet bang te zijn: hij wordt streng bewaakt. ook al weet hij 't zelf niet; maar, zooals ik je al zei: hij vermoedt niets."
"Ik vind, dat je mij de zaak best vooruit vertellen kon."
"Neen, Willy, ik houd er niet van zoo'n verhaal tweemaal te doen. Bedwing dus je ongeduld nog enkele uren."
* * *
Het was vier uur, toen we dien middag door onzen ouden vriend Williams, den butler, in Lord Lidderdale's bibliotheek gelaten werden. Onze gastheer informeerde met veel belangstelling naar mijn toestand en was verrast en verheugd mij zoo spoedig weer op en doende te zien. Zijn eigen hand was zoo goed als beter; hij droeg er nog een licht verband om, maar hoopte dat spoedig te kunnen afleggen.
Toen wij gezeten waren, begon G. G. met de mededeeling, dat hij gekomen was, omdat hij er prijs op stelde, het resultaat van zijn onderzoek aan Lord Lidderdale, en ook aan mij, mede te deelen, vóórdat iemand anders daarvan hooren zou. Wij drieën hadden eens in deze zelfde kamer bijeen gezeten, toen alles nog onbegrijpelijk en duister was. Streng genomen, was het onderzoek van hieruit begonnen. Hij had bij die gelegenheid beloofd, Lord Lidderdale mededeeling ervan te doen, zoodra er licht in het duister kwam. Dat licht was er nu en G. G. was dus gekomen om zijn belofte te vervullen.
Na deze inleiding zette hij zijn zienswijze van het geval uiteen. Naarmate hij sprak, zag ik het gezicht van Lord Lidderdale meer en meer ophelderen en herhaaldelijk knikte deze met het hoofd en gaf andere teekenen om zijn instemming te betuigen. Hoewel ik mij tegenover hem allesbehalve welwillend gestemd voelde en dan ook vrij koel tegen hem geweest was, voelde ik mij toch aangenaam getroffen door de bewondering, welke hij blijkbaar koesterde voor de gave van mijn vriend G. G., om uit eenvoudige feiten tot gewichtige conclusies te komen. Tevens kon ik een gevoel van genoegdoening niet onderdrukken, omdat alles wat ik hoorde zoo geheel in overeenstemming was met wat ikzelf vermoed en opgemerkt had.
Ziehier kortelings vermeld, waarop G. G.'s uiteenzetting neerkwam.
Lord Lowden was iemand, die in jaren niet in Engeland geweest was en dien men daar dientengevolge zoo ongeveer vergeten had. Hij leefde met zijn Italiaanschen kamerdienaar alleen en wat eenzelvig, zag weinig menschen en verzamelde met waren hartstocht curiositeiten en kostbare edelgesteenten. Men beschouwde hem in dat opzicht eenigszins als monomaan.
Deze man vertrekt nu, zonder bepaalt motief - want vroege zittingen van het Hoogerhuis waren wel zoo belangrijk als deze! — naar Engeland. Volgt men zijn spoor, dan volgt men tevens de geheele reeks van onverklaarbare gebeurtenissen, die hebben plaats gehad.
Lord Lowden is in Nice: vlak daarbij, in Menton, vindt een moord plaats. G. G. had noch het motief van den moord, noch de identiteit van het slachtoffer kunnen ontdekken (dit viel mij tegen: ik had er vast op gerekend, dat hem dit gelukt zou zijn), maar was het niet zonderling, dat de eenige twee personen, die als 't ware de getuigen van dien moord geweest waren — G. G. en ik — van dat oogenblik af, ook in Engeland, aan vervolging hadden blootgestaan, terwijl omtrent de persoon van dien vervolger wel geen twijfel meer bestaan kon?
Lord Lowden ontmoet Lidderdale; dadelijk daarop overkomt dezen een ongeluk met zijn revolver, waarmede blijkbaar geknoeid is. Wat was gemakkelijker dan dat voor den kamerdienaar, den "ame damne" van Lord Lowden, waar ook Lidderdale van diens diensten gebruik maakte? Had Lord Lidderdale nooit iets uit zijn bagage gemist?
Lord Lidderdale herinnerde zich, dat hij twee kostbare ringen verloren en dit eerst ondekt had na zijn terugkomst in Londen!
Juist! En nu komt de hoofdzaak, het onweerlegbare: Lord Lowden is terug in Engeland. Bij onze reis naar Stockton-Court worden G. G. en ik gevolgd; uit het huis worden juweelen ontvreemd en G. G. wisselt in het park revolverschoten met den dief. Hij herkent dezen niet, maar dienzelfden nacht wordt aan het station te Tanfield een langen, wat slordig gekleeden man gezien met een korten, grijzen baard — de beschrijving past geheel op Lord Lowden.
Bij Lady Ackland worden juweelen gestolen door een langen gemaskerden man. Den vorigen avond was Lord Lowden — zeer tegen zijn gewoonte — op haar soirée verschenen. Na afloop daarvan had hij in het boudoir van Lady Ackland — als oud vriend! — met deze een "napraatje" gehouden. De politie had althans reden dit aan te nemen. Lady Ackland was nu eenmaal wat excentriek: ditmaal kwam de excentriciteit haar duur te staan, want zij gaf Lowden de gelegenheid zijn operatie-terrein voor den nachtelijken diefstal te bestudeeren.
Na den gefingeerden inbraak bij Lowden, werden steenen van Lady Ackland bij hem gevonden: de politie trekt daaruit haar besluit, maar laat den man weer los om zijn gangen na te gaan. Ongelukkig verliest zij hem op de soirée bij Lord Stockton uit het oog. Op diezelfde soirée verschaft een lange man, met een zwart masker en een grijzen baard, zich toegang tot de zitkamer van Lady Edith, waar ook alweer juweelen te vinden zijn. Hij wordt betrapt, weet te ontkomen en laat op de vlucht jas en hoed achter, die herkend worden als die van Lord Lowden! Bovendien wordt op den vloer een in goud gevatte smaragd gevonden, die het laatst gezien is in handen van . . . Lord Lowden.
Overal Lord Lowden en nog ééns Lord Lowden! De man is blijkbaar een gevaarlijke maniak op het punt van kostbare steenen. Aan zijn schuld kan nauwelijks twijfel bestaan: alleen zou men, en om dien ziekelijken drang naar kostbaarheden en om het feit, dat hij daarbij zelfs menschenlevens niet ontziet, aan zijn toerekenbaarheid kunnen twijfelen.
"Ik heb mij wel eens afgevraagd" — zeide ik, "of de man, die zich Lord Lowden noemt, inderdaad Lord Lowden is. Lord Lowden is jaren lang weg geweest; een toevallige gelijkenis zou een ander ertoe hebben kunnen brengen hem te personifieeren."
"En de werkelijke Lord Lowden dan?" - lachte G. G. "Neen Willy, ik geloof niet aan toevallige gelijkenissen."
"Alles wat U gezegd hebt, Mr. Gill, bestaat toch eigenlijk alleen uit vermoedens" — merkte hier Lord Lidderdale op. "Ik erken, dat die vermoedens, samen genomen, vrijwel op een bewijs neêrkomen. Maar het is moeilijk te gelooven, dat een naar het uiterlijk zoo respectabel man inderdaad een misdadiger is!"
"Ik heb meer zulke gevallen bijgewoond, Mylord" — antwoordde G. G. "Bovendien — Lord Lowden heeft misdadigershanden."
"Wat verstaat U daaronder, Mr. Gill?"
G. G. stak zijn beide handen naar voren en bracht ze bij elkander. Daarbij stond hij op en hield ze ons voor.
"Let eerst op de rechterhand" — zeide hij. "De top van den wijsvinger reikt juist tot den ondersten rand van den nagel van den middelvinger. Kijk nu naar de linkerhand: daar is het evenzoo! Bij misdigers komt het meestal voor, dat de afstand tusschen de toppen van wijs- en middelvinger bij beide handen ongelijk zijn."
"Daarvan heb ik nooit gehoord" — zei ik lachend. "Toch is het zoo" — hernam G. G. "Houd jij je handen eens naast elkaar, Willy... O, neen, dat zal niet gaan, met je hand in dien doek. Maar ook zóó kun je al wel zien, dat de bedoelde afstand bij beide handen gelijk is. Je hebt echte brave-lui's handen, Willy!"
Lord Lidderdale lachte nu ook. "En ik?" — vroeg hij. "Houd uw handen maar bij elkander en laat ze mij zien. Gelukkig, dat het verband uw vingers vrij laat!" Lord Lidderdale bracht de handen bij elkander, zooals G. G. dat gedaan had, en stak ze hem toe,
"Ik geloof, dat ook bij mij die afstanden gelijk zijn" - lachte hij.
"Wacht eens even" - antwoordde G. G.
lk zag hem een plotselinge, snelle beweging maken en hoorde op hetzelfde oogenblik een kort, droog "klik-klak", alsof er een veer werd toegedrukt. Een gesmoorde kreet weerklonk, en Lord Lidderdale zat op zijn stoel met handboeien aan, terwijl G. G.'s revolver hem het hoofd bedreigde. Lidderdale was doodsbleek; het schuim trad hem op de lippen.
Ik was opgesprongen en keek in stomme ontzetting toe.
"Toon mij uw rechterhand, Mylord" — zeide G. G. kalm.
Ik keek in stomme ontzetting toe.
Lidderdale wilde de geboeide handen wegtrekken, maar onmiddellijk werd de revolver hem tegen den slaap gedrukt.
"Kom hier, Willy, maak dat verband los!"
"Maar . . . "
"Doe wat ik je zeg, onmiddellijk!"
Ik gehoorzaamde en onder de bedreiging van G. G.'s revolver bleven de handen rustig op tafel liggen, hoewel ze trilden van ingehouden woede.
De rechterhand was nu van haar verband ontdaan. Zij lag op de tafel, blank en zonder eenig lidteeken, even gaaf als de linker.
"Maar die hand is niet gewond" - bracht ik er met moeite uit.
"Juist, Willy; die wond was een leugen, zooals de heele kerel een leugen is! Zeg mij eens, sinds wanneer ken je hem?"
"Sinds ik in Engeland gekomen ben."
"Mis, Willy! Je kent hem eerst sinds onzen gemeenschappelijken overtocht van Calais naar Dover. Laat mij hem even aan je voorstellen: James Standerton, alias Manchester Jimmy, ontsnapt uit de gevangenis, oplichter, dief en moordenaar!"
"Maar — hij is toch Lord Lidderdale . . ."
"De Lord Lidderdale, dien jij bedoelt, ligt begraven op het kerkhof van de gevangenis te X."
En de gelijkenis dan . . . ?" stamelde ik.
dood van onzen vriend, Lord Lidderdale, op zijn geweten heeft, is diens tweelingbroeder! — En nu, James Standerton..."
Hij hield plotseling op, want de man, dien ik zoolang voor Lord Lidderdale gehouden had, zakte langzaam voorover; hij was in zwijm gevallen.
## HOOFDSTUK XIX. HET VERHAAL VAN G. G.
Eerste vermoedens.
Den volgenden ochtend om tien uur had G. G. mij zijn bezoek aangekondigd. Ik had dien nacht weinig of niets geslapen, vervuld als ik was met de gebeurtenissen van den vorigen dag. Tevergeefs trachtte ik — zelfs nu ik wist, wie "de man uit Frankrijk" was — den onderlingen samenhang te ontdekken van de verschillende gebeurtenissen der laatste weken. Zelfs zou ik nóg niet aan de schuld van den pseudo-Lord Lidderdale hebben kunnen gelooven, ja de heele persoonsverwisseling voor een wilde fantasie hebben gehouden, wanneer G. G. mij den vorigen dag niet het tastbare bewijs van zijn schuld had voorgelegd.
Terwijl onze gevangene nog bewusteloos was, had hij snel de laden van diens schrijftafel doorzocht.
Er was een geheime lade, maar die was leeg.
"Vermoedelijk kende onze vriend het bestaan van die lade niet eens" — zeide G. G. "Bedenk, Willy, dat dit zijn schrijftafel niet is!"
Hij zocht daarop verder, en reeds na eenige oogenblikken haalde hij een gewone, houten doos te voorschijn, die vol met juweelen en edelgesteenten bleek te zitten. Hij zette die op tafel en onderzocht den inhoud. Daarop zeide hij:
"Hier hebben we den buit van drie diefstallen: dien op Stockton-Court, dien bij Lady Ackland, en dien bij Lord Lowden. Je ziet, Willy, de heer James Standerton deed zijn zaken niet ten halve. In deze eenvoudige doos bevindt zich een vermogen! Niemand zou eraan gedacht hebben, die steenen hier te zoeken, bij onzen ridder zonder vrees of blaam! Dat hij ze in een gewone lade wegsloot — zóó gemakkelijk te bereiken, dat ik het slot met mijn zakmes forceeren kon —, bewijst alweer zijn zeldzame geslepenheid. Bizondere voorzorgen zouden opgevallen zijn, maar op deze wijze wekte hij niemands achterdocht of nieuwsgierigheid."
Het stond dus onweerlegbaar vast, dat deze man inderdaad een misdadiger was. Maar (zooals ik reeds zeide), zelfs nu had ik geen helder inzicht in den samenhang der feiten en vooral niet in de middelen, die G. G. gebruikt had om de waarheid te weten te komen. En welke was die waarheid? Ik schaamde mij te moeten bekennen, dat ik er zoo goed als geen begrip van had — ik, die gemeend had, op mijn eigen houtje de oplossing gevonden te hebben!
De eenige, die mij den weg door den doolhof, waarin ik geraakt was, wijzen kon, was G. G. en hij had beloofd dit te doen, dien eigen morgen!
Precies om tien uur kwam hij opdagen.
Hij keek ernstig en ging zitten, zonder iets te zeggen. Daarop stak hij een sigaar op en zag peinzend de wolkjes na, die hij in de lucht blies. Eindelijk zei hij;
"Ik kom uit de gevangenis, Willy. James Standerton heeft mij bevestigd alles, wat ik reeds vermoedde. Ik kan je nu de heele geschiedenis van a tot z vertellen. Je hebt mij in deze dagen groote diensten bewezen, al wist je dat niet" (hier kwam er even een spottend lachje om zijn mond), je hebt zelfs nu en dan gevaar geloopen, hoewel je — behalve eergisteravond! — ook dat niet wist" (opnieuw hetzelfde lachje!), "en daarom heb je recht nu alles te weten. Het is een avontuur geweest van ons beiden. Ik vrees echter, dat het laatste bedrijf van het drama nog niet is uitgespeeld!" — Een oogenblik keek hij somber voor zich.
"En nu, Willy!" — vervolgde hij. "Zet je ooren open en scherp je herinneringsvermogen. Ik zal je de heele geschiedenis verklaren aan de hand van mijn eigen ontdekkingen en redeneeringen. Observeeren en deduceeren, Willy! Daarop komt het voor ons. detectives, aan!"
"Ik heb het ook met observatie en deductie geprobeerd!" — kon ik niet nalaten te zeggen, met een gemengd gevoel van bitterheid en spottende ergernis over mijzelven. "'t Resultaat was, dat ik 'n volkomen onschuldig man voor 'n monster hield!"
"Wees dus blij, beste jongen, dat je geen detective bent en het nooit behoeft te worden." — Hij stak 'n nieuwe sigaar op en nam een vouwbeen van mijn tafel.
"Je rechterhand is gelukkig prachtig in orde, Willy! Je zoudt er een moord mee kunnen begaan. Verbeeld je nu, dat dit vouwbeen een mes is. Omklem het stevig met je rechterhand. Juist, zóó is het goed! Nu loop ih voor je uit! Breng me nu met dat mes een stevigen stoot in den rug toe, zooals je dat het makkelijkst valt! Steek plotseling toe, maar houd je hand tegen, zoodra ik den stomp beet heb, en houd dan je mes in dezelfde positie, waarin het in mijn rug gedrongen zou zijn! Niet te hard hoor: ik krijg liever geen blauwe plek, al heb ik 't ervoor over! Gauw, Willy, niet nadenken! Nu!!"
De pantomine, zooals hij die beschreven had, werd terzelfdertijd uitgevoerd. Ik stootte, om zoo te zeggen, impulsief toe en hield op 't laatste oogenblik mijn hand tegen.
"Zit de wond rechts of links in mijn rug?" — vroeg G. G., zonder zich om te draaien.
"Rechts!"
En naar welken kant wijst het heft van het mes?"
"Ook naar rechts!"
"Dank je!" — zei hij, en ging weer zitten. "De man, dien wij in Menton vermoord vonden, had het mes *links* in zijn rug en het heft wees naar *links*. Daaruit volgt, dat hij met de linkerhand werd neêrgestooten. De moordenaar moest dus ôf het gebruik van zijn rechterhand tijdelijk missen, ôf linksch zijn. Begrijp je dat, Willy?"
Ik knikte.
"Dan zul je ook begrijpen, waarom ik zoo vreemd deed tegen dien kleinen schooier, dien we te pakken kregen. 's Mans beide handen waren in de beste conditie. Ik deed, alsof ik woedend was en hem slaan wilde. Hij weerde af met de rechter hand! Ik wierp hem zijn pet voor de voeten, hij raapte die op met de rechterhand! Hij was gedecideed niet linksch. Ook was 't een klein kereltje en de vermoorde man was zwaar en lang en had de wond boven in den rug. Onze kleine vriend had bijna op z'n teenen moeten staan om hem het mes zoo hoog in den rug te steken. Je zult me toegeven, Willy, dat men zelden die houding aanneemt, als men 'n moord wil plegen!"
Ik stemde dit met volle overtuiging toe.
"Den volgenden ochtend heb ik de politie te Nice mijn zienswijze uiteengezet. Ze hebben den stakkert toen losgelaten. Vermoedelijk had hij het lijk juist ontdekt, toen we hem verrasten. In ieder geval had hij geen geld gestolen, want dat vond de politie in den zak van den vermoorden man, zooals je weet. Dat was maar gelukkig ook, want daardoor kreeg ik 'n aanwijzing, dat de man uit Engeland kwam."
"Maar hij had toch Engelsch en Fransch geld! Iedereen, die in Frankrijk Engelsch geld in den zak heeft, is toch geen Engelschman."
"Willy, evenals ieder, die op reis gaat en vooruit geld wisselt, weet ook jij, dat ze je dan vreemd papier, goud en zilver geven, maar geen koper. Als de man dus een Franschman geweest was, die wat Fransch geld tegen Engelsch had ingewisseld, zou hij alleen groot Engelsch geld in z'n zak gehad hebben. Maar hij had wel tien koperen stuivers en halve stuivers. Dit, gevoegd bij zijn uiterlijk, maakte het zoo goed als zeker, dat hij 'n Engelschman was. Bovendien moest hij pas in Frankrijk gekomen zijn: anders had hij dat onhandige geld wel anders opgeborgen. Daarom zei ik je, dat het spoor over het Kanaal leiden zou. En verder leerde het onderzoek van zijn kleëren mij, dat hij z'n identiteit verbergen wilde. Een Engelschman, die pas in Frankrijk is gekomen, draagt geen kleëren uit 'n Fransch kleërenmagazijn! Ik kwam dus tot de slotsom, dat het zeer waarschijnlijk was, dat wij het lijk voor ons hadden van 'n Engelschman, die pas in Frankrijk gekomen was en zijn spoor wilde verbergen, zooals wij detectives, dat noemen. Let wel, Willy, dit was nog niet meer dan 'n sterk vermoeden."
". dat later zekerheid werd!"
"Juist, Willy! Je weet, dat de Parijsche politie ontdekte, dat het werkelijk zoo was. Je weet ook, dat de man had gezegd, naar Orléans te zullen vertrekken, hoewel hij naar de Riviera ging, en dat er ook in zijn achtergelaten koffer geen enkele aanwijzing voor zijn identiteit gevonden werd. Dit bevestigde mij in mijn opinie, dat hij het erop aangelegd had te
,verdwijnen', zonder een spoor achter te laten! Met het bekende portret in den zak rekende ik er op, het begin van den draad in handen te hebben. Zoo ver (of liever zoo weinig ver) was ik, toen we op de boot van Calais naar Dover den man ontmoetten, dien wij beiden toen voor Lord Lidderdale hielden. Herinner je je, Willy, dat ik hem vroeger nog eens ontmoet had?"
"In den trein bij Nice" — zeide ik, "tenzij dat de echte Lidderdale geweest mocht zijn."
"Neen, 't was óók de valsche!" antwoordde G. G. "Achteraf beschouwd, zullen we nu beiden wel inzien, Willy, dat zijn buitengewoon slecht uitzien, zijn voorgewende ,sufheid' en zijn niet-herkennen van vrienden ons op den weg hadden moeten helpen. Maar wij hadden te doen met een meester-bedrieger en dat is ons excuus. Toen ik op de stoomboot zag, dat hij zijn rechterhand in een doek droeg, rees een oogenblik de gedachte - in verband met den moord te Menton - ,hier is een man, die het gebruik van zijn rechterhand tijdelijk mist'. Maar ik verwierp de mogelijkheid, welke die gedachte mij deed inzien, onmiddellijk. Ten eerste, omdat het te dol was, Lord Lidderdale voor een moordenaar te houden, ten tweede, omdat ik hem den dag vóór den moord nog met een gezonde rechterhand ontmoet had en het eenvoudig onmogelijk is, dat iemand met een nog geheel ongeoefende, om 't zoo eens uit te drukken, juist in dienst gestelde linkerhand, daarmede een messtoot toebrengen kan, zóó vast en krachtig als die, waarmede het slachtoffer te Nice was neêrgeveld. Wèl ontdekte ik, dat hij ook jou niet dadelijk herkende, Willy!"
"Daarvan heb ik niets gemerkt."
"Hij groette je niet, voordat je hem de hand toestaakt, en hij noemde je naam niet, ook niet toen hij ons aan Lord Lowden voorstelde. Eerst toen jijzelf, tegenover dezen, je naam genoemd had, sprak hij van je als "Mr. Hendriks".
"Ik moet zeggen, dat je scherp geobserveerd hebt!" "'k Doe dat uit gewoonte, Willy. Eerst later begreep ik de beteekenis van wat ik had opgemerkt: op dat oogenblik schreef ik het nog op rekening van zijn "sufheid". En nu deed onze vriend een meesterstuk, waardoor hij mij zóózeer zand in de oogen strooide, dat ik een domheid beging. Hij deed ons, geheel uit eigen beweging, dat verhaal omtrent het onverklaarbaar verdwijnen van zijn kamerdienaar. Wetend wat wij nu weten — dat hij den man zelf vermoordde om een reden, die je later duidelijk zal worden — vraag ik je; had hij iets slimmers kunnen doen? Van twee dingen één: of de identiteit van den vermoorde zou ontdekt worden en dan zou het bevreemding wekken, wanneer hij over dat verdwijnen niet open en bloot gesproken had: ôf die identiteit zou verborgen blijven en dan kon zijn verhaal hem zeker niet schaden. Dat hij het, schijnbaar geheel onbevangen, aan een detective deed, moest reeds bij voorbaat elk verband tusschen hèm en den moord uitsluiten, zelfs al werd de vermoorde herkend! En nog meesterlijker was zijn houding, toen ik hem onverwachts het portret toonde.
"In plaats van te weifelen, misschien te zeggen, dat hij den man niet kende — wat een dilettant-boosdoener zeker gedaan zou hebben —, zei hij ronduit: "Dat is mijn kamerdienaar!" Dat hij bleek werd, zou ieder verklaarbaar gevonden hebben, wanneer men bedenkt, dat het de photografie was van het lijk van den man, die zoo spoorloos verdwenen was. Als er toen nog een sprankje van achterdocht bij mij was overgebleven, zou ik hem dadelijk ondervraagd hebben. Maar ik dacht zelfs niet daaraan. Dat was een groote domheid, Willy, want ik gaf hem daardoor gelegenheid het zeer plausibele verhaal te verzinnen, waarop hij ons dienzelfden avond vergastte. Had ik voet bij stuk gehouden, hij zou geen gelegenheid gehad hebben zich voor te bereiden, en had stellig zich zelf tegengesproken!"
"Zelfs een detective kan niet alles voorzien" — zei ik; en G. G. keek mij melankoliek aan en zuchtte:
"Dat is zoo!"
## HOOFDSTUK XX. HET VERHAAL VAN G. G. (VERVOLG) Herlevend wantrouwen.
"Ik kom nu aan ons eerste bezoek bij Lidderdale. Als je het goed vind, Willy, zullen we hem voortaan Lidderdale II noemen."
Ik stemde gracieuselijk hierin toe.
"Het verhaal, dat hij ons deed, was een handige mengeling van ,Wahrheit' en ,Dichtung'. Ik moet je cerst andere dingen vertellen, voordat ik je precies zeggen kan, hoe en waarom hij dien zoogenaamden Robertson als kamerdienaar engageerde. Maar op het oogenblik, waarop hij ons het verhaal deed, twijfelde ik niet aan de waarheid daarvan. Eén punt bleef mij echter duister: waarom had de kamerdienaar, toen hij naar Nice reisde, zooveel moeite gedaan om vanuit Parijs zijn spoor te verbergen? Dit punt bleef onopgehelderd en Lidderdale II ging er in het geheel niet op in. Dit was, op zijn minst genomen, vreemd. Stel je in de positie, waarin hij beweerde te verkeeren, Willy! Zou de vraag niet dadelijk bij je gerezen zijn: .Waarom, in vredesnaam, heeft die kamerdienaar van mij onder weg zoo geheimzinnig gedaan?"
Natuurlijk moest ik dit toestemmen.
"Je begrijpt dus, dat 't mij bevreemdde, dat Lord Lidderdale II niets vroeg. Hoe dwaas ik 't zelf ook vond, ik voelde iets van mijn wantrouwen herleven. Daarom deed ik — volgens mijn gewoonte — eenige bruuske vragen, en begon met plotseling dat ongeluk met zijn rechterhand weer op het tapijt te brengen. Als zijn linkerhand den noodlottigen stoot had toegebracht — 't was eigenlijk te krankzinnig om aan te denken! —, zou dit hem misschien in verwarring brengen. Dat gebeurde echter in het geheel niet en hij beantwoordde alle vragen correct en duidelijk. Het verhoor van den butler bracht niets nieuws aan het licht. Slechts leerde ik daaruit één zaak, waarvan het belang je later duidelijk zal worden: de groote nieuwsgierigheid van den nieuwen kamerdienaar Robertson. Daarentegen was het korte onderhoud met Mr. Humphrey Warner, den secretaris, van veel belang."
"Ik herinner mij daarvan niet veel meer, dan dat je vroegt of hij van whisky-soda hield!"
"Dat was niet precies mijn vraag, Willy. Maar voordat ik je daarover inlicht, moet ik je eerst twee ontdekkingen mededeelen, die ik gedurende het gesprek gedaan had. Lord Lidderdale II was, door mijn bruuske manier van vragen, wat geïrriteerd geworden en, in die geprikkelde stemming, speelde hij onbewust met een vouwbeen, dat hij van de tafel genomen had. Hij deed dat met de linkerhand! Begrijp je het gewicht daarvan, Willy? lemand, die onbewust, gedurende een gesprek, met het een of ander voorwerp speelt, doet dat met de rechterhand. Is de rechterhand tijdelijk onbruikbaar, dan zal hij nôg de linker daarvoor niet gebruiken, tenzij hij linksch is. Een flauw vermoeden van de waarheid rees bij mij op. Tot grootere klaarheid kwam ik eerst dienzelfden avond, door de zaak rustig te overdenken. De man wilde voor Lord Lidderdale doorgaan. De gelijkenis was sprekend, maar . . . Lidderdale II was linksch. Hij begreep, dat dit moest opvallen. Daarom verzon hij dat ongeluk met zijn rechterhand: dit zou elk gebruik, dat hij van de linkerhand maakte, verklaren. Wanneer ik hèm had willen slaan, zou hij alleen de linkerhand hebben kunnen opheffen en zijn omgeving zou dat verklaard hebben uit de omstandigheid, dat zijn rechterhand gekwetst was. Niemand zou op de gedachte gekomen zijn, dat hij van nature linksch was! Je kunt ervan opaan, Willy, dat — als zijn bedrog niet ontdekt was — hij nog maanden lang 'n verbonden rechterhand gehouden zou hebben: voor hem 'n excuus, de linkerhand dikwijls te gebruiken, voor z'n omgeving de verklaring daarvan!"
Op eens dacht ik aan de woorden van Mr. Jenkins in Hyde-Park: "Wat moet uw vriend 'n krachtige linkerhand hebben!" Ik had dat toen voor beuzelpraat gehouden. G. G. leerde mij nu beter.
"Is 't niet merkwaardig, Willy, dat deze geslepen misdadiger er nooit aan schijnt gedacht te hebben, dat de manier, waarop hij zijn slachtoffer had doodgestoken, het gebruik van een geoefende linkerhand verried?"
"Evenmin als 'n detective, kan 'n geslepen misdadiger alles voorzien" - zei ik.
"Gelukkig maar!" - antwoordde G. G. "Je legt een pleister op de wonde, die je zooeven geslagen hebt, Willy! Nu komt mijn tweede ontdekking. Mijn aandacht werd telkens getrokken door een nieuw, hagelwit vloeipapier, dat op de tafel lag. Er stonden verscheidene regels schrift, onder elkander, op åfgevloeid; ze waren alle precies even lang en blijkbaar stonden telkens dezelfde woorden in spiegelschrift onder elkaar. 't Was, of een schooljongen voor z'n straf regels had moeten schrijven - telkens dezelfde! Of waren het schrijfoefeningen? Van wien stamden ze dan? Ik begreep, dat - behalve Lord Lidderdale - er één persoon was, die misschien in de bibliotheek werkte, en dat was zijn secretaris. Bewijs mij de eer, Willy, te erkennen, dat ik aan Mr. Humphrey Warner met eenige handigheid de mededeeling ontlokte, dat hij z'n eigen werkkamer had en nooit in de bibliotheek zat!"
Ik bewees hem de gewenschte eer.
"Waarom schrijft Lord Lidderdale regels?" - Deze vraag legde ik mijzelven voor, en ik vond de oplossing eerst, toen wij afscheid namen. Lidderdale II maakte, zooals je je misschien herinnert, de deur van de bibliotheek voor ons open. In de vóórhal hangt een spiegel, juist tegenover die deur. Daarin zag ik zijn gezicht, toen wij hem den rug hadden toegekeerd. Willy, het was het gezicht van een duivel! En opeens voelde ik duidelijk, wat langzamerhand zekerheid bij mij geworden was: die man was niet onze Lidderdale. Den heelen avond al had ik, om zoo te zeggen, achter zijn gezicht een ander gezien. Door zijn oogen keek 'n ander mij aan! Het was een griezelig gevoel — ik was werkelijk bang, Willy."
"Je zei me dat ook, maar toen begreep ik het niet." "Natuurlijk niet, Willy! Ikzelf zag zeer goed in, dat, wanneer ik met zoo'n zeldzame bewering voor den dag mocht komen, de menschen me voor krankzinnig zouden houden. Ik moest ditmaal méér doen dan op observaties en deducties vertrouwen; ik moest feiten verzamelen! Een man van deze positie, ook al was die geüsurpeerd, kon men niet aanvallen dan met deugdelijke wapenen. Voor mijzelven had ik reeds twee aanwijzingen: dat hij linksch was - maar, Willy, ook dit was nog slechts een sterk vermoeden; en dan: dat hij regels schreef! Wanneer Lidderdale II voor Lidderdale I wilde doorgaan, moest hij het handschrift van Lidderdale I leeren schrijven, althans zóódanig, dat mogelijke afwijkingen door zijne quasistijve hand konden verklaard worden. Hij scheen zich daarin nu te oefenen, en dat zou tevens een bewijs zijn, dat zijn rechterhand niet gewond was! Oók allemaal weer niets dan sterke vermoedens, Willy! Werkelijke bewijzen zouden ze eerst dan kunnen worden, wanneer ik wist, wie Lidderdale II was en wie zijn slachtoffer was geweest. Met het portret van den vermoorden man in mijn zak, dacht ik er het eerst in te kunnen slagen, diens identiteit uit te vinden. Ik besloot dus naar Stockton-Court te gaan.
"Toen ik dit besluit nam, Willy — en ik nam het tusschen het oogenblik, waarop wij afscheid van Lord Lidderdale II namen en dat, waarop wij weer op straat kwamen —, bedacht ik twee dingen. Ten eerste, dat iemand als Lord Lidderdale II, waar hij begrijpen moest, dat jouw en mijn rondwandelen op deze aarde voor hem een permanent gevaar was, er niet tegen zou opzien, die wandeling kunstmatig wat te bekorten. Het veiligst zouden wij zijn, wanneer hij niet het minste vermoeden ervan had, dat ik de waarheid op het spoor was. Om hem in dit opzicht geheel in slaap te wiegen, besloot ik gebruik te maken van jouw hulp, Willy!"
"Wel verplicht!" - zei ik, wat geraakt.
"Je moet niet vergeten, dat het ook voor jezelven de veiligste weg was" — hernam G. G. "Zelfs de grootste misdadiger is niet zóó dom, dat hij 'n moord begaat, als hij dat onnoodig vindt. Zoolang Lidderdale II geloofde, dat jij en ik hem voor Lidderdale I hielden en dat wij geheel op het valsche spoor waren, zouden we betrekkelijk veilig zijn. Daarom maakte ik hem tot den derden in ons verbond!"
"Met mij als "go-between'; alweer: wél verplicht!" "Je was naïef genoeg om 'n voortreffelijke "gobetween te zijn, Willy!" - Maar ik zei daarnet, dat ik twee dingen bedacht. Het tweede was dit: Als Lidderdale II zóó geslepen was als waarvoor ik hem hield, dan moest hij begrijpen, dat ik naar Stockton-Court gaan zou. Als het voor hem geen droeve noodzakelijkheid geweest was (waarom zal ik je later vertellen), had hij over Lord Stockton gezwegen. Nu hij dat niet had kunnen doen, moest het ook voor hem duidelijk zijn, dat ik van Stockton-Court uit het spoor van den verdwenen Robertson zou trachten na te gaan. Wat zou hij doen? Ik kon hierop maar één antwoord vinden: hij zou ons daarheen in 't geheim voorgaan of volgen. Toch was ik daar volstrekt niet zeker van, al vond ik het waarschijnlijk. Ik besloot dus een oog in 't zeil te houden en toen wij afscheid genomen hadden, keerde ik, mij in de schaduw der huizen houdende, naar Lidderdale's woning terug. Juist toen ik die in het oog kreeg, kwam onze vriend de voordeur uit, keek de straat op en af, en wandelde langzaam naar den kant toe, waar ik mij bevond. Gelukkig zag hij mij niet. Ik volgde op eenigen afstand, maar de ontdekking, waarop ik gehoopt had (ik had stellig gedacht, dat hij naar mijn woning zou gegaan zijn, om die, hoe dan ook, in het oog te houden), bleef achterwege. Hij wandelde naar een brievenbus en wierp een brief daarin, om vervolgens rustig naar huis terug te gaan."
"Een mager resultaat voor je moeite" - kon ik niet nalaten te zeggen.
"En toch een belangrijk feit in het drama, dat stond gespeeld te worden, Willy. Ik wist het toen niet, maar die brief was geadresseerd aan Lady Edith en bereikte haar voor onze aankomst op Stockton-Court."
Dit was inderdaad 'n verrassing! In de verste verte kon ik nog niet vermoeden, welke verhouding er bestaan had tusschen Lady Edith en Lord Lidderdale of zijn dubbelganger. Had het toeval mij, bij mijn bezoek ten huize van Lord Stockton in Grosvenor-Gardens, niet het den lezer bekende gesprek tusschen håar en hem doen afluisteren, deze mededeeling van G. G. zou de allereerste vingerwijzing voor mij geweest zijn, dat zulk een verhouding inderdaad bestaan had.
"Kende Lady Edith Lidderdale I of Lidderdale II?" — vroeg ik, mij bedienende van de wat zonderlinge wijze van uitdrukking van mijn vriend.
"Zij kende hen beiden" — luidde het antwoord. "Zij meende zelfs, dat zij beiden nog kende, toen één van hen reeds dood was. Maar dat hoop ik je straks te vertellen. De geschiedenis, waarin wij gemengd zijn geworden, is zeer ingewikkeld, Willy. Je moet me vrij laten haar te vertellen in de volgorde, waarin 't mij het best voorkomt." Ik wenschte niets liever, en zei dat.
"Welnu, Willy" - hernam G. G., "ik hoop, dat het je nu duidelijk zal zijn, waarom ik naar Stockton-Court ging en waarom ik jou medenam. Met ons beiden waren wij veiliger, dan wanneer wij van elkander gingen. Bovendien wilde ik je van den aanvang af persoonlijk in de richting leiden, die voor jou en mij het best was, n.l. naar een totale onbewustheid van de rol, die Lidderdale II speelde. Ik ken je, Willy! Je bent eerlijk en impulsief en je kunt je indrukken niet vóór je houden: je gezicht is een open boek, waarin ieder, die niet geheel ontbloot is van opmerkingsgave, lezen kan! Lidderdale II moest daarin lezen een volkomen vertrouwen op zijn loyauteit, geen sprankje twijfel aan zijn identiteit en de meest mogelijke goede trouw tegenover onzen derden in het verbond. Hij moest verder gelooven, dat ik je in deze zaak mijn geheele vertrouwen gaf en uit jouw argeloosheid tot de mijne concludeeren. Dat is ook tot het laatste oogenblik zoo geweest, hoewel de zaak 'n beetje ingewikkeld werd door jelui beider . . . hm, hm . . . . verschil van opinie - of eigenlijk overeenkomst van opinie, waar het Lady Maud betreft."
"M'n God, G. G., weet jij dan alles?!" - kon ik niet nalaten uit te roepen.
"Ik heb je gezegd, Willy, dat je gezicht een open boek is. Ook ik heb het gewaagd daarin te lezen." — Hij hield een oogenblik stil; toen vervolgde hij met 'n grooten ernst in zijn stem: "Als mijn gezicht zoo'n open boek was, zou je daarin lezen, dat in deze geheele zaak ook mijn hart meegespeeld heeft."
Wat bedoelde hij? Zou ook hij meer voelen voor Lady Maud dan de gewone bewondering voor 'n mooi, ontwikkeld jong meisje? Zou . . . ?
"Het boek ligt alweer open, Willy!" — zei G.G. "Stel je gerust, Lady Maud was niet in mijn gedachten!"
## HOOFDSTUK XXI. HET VERHAAL VAN G. G. (VERVOLG) Verwikkelingen en onzekerheid.
"En nu onze avonturen op Stockton-Court" — vervolgde G. G. "Ik zal je nu alleen zeggen, wat ik tijdens ons verblijf aldaar opmerkte en vermoedde: de eigenlijke verklaring zul je eerst later hooren. Op reis erheen hield ik m'n oogen goed open, omdat we waarschijnlijk gevolgd werden. Ik ontdekte niets; en later is me gebleken, dat Lidderdale II te slim was, om zich aldus aan ontdekking bloot te stellen. Hij kwam eerst met den volgenden trein, toen het donker was. Waarschijnlijk heeft hij ons echter wel gevolgd tot aan het station in Londen, om te weten of wij inderdaad vertrokken."
"Hij waagde veel, door dat persoonlijk te doen" - zeide ik.
"Hij moest alles persoonlijk doen, omdat het juist zijn streven was ervoor te zorgen, dat niemand ook maar 'n flauw vermoeden ervan hebben kon, dat er met "Lord Lidderdale" iets niet in den haak was. — Op Stockton-Court viel mij dadelijk het uiterlijk van Lady Edith op. Jou natuurlijk ook, Willy?"
"Ik vond haar onnatuurlijk bleek en haar blik moe en lijdend."
"Haar oogen hadden die eigenaardige uitdrukking, die wij, detectives, zoo goed kennen: een mengeling van angst en waakzaamheid, het kenmerk van het bewustzijn vervolgd te worden. Men ziet die uitdrukking soms in haar sterksten vorm in de oogen van hen, die aan vervolgingswaanzin lijden. Maar Lady Edith was zeker niet waanzinnig: zij beheerschte haar zenuwen met ijzeren wil. Van het eerste oogenblik af gevoelde ik voor haar wilskracht den grootsten eerbied, maar de angstige, afwachtende uitdrukking in haar oogen kon zij niet verbergen, evenmin als het trillen van haar arm, toen ik haar naar tafel geleidde.
"Je herinnert je, dat het gesprek met Lord Stockton ons leerde, dat de kamerdienaar van Lord Lidderdale, Robertson, een ander was dan de man, voor wien hij zich had uitgegeven. Jij maakte daaruit de gevolgtrekking, dat hij Lidderdale I bedrogen had; ik twijfelde er nauwelijks aan, dat Lord Lidderdale II er alles van wist. Al een paar malen, sedert wij op reis gegaan waren, had ik mij afgevraagd, of het wel verstandig was, dat ik — behalve jou, Willy — geen hulp had gerecruteerd. Nog steeds had ik geen zekerheid, of Lidderdale II ons inderdaad naar Stockton-Court gevolgd was of volgen zou. En ik achtte het van groot belang die zekerheid te krijgen. Maar daarvoor had ik een geoefenden speurhond noodig."
"Enter Mr. Jenkins" - zei ik, met een Shakespeareaansch gebaar.
"Je voorziet het met je gewone scherpzinnigheid, Willy! Mr. Jenkins woont te Sunderland en is een geroutineerd detective. Ik ken hem vele jaren en heb meermalen in moeilijke zaken met hem samengewerkt. Sunderland ligt vlak bij Tanfield en Stockton-Court. Ik telegrafeerde hem dus." — Hier haalde hij zijn portefeuille uit den zak, nam er een blaadje papier uit en reikte mij dat toe.
"Het afschrift van mijn telegram, Willy!"
Ik las: "Vertrek hedenavond station Tanfield. Volg "lang, slank, waarschijnlijk vermomd persoon, die van- "naar Londen. Sein mij, adres Stockton-Court, waar"heen persoon gaat, eventueel wie hij is. Zeer belang"rijk."
"De verbonden arm zou een goed signalement geweest zijn" - zei ik.
"Helaas, nu bewijs je, dat ook Homerus wel eens dominelt! Ik geloofde immers niet aan de wond van Lidderdale en begreep dus, dat zijn rechterarm in het Graafschap Durham in de beste conditie zijn zou! — Ik wist nu, Willy, dat Mr. Jenkins te middernacht aan het station te Tanfield zou uitstappen, en ik had dadelijk reden, mij zelven met die zekerheid geluk te wenschen. Want, zooals je weet, kwam de bode uit Tanfield terug met de tijding, dat er iemand op het terrein van Stockton-Court rondsloop."
"Zeker weet ik dat" — zeide ik. "Ik herinner me zeer goed, dat je bij het vernemen van die tijding het gebruikelijke schokje door je achterhoofd kreegt."
"Je opmerkingsgave wordt gevaarlijk" — zei G. G. eenigszins vinnig, want een zinspeling op zijn "grootste gebrek" als detective maakte hem altijd wat ontstemd. "Heb je bij die gelegenheid nog meer opmerkingen gemaakt?"
Ik schudde het hoofd.
"Dat verwondert me, Willy". — ging hij voort. "Van het oogenblik af, dat de butler zijn verhaal gedaan had, merkte ik op, dat Lady Edith, om zoo te zeggen, op de pijnbank lag. Slechts met de grootste moeite wist zij zich in te houden, en ik zal niet licht vergeten, welk een wanhopige angst er uit haar oogen sprak. Zij en ik waren de eenigen, die in het verschijnen van dien zwerver meer zagen dan een onbeteekenend voorval. Ik om de reden, die je kent, Willy! Maar zij ...? De eerste aanwijzing, die ik omtrent de reden van haar angst ontving, kreeg ik door jou, Willy; door het verhaal van je nachtelijke ontmoeting met haar!
"Ik begrijp niet, welke aanwijzing je daardoor kreegt."
"Ik kreeg er meer dan één. Vooreerst was het duidelijk, dat haar verhaal omtrent de reden, die haar naar de eetzaal gevoerd had, een verdichtsel was. Wanneer 'n jonge dame zóó kordaat is, met een revolver in den zak 's nachts op verkenning uit te gaan, zoodra zij voetstappen in huis hoort, en ze ontmoet onverwachts op dien verkenningstocht 'n haar vrijwel onbekenden gast van haar vader, dan zal zij ôf dezen voor den indringer houden of hem onmiddellijk vragen, of hij niets gehoord heeft en of hij misschien op een dergelijken tocht is als zijzelve. Niets daarvan: zij maakt je een vrij gezochte, stekelige opmerking, schijnt je antwoord, dat - passez moi le mot - eenvoudig onbeschoft was, nauwelijks te hooren, en vertelt dan, zeer zenuwachtig, haar verhaaltie, zonder zelfs te vragen, wat jij eigenlijk doen komt. Dat is de eerste aanwijzing, Willy! De tweede ligt hierin, dat zij je vroeg over jelui ontmoeting het stilzwijgen te bewaren, een verzoek, waaraan je ridderlijk voldaan hebt, behalve gelukkig tegenover mij. Waarom zoo'n geheimzinnigheid? Als je in de geschiedenis, die ze je vertelde, een reden daarvoor vinden kunt, ben je knapper dan ik. En de derde aanwijzing ligt dáárin, dat ze je wilde tegenhouden, toen je vertelde waarom je het park wilde ingaan. Welk belang had zij erbij, je te bewegen mij in den steek te laten? Weten, dat ik je niet noodig had, kon ze niet; en haar bezorgdheid voor jou, Willy, kon toch ook zoo groot niet zijn. Als 't Lady Maud ge-weest was . . ."
"Nu geen flauwe grappen, G. G.!" — zei ik. "Ik volg je verklaringen met groote belangstelling, maar ze zijn het meest belangwekkend, wanneer je niet tracht geestig te zijn."
"Dank je, Willy! Ik zal er aan denken. — Let nu eens op! Toen we, na mijn mislukten veldtocht in het park, in onze kamers terugkwamen, was het bewuste portret verdwenen. Ik vroeg je toen, wie van onze nachtelijke wandeling afwisten, en je antwoordde: "Lord Stockton en Lady Edith"; ik noemde den butler erbij. Maar, beste jongen, begreep je niet, dat Lady Edith de eenige was, die wist, dat ook jij er op uitgegaan was, de eenige dus, die wist, dat er niemand in onze kamers was?"
"Dus je dacht . . .?"
"Ik dacht (nu weet ik, Willy!), dat Lady Edith de eenige was, die wist, dat er tengevolge van ons beider afwezigheid gelegenheid was het portret weg te nemen. En toen viel mij in, dat wij de deur in het nevenvertrek hadden hooren toegaan, juist nadat ik je op het hart gedrukt had, het portret als een trouwe wachter te bewaken, en ik je had gezegd, dat ik een nachtelijke expeditie ondernemen zou. Ik begon te vermoeden, dat Lady Edith ons beluisterd had."
"Maar waarom? En hoe kwam ze in de kamers, die wij toch hadden afgesloten?"
"Op je eerste vraag krijg je het antwoord later. Willy. Wat de tweede betreft, den volgenden dag, toen je naar Londen was, heb ik 'n vriendschappelijk praatje met den butler gehad. Die vertelde mij, onder meer, dat hij van alle deursleutels uit het huis 'n duplicaat onder zijn berusting heeft. Hij heeft 'n keurig kastje, waarin ze opgeborgen zijn, en waarvan hij, Lord Stockton en Lady Edith ieder 'n sleutel hebben. De man was zeer trotsch erop, dat men hem dat vertrouwen geschonken had. — Hiermede is je tweede vraag beantwoord, Willy!"
Ik moest erkennen, dat het antwoord afdoende was.
* * *
Nadat G. G. een versche sigaar had opgestoken, vervolgde hij:
"Den volgenden ochtend, veel vroeger dan ik verwacht had, kreeg ik 'n telegram. Je naamt het voor me aan, Willy, en je was geweldig nieuwsgierig om te weten, wat erin stond. Daarom legde ik het voor je neus, maar met het adres naar boven. Want, m'n beste jongen, als je van den inhoud had kennis genomen, was het met de belangrijke diensten, die je mij in deze zaak bewijzen moest, meteen gedaan geweest! Lord Lidderdale II zou dan in het geopende boek hebben kunnen lezen, Willy! Ik hoop, dat je mij dat gebrek aan vertrouwen vergeven zult." — Opnieuw kwam de portefeuille voor den dag en hij reikte mij een telegramformulier toe. Ik las:
"Persoon in trein vermomming afgelegd. Op station te Leicester aangesproken als Lidderdale."
Zwijgend gaf ik het telegram aan G. G. terug.
"Ik had nu absolute zekerheid, Willy" - vervolgde deze. "Het was nu van het hoogste belang, dat Lidderdale II gerustgesteld zou worden omtrent onze voornemens. Daarom verzocht ik je, naar Londen te gaan en hem precies te vertellen, wat je zelf wist: dåt kon geen kwaad, integendeel! Verder zou je hem zeggen, dat mijn wond mij enkele dagen buiten gevecht gesteld had (hij zou zich dan ,vrij' voelen); en bovendien, dat ik niet van plan was, reproducties van het portret te verspreiden (hij was slim genoeg om te begrijpen, dat ik meer dan één exemplaar had, en 't was dus noodig hem ook in dit opzicht gerust te stellen: dat was in 't belang van onze veiligheid, Willy!). Over Lady Edith en ons telegram naar Moscou moest je zwijgen: ik zei je dat en gaf je daarvoor niet al te onzinnige redenen. Ik hoop, dat je ze niet te gek hebt gevonden, Willy !"
"En nu komen we tot je tweede verblijf op Stockton."
Court. Het verhaal, dat je me deed over je bezoek bij Lidderdale II, was zéér belangwekkend. De man had — wat z'n gebrek aan geheugen betreft — heel mooi comedie gespeeld. Maar ditmaal had hij wederom te slim willen zijn. Het is absoluut uitgesloten, dat iemand, die lijdende is aan het door hem voorgewende gebrek, een bekende met een verkeerden naam aanspreekt, wanneer die bekende bij name wordt aangediend. Dat was het geval geweest met Lord Lowden; dat Lidderdale II Lord Ruthven met "Lowden' toesprak, was een overdreven slimheid, die door de overdrijving dom werd. Je zult dat na ook wel inzien, Willy!"
De nadruk, dien hij op het woordje "nu" legde, beviel mij niet en ik bleef dus zwijgen.
"Je deed mij nog een andere mededeeling, die zeer belangrijk was" - vervolgde hij. "Je had een dik jongmensch gezien, eerst bij het verlaten van Lidderdale's woning, later bij het station te Tanfield. Je dacht, dat dit jongmensch jou met z'n aandacht vereerde. Ditmaal had je juist geobserveerd, maar je deductie was verkeerd. Mr. Jenkins had n.l. een telegram van mij gekregen, om Lord Lidderdale II in het oog te houden, en wanneer je je geheugen wilt raadplegen, zul je tot de slotsom komen, dat je zijn welgevulde gestalte alleen dan te zien hebt gekregen, wanneer Lidderdale in de buurt was. Juist dáarom was je mededeeling voor mij van zooveel gewicht: dat je Mr. Jenkins te Tanfield had gezien, bewees mij, dat de man, dien hij in het oog hield, weer op weg was naar Stockton-Court. En ditmaal was ik er zeker van, dat zijn gangen werden nagegaan, iets dat van het hoogste belang was.
"Ik had tijdens je afwezigheid niet stil gezeten, Willy. De juweelen-diefstal ten koste van Lady Edith en Lady Maud gaf mij handen vol werk. Je weet, dat ik het geheele dienstpersoneel en alle huisgenooten ondervroeg. Alleen Lady Edith liet zich verontschuldigen, omdat zij zich ziek voelde. Ik kon mij dat best voorstellen, als het juist was wat ik begon te vermoeden, dat zij n.l. een rol speelde in de geheimzinnige gebeurtenissen, die zich rondom ons afspeelden. Waarom zij dat deed, begreep ik nog niet; maar wêl was ik ervan overtuigd, dat zij die rol tegen haar wit vervulde."
G. G. hield een oogenblik op en keek strak voor zich. Toen vervolgde hij met zachte stem en op de hem eigen, kort-afgebroken wijze, die vooral merkbaar was bij groote gemoedsbewegingen:
"Lady Edith is een bizondere vrouw. Groote geestkracht, groote durf, maar een aristocrate van top tot teen. Iemand, die in staat is, groot leed en grooten angst alleen te dragen; iemand, die den strijd niet opgeeft, voordat zij erin valt. Ik besloot, dat zij niet vallen zou, Willy!"
Hij zweeg opnieuw. Daarop hernam hij op zijn gewonen toon:
"Ik sprak met Lord Stockton en zei hem het volgende: "Sinds twee dagen gebeuren er onverklaarbare dingen. Ik ben ervan overtuigd, dat er één persoon is, die ons althans eenig licht zou kunnen geven: Lady Edith. Laat alles aan mij over en ik zweer, dat ik de oplossing vinden zal; haal de politie erin en ik sta niet in voor den afloop." Lord Stockton was eerst verontwaardigd - wat ik begrijpen kon. Toen ik hem echter herhaaldelijk de verzekering gaf van mijn groote achting voor Lady Edith, kalmeerde hij. Ik zeide hem verder, dat ik er ernstig bezwaar tegen had, iemand — wien ook — verder in de zaak te kennen, vóórdat ikzelf een helder inzicht erin gekregen had. Want - en hierop drukte ik in het bizonder -, men kan nooit weten, wie, wanneer een dergelijke zaak onvoorzichtig behandeld wordt, misschien geheel onverdiend gecompromiteerd zou worden. En nu deed ik een ontdekking, die de zaak voor mij gemakkelijker maakte. Lord Stockton deelde mij mede - en het moet hem veel gekost hebben, want hij draagt het hoofd tamelijk hoog -, dat hij op dien nacht, toen jij, Willy, Lady Edith zoo onverwachts in de eetzaal vond, haar óók gezien had. Hij had laat op zijn kamer zitten lezen en, toen hij, voordat hij naar bed ging, even naar buiten keek om te zien of het weër zich goed hield, meende hij in het park een vrouwelijke gestalte te zien, waarin hij zijn oudste dochter her!:ende. 't Was echter maar één oogenblik geweest: toen was zij verdwenen. Dat gebeurde zoo ongeveer om half-één, dus een half uur, vóórdat ik mijn nachtelijken tocht begon. De verschijning was zoo onverwachts gekomen en verdwenen, dat Lord Stockton eraan twijfelde, of hij 't zich niet verbeeld had. Hij is oud en was vermoeid; veel over de zaak nagedacht had hij niet meer, teminder toen hij Lady Edith den volgenden dag ernaar vroeg. en deze ontkende, dat zij haar kamer verlaten had. Die ontkenning is van groot gewicht, Willy!"
Ik begreep dat volkomen.
Het resultaat van ons gesprek was, dat Lord Stockton zich zeer zenuwachtig maakte over wat er gebeurd was en nog gebeuren zou. Maar je hebt zelf gezien, Willy, dat hij nog telkens eraan dacht, de politie toch maar in de zaak te halen. Hij is een zwakke, oude man, die dikwijls van gemoedsstemming wisselt: hij voelde, dat er iets niet in den haak was, begreep niet wat, maakte zich angstig voor zijn oudste dochter en vreesde voor het een of andere schandaal. Ik heb hem herhaaldelijk een hart onder den riem moeten steken, door hem te verzekeren, dat ik alles doen zou wat ik kon, terwille van zijn familie. Je hebt hem zelf in één van zijn zwarte buien bijgewoond."
"Toen Mr. Jenkins zich kwam aanmelden - ik herinner mij dat best."
"Juist, Willy, en ik kan je nu eindelijk precies vertellen, wat Mr. Jenkins doen kwam."
"Ik luister" - zei ik.
## HOOFDSTUK XXII. HET VERHAAL VAN G. G. (vervolg) Een gevangenis en een Rechter.
G. G. klopte de asch van zijn sigaar af. Hij zweeg tergend lang, want ik moet bekennen, dat ik nieuwsgierig was. Eindelijk sprak hij:
"Jij was niet de eerste, Willy, die een gesprek tusschen Lady Edith en Lidderdale II afluisterde. Mr. Jenkins is je vóór geweest. Het interessante onderscheid tusschen jelui beiden — behalve dat 't bij hèm opzet en bij jou toeval was — is dit geweest: dat Lady Edith, toen Jenkins haar beluisterde, wist met wien zij sprak; maar, toen jij te Londen haar hartstochtelijk beroep op Lidderdale's hulp hoorde, zag zij hem aan voor den man, voor wien hij zich uitgaf, voor onzen Lord Lidderdale!"
"Dat is toch bijna ondenkbaar" - zei ik.
"Integendeel, Willy, het is zeer verklaarbaar, zooals je later zelf bekennen zult. — Wat er van zij, kort nadat wij, na het tweede middagmaal, dat je op Stockton-Court gebruikte, van tafel waren opgestaan, is Lady Edith in het park gegaan, alleen en in een dichten mantel gehuld. Zij ontmoette daar Lidderdale II, en overhandigde hem een klein pakket. Er werden slechts enkele woorden gewisseld, die ongeveer hierop neêr kwamen:
Hij: Ik wist wel, dat je de verstandigste partij kiezen zou.
Zij: Ik vervloek jou en veracht mijzelve.
Hij: En nu verwacht ik je in Londen, anders . . . Zij: Dreig maar niet! Ik weet, dat ik je gehoorzamen moet, totdat . . .
Hij: Totdat ...?
Zij: Totdat ik je gedood heb!
Hij: Vergeet, in afwachting daarvan, niet te herstellen wat je bedorven hebt . . .
Zij wendde zich plotseling om en ging. Hij deed geen poging om haar te volgen en lachte zacht voor zich héen. — Aldus, Willy, luidde het verslag, dat Mr. Jenkins mij bracht en ik trok er mijn conclusies uit. Mr. Jenkins had zich, door zijn goed en voorzichtig werk, zeer verdienstelijk gemaakt."
"Dat Lady Edith inderdaad naar Londen ging, was jouw werk, G. G." - merkte ik op.
"Ja zeker! Zooals de zaken stonden, was het de eenige manier, het gevaar tijdelijk van haar af te wenden. Vergeet niet, Willy, dat Lidderdale II, als hij gedwarsboomd werd, voor niets stond! En dan, te Londen hadden wij hen beiden onder onze oogen, hetgeen een groot voordeel zou zijn. Je zult reeds begrepen hebben, Willy, dat in het pakketje, waarover ik zooeven sprak, de gestolen juweelen zaten!"
"Zij had die dus zelve weggenomen?"
"Ja, onder den druk van de meest krasse bedreigingen. Maar dat hoor je alles later! — Toen wij dien avond in onze vertrekken terug kwamen, vonden wij het verloren portret op den schoorsteenmantel. Je herinnert je, wat dat knappe kamermeisje ons vertelde omtrent de wijze, waarop het teruggevonden was. Heeft het je toen niet getroffen, Willy, dat Lord Lidderdale je den vorigen avond iets dergelijks voorspeld had?"
"Ik heb daar, eerlijk gezegd, niet meer aan gedacht."
"Ik wel, Willy! Van het eerste oogenblik af, had ik mij erover verwonderd, dat een zoo geslepen man als met wien wij te doen hadden, iets zóó volkomen nutteloos en bovendien gevaarlijks doen kon als het stelen van dat portret, waarvan hij toch weten kon. dat ik zooveel exemplaren krijgen kon als ik wilde. De fout werd echter niet door hem gemaakt, maar door Lady Edith, die ons beluisterde, toen ik tegenover jou het gewicht van dat portret wat overdreef, en die meende, dat zij, door het weg te nemen, mij het onderzoek bemoeielijken zou. Want zij had er belang bij, dat Lidderdalle II niet ontmaskerd zou worden, zooals je nog hooren zult. Deze echter zag best in, hoe dom het was, ons door het stelen van het portret te waarschuwen, dat er menschen waren, die zich over ons bezit ervan ongerust maakten (vergeet niet, Willy, dat hij mij nog voor geheel argeloos' hield). Hij beval Lady Edith dus, de fout weer goed te maken. Dáárom vonden wij het portret terug. Wetende wat ik wist, zag ik er een nieuw bewijs in van zijn macht over haar en een bevestiging van wat mij steeds duidelijker werd. Daarom zei ik je toen reeds, dat hij ditmaal te slim had willen zijn.'
* * *
G. G. had dit gedeelte van zijn verhaal niet op zijn gewonen, ietwat spottenden toon gedaan, en ik kon duidelijk merken, dat hij bewogen was, zooals telkens wanneer de lijdensgeschiedenis van Lady Edith ter sprake kwam. Hij vervolgde nu, op de hem eigen, droge manier:
"Het ongeluk wilde, dat ik den dag, nadat wij van Stockton-Court in Londen waren teruggekeerd, op reis moest. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Ik beval Lady Edith — als de Stocktons naar Londen gekomen zouden zijn —, en vooral Lord Lidderdale II aan in de goede zorgen van Mr. Jenkins. Door den pseudo-Lord zooveel mogelijk in het oog te houden, werd ook jouw veiligheid gediend, Willy, in zooverre je onschuld en je argeloosheid, die er dik op lagen, je niet beschermden! Intusschen toog ik er op uit."
"En liet mij in het moeras zitten" — zei ik, er aan denkende, hoe ik mij in die dagen als 'n schip zonder stuur gevoeld had. "Was die reis zóó dringend?"
"Zéér dringend, m'n jongen! Zij moest mij de verklaring brengen van veel onbegrijpelijks, en, in de eerste plaats, de ontdekking van de identiteit van den man, die te Menton vermoord was."
"Hoe wist je dat zoo vooruit, G. G.?" — vroeg ik. "Mag ik je geheugen eens opfrisschen?" — antwoordde G. G. en uit de onuitputtelijke portefeuille verscheen opnieuw een telegram. Inderdaad was het mij bekend.
"Olivier met Robertson logeeren hier, Hotel Metropole."
't Was het telegram uif Moscou, dat hij mij bij mijn tweede bezoek op Stockton-Court getoond had.
"Je begreept niet, Willy" — vervolgde G. G., "waarom dit telegram het begin van ons succes was. En toch, is er iets eenvoudigers denkbaar? Zeker, we wisten al lang, dat Lord Lidderdale's kamerdienaar Robertson niet geweest was, maar we wisten evenzeer, dat hij zich voor Robertson had kunnen uitgeven, doordat hij volkomen op de hoogte was van diens levensomstandigheden. Hij had Robertson dus goed gekend. En lag het nu niet voor de hand, dat Robertson hêm gekend had? — Ik zond dus ons portret met een brief naar Moscou. Dat gebeurde op Vrijdag. Dinsdag kreeg ik alweer 'n telegram; hier is het!"
Bowman. Was, toen ik Engeland verliet, gevangenbewaker in strafgevangenis te X. Droeg toen snor "en baard." Onderteekend: "Robertson".
"Je begrijpt nu misschien ook, Willy, waarom Lord Stockton ons zeide, dat het portret hent bekend voorkwam. De onderstelling ligt voor de hand, dat Bowman zijn neef wel eens op Stockton-Court bezocht en dat Lord Stockton hem bij die gelegenheid gezien had. Er zijn menschen, die een gezicht nooit vergeten, ook al kunnen zij het niet meer thuis brengen."
Ik erkende, dat de zaak mij nu duidelijk was.
"Met een tweede exemplaar van het portret gewapend, ging ik dus op reis naar X. Met den Gouverneur van de gevangenis had ik een lang gesprek. Ik zal je niet vermoeien met een nauwkeurig verslag daarvan, Willy, en je alleen mededeelen wat ik ontdekte. Charles Bowman was inderdaad gevangenbewaarder te X geweest. Hij was op 5 Maart van dit jaar ontslagen wegens dronkenschap, en sedert had men niets meer van hem gehoord. Kort vóór zijn ontslag, in den namiddag van den 27° Februari, had hij een sinds twee weken ontsnapten gevangene, die op onverklaarbare wijze in de buurt van de gevangenis zwervende werd aangetroffen, doodgeschoten. Die gevangene heette James Standerton en voerde den bijnaam van Manchester Jimmy. Lees deze uitknipsels uit de ,Times', Willy, en je zult van die zaak vrijwel op de hoogte zijn."
"Lees deze uitknippels uit de ,Times', Willy."
Hij reikte mij de beide uitknipsels toe, waarvan ik de vertaling in het voorwoord van dit verhaal heb opgenomen.
Nadat ik ze gelezen had, vervolgde hij:
"Ik had een portret van Lord Lidderdale — den echten. Willy! — meegenomen, dat eenigen tijd geleden in de 'Graphic' gestaan heeft, ter gelegenheid van zijn benoeming tot President van de een of andere industrieele onderneming. Dit portret herkende de Gouverneur als dat van . . . Manchester Jimmy, hoewel hij niet begreep, dat het in een tijdschrift verschenen was en nog wel met het uiterlijk van een gentleman'. Voorts bleken mij nog twee heel gewichtige dingen. In de eerste plaats, dat Manchester Jimmy linksch was geweest; in de tweede plaats, dat hij veroordeeld was wegens herhaalde diefstallen van juweelen. Je ziet, Willy, dat er licht in de zaak begon te komen!"
Ik moest verklaren, dat het licht mij nog wat duizelig maakte.
"De zaak stond nu zóó" — expliceerde G. G.: "Een gevangenbewaker schiet een ontsnapten gevangene dood en wordt kort daarop ontslagen. Hij duikt vervolgens op als kamerdienaar van Lord Lidderdale II en besluit te Menton zijn loopbaan op tragische wijze, terwijl zijn "meester' in de buurt is! Lidderdale II is linksch, kent zijn vroegere vrienden niet dadelijk en neemt gestolen juweelen in ontvangst; Lidderdale I was niet linksch en zonder twijfel een man, wiens naam boven elke verdenking verheven geacht kon worden. Slotsom: Lidderdale II is Manchester Jimmy: Lidderdale I is — in plaats van Manchester Jimmy — doodgeschoten en begraven."
"Een gruwelijke geschiedenis!" - zeide ik. "Arme Lidderdale!"
"Ja, Willy, hij was een goed en edel mensch! Het is innig tragisch, dat hij zóó aan zijn einde moest komen!" - Hij zweeg een oogenblik en vervolgde toen op zijn gewonen toon: "De vraag was nu nog: wie is deze Manchester Jimmy? De naam James Standerton' zeide mij niets. Ik heb je eens gezegd, dat ik niet aan toevallige gelijkenissen geloof. Bestond er bloedverwantschap tusschem hem en Lord Lidderdale? Om hierin licht te krijgen reisde ik naar Manchester. Het strafproces tegen Jimmy was dáár gevoerd. Maar ik moest zéér voorzichtig zijn, terwille van . . . van Lady Edith. Door de welwillendheid van de autoriteiten werden de stukken, op het proces betrekking hebbende, te mijner beschikking gesteld. Ik leerde er niets nieuws uit. Ik was huiverig, de advocaten of juryleden, die bij de zaak betrokken geweest waren, in den arm te nemen. De oude rechter Johnson echter, die de veroordeeling had uitgesproken, was een goede bekende van mij. Maar hij had Manchester sedert eenige jaren verlaten en genoot een welverdiende rust in een keurig ingerichte ,Cottage' op het eiland Wight. Ik vertrok dus naar Wight. Het zal je nu niet meer verwonderen, Willy, dat ik wat lang uitbleef."
"Neen" — zei ik. "Maar in dien tusschentijd hadden zich hier complicaties kunnen voordoen."
"Dat is zoo" — stemde hij toe, "Ik stond echter in voortdurende telegrafische gemeenschap met Mr. Jenkins en wist dus alles, wat hier gebeurde. — Ik trof den ouden heer op Wight in de beste gezondheid aan. Toen ik hem mededeelde, waarôm ik gekomen was, ontstelde hij, "Ik dacht dat die ongelukkige zaak lang vergeten was" — zei hij, "Van mij zul je er geen woord over hooren."
"Het kostte dan ook heel wat moeite, hem aan het spreken te krijgen. Ten slotte hielp alleen volkomen openhartigheid mijnerzijds. "De eer van twee families is bij de zaak betrokken, mijn voortvarende, jonge vriend' - zei hij. "Ik wil je echter alles mededeelen, omdat ik inzie, dat die eer gevaar zou loopen, als ik niet sprak.' - Ziehier wat ik vernam, Willy;
"James Standerton heet voluit: James Standerton Whyman, ,Standerton' is een voornaam, oorspronkelijk de familienaam van zijn moeder; je weet, dat zoo iets in Engeland veel voorkomt. Hij is een tweelingbroer van Lord Lidderdale, wiens familienaam eenvoudig Whyman was. De beide broers geleken zóó sprekend op elkander, dat zij geregeld voor elkaar werden aangezien. Van zijn jeugd af was James een schandvlek voor de familie. Reeds als jongen van dertien of veertien jaar maakte hij zich schuldig aan kleine diefstallen. Toen hij ouder werd, maakte hij schulden, dronk, speelde, in één woord hij ,hing den beest uit' in alle opzichten. Op twintigjarigen leeftijd werd hij door zijn vader het huis uitgezet. Deze had geduld met hem gehad, totdat het niet langer kon. De oude heer was geparenteerd aan de aanzienlijkste families van Engeland. Hij droeg het hoofd zeer hoog, maar bezat slechts een zeer bescheiden vermogen. Door de verkwisting van zijn zoon James geraakte hij zelf in moeielijkheden; er was toen niets meer van hem te halen en de zoon trok zich den breuk met zijn vader dus niet te veel aan. Hij verdween en men hoorde vele jaren niets meer van hem. In dien tijd was hij dieper en dieper gezonken. Ten slotte kwam hij te Manchester terecht, waar hij als , Manchester Jimmy' aan het hoofd van een inbrekersbende stond, die vooral werk maakte van het stelen van edelgesteenten. Hij werd betrapt bij een zeer brutalen diefstal, waarbij een oude, rijke weduwe vermoord was. Er waren aanwijzingen, die het waarschijnlijk maakten, dat hijzelf dien moord begaan had. Aldus in het nauw gebracht, deelde hij aan zijn advocaat mede, wie hij was en deze stelde zich met zijn tweelingbroer in verbinding: zijn vader was inmiddels gestorven. Je begrijpt, Willy, dat hemel en aarde bewogen werd om een schandaal te voorkomen. Sir John Whyman — de latere Lord Lidderdale — droeg het hoofd even hoog als zijn vader. Hij had herhaaldelijk getracht, zijn broer terug te vinden, zonder daarin te slagen. Nu slaagde hij, in zóó verschrikkelijke omstandigheden. Hij sprak met Rechter Johnson, die het vonnis zou moeten vellen. Deze wist niet, hoe hij hem helpen moest. Toen gebeurde er iets geheel onverwachts."
G.G. hield even op. Ik kon zien, dat hij bewogen was, en vermoedde wel, dat nu Lady Edith ten tooneele verschijnen zou.
"Op zekeren dag ontving Rechter Johnson het bezoek van een buitengewoon mooie, jonge vrouw, de oudste dochter van zijn vriend, Lord Stockton. Zij deed hem een innig treurig verhaal en begon met te zeggen, dat zij in haar radeloosheid tot hem kwam, omdat zij geen uitweg meer zag. Zij had enkele jaren geleden James Standerton Whyman leeren kennen bij gelegenheid van een jachtpartij in Derbyshire. Hij was toen niet ouder dan twintig jaar en nog niet door zijn vader de deur uitgezet. Zijn wangedrag, dat toen nog zooveel mogelijk met den mantel der liefde bedekt werd, was nog weinig bekend en zijn innemend uiterlijk en aangename manieren bezorgden hem vele vrienden en . . . vriendinnen. Lady Edith was in die dagen nog jong; zij was hartstochtelijk en eigenzinnig. Haar karakter bevatte de kiemen voor latere kracht en onafhankelijkheid; maar de wilskracht en zelfbeheersching ontbraken nog, om den hartstocht tot warm gevoel en de eigenzinnigheid tot volharding en geduld te maken. Zij schonk aan den knappen, jongen man, dien zij volkomen vertrouwde, haar heele hart en de jeugdige schavuit zag daarin een middel om geld te maken. Onder voorwendsel, dat zijn vader tegen huwelijken op jeugdigen leeftijd was, maar vooral, dat háár vader nooit toestemmen zou in een huwelijk met hèm, waar zij veel schitterender partijen doen kon, wist hij haar - jong en onnadenkend als zij was - te bewegen, hem in het geheim te trouwen. Bij ons in Engeland gaat zoo iets — schandelijk genoeg — zonder eenig bezwaar. Sedert beschouwde James Standerton haar als zijn bankierster, bij wie hij geld kwam halen als de kas leèg was. Zij had een vrij aardig fortuin geërfd: dit verdween in den bodemloozen put. En de jonge vrouw begreep te laat, dat zij het slachtoffer geworden was van een gewetenloozen schurk, die alleen naar haar omkeek, als hij geld noodig had.
"Zij woonde, als vroeger, met hare ouders, die van niets wisten, op Stockton-Court. Vele geschikte huwe-lijkscandaten deden zich op, maar zij wees ze onverbiddelijk af, tot groote ergernis van haar vader. Naarmate James Standerton dieper zonk, nam haar vrees toe, dat haar ouders den waren stand van zaken ontdekken zouden. Het langzaam verdwijnen van haar eigen fortuin, dat zij zelve beheerde, had zij met groote moeite voor haar vader verborgen kunnen houden. Maar wat zou er gebeuren, als dat geheel was opgeteerd?
"Juist toen het zoo ver was, trad de crisis in. James-Standerton werd gevangen genomen. Tot dusverre had hij Lord Stockton niet van zijn huwelijk in kennis gesteld: dat was niet noodig geweest, omdat zijn vrouw hem behoorlijk van geld voorzag, en hij was er niet de mar. naar, zich onnoodig onaangenaamheden op den hals te halen. Ook vreesde hij, dat Lord Stockton op echtscheiding zou aansturen, waardoor hij zijn "hou-vast" op deze rijke familie geheel verliezen zou. Maar nu vreesde Lady Edith het ergste. Zij las den naam van "James Standerton" in de nieuwsbladen en begreep wie hij was. Deze man, oplichter, dief, wellicht moordenaar, had het in zijn macht, haar en haar familie reddeloos te compromiteeren. In haar wanhoop was zij naar Rechter Johnson, gekomen, een ouden vriend van haar vader, om hem onder tranen te smeeken, haar en haar familie van schande te redden.
Rechter Johnson had eerst niet geweten, wat hij doen moest. Eindelijk had hij - met hare toestemming - Sir John Whyman in de zaak gekend, en vervolgens hadden Lady Edith en Sir John een gesprek gehad met den advocaat, die voor James Standerton zou optreden. Er waren - zooals ik je al zei - sterke aanwijzingen, dat Standerton ook een moord op zijn gewelen had. Hij was zéér bevreesd, dat hij ook dáárvoor vervolgd zou worden. Blijkbaar was zijn geweten niet gerust en vreesde hij, ingeval van vervolging, voor bezwarende getuigenissen, die hem aan de galg zouden kunnen brengen. In één woord, hij verkeerde in den grootsten angst, dat zijn leven bedreigd was. Wanneer die vervolging wegens moord niet werd ingesteld, zwoer hij bij hoog en bij laag, dat hij noch zijn waren naam verraden, noch Lady Edith lastig vallen zou. En het gelukte inderdaad, die vervolging te voorkomen, al bleef het zwaard van Damocles boven zijn hoofd hangen, voor het geval hij nu of later zijn belofte breken zou.
"En zoo werd James Standerton tot 15 jaren gevangenisstraf veroordeeld, zonder dat het tot pers of publiek doordrong, dat hij James Standerton Whyman heette en met Lady Edith gehuwd was.
"Dit was het verhaal, dat Rechter Johnson mij deed. Je zult het met mij eens zijn, Wil J, dat de vraag omtrent de verhouding tusschen Lady Edith en Lord Lidderdale II hiermede beantwoord was. En misschien begrijp je ook, Willy, dat ik mij heilig voornam, deze zaak zóó te behandelen, dat de reputatie van Lady Edith ongerept bleet. Van toen af beschouwde ik mij in de eerste plaats, in haar dienst. En ook nu zeg ik zij moet en zal voor verder leed bewaard blijven; ik ken geen ander doel dan dat."
De laatste woorden had hij met bevende stem gesproken; ik zag, hoezeer hij onder den indruk was. Zonder iets te zeggen, drukte ik hem de hand; ik begon eindelijk te begrijpen
## HOOFDSTUK XXIII. HET VERHAAL VAN G. G. (VERVOLG) Op weg naar de waarheid.
"In het licht van wat ik je nu heb meegedeeld" — vervolgde G. G., "zal het je niet moeilijk vallen de verklaring te vinden voor wat je duister gebleven is in de gebeurtenissen, die zich tijdens mijn afwezigheid afspeelden.
"James Standerton was het, die de juweelen van Lady Ackland stal. Hij was het - en niet Lord Lowden -, die na afloop van haar soirée eenigen tijd met de gastvrouw bleef "napraten" in haar particuliere vertrekken. Zij had altijd voor Lord Lidderdaie (den echten) een - overigens tamelijk onschuldig - zwak plekje in haar hart gehad; en zij zag Standerton natuurlijk voor Lidderdale aan. Om de eischen van conventie en welvoeglijkheid heeft zij nooit een penny gegeven, en zoo schonk zij den dief alle gelegenheid, het terrein te bestudeeren voor zijn aanstaanden inbraak. Mr. Jenkins had hem dien nacht van het huis van Lady Ackland naar zijn woning gevolgd en was toen naar bed gegaan (zelfs een detective moet slapen, Willy !). Hij sliep den slaap des rechtvaardigen, toen de inbraak plaats had. Als je weten wilt, hoe ik erachter gekomen ben, dat Standerton bij Lady Ackland bleef napraten, dan behoef ik je alleen maar te zeggen, dat ik gisteren - voordat we onzen vriend gingen opzoeken — met die dame een vertrouwelijk gesprek heb gehad. Ik had met haar te doen. Willy! Zij schreide bitter, toen zij hoorde, dat Lord Lidderdale dood was."
"Weet zij, wie Standerton is?" - vroeg ik.
"Ik heb het haar gezegd. Na wat nu gebeurd is, kan dit niet geheim meer blijven. — Op dien avond, toen je bij Lord Lowden dineerde, was Mr. Jenkins op z'n post. Hij ontdekte heel gauw, dat je dien achtenswaardigen, maar eenigszins zonderlingen ouden heer begon te verdenken: alweer het open boek, Willy! En je kunt er zeker van zijn, dat ook Standerton het bemerkte."
"Het was toen niet zoo héél onbegrijpelijk" – zei ik, 'n weinig beschaamd. "Lord Lowden was ons immers uit Frankrijk gevolgd?"
"Lord Lidderdale II óók, beste jongen! Daarom gaf ik je altijd gelijk, als je ,den man uit Frankrijk' beschuldigde! - Je herinnert je de geschiedenis met dien saffier, die zoo onverwachts te voorschijn kwam? Natuurlijk had Standerton dien in het kistje gesmokkeld, terwijl jelui niet op hem letten. Jenkins, die naar binnen gluurde, zag in den spiegel, dat hij het deed! Denk eens aan, wat 'n bewijs voor Lowden's schuld het geweest zou zijn, wanneer geconstateerd kon worden, dat, reeds vóór den inbraak te zijnen huize, hij een steen onder zijn berusting had gehad, dien hij beweerde niet te kennen en die later blijken zou van den diefstal bij Lady Ackland afkomstig te zijn! Met 'n zeldzame geslepenheid bereidde Lidderdale II den diefstal bij Lord Lowden voor, door enkele steenen van Lady Ackland in het kistje te verbergen. De politie, die deze vond, kwam onmiddellijk tot de slotsom, dat Lowden dan ook de dief moest zijn en wist den inbraak bij dezen niet anders te verklaren, dan door hem als een door Lowden zelven gefingeerden te beschouwen. Ook jij liet je om den tuin leiden, Willy!"
"Ik weet dat nu wel" — zei ik, wat uit mijn humeur, "Je hebt mij dat nu heusch wel duidelijk genoeg gemaakt."
"Maar weet je nu ook, wie zich niet om den tuin liet leiden? — Lord Lowden zelf! Het zal je zeker belang inboezemen te vernemen, dat deze van den aanvang af Lord Lidderdale II voor den dief aanzag, ook al had hij geen flauw vermoeden, dat hij met een valschen Lidderdale te doen had."
"Hoe kwam hij dan zoo helderziend?" — vroeg ik. "De man wist, dat-i onschuldig was, natuurlijk! Begrijp je dan niet, dat die plotseling voor den dag gekomen saffier hem op het spoor bracht? Ook hier was de man uit Frankrijk' af te slim geweest. Maar Lowden was verstandig genoeg om zijn tijd af te wachten en geen alarm te slaan, voordat de bewijzen er waren. Je weet toch, Willy, dat ik ervoor zorgde, dat hij in vrijheid werd gesteld?"
"Dat vertelde Mr. Jenkins mij. Hij bracht mij toen tevens je boodschap over, die tijding persoonlijk aan Lidderdale mede te deelen."
". van welke opdracht je je in Hyde-Park loffelijk gekweten hebt. Willy. Jenkins hield zich toen wat in de buurt, omdat hij in opdracht had, de gedragingen van Lidderdale II ie observeeren, wanneer hij door die tijding verrast werd. Jenkins had een domheid begaan: hij had zich bij het luisteren aan de deur, ten huize van Lord Lowden, door den Italiaanschen kamerdienaar laten betrappen! Die had hem, met grooten tact, stilletjes - zonder eenig spektakel te maken - op straat gezet, maar niet dan nadat hij hem onder vier oogen geweldig de waarheid gezegd had. Terwijl Jenkins aan deze pijnlijke operatie onderworpen werd, hadden Lord Lidderdale II en Lord Ruthven afscheid genomen en waren vertrokken; zij werden daarbij slechts uitgeleide gedaan door eenige buigende .huurlingen'. Onze vriend, de Italiaan, heeft zichzelven ernstig verwelen, dat hij daarbij in zijn plicht was tekort geschoten; en Mr. Jenkins trachtte dien avond tevergeefs het spoor van Lidderdale II weder te vinden!
"In Hyde Park nu was het zijn doel te observeeren, hoe Lidderdale II de tijding zou opnemen omtrent het vrijlaten van Lord Lowden. Je weet, Willy, dat onze respectabele vriend herhaaldelijk verklaard had, Lowden voor onschuldig te houden, hoewel zijn getuigenis - omtrent den saffier - dezen in de gevangenis gebracht zou hebben. Lowden was een vriend, in elk geval een goede bekende van hem! Wat doet men, Willy, wanneer een goede bekende uit een groot gevaar gered wordt?- Men geeft een zucht van verlichting en verheugt zich daarover! Lidderdale keek boos, schold op de politie en vroolijkte eerst weer op, toen je hem het sprookje opdischte (je deed dat in commissie, Willy, dus behoeft het je geweten niet te bezwaren!), dat Lowden was vrijgelaten, omdat men zijn gangen wilde nagaan."
"Waarom was hij dan vrijgelaten?"
"Ik zeide je immers, Willy, dat ik mij met de zaak bemoeide! Ik zag het bericht van Lowden's arrestatie in de nieuwsbladen op Wight. Van daaruit zond ik een lang telegram aan Mr. Jenkins, die zich, daarmede gewapend, met de politie in verbinding stelde. Onder de strikte voorwaarden, dat - in het belang der zaak - niets zou ondernomen worden, voordat ik mijn bewijzen tegen Lidderdale II volledig bijeen had en voordat ik terug was, deelde hij aan den chef mede, wie die man eigenlijk was. Van dat oogenblik af stond deze onder surveillance van de politie, wanneer Jenkins rust nemen moest; en ik was zeker, dat men niets zonder mij ondernemen zou. Dat was noodig, omdat ik persoonlijk voor de belangen van Lady Edith waken moest. Lord Lowden liet men vrij, hoewel ook hij nog in het oog gehouden werd."
"Toen ik uit Wight terugkwam, was mijn eerste gang naar de woning van Lord Stockton. De oude heer ontving mij beleefd, maar koud. Hij was weer eens geneigd, de politie in de zaak te mengen, want hij tobde voortdurend over de vreemde omstandigheden, waaronder de diefstal op Stockton-Court had plaats gehad. Ik verbaasde hem ditmaal door de tijding, dat ikzelf reeds de noodige mededeelingen aan de politie gedaan had; bovendien bracht ik hem in nog grootere verbazing, door hem mede te deelen, dat ik dien avond in een vermomming op zijn feest zou komen en een vriend zou medebrengen. Eenige toespelingen op de eer van zijn familie waren voldoende, om hem hierin meegaande te maken.
"Nu zul je vragen, Willy, waarom ik, als majoor Curtis, op het feest wenschte te verschijnen? Mr. Jenkins had mij gerapporteerd, dat Lord Lidderdale II Lady Edith eenige malen in het publiek ontmoet had en dat deze - wel verre van iets te laten blijken van angst of afschuw - integendeel allervriendelijkst tegen hem was en zelfs den indruk maakte, alsof zij zijn gezelschap zocht. Ik begreep daarvan niets; dat zij hem niet in het publiek voor het hoofd stooten kon, was duidelijk, omdat hij haar in zijn macht had, maar er bestond geen enkele reden, waarom zij veinzen zou, hem graag te mogen lijden. Hier was een nieuw mysterie, dat ik alleen oplossen kon, wanneer ik hen samen zag, en daartoe bood de soirée bij Lord Stockton mij de gelegenheid. Natuurlijk wilde ik niet, dat Lidderdale II mij herkennen zou. Het bewustzijn, dat G.G. aanwezig was, zou hem onwillekeurig voorzichtiger maken dan anders; vandaar mijn vermomming. Met Jenkins verdeelde ik het werk; hij zou speciaal Lady Edith en ik onzen vriend in het oog houden. "Kort nadat majoor Curtis zijn entrée gedaan had
"Kort nadat majoor Curtis zijn entree gedaan had en nog voordat hij poolshoogte had kunnen nemen, werd hij door Mr. Jenkins aangesproken, die hem naar een rustig hoekje trok. Daar deelde deze hem mede, dat hij — Lady Edith onbemerkt door de zalen volgende — deze plotseling op Lidderdale II had zien toegaan, waarop beide de balzaal waren ingegaan. Hij had ze gevolgd, maar zich in de toen nog leege zaal niet in hun buurt durven wagen. Toen zij echter den wintertuin betraden, was het hem gelukt, onder de beschutting der hooge planten, wat meer te naderen. Maar toen hij dicht genoeg in hun nabijheid gekomen was om te hopen, iets te kunnen opvangen, had Lidderdale II zich omgewend om alleen naar de balzaal terug te gaan. Jenkins had toen gehoord, dat Lady Edith vrij luid zeide: "In Gods naam, Mylord, om half-éen in mijn zitkamer!" — waarop "Mylord" haar toestemmend geantwoord had.
"Majoor Curtis begon de oplossing te vermoeden van het raadsel, dat G. G. nog niet had opgelost. Maar eerst jouw mededeelingen later op den avond, Willy, stelden mij geheel op de hoogte. Het beroep op de hulp van Lidderdale II, dat je Lady Edith had hooren doen, verklaarde alles: zij zag dezen, in zijn Londensche gedaante, nog steeds voor Lidderdale I aan! Zij meende dus, dat beide broers in leven waren en had de bescherming van den eenen tegen den anderen ingeroepen! Het geheimzinnige briefje, dat je mij toonde, was natuurlijk afkomstig van haar vervolger. Waarschijnlijk wilde zij Lord Lidderdale raadplegen over wat haar te doen stond: dat was vrijwel onmogelijk in het feestgewoel beneden en daarom had zij hem verzocht, op haar zitkamer te komen. Onbewust had zij haar vervolger de gelegenheid gegeven alleen met haar te zijn.
"Wat beteekenden de woorden: "Doe wat ik gezegd heb', uit het briefje? Waartoe wilde hij haar dwingen? Ik wist het nog niet, maar meer en meer kwam de gedachte bij mij op, dat wij voor een crisis stonden. Lady Edith moest geholpen worden en Lidderdale II moest, als de omstandigheden daar nu toe leidden, niet langer op vrije voeten blijven. Ik maakte de noodige afspraken met Jenkins en met jou, Willy. Aan het toeval mocht ik zoo weinig mogelijk overlaten en wij zouden misschien met een wanhopig man te doen krijgen: drie tegen één waarborgde, naar ik meende, ons succes.
"Toch was het een domheid, dat ik de zaken zoo en niet anders aanpakte. 't Was zelfs een domheid, die bijna het leven gekost heeft aan Lady Edith." — Hier werd G. G.'s stem bijna onhoorbaar. "Als zij vermoord was, zou ik daarvan de schuld geweest zijn, want ik beging een onvergeeflijk verzuim."
"Welk verzuim dan toch?" — vroeg ik verbaasd. "Mij dunkt, méér dan jij kon 'n mensch niet doen!"
"Willy" — zei hij heel ernstig, "ik ben van nature wat tot spotten geneigd en eerst spotte ik in mijn binnenste een weinig met je romantische genegenheid voor Lady Maud. Maar toen op de soirée van Lord Stockton Lady Maud zong en haar blikken de jouwe zochten, zag ik Lidderdale II eerst naar jou en toen naar Lady Edith kijken. In zijn blik op haar lag een wereld van haat en boosheid. Op eens begreep ik, hoe blind ik geweest was: ik had over het hoofd gezien, in welk gevaar Lady Edith verkeerde, wanneer deze gevaarlijke misdadiger hartstocht voor haar zuster had opgevat!"
Hij zweeg; en in mijn verbeelding zag ik de muziekzaal bij Lord Stockton en herinnerde mij, hoe ik bij majoor Curtis plotseling dien eigenaardigen schok van het achterhoofd had opgemerkt.
## HOOFDSTUK XXIV. HET VERHAAL VAN G. G. (vervolg)
De brieven van James Standerton.
Er heerschte een oogenblik stilte. G. G. was wederom zeer bewogen. Hij stond op, liep eenige malen de kamer op en neêr, en ging vervolgens weer zitten,
"Willy!" — zei hij. "Is de vraag nog niet bij je opgekomen, waarom James Standerton niet gepoogd heeft zich bijtijds uit de voeten te maken? Hij had een mooien buit, ter waarde van tienduizenden penden in de wacht gesleept en kon toch moeielijk verwachten, dat hij voor altijd de persoon van Lord Lidderdale zou kunnen voorstellen! Hij moest toch — niettegenstaande hij nog geen direct gevaar zag — blijvend rondloopen met het gevoel, dat ontdekking ieder oogenblik te vreezen was. Een geslepen boef, als hij, koestert in dit opzicht geen illusies. Heb je daaraan nooit gedacht, Willy?"
Het was voor mijn eigenliefde niet streelend, te ontdekken, dat ik aan zoo weinig gedacht had! Maar ik wilde er niet om liegen. Ik zei dus, dat al deze onthullingen mij te plotseling overvallen waren, dan dat ik er veel over had kunnen nadendenken.
"Je hebt gelijk" — zei G. G., ditmaal zonder een zweem van spot. "Maar mij had die vraag dikwijls genoeg bezig gehouden. Dit was een van de redenen, waarom ik den man, onmiddellijk nadat ik begonnen was hem te wantrouwen, zooveel mogelijk in het oog liet houden. Hij mocht mij niet door de vingers glippen.
"Ik ben er vast van overtuigd, dat hij reeds lang met zijn buit gevlucht zou zijn, wanneer hem niet een bizondere omstandigheid had terruggehouden. Begrijp je, wat ik bedoel, Willy? . . . Zijn plotselinge hartstoch voor Lady Maud! Voor iemand van zijn stempel is het moeielijk zich iets te ontzeggen, dat hij begeert, en als er een vrouw in het spel is, vergeet de meest geslepen misdadiger zijn voorzichtigheid! James Standerton schijnt krankzinnig genoeg geweest te zijn, te gelooven, dat hij, door zijn bedrog vol te houden of althans lang genoeg vol te houden -, Lady Maud zou kunnen winnen. Daarbij stond jij hem in den weg, Willy, maar voorloopig zag hij daarin weinig gevaar, ook al bedierf het zijn humeur; hij meende, dat de afstand tusschen Lady Maud en jou te groot was, om de zaak ernstig op te nemen. Véél grooter was de hinderpaal, dien zijn geheim huwelijk met Lady Edith hem in den weg legde. Toen hem nu de gelegenheid geboden werd, om dien hinderpaal uit den weg te ruimen, heeft hij die aangegrepen.
"Ziehier, wat er dien nacht in het huis van Lord Stockton gebeurd is: Even vóór half-één verliet Lidderdale II onbemerkt (naar hij meende) de feestzalen. Wanende, dat op Lord Lowden nog steeds zware verdenkingen rustten, besloot hij, met duivelsche geslepenheid, daarvan gebruik te maken. Zonder eenige poging te doen om zich te verbergen, ging hij in de vestiaire', nam daar Lowden's jas en hoed (de laatste is in z'n soort uniek, zooals je weet, en dus dadelijk te herkennen) en slenterde daarmede door de lange benedengang. Ik volgde hem voorzichtig, tot hij de achtertrap opging, waarna ik jou ging halen, Willy! Inmiddels moet Standerton zich, bij het naar boven gaan, met masker en valschen baard vermond en zijn hand van het verband ontdaan hebben. Het is mij gebleken, dat hij zich op Stockton-Court steeds met dien baard liet zien. Voeg daarbij, dat de valsche Lord Lidderdale in Londen met een verbonden arm liep, maar James Standerton's arm op Stockton-Court in de beste conditie was, en je zult het begrijpelijk vinden, dat Lady Edith aan het bestaan van twee personen geloofde. Bovendien zou zelfs een veel grootere gelijkenis haar niet op het rechte spoor geholpen hebben, want zij wist, hoe buitengewoon groot de gelijkenis tusschen de tweelingbroeders was.
"Dat hij ditmaal ook zijn masker voordeed is duidelijk; het was voor hem van 't grootste belang, elke mogelijkheid om herkend te worden te voorkomen. En daaraan deed hij verstandig, Willy, zooals je zelf kunt getuigen. Jij hield den gebaarden en gemaskerden man voor Lord Lowden!"
Alweer die toespeling op mijn onnoozelheid! Maar ditmaal was ik zoo "in" het verhaal, dat ik vergat boos te worden.
"Ons beider vriend, Jenkins, had zich reeds in een nis bij een der vensters geposteerd, waar hij door een neërhangende portière geheel verborgen werd. Hij zag James Standerton in de bovengang verschijnen, met de jas aan en den hoed diep in het gezicht getrokken. Ook deze hield zich zooveel mogelijk verborgen. Waarschijnlijk wist hij niet, welke deur die van Lady Edith's zitkamer was. Toen zij spoedig daarop zelve verscheen en haar kamer binnenging, was hij natuurlijk uit dit dilemma gered. Hij volgde haar bijna onmiddellijk, en enkele minuten later verschenen wij beiden op het terrein.
"Je herinnert je, Willy, wat er toen gebeurde. Ik had den man, zonder opzien te verwekken, willen gevangen nemen en wegvoeren; maar hij wist ons te ontkomen. Op den grond vond ik dien vervloekten smaragd, met de vergiftige stift naar buiten stekende. Toen eerst begreep ik, wat zich hier had afgespeeld. Waren wij één minuut later gekomen — het zou te laat geweest zijn: wij overvielen den man op het oogenblik, waarop hij zich over Lady Edith héénboog —, ik behoef je niet te zeggen, waarom hij dat deed . . ."
Hij zweeg een oogenblik en ik zag - wat ik nog nooit gezien had -, dat er zweetdroppels op zijn voorhoofd parelden.
"Toen wij hem overvielen" — aldus vervolgde hij, moet hij den steen hebben laten vallen. Dat kan het gevolg geweest zijn van zijn verrassing, maar het kan ook berekening geweest zijn. In elk geval lijkt het mij berekening, dat hij geen poging deed, hem terug te krijgen. In de duisternis zou hem dat, bij de heerschende verwarring, best hebben kunnen gelukken."
"Maar in hoeverre was dat dan berekening?" "M'n beste jongen, die steen was het laatst gezien in de handen van Lord Lowden!"
Ik begreep hem nu: ook mij had die steen op de gedachte gebracht, dat de man met het zwarte masker op Lord Lowden geleek! Welk een bewijs tegen dezen zou die vondst geweest zijn, wanneer hij inderdaad nog onder verdenking had gestaan!
"Wat er verder gebeurde, zal je nu wel duidelijk zijn" - ging G. G. voort, "James Standerton vluchtte langs de achtertrap, gooide daar jas en hoed van Lord Lowden neer, stak masker en valschen baard snel in den zak en wikkelde weer een doek om zijn hand. Dit laatste deed hij waarschijnlijk in een donker hoekje van den wintertuin, dien hij, van de trap komende, door de kleine achterdeur was binnen gegaan. Toen kert daarop Mr. Jenkins beneden kwam om Dr. Berney en Lord Stockton le roepen, vond hij den laatsten in gesprek met . . . Lidderdale II, die meè naar boven ging. Zoo stond de would-be'-moordenaar van Lady Edith enkele oogenblikken later, als belangstellend vriend van den huize, opnieuw in haar kamer! Wellicht heb je gezien. Willy, dat hij zeer verbaasd was, mij daar zoo plotseling aan te treffen." Het is misschien kinderachtig, maar het was voor mij een opluchting, ditmaal eens te kunnen verklaren, dat ik dit inderdaad had opgemerkt.
"Je zult begrijpen" — hernam G. G., "dat alles er nu op aankwam, om ervoor te zorgen, dat James Standerton geen oogenblik op de gedachte komen zou, dat ik heb doorzag. Daarom bracht ik hem in den waan, dat de jas en de hoed van Lord Lowden ons op diens spoor gebracht hadden, Hij nam dat aan, evenals hij — en ik vrees ook jij, Willy, den volgenden dag mijn hoogst onwaarschijnlijke uiteenzelting omtrent Lord Lowden's snoodheden aannam. Als je je geheugen raadpleegt, zul je nu toch wel erkennen, Willy, dat mijn heele verhaal 'n opeenstapeling van ongemotiveerde vermoedens was, keurig doorspekt met valsche logica."
Helaas, mijn opluchting was te vroeg gekomen! "Waarom dééd je hem dat verhaal?" — vroeg ik.
"Het kon niet anders, of hij moest mij met eenig wantrouwen vereeren" — antwoordde G. G. "En ik had juist zijn volle vertrouwen noodig, omdat . . . . omdat hij mij z'n twee handen vrijwillig moest toesteken, Willy!"
En die misdadigershanden? ... "
"Een bakersprookje, m'n beste! Maar het werkte: James Standerton stak mij z'n beide handen toe!"
* * *
Het vuur van zijn verhaal had het vuur van zijn sigaar gebluscht. Nadat hij dit inconvenient verholpen had, leunde hij eenigen tijd achterover in zijn stoel, zonder iets te zeggen. Ik zweeg eveneens en trachtte het gehoorde voor mijzelven te verwerken. Enkele duistere punten bleven nog over, en ik maakte mij reeds gereed eenige vragen te doen, toen G. G. mij voorkwam.
"Ik lees in het open boek, Willy, dat je nog niet geheel bevredigd bent" — zei hij. "Je zult vooreerst nog willen weten, wat er nu eigenlijk precies tusschen Lady Edith en James Standerton, sinds zijn vlucht uit de gevangenis, is voorgevallen. Zij heeft mij alles openhartig medegedeeld en heeft er geen bezwaar tegen, dat ik het jou vertel."
"James Standerton ontvluchtte in den nacht tusschen 9 en 10 Februari, en op 27 Februari werd Lord Lidderdale doodgeschoten. Kort daarop ontving Lady Edith een brief van den man, dien zij het meest op de wereld vreesde. Hij deelde haar op uiterst lakonieke manier mede, dat hij vrij was en zich weldra bij haar zou aanmelden. Hij had het voornemen "haar in eenige van zijne operatiën te gebruiken" en drukte haar zeer bizonder op het hart, met niemand ook maar één woord te wisselen over het feit, dat hij in leven was. Anders zou hij, tot zijn groot leedwezen, genoodzaakt zijn "de tusschen haar en hem bestaande aangename relatie wereldkundig te maken". Hij zou zich geen tweede maal den mond laten snoeren!
"Je kunt je voorstellen, Willy, welk een indruk dit schrijven op Lady Edith maken moest. Zij had en de entvluchting en den vermeenden dood van James Standerton in de nieuwsbladen gelezen. Als sterke vrouw, zonder sentimentaliteit en valsch gevoel, maakte zij zich geen oogenblik wijs, dat dit tragische einde haar leed deed. Elk sprankje van liefde voor James Standerton was lang bij haar verdwenen, en de tijding van zijn dood gaf haar alieen een onbeschrijfelijk gevoel van verlichting. Ik kan 't haar niet kwalijk nemen! De ontvangst van zijn brief was voor haar een gevoelige slag. Toch verloor zij het hoofd niet en overlegde kalm, wat haar te doen stond. Er waren twee personen, tot wie zij zich om hulp wenden kon: Rechter Johnson en Lord Lidderdale. Maar bij Rechter Johnson (die na het proces tegen James Standerton meermalen gezegd had, dat hij eraan twijfelde, of hij 't zichzelven ooit vergeven zou, dat hij - zij 't ook indirect - had medegeholpen om een moordenaar aan zijn straf te onttrekken) durfde zij niet aankloppen; bovendien was hij een oude man, van wien weinig actieve hulp te verwachten was. Lord Lidderdale echter had, evenals zij, persoonlijk belang bij het vermijden van een schandaal. Hij was de aangewezen man, die haar helpen kon. Het bleek intusschen, dat hij op reis was naar de Riviera; schrijven over de zaak durfde zij niet en zij besloot dus zijn terugkomst af te wachten. Zij hoopte dat James Standerton vóór dien tijd zich niet zou laten zien; mocht dat wèl het geval zijn, dan zou zij voorloopig wel een middel vinden, zich van hem te ontslaan.
"Zoo stonden de zaken, Willy, toen zij - den ochtend na onze terugkomst in Engeland - in de courant las, dat Lord Lidderdale weer in Londen was. Dienzelfden middag ontving zij een tweeden brief van James Standerton. (Ik zag hem dien brief in de bus werpen, Willy!) Hij berichtte haar, dat er waarschijnlijk een detective op Stockton-Court komen zou, en dat zij hem precies op de hoogte houden moest van wat deze deed en zeide. Hij zelf zou haar om half-één in den nacht op een aangewezen plaats in het park wachten, om haar eenige aanwijzingen te geven. Zij moest zorgen, dat hij gewaarschuwd werd, wanneer er eenig gevaar voor hem dreigde; dat was in haar eigen belang, want als de politie de hand op hem legde, zou hij moeten spreken. Tenslotte nog een bedreiging, voor 't geval zij om half-één niet in het park mocht komen!
"Wat moest zij doen? Eén ding stond vast: die delective mocht Standerton niet betrappen en gevangen nemen! Dat zou de directe aanleiding zijn tot zijn spreken en haar schande. Daarom beluisterde zij ons, Willy! Daarom ging zij, toen zij hoorde dat ik om één uur naar beneden gaan zou, door de eetzaal naar buiten, om James Standerton te waarschuwen. Hij bedankte haar voor haar goede bedoeling, maar zou wel voor zich zelven zorgen; en daarop deelde hij haar mede, in hoeverre hij haar bij zijn ,operatiën" gebruiken wilde. Van plan zijnde eenige malen zijn slag te slaan op het vroegere terrein zijner werkzaamheden, den diefstal van juweelen, wenschte hij zich van háár te bedienen. In de eerste plaats verlangde hij haar juweelen en die van Lady Maud. Deze had zij hem over twee dagen te overhandigen: hij begreep, dat zij eenigen tijd noodig had om de zaak handig voor te bereiden. Daarna had zij ervoor te zorgen, dat haar vader zijn huis te Londen betrok, waar zij hem verder van dienst kon zijn op de wijze, die hij haar dan zou mededeelen. De afschuwelijkste bedreigingen werden hieraan toegevoegd. En, voor 't geval hij ontdekt werd, zou zij de lijdende partij zijn. Lady Edith besloot, onder den invloed van zijn dreigende woorden, de juweelen voor hem weg te nemen. Zij beloofde, hem twee dagen later tegen den avond op dezelfde plaats te ontmoeten. Dat was ook werkelijk het verstandigste besluit, dat zij kon nemen: zij won daarmede tijd, tot zij met den vermeenden Lord Lidderdale raadplegen kon. Je moet niet vergeten, Willy, dat James Standerton haar met één anoniem briefje had kunnen verraden; en een publiek schandaal vreesde zij boven alles.
"Toen zij naar huis terug ging, zag zij mij op eenigen afstand voorbijgaan en wist mij te ontwijken. Zij was nu geruster, want James Standerton had haar gezegd, dat hij het park dadelijk wilde verlaten. In de eetzaal teruggekomen, liep ze jou tegen het lijf. Zij wilde je terughouden, omdat wij beiden meer kans zouden hebben Standerton op te sporen dan ik alleen. Je begrijpt, hoe zij ontstelde, toen daarop in de verle revolverschoten klonken en jij den tuin invloog, Willy! Toch was zij nog zóózeer meester van zich zelve, dat zij zich rekenschap ervan gaf, dat onze vertrekken nu onbewaakt waren. Zij haalde den sleutel uit het kastje van den butler en stal het portret, meenende daarmede de ontdekking van Standerton moeielijker te maken; zij had mij immers hooren zeggen, dat juist dat portret van groot belang was, om te ontdekken, wie ons uit Londen gevolgd was!
"Den volgenden nacht nam zij hare juweelen en die van haar zuster, pakte ze tezamen en verborg ze onder een steen in het park. 's Ochtends daarop den ochtend van den dag dus, waarop jij voor de tweede maal naar Stockton-Court kwam - kreeg ze opnieuw een brief van James Standerton. In korte woorden herinnerde hij haar aan de afspraak van dien avond en drong nog eens aan op het vertrek der Stocktons naar Londen. Behalve de gebruikelijke dreigementen, bevatte de brief de mededeeling, dat als zij hem flink hielp - zij spoedig van hem bevrijd zou zijn; als hij gelukkig was in zijn ondernemingen, was hij van plan Engeland zoo gauw mogelijk te verlaten. Ook beval hij haar, op de een of andere manier het gestolen portret weer in onze kamers te smokkelen; het wegnemen was ,een stomme zet' geweest. Zelfs beschreef hij haar de wijze, waarop zij de fout het best herstellen kon, en zij volgde die aanwijzing later letterlijk. Dat zij hem 's avonds de juweelen bracht, weet je al, Willy. De enkele woorden, die zij daarbij wisselden, zullen je nu ook duidelijk zijn. Later bracht zij het portret in mijn kamer terug.
"Toen de Stocktons in Londen kwamen, schreef Lady Edith dadelijk aan Lord Lidderdale. Zij deed een beroep op zijn hulp, dat je gedeeltelijk aanhoorde, Willy. Van Standerton hoorde zij eerst weer op den morgen voor de soirée in het huis van haar ouders. Zij kreeg toen een lang schrijven van hem, waarin hij haar opdroeg, dien avond voor hem juweelen te stelen van de vrouwelijke gasten. Hij legde haar uitvoerig uit, hoe zij dat aanleggen moest en hoe zij de schuld op het dienstpersoneel werpen kon. Hij eindigde met te zeggen, dat hij — al zou zij hem niet zien — persoonlijk aanwezig zijn zou, om haar te controleeren, 's Avonds ontving zij daarop het briefje, dat jij mij later bracht, en waarvan je den inhoud nu begrijpen zult, Willy!"
"Zij besloot Lord Lidderdale om raad en hulp te vragen. In het begin van den avond kon zij — als de dochter des huizes — de feestzalen niet verlaten. Daarom vroeg zij haar vermeenden beschermer om half-één op haar zitkamer te komen.
"In plaats van haar beschermer zag zij haar vervolger binnentreden!
"Ik weet niet, of deze op dat oogenblik zich reeds voorgenomen had, dien avond haar te dooden. In elk geval had hij zijn preparatieven gemaakt: het stiftje in den smaragd bevat een zwaar vergift, dat bijna onmiddellijk doodt, zonder eenig spoor achter te laten. Zeker is het, dat haar besliste weigering, hem in zijn misdadige plannen verder te helpen, hem sterk verbitterde. Hij begon in te zien, dat deze vrouw gevaarlijk werd, en bovendien - zij stond hem in den weg! Het eene woord lokte het andere uit. Zij dreigde met de komst van Lord Lidderdale en hij lachte haar in haar gezicht uit. In korte, snijdende woorden zeide hij haar, dat hij Lord Lldderdale was en hij besloten had, er nu een einde aan te maken. Toen de zin van zijn woorden tot haar dóórdrong, voelde zij voor het eerst, dat de krachten haar begaven; zij viel in zwijm! Wat nu volgde weet je even goed als ik, Willy!
"Dit is de geschiedenis van Lady Edith" — besloot G. G. "Zij heeft een jeugdige onvoorzichtigheid duur moeten bekoopen. Ik heb een heiligen eed gezworen, dat zij nu rust vinden zal!"
Hij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen — als in zichzelven sprekend —: "Hoe moet ik haar die rust verzekeren?... Ik weet het nog niet; maar dat zij geholpen worden moet, staat vast als 'n rots..."
## HOOFDSTUK XXV. HET VERHAAL VAN G. G. (Vervolg). De Ontvluchting.
G. G. bleef geruimen tijd, in gepeins verloren, zitten. Toen rukte hij zich, om zoo te zeggen, met geweld daaruit los en zei:
"Ik heb je nu nog maar één ding te verklaren, Willy, n.l. de beteekenis van ons avontuur te Menton en welke omstandigheden daartoe geleid hebben. James Standerton heeft mij zelf de verklaring daarvan gegeven en deze kwam overeen met wat ik reeds met vrij groote zekerheid vermoedde. De détails waren mij echter nog onbekend en die heeft hij mij medegedeeld.
"De gedachte, uit de gevangenis te ontvluchten, was bij Standerton gedurende de bijna zes jaren, die hij gevangen zat, nooit geheel van de baan. Hij had zich — ingeval hij ontvluchten mocht — een voortreffelijk plan uitgedacht voor nieuwe diefstallen en oplichterijen; maar eerst toen hij vernam, dat zijn oom Lord Lidderdale gestorven was en zijn broeder nu dien titel voerde, ontstond bij hem het duivelsche voornemen, dat hij inderdaad ten uitvoer heeft gebracht.
"Behalve een duistere toespeling nu en dan op zijn afkomst en familiebetrekkingen, had hij steeds daarover gezwegen; hij vreesde te zeer de gevolgen. Maar het bericht omtrent den titel, die zijn broer was te beurt gevallen, wekte afgunst en bitterheid in zijn hart. Hij vatte het besluit, zich op dien broer te wreken; waarom hij zich wreken wilde, wist hij zelf nauwelijks. Maar je moet in het oog houden. Willy, dat wij staan tegenover 'n minderwaardig individu, met de typische gevoelens en neigingen van een misdadiger.
"Onder de gevangenbewakers te X was een zekere Charles Bowman, een geslepen, maar ietwat bruut type. Het gelukte James Standerton dezen voor zijn plannen te winnen en zoowel de ontvluchting als wat daarop volgen moest, werd door die beiden tot in bizonderheden beraamd. Lord Lidderdale zou uit den weg geruimd worden. James Standerton zou zijn plaats innemen, Bowman zou bij dezen in dienst treden en zijn deelgenoot worden in de opbrengst van de diefstallen, die de pseudo-Lord Lidderdale, gedekt door een grooten naam en een vlekkelooze reputatie, hoopte te kunnen plegen. Ziehier, hoe deze beide misdadigers te werk gingen: "Charles Bowman had een zuster te X wonen, een eenvoudige naaister, wier verstand niet bizonder goed ontwikkeld was. Deze vrouw liet hij - onder voorwendsel, dat zijn uniform zoo gauw sieet en hij er gaarne netjes wilde uitzien - de uniform van een gevangenbewaker zoo nauwkeurig mogelijk namaken. Hijzelf nam een afdruk in was van de sleutels van Standerion's cel en van de zware deur, die van den corridor, waarin die cel uitkwam, in de voorhal van de gevangenis voerde. Dit viel hem niet moeielijk, omdat hij nu en dan des nachts belast was met de bewaking van dien corridor. Gedurende een tweedaagsch verlof, dat hem kort daarop werd toegestaan, ging hij naar Londen en liet - tegen grof geld de valsche sleutels maken door een smid, die van dergelijke dubieuse zaken speciaal werk maakt en wiens adres James Standerton hem verschaft had. "Op den dag, voorafgaande aan dien waarop de ontvluchting was vastgesteld, had Bowman de wacht in den corridor. Deze bestaat uit twee deelen, die rechthoekig op elkander staan. De wachter zit juist in den hoek, zoodat hij beide gedeelten in hun volle lengte kan afzien. Van 4 tot 5 wandelde de ploeg gevangenen, waartoe Standerton behoorde, op de binnenplaats van de gevangenis en precies om 5 uur betrad deze opnieuw zijn cel. Om 6 uur zou Bowman worden afgelost en dan den volgenden ochtend om 6 uur de wacht weer overnemen. Even vóórdat hij afgelost werd, smokkelde hij de uniform met de twee sleutels door het luikje, dat in de deur van elke cel is aangebracht, naar binnen. Toen zijn collega kwam om de wacht over te nemen, gingen zij, zooals voorgeschreven is, den corridor in zijn beide deelen af, om door de luikjes naar binnen te zien, of alles in orde was. Bij die gelegenheid werd de gevangene Standerton de laatste maal in zijn cel gezien. Zijn avondmaal werd later door het luikje naar binnen geschoven.
"Tegen zes uur den volgenden ochtend - het was nog donker! - stond Standerton in de uniform van gevangenbewaker, met de beide sleutels in den zak, gereed om de ontvluchting te beproeven. De man, die 's nachts de wacht gehouden had, zat op zijn post in den hoek tusschen de beide deelen van den corridor, toen de zware deur aan het eene uiteinde open ging. Cherlas Bowman trad de gang binnen en sloot de deur weer achter zich met den sleutel, zooals het reglement voorschreef. Hij hinkte een beetje, toen hij door de gang op den wachtenden man toekwam. .Wat heb je aan je voet?' - vroeg hem deze. ,Daarjuist gestooten tegen den scherpen rand van de ijzeren deur' - was het antwoord. ,Laat me even op je stoel zitten, 't zal dadelijk over zijn.' Hij hinkte langs de deur van de cel van James Standerton en ging in den hoek op den stoel zitten.
"Bij de aflossing moesten opnieuw alle cellen door de beide gevangenbewakers samen gecontroleerd worden. De man, die den heelen nacht gewaakt had, verlangde naar zijn bed. Hij ging vast vooruit naar het einde van den corridor, die loodrecht stond op dien, waarin de cel van Standerton uitkwam: met de eerste cel aan dien kant begon altijd de contrôle. Terwijl hij langzaam door de gang ging, met den rug gekeerd naar den hoek, waar Bowman zat, stond deze snel op en in minder dan geen tijd schoof hij den grendel van Standerton's cel af en gaf een korten klop tegen de deur. Het volgende oogenblik strompelde hij zijn collega om den hoek na door de andere gang, van waaruit men die deur niet kon zien.
"De contrôle begon, maar ging ditmaal langzaam, omdat Bowman telkens tegen den muur leunen moest doordat zijn voet hem pijn deed. In dien tusschentijd had James Standerton snel de deur van zijn cel geopend en achter zich weer gesloten en gegrendeld. Hij was naar het einde van den corridor geloopen. had daar de ijzeren deur geopend en gesloten en stond in de vóórhal. Deze was door enkele electrische lampen spaarzaam verlicht. Twee gevangenbewakers zaten in een hoek half te dutten. Zij letten nauwelijks op den vermeenden kameraad, die dwars door de hal naar de deur ging: wie 's nachts de wacht had gehouden, mocht na de aflossing altijd voor 'n half uurtje naar buiten om 'n luchtje te scheppen, voorda het bed werd opgezocht. Het was dus niets bizonders,t dat op dit uur één of meer gevangenbewakers naar buiten gingen.
"Buiten gekomen, wandelde James Standerton rustig naar den achterkant van het gebouw. Daar loopt op eenigen afstand de groote weg van Y-town naar X, en even na 6 uur passeert er dagelijks een autobus. Als een gevangenbewaker met verlof gaat, neemt hij gewoonlijk dien auto-bus om naar X te komen en dus was er niets opvallends in, dat dit ook op dien dag geschiedde. Een half uur later trad James
Standerton de kamer van Bowman's zuster binnen, die hem met een warm kop koffie wachtte; haar broer had haar verzocht, zijn collega, die met verlof ging, gastvrijheid te verleenen. Ook vond hij er een pak burgerkleeren, zoodat hij met den trein van 8 uur, als ambteloos burger van Engeland, het station van X uitstoomde. De zuster was te onnoozel om eenige verdenking op te vatten.
"In de gevangenis hadden de beide gevangenbewakers inmiddels de cel van Standerton leeg gevonden. De man, die de wacht gehouden had, zwoer bij hoog en laag, dat hij het had moeten zien, wanneer de gevangene 's nachts uit zijn cel was gekomen. Daartegenover stond, dat beiden hem den vorigen avond nog in de cel gezien hadden. De zaak scheen onverklaarbaar. Men kon den ongelukkigen gevangenbewaker, die twintig jaren trouwen dienst achter den rug had, nauwelijks verdenken en niemand dacht eraan Charles Bowman te wantrouwen, die eerst om 6 uur gekomen was om zijn kameraad af te lossen. Wel bleek spoedig, dat een gevangenbewaker dien morgen met den auto-bus naar X gereden was, terwijl toch niemand met verlof was gegaan! Het speor werd echter verloren van het oogenblik af, waarop hij te X was uitgestapt. Sedert had niemand hem meer gezien. Bowman's zuster zweeg, omdat haar broer haar dit op 't hart had gedrukt en zij bang voor dezen was.
"Het eerste deel van het plan was aldus gelukt. Het tweede, veel afschuwelijker, gelukte eveneens. Charles Bowman wist, dat, te beginnen met 27 Februari, hij ingedeeld zou worden bij de bewakers, die 's middags de ronde om het gebouw moeten maken. Den 23° ontving Lord Lidderdale een brief van zijn tweelingbroeder. Natuurlijk weet ik niet precies, wat daarin heeft gestaan, maar ik vermoed het en James Standerton heeft mijn vermoedens niet tegengesproken. Vermoedelijk dus schreef Standerton, dat hij ontvluchten zou en smeekte zijn broer, hem te helpen met geld - maar niemand mocht buiten hen beiden, daarvan iets weten. Hij schreef over zijn goede voornemens voor de toekomst, dat hij Engeland verlaten zou om elders een nieuw leven te beginnen, en meer pathetische verzekeringen. Hij was altijd vaardig met den pen geweest. Hij bezwoer zijn broeder, hem den 27en tegen het vallen van den avond te wachten in een vrij groot kreupelbosch, dat op eenige minuten afstands van de gevangenis ligt. Elke aanraking met het gevangenis-personeel moest hij tot elken prijs vermijden - daarvan hing het welslagen van het plan af. Ook moest hij zorgen, niets bij zich te hebben. waaruit blijken kon wie hij was. Stel, dat de ontvluchting mislukte en zij tezamen gezien zouden worden. dat mocht uit niets blijken, dat het Lord Lidderdale was, die met een ontvluchten gevangene gesproken had. Je ziet, Willy, hoe slim hij onzen armen vriend in zijn zwak tastte: diens familie-trots en vrees voor schandaal speelde hij handig tegen hem uit. Ten slotte smeekte hij hem, om, wanneer hij niet in alle opzichten de gegeven aanwijzingen wenschte op te volgen, liever niets te ondernemen en hem aan zijn lot over te laten, dat anders mislukking voor de deur stond. Dezen brief zou Standerton door middel van een gevangenbewaker, die medelijden met hem had, dóórsmokkelen, zoodat hij Lord Lidderdale van X uit bereiken zou. (In werkelijkheid had hij hem aan het station te X geschreven en daar zelf gepost.)
"Zoo ongeveer zal de brief geluid hebben. Lord Lidderdale is — zeker na lange aarzeling — voor het pathetisch beroep op zijn broederliefde gezwicht. Waarschijnlijk wilde hij niet degene zijn, die Standerton in den weg zou staan, wanneer deze werkelijk voornemens was een nieuw leven te beginnen; waarschijnlijk ook geloofde hij, dat de in de gevangenis doorgebrachte jaren zijn misdadige natuur gebroken hadden.
"Hij was op den bepaalden tijd in het beschreven kreupelbosch. Toen Bowman en zijn kameraad op dat uur de ronde deden, wist de eerste, dat Lidderdale zich naar alle waarschijnlijkheid daar bevond. Hij ontdekte' hem dus, en toen Lidderdale de gevangenbewakers wilde ontwijken (het is mij uit mijn onderzoek gebleken, dat van hard wegloopen geen kwestie is geweest!) schoot hij hem een kogel door het hoofd. Zoo is onze arme vriend aan zijn einde gekomen. Willy. Men herkende hem als Standerton en onder dien naam werd hij begraven. De advocaat, die Standerton verdedigd had en ook Rechter Johnson schreven beiden aan Lord Lidderdale: zij waren immers de eenigen (behalve Lady Edith), die wisten wie Standerton was. Deze ontving die brieven zelf en vernietigde ze!
"Enkele dagen later kwam de gevangenbewaker Bowman, die 's avonds naar X had mogen gaan, stomdronken in de gevangenis terug; althans hij dééd alsof-i stom-dronken was! Hij werd onmiddellijk ontslagen en reisde direct naar Londen.
"Dit gebeurde in overeenstemming met de plannen, die door de beide schavuiten beraamd waren. Bowman zou trachten, zooveel mogelijk te weten te komen omtrent de gewoonten en levenswijze van Lord Lidderdale. Daartoe was het noodig, dat hij op de een of andere wijze met diens butler in aanraking kwam. Om dezen een rad voor de oogen te draaien en tevens gedekt te zijn, wanneer er nader naar hem geinformeerd mocht worden, werden de valsche getuigschriften gemaakt. Bowman's neef, James Robertson, was jaren lang kamerdienaar van Lord Stockton geweest en nu in dienst van Mr. Olivier, die nooit in Engeland was. Zijne omstandigheden waren Bowman tot in bizonderheden bekend en deze besloot zich voor dien neef uit te geven. Op die manier zou de butler bevredigd kunnen worden, wanneer hij om getuigschriften vroeg; en - omdat die getuigschriften voor een groot deel met de waarheid overeenstemden – kon het bedrog gemakkelijk verborgen blijven.
"Charles Bowman meldde zich dus bij den butler en ... hier slaagden de beide boeven boven verwachting! Want het bleek, dat Lord Lidderdale juist naar een nieuwen kamerdienaar uitzag. Wat Lord Lidderdale II ons daaromtrent mededeelde, was volkomen waar; hijzelf vernam het van Charles Bowman, die 't op zijn beurt van den butler hoorde. Bovendien kwam Bowman er achter, dat Lord Lidderdale, toen hij naar X vertrok, aan den butter gezegd had, dat hij voor korten tijd naar Brighton ging en briefde dit onmiddellijk over aan James Standerton. - Deze had zich inmiddels te Londen verborgen gehouden. Bowman had hem eenig geld gegeven, zoodat hij zich behoorlijk kleeden en voldoende eten kon. Zoodra Bowman de zaak bij den butler had voorbereid, verscheen James Standerton voor het eerst ten tooneele in de gedaante van Lidderdale. Hij kwam in zijn' woning tegen den avond aan, sloeg zich met zeldzame brutaliteit door de moeielijkheden van zijn positie heen en had inderdaad - terwille van den butler in diens tegenwoordigheid een gesprek met Charles Bowman, ertoe leidende, dat hij hem onder den naam van James Robertson als zijn kamerdienaar engageerde. Dienzelfden avond schreef hij zijn eersten brief aan Lady Edith. Den secretaris (je herinnert je dat meisjesachtige mannetje, Willy!) droeg hij op, al zijn vergaderingen en engagementen voor den eersten tijd af te schrijven. Hij liet zich zijn chèque-boek voorleggen en teekende voor het eerst met den naam van Lidderdale (de handteekening kende hij en hij had zich vlijtig geoefend in het nabootsen daarvan.) Zoo vertrok hij, met voldoende geld in zijn zak, den volgenden dag naar de Riviera. Charles Bowman moest eerst zijn taak vervullen, voordat James Standerton zich te Londen als Lord Lidderdale in het publiek zou kunnen vertoonen. Standerton kende de Riviera uit zijn jongen tijd; Monte Carlo trok hem aan en er-was geen reden, waarom hij daar grooter gevaar loopen zou dan elders. Hij ging dus naar Nice, om zich voor te bereiden voor de rol, die hij weldra zou moeten spelen".
## HOOFDSTUK XXVI G. G. BRENGT ZIJN VERHAAL TEN EINDE.
"Wij komen nu tot de verklaring van wat voor ons beiden het begin van de geschiedenis geweest is" — vervolgde G. G.
Charles Bowman bleef bijna een maand in het huis van Lord Lidderdale en wist in dien tijd, door zijn gedienstigheid, het vertrouwen van den butler te winnen. Je herinnert je, Willy, dat deze hem beschreef als een model-kamerdienaar, die nooit genoeg hooren kon over zijn meester en diens levenswijze. Je zult nu begrijpen, dat het Bowman's doel was, geheel op de hoogte te komen van alle omstandigheden. die het Standerton gemakkelijk zouden maken zijn rol te spelen; en ik verzeker je, Willy, dat hij den goedigen en niet heel snuggeren butler met groot talent uithoorde. Toen hij naar Nice vertrok, was hij in staat Lidderdale's dagelijksche levenswijze tot in bizonderheden te beschrijven; hij wist, welke kennissen zijn ,meester' had, in welke besturen hij zitting had, welke rol hij tot dusverre in het Hoogerhuis gespeeld had, wie daar zijne politieke vrienden waren, in éen woord, hij kon hem de meest kostbare aanwijzingen geven betreffende de wijze, waarop de moeielijke rol gespeeld moest worden. Hoe nauwkeurig die aanwijzingen waren, hebben de laatste weken ons allen bewezen. Charles Bowman moet in sommige opzichten een buitengewoon man geweest zijn.
"Reeds lang waren de beide bedriegers overeengekomen, dat Bouwman naar Nice gaan zou, om James Standerton mondeling alle inlichtingen te geven, die deze noodig had. Wel had Bowman al ijn observaties systematisch op schrift gesteld (dit document is gevonden. Willy, en vormt een van de merkwaardigste geschriften op crimineel gebied, die ik ooit heb leeren kennen), maar mondelinge toelichting was onvermijdelijk. Het telegram, dat hem wegriep, gaf tegenover het bedienden-personeel, speciaal tegenover den butler, de noodige waarschijnlijkheid aan de zaak. Weinig vermoedde Bowman, toen hij Londen verliet, dat hij den dood tegemoet reisde.
"In den tijd, dien hij in het huis van Lord Lidderdale doorbracht, had Charles Bowman zijn eigen plannen gemaakt en dezen strookten niet geheel met die van zijn vriend en bondgenoot. Hij had er genoeg van voor bediende te spelen; Lidderdale behoorde hem meer op voet van gelijkheid te behandelen: de rol van kamerdienaar stond hem — bij nader inzien — niet meer aan. Aangezien alle bedienden van Lord Lidderdale — de butter aan het hoofd — hem nu eenmaal als den kamerdienaar van hun "meester kenden moest hij "verdwijnen", om later in een andere gestalte en in een andere rol terug te keeren. Van Parijs uit verdween hij inderdaad. Op de wijze, die ons bekend is, Willy, wist hij zijn spoor te verbergen.
"Daar James Standerton hem verwachtte in de gedaante van zijn kamerdienaar en hij zich vast voorgenomen had, die rol niet te spelen, ging hij niet naar Nice, maar direct door tot Menton. Daar nam hij zijn intrek in een klein hotel en schreef aan Standerton, dat deze hem daar moest komen bezoeken, omdat hij het beter vond niet naar Nice te komen.
was, dezen brief te ontvangen. Hij was tot dusverre gewoon geweest, dat Bowman zijn aanwijzingen zonder tegenspraak opvolgde; waarom deze thans van dien regel afweek, kon hij niet vermoeden. Waarschijnlijk zou de reden wel ernstig zijn en daarom voldeed hij aan het verzoek naar Menton te komen.
"Tegen het vallen van den avond kwam hij daar aan en begaf zich onmiddellijk naar het hotel, waar Bowman zijn intrek genomen had. Hij had gedacht een gewillig werktuig te zullen vinden, en hij vond een "bondgenoot", die zich voorgenomen had, zich in geen enkel opzicht meer te laten "regeeren"; integendeel, Bowman bleek van zins — ook al kon alleen Standerton de rol van Lord Lidderdale vervullen—de leiding der zaken in handen te nemen, zooals hij dat bij de ontvluchting gedaan had. James Standerton vond, in plaats van zijn kamerdienaar, zijn meester!
"Ik heb je gezegd, Willy, dat Charles Bowman geslepen was; maar hij was ook 'n ,bruut,' en ditmaal was hij meer bruut dan geslepen. In zijn bediende-rol te Londen had hij zich zóó lang gedwee en gedienstig gedragen, dat hij nu onwillekeurig tot het andere uiterste oversloeg. Hij verklaarde kort en bondig, dat hij - even goed als Standerton - het leven genieten wilde en in geen geval de rol van zijn bediende wenschte te spelen. Hij had er nu reeds meer dan genoeg van! -Er volgde een gesprek, waarin beiden zich warm maakten en dat eindigde met het dreigement van Bowman, dat het hem maar één letter schrifts behoefde te kosten om Standerton, den ontsnapten gevangene, weer in zijn cel terug te brengen. Toen Standerton daarop antwoordde, dat hij even goed den ontrouwen gevangenbewaker kon aanklagen, lachte deze hem in zijn gezicht uit: alleen op getuigenis van Standerton kon Bowman veroordeeld worden, en Standerton zou er wel voor zorgen, de justitie niet meer aan zijn bestaan te herinneren!
"Je ziet het, Willy, de twee "vrienden" gedroegen zich weinig vriendschappelijk! En James Standerton begon te beseffen, dat, met een medewerker als Bowman, zijn veiligheid gevaar liep. Bovendien had hij zoo'n medewerker in 't geheel niet meer noodig; integendeel, Standerton ,opereerde' thans liefst alleen, ook omdat hij zijn buit dan met niemand te verdeelen had! Bowman was dus overbodig en gevaarlijk. Het besluit, waartoe Standerton kwam, lag voor de hand; en het is alleen maar te verwonderen, dat zijn overigens zoo slimme bondgenoot niet begreep, dat een man als hij voor niets terug zou deinzen om eigen veiligheid te verzekeren.
"James Standerton nam zich voor, geen gras over de zaak te laten groeien; hij zegende nu den inval dien de ander gehad had, in het geheim naar Menton te komen. Schijnbaar ging hij op diens plannen in. Hij wees erop, dat het dan voor Bowman noodig zou zijn, zijn uiterlijk grondig te veranderen: wanneer deze als vriend en gelijke van Lord Lidderdale wilde optreden, mocht niemand in hem den gewezen kamerdienaar herkennen. Meer en meer in zijn humeur rakende, stelde hij voor, die gedaante-verwisseling onmiddellijk te bewerkstelligen en dan dien avond met den trein van twaalf uur gezamenlijk naar Nice te reizen, waar Lidderdale II hem als zijn vriend, Lord zóó en zóó (Bowman kon kiezen!) aan zijn bekenden zou voorstellen.
"Een meer opgevoed man dan Charles Bowman zou begrepen hebben, dat hij om den tuin geleid werd, en achterdochtig geworden zijn. Bowman begreep dit niet en ging op het plan in. De rekening in het kleine hotel werd betaald (bagage had hij zoo goed als niet meer bij zich, omdat alles in Parijs gebleven was) en de beide heeren dineerden luxueus in een der groote restaurants. Onder het diner en later op den avond gaf Bouwman zijn metgezel alle aanwijzingen omtrent Lord Lidderdale's levenswijze, vrienden, enz. en overhandigde hem tevens de aanteekeningen, die hij daaromtrent gemaakt had. Bij den eersten den besten barbier lie' Bowman zich daarop snor en baard àfscheren, waardoor hij vrijwel onkenbaar werd. In den tuin van een der hotels op de Promenade de Garavan' dronken zij daarop de eene Mesch na de andere, zoodat Charles Bowman half dronken werd en, om een uur of elf, gesteund op den arm van zijn ,vriend', langzaam langs de kade wandelde om naar het station te gaan.
"Onder weg begon de ongelukkige man, in zijn dronkenschap, weer te zwetsen en te dreigen met wat hij doen zou, wanneer James Standerton het wagen mocht, den baas over hem te spelen. De kade was uitgestorven; nergens was een mensch te bekennen. Zij sloegen toen linksom den nauwen doorgang tusschen de twee tuinmuren in, die ons zoo wel bekend is: het was inderdaad de weg, waarlangs zij het station van Garavan bereiken konden. Standerton had zijn zwaar, Zweedsch mes, dat hij te Parijs gekocht had, open in den zak. Op het oogenblik, waarop Bowman voor de zóóveelste maal zwoer, dat hij de baas wilde blijven en dat Standerton te gehoorzamen had, bleef deze enkele stappen achter en dreef hem, zonder eenige waarschuwing, met één krachtigen stoot het zware mes tot aan het gevest in den rug, op zijde van het linker-schouderblad. Zonder een geluid te geven, zeeg de man inéén. Hij was bijna onmiddellijk dood. James Standerton wandelde daarop kalm terug naar de ,Promenade', ging langs de verlaten kade tot aan den "Jardin Publique" en kwam aan het hoofdstation, juist toen de trein van twaalf uur, uit Garavan komende, binnenreed. Enkele uren later was hij weer in zijn hotel te Nice.
"Misschien een kwartier nadat de moord begaan was, kwamen wij van den Boulevard de Garavan' naar beneden. Willy, en vonden den vermoorden man en den kleinen schooier, die zich over hem heen bukte. Omtrent ons avontuur te Menton zul je me nu wel niets meer te vragen hebben".
Ik schudde het hoofd.
"Alleen wil ik je er nog op wijzen, Willy" - vervolgde G. G., "dat - zooals dikwijls gebeurt - een overdreven slimheid de eerste aanleiding werd tot de ontdekking. Had Standerton niet, om zelfs bij informatie naar Bowman zeker te zijn en om den butler te bevredigen, de valsche getuigschriften op naam van James Robertson gefabriceerd, hij zou niet genoodzaak geweest zijn, den naam van Lord Stockton te noemen. Nu moest hij dat doen, omdat ik, bij ons eerste gesprek op dien gedenkwaardigen avond, naar den butler gevraagd had, vóórdat ik naar de antecedenten van James Robertson vroeg. Dat ik die volgorde koos, was puur toeval. Maar het bewerkte, dat James Standerton vreesde met de getuigenis van den butler in strijd te zullen komen, wanneer hij nu een ander verhaal omtrent Robertson's vóórgeschiedenis verzon. Hij moest dus wel over Lord Stockton spreken, al voorzag hij, dat ik dientengevolge Stockton-Court bezoeken zou. Gelukkig kon ik hem spoedig geruststellen door jouw bemiddeling. Willy! Hij hoorde immers van je, dat het portret niet gepubliceerd zou worden, en hij hoorde niet, dat wij naar Mr. Olivier in Moskou getelegrafeerd hadden. Daarom dacht hij. dat ik niets ontdekt had en waarschijnlijk niets ontdekken zou. En dat, Willy, was noodig voor jouw en mijn veiligheid, maar vooral voor het opsporen van ,den man uit Frankrijk' ".
* * *
G. G. was aan het einde van zijn verhaal gekomen. Gaandeweg waren de vele duistere punten, die er in de geschiedenis der laatste weken voor mij overgebleven waren, opgehelderd. Ik voelde een groote en oprechte bewondering voor de wijze waarop mijn vriend deze ingewikkelde zaak behandeld en ontward had. "Geoffrey!" — begon ik uit de volheid mijns harten. Als het je iets schelen kan door een onhandigen amateur als ik geprezen te worden, dan wil ik je wel zeggen, dat ik de grootste bewondering koester . . ."
Hij legde mij met een energiek gebaar het zwijgen op. "Ik dank je voor je goede bedoeling, Willy!" — zei hij, "maar ik begeer niemands bewondering, omdat ik mijzelven in deze zaak niet bewonderen kan . . .je weet waarom! En bovendien . . . we zijn nog niet aan het einde! Begrijp je niet, Willy, dat Lady Edith nog niet veilig is?"
"De man is nu toch onschadelijk gemaakt!"
"Met z'n tong kan hij nog kwaad genoeg aanrichten en dat moet voorkomen worden."
Hij zweeg eenige oogenblikken en streek zich met de hand over het voorhoofd.
"Willy" - ging hij voort, "als we nagaan, wat wij beiden in deze zaak gewonnen of verloren hebben, dan ligt het verlies aan mijn kant en de winst aan de jouwe. Ik heb verloren het vaste geloof in mijn eigen oordeel; misschien is dat een geluk, Willy! 't Zal me voorzichtig maken. Als ik in de toekomst al te veel aan m'n eigen onfeilbaarheid gelooven zou, zal ik altijd Lady Edith voor mij zien, zooals zij dien avond doodsbleek en buiten kennis lag - stervende, zooals ik meende. Een les om nooit te vergeten, Willy!" -Hij streek zich opnieuw met de hand over het voorhoofd. "Trouwens, ik heb méér, véél meer verloren" zei hij zacht en als in zichzelven. "Ik was een tevreden mensch met goed-gebalanceerden geest en 'n toekomst vóór zich . . . Wat is er van dien mensch overgebleven!?...
Wat moest ik zeggen? Ik had innig medelijden met hem. Hij was steeds zoo geheel in zijn beroep opgegaan, dat er in zijn hart geen plaats geweest was voor zachtere gevoelens. Voor het eerst had hij een vrouw ontmoet, die méer voor hem was dan een vraagteeken in een van zijn detective-problemen. En hij had zonder slag of stoot, gecapituleerd — hoewel hij het hopelooze van de zaak inzag.
"Niet zoo somber, G. G." - ze ik, hem de hand op den schouder leggende. "Weet je zeker, dat de toekomst zóó donker voor je is?"...
G. G. maakte een ongeduldig gebaar.
"Ik had er niet over moeten spreken! Doe maar, of ik niets gezegd heb, Willy!" — zei hij. "Laten we liever eens zien, wat jij gewonnen hebt. In de eerste plaats: je reputatie als held!"
"Wat bedoel je?" - vroeg ik verbaasd.
"M'n beste, je arm is gewond! Ook bij mij is dat het geval geweest en Lidderdale II heeft zich er den schijn van gegeven; maar geen van beiden hebben wij daarmede de lauweren geoogst, die jou ten deel vallen."
"Ik begrijp je waarachtig niet!"
"Maar, beste jongen, kan iets duidelijker zijn? Die wond heb je gekregen, toen je voor belaagde onschuld in de bres sprongt. Had je iets anders verwacht, dan dat je voortaan in het gezin der Stocktons 'n held zou zijn? Lord Stockton heeft nauwelijks meer berouw over het feit, dat hij James Standerton vertrouwde, dan over de onvriendelijke manier, waarop hij jou zijn wantrouwen toonde. Lady Edith begrijpt, dat het Standerton's schuld niet is, wanneer je nog tot het rijk der levenden behoort, en Lady Stockton ziet in jou den ridderlijken kampioen voor haar dochter!"
Hij zweeg - en ik voelde mij teleurgesteld. Waarom had hij niets over Lady Maud gezegd?..
Opeens begon hij hartelijk te lachen.
"Het open boek, Willy, het open boek!" — zei hij. "Lady Maud heeft mij verzocht je mede te deelen, dat zij je vanmiddag met haar zuster bezoeken komt. Zij heeft geen rust, voordat ze gezien heeft, dat je werkelijk naar omstandigheden redelijk wèl bent, Willy!
## HOOFDSTUK XXVII. JAMES STANDERTON.
Dien middag verschenen zij inderdaad - Lady Edith en Lady Maud! Maar Lord Stockton zelf was hun nog vóór geweest. Hij had mij in de eerste plaats met groote warmte bedankt voor wat ik voor Lady Edith gedaan had, - en ik voelde me wat verlegen onder die groote dankbaarheid. Wat was ik anders geweest dan een blind werktuig? Mijn vriend G. G. was de eenige, wien dank toekwam! Maar Lord Stockton was het daarmede niet eens: ik was immers gewond! En van Lady Edith's verhouding tot James Standerton wist hij niets; hij kon dus óók niet weten, hoe belangrijk de rol was, door G. G. te dezen opzichte gespeeld. In een paar korte, mannelijke woorden verontschuldigde hij zich tevens voor zijn onvriendelijk gedrag te mijnen opzichte en voor de lichtgeloovigheid, die hem aan de woorden van een aarts-bedrieger beteekenis had doen hechten. Als ooit iemand met genoegen aan 'n ander absolutie schonk, dan deed ik het aan Lord Stockton.
Over het bezoek der beide dames zal ik niet veel zeggen. Lady Edith was kalm en bleek, maar de strakke uitdrukking van — gezicht en oogen was verdwenen. Zij sprak met groote erkentelijkheid en waardeering over den onschatbaren dienst, haar door G. G. bewezen. Ik voelde in haar woorden inderdaad de warmte der dankbaarheid, maar niet die ... van iets anders! Zij was gebleven de hooge, Engelsche aristocrate — al was er, na haar treurige ervaringen, misschien eenige aanleiding toe geweest, dat zij het trotsche hoofd zou hebben gebogen. Helaas voor mijn armen vriend, zij droeg het hoofd hooger dan ooit!
Lady Maud daarentegen straalde! Bij haar geen zweem van trots, niets dan warmte en hartelijkheid.
Ik dacht aan den wintertuin en was gelukkig!
* * *
Het was tegen het vallen van den avond, dat G.G. en ik in de cel traden, waar James Standerton Whyman gevangen zat, Met grooten tegenzin was ik medegegaan, maar mijn vriend had daarop gestaan. Het onderhoud, dat hij met den gevangene wilde hebben, zou — zooals hij zeide — van groot belang zijn en hij stelde er prijs op, dat het door een derde werd bijgewoond. Daarvoor was ik de aangewezen man, vooral omdat ik een der weinigen was, die de volle waarheid kende.
James Standerton zat, met de ellebogen op de tafel geleund, voor zich uit te staren, toen wij binnenkwamen. Toen hij ons hoorde, hief hij het hoofd op, keek ons aan, maar bleef overigens onbeweeglijk zitten.
Men zegt wel eens, dat het oordeel over iemands uiterlijk geheel afhangt van de oogen, waarmede hij bekeken wordt. Zeer zeker keek ik, na alles wat ik thans wist, James Standerton met geheel andere oogen aan, dan toen ik hem voor Lord Lidderdale hield; maar ik kan niet zeggen, dat ik hem anders zag dan vroeger. Wanneer men mij gezegd had, dat Lord Lidderdale vóór mij zat, zou ik het wederom grifweg hebben aangenomen, als ik niet met volkomen zekerheid geweten had, dat het een ander was.
Van zijn kant scheen de zaak anders te staan. Hij zag mij aan met een blik, waarin haat en verachting elkander den voorrang betwistten. Toen zei hij, op denzelfden hoffelijken toon, waarop hij als Lord Lidderdale gewoon was te spreken:
"Ik verheug mij U te zien, Mr. Gill. Intusschen begrijp ik niet, waarom U dezen "Mr. Simpleton' hebt medegebracht."
Het was inderdaad merkwaardig, dat deze dief en moordenaar, die als "gentleman" was opgegroeid, zich zelfs hier als "gentleman" voordeed. Wat hij zeide was niet vleiend voor mij, maar hij sprak op een toon, alsof hij, als man van de wereld, een beleefdheidsbezoek ontving.
"Het spijt me bizonder, James Standerton" — zeide G. G. op niet heel vriendelijken toon, "dat het gezelschap van mijn vriend, Mr. Hendriks, je niet welkom is. Ik vermoed, dat hij, van zijn kant, op het jouwe ook niet bizonder gesteld is. Hij is echter meegekomen op mijn uitdrukkelijk verzoek, en dus zul je je aan zijn tegenwoordigheid moeten gewennen."
James Standerton wendde het hoofd af, zonder iets meer te zeggen.
"Luister!" — vervolgde G. G. op geheel veranderden, nu dreigenden toon. "Zonder omwegen en zonder uitvluchten, zou je mij vandaag antwoord geven op mijn vraag, of je — nu je zaak verloren, onherroepelijk verloren is — anderen in je val wilt medesleepen."
"Één andere" - zeide Standerton.
"Zeker! Mijn vraag had betrekking op Lady Edith!" — De woorden kwamen er scherp en uitdagend uit.
Standerton lachte een korten, scherpen lach. "Zes jaren geleden is mij dezelfde vraag gedaan. Mr. Gill! Is het de bedoeling, de onderhandelingen weer te openen op denzelfden voet?"
"Het is niet mijn bedoeling te onderhandelen, James Standerton."
"Zooals U wilt! Ik, mijnerzijds, zal dan geen blad voor den mond nemen en zeggen wat ik zeggen wil. Als niemand mij helpt, spaar ik niemand, allerminst Lady Edith!" Standerton sprak met groote beslistheid en niet minder groote onbeschaamdheid. Toch zag men aan zijn schuwen blik en het nu en dan zenuwachtig trekken van zijn mondhoeken, dat hij zich tot bedaardheid dwingen moest. Hij maakte den indruk van een speler, die zijn laatste geld op één kaart gezet heeft en nu met een schijnbaar koel en onverschillig gezicht den uitslag afwacht.
"Ik heb je gezegd, dat ik niet met je onderhandel, James Standerton" — hernam G. G. "Ik ben teruggekomen alleen om je te zeggen, dat onderhandelen overbodig is. Je hebt van jouw kant niets meer aan te bieden."
Voor het eerst toonde Standerton's gezicht sporen van belangstelling; maar hij zeide op denzelfden koud-onverschilligen toon:
"Wat U zegt zal wel interessant zijn, Mr. Gill, maar ik begrijp het niet!"
"De zaak is toch heel eenvoudig" — zeide G. G. "Wat had je willen aanbieden? Het stilzwijgen over je verhouding tot Lady Edith! Dat stilzwijgen is niet meer noodig, James Standerton!"
Ik zag, dat Standerton nu bleek werd, maar hij hield zich nog steeds kalm.
"Slechts in één geval neem ik aan, dat U gelijk hebt, Mr. Gill, en ik zou er mij dan hartelijk over verheugen! Alleen dan zou mijn stilzwijgen geen beteekenis meer hebben, wanneer Lady Edith overleden was."
"Je weet zéér goed, dat het ook dan nog van beteekenis zijn zou voor haar familie! Het eenige geval, waarin je spreken of zwijgen volmaakt onverschillig is, is een ander; en dat geval heeft zich voorgedaan: Lady Edith heeft zelve gesproken! De geschiedenis van haar huwelijk is geen geheim meer."
"Je liegt!" — Standerton was opgesprongen: zijn geveinsde bedaardheid was verdwenen.
Ik moet erkennen, dat ik alweer in den chronischen toestand verkeerde, waarin G. G.'s optreden mij zoo dikwijls bracht: den toestand van niet of halfbegrijpen! Had Lady Edith inderdaad gesproken? En waarom had G. G. mij daarvan niets gezegd?... Integendeel, hij had mij zeer uitdrukkelijk verklaard, dat hij verlof van haar gekregen had, speciaal mij de geschiedenis van haar ongelukkig huwelijk mede te deelen. Wat beteekende dat, wanneer zij er met anderen reeds over gesproken had en de zaak wereld-kundig was?
"Je liegt!" - herhaalde Slanderlon en sloeg met de gebalde vuist op de tafel.
"Heel goed, ik lieg!" — zeide G. G. bedaard, terwijl hij zich omwendde. "Kom, Willy, wij zullen gaan!"
Wij gingen naar de deur.
Maar Standerton was ons voor en plaatste zich met den rug daartegen. Hij was nu doodsbleek en er lag een uitdrukking van wilden angst in zijn bijk: ik moest onwillekeurig aan het een of andere dier denken, dat, in een hoek gedreven, zich in zijn angst tegen den aanvaller keert,
"Je liegt, ik geloof je niet!" - herhaalde hij met schorre stem.
G. G. haalde de schouders op.
"Het laat mij volkomen koud, of je mij al dan niet gelooft" — zei hij droog. "Vertel wat je wilt en verzwijg wat je wilt — ook dat laat me koud. En nu op zij, als 't je blieft!"
Met een sprong vloog Standerton hem naar de keel, om echter dadelijk voor den mond van zijn revolver terug te deinzen.
"Geen dwaasheden!" — vermaande mijn vriend. "'t Was misschien voor jou het best, wanneer ik den haan overhaalde; maar ik ben niet van plan dat te doen, tenzij je er mij toe dwingt."
Standerton was op zijn stoel neergevallen en ondersteunde opnieuw het hoofd met beide handen. "Bewijs mij, wat je gezegd hebt!" - zeide hij, nauwelijks hoorbaar.
"Waartoe zou het dienen? Welk belang heb ik daarbij? Ik herhaal, dat het mij volmaakt onverschillig is, of je het gelooft of niet!"
"Maar begrijp dan toch, wat het voor mij beteekent!"
G. G. lachte luidkeels. "Alsof ik dat niet begreep. James Standerton! De eenige troefkaart, die je nog had, is je uit de hand geslagen! Dacht je, dat ik niet begrepen had, hoe je erop rekende, dat, evenals vroeger, de vrees voor schandaal de ergste straf van je afwenden zou? Maar, m'n beste, het schandaal is er reeds en ditmaal ontga je je straf niet!"
"Bewijs het! Bewijs het!" - Zijn stem klonk rauw en schor.
"Dáár dan!" — G. G. wierp een courant voor hem op de tafel. Ik zag, dat een artikel daarin met blauw omlijnd was.
James Standerton nam het blad met bevende hand. Ik hoorde het papier ritselen door het trillen van zijn vingers en ik zag de uitdrukking van angst, die in zijn oogen en op zijn gezicht lag, sterker en sterker worden. Eindelijk schoof hij het blad op zij en bedekte zich het gezicht met beide handen.
"Je ziet, hoe de zaken staan!" — zeide G. G. op scherpen toon. "Niemand heeft eenig belang meer, je van den strop te redden, en niemand heeft dien meer verdiend dan jij!"
Standerton nam de handen van het gezicht en staarde met nu door angst verwrongen trekken G. G. aan.
"Red mij, als je een mensch bent" — zei hij zacht. G. G. maakte een gebaar van verachting. "A bah!" — zeide hij. "Ik had gedacht, dat je tenminste moed had!"
"Je begrijpt me niet!" — vervolgde Standerton. "Neem dat pistool en schiet mij door het hoofd daarvoor ben ik niet bang." "Je krijgt, wat je dubbel en dwars verdient hebt: den strop!"
Standerton rees langzaam overeind. Hij wankelde daarbij en hield zich aan de lafel vast. "Dat niet! Dat niet!" zeide hij op doffen toon. "In God's naam, dat niet!" — en opeens lag hij voor G. G. op de knieën en hief de handen smeekend omhoog.
"In God's naam, dat niet!"
Ik heb in mijn practijk voor vele psychologische raadselen gestaan, maar dit is wel een deronbegrijpelijkste geweest! Deze man, dezegevaarlijkemisdadiger, van wien men toch had kunverwachten, nen dat hij zich gemeenzaam gemaakt had met de gedachte, dat zijn loopbaan van diefstal en moord eindigen moest, waarzij rechtstreeks heenvoerde: aan de galg; deze krachtige man, die zeker geen lafaard was en den dood in een andere gestalte niet vreesde, had een onoverwinnelijken angst, een angst, die hem half krankzinnig maakte en zelfs op zijn lippen den naam van God deed opwellen, voor den dood in den vorm, die den misdadiger wacht. Zijn geheele leven had hij — om zoo te zeggen — de galg voor oogen gehad! Nu hij inzag, dat deze hem onvermijdelijk wachtte, was al zijn moed verdwenen. Als een zwakkeling, zonder wils- en weerkracht, smeekte hij om genade: een gebroken man!
Inderdaad gevoelde ik eenig medelijden met hem, zooals hij daar aan de voeten van G. G. knielde. Maar op het gezicht van den detective was geen spoor van medelijden te ontdekken! Voor hem was deze man, die Lady Edith vervolgd en mishandeld had, een monster, dat geen zweem van medegevoel kon opwekken. Bittere afschuw en diepe verachting lagen in zijn blikken, maar hij sprak geen woord.
Langzaam gingen wij naar de deur. Buiten stond een gevangenbewaker, die daar de wacht hield, totdat hij de deur achter ons zou kunnen sluiten en grendelen. G. G. stak reeds zijn hand uit om haar te openen, toen hij plotseling staan bleef.
"Mijn courant!" - zeide hij, zich omkeerende en naar de tafel tredende.
Hij stond op dat oogenblik met den rug naar mij toe. Ik zag dat hij de courant opnam en in zijn borstzak stak. Uit zijn bewegingen maakte ik veder op, dat hij iets uit een zijner vestzakken nam en op de tafel legde. Wat het was, kon ik niet zien en toen hij mij een oogenblik later met zacht geweld de deur uitduwde, had ik het nog niet kunnen zien, omdat hij voortdurend tusschen mij en de tafel gebleven was. Maar steeds zal mij het gezicht van James Standerton bijblijven, zooals hij - nog altijd in knielende houding - strak naar de plants keek, waar G. G. dat onbekende voorwerp op de tafel scheen te hebben neërgelegd. Zijn oogen sperden zich wijder en wijder open en, steeds op de knieën liggende, richtte hij het bovenlijf recht overeind. Op het oogenblik, waarop de deur gesloten werd, zag ik nog, hoe hij de handen plotseling weer voor het gelaat sloeg en, als had alle kracht hem begeven, op den vloer inéénzakte.
Toen wij buiten in het volle daglicht kwamen, viel het mij op, hoe bleek G. G. er uit zag; maar zijn gezicht stond harder en grimmiger dan ooit.
"Wat was dat met die courant?" — vroeg ik. "Is de geschiedenis van Lady Edith wereldkundig geworden?"
"Speciale editie — voor mij, in één exemplaar" — zei hij droog. "Ik heb je meègenomen, omdat ik niet in het geheim, als 'n misdadiger, handelen wil. Jij bent de eenige, die mijn motieven kent — jij bent óók de eenige, die oordeelen zult."
"Maar . . . "''"
"Zeg nu liever niets meer en wacht af! Ik wacht ook!"
Lang te wachten behoefde ik niet! Reeds den volgenden ochtend kwam G. G. op mijn kamer en legde mij een ochtendblad voor. Ik las:
"Hedennacht heeft James Standerton, de oplichter en moordenaar, die eenigen tijd als Lord Lidder-dale in ons midden leefde, in de gevangenis zelf-moord gepleegd. Hij bediende zich daartoe van een ouderwetsch sieraad, een ongeslepen smaragd, in goud gevat, met een uitspringend sliftje, dat een zwaar vergif bevat, zoodat een prik of schrap daar-mede dooden kan. Het is gebleken, dat dit sieraad afkomstig is van den juweelendiefstal bij Lord Lowden en het eenige stuk uit zijne collectie was, dat hij niet had teruggekregen, zoodat men meende, dat het door James Standerton verkocht of verloren was. Deze moet het, op de een of andere wijze, op zijn persoon verborgen, in de gevangenis gesmokkeld hebben. De omstandigheid, dat het subtiel werkende vergil, op een vervalscht doktersbriefje, door den misdadiger zelven - toen men dezen nog voor Lord Lidderdale hield - bij een apotheker in . . . street gekocht werd, wijst op zijn voornemen, zich bij ont-dekking van het leven te berooven, evenals het feit, dat hij het sieraad mede in de gevangenis nam."
lk zag G. G. aan. Hij was nog steeds bleek en grimmig.
"Hoe kwam die smaragd in zijn cel?" - vroeg ik, hoewel ik het antwoord op die vraag zeer wel wist.
G. G. keek mij een oogenblik strak aan. Toen haalde hij de schouders op.
"Overdenk je oordeel en overhaast je niet!" — zij hij.
"Dus je hebt ...?"
Opnieuw keek hij mij aan, knikte en zeide slechts twee woorden:
"Lady Edith!"
Daarop verliet hij haastig de kamer.
## BESLUIT.
Ook zij, die mijn verhaal tot durverre gevolgd hebben, vooral met het oog op het merkwaardige geval van criminaliteit, dat het behandelt, zullen er misschien belang in stellen, te vernemen wat er van de verschillende dramatis personae geworden is.
"Om — tegen alle regels en vormen in — met mijzelven te beginnen: een half jaar na de gebeurtenissen, die met den dood van James Standerton eindigden, trouwde ik met Lady Maud. De heldenrol, die mij tegen wil en dank toegeschreven werd, droeg er veel toe bij, Lord en Lady Stockton over alle bezwaren te doen heenstappen. Mijne vrouw kent nu de geschiedenis van haar zuster — behalve G. G. en ik en nôg iemand (over wien straks) de eenige, die haar kent. Ik heb mij — zooals mijn plan was — in Holland gevestigd, want ik was Hollander genoeg om niet van een rijken schoonvader te willen afhangen. Lord Stockton is sedert gestorven. Titel en grondbezit zijn in een zijtak der familie overgegaan; zijn aanzienlijk persoonlijk vermogen is aan zijn weduwe en kinderen gekomen.
Lady Edith en hare moeder hebben tot voor korten tijd samen gewoond, hetzij in Londen, hetzij op een buitengoed in Sussex. Elken zomer hebben mijn vrouw en ik eenigen tijd bij haar doorgebracht en een enkele maal hebben wij den "season" in Londen nog medegemaakt. Kort geleden is Lady Edith in het huwelijk getreden met Lord Ruthven. Beiden zijn niet piep-jong meer, doch het huwelijk is voortgesproten uit wederzijdsche achting en genegenheid. Het heeft Ruthven veel moeite gekost, Edith te bewegen toe te stemmen, want zij achtte haar verleden een onoverkomelijken hinderpaal. Maar toen zij hem, ook in dit opzicht, haar vertrouwen geschonken had, bleek het, dat hij er anders over dacht, en . . . de vrouw behoort zich aan den man te onderwerpen!
Lord Lowden is naar Italië teruggekeerd, met zijn onafscheidelijken Italiaan. Hij leeft nog steeds en correspondeert nu en dan met mijn vrouw en mij. Ook Lady Ackland vereerde hij zeer dikwijls met brieven, totdat deze over-rijpe en over-rijke dame in het huwelijk trad met een jongen man van goede familie, wiens moeder zij zijn kon. Sedert heeft Lowden niets meer van zich doen hooren.
Mr. Jenkins is te Londen gebleven, in dienst van Scotland Yard. In sommige gevallen is hij nog steeds de rechterhand van G. G.
En nu mijn vriend!
Misschien zal het menigeen verbazen, dat ik hem de vriendschap niet heb opgezegd. Ik heb dat niet over mij kunnen krijgen. Zeker, wat hij gedaan heeft, is niet verdedigbaar, valt zelfs onder de strafwet. En toch is het mij maar niet gelukt, in hem een moreel minderwaardige te zien! Het is den mensch verboden voor Voorzienigheid te spelen; maar dat James Standerton den dood vrijwillig is ingegaan door middel van hetzelfde moordtuig, waarmede hij Lady Edith had willen om het leven brengen, heeft iets, dat den rechtvaardigheidszin bevredigt. "Oog om oog, tand om tand!" Zeker, 'n gevaarlijk rechtsprincipe! Maar het menschelijk gevoel volgt niet altijd den weg der rechtsprincipes.
Ik ben er mij van bewust, dat deze beschouwingen onbehoorlijk zijn voor 'n jurist. In Godsnaam!
G. G. heeft na den dood van James Standerton nimmer getracht Lady Edith te naderen; hij heeft haar zelfs zooveel mogelijk vermeden en thans sedert jaren niet gezien. Elke geldelijke belooning van Lord Stockton wees hij beslist van de hand. Hij leeft voor zijn beroep en is dezelfde koele, scherpzinnige, wat spotachtige opmerker gebleven. Maar er zijn op zijn voorhoofd meer rimpels dan weleer en er loopen zilveren strepen door zijn haar.
Heb ik, in mijn geluk, het recht hem te veroordeelen?
EINDE.